In deze pagina's praten we alleen over serieuze kwesties. Hier valt niets te lachen. In elk geval niet om mij. En omdat we nu eenmaal niet in alle serieuze kwesties geïnteresseerd kunnen zijn, hebben we ons beperkt tot vijf. En daarvan behoren er drie tot de schone kunsten.

Waarom? Het heerlijke van de schone kunsten is dat ze zinloos zijn, ook al beweren velen het tegendeel. Meestal zijn dat gelovigen, die kunst uit principe als zinvol definiëren, omdat god nu eenmaal etcetera. Of het gaat om mensen die aan de beoefenaars ervan gelden moeten toekennen, en derhalve dringend argumenten nodig hebben om dat te doen. Het verschil tussen die groepen is in de praktijk niet zo groot, al is de laatste vermoedelijk minder oprecht. Geld geven aan zinloze dingen is slechte politiek. Slecht betekent in dit geval dat de kans op herverkiezing van de politicus in kwestie erdoor verkleind wordt.
Zelf houd ik veel van zinloze dingen. Zinloze dingen zijn dingen waarvan de zin ligt in het bedrijven of kennis nemen ervan, en verder in niets. Als zulke zaken dan ook nog eens daarbuiten een zin blijken te hebben, denken diezelfden dat het daarom gaat. Maar dat is niet zo. Het is nog veel erger: kunst die bedoeld is om een zin te hebben buiten die kunst zelf, raakt achterhaald als die zin achterhaald raakt. Dat soort kunst is eigenlijk geen kunst, maar mode. Het allerergste is natuurlijk de kunst die zich voordoet als echte kunst juist omdat ze zinloos is. Maar de zinloosheid is niet waar het om gaat: wat mij betreft bevindt Damien Hirst's met diamanten bezette doodshoofd zich in dezelfde categorie van artisticiteit als de in goud uitgevoerde badkamer van de Arabische sjeik, zij het dat de laatste nog het excuus heeft dat hij uit een tent komt.

De twee andere terreinen zijn de politiek, omdat ze ieders dagelijkse doen en laten raakt, en het onderwijs, omdat ik daar zelf werkzaam ben, wat me toch tot een soort deskundige maakt. Grapje. Dat laatste is een onzinnig cliché. Het barst in het onderwijs van de mensen die ik toch niet als deskundig zou willen kwalificeren. Vaak zijn dat managers - zoals ze zichzelf vroeger noemden, maar nu niet meer - helaas echter lang niet altijd. Volgens hetzelfde principe zijn ook veel leerlingen en leraren deskundig. En soms is dat ook zo, maar met feit dat ze leerling of leraar zijn, heeft dat niet te maken. Ja, zegt u dat wel. Dit zijn allemaal platitudes, maar als beginselverklaring mogen die wel een keer.

Ik moet het maar direct opbiechten. Ik neem bijna niets serieus. Ik houd niet van dieren (tenzij je ze kunt eten), en zodoende kan ik niet eens zeggen: ik houd meer van dieren dan van mensen. Maar eerlijk is eerlijk: als je dieren niet kon eten, zou ik op de meeste meer gesteld zijn dan op veel medemensen. Voor kikkers en wormen geldt dat niet. Ik bedoel: ik houd meer van mensen dan van kikkers en wormen. Maar ja, die kun je ook niet eten.
Hoe dan ook: een wolf is een wolf, en een leeuw een leeuw. Zelf ben ik trouwens ook een leeuw. Maar je weet dat je een leeuw beter niet kunt aaien. Wonderlijk genoeg houden heel wat dieren (en dronkelappen, en kinderen en krankzinnigen) veel van me, dus wie weet, zou het nog goed aflopen ook. Maar ik begin er toch maar niet aan. In zo'n geval kun je vasthouden aan de theorie: als een leeuw honger heeft, eet hij je op - want gezien mijn carnivore aard wel een bewijs van hogere gerechtigheid zou zijn - en dus kun je hem beter niet proberen te aaien. Soms eet een leeuw je trouwens ook op als hij geen honger heeft. Daarin lijkt hij wel op de mens. Toch ligt het bij mensen een stuk ingewikkelder. Veel mensen laten wat ze vinden bepalen door hun belangen. Wat ze echt vinden, achten ze van weinig waarde, en meestal hebben ze daar gelijk in. Het vervelende is dat ze nooit zullen erkennen dat ze hun belangen interessanter vinden dan hun meningen. En er is geen theorie beschikbaar waarmee je degenen die volgens dat principe leven, kunt herkennen. En daarom is het verstandig iedereen te wantrouwen die belangen heeft bij wat hij vindt. Nee, daar hebt u gelijk in: dat betekent nog niet dat iemand die geen belangen heeft, betrouwbaar is. Waarmee we, al met al, niet erg zijn opgeschoten. Maarre... dat had u inmiddels wel begrepen: ergens mee opschieten is niet waar het in deze pagina's om draait.


KORTE NOTITIES

1

Het zijn de eenvoudigste vragen die het lastigst te beantwoorden zijn. Wellicht getuigt het van een grote geestelijke armoede, maar op de meeste ervan kan ik geen zinnig antwoord geven. Ik ben toch al niet erg filosofisch aangelegd, misschien omdat ik de wijsgerige overweging in het diepst van mijn wezen als iets niet ter zake doende beschouw. Ze lijkt me te zeer los te staan van het dagelijks handelen waartoe een mens wordt gedwongen, wanneer hij, zoals ik, niet geheel onafhankelijk is en zijn brood met arbeid moet verdienen - en zelfs, zo ben ik geneigd te zeggen tegen iedereen die nu roept: zie je wel - wanneer dat niet zo is, al kan ik dat laatste dus niet bewijzen. De opvattingen die een mens heeft, zijn zozeer het resultaat van zijn ervaringen en de ideeën die hij op grond daarvan, van zijn verstandelijke vermogens, zijn geaardheid, zijn aanleg en zijn temperament, heeft ontwikkeld dat wijsgerige overwegingen er in de praktijk niet veel meer toe doen. Als hij daarbij een zekere eigenzinnigheid heeft opgedaan, bezorgen zijn opvattingen hem al meer problemen, dan waarvan een filosofische inslag hem kan redden. En zeker: zo'n idee is ook te interpreteren als de illustratie van een verregaande mentale platheid en zelfs als de bevestiging der juistheid van het tegendeel, namelijk dat een mens eigenlijk niet zonder kan. Misschien zòu ik alle dingen die ik vind onder moeten brengen in een wijdere, algemenere en samenhangende reeks ideeën, in iets wat je met een groot woord een filosofie zou kunnen noemen, en zou dat de tegenstrijdigheden opheffen, die ik in mijn eigen opvattingen soms waarneem, maar waarvoor ik min of meer bewust de ogen sluit, zoals kinderen denken dat ze, zolang ze niet kijken, zelf ook onzichtbaar zijn. Het zou kunnen. "Het zou zo maar kunnen", zeggen mensen als ze heden ten dage in de mode willen zijn dan, in de gekozen instant-formulering hun instant-verbazing tot uitdrukking brengend. Dat neemt niet weg dat het er nooit van gekomen is. En nu ben ik er te oud voor, mompel ik dan, zelfvoldaan. Een deel van mijn geest – het mindere misschien, of het deel dat wat praktischer van gezindheid is – fluistert daar onmiddellijk achteraan: een mens is nooit te oud.

2

Waarom zijn het altijd vrouwen die zulke vragen stellen? Ik geloof niet dat er ooit een man is geweest die me heeft gevraagd of ik gelukkig ben, om eens een voorbeeld te geven van een eenvoudige vraag die me altijd weer kortstondig in depressie doet verzinken, omdat alleen het klaarblijkelijke feit al dat ik daar niet eens direct ja op kan zeggen, in de ogen van derden wel bewijst dat het niet zo is. En dat iemand die niet zo wijsgerig van aanleg is, juist op zo'n moment filosofisch wordt, teneinde een nog enigszins bevredigend antwoord te geven, nou ja, dat is ook geen sterk punt. Ik begrijp het. Ik zeg dan altijd maar iets als: geluk is in de diepste zin van het woord een kortstondige zaak. Blij, vrolijk, opgewekt, goedgemutst, die duren langer. En daar, lezer, mankeert het niet aan. Meestal.

3

Indien u al wat ouder bent, is het u inmiddels ook opgevallen: de vrouwen van nu zijn veel mooier dan de vrouwen van vroeger. Misschien behoeft die mededeling overigens enige nadere kwalificatie. Ik bedoel nu, en ik zeg het zonder sociaal depreciërend te willen zijn, vrouwen van een zekere intelligentie. Als er in mijn studietijd op de afdeling een mooie vrouw verscheen, baarde dat zowat opzien. Ze werd beschouwd als een slag in het gezicht van de feministische status-quo. Het was bovendien moeilijker dan nu vast te stellen of een vrouw mooi was of niet. De meeste studentes gingen namelijk gehuld in tafelkleed-achtige gewaden, verplaatsten zich op badslippers, terwijl het haar wassen als een laffe concessie aan de mannelijk-chauvinistische geaardheid werd beschouwd. De kringen om de ogen waren het gevolg van de dagelijks geconsumeerde geitenmelk en de vegetarische voedingswijze. In de bushokjes hingen posters: verkrachting dichterbij dan u denkt. Toen ik voor het eerst in Italië kwam, viel ik, dat begrijpt u, zodoende van de ene verbazing in de andere. En nu: als je over het Rokin loopt, en ziet wat daar allemaal staat bij de halte voor de Oudemanhuispoort, kijk je je ogen uit. Hoe kan dat? Wie erover nadenkt, loopt al gauw het risico te vervallen in allerlei goedkope verklaringen: de intelligente vrouwen van nu zijn niet zozeer mooier - nou ja, ze zijn wel mooier - als minder intelligent. Kan het waar zijn dat het Nederlandse universitaire niveau zo drastisch is gedaald?

4

Heel veel vrienden kan een fatsoenlijk mens nooit hebben, in elk geval niet zo veel als ik er op mijn Facebook heb. Ik geef les op een middelbare school, doe dat inmiddels zo'n 35 jaar en moet dan ook duizenden leerlingen in mijn klassen hebben gehad. Zo'n 500 daarvan hebben zich op mijn Facebook aangemeld, soms, wanneer het om leerlingen ging, om hoogst dubieuze redenen. Het gebeurt dat je iemand een drie geeft en die zich nog dezelfde dag aanmeldt. Slechts één van hen heeft zich na pakweg tweeëneenhalf jaar, om een even dubieuze reden, ook weer afgemeld. Zelf klik ik nooit iemand aan, zoals ik nooit iemand weiger, tenzij ik hem of haar niet ken. Welbeschouwd is vijfhonderd op al die duizenden geen blijk van grote populariteit, zegt u dat wel. Ik heb Facebook een keer weggedaan, in de ijdele hoop opnieuw te beginnen, maar zonder de leerlingen. Het blijkt dat je dat dan wel onder een andere naam moet doen, want anders staat alles er nog gewoon. Veel oud-leerlingen kom je nog wel eens tegen, gewoon, in het echt. Nogal wat gaan studeren in Amsterdam, waar ik nu eenmaal woon. Ik ontmoet ze in de trein, op straat, bij Albert Heijn, in een café, zelfs in het Concertgebouw of het Muziektheater, wat al heel mooi is. Ik kom ze trouwens ook wel eens buiten Amsterdam tegen. Zo in Parijs, in Rome, in Madrid, in Athene. Afhankelijk van hun geaardheid en de persoonlijke verhouding die er ooit bestond, is de begroeting koel, gereserveerd, vriendelijk of zelfs extatisch. Maar het is opmerkelijk dat ik nog nooit een oud-leerling ben tegengekomen in een boekhandel, terwijl de kans dat zij mij daar onmoeten aanzienlijk groter is dan gemiddeld. Hoeveel echte vrienden dan, vroeg u? Vier?

5

Van iemand die een goed deel van zijn bestaan lezend en schrijvend heeft doorgebracht en die daarmee blijkbaar van zins is door te gaan tot hij de laatste adem uitblaast, of in elk geval zolang zijn geestelijke vermogens hem daartoe in staat stellen, mag je toch verwachten dat hij op de vraag: waarom? een zinnig antwoord heeft. Die vraag te beantwoorden moet simpel zijn. Het is bovendien een vraag die door geen enkele vrouw is gesteld. Raar eigenlijk. Ik zal er eens over nadenken.

6

Mensen die je alleen oppervlakkig kennen, zoals leerlingen, vragen wel eens: waarom bent u niet getrouwd? Inderdaad, dat zijn meestal vrouwelijke leerlingen. De man alleen is ook een dubieus product, ik geef het toe. Hij is vermoedelijk seksueel delinquent, pervers, pedoseksueel, of gewoon verknipt. De meeste volwassenen zouden zo 'n vraag niet durven stellen. Verder voelen blijkbaar alleen vrouwen met wie je een relatie hebt, of hebt gehad, zich gerechtigd de kwestie aan te snijden. Maar er een serieus antwoord op te geven, is nog niet zo simpel. Ik weet het zelf niet goed. Mijn ongehuwde status is geenszins het product van overleg. Het is gewoon zo gegaan. Tegen leerlingen, die ik nu eenmaal niet serieus hoef te nemen, zeg ik: "ik was te lelijk. Er was niemand die me wilde." Ik voeg eraan toe dat ik samenleef met een goudvis, die Anna heet. Anna 33, 34 of 35. Mijn goudvissen hebben een hoge omloopsnelheid, voeg ik daar dan aan toe. Aangezien ik van nature een afkeer heb van de gemakkelijke leugen, zeg ik tegen de vrouwen in kwestie meestal iets als: "Ik zou het met éen vrouw niet uithouden." Wat enkel als een belediging kan worden opgevat. Toch is het zo. Op het gevaar af mezelf ten toon te stellen als een doorgewinterd vrouwenhater, ik geloof niet dat ik ooit een vrouw ben tegengekomen met wie ik de rest van mijn leven had willen doorbrengen. Hoogstens zou ik bereid geweest zijn mezelf dat wijs te maken, voordat ik haar veroverd had, om daarna onmiddellijk te besluiten dat ik me had vergist. U hebt gelijk. Dat is niet goed. Zou er toch wat inzitten? Een man alleen?

7

Ik geloof niet dat ik ooit een vrouw tegen ben gekomen die ik echt interessant vond. Daar moet ik dan wel aan toevoegen dat ik nooit heb gezocht naar een vrouw die ik interessant vond. Anderzijds, vrouwen heb ik genoeg gezocht en dat er bij wie ik vond, zonder te zoeken naar hoe interessant ze waren, nooit éen bijzat die in elk geval per ongeluk interessant was, lijkt toch een opmerkelijke zaak. Misschien had ik beter moeten zoeken. Misschien ben ikzelf niet interessant genoeg. Dat zeg ik alleen zomaar.

8

Ouder worden is verbonden met veel meer leed dan je ooit had gedacht toen je er nog geen last van had. Over het voordehand liggende fysieke ongerief zwijgen we, zoals ook de niet te onderschatten uitwerking op het psychisch gestel valt te negeren. Het is niet zo dat je troost ontleent aan de grotere rampspoed van anderen, maar je denkt toch: het had erger gekund. Voor iemand echter die van nature een groot bewaarder is - hebbelijkheid die enkel kan zijn ingegeven door overschatting van het eigen belang – en die bovendien over genoeg vierkante meters beschikt om aan die zwakte toe te geven, komt onvermijdelijk het moment waarop hij tot inkeer geraakt. Het is erg genoeg dat dit aards bestel het zo heeft beschikt dat je op een gegeven moment zelf wordt weggegooid, al doen  belanghebbenden het, deels tegen betaling, door de schijn van voorgewende plechtstatigheid voorkomen dat het met enige omhaal gebeurt. Ze zetten je niet gewoon bij de vuilnis, nietwaar. Dat er ook voor jou op dit zo hardvochtige arrangement geen uitzondering wordt gemaakt, het is onredelijk, maar protest aantekenen heeft weinig zin. Dat anderen er zich toe verplicht voelen er, zo niet bij aanwezig, dan toch bij behulpzaam te zijn: het kan niet anders. Je mag hopen dat ze zich niet schaterend van de lach naar de groeve haasten, maar uit te sluiten valt het niet. Over je graf heen kun je niet regeren. Wat je wel kan, is er tenminste zorg voor dragen dat onschuldige omstanders niet ook nog eens je hele hebben en houden moeten laten verdwijnen. En zodoende heb ik de laatste weken veel weggegooid. Wie kan zeggen dat hij zichzelf bij het oud papier heeft gezet? Uw dienaar. Om het goed te maken heb ik een nieuwe televisie aangeschaft. Eindelijk een gewoon mens. Vrienden die, alweer een tijdje geleden, naar het voetbal kwamen kijken, zeiden: Jezus Christus!

9

Wacht maar tot je wat ouder wordt. De wijsheid komt met de jaren. U kent het soort uitspraken wel dat meestal wordt gebezigd door ouderen tegen degenen die jonger zijn en zich in situaties begeven of standpunten innemen die ze als onverstandig beschouwen. Ze achten zichzelf ouder en daarom wijzer. En ze denken dat die jongere hun ooit met terugwerkende kracht gelijk gaat geven. Het is niet waar, kan ik inmiddels wel zeggen. Als wijsheid hetzelfde was als ouderdom, zou oud niet iets zijn wat je wordt. Dan is het wat je bijvoorbaat bent of nooit zult worden. En zo is het ook. Toen ik als achtjarige de parabel te horen kreeg van de dwaze en de wijze maagden, met hun lampionnetjes, of lantaarntjes, of wat het ook was, voelde ik niet alleen direct meer sympathie voor de dwaze dan de wijze maagden, ik begreep ook nog dat dat niet de stichtend bedoelde boodschap van de parabel was. Toen al begreep ik dat ikzelf altijd een dwaze maagd zou zijn. Svevo schreef over zijn Zeno: Tanti à questo mondo apprendono soltanto ascoltando se stessi o almeno non sanno apprendere ascoltando gli altri. Sommigen op deze wereld leren alleen door naar zichzelf te luisteren of tenminste niet door te luisteren naar anderen.

10

Ik heb me afgevraagd hoe het kan dat ik me de dingen veel sterker aantrek dan vroeger, toen ik door praktisch niets te raken was; en waarom dat uitgerekend gebeurt op een moment dat het belang van je opvattingen, als die er ooit toe deden, slinkende is. Of het ging om boeken, films, de werkelijkheid of mijn medemens, dat maakte niet uit. Echt geraakt werd ik zelden. Blijkbaar heb ik van nature een grote afstand tot de wereld om me heen. Ik ben bang dat ik voor het laatst heb gehuild als kind. En aangezien me niet eens meer bijstaat waarom dan, moet ik ook nog vaststellen dat ik blijkbaar slecht heb opgelet. Het lijkt soms alsof ik slaapwandelend oud ben geworden en van mijn vroegste jeugd herinner ik me bijna niets. Voor schoonheid maakte ik een uitzondering, in welke gedaante die ook verscheen, in die van de kunst of die van het leven. Dat gaat zover dat ik er van overtuigd ben dat ik er verstand van heb, er over een soort alleenrecht op beschik, terwijl ik anderen het recht erop ontzeg omdat ik het beter denk te weten. Dat is altijd zo geweest: ik weet het toch beter. Maar verder erger ik me nu aan alles, inclusief mezelf. Dat is tenminste positief, denk ik dan. Het maakt niet uit waaraan.

11

Ik heb ontdekt, zo rond de leeftijd dat een mens weleer de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, dat ik met alle kwalen van de ouderdom kan leven, behalve met éen, en dat is door vrouwen zo weinig serieus te worden genomen dat ze weer tegen je glimlachen, gewoon op straat, in de tram of in de trein, omdat het, zo nemen ze blijkbaar aan, geen kwaad meer kan. Wat denken ze wel!