Niet alleen zou ik, als je dieren niet kon eten, meer om dieren geven dan om mensen, ik geef meer om boeken ook. Ik verkies praktisch elk goed boek boven welk mens ook. Nou ja, voor wat vrienden maak ik een uitzondering. Maarre, zie de rubriek Vrouwen. Mijn goede oude vader, sinds lang overleden, zei ooit: Ach, jongen, wat moet je met al die boeken. Voor iemand die zijn hele leven gelezen had, en die - wat erger is - dat op het moment dat hij de woorden sprak, nog steeds deed, was het welbeschouwd een opmerkelijke uitspraak. Het woord fictie werd in die jaren nog niet gebruikt. Amerika was nog ver weg, ook al waren de Amerikanen maar net vertrokken. Maar hij bedoelde boeken als verzinsels. Want voor alle andere had nog steeds veel respect. En nu ik zelf op zijn leeftijd gekomen ben, en ik steeds minder op heb met - uh.. pardon... fictie, maar nog evenveel lees als voorheen, begin ik begrip op te brengen voor zijn standpunt. Godzijdank is er veel meer de moeite van het lezen niet waard dan wel, want anders had een mens geen leven, en zeker, ik ontdek nog steeds ook fictie die de moeite van het lezen waard is, zelfs honderden jaren soms nadat ze geschreven is, maar al vele jaren lees ik meer non-fictie dan fictie. Veel romans stellen me teleur, ook als ze geprezen worden door de critici. Juist als ze geprezen worden door de critici, ben ik soms geneigd te denken. Want met de meeste critici heb ik weinig op. Te vaak kunnen ze zelf niet schrijven. Eén troost is er wel. Wat je niet leuk vindt, hoef je niet te lezen. En je hoeft er al helemaal niet over te schrijven. Gelukkig blijft er dan nog genoeg over.

TERUG BIJ AF

maandag 21 januari-maandag 1 april 2019
Ik weet zelf niet goed waarom ik al een tijd lang zo gedeprimeerd ben. Nou ja, ik weet het wel, of ik vermoed het, misschien, denk ik, maar loop er voorzichtig nog wat om heen. Een beetje zoals om de rook van een beginnende brand of de locatie van een delict. Natuurlijk niet omdat je er iets mee te maken had. Nadat ik de dagboeken van Victor Klemperer had - let wel - herlezen, behalve die van zijn laatste levensjaren in de DDR, maar wel nog zijn Curriculum Vitae en ook zijn dagboek van de rode revolutie in München - man möchte immer weinen und lachen in einem - las ik vervolgens het zesde deel van Harry Graf Kesslers dagboeken, over de jaren van 1916 tot 1918, alles bij elkaar toch al gauw zo'n 10.000 pagina's, met veel joods verdriet, crisisleed en oorlogsduits, en dacht ik ten slotte, op de vlucht voor mezelf als ik was: wat nu? Wat kan ik mezelf nog meer aandoen?

Lang geleden, ergens in 1977 of 1978 of zo, legde ik een tentamen af over wat toen, tijdens mijn doctoraal Nederlands, een speciaal onderwerp heette. Het betrof het Naturalisme. Ik kreeg een forse literatuurlijst en een datum voor een mondeling tentamen en dat was het. Ik had voor het onderwerp gekozen omdat ik mijn Frans wilde oppoetsen, want dat stelde op dat moment, na jaren verwaarlozing, niet veel meer voor. Actie geslaagd. De lijst bestond praktisch alleen uit Franse primaire en secundaire literatuur en voor de schijn ook nog wat Nederlands. Dat kon toen nog zonder dat er iemand protesteerde. Balzac, Flaubert, de Goncourts, de Maupassant, Zola, Huysmans, maar ook Taine, De Vogüé, Mitterand en nog veel meer. En wat Busken-Huet en Van Deyssel. Het tentamen deed ik bij Dick van Halsema, die een paar bladen voor zich had liggen met vragen die hij de een na de ander afstreepte. Dat was wel een beetje de VU in de jaren '70. Het niveau was voortreffelijk, veel beter volgens mij dan dat van de UVA, maar een beetje braaf en schools was het ook. Ik kan het niet helpen dat ik me Van Halsema, toen alleen nog wetenschappelijk medewerker, vooral herinner als de man die, immer in licht gebogen houding, met haar bekertje koffie achter Schenkeveld aanliep. Jaren later zag ik hem - ik op een terras, hij in gestrekte draf, nu met een koffer - in Salamanca. Soms verschaft de werkelijkheid halfrijm, schreef ik ooit elders. Maar over het resultaat van het tentamen kon ik tevreden zijn en Van Halsema ook. Na afloop maakten we nog een praatje, bedoeld om elkaar van de wederzijdse goede intenties te overtuigen. Hij was overigens een voortreffelijk docent. De hand met een verwarde veeg door het iets te lange haar, dat was hij ook. Hoe we over Flauberts correspondentie te spreken kwamen, staat me niet meer bij. Ken je dat niet, zei hij. Man, dat moet je lezen! Dat is zo goed! Het advies werd met zoveel oprecht enthousiasme gegeven dat ik kort daarop de eerste paar delen van de oude Conard-editie uit de bibliotheek haalde. Dat er een nieuwe uitgave aan het verschijnen was, van Jean Bruneau, dat wist ik niet. Het eerste deel van die nieuwe uitgave kocht ik in 1983, het tweede in 1984, waarna ik de andere delen bij verschijning kocht, het vijfde en laatste, niet meer verzorgd door de in 2003 overleden Bruneau, pas in 2007. Ik was diep onder de indruk van die merkwaardige schrijver. Dat is des te opmerkelijker daar zijn echte werk me nooit erg heeft kunnen bekoren. Ik bewonder Bovary en de tweede Éducation Sentimentale wel, maar erg warm word ik er niet van. Warm word ik van Stendhal en van Balzac, maar niet van Flaubert. Een groot deel van zijn werk is naar mijn idee onleesbaar. Zijn - verrassend genoeg - misschien wel interessantste correspondente, George Sand, die wist het wel. Had Flaubert maar minder moeite gedaan, dan zouden we hem nu meer gelezen hebben.

Nadar (Gaspard-Félix Tournachon, 1820-1910), Gustave Flaubert (1821-1880). Bron foto: Album Flaubert, Iconographie réunie et commentée per Jean Bruneau et Jean A. Ducourneau. Parijs, Gallimard, 1972. Bibliothèque de la Pléiade.

Nadar, Gustave Flaubert

Maar dan is daar dus die sublieme correspondentie. Daarbij hebben we het over vele duizenden pagina's, omvangrijker dan zijn bekendere literaire werk, met heden ten dage daarbij voor het goede begrip even zovele pagina's broodnodige annotatie. De complete Pleiade-uitgave telt ruwweg 8000 bladzijden en is werkelijk een toonbeeld van hoe je een briefwisseling moet uitgeven. Bruneau verdient er wat mij betreft een standbeeld voor: hartje Rouen, levensgroot, staand, éen geheven arm met in de hand een pleiadedeel, de rechtervoet rustend op de rug van Flauberts neerliggende nicht Caroline. Want is er geen weduwe, dan is er wel een ander familielid. De mens Flaubert is een vat vol tegenstrijdigheden en toch een man uit éen stuk en geheel en al zichzelf. Bij Flaubert kun je ondanks alle grilligheid feilloos voorspellen wat hij ergens van zal vinden. Huichelaar, waarheidzegger, hoerenloper, botte, platte mannenman, vriend van vrienden, kind van een moeizame moeder die een vrouw is zonder rivaal, verwoed roker, bereiziger van verre verten in daad en geest, maar vooral in de geest, kosmopoliet en provinciaal, is hij bij uitstek man van het woord en de subtiele formulering, van het schrijven, hogepriester zowel als nederig monnik der literatuur, bij uitsluiting van alle andere vormen van artisticiteit. Hunkerend naar eer en faam, maar dat altijd ontkennend, romanticus in hart en nieren, met een diepe afkeer van de romantiek waarmee hij in zijn beroemdste boek korte metten maakt, zoekt hij, als de zelfkweller die hij is, elke omweg om in godsnaam maar onderzoek te kunnen doen, het kan niet schelen in welke uithoek der wetenschap. Alles beter dan gewoon een boek schrijven! Gek op zijn moeder en op die afschuwelijke nicht van hem, als modelburger hater der bourgeoisie en ondermijner der goede zeden, lintdrager zijns ondanks, man die op zijn vijfentwintigste klinkt alsof hij vijftig is en andersom, liefhebber van oudere vrouwen, geraakt hij, twee keer ook nog, in de armen van die gruwelijke Louise Colet, gehuwde serie-maîtresse. Zijn lange briefwisselingen met haar zijn een verschrikkelijke demonstratie van de hoge prijs die een man betaalt voor wat hij eventueel liefde wil noemen. Tegelijkertijd zijn zelfs die brieven een plezier om te lezen. Beer! Zwoegen! Piocher! Voor vrouwen is Flaubert niet geschikt, als moederskind zelfs niet voor zijn eigen moeder - pauvre vieille adorée - tenzij in zwaar gecensureerde vorm. 'De vrouw is het product van de man. Ze is het resultaat van beschaving, een kunstmatig iets. In landen zonder intellectuele cultuur bestaat ze niet.' Voor wie zelf literaire aspiraties heeft, of voor wie gewoon heel veel om literatuur geeft, is Flauberts brieven lezen een hoopgevende confrontatie, éen die onophoudelijk dwingt tot een debat. En die je ernaar doet verlangen te schrijven. Zolang je niet al te oud bent tenminste. Waarom dat zo is, daar moet ik nog eens over piekeren. Hoe deprimerend is Flauberts correspondentie als je 67 bent? Voorlopig ben ik toch maar vast begonnen. De eerste streepjes van mezelf, gezet in 1983, ben ik al weer tegengekomen. Meestal staan ze op de goede plek. Maar ja.

Flaubert, Correspondentie. Vijf delen, Gallimard NRF, Pléiade. Zesde deel index. Uitgegeven tussen 1973 en 2007. Deel 1, pag. 432. 30 januari 1847, aan Louise Colet: Je wordt wel steeds minder beleefd. Het is bijna beledigend. In al je brieven behandel je me als een simpele ziel en een vrek. Vriendelijk van je. Ik schrijf het op rekening van je zuidelijke temperament en ga er maar aan voorbij. Maar ik verzeker je, lieve vriendin, dat ik er eerder om moet lachen dan dat ik me er boos over maak. Maar een beetje schel van kleur is het wel. En dan, als klap op de vuurpijl, altijd maar weer die hoertjes!

Flaubert, Correspondentie.

GUSTAVE FLAUBERT AAN ERNEST FEYDEAU
Croisset, dinsdagavond 11 januari 1859
Geef me het adres van Théo [Théophile Gautier]. Moet ik hem zijn brief doorsturen? Of doorsturen naar Ernesta [Grisi]? Of hem op de post doen? Ik weet het adres van Ernesta niet. Als Théo op het punt staat terug te komen [uit Rusland] schrijf ik uiteraard niet. Weet je wanneer die ouwe terugkomt, zelf-ouwe?
Morgen verwacht ik de heer Bouilhet, die hier geacht wordt een tiental dagen te verblijven - Waarna ik me in mijn eenzaamheid hervind. En over tien weken zullen wij edelachtbaren het genoegen smaken elkaar te aanschouwen.
Nee, mijn beste. Ik geef helemaal niet toe dat vrouwen verstand hebben van gevoelens. Ze nemen ze enkel waar op persoonlijke en betrekkelijke wijze. Het zijn de hardvochtigste en wreedste wezens: de vrouw is de wanhoop der rechtvaardige. Dat zijn de woorden van Proudhon die, hoewel ik hem maar weinig bewonder, in hun eenvoud geniaal zijn.
Je moet vrouwen (op het terrein der literatuur) alleen vertrouwen als het gaat om zaken van fijnzinnigheid en dingen der zenuwen, maar al het verhevene en hoogstaande ontgaat hun. De neerbuigendheid waarmee we hen bejegen is éen van de oorzaken van he morele verval waar we onder gebukt gaan. - Wij allemaal zijn voor onze moeders, onze zussen, onze dochters, onze vrouwen en onze minnaressen enorme lafaards. Nooit eerder heeft de tiet zoveel laagheid voortgebracht. En de kerk (katholiek, apostolisch en rooms) heeft met het dogma van de onbevlekte ontvangenis blijk gegeven van scherpzinnigheid. Het is de kern van het gevoelsleven der negentiende eeuw, die arme eeuw van bleekheid en bezwijming, die zo'n afschuw heeft van krachtige dingen, van stevig voedsel en die zich als een ziek kind klagend nestelt in de moederschoot.
Vrouw, wat hebben u en ik gemeen? lijkt me een mooiere zegswijze dan al die andere door de historie overgeleverde zegswijzen. Het is de uitroep van het zuivere denken, het protest van het verstand tegen de baarmoeder. En wat ervoor te zeggen valt is dat hij idioten altijd heeft boos gemaakt.
De moederverering is éen der zaken waar toekomstige generaties zich rot om zullen lachen. Net als voor ons respect voor de liefde. Dat gaat allemaal op dezelfde mesthoop als gevoeligheid en natuur van 100 jaar geleden.
Er is volgens mij maar éen dichter die die lieftallige dieren heeft begrepen, en wel de meester aller meesters, de alwetende Shakespeare. De vrouwen zijn slechter of beter dan de mannen. Hij heeft er extreem geëxalteerde, maar nooit redelijke wezens van gemaakt. Daarom zijn zijn vrouwelijke personages zo ideaal en toch zo waar.
Samengevat, vertrouw nooit op wat ze over een boek zeggen. Het temperament is alles voor ze, de gelegenheid, de plaats, de auteur. Maar weten of iets (verfijnd of zelfs subliem) binnen een bepaald geheel uit de toon valt, nee, duizend keer, nee!
Het doet me deugd te merken dat de boekdrukkunst je de keel uit begint te hangen. Volgens mij is het éen van de smerigste uitvindingen der mensheid. Ik heb 35 jaar lang weerstand geboden [Flaubert publiceerde voor het eerst in 1856] en met krabbelen begon ik al op mijn elfde. Een boek is in wezen iets organisch, iets wat deel uitmaakt van onszelf. Wij rukken ons wat ingewanden uit het lijf en die dienen we aan de burger op. De druppels, die uit ons hart afkomstig zijn, zie je terug in de letters van ons schrift. Maar is het eenmaal gedrukt, vaarwel! Dan is het van iedereen. De massa gaat over ons heen. Het is prostitutie tot in de hoogste macht en van het allerergste soort. De afspraak daarentegen luidt dat het heel mooi is, maar je kont verhuren voor tien franc een schande. Het zij zo.
Je wordt stevig omhelsd.
Waarom ben ik vanavond zo praatziek?
Ik verwacht zondag het eerste nummer van Daniel, met een met niets te vergelijken ongeduld.
[Deel 3, 1859-1868, pag. 4-5, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN EDMA ROGER DE GENETTES
1861?
[begin brief ontbreekt] Een goed onderwerp voor een roman is dat wat je in éen stuk krijgt, in éen guts. Het is het moederidee waar alle andere uit voortvloeien. Je bent helemaal niet vrij om dit of dat te schrijven. Je kiest geen onderwerp. Dat is wat het publiek en de kritiek niet begrijpen. Het geheim der meesterwerken zit daar: in de overeenstemming tussen onderwerp en temperament van de auteur.
U hebt gelijk: we moeten met respect over Lucretius spreken. Ik zie met hem vergelijkbaar allen Byron, en Byron heeft niet zijn strengheid, noch de ernst van zijn treurigheid. De klassieke melancholie lijkt me dieper dan die van de modernen, die allemaal aan de overzijde van het zwarte gat stilzwijgend de onsterfelijkheid veronderstellen. Maar voor de klassieken was dat zwarte gat de oneindigheid zelf; hun dromen tekenen zich af en gaan voorbij tegen een roerloze ebbehouten achtergrond. Geen kreten, geen stuiptrekkingen, niets dan de vastheid van een nadenkend gelaat. Toen de Goden er niet meer waren en Christus nog niet was gearriveerd, is er van Cicero tot Marcus Aurelius een uniek moment geweest waarop alleen de mens er was. Die grootsheid vind ik verder nergens; maar wat Lucretius onverdraaglijk maakt, is dat hij zijn fysica als iets positiefs presenteert. Hij is zwak omdat hij niet genoeg getwijfeld heeft. Hij wilde uitleggen, concluderen!...
Als hij van Epicurus alleen de geest, en niet het systeem had overgenomen, zouden de delen van zijn werk onsterfelijk en radicaal geweest zijn. Het doet er niet toe: onze moderne dichters zijn naast zo'n man magere denkers.
[Deel 3, 1859-1868, pag. 191, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN EDMA ROGER DE GENETTES
Croisset, rond 20 oktober 1864
Wat verveel ik me, wat ben ik moe. De bladeren vallen, ik hoor een doodsklok luiden. Er staat een zachte wind die me op de zenuwen werkt. Ik heb zin om naar het einde der wereld te vertrekken, dat wil zeggen naar u, en mijn arme verdrietige hoofd op uw hart te leggen en er te sterven. - Hebt u wel eens gedacht aan de treurigheid van mijn bestaan en aan de wilskracht die ik nodig heb om te leven? Ik breng mijn dagen in absolute eenzaamheid door, met niet meer gezelschap dan alsof ik diep in Centraal-Afrika zat. 's Avonds lukt het me dan na lang tobben een paar regels te schrijven die ik de volgende dag afschuwelijk vind. Er moeten beslist vrolijker mensen zijn. Ik word verpletterd door de moeilijkheden die ik heb met mijn boek [L'Éducation Sentimentale]. Ben ik oud geworden? Ben ik op? Ik geloof het. Zoiets zit erachter. Bovendien is het niet gemakkelijk wat ik doe; ik ben schuw geworden, in mezelf opgesloten. In zeven weken heb ik 15 pagina's geschreven en die stellen niet veel voor...
Wat is de wereld slecht georganiseerd. Vanwaar de lelijkheid, het lijden, de droefenis? Vanwaar onze machteloze dromen? Waarom dat alles? ... Ik heb een aantal jaren geleefd in een staat die ik episch zou willen noemen, zonder ook maar de minste twijfel te voelen of de minste vermoeidheid. Maar nu ben ik gebroken. Ik zou me eens flink moeten amuseren.
Wat denk ik vaak aan u en wat een behoefte heb ik aan uw geestrijkheid en uw elegantie. Maar de eisen van mijn verpletterende arbeid veroordelen me tot een scheiding die ik vervloek. Ik begin te geloven dat ik in mijn leven de verkeerde weg ben ingeslagen: maar was ik vrij in mijn keuze? De burgerman is gelukkig. En toch zou ik er geen willen zijn. Het is de geschiedenis van de oude brahman uit de verhalen van Voltaire.
Des te beter als Taine u interesseert [Hyppolite Taine, Histoire de la littérature anglaise, de kritiek betreft het voorwoord op het eerste deel; hier komt bijvoorbeeld race, milieu, moment vandaan, Zola's basis voor zijn naturalisme]. Het is hoogstaand, degelijk werk, al bevalt het uitgangspunt ervan me niets. Er zit meer vast aan de kunst dan het milieu waarin ze beoefend wordt en de fysiologische antecedenten van de maker. Met dat systeem verklaar je de serie, de groep, maar nooit het individuele geval, het bijzondere feit dat maakt dat je juist die bent. De methode leidt noodzakelijkerwijs tot het veronachtzamen van het talent. Het meesterwerk heeft enkel betekenis als historisch document. Dat is precies het omgekeerde van de oude kritiek van La Harpe. Ooit geloofde men dat de literatuur een persoonlijke zaak was, en dat de kunstwerken als meteoren uit de hemel kwamen vallen. Nu ontkent men elke wil, al het absolute. Ik geloof dat de waarheid in het midden ligt.
[Deel 3, 1859-1868, pag. 410-411, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN GEORGE SAND
Croisset, 20 april [1871]
Chère Maître,
Laat me onmiddellijk uw vragen over mij persoonlijk beantwoorden - nee, de Pruisen hebben mijn verblijf niet geplunderd. Ze hebben wat onbeduidende spullen gejat, een toiletnécessaire, een portefeuille, pijpen, maar alles bij elkaar hebben ze niets ergs aangericht. Wat betreft mijn werkkamer: die hebben ze met rust gelaten. Ik had een grote doos vol brieven begraven en mijn omvangrijke aantekeningen voor Saint Antoine in veiligheid gebracht. Dat heb ik allemaal intact teruggevonden.
Voor mij was het ergste van de inval dat mijn arme goeie ouwe moeder er tien jaar ouder van is geworden. Ze is zo veranderd. Ze kan niet meer alleen lopen en is aandoenlijk zwak geworden. Wat is het treurig mensen om wie je geeft zo stukje bij beetje te zien aftakelen.
En dan de dood van mevrouw Viardot, waar ik vanmorgen het bericht van vernam. [Pauline Viardot, bevriend met Toergenjev en George Sand, doodsbericht vermeld in dagbladen, bleek onjuist]. Ik heb net aan Toergenjev geschreven. Hij moet er kapot van zijn.
Om niet langer te hoeven denken aan de publieke ellende en die van mezelf, heb ik me weer als een razende op mijn Saint Antoine geworpen, en als er niets is wat me stoort en ik op deze manier kan doorwerken, dan ben ik de volgende winter klaar. Ik heb enorme zin u de 60 pagina's die ik af heb voor te lezen. Zoek me eens op zodra de treinen weer rijden. Uw oude troubadour wacht al heel lang op u. Uw brief van vanochtend heeft me ontroerd. Wat een enorme kerel bent u en wat hebt u een groot hart!
Ik ben niet zoals zoveel mensen die ik hoor weeklagen over de strijd in Parijs. [Flaubert doelt niet op de oorlog met Pruisen, want die is afgelopen, maar op de opstand van de commune in de stad Parijs]. Ik vind die beter te verdragen dan de invasie, want na die invasie is er geen diepere wanhoop mogelijk, wat eens temeer bewijst hoe ver we gezonken zijn. Ah, God zij gedankt, de Pruisen zijn er! Dat is de eensgezinde kreet der bourgeoisie. Wat mij betreft zijn de heren arbeiders net zo erg en kunnen ze ze allemaal in de rivier pleuren.
Die kant gaat het trouwens al aardig op, waarna de rust weerkeert. We zullen een groot plat industrieel land worden, zoals België. Door het verdwijnen van Parijs (als regeringscentrum) wordt Frankrijk kleurloos en log. Het zal geen hart meer hebben, geen centrum, en, zo vrees ik, geen geest.
Wat de commune aangaat die op haar einde loopt, dat is de laatste manifestatie van de middeleeuwen. De laatste? Laten we het hopen.
Ik haat de democratie, (dat wat men er in Frankrijk onder verstaat tenminste), omdat ze steunt op de moraal van het evangelie, die juist, wat men ook beweert, de immoraliteit zelve is, en wel de verheerlijking van de genade ten koste van de rechtvaardigheid en de ontkenning van het recht, in éen woord van anti-maatschappelijkheid.
De commune rehabiliteert de moordenaars, zoals Jezus de dieven vergaf, en men plundert de huizen van de rijken omdat men geleerd heeft Lazarus te vervloeken, die geen slechte rijkaard was, maar gewoon een rijkaard [Flaubert is in de war, Lazarus was een armoedzaaier]. 'De republiek is boven iedere discussie verheven' komt op hetzelfde neer als 'De paus is onfeilbaar.' Altijd weer bezweringen, altijd de goden.
De voorlaatste God, die van het algemeen stemrecht, heeft de aanhang ervan een verschrikkelijke streek geleverd door 'de moordenaars van Versailles' aan te stellen. [In Versailles was de Assemblée Nationale bijeen en daar lagen ook de troepen waarmee Thiers op zeer bloedige wijze een einde maakte aan de commune. Flaubert bedoelt: de democraten oogsten wat ze zelf gezaaid hebben] Waar moeten we dan nog in geloven? In niets. Dat zou in elk geval het begin van wijsheid zijn. Het zou tijd worden zich van principes te ontdoen en zich in plaats daarvan over te geven aan de wetenschap, aan het onderzoek. Het enige redelijke (ik kom er steeds op terug) is een regering van mandarijnen, als die mandarijnen tenminste iets weten en zelfs heel veel weten. Het volk is een eeuwige minderjarige en het zal (in de sociale rangorde) altijd op de laatste plaats komen, omdat het het getal vertegenwoordigt, de massa, de onbegrensdheid. Het doet er weinig toe dat dat veel boeren kunnen lezen en niet langer naar hun pastoor luisteren, maar het is van enorm belang dat mensen als Renan en Littré kunnen leven en gehoord worden. Ons heil ligt nu in een wettige aristocratie, waarmee ik bedoel een meerderheid die berust op iets anders dan getallen.
Als men verlichter was geweest, als er in Parijs meer mensen waren geweest die hun geschiedenis kenden, hadden we noch Gambetta, noch Pruisen, noch de commune hoeven ondergaan. Wat deden de katholieken om een groot gevaar af te weren? Ze sloegen een kruis en riepen God en de heiligen aan. Wij anderen, die ontwikkelder zijn, wij schreeuwden, indachtig de herinnering aan 1792: Leve de Republiek! En - let wel - twijfelden daarna geen seconde meer aan de overwinning. De Pruis bestond niet meer, de mensen omhelsden elkaar van vreugde en moesten zich ervan weerhouden naar de bergengten van de Argonne te snellen waar - het doet er niet toe, het is traditie - er geen bergengtes meer zijn. [In 1792 versloeg generaal Dumouriez de Pruisen bij Valmy, in de Argonne, nu Champagne-Ardenne] Ik heb een vriend in Rouen die in een politieke club de fabricage van pieken heeft voorgesteld, om ermee tegen geweren te vechten.
Ah, het was veel praktischer geweest Badinguet [bijnaam Napoleon III] te houden, om hem, zodra de vrede was gesloten, terug de gevangenis in te sturen. In Oostenrijk heeft er na Sadova geen revolutie plaatsgevonden, in Italië niet na Novara, in Rusland niet na Sebastopol. Maar die brave Fransen haasten zich hun huis af te breken, zodra er een schoorsteenbrand is.
En ten slotte moet ik u een afschuwelijk idee toevertrouwen..... moet ik vrezen dat met het omhalen van de Vendômezuil het zaad is gezaaid voor een Derde Keizerrijk? Wie zal het zeggen of niet over twintig of veertig jaar een zoon van Plonplon [bijnaam Napoleon III] bij ons de baas is!
Voorlopig is Parijs zijn verstand volkomen kwijt. Dat is het resultaat van de beroerte die het beleg de stad heeft bezorgd. Frankrijk verkeerde de laatste jaren trouwens al in een buitengewone mentale staat. Het succes van La Lanterne [tijdschrift van politicus en journalist Rochefort] en de aandacht voor Troppmann [bekend moordenaar] waren er de overduidelijke symptomen van.
Die waanzin is het gevolg van al te grote domheid. En die domheid komt voort uit een overmaat aan flauwekul, want door voortdurend te liegen, is iedereen zwakzinnig geworden. Men is elk besef van goed en kwaad en van mooi en lelijk kwijtgeraakt. Denkt u nog eens terug aan de kritiek van de laatste jaren. Wat een gering onderscheid werd er gemaakt tussen het sublieme en het belachelijke! Wat een gebrek aan respect! Welk een onwetendheid! Wat een geknoei! Gekookt of gebraden, het maakt niet uit. [Molière, De ingebeelde zieke, tweede bedrijf, toneel 6]. En tegelijkertijd: welk een slaafsheid jegens de opinie van de dag en het menu van de mode.
Alles was vals: vals realisme, vals leger, vals krediet, en zelfs valse hoeren. Ze werden markiezin genoemd, zoals de grote dames elkaar onder elkaar voor varkentjes uitmaakten. De vrouwen van plezier die in de traditie bleven staan van Sophie Arnould, zoals mijn vriendin Lagier, wekten afschuw! U hebt nooit gezien met welk een onderdanigheid Saint-Victor [door Flaubert gehaat kriticus] La Paiva [befaamde courtisane] tegemoet trad!
En die valsheid (die misschien een gevolg is van de romantiek, van de overheersing der hartstocht van de vorm en der inspiratie van de regel) was vooral bepalend voor de wijze van oordelen. Men prees een actrice, maar als goede moeder van haar kinderen. Men eiste dat de kunst moreel was, de filosofie helder, de zonde fatsoenlijk en dat de wetenschap de zijde van de gewone man koos.
Daar is mijn brief wel erg lang geworden. Als ik eenmaal begin mijn tijdgenoten uit te kafferen, weet ik van geen ophouden.
Ik omhels u stevig. Uw ouwe vriend.
[Deel 4, 1869-1875, pag. 313-316, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN IVAN TOERGENJEV
Donderdag 2 juli 1874
Kaltbad, Righi, Zwitserland

Ik heb het ook warm en ik ben u al dan niet in zoverre de de baas dat ik me enorm verveel. Ik ben hierheen gegaan om blijk te geven van mijn gehoorzaamheid, omdat men me heeft gezegd dat de zuivere berglucht goed was voor mijn te rode gelaatskleur en ze m'n zenuwen zou kalmeren. Het zij zo. Maar tot nu toe voel ik niets dan een immense verveling, die te wijten is aan de eenzaamheid en het nietsdoen; bovendien ben ik geen mens voor de natuur; haar wonderen doen me minder dan die van de kunst. Ze overweldigt me zonder éen grote gedachte achter te laten. Ik heb de neiging bij mezelf te zeggen: het is mooi, ik heb je net verlaten, straks keer ik weer in je terug, laat me nu met rust, ik verlang naar een ander soort afleiding.
De Alpen zijn voor ons als individu trouwens disproportioneel. Ze zijn te groot voor ons om er iets aan te hebben. Dit is nu de derde keer dat ze een onaangenaam gevoel bij me opwekken. Ik hoop dat het de laatste is. En verder, goeie ouwe kerel, wat een gezelschap, die vreemdelingen die in het hotel verblijven! Allemaal Duitsers en Engelsen, voorzien van wandelstokken en lorgnets. Gisteren voelde ik opeens de verleiding drie runderen te omhelzen die ik in het groen tegenkwam, uit medemenselijkheid en uit behoefte aan contact.
Mijn reis was al slecht begonnen, want in Luzern heb ik door een lokaal artiest een tand bij me laten trekken. Acht dagen voordat ik naar Zwitserland vertrok, heb ik een rondje gemaakt door de Orne en de Calvados en heb ik uiteindelijk een plek gevonden waar ik mijn twee burgerlieden [de twee hoofdpersonen van Flauberts volgende roman, Bouvard en Pécuchet] zal onderbrengen. Ik zou dolgraag een begin maken met dat boek, dat me bijvoorbaat al een afschuwelijke angst inboezemt.
U hebt het over Saint-Antoine en meent dat het niets is voor een groot publiek. Dat wist ik van tevoren al, maar ik geloofde ook dat het betere deel ervan het wel zou begrijpen. Afgezien van die van Drumont en Pelletan is er geen enkele positieve kritiek op verschenen. Uit Duitsland zie ik niets komen. Niets aan te doen. Wat de Heer wil geschiede. Wat gedaan is, is gedaan. Bovendien: als u het boek waardeert, ben ik beloond. Sinds Salammbô heeft het grote succes me verlaten. Wat me echt aan het hart gaat, is het fiasco van L'Education sentimentale. Dat niemand dat boek begrepen heeft, verbaast me.
Afgelopen donderdag zag ik de goeie Zola, die me over u informeerde (want uw brief van de zeventiende kwam een dag later bij me aan in Parijs). Behalve u en ik is er niemand die iets heeft gezegd over zijn La Conquête de Plassans [vierde roman van Zola in de reeks van de Rougon-Macquart], en er is geen artikel over verschenen, niet voor en niet tegen. Het is een beroerde tijd voor de muzen. Parijs leek me trouwens nog stommer en vulgairder dan normaal. Hoe ver wij samen ook afstaan van de politiek, we kunnen het toch niet laten ons erover te bekreunen, al was het maar uit fysieke afkeer.
Ach, mijn beste goeie ouwe Toergenjev, wat zou ik het fijn vinden als u deze herfst twee weken bij me doorbracht in Croisset. U zou uw spullen mee kunnen nemen en ik zou u de eerste pagina's van Bouvard en Pécuchet laten zien, die dan naar ik hoop klaar zijn; ik zou naar u luisteren.
Waar bent u op dit moment, in Rusland of in Karlsbad? Echt geweldig zou het zijn, als u naar Frankrijk zou terugkeren via Righi. Maar de Decii zijn niet meer van deze wereld. Zelf weersta ik de neiging op het meer scheep te gaan, de Gotthard te passeren, om de maand te beëindigen in Venetië. Daar zou ik me in elk geval amuseren. Mijn nicht moet op dit moment voorbij Stockholm zijn en en rekent erop eind juli terug te zijn in Dieppe. [woonplaats van Caroline Commanville, Flauberts nicht, dochter van zijn bij haar geboorte gestorven zus]
Om me bezig te houden ga ik proberen een paar nog tamelijk duistere onderwerpen aan te snijden. Maar ik ken mezelf, daar komt helemaal niets van terecht. Je moet hier 20 jaar zijn en door dit landschap met je geliefde rondwandelen. Die in het water spiegelende chalets zijn liefdesnestjes. Wat zou je haar aan de rand van de afgrond tegen je aandrukken! Wat een heerlijkheid, liggend in het gras, bij het geluid van een waterval, blauw in het hart en het hoofd! Maar dat alles is niet langer voor ons bestemd, mijn ouwe, en dat is het wat mijzelf betreft altijd maar weinig geweest.
Ik herhaal dat het verschrikkelijk warm is; de met sneeuw bedekte bergen zijn oogverblindend. Phoebus verschiet al zijn pijlen. De in hun kamers opgesloten reizigers zweten en drinken. Wat men in Zwitserland drinkt en eet is angstwekkend. Overal drankbuffetten en restauraties. De bedienden in Kaltbad zijn vlekkeloos gekleed; zwart kostuum vanaf zeven uur 's ochtends en omdat ze met zovelen zijn, is het net alsof je wordt bediend door een leger notarissen of door een massa genodigden op een begrafenis: men gaat ervan aan de zijne denken, grappig hoor.
Schrijf me vaak en lang; uw brieven zijn voor mij een druppel in de woestijn.
Ik ga er vanuit uit Zwitserland te vertrekken rond de vijentwintigste; daarna verblijf ik beslist een paar dagen in Parijs.
[Deel 4, 1869-1875, pag. 821-823, eigen vertaling]

Nadar (Gaspard-Félix Tournachon, 1820-1910), George Sand (Aurore Dupin, 1804-1876). Parijs, 1864. Foto: Begley 2017 pag. 116. George Sand aan Gustave Flaubert, 12 januari 1876: "Ik zeg helemaal niet dat je nergens in gelooft, integendeel: alle affecties in je leven, je neiging tot bescherming en je eenvoudige goedheid bewijzen dat je de meest overtuigde mens die er bestaat. Maar zodra je je in de literatuur begeeft, wil je, en ik heb geen idee waarom, een ander mens zijn, éen die wil verdwijnen, die zich uitwist, die er niet is! Wat een dwaze manie! Wat een foute opvatting van de goede smaak! Wat we schrijven is alleen iets waard door wat we zelf waard zijn." (Correspondentie deel 5, pag. 7)

George Sand, Parijs, 1864

GEORGE SAND AAN GUSTAVE FLAUBERT
[Nohant], 18 en 19 december [1875]
Hervind ik eindelijk mijn ouwe troubadour, die voor mij een voorwerp van verdriet was en van serieuze zorg. Je bent weer op de been en vestigt je hoop op de zich natuurlijkerwijs van buitenaf aandienende gebeurte-nissen, terwijl je in jezelf de kracht terugvindt om ze - hoe het ook zij - te bezweren door te werken.
Wat bedoel je met iemand in de haute-finance? Daar heb ik geen verstand van, ik onderhoud banden met Victor Borie. Hij bewijst me diensten als hij er zelf belang bij heeft. Moet ik hem schrijven?
Wat doen we? Jij gaat vast en zeker troosteloosheid verspreiden en ik ga troost verlenen. Ik weet niet waar het menselijk bestaan aan hangt. Jij ziet het voorbijgaan, je bekritiseert het, literair gezien onthoud je je van een oordeel. Je beperkt je ertoe het te beschrijven, terwijl je systematisch en zeer zorgvuldig je persoonlijke opvattingen verbergt. Toch zie je die dwars door je verhaal heen en je bedroeft degene die je leest. Maar ik zou de lezer minder ongelukkig willen maken. Ik kan maar niet vergeten dat mijn persoonlijke overwinning op de wanhoop het werk is geweest van mijn wil, en van een nieuwe vorm van begrip die het tegenovergestelde is van die ik ooit had.
Ik weet wel dat je de tussenkomst van de persoonlijke opvattingen schadelijk acht voor de literatuur. Heb je gelijk? Is het niet eerder een gebrek aan overtuiging dan een esthetisch principe? Je kunt er voor jezelf geen filosofie op na houden, zonder dat die zichtbaar wordt. Ik heb jou geen literair advies te geven, ik heb geen oordeel te vellen over de schrijversvrienden over wie je het hebt. Ik heb zelf ooit alles wat ik vond uiteengezet aan De Goncourt. Wat de anderen betreft, ik geloof beslist dat ze meer studie en talent hebben dan ik. Ik geloof alleen dat het hun en vooral jou ontbreekt aan een goed afgewogen en brede levensvisie. De kunst is niet alleen schildering. De echte schilderkunst is trouwens vervuld van de ziel van degene die de kwast vasthoudt. Kunst is niet alleen kritiek en satire. Kritiek en satire beschrijven maar éen zijde der werkelijkheid. Ik wil de mens zien zoals hij is. Hij is niet goed of slecht. Hij is goed en slecht. En hij is nog iets: de nuance namelijk, de nuance die voor mij het doel is van de kunst. Goed of slecht zijnd, is er een innerlijke kracht die iemand ertoe aanzet heel slecht te zijn en een beetje goed, of heel goed en een beetje slecht.
Het lijkt me dat jouw school zich niet met de grond der dingen bezig houdt, maar alleen met het oppervlak. Omdat ze al te zeer de vorm zoekt, maakt ze te weinig werk van de inhoud. Ze richt zich tot de geletterden. Maar geletterden zijn er feitelijk niet. Men is in de eerste plaats mens. Men wil achter elke geschiedenis en elk feit de mens vinden. Dat is het gebrek geweest van L'Education sentimentale, iets waar ik sindsdien lang over heb nagedacht, omdat ik me afvroeg waarom er zoveel ergernis bestond over een zo goed gemaakt en solide boek. Dat gebrek was het ontbreken van actie van de personages jegens zichzelf. Ze ondergingen de feiten en maakten er zich nooit meester van. Welnu, ik geloof dat jij aan het voornaamste belang van een verhaal geen aandacht hebt willen besteden. In jouw plaats had ik het omgekeerde gedaan. Je voedt je op dit moment weer met Shakespeare en daar doe je goed aan. Hij is het die de mens met de feiten confronteert en hem - let wel - over het feit, ten goede of ten kwade, altijd laat zegevieren. Ze verpletteren het, of ze gaan ermee ten onder.
De politiek is een komedie en nu, nu we de tragedie achter de rug hebben, is het de vraag of we eindigen met opera of operette. Ik lees elke ochtend gewetensvol de krant, maar daarbuiten is het me onmogelijk eraan te denken of me ervoor te interesseren. En dat is omdat ze absoluut van elk ideaal gespeend is en ik me voor geen der personages kan interesseren die daar in de keuken staan. Het zij allemaal slaven van wat er gebeurt, omdat ze zijn geboren als slaven van zichzelf.
Met mijn lieve kleintjes gaat het prima. Aurora is al een klein beetje een schitterende meid, een mooie, rechte ziel in een stevig lijf. De andere is éen al gratie en vriendelijkheid. Ik ben nog steeds een toegewijde en geduldige onderwijzeres en er rest me maar weinig tijd om over mijn staat te schrijven, want ik wil na middernacht niet meer wakker zijn en de avonden met mijn gezin doorbrengen. Maar dat gebrek aan tijd prikkelt me en zorgt ervoor dat ik weer met plezier zwoeg. Het is alsof je stiekem van een verboden vrucht geniet.
Heel mijn lieve gezelschap omhelst je en is blij te horen dat het beter met je gaat. Heb ik je Flamarande al toegestuurd en de foto's van mijn meisjes? Zoniet, een woordje en ik stuur je alles op.
Je ouwe troubadour die van je houdt,
G. Sand

Omhels die lieve nicht van je. Wat een mooie en lieve brief heeft ze me geschreven. Zeg haar dat ik haar smeek goed op zichzelf te passen en dat ik haar weer snel beter wil zien.
Wat? Is Littré senator? Dat is bijna ongelooflijk als je weet hoe het met de Kamer zit. We moeten ze eigenlijk feliciteren met zoveel respect voor zichzelf.
[Deel 4, 1869-1875, pag. 998-999, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN GEORGE SAND
[Parijs, eind december 1875]
Chère Maître,
Uw goeie, zo teder moederlijke brief heeft me flink aan het denken gezet. Ik heb hem wel tien keer herlezen en ik moet toegeven dat ik niet zeker weet of ik u wel goed begrijp. In éen woord: wat wilt u nou dat ik doe? Licht uw onderricht eens toe.
Ik doe voortdurend wat ik kan om mijn begrip te verruimen en ik werk in alle oprechtheid des harten. De rest hangt niet van mij af.
Ik verspreid geen naargeestigheid omdat ik het zo leuk vind, geloof me, maar aan mijn gezichtsvermogen kan ik niets doen. Wat betreft mijn gebrek aan overtuiging, helaas, ik stik van de overtuigingen. Ik barst van woede en ingehouden verontwaardiging. Maar volgens mijn ideaal van de kunst geloof ik dat ik daar niets van moet laten zien en dat de kunstenaar in zijn werk net zo min moet verschijnen als God in de natuur. De mens is niets, het werk alles. Het is niet zo gemakkelijk dat geloof, dat misschien van een verkeerd standpunt uitgaat, te handhaven en voor mij is het op zijn minst een soort permanent offer dat ik breng aan de Goede Smaak. Het zou me zeer aangenaam zijn te zeggen wat ik denk en zulke zinnen zouden de heer Flaubert zelf bijzonder opluchten. Maar wat is het belang van diezelfde heer?
Net als u, maître, denk ik dat de kunst niet enkel kritiek en satire is. Ik heb dan ook nooit bewust gepoogd het éen of het ander te bedrijven. Ik heb me altijd ingespannen tot de kern der zaken door te dringen en me te beperken tot de belangrijkste algemeenheden en ik heb me met opzet afgewend van het toevallige en het dramatische. Geen monsters, geen helden!
U zegt me: ik heb je geen literair advies te verschaffen, ik heb geen oordeel te formuleren over je schrijversvrienden, etc. Dat is helemaal mooi! Ik eis advies en ik verwacht uw oordelen. Wie zou ze geven, wie zou ze formuleren als u het niet doet?
Wat betreft mijn vrienden, daar voegt u aan toe 'mijn school.' Maar ik richt mezelf juist zowat te gronde door geen school te willen. Ik wijs ze a priori allemaal af! Die ik zo vaak zie, en waar u op wijst, zijn meestal op zoek naar wat ik juist minacht en ze maken zich nauwelijks ongerust over wat mij dwars zit. Ik beschouw elk technisch detail als van secundair belang, de lokale informatie, de historische en exacte kant der dingen kortom. Ik zoek boven alles de schoonheid, waar mijn kameraden maar matig om malen. Als ik word overmand door afschuw of bewondering, blijven zij onberoerd. Zinnen die zij heel gewoon vinden, brengen mij in vervoering. Goncourt bijvoorbeeld is dolgelukkig als hij op straat een zinnetje hoort dat hij in een boek kan plakken - En ik ben helemaal voldaan als ik een pagina heb geschreven zonder assonanties en herhalingen. Ik zou alle bijschriften van Gavarni willen verruilen voor bepaalde uitdrukkingen en vondsten van de meesters, zoals 'het duister was bruidsnachtelijk, verheven en plechtig', van vader Hugo, of die van Montesquieu: 'De ondeugden van Alexander waren even buitensporig als zijn deugden. In zijn woede was hij verschrikkelijk. Ze maakten hem wreed.'
En ten slotte probeer ik goed te denken om goed te schrijven. Maar goed schrijven is mijn doel, ik verheel het niet.
Het ontbreekt me 'aan een goed afgewogen en brede levensvisie'. U hebt duizendmaal gelijk. Maar wat kan ik doen om daar verandering in aan te brengen, vraag ik u? U verlicht mijn duisternis niet met uw metafysica, noch de mijne, noch die van anderen. De woorden Religie of Katholicisme enerzijds, Vooruitgang, Broederschap en Democratie anderzijds, beantwoorden niet langer aan de geestelijke eisen van dit moment. Het geheel nieuwe dogma van de Gelijkheid dat wordt verkondigd door het Radicalisme, wordt proefondervindelijk door de fysiologie en de geschiedenis ontkracht. Ik zie geen manier om heden ten dage een nieuw beginsel ingang te doen vinden, noch om dat der ouden te blijven respecteren. Dus ik zoek, zonder het te vinden, naar dat ene Idee waar al het andere van afhangt.
In afwachting daarvan herhaal ik voor mezelf wat van Littré een keer tegen me zei: Ach, goeie vriend, de mens is een onevenwichtige samenstelling en onze aarde een inferieur soort planeet.
Het enige wat me daar staande houdt, is de hoop haar zo gauw mogelijk te verlaten en niet naar een andere te vertrekken, waar het nog beroerder is. Dan zou ik nog liever niet doodgaan, zoals Marat zei. Ach nee, dat niet. Genoeg vermoeienis!
Ik schrijf op dit moment een niemandalletje dat zelfs moeders met een gerust hart aan hun dochters kunnen laten lezen. Het wordt niet meer dan zo'n 30 pagina's lang. Ziedaar mijn inspiratie. Ik stuur het u, zodra het verschenen is (niet de inspiratie, maar het verhaaltje).
Ik bezit twee foto's van uw lieve kleine schatjes - maar geen Flamarande.
Vooruit. Dat 1876 u allen licht moge vallen.
Ik omhels u teder, goeie aanbiddelijke ouwe maître.
Uw steeds nurksere Cruchard.
[Deel 4, 1869-1875, pag. 999-1001, eigen vertaling]

GUSTAVE FLAUBERT AAN GEORGES CHARPENTIER
[Croisset, donderdag 18 maart 1880]
[Charpentier is sinds de zomer van 1873 de uitgever van Flaubert; hij is de schrijver geld schuldig voor heruitgaves, reageert niet op diens brieven en publiceert, tot Flauberts woede, in totaal willekeurige afleveringen in een publiekstijdschrijft dat La vie moderne heet, een verhaal van Flaubert dat, hoewel die daar op tegen was, ook nog is voorzien van illustraties]
Mijnheer,
Ofschoon uw bestaan nu al zes maanden lang nog slechts van misdrijven aaneen hangt, u uw schaamteloosheid op de spits drijft door zich, voordoend als clown, over te geven aan obsceen gedans met gelijkgeaarde individuen, uw gedrag ten spijt dat alle lagen der samenleving zou doen blozen van schaamte, en ondanks de vunzigheden die u over het aardoppervlak verspreidt, en niettegenstaande de illustraties in La vie moderne, deel ik u mede: dat u uit consideratie met uw familie, uit achting voor uw vrouw en uw arme kleine kinderen, voor mevrouw uw moeder, in overweging nemend dat het niet uw schuld is dat u door uw aard wordt meegesleurd, voorts in de overtuiging verkerend dat mijn gezelschap u aan de hand van mijn exempelen goed zal doen, samen met de heren Alph. Daudet, Edmond de Goncourt en Émile Zola wordt verzocht te verschijnen op zaterdag, paaszondag of paasmaandag, om deel te nemen aan een klein plattelandsfestijn, bij uw
[Deel 5, 1876-1880, pag. 863, eigen vertaling]

Flaubert, Correspondentie. In totaal 4273 brieven. Gallimard NRF, Pléiade. Deel 1 1973, deel 2 1980, deel 3 1991, deel 4 1997, deel 5 en 6 (index) 2003; Veel, veel beter dan alles wat hij ooit aan romans en verhalen schreef. Leest u de bijbel meneer? Onderop Guinots Dictionnaire Flaubert, handig ter extra begeleiding.

Flaubert, Correspondentie. Vijf delen, Pleiade.

DE GEUR VAN VERBENA

woensdag 25 juli 2018
Later is niets meer hetzelfde als in de vroegste levensjaren, die waarin je geleidelijk je bewustzijn verwerft. De verwondering die wordt ingegeven door de ervaring dat alles zo nieuw en ongewoon is dat je voor die vreemde, onbekende feiten niet eens woorden hoeft te vinden, geeft aan die eerste levensfase een unieke smaak. Wat je meemaakt en wat je voelt, is daarna nooit meer zoals daarvoor. Elk mens dat wat oplettender van aard is, kent de ervaring. Misschien is dat gevoel van bijzonderheid een belangrijke reden het te willen herhalen, in een poging het weer voor het eerst te beleven, te beleven zoals je het nooit eerder hebt beleefd. Het kleurt je bestaan zo lang dat je je zelfs niet kunt voorstellen dat anderen diezelfde ervaring hebben, tot je ontdekt dat het wel zo is. Tegelijkertijd maakt herhaling alles kapot. Wat langs de hekel der herhaling gaat, slijt en vlakt af tot het gewoon is. Zelf ben ik koppig. Ik geloof nog steeds heilig dat ik me in de echtheid van een gevoel niet vergis. Ik geloof zelfs dat ik over die eigenschap in sterkere mate beschik dan veel anderen die een gevoel dat er alleen maar op lijkt voor hetzelfde gevoel houden. Ik heb het met met muziek, met beeldende kunst, met boeken, en zelfs met vrouwen. Het verschil is wat mij betreft minder groot dan je zou denken. Als kind lees je zoals nooit daarna.

Zelfs in wie een boek geschreven heeft, ben je op dat moment niet geinteresseerd, want de naam van de persoon in kwestie zegt je toch niets. Omdat zowel mijn vader als mijn oudere broer boeken leenden uit een bibliotheek - woord dat niet gebruikt werd, want de bibliotheek was een meneer die op geen enkele wijze in zijn eigen producten geïnteresseerd was en de hele dag in zijn winkel achter zijn toonbank zat en Put heette - was de boekenvoorraad omvangrijk en veelzijdig, westernverhalen, detectives, oorlog- en avonturenromans en – zonder dat ik het wist of het onderscheid maakte - literatuur. Door de jeugdboeken was ik snel heen. Memorabelste jeugdboek-ervaring: op een ochtend in een vakantie nam ik bij Put, zonder erop te letten wat precies, een paar delen mee van een reeks over een drietal jongens. Aan het eind van de middag had ik ze uit, smeekte mijn moeder om een paar dubbeltjes, en haalde vijf andere delen uit de reeks. En zo ging het steeds. God zegene Willy van der Heide, al was hij nog zo fout. Mijn vader kocht soms ook gewoon boeken, hetgeen gezien zijn achtergrond van fabrieksarbeider best bijzonder was. Jan de Hartog, Anton Coolen, Den Doolaard, A.M. de Jong, maar later ook Remarque en Zola. En ik las alles mee. Mijn vader was bovendien geabonneerd op een boekenreeks van een weekblad, de Spiegel misschien, al kan het ook de Panorama geweest zijn. Wij hadden ze allebei. Elke maand verscheen er zo nog een geheel nieuw boek in huis dat in niets leek op wat ik gewend was te lezen. Die boeken waren duidelijk voor volwassenenen bedoeld. Moeilijke woorden begreep ik niet en ik hield er niet van daarnaar te vragen. Het kwam niet eens bij me op een woord op te zoeken; of er in de boekenkast op dat moment ook een woordenboek stond, ik betwijfel het. De woordenboeken verschenen pas toen ik naar de middelbare school ging. En zo kreeg ik in handen een boek dat De familie Sartoris heette. Het gebeurde maar hoogst zelden dat ik een boek niet mocht lezen. Mijn moeder las als enige in het gezin nauwelijks boeken, maar bij mijn vader en broer kwam het niet op me een boek te ontzeggen. Ik moet al wat ouder geweest zijn toen ik ’s ochtends aan het ontbijt zat te lezen en aan mijn broer vroeg: wat zijn condooms? In de scène werd beschreven hoe de soldaten bij hun vertrek uit Australië massaal hun condooms over boord gooiden. Het was Norman Mailers Helden zonder glorie, de vertaling van zijn The naked and the dead. "Geef hier dat boek", zei zijn moeder. Een paar jaar later al las ik mijn eerste boek in het Engels, Willard Motleys Knock on any door. Ik was er diep van onder de indruk. Later las ik dat het het lievelingsboek was van Johan Cruyff.

Maar De familie Sartoris las ik toen ik nog jonger was, ik denk nog net op de lagere school, zoals die toen nog gewoon heette. Het was een liefdesverhaal, soort, maar het speelde zich af tijdens een burgeroorlog, waarvan ik de precieze omtrek niet begreep. De titel van het het laatste deel begreep ik evenmin, De geur van verbena, maar door het woord werd ik direct geraakt. Het was blijkbaar een plant, of een soort bloem. Er kwam een vrouw in voor op wie de jonge hoofdpersoon verliefd was, die Drusilla heette en verbena in haar haar droeg, terwijl ze hem twee pistolen aanbood om de dood van zijn vader te wreken. In het boek stond trouwens heur haar. Misschien kwam het doordat ik een paar jaar eerder, tijdens verstoppertje, mijn hoofd in het lange blonde haar van een meisje had gestoken en had ontdekt dat ze naar bloemen rook. Ik was verliefd op Annemarie en die vond dat niet erg. Hoewel ik er lang niet alles van begreep, zou ik het boek verschillende keren lezen, verleid misschien juist door het onbekende. Ergens rond mijn vijftiende had ik al zoveel gelezen dat ik, nieuwsgierig gemaakt door de leraar Nederlands, maar ook enigszins noodgedwongen aan de literatuur begon. Ik zou altijd heel veel lezen en De familie Sartoris zou ik geleidelijk vergeten. Rond mijn achttiende raakte ik geïnteresseerd in Claus, las alles van hem, en begreep van anderen die over hem schreven dat Claus een bewonderaar was van William Faulkner. Ik las The sound and the fury, wat nog best moeite kostte, want het Engels was niet gemakkelijk en het openingsdeel is notoir lastig, geschreven als het is vanuit het perspectief van een zwakbegaafde jongen. In het tweede deel gaat zijn broer op weg om zelfmoord te plegen en slaat eerst zijn horloge kapot. Ik las ook nog As I lay dying. Ik zat een paar jaar op de universiteit, toen het Engelse pond kelderde en ik bij Heffers in Cambridge voor een krats hele stapels boeken bestelde, het verzameld werk van Dickens, van Austen, van Hemingway, van Virginia Woolf, van Conan Doyle, maar - in een opwelling - ook dat van Faulkner. Een jaartje later of zo, sloeg ik diens Unvanquished open, en ik had nog geen woord gelezen, of de adem stokte me letterlijk in de keel. Ik herkende de opmaak en de houtsnede-achtige prenten aan het hoofdstukbegin. Zonder aarzelen ging ik naar de titel van het laatste deel en las: The odor of verbena. Nu zocht ik het wel op. Het was ijzerkruid. Toen er jaren later een handelaar in zeep en parfum aan het Franse en daarna Nederlandse firmament verscheen, L’Occitane, die een shampo en een parfum verkocht op basis van verbena (à l'extrait de Verveine de Provence), bedacht ik me geen seconde. Ik gebruik beide nog steeds. Kinderachtig, vindt u niet. En hoe ik hier nou allemaal, weer zoveel meer jaren later, bij kom? Ik las onlangs Ron Chernows biografie van Ulysses Grant en daarna ook diens memoires, die onlangs in een nieuwe editie van John Marszalek verschenen zijn. In zijn biografie noemt Chernow Algernon Sartoris, die trouwde met Grants dochter en wiens zoon met dezelfde naam, Algernon Edward Urban Sartoris (1877-1928), een Amerikaans diplomaat werd. Ik had me zelfs nooit afgevraagd hoe de naam van het gezin van die kolonel in het zuidelijke leger, naam die ik zo goed ken en toch niet, in het Engels werd uitgesproken. De behulpzame Chernow vermeldt achter de naam: pronounced Sar-tress. Ik dacht: kom, nou is het mooi geweest, schrijf er maar een stukje over.

William Faulkner, The Unvanquished. Londen, Chatto and Windus Ltd, 1967; reproduced photographically from and identical with the first printing, may 12, 1938. Reprinted in this edition 1967. Drawings by Edward Shenton. Rechts: De familie Sartoris, Een romantisch verhaal uit den Amerikaanschen Burgerkrijg, 1861-1865. Illustraties van Edward Shenton. Haarlem, NV Drukkerij de Spaarnestad. Kennemer serie No 12. Zonder naam van de vertaler. Zonder jaar. Ik vermoed rond 1963, maar misschien gebaseerd op een veel eerdere uitgave.

William Faulkner, The Unvanquished en De familie Sartoris

William Faulkner, The Unvanquished, en de Familie Sartoris. De oorspronkelijke uitgave heeft alleen titels voor de delen, de Nederlandse ook voor elk hoofdstuk. De originele titel van het laatste deel (De geur van verbena) staat in de Nederlandse uitgave op een blanco pagina aan de keerzijde van de hier getoonde. De vertaling is zeer, zeer vrij, zullen we maar zeggen.

Faulkner, The unvanquished en De familie Sartoris

WAAROVER MEN NIET KAN SCHRIJVEN...
PASTERNAK EN PAUSTOVSKI

donderdag 18 augustus 2016
Speciaal voor de wat oudere lezers werden afgelopen jaar onder de titel Goudzand Konstantin Paustovski's brieven en dagboekaantekeningen uitgebracht. Dat het vooral voor de wat oudere lezers gebeurde, is wel een beetje de schuld van de Arbeiderspers. Want wie Paustovski's memoires wil lezen, zijn Verhaal van een leven, de zesdelige reeks waaraan hij in Nederland en elders ongetwijfeld zijn bekendheid dankt, moet die antiquarisch aanschaffen, aangezien de serie al lang is uitverkocht en na een nieuwe oplage aan het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw nooit meer werd herdrukt, naar zeggen van de vertaler omdat de Arbeiderspers weigerde copyright te gaan betalen. Ik vermoed dat de reeks éen van de succesvolste onderdelen is geweest van Privédomein. Van Oorschot, dat blijkbaar de rechten heeft overgenomen, liet weten dat Paustovski's memoires volgend jaar zullen worden uitgebracht in een tweedelige uitgave in de Russische bibliotheek, net zoals er na de recente uitgave van een nieuwe vertaling van Dokter Zhivago nog twee delen Pasternak zullen volgen. Nu Herzen nog, zou ik daaraan willen toevoegen. Hoe dan ook: zodoende moet je vooralsnog wel een bijzonder erudiet jong lezertje zijn, wil je Paustovski kennen. En dat is jammer, want de schrijver is interessant genoeg om er ook een nieuwe generatie mee kennis te laten maken. Goudzand werd gepubliceerd met als ondertitel het wat weidse Verhalen, dagboeken en brieven. Die titel lijkt me weids omdat de dagboekaantekeningen nauwelijks iets voorstellen en weinig meer zijn dan korte notities. Erg interessant zijn ze niet. De paar verhalen die eveneens zijn opgenomen zijn zo duidelijk door autobiografische momenten geïnspireerd, dat ze als begeleiding van Paustovski's levensverhaal kunnen dienen, reden ongetwijfeld waarom ze gekozen zijn. Wie geïnteresseerd is in het ontstaan van de bundel, moet goed zoeken. Voorin staat een copyright voor de Nederlandse samenstelling van Wim Hartog, de vertaler, maar ook een copyright 2016 Russische samenstelling: Wim Hartog/Galina Arboezova/Uitgeverij van Oorschot en een Russische titel (Zolotoj pesok). Blijkbaar is Hartog ook medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de Russische editie, wat best bijzonder is. Als u wilt weten wie Galina Arboezova is, dan moet u het het boek lezen, of gewoon het register raadplegen. Ze is een aangenomen dochter uit Paustovski's derde huwelijk, met Tatjana Arboezova. Hartog heeft overigens veel moeite gedaan. De inmiddels 76-jarige vertaler is ongetwijfeld Nederlands belangrijkste Paustovski-kenner. Het boek bevat een annotatie, een gedetailleerde tijdlijn van Paustovski's leven en werk, en dus een register van personen, kranten en tijdschriften. Zelf had ik graag een toelichting op de uitgave gelezen en ik had er een kaart van Rusland bij willen hebben met de belangrijkste plaatsen waar de schrijver verbleef, wat voor iemand die zoveel reist als Paustovski geen overbodige luxe is. En het is vervelend steeds te moeten googelen, wat gezien de internationaal wijd uiteenlopende transcriptie van Russische plaatsnamen nog niet eens zo simpel is. Hartog vertaalde dus eerder voor Privédomein de zesdelige reeks met herinneringen en nog een ander deel met memoires, het enige dat ik niet van hem ken, De gouden roos. En ook daar liep hij naar mijn idee, net zoals hij in Goudzand doet, met een boog om de olifant in de kamer heen. Want die olifant is er. En het is eigenlijk best een grote olifant. Arboezova schrijft in een stukje over haar pleegvader:

Na het overlijden van Paustovski werd er nog een brief aangetroffen in de la van zijn schrijftafel. Deze is ongedateerd en kan worden beschouwd als een door hem nagelaten 'persoonlijk testament'. In zijn voorwoord bij zijn Verzameld Werk in negen delen heeft Paustovski geschreven: Het heeft geen zin van de auteur nadere uitleg van zijn werk te verrwachten. Tsjechov zei in dergelijke gevallen altijd: Leest u mijn boeken maar want daar staat alles in geschreven. Ik wil deze woorden van Tsjechov graag beamen. Aan deze laatste oproep van de schrijver aan zijn dierbaren, zijn vrienden en de vrouw van wie hij meer dan van wie ook in de wereld heeft gehouden heeft, hoeven wij niets meer toe te voegen.

Maar dat had ze dus best kunnen doen. Eerlijkheidshalve, om het maar zo te zeggen. En die vergelijking met Tsjechov is ook ongelukkig. Want wat er gebeurd zou zijn als Tsjechov - net als Paustovski - in 1968 gestorven was, in plaats van in 1904, zullen we nooit weten. Maar te doen alsof die pakweg 60 jaar niets uitmaken, is oneerlijk. Paustovski had veel meer reden voor zijn autoriteiten bang te zijn dan Tsjechov voor die van hem. Dat was hij ook. En ook al vindt Hartog misschien van niet, in wat Paustovski schrijft, is dat heel goed te merken. Het is hypocriet te doen alsof dat niet zo is, terwijl het een postume belediging is voor degenen die zich tot zwijgen gedwongen voelden. Om het maar niet te hebben over degenen die stierven voor hetgeen ze wel waagden te schrijven.

Eind dertiger jaren, Solottsja. In Rusland geen periode die je associeert met strandvertier. Konstantin Paustovski met Valeria Vladimirovna Valisjevskaja (1913-1968), kunstenares en tweede vrouw. Kuuroord Solottsja (Engels: Solotcha) ligt in westelijk Rusland, even ten noorden van Rjazan, in het stroomgebied van de rivier de Oka, zo'n 200 kilometer ten zuidoosten van Moskou. Bron: Hartog/Arboezova 2016, pagina 196

Eind dertiger jaren, Solottsja. Konstantin Paustovski met Vladimirovna Valisjevskaja (1913-1968)

1

De Russische literatuur van de eerste helft der twintigste eeuw en trouwens ook nog die van het derde kwart, vormt een waar mijnenveld. Dat was ooit zo voor wie schreef en het is tegenwoordig nog zo voor wie leest. Vertaler Charles B. Timmer (1907-1991) sprak in zijn uit 1963 daterende bundel die was getiteld Halverwege, met wat toen moderne Russische auteurs waren - waarin trouwens, voordat Wim Hartog de Franse vertaling ervan tegenkwam in Parijs, ook het eerste hoofdstuk van Paustovski's Verre jaren al werd opgenomen, nog door Timmer zelf vertaald - van forellenliteratuur, van diegenen die tegen de stroom in zwommen dus. En dat waren degenen die nog kònden zwemmen. Dode vissen zijn er ook genoeg. We weten per slot van rekening hoe het afgelopen is met Babel, Mandelstam, Goemiljov, Pilnjak, Jashvili en met zoveel anderen. En dat zijn enkel de schrijvers. Over de familieleden hebben we het niet. En over de andere miljoenen evenmin. Timmer is het ook die - andere bundel, met essays deze keer, De kinderen van Jesenin, van 1969 - erop wees hoe belangrijk de biografie is in de Russische literatuur van die periode, op een heel andere manier misschien dan we hier zouden denken.

Wanneer wij bijvoorbeeld een enige tijd geleden in Moskou verschenen bloemlezing opslaan, Moderne Perzische Poëzie in Russische vertaling, en daar onder de vertalers de namen aantreffen van L. Goemiljov, Olga Ivinskaja en Alja Efron, is het van belang te weten dat de eerste een zoon is van de in 1921 door de Sowjets gefusilleerde belangrijke dichter Nikolaj Goemiljov en van de onder het Stalinbewind verguisde en vernederde dichteres Anna Achmatova, dat de tweede de levensvriendin van Pasternak is geweest die na de dood van Pasternak acht jaar gevangenisstraf in Siberië kreeg en dat de derde een dochter is van Ruslands grootste dichteres Marina Tsvetajeva die in 1941 zelfmoord heeft gepleegd. Alleen reeds door het vaststellen van deze relaties wordt een sluier opgelicht van dat 'andere Rusland', het Rusland achter de façade dat niet door Intourist wordt geëxploiteerd, maar dat zich handhaaft in verschillende salons en centra, waar de culturele continuïteit wordt behoed en in stand gehouden. (Timmer 1969, pagina 9)

Intourist was het reisbureau waarvan iedereen die naar Rusland wilde in die periode gebruik moest maken en het bestaat in een geprivatiseerde versie nog steeds. In Boelgakovs Meester en Margarita noemen de ongelukkige Berlioz en Bezdomny alle buitenlanders intoeristen. Het was blijkbaar gebruikelijk hen zo aan te duiden, want ook bij andere Russische auteurs ben ik de benaming wel tegengekomen. Hoe dan ook: éen van die forellen is Boris Pasternak (1890-1960). Timmer wist het vermoedelijk niet, maar over Pasternaks minnares, Olga Ivinskaja, had hij kunnen schrijven dat ze ook toen Pasternak nog leefde, in 1949 al, terwijl ze van hem in verwachting was, tot 5 jaar dwangarbeid werd veroordeeld. Maar inderdaad, onmiddellijk na de dood van de schrijver gebeurde het opnieuw, acht jaar, deze keer, nu samen met haar dochter. En ook dat wist Timmer vermoedelijk niet: Tsvetajeva's dochter Alja zelf werd in augustus 1939 gearresteerd en veroordeeld tot verbanning, waaruit ze pas in 1955 terugkeerde. Hoe dan ook: de schrijver Pasternak komt me als illustratie goed uit en over hem wil ik het hebben voordat ik terugkeer naar Paustovski. Ik heb zin gewoon wat te schrijven. Per slot van rekening is zojuist zijn Zhivago opnieuw vertaald en komen er nog twee delen Russische Bibliotheek aan. Dat is een dapper initiatief, want afgezien van zijn grote roman is Pasternak een moeilijke schrijver. Timmer wees daar al verschillende keren op. Pasternak is lastig vertaalbaar en even lastig te interpreteren, terwijl er, zo schreef hij in 1966 (in Rusland zwart op wit) ook een soort vloek op zijn oeuvre lijkt te rusten.

Het gezin Pasternak tijdens de Eerste Wereldoorlog, in een vakantiewoning in Molodi, op zo'n 50 kilometer ten zuiden van Moskou. Staand van links naar rechts: Vader Leonid (1862-1945), Boris (1890-1960), Aleksandr (1893-1982), Josefine (1900-1993). Zittend: Moeder Rosalia Isidorovna Pasternak (1867-1939), Berta Kaufman (Rosalia's moeder), Lydia (1902-1989). In 1921 gingen vader, moeder en de twee dochters naar Berlijn en keerden niet terug. Bron: Hingley 1983

Het gezin Pasternak in Molodi tijdens de Eerste Wereldoorlog

Het begin van de jaren '30 was in Rusland nog de vegetarische tijd. Het is Nadjezjda Mandelstam die met die woorden de dichter Anna Achmatova citeert. Die bedoelde ermee te zeggen dat er op dat moment in de Sovjetunie nog geen zeer grote aantallen doden vielen. Ik ben zo vrij het daarmee oneens te zijn. De werkelijkheid is dat er na de Russische revolutie en de erop volgende burgeroorlog 70 jaar lang geen tijd is geweest die niet gruwelijk was. Ik zal hier Mandelstams Memoires nogal eens citeren, die trouwens ook heel goed - en misschien met meer recht dan Paustovski - in de Russische Bibliotheek zouden passen. Ze schrijft:

(…) de officiële lezing van de gebeurtenissen die zegt dat alles prima ging tot aan de tijd van Jezjov, die overigens ook helemaal niet zo slecht was als men wel beweert; pas na de oorlog zou de oude heer wat seniel zijn geworden en allerlei stommiteiten hebben begaan... Deze versie heeft trouwens zijn tijd al weer gehad en de waarheid begint langzaam door te dringen. Toch blijven wij de twintiger jaren nog steeds idealiseren en daar betrekken wij dan ook nog een stukje van de dertiger jaren bij. Het is een legende met een hardnekkig bestaan. De oudere generaties sterven uit zonder dat zij ons uit de droom hebben kunnen helpen. De ouderen van nu, zelfs de mensen die in kampen hebben gezeten, vertellen nog steeds het fabeltje over de prachtige tijd van hun jeugd, waar alleen door hun arrestatie een plotseling einde aan kwam. Wat zullen onze kleinkinderen denken als wij allemaal heengaan zonder iets te zeggen? (Mandelstam 1, 1971, pag. 174, Vertaling: Kees Verheul)

Die oude heer is natuurlijk Stalin. Na de gruwelen van de burgeroorlog, de massa-emigratie, de bittere armoede en de hongersnoden van begin jaren '20, die van eind jaren '20 en begin jaren '30, de deportaties van complete bevolkingsgroepen, de collectivisering en dekoelakisering, volgde de terreur van halverwege de dertiger jaren, met als hoogtepunt de - wat in het Russisch heet - Jezjovsjtsjina, de periode waarin Nikolaj Jezjov aan het hoofd stond van de NKVD en waar achtereenvolgens tal van groepen uit de samenleving het slechtoffer van werden. Jezjovs opvolger Beria maakte daar geen eind aan en de oorlog evenmin. Onmiddellijk aan het begin ervan, toen de Duitsers in hoog tempo oprukten, in september 1941, maakte Stalin zijn gevangenissen leeg en liet iedereen door de NKVD vermoorden, in Polen, de Baltische staten, in wat nu Oekraïne is en Wit-Rusland, maar ook aan de Krim. Binnen enkele weken werden zo'n 100.000 mensen geëxecuteerd. De moorden bij het Poolse Katyn vormen er enkel het bekendste onderdeel van. Onmiddellijk na de oorlog, toen velen hoopten dat er een andere wind zou gaan waaien, begon Stalin aan de joodse minderheden. Ik geef het alleen als voetnoot en illustratie. In de literatuur die in de periode zelf werd geschreven, zult u er geen spoor van aantreffen. Dzerzjinski, Jagoda, Jezjov, Beria? Nooit van gehoord.

Boris Leonidovitsj Pasternak met zijn eerste vrouw, Jevgenia Vladimirovna Pasternak, geboren: Loeri (1898-1965) met hun zoontje Jevgeni (1923-2012). Leningrad, 1924. Pasternak was in april 1922 met haar getrouwd. In 1934 trouwde hij voor de tweede keer, met Zinaida Nikolajevna Neygauz, geboren: Eremeva (1897-1966), die daarvoor moest scheiden van haar man, de pianist Genrikh Neygauz (te vertalen als Neuhaus). In 1946 leert hij Olga Ivinskaja (1912-1995) kennen, die zijn minnares werd en naar beweerd het prototype van Lara uit Dokter Zhivago zou zijn. Zoon Jevgeny zou in december 1985 de Nobelprijs van zijn vader ophalen. Bron: Hingley 1983

Leningrad 1024, Pasternak met vrouw en kind

2

Halverwege de jaren '20 gold in toenemende mate: wie wilde schrijven, moest op zijn woorden passen. Ook Pasternak deed dat. Die schreef in zijn leven twee autobiografische schetsen, Vrijgeleide, in 1931, en een Autobiografisch essay, dat hij in 1957 als inleiding voor een bloemlezing uit zijn poëzie schreef die ten slotte niet werd gepubliceerd. Allebei houden ze op in de jaren '20, ook het na Stalins dood geschreven stuk dus, in een periode die gewoonlijk met dooi wordt betiteld. Ik bewonder vooral het eerste van die twee schetsen, Vrijgeleide, al geldt er beslist voor wat Ronald Hingley in diens erg vermakelijke biografie van Pasternak (uit 1983) over de schrijver zegt, en ik parafraseer maar: als hij iets simpels op ingewikkelde wijze kan zeggen, zal hij het niet laten. Tegelijkertijd - eerlijk is eerlijk - is dat juist de charme. Pasternak is toch in eerste instantie gewoon een schrijver met veel talent, al vermoed ik dat zijn hart meer bij de poëzie lag dan bij het proza, genres die bij hem toch al verweven zijn. Zelfs in zijn uit 1931 daterende Vrijgeleide, waarvan hij later afstand nam vanwege de gemaniereerdheid en dat hij dus verving door zijn Autobiografisch Essay (dat in Nederland in 1967 door Timmer werd uitgegeven in de reeks Slavische Cahiers van Polak & Van Gennep), is het wonderbaarlijk hoe hij erin slaagt om bij alle uitzinnigheid, terwijl je er als lezer af en toe niets van begrijpt, toch weet te overtuigen van de wereld die hij met zoveel eigengereidheid beschrijft. Pasternak vertelt hoe hij in 1911 in Venetië aankomt:

Toen ik het stationsgebouw uitkwam met zijn provinciale luifel in de stijl van een douanekantoortje, glipte mij iets vloeiends zacht onder de voeten. Iets boosaardig-donkers als spoelwater en aangeraakt door twee of drie flikkeringen van sterren. Het ging bijna onmerkbaar deinend op en neer en deed denken aan een door de tijd zwart geworden schilderstuk in een schommelende omraming. Ik begreep niet onmiddellijk dat dit afbeeld van Venetië Venetië zelf was. Dat ik er middenin stond, dat ik dit niet droomde. Het kanaal bij het station kronkelde als een blindedarm een hoek om, op weg naar de verste wonderen van deze drijvende galerij op de cloaca. Ik haastte mij naar de landingssteiger van de goedkope stoombootjes die hier de plaats van de tram hebben ingenomen.
Het bootje zweette en hijgde, veegde zijn neus en slikte, en over dezelfde onverstoorbare gladheid, waardoor zich zijn verdronken snorren voortsleepten dreven in een halve cirkel die zich langzaam van ons terugtrok de paleizen van het Canale Grande. Zij worden palazzi genoemd, maar zouden ook lusthoven kunnen heten, daar woorden met de beste wil van de wereld niet bij machte zijn een begrip te geven van die tapijten van gekleurd marmer die loodrecht omlaaghangen tot in de nachtelijke lagune, als tot aan de arena van een middeleeuws toernooiveld.
Er bestaat een bijzonder kerstboom-oosten, het oosten der prerafaëlieten. Er bestaat een voorstelling van de sterrennacht volgens de legende van de Aanbidding der heilige Drie Koningen. Er bestaat een eeuwenoud kerstreliëf: de met blauwe paraffine besprenkelde oppervlakte van een vergulde walnoot. Er bestaan woorden: chalva en Chaldea, magie en magnesium, India en indigo. Tot hun categorie moeten ook het koloriet van het nachtelijke Venetië en haar weerspiegelingen in het water gerekend worden.
Als om de toonladder van zijn noten vaster aan het Russische oor in te prenten, werd ter kennismaking van de reizigers op de boot die nu eens aan de ene, dan aan de andere oever aanlegde, uitgeroepen: Fondaco dei Turchi! Fondaco dei Tedeschi! Maar het hoeft geen betoog dat de namen dier wijken niets met echte pakhuizen gemeen hebben, maar alleen de herinnering bewaren aan handelsondernemingen, eens daar gesticht door Turkse en Duitse kooplieden.
Ik herinner mij niet voor precies welke van die talloze Vendramini's, Grimani's, Cornero's, Foscari's en Loredano's ik de eerste gondel heb gezien, althans de eerste die mijn aandacht heeft getrokken. Maar dat was reeds aan de overkant van de Rialto. Geluidloos gleed de gondel uit een zijwater het kanaal op en begon met een zwenkende beweging overdwars aan het dichtstbijzijnde paleisportaal te meren. Het maakte de indruk, of zij op de ronde buik van een langzaam wegrollende golf van de keukendeur naar de voordeur was gebracht. Zij liet een donkere kloof achter, vol dode ratten en dansende meloenschillen. Vóór haar stoof de brede, maanverlichte verlatenheid van de waterstraat alle kanten uit. De gondel was kolossaal in haar vrouwelijkheid, gelijk al het vormvolmaakte kolossaal is en niet te meten aan de ruimte die het als lichaam inneemt. Haar helle, gekartelde hellebaard zweefde licht langs de hemel, hoog opgeheven door de ronde nek van een golf. Met een zelfde lichtheid snelde het zwarte silhouet van de gondelier langs de sterren. Maar het monnikskapje van de cabine was teloorgegaan, als was het in de rugholte tussen voor- en achtersteven in het water weggedrukt. (Uit: Pantheon der winnaars van de nobelprijs voor de literatuur, Timmer, 1970)

Boris Leonidovitsj Pasternak (1890-1968). Vroege dertiger jaren. Bron: Timmer 1970, pagina 36

Boris Leonidovitsj Pasternak (1890-1968). Vroege dertiger jaren

Dat u echter in geen van Pasternaks autobiografische stukken ook maar éen verwijzing naar de contemporaine geschiedenis zult aantreffen, terwijl er een wereldoorlog plaats vond, een burgeroorlog en twee revoluties, is bijna komisch. En waar het ontbreken van een historische achtergrond voor iemand die over zijn jeugd schrijft, nog te billijken valt, zou dat bijzondere feit vanaf de jaren '20 op steeds navrantere wijze zijn opgevallen en dus ging Pasternak niet verder. Ook in Pasternaks Zhivago ontbreken de jaren '30. Blijkbaar moest je om over de terreur te schrijven buitenlander zijn. Koestler deed het, lang na zijn Russisch verblijf overigens, in Darkness at noon. Het wachten is op de nieuwe vertaling daarvan, naar het in 2016 ontdekte (o verrassing: Duitstalige) handschrift. Toch is het zwijgen van Pasternak erg jammer. Want behalve zijn talent maakt ook zijn achtergrond hem interessant. Ervan afgezien dat hij op het gymnasium in dezelfde klas zat als twee latere Sovjet-hotemetoten, Boecharin en Sokolnikov - met wie het allebei slecht zou aflopen - was zijn vader, Leonid Pasternak (1862-1945), van orthodox-joodse herkomst. Net als zijn vrouw, Rosa Kaufman (geboren 1868), had die rechten gestudeerd, maar uiteindelijk toch voor de kunst gekozen. Hij werd hij opgeleid in München, gaf les aan de Moskouse Academie voor Beeldende Kunst en het gezin was daar jarenlang in het gebouw ervan woonachtig. Man en vrouw waren beiden Tolstojanen. Het echtpaar nam in 1921 met de twee dochters de wijk naar Berlijn, de twee zoons, Boris en Aleksandr, achterlatend. Maar de jonge Boris kwam zodoende met iedereen in aanraking die er in de periode toe deed. Hij raakte geïnteresseerd in Rilke, leerde Skrjabin, en de schilders Levitan, Gé en Vroebel kennen, en vader Leonid illustreerde niet alleen het werk van Lev Tolstoj, hij was samen met zijn zoon aanwezig in Astapovo, zoals het plaatsje toen nog heette, om het laatste portret van de schrijver te maken. Pasternak zelf was in zijn jonge jaren de revolutie toegedaan en nam, misschien tot ver in de jaren '30, Stalin heel wat serieuzer dan anderen zouden doen. Wat je graag zou willen uit de Sovjetunie van tussen de twee wereldoorlogen, is iets als Viktor Klemperers dagboeken uit de naziperiode, iemand die zowat als onderduiker de eigen periode boekstaaft. Maar dat bestaat dus niet, in elk geval niet voor zover ik weet. Memoires uit de goelag, die zijn er genoeg. De wat mij betreft mooiste ervan, die van Jevgenia Ginzburg namelijk, zouden trouwens ook best in de Russische Bibliotheek passen.

Pasternak werd door Stalin gebeld, net als Boelgakov, Sjostakovitsj en - vergeeft u me dat ik fictie en werkelijkheid meng - Vasili Grossmans Strum. Dat gebeurde in mei 1934, kort nadat Pasternak aan Boecharin - die op dat moment, vier jaar voordat hij zelf werd geëxecuteerd, hoofdredacteur was van Izvestia - had gevraagd zijn best te doen om de onlangs gearresteerde dichter Osip Mandelstam te helpen. Die had een vervelend gedichtje over de dictator geschreven en had dat in gezelschap voorgelezen. Pasternak zei erover, als we Nadjezjda Mandelstam moeten geloven: Hoe heeft hij dat als Jood nou kunnen schrijven? Toen ze wilde weten wat hij er on-joods aan vond, wilde hij dat niet zeggen. Ik vermoed dat Pasternak bedoelde dat je als jood in Rusland nu eenmaal moest oppassen. En ik denk dat Nadjezjda Mandelstam dat best begreep. Pasternaks ouders waren overigens - ik vermeldde het - ook joods en al bekeerden ze zich niet tot het christendom, belijdend joods waren ze evenmin, wat de schrijvende zoon er niet van weerhield zich met regelmaat erg kritisch over joden uit te laten. Stalins gevoel voor humor was beperkt, in elk geval als het over hemzelf ging. Osip Mandelstam - isoleren, maar in leven houden - zou eerst naar de Oeral verbannen worden en na een zelfmoordpoging mogen terugkeren naar het op 450 kilometer van Moskou gelegen Voronezj. Maar daar zou het dus niet bij blijven.

Osip Mandelstam (1891-1938), 1936. Wij leven zonder onder onze voeten ons land te voelen/ Onze woorden zijn niet verder dan op tien pas te horen,// maar waar nog een half gesprekje plaatsvindt,/ wordt de Kremlin-bewoner uit de bergen vermeld.// Zijn dikke vingers zijn vet als wormen/ en zijn woorden onwrikbaar als loden gewrichten.// Zijn kakkerlakkensnor lacht/ en zijn beenkappen glanzen.// Hij is omgeven door een bende slankhalzige leiders/ en hij maakt gebruik van de slavendiensten van halfmensen.// Zij fluiten, miauwen of janken./ Alleen hij oreert en port met zijn vinger.// Hij smeedt series dekreten, als hoefijzers/ die hij mikt op je voorhoofd, je kruis of je oog.// En iedere terechtstelling is een traktatie/ voor de Osseet met de brede borstkas. Bron: Mandelstam, Memoires, 1970, pagina 224/251 Vertaling Kees Verheul

Osip Mandelstam (1891-1938), 1936

Nadjezjda Mandelstam vertelt aan het begin van haar memoires hoe de eerste arrestatie, want er zou er nog éen volgen, in zijn werk ging: met twee zogenaamde getuigen, duttend op een stoel in de gang, drie eindeloos huiszoekende Tsjekisten die alle papier in huis op een hoop gooiden en een vriend van dubieus allooi die al de hele avond aanwezig was geweest en in werkelijkheid functioneerde als spion. En tegen wie éen van de Tsjekisten na een uur of zo zei: "U kunt weg hoor." Met zijn verzoek om assistentie aan Boecharin betoonde Pasternak heel wat meer moed dan de meeste van zijn collega's. Stalin vroeg Pasternak aan het eind van het telefoongesprek of Mandelstam een goede schrijver was. Pasternak hield het schip angstvallig in het midden. Stalin zei voordat hij ophing dat Pasternak zijn vriend niet geweldig verdedigd had. Hij had kunnen zeggen: dat doen wij beter, wij fusilleren ze allemaal. Met Mandelstam liep het slecht af, maar ik geloof niet dat het aan Pasternak lag, al heeft die zich over zijn reactie altijd schuldig gevoeld, zoals hij zich later ook schuldig voelde over Tsvetajeva's zelfmoord. Ondertussen leefde het echtpaar Mandelstam na de verbanning in grote armoede en zodoende was Nadjejzda altijd bezig voor haar man te collecteren en ging ze langs bij wie ze meende een kans te maken wat te krijgen. Peredelkino, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, is een nederzetting met datsja's voor schrijvers. Het ligt even ten zuidwesten van Moskou. Er bevindt zich nu een aan Pasternak gewijd museum (gewoon zijn voormalige woning) en hij ligt er begraven. M. is Ossip Mandelstam en Pasternaks roman is uiteraard Zhivago.

(…) Wij gingen betrekkelijk vaak naar Moskou en soms zochten wij zelfs bekenden van ons op in hun datsja's. Zo waren wij een keer bij Pasternak in Peredjelkino. Hij zei tegen ons: 'Zina is geloof ik in de keuken bezig' en hij ging naar beneden om te kijken waar zij was, maar hij kwam met een bedrukt gezicht weer terug - Zina wilde ons blijkbaar niet ontvangen... Toen ik een paar jaar later na mijn terugkeer uit Tasjkent Boris Leonidovitsj op wilde bellen, zei zij tegen mij door de telefoon: 'Komt u alstublieft niet naar Peredjelkino...' Sindsdien heb ik Pasternak nooit meer opgebeld, maar als hij mij in de buurt van het flatgebouw aan de Lavroesjenskistraat, waar ik lang bij Vasilisa Sjklovski gewoond heb, tegenkwam, ging hij altijd even met mij mee naar binnen om een praatje te maken. Hij was ook de enige die mij kwam opzoeken toen hij het nieuws van de dood van M. gehoord had. Op de dag dat M. en ik bij hem in Peredjelkino waren, liep hij met ons mee terug naar het station om ons weg te brengen. Wij bleven nog eindeloos op het perron staan praten, terwijl wij de ene trein na de andere lieten vertrekken. Boris Leonidovitsj was nog steeds vol van Stalin en klaagde erover dat hij op het moment geen poëzie kon schrijven omdat hij tijdens het telefoongesprek met Stalin geen persoonlijke ontmoeting met hem had weten te arrangeren. M. hoorde hem glimlachend aan, terwijl mijn oren tuitten van verbazing en ergernis. Na de oorlog scheen Pasternaks enthousiasme voor Stalin te zijn bekoeld. In ieder geval sprak hij niet meer over hem als wij elkaar ontmoetten. De eerste impuls voor zijn roman dateert al van heel vroeg, want al voor de oorlog vertelde Pasternak ons iedere keer wanneer wij hem spraken dat hij bezig was met een prozawerk dat 'over ons allemaal' ging ... Men kan aan het uiteindelijke resultaat van deze roman zien dat de opzet ervan in de loop van de tijd waarschijnlijk voortdurend aan veranderingen onderhevig is geweest. (…) (Mandelstam 1971 pag. 339, Vertaling: Kees Verheul)

Nadjezjda Mandelstam (1891-1938), september 1970. Bron: Mandelstam, Memoires 1, 1971, titelblad Foto: Kees Verheul

Nadjezjda Mandelstam, 1970

Pasternak behoorde, net als Michail Boelgakov, Paustovski, Osip Mandelstam, Achmatova en Tvsetajeva tot een generatie die werd geboren rond of in 1890. Opgegroeid als de schrijvers waren onder het tsaristisch bewind, hadden ze moeite met de aanpassing, maar ze wisten zich te conformeren, de een met meer gemak dan de ander. Sommigen van hen hadden - om in bolsjewistische termen te spreken - witte connecties. Pasternaks ouders en zijn twee zussen verlieten Rusland. Boelgakovs broers deden hetzelfde. De ontembare Tsvetajeva vertrok zelf, eerst naar Berlijn, daarna Tsjechoslowakije, daarna Parijs om pas in 1939 terug te keren, zonder dat het opviel, maar in een periode dat die handelwijze levensgevaarlijk was. Achmatova was van adel en haar eerste echtgenoot was Nikolaj Goemiljov, die in 1921 al werd geëxecuteerd. Wie had er in die tijd geen vrienden en bekenden met wie het slecht zou aflopen, iets wat je altijd nagedragen kon worden? Het was ook een beetje een loterij, eentje met nogal wat nieten. Ook in de persoonlijke gang door de geschiedenis, welke keuzes je maakte, zat soms veel toeval. Tsvetajeva's man, Sergej Efron, was voor de revolutie lid van een extreem-linkse groepering, maar kwam, nadat hij in het leger was beland, toch bij de Witten terecht. Andersom gebeurde ook. Veel sovjetschrijvers vluchtten in de jeugdliteratuur, de reisverhalen, de sprookjes, al dan niet van volkse herkomst, in de non-fictie of in vertaalwerk, allemaal genres die minder kwaad konden. Pasternak zelf vertaalde in de jaren '30 en '40 veel, maar zelfs daar kreeg hij problemen mee, terwijl hij toch was toegetreden tot het officiële literatuurbestuur, in zijn poëzie Lenin en Stalin toezong en voor dat alles beloond werd met een appartement in Moskou en een datsja in Peredelkino. In 1936 ondertekende hij een open brief waarin om de doodstraf werd gevraagd voor Kamenev en Zinoviev, die op dat moment in Moskou terecht stonden, naar zeggen van Hingley het enige document van dat type dat hij ooit zou ondertekenen. Tegelijkertijd permitteerde hij zich nog heel wat onafhankelijke geluiden. Hij schreef een brief om de man te redden met wie Achmatova samenleefde en die een tijdlang conservator was van de Hermitage, Nikolaj Poenin. Die kwam weer vrij, maar zou in in 1953 toch sterven in de Goelag. In de zomer van 1937 verdween de met Pasternak bevriende Georgische dichter Tabidze, waarna een andere wederzijdse Georgische vriend zelfmoord pleegde, Paolo Jasjvili.

Kort na Mandelstams arrestatie, ging Pasternak, misschien op nadrukkelijk verzoek van wat Franse schrijvers, of omdat de Sovjets het van hem eisten, in juni 1935, samen met Isaak Babel, Aleksej Tolstoj en Ilya Ehrenburg naar Parijs, naar wat in het Frans officieel heette het Internationaal Congres van Schrijvers voor de verdediging van de cultuur, om daar de sovjetliteratuur te representeren, in een tijd waarin hijzelf nauwelijks publiceerde, bijna alleen vertaalde en wellicht nadacht over zijn Zhivago dat in zijn vroegste versie nog Jongens en meisjes heette. Hij was ziek en ging in Berlijn langs zijn familie. Het gezin zou niet lang daarna naar Engeland vertrekken. Met de dichter met wie Pasternak zo'n intieme correspondentie onderhield, brieven die nu grotendeels verdwenen zijn, met Marina Tsvetajeva namelijk, kwam het misschien tot een korte ontmoeting. Ze zagen elkaar ergens in het congresgebouw, of in een hotel, en ze wisselden enkele woorden. Hij moet toch het gevoel hebben gehad dat hij haar goed kende, want de twee hebben lang en intensief gecorrespondeerd en ze bewonderden elkaar. Tsvetajeva is zelfs in vertaling een groot dichter. In zijn Autobiografisch essay (van 1956) vertelde Pasternak hoe hij de ongeveer 100 brieven van haar kwijt raakte. Hij gaf in de oorlogsjaren alles wat hij bewaard had aan een vriendin, medewerkster van het Skrjabinmuseum, die daar beschikte over een kluis. Die deponeerde daar alle documenten, behalve de brieven aan Tsvetajeva, die ze altijd bij zich hield. En die liet ze een keer in een trein staan. Zou het waar zijn? Die briefwisseling kon erg verkeerd worden opgevat. Er waren mensen die voor minder stierven. Dat Pasternak in Parijs in juni 1935 Tsvetajeva ternauwernood sprak, of alleen maar zag, was naar ik vermoed geen toeval. Ik ben ervan overtuigd dat er in het kielzog van de sovjetschrijvers die naar het Parijse congres gingen, minstens evenveel mensen van de NKVD meereisden. Op het moment dat Pasternak in Parijs verbleef, waren in Leningrad de zuiveringen na de dood van Kirov in december 1934 al op gang aan het komen. En Tsvetajeva betekende problemen. Ze was tot geen enkel compromis bereid en keerde pas terug naar Rusland op een moment dat haar kansen om in het westen in haar eigen onderhoud te voorzien minimaal waren geworden. Ze werd als staatsgevaarlijk beschouwd. Haar man werkte - na een wit emigré-verleden - voor de NKVD, al was Tsvetajeva zo zeer van hem vervreemd dat ze dat vermoedelijk niet wist. Hij zou in oktober 1941 geëxecuteerd worden. Haar zoon Georgi, bijgenaamd Moer, verdween in 1944 spoorloos. Nadat Tsvetajeva (in juni 1939) was teruggekeerd naar de Sovjetunie, bezorgde Pasternak haar een huis, maar meed haar verder zo veel mogelijk. Eén keer organiseerde hij een etentje waar hij en andere schrijvers aanwezig waren, ook Achmatova, maar verder bleef hij uit de buurt. En ik schreef het al: daarmee betoonde hij veel meer moed dan de meeste anderen, terwijl hij zich altijd zijn lafheid zou verwijten. Tsvetajeva's dochter Alja was al in 1937 naar de Sovjetunie teruggekeerd, werd in augustus 1939 gearresteerd en veroordeeld tot verbanning, waaruit ze pas in 1955 terugkeerde. Twee jaar na haar terugkeer, op 31 augustus 1941, hing Tsvetajeva zichzelf op in Jelaboega. Waar ze precies begraven werd, is onbekend.

Marina Ivánovna Tsvetajeva (1892-1941), Moskou, 1939. Ach heimwee! Onzin, die allang/ ontmaskerd is! Onnodig lijden!/ Het is totaal niet van belang/ waar de totale eenzaamheid me/ wacht, waar ik met een zware tas/ naar huis loop; onder welk gesternte/ dat huis mij niet herkent, als was/ 't een hospitaal of een kazerne./ Het maakt niet uit, te midden van/ welk volk mijn haren van gevangen/ leeuw overeind staan, welke stam/ of welke kringen mij verbannen/ - wetmatig - naar mijn eigen pijn/ waar ik vertrapt word, niet kan leven -/ Mij, ijsbeer zonder schots, mij zijn/ al deze dingen om het even. [...] Geen merk of teken draag ik, nergens,/ Ik heb geen datum, geen getal;/ Een ziel, geboren ... zomaar ergens. (...) Vertaling gedicht: Anne Stoffel, Van Oorschot 1999. Bron foto: Schweitzer 1996

Marina Tsvetajeva, Moskou, 1939

Een week voordat het congres in Parijs begon, ontmoette André Breton daar op straat voor een café Ilja Ehrenburg en sloeg hem op het gezicht. Ehrenburg had eerder het surrealisme "onanie, pederastie, exhibitionisme en zelfs bestialiteit" genoemd. Breton werd van de sprekerslijst geschrapt. In het voorbereidend comité van het Parijse congres zaten oa. Malraux en Gide, nog allebei communist. Gide ging pas in 1936 naar Rusland, in het gezelschap van oa. Jef Last overigens en kwam daar tot inkeer: Retour de l'U.R.S.S, waarna hij voor fascist werd uitgemaakt. Pasternak zou in april 1937 weigeren de veroordeling van Gides boek te ondertekenen. Terwijl het congres aan de gang was en iemand als Huxley protesteerde tegen de communistische demagogie, reisde Nobelprijswinnaar Romain Rolland in omgekeerde richting, bezocht Rusland, werd er feestelijk onthaald en bewonderde de dictator. Du Perron en Ter Braak waren trouwens op het congres aanwezig en de twee hadden net als Huxley al snel door uit welke hoek de wind woei. Wie zich in die jaren tegen het Hitler-regime verzette, geraakte nu eenmaal gemakkelijk in communistisch vaarwater, totdat het op 24 augustus 1939 tijdelijk overging. Ter Braak hield er zijn toespraak, nota bene na Ilja Ehrenburg. Du Perron beschreef later zelf hoe de zaal op dat moment leegliep, omdat het erg warm was en bijna iederen wat ging drinken. Een Nederlandse krant, De Standaard, blad van Anti-Revolutionaire huize, schreef, pas op 3 maart 1936, naar aanleiding van Du Perrons verslag van de gebeurtenissen:
Is het niet prachtig: de groote Hollandsche schrijver Ter Braak! In een leege zaal voor het Sovjet-karretje dravend, terwijl 'n vriend onderwijl zit te grinniken. Wat doen ze in de kou? Du Perron heeft tenminste iets van zijn lesje geleerd. Laten we hopen dat ook Ter Braak het Sovjet-tuig afwerpt.
Maar Du Perron, die niet veel respect had voor reputaties en gewend was te zeggen wat hij dacht, hoorde ook Pasternak spreken en schreef:
zijn grote reputatie waardig en eenvoudig, hart-veroverend, zoals hij sprak, ongezocht en niettemin verward, een Buster Keaton met onmiskenbare inhoud, maar die deze inhoud hier niet geven kon en dus alleen suggereerde met af en toe een dichterlijke paardezucht.
Pasternak kreeg overigens een staand applaus. Ook uit andere ooggetuigeverslagen is bekend dat hij, ondanks het onmetelijke zelfvertrouwen dat hij als schrijver demonstreerde, geen groot spreker was. Hij was berucht om zijn onhandige optredens in gezelschap. Charles B. Timmer citeert Marina Tsvetsajeva (in Timmer 1970):
Ik heb eenmaal een voordracht van hem gehoord, samen met andere dichters, in het Polytechnische museum. Hij sprak met een doffe stem en was bijna al zijn gedichten vergeten. Zijn gevoel van onwennigheid op het podium deed duidelijk aan Alexander Blok denken. Men kreeg de indruk van een kwellende geconcentreerdheid, je kreeg neiging hem, als een wagen die niet in beweging wilde komen, een duwtje te geven ... toe, vooruit nou ... en, daar geen woord van wat hij zei tot je doordrong (het was een en al gemompel als het geknor van een ontwakende beer), kwam de ongeduldige gedachte bij je op: 'Grote genade, waarom zichzelf en anderen zo kwellen?

Stiekem denk ik dat goeie schrijvers niet van spreken houden - privé misschien, onder vrienden en collega's, maar in elk geval niet voor een groot publiek. Desondanks herkende Du Perron het talent blijkbaar wel. En daar had hij groot gelijk in. Pasternaks Dokter Zhivago is bij de kwaliteiten die het wel degelijk heeft, een verwarrend, vreemd en ongemakkelijk boek. Zelf schreef Pasternak op 13 oktober 1946 uit Moskou aan Olga Freidenberg (1890-1955), de dochter van de broer van zijn vader, een nichtje dus, maar éen dat als meisje verliefd op hem was en met wie hij altijd zou blijven corresponderen, briefwisseling die in 1981 werd uitgegeven in Privédomein (Contradans in brieven) en waar ik hier uit citeer:

(...) In één opzicht probeer ik mezelf in de hand te houden: in mijn werk. Ik heb je al verteld dat ik begonnen ben aan een grote roman in proza. Eigenlijk is het mijn eerste echte werk. Daarin wil ik een historisch beeld van Rusland geven tijdens de laatste vijfenveertig jaar en tegelijkertijd zal de roman in ieder aspect van zijn onderwerp - zwaar, treurig en tot in de kleinste details uitgewerkt zoals idealiter bij Dickens en Dostojevski - de uitdrukking zijn van mijn opvattingen over kunst, het Evangelie, het leven van de mens in de geschiedenis en nog veel meer. De roman heet voorlopig Jongens en meisjes. Ik reken er in af met het jodendom, met alle vormen van nationalisme, (ook binnen het internationalisme), met alle schakeringen van het anti-christendom en zijn veronderstelling dat er na de val van het Romeinse rijk nog bepaalde volkeren bestaan op wier ruwe nationale essentie een nieuwe beschaving kan worden gebouwd. De toon van het werk is gezet door mijn christendom, ietwat anders en ruimer van visie dan het quaker- of tolstojaanse christendom, uitgaande van andere aspecten van het Evangelie, naast het ethische aspect. Dit alles is zo belangrijk en de verf valt zo goed op zijn plaats binnen de contouren die ik heb bedacht, dat ik het geen jaar meer zou uithouden als niet ook tijdens dat jaar mijn alter ego, de roman, waarin bijna tastbaar sommige delen van mijn innerlijk en mijn zenuwstelsel zijn overgeplant, zou blijven leven en groeien. (...)

André Malraux (1901-1976), die in de goede zaak bleef geloven, ook na Gides Retour de l'USSR, Vsevolod Meyerhold (1874-1940), die in 1940 werd vermoord, en Boris Leonidovitsj Pasternak (1891-1960). Jammer dat Gorki er niet op staat. Die fungeerde als gastheer. Hij zou een paar maanden later overlijden, op 19 juni, onder verdachte omstandigheden, zoals soms wordt gezegd (net als over - met meer recht misschien - zijn zoon Max trouwens). Moskou, maart 1936. Bron: Pasternak-Freidenberg, Reidans in brieven, 1910-1954, Warmenhoven 1988

Malraux, Meyerhold en Pasternal, Moskou, 1936

Stalin zou over Pasternak hebben gezegd: Laat die hemelbestormer maar met rust. Tijdens het telefoongesprek waar ik al naar verwees, had Pasternak ook de wens geuit eens een persoonlijk gesprek met Stalin te voeren. Waarover dan, had die gevraagd. Over leven en dood, zou Pasternak hebben gezegd. Toen hing Stalin op. Jammer, want het had een interessante conversatie kunnen zijn. Ik meen me te herinneren dat een Nederlandse recensent naar aanleiding van de nieuwe vertaling van Dokter Zhivago door Aai Prins zoiets schreef als: eigenlijk is het wel een beetje een draak. En daar zit veel in. De personages willen maar niet tot leven komen. Ze zijn te eendimensionaal, te zeer de uiting van bijvoorbaat aanwezige idealen en opvattingen die op verantwoorde wijze over alle personages zijn verdeeld. Er is een kapitalistische slechterik, een jonge revolutionaire held, een verdwaasde en moorddadige trotskist, er zijn zichzelf wegcijferende vrouwen, er is een moderner Rusland dat bezig is zijn mislukkingen achter zich te laten, want het nawoord wordt gesproken ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, waarmee de jaren '30 wederom verdwenen zijn. Het lijkt in sommige opzichten anachronistisch, want terwijl het eindpunt van het boek wordt gevormd door 1929 lijken sommige gebeurtenissen beter in de jaren '30 te passen. Een goed deel van de gebreken lijkt vooral daaraan te wijten dat Pasternak erop uit is aan te tonen dat de hoofdpersoon, arts Joeri Zhivago, net als de auteur, het hart op goede plek heeft, ook al is hij de nakomeling van een koelak. En dat terwijl je - zelfs in een vertaling - aan tal van zaken kunt zien dat Pasternak een goede schrijver is en een uitstekend stilist, met een scherp oog voor de wereld om hem heen. Wie op de hoogte is van de voorgeschiedenis van de publicatie, iets waaraan de laatste jaren veel aandacht is besteed, kan daar alleen maar om glimlachen. Want het is ironisch dat de Sovjetautoriteiten het iemand die zo van goede wil was als Pasternak onmogelijk maakten zijn Nobelprijs te accepteren en op te halen, terwijl ook de verlening daarvan in een lange en ongelukkige traditie staat van Nobelprijsgedoe. Poetin zou dolblij geweest zijn met Pasternak. Die op zijn beurt heeft bij het schrijven ongetwijfeld het gevoel gehad dat hij op zeer dun ijs schaatste. Want er is genoeg kritiek op het bewind van de sovjets uit te destilleren en de gruwelen die ook worden beschreven, zijn er niet minder om, al gaat het daarbij vaak om de verwerkelijking van de communistische idealen, de ontsporingen ervan of het verzet tegen de bolsjewieken, en niet om fundamentelere zaken. In feite besluit Joeri Zhivago al snel de revolutie de revolutie te laten en gaat veel van de historie langs hem heen. En dat is aan alles te merken, zoals het zelfs te merken is dat de befaamde verfilming ervan door David Lean, daterend uit de periode van de detente, van 1965, van even veel goede wil is jegens de Sovjetautoriteiten als Pasternaks roman tegen de zijne. Chroesjtsjov zei later dat hij er spijt van had dat hij zich tegen de publicatie had verzet.

Het telegram dat Pasternak onmiddellijk na de toekenning van de Nobelprijs op 23 oktober 1958 stuurde, was in het Engels gesteld: Oneindig dankbaar, geroerd, trots, verrast, overdonderd. Hierbij Pasternaks latere weigering van de Nobelprijs. Gezien de zin van deze onderscheiding en zoals die wordt opgevat door de samenleving waar ik deel van uitmaak moet ik afzien van de onverdiende prijs die me werd toegekend neem me mijn vrijwillige weigering niet kwalijk. Dat que je partage staat op een rare plek. Bovendien is partager in de zin van deel uitmaken van raar. Het betekent in eerste instantie delen. Pasternak sprak naar bekend uitstekend Frans. Waarschijnlijker zou zijn dat het woord betrekking heeft op het antecedent sense, waarmee hij dan zou zeggen dat hij de manier waarop er tegen de prijs wordt aangekeken in de samenleving deelt. Maar dan staat het dus wel op een rare plek. Pasternaks zoon Jevgeni nam de prijs in 1989 alsnog in ontvangst. Bron: Timmer 1970, pagina 36

Pasternaks weigering van de Nobelprijs in 1956

Boris Leonidovitsj Pasternak (1891-1960), kort voor zijn dood in Peredelkino. De schrijver stierf aan longkanker en ligt er begraven. Bron: Hingley 1983

Pasternak, Predelkino, ca. 1959

3

Konstantin Paustovski werd geboren in 1892 en groeide op in Kiev, net als Boelgakov dus, die daar op hetzelfde gymnasium zat, maar een klas hoger. Hoewel Paustovski's Verhaal van een leven met het eerste deel ervan, Verre jaren, een aanvang neemt rond 1907, 1908, dan teruggaat naar zijn vroege jeugd en loopt tot vlak voor de revolutie, en met het vijfde deel (De sprong naar het zuiden) loopt tot ongeveer 1924, terwijl dat wat vreemde zesde deel er een beetje bij hangt en met grote sprongen van 1924 tot het eind van de vijftiger jaren gaat, is het van enig belang vast te stellen dat Paustovski aan zijn herinneringen begon te schrijven in de jaren '40, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het eerste deel, Verre jaren, is gedateerd met 1946. Het zal u inmiddels misschien niet meer verbazen dat bij Paustovski, net als in Pasternaks autobiografische geschriften, de jaren '30 geheel ontbreken. Wim Hartog, de vertaler, vertelde in een interview hoe hij erbij kwam Paustovski te gaan vertalen. Hij trof de Franse vertaling van het eerste deel aan in een Parijse boekhandel, las wat en was diep onder de indruk. De Nederlandse vertaling van het eerste deel werd in 1970 gepubliceerd. De complete reeks werd een groot verkoopsucces. Dat was des te vreemder, daar toen met de publicatie werd begonnen, er vermoedelijk maar weinigen in Nederland waren die de naam Paustovski iets zei. De schrijver was een paar jaar eerder overleden. Toen dat gebeurde, in 1968, schreef Karel van het Reve een stukje voor het Parool, getiteld: Schrijver die geluk had. Laat me het hier eens in zijn geheel geven.

Voor een in 1892 geboren Russische schrijver heeft Konstantin Paustowski - die vandaag begraven werd - geluk gehad. Hoewel van een lichting die in de Eerste Wereldoorlog gedecimeerd is, bleef hij wegens bijziendheid buiten schot. Hoewel uit de 'middenstand' afkomstig, of als men wil uit de 'intelligentsia' (zijn vader was ambtenaar bij de spoorwegen) werd zijn familie niet door de revolutie vernietigd of in de emigratie geworpen. Zijn vader stierf toen hij nog op school was, en hij moest op jeugdige leeftijd voor zichzelf zorgen. Hij was onder meer tramconducteur in Moskou, verpleger, arbeider en journalist.
Hoewel hij een schrijver was, heeft de Stalintijd hem noch het leven, noch zijn eer gekost: hij is niet omgebracht zoals Babel, Pilnjak en honderden andere schrijvers. Hij is ook niet tot bijna volledig zwijgen gedwongen geweest zoals Pasternak. Evenmin is hij onder de druk der afschuwelijke omstandigheden geëvolueerd tot een gehoorzame leverancier van smaakloze en smakeloze overheidsprodukten, zoals zovele anderen (in het beste geval Fedin, Katajev, Sjklovski, Oljesja, in het slechtste geval Kotsjetov, Babajevski en talloze andere Stalinprijsdragers).
Behalve het toeval dat in zulke gevallen een enorme rol speelt (Ehrenburg zegt in zijn memoires niet ten onrechte dat het tijdens de terreur gewoon een loterij was of je eraan ging of niet), heeft Paustowski zijn geluk enerzijds te danken aan een ingeboren gevoel voor maat en fatsoen (hij stond op voor vrouwen in de tram, deed niet mee aan hetzes tegen collega's), anderzijds aan de aard van zijn schrijverstalent.
Paustowski wordt wel een 'romanticus' genoemd. Hij hield van het buitenleven, was een wandelaar, een reiziger met hang naar het avontuurlijke. Zijn specialiteit zijn vergeelde documenten, handschriften in flessen gevonden, die de avonturen van een vorige generatie met Paustowski' tijdgenoten verbinden, wouden, woestijnen, rivieren, afgelegen huizen waar voeger interessante mensen gewoond hebben, van wie de sporen door een achterneef worden gevonden.
Toen in het begin van de jaren dertig de duimschroeven werden aangedraaid en er positieve boeken moesten komen over de industrialisatie, lukte het Paustowski om twee leesbare romans te maken, die nochtans aan de eisen des tijds voldeden. Het waren boeken die elementen bevatten van de avonturenroman, de historische roman, her historische relaas en de industriële reportage. Het ene, Kara­Boegaz, ging over de gelijknamige Kaspische-Zeearm, waarbij revolutie, ontdekkingsreizen en de winning van glauberzout uit zeewater tot een geheel gecombineerd worden. Het andere, Kolchis, speelt in de Kaukasus en bezingt de drooglegging van moerassen in het gebied van het Gulden Vlies. Van beide boeken bestaat een gebrekkige Nederlandse vertaling. Na de oorlog, en vooral na Stalins dood, werkte Paustowski aan een serie autobiografische boeken die lopen tot ongeveer 1923 en waarvan de voortzetting door zijn dood onderbroken is. Dit is zijn beste werk: licht-romantisch, licht-gemaniëreerd, geschreven in een ouderwetse stijl die aansluit bij Boenin, na censurering aanvaardbaar voor de overheid, en niettemin leesbaar. De laatste jaren was hij zo'n beetje de grand old man van de Russische literatuur, op wie de overheid zuinig was, omdat er weinig schrijvers van betekenis waren overgebleven met wie men eer kon inleggen: Pasternak was dood en bovendien te rebels, Sjolochov en Fedin te zeer gecompromitteerd door een rol in de Stalintijd, Ehrenburg te oppervlakkig, te lastig en te actueel. Paustowski schreef rustig zijn memoires, werd vereerd door jonge schrijvers, en kreeg verleden jaar een Leninorde die een hoge partijfunctionaris hem persoonlijk op zijn ziekbed kwam opspelden. Helemaal koest hield hij zich overigens niet. Hij protesteerde tegen de veroordeling van Daniel en Sinjavski en tegen het proces-Ginzburg. Dit bracht de overheid in moeilijkheden, omdat zijn protest, dankzij de westerse radio, aan iedereen bekend werd.
De overheid heeft de stroom van protesten van de eerste maanden van 1968 beantwoord met een stroom van ontslagen en royementen uit de partij. Toen in de Literatoemaja Gazeta een artikel verscheen waarin werd gezegd dat het ondertekenen van protestbrieven en het lidmaatschap van de schrijversbond onverenigbaar waren, heeft Paustovski, ziek als hij was, met enige anderen aan het bestuur van de schrijversbond doen weten dat hij onmiddellijk als lid zou bedanken zodra een van zijn collega's zou worden geroyeerd.
De verwachte royementen bleven uit - en nu Paustovski dood is, publiceren de kranten een verklaring van het bestuur van de schrijversbond die eindigt met de woorden: 'de naam van Konstantin Georgiëvitsj Paustovski, de schrijver en de burger, zijn bijdrage tot de sovjetcultuur zullen een voorbeeld blijven van hoe men zijn volk dient'. De gebruikelijke nietszeggende formule die iedereen op zijn eigen manier kan uitleggen. (Parool, 17 juli 1968)

Een heel hoge dunk van Paustovski lijkt Van het Reve me niet te hebben, al vraag ik me wel af wat hij precies van hem kende. Hij noemt enkel twee vroege romans, Kara-Boegaz en Kolchis, en voegt er dus aan toe: Van beide boeken bestaat een gebrekkige Nederlandse vertaling, zonder erbij te zeggen dat die van hemzelf waren, want hij vertaalde ze allebei, nota bene nog terwijl hij op het Vossiusgymnasium zat, in respectievelijk 1935 en 1937 en nog uit het Duits ook. Dat weten we, bijvoorbeeld uit een interview dat Martin van Amerongen hem afnam. Dat stuk werd in deel 1 van Van het Reves Verzameld Werk opgenomen, maar de Slavist zou de vertalingen vaker noemen en er dan aan toevoegen dat het geld dat hij ervoor kreeg, 30 gulden, in de huishoudpot van zijn moeder verdween.

Taroesa, 17 juni 1968. De begrafenis van Konstantin Paustovski. Hartog schrijft: Tweede drager rechts is zijn zoon Vadim. Achter hem zoon Aleksej. In Taroesa bevindt zich een aan Paustovski gewijd museum, zijn voormalige woning. Een deel ervan ging in 2010 in vlammen op, terwijl eerder al zijn graf werd beschadigd, zo las ik tenminste in de Russische pers. Bron: Paustovski 2016, pag. 559

Taroesa, 17 juni 1968, Begrafenis van Paustovski

Ik meen me te herinneren - ook al uit een interview - dat vertaler Wim Hartog ooit opmerkte dat Paustovski in Nederland beter werd verkocht dan waar ook. Paustovski's Nederlandse populariteit heeft vaker bevreemding gewekt. Ik kocht zelf in 1973 in de ramsj in Amsterdam de Amerikaanse vertaling van de eerste drie delen in éen band, voor de somma van 15 gulden, wat me in elk geval geen bewijs van grote populariteit in de VS lijkt. Toch: hoe valt dat grote Nederlandse lezerspubliek te verklaren? Ongetwijfeld speelt wat Van het Reve over Paustovski schreef een rol. Hij had het hart op de goede plek. Dezelfde Mandelstam die ik al eerder heb geciteerd over Pasternak, schreef over hem:

In de tijd vlak voor ons vertrek naar Samaticha zei M. een keer tegen mij: 'We zouden Paoestovski eens om geld moeten gaan vragen.' Ik was erg verbaasd, want wij kenden hem niet eens. 'Hij geeft vast iets', verzekerde M. mij. Kort geleden heb ik Paoestovski dit verhaal verteld. 'Waarom zijn jullie dan niet gekomen?' vroeg hij spijtig. 'Voordat we dat konden doen was M. al gearresteerd', zei ik geruststellend tegen Konstantin Georgiëvitsj. 'Als M. bij mij gekomen was, zou ik mijn zakken binnenste buiten hebben gekeerd', zei hij met zijn karakteristieke bescheiden lachje. Daar twijfelde ik geen moment aan: hij was immers een typische 'heimelijke' vertegenwoordiger van de tradities van de intelligentsia en tegenwoordig, nu dat weer mogelijk is geworden, treedt hij openlijk als zodanig naar voren. (Mandelstam 1, 1971, pag. 362, Vertaling: Kees Verheul)

Tegenwoordig, nu dat weer mogelijk is geworden, zo schreef Mandel-stam, ergens in de jaren '60, tijdens éen van die periodes van dooi. Ik geloof niet dat de opmerking was bedoeld als verwijt aan het adres van Paustovski, het was een feitelijke constatering. Want dat heeft er allemaal wel mee te maken. Toen de Nederlandse vertalingen werden gepubliceerd, waren het de laatste jaren van de Koude Oorlog. De periode vormde het begin van de ontspanning tussen de Sovjetunie en de westerse wereld, al was die détente bepaald nog niet zonder problemen. Ik las Ivan Denisovitsj, Kankerpaviljoen en de Eerste cirkel, allemaal in het Engels. Toen ik de Franse grens passeerde en Solzjenitsyns Eerste cirkel in de auto had liggen, met op de omslag van de Penguin-uitgave hamer en sikkel, werd het boek door de douane mee naar binnen genomen, maar kreeg ik het tenminste nog terug. Aan de Joegoslavische grens werd mijn Deutscherbiografie van Stalin (in een Pelican-uitgave) in beslag genomen. Paustovski verscheen in min of meer dezelfde periode als Solzjenitsyn - die trouwens misschien ook best in de Russische Bibliotheek zou passen - en al was de manier waarop de Sovjetunie omging met zijn dissidenten omging allesbehalve elegant, Europa was toch erg links. Door mijn vrienden werd Let History judge, van de gebroeders Medvedev - als ik erover vertelde, want lezen deden ze het niet - met enig wantrouwen bezien. Amerika was in Europa de grote vijand. Vietnam was bezig. In een Amsterdams koffiehuis was ik er getuige van hoe een nietsvermoedend Amerikaans toerist, oudere man, zo viel me op, van de leeftijd dat hij in de Tweede Wereldoorlog in Europa had kunnen dienen, in slecht Engels werd toegebeten dat hij een fascist American swine was. Ik schreef over Doktor Zhivago en hoe Pasternak zijn best deed welwillend te zijn jegens de autoriteiten. De verfilming ervan door David Lean, die dateert van 1965, was een daverend succes. In het westen uiteraard, want in het oosten werd hij verboden. Ook dat is grappig. Herinnert u zich de slotscene nog? Alec Guinness, die geheimzinnige, streng ogende bolsjewiek, Joeri's broer, die daar Zhivago's en Lara's dochter ontmoet, uitkijkend over die gigantische dam en dat grote stuwmeer, dat wonder van moderne Sovjettechniek (in werkelijkheid gelegen in de Spaanse provincie Salamanca). De revolutie en de burgeroorlog zijn dan allemaal wel gruwelijk geweest, maar kijk eens hoe ver we zijn gekomen. En dat was op dat moment in het westen wel een beetje de sfeer. De Sovjetunie was toch een beschaafd land. En daar past Paustovski's beeld van de geschiedenis uitstekend bij. Want het is af en toe wel heel erg, maar het is ouderwets gezellig en toch ook allemaal heel fatsoenlijk. Ik herinner me niet ooit éen kritisch woord te hebben gelezen over het beeld dat Paustovski schetste van het verleden zoals hij dat beleefde, terwijl ik met enige regelmaat door een zeker wantrouwen werd bevangen en soms ook door enige irritatie, en dat in toenemende mate naar gelang ik er verder in kwam. En dat terwijl Paustovski ook nog eens zo iemand is die overal op het goede moment aanwezig blijkt te zijn. Als leerling is hij aanwezig bij de moordaanslag op Stolypin, in Kiev. Aan het begin van de eerste wereldoorlog is hij aan het westelijk front als ziekenverzorger. Als de revolutie uitbreekt, is hij in Moskou. Als de burgeroorlog in het zuiden nog aan de gang is, is hij eerst weer in Kiev, en daarna aan de Krim, waar hij het einde ervan meemaakt.

Konstantin Paustovski (1892-1960). Ca 1935. Paustovsi met een zoontje uit zijn eerste huwelijk met Jekaterina Zagorskaja (1889-1969), Vadim Paustovski (1925-2000). Die scheiding in het midden vind ik niks voor een man als Paustovski. Bron: Paustovski 2016 pag. 251

Paustovski met zoon Vadim, ca. 1935

Paustovski kwam uit een links milieu. Zijn vader was statisticus bij de spoorwegen, beroepsvermelding die ik altijd enigszins heb gewantrouwd. In Timmers Kinderen van Jesenin is een vermakelijk essay opgenomen over vertaalfouten uit het Russisch en ik heb dat statisticus altijd verdacht gevonden, temeer daar ik het overal tegenkom in precies dezelfde vorm. Hoezo een statisticus bij de Russische spoorwegen anno 1900? Ik wijs er maar even op: in het Frankrijk van voor de Eerste Wereldoorlog werd de geheime dienst de Section de Statistique genoemd, de sectie statistiek dus. Die speelde een belangrijke rol tijdens de Dreyfus-Affaire. Hoe dan ook: als intellectueel lijkt de schrijver Paustovski me van een andere categorie dan Pasternak en trouwens ook Boelgakov. Hij bewondert Heinrich Mann, leest Rabindranath Tagore, roemt Manon Lescaut en Tristan en Isolde. Aan Goethe komt hij blijkbaar pas laat toe. Hij lijkt me geen zeer diepzinnig mens. Van het Reve zit er met zijn typering naar mijn idee niet zo ver naast. Een erg politiek dier is Paustovski evenmin. We hebben hier iemand die graag en veel reist en van de natuur houdt. Natuurliefhebbers zijn zelden interessant. De eerste twee delen van Verhaal van een leven zijn verreweg de sterkste boeken van de reeks en dat komt vooral doordat Paustovski zich nog niet al te zeer hoeft te bekommeren om de historische achtergrond, waar het gebeuren zich nu eenmaal nog afspeelt in de tijd van de tsaren. Die periode beschrijft hij met grote warmte en een zekere weemoed. Het is allemaal zeer Russisch. Er worden met paard en wagen wilde rivieren overgestoken, de jonge Konstantin bivakkeert in afgelegen streken en ontmoet kleurrijk volk van allerlei pluimage. Hij geeft een realistisch beeld van zijn jeugd, van de plotselinge armoede die het gevolg is van het vertrek uit het gezin van de vader, hoe hij aan het schrijven slaat, de manier waarop zijn oom Kolja hem onder de hoede neemt, van zijn gymnasiumtijd. Zowel de dood van Tsjechov als van Tolstoj komt voorbij en Boelgakov speelt ook een rolletje. Het boek eindigt op het moment dat hij zijn gymnasiumdiploma krijgt, zo rond 1908. Ik vind de schoolhoofdstukken trouwens erg mooi en ik heb er wel eens iets uit voorgelezen aan mijn eigen zesdeklassers (ook op een gymnasium). Dat neemt niet weg dat er bij alle politieke onschuld naar aanleiding van de Sovjet-publicatie in 1946 direct rumoer ontstond. Hartog citeert er iets van in Goudzand: In het boek zit teveel liberale gemoedelijkheid en te weinig revolutionaire toorn. En dat is vanuit bolsjewistisch standpunt te begrijpen. Want in het eerste deel is er maar weinig te merken van de voorzichtigheid - lees: angst - die Paustovski ongetwijfeld gehinderd heeft bij het schrijven. Als de jonge Konstantin bij oom Kolja bivakkeert, in de buurt van Brjansk, vertelt hij hoe een armoedig jongetje aardbeien komt verkopen. Hij vraagt tien kopeken, maar Konstantins moeder geeft er 20 en doet er een stuk pastei bij. En dan volgt deze passage.

Ik kon dit jongetje maar niet vergeten en in stilte veroordeelde ik mijn moeder. Zij had haar gewetenswroeging afgekocht met twintig kopeken en een stuk pastei. Hier was ik mij heel goed van bewust. Ik begreep dat zo'n miserabele aalmoes in het niet viel bij dit schreeuwende onrecht. Maar hoe dit onrecht waar ik hoe langer hoe vaker mee te maken kreeg, uit de wereld moest worden geholpen, wist ik nog niet.

Toch nog wat revolutionaire toorn. Het is wel vervelend dat zoveel sociaal getinte literatuur onmiddellijk op A.M. de Jong gaat lijken. Dat had ik ooit met John Steinbeck ook al, en trouwens ook met Bertolucci's Novecento. Want uiteraard is dit bedoeld als een lichte buiging in de richting van de grote leider. Want die heeft het probleem van de honger en de armoede naar bekend grondig opgelost. Pas in Paustovski's deel 2 worden die buigingen nadrukkelijker en ook hinderlijker, terwijl dat deel zich eveneens afspeelt voor de revolutie. Aan het begin van deel 2, Onrustige jeugd, komt hij nog even terug op zijn afscheid van het Kievse gymnasium.

Na het verlaten van het gymnasium hadden mijn schoolvrienden en ik elkaar volkomen uit het oog verloren, ondanks de eed die wij gezworen hadden om altijd met elkaar contact te blijven houden. De oorlog brak uit, toen kwam de Revolutie en sindsdien heb ik zo goed als geen van mijn klasgenoten ooit meer teruggezien. De grapjas Staniszewski, de huisbakken filosoof Ficowski, de gereserveerde Schmoekler, de trage Matoessevitch en de kwikzilverachtige Boelgakov, ze zijn allen op de een of andere manier spoorloos verdwenen.

Dat is wel enigszins naïef. Van Boelgakov heeft Paustovski ongetwijfeld geweten dat hij niet meer mocht publiceren en dat hij al was gestorven. Hoe het met de vier andere door Paustovski genoemden zit, weet ik niet, maar zuiver statistisch is de kans aanzienlijk dat het met twee ervan slecht is afgelopen, temeer daar éen ervan me een jood lijkt. De oom Kolja, door wie Paustovski werd opgevangen en die onder de tsaren legerofficier was, werd in maart 1929 gearresteerd en kort daarop geëxecuteerd. Het is éen van de eigenaardigheden van Paustovski's autobiografie: bij de honderden personages die hij in de loop van zijn leven tegenkomt, kun je je altijd afvragen, hebben ze het overleefd of niet? Paustovski zelf, die in sommige gevallen ongetwijfeld wist hoe het zat, laat zich er nooit over uit. Ook over het lot van zijn oom zwijgt hij. Als hij in deel 3 op een bijeenkomst Maria Spiridonova hoort spreken, in de Sovjetunie beroemd vanwege een in 1906 door haar gepleegde moordaanslag, beschrijft hij hoe ze de zaal toespreekt met een browning in de hand, maar zwijgt hij over haar lot, al is het deze keer denkbaar dat hij het echt niet wist. Ze was éen van de velen die kort na de Duitse invasie uit de gevangenis werd gehaald en geëxecuteerd. Ook in de eerste twee delen al beschrijft hij de intelligentsia en de liberalen als een soort vermolmde klasse, die ten onder gaat aan haar eigen egoïsme. De overwinning van de bolsjewieken vat hij op als een soort logische en natuurlijke onontkoombaarheid, die al ver van tevoren zichtbaar was.

Ik zat in mijn kamer te schrijven. Ik schreef over de oorlog, over mijn generatie. Ik was ervan overtuigd dat deze generatie de wereld grondig zou veranderen. In deze generatie leefde veel onrust en verbeeldingskracht. Argeloos geloofde ik dat deze eigenschappen mijn generatie ervoor zouden behoeden een onbeduidend bestaan te slijten, heen te gaan zonder iets verricht te hebben en slechts zoals Romanin het uitdrukte 'rook in de ruimte achter te laten.' Ondanks dit vertrouwen zag ik toch steeds duidelijker dat er naast deze generatie van intellectuelen en mensen die zich zelf buiten elke klasse opgesteld hadden en zich als het 'zout der aarde' beschouwden, een enorme bevolkingslaag bestond, miljoenen mensen die zich zelf 'ons arbeidersmensen' noemden en een intens, mij tot nog toe onbekend bestaan leidden. In hen school echte levenskracht, onverdraagzaamheid en een nuchtere waarheid die zij op hun eigen kromgewerkte rug meegezeuld hadden. Deze waarheid konden de welluidendste gedichten niet doen verstommen en liet zich niet door de vage filosofieën van iemand als de toen in de mode zijnde Bergson in de schaduw stellen. Overal voelde men hun aanwezigheid, zoals men een gespannen doordringende blik voelt. En weldra liet het geen twijfel meer over dat men in Rusland niet meer rustig leven en werken kon zonder duidelijk positie te bepalen tegenover de arbeidersklasse, hun strijd en verwachtingen. (Deel 2, Onrustige jeugd, pag. 202)

En nee, dat Nederlands van Hartog is allesbehalve vlekkeloos. Sterker nog: het is soms hartstikke slecht en het heeft er bovendien de schijn van dat hij er ook andere vertalingen naast heeft gehad, iets wat op zichzelf overigens een eerbare kwestie is. Maar toch... dat het liet geen twijfel meer over klinkt erg Duits. En die voor-voorlaatste zin (Deze waarheid etc.) deugt evenmin. Ik zal er aan het eind nog even kort op terugkomen.

Konstantin Paustovski (1892-1960). Ca 1930. Paustovski in een roeiboot in de baai van Kara-Boegaz, zo schrijft Hartog. Het is een slechte foto, maar zo stel ik me hem wel een beetje voor. Stoer. Toen in het begin van de jaren dertig de duimschroeven werden aangedraaid en er positieve boeken moesten komen over de industrialisatie, lukte het Paustowski om twee leesbare romans te maken, die nochtans aan de eisen des tijds voldeden. (...) Van beide boeken bestaat een gebrekkige Nederlandse vertaling, aldus Karel van het Reve in 1968. Bron: Paustovski 2016 pag. 251

Paustovski in de baai van Kara-Boegaz, ca. 1930

Paustovski was in Moskou in de periode voorafgaand aan de revolutie werkzaam als journalist en als zodanig is hij aanwezig bij tal van revolutionaire bijeenkomsten. Wat hij schrijft, klinkt af en toe bijzonder onsympathiek.

De redevoeringen van de sprekers op de meetings namen van dag tot dag vaster vorm aan en al gauw begonnen zich uit de wirwar van slagzinnen en eisen duidelijk twee kampen af te tekenen waarin het land reeds verdeeld was: aan de ene kant de bolsjewieken en de arbeiders, aan de andere kant de op het eerste gezicht zo edelmoedige, bij nader inzien echter slappe en verwarde intelligentsia die achter de tijdelijke regering stond. Natuurlijk niet de hele intelligentsia maar wel een heel groot deel ervan. (Begin van een onbekend tijdperk, p. 11, vertaling Wim Hartog) [...] Het oude regime was verwoest. Maar in zijn hart geloofde bijna niemand dat de revolutie met de gebeurtenissen in februari afgelopen was. Het nieuwe regime was natuurlijk slechts een overgangsstadium in de geschiedenis van Rusland. (ibid. pag. 15) [...] De intelligentsia - deze grote Russische intelligentsia, het troetelkind van Poesjkin en Herzen, Tolstoj en Tsjechov - was in haar overgrote meerderheid het spoor bijster. Het kwam onomstotelijk vast te staan dat zij weliswaar hoge geestelijke waarden wist te scheppen, maar op een enkele uitzondering na machteloos stond nu het erom ging een nieuw staatsbestel te scheppen. Het oude regime was nu in elkaar geploft. In plaats van het volk de 'eeuwige principes van de redelijkheid en de goedheid' uit de leesboekjes met de paplepel in te gieten, kwam het er nu op aan om onverwijld met eigen handen nieuwe levensvormen te scheppen en een onmetelijk en volkomen verwaarloosd land verstandig te besturen. De verwarde, haast irreële toestand van het land mocht niet langer blijven voortduren. Als de natie wilde blijven bestaan, dan moest het doel duidelijk voor ogen staan en met vereende krachten de koe bij de horens worden gevat. Het bleek dat er, wilde men gerechtigheid en vrijheid vast verankeren, hard gebeuld en zelfs onbarmhartig gehandeld moest worden. Het werd ook duidelijk dat deze dingen niet spontaan vorm aannamen bij klank van cimbalen en het enthousiaste geroep van de burgerij. Dat waren de eerste lessen van de revolutie. Dat was de eerste confrontatie van de Russische intelligentsia met de idealen ervan. Het was een bittere kelk. En hij ging aan niemand voorbij. De sterke geesten dronken hem uit en bleven solidair met het volk, de zwakken ontaardden of gingen ten onder. (Ibid, p. 16) [...] Persoonlijk begroette ik de februarirevolutie met jongensachtig enthousiasme, terwijl ik toch al vijfentwintig jaar oud was. Ik leefde in de naïeve veronderstelling dat deze revolutie de mensen in éen klap ten goede zou kunnen veranderen en onverzoenlijke vijanden nader tot elkaar zou weten te brengen. [...] Maar ik moest al gauw tot het inzicht komen dat deze prachtige aanleg voor een groot gedeelte alleen maar schone schijn was. Iedere dag werd ik op wrede wijze met mijn neus op het feit gedrukt dat de mens niet zomaar verandert en dat de revolutie voorlopig noch de haat, noch het wederzijds wantrouwen uit de weg had geruimd. Ik trachtte deze onaangename gedachte van mij af te ztten, maar het liet me niet met rust en zette een domper op mijn vreugde. Ik viel steeds vaker ten prooi aan aanvallen van woede. Ik begon de gladde en liberale intellectuelen bijzonder fel te haten die hun groeiende domheid volgens mij wel zeer duidelijk toonden door hun vijandige gezindheid tegenover het volk dat hen kort daarvoor nog zo diep vertederd had. Maar dat wilde nog niet zeggen dat ik het toenmaals met de hele Oktoberrevolutie als zodanig eens was. Met vele dingen was ik het eens, andere dingen wees ik af, vooral alles waarin ik een teken van verachting voor de vroegere cultuur meende te zien. (Begin van een onbekend tijdperk, p. 17, Vertaling Wim Hartog)

Konstantin Paustovski (1892-1960) met Galina Arboezova, aangenomen dochter uit Paustovski's derde huwelijk, in 1950, met Tatjana Arboezova (1903-1978). Dier meisjesnaam was Tatjana Jevtejva, en ze was toen Paustovski haar in 1939 leerde kennen actrice in het theater van Meyerhold, die op dat moment al was gearresteerd. Solottsja, 1953. Bron: Paustovski 2016 pag. 251

Paustovski met Galina Arboezova, 1953

Paustovski heeft zich de kritiek onmiskenbaar aangetrokken: meer revolutionaire toorn! Dat hij spreekt over de intelligentsia als het troetelkind van Poesjkin, Herzen, Tolstoj en Tsjechov is natuurlijk een grove onwaarheid en dat wist Paustovski zelf misschien ook wel. Het is alweer een buiging in de richting van de autoriteiten. En dit alles verklaart waarom Karel van het Reve kon schrijven dat Paustovski geluk had gehad. Het was natuurlijk geen geluk. Wie wil, kan uit Paustovski's werk nog veel meer onaangenaamheden citeren. En het gaat er hier niet om iemand lafheid te verwijten. Het moeten voor elk fatsoenlijk mens bittere tijden geweest zijn. Maar, eerlijk is eerlijk, een deel van wat Paustovski schrijft, is erop gericht te overleven. En ik vind het onaangenaam dat daar, in alles wat er over Paustovski is gezegd, geen woord over valt. Tegelijkertijd is het in zekere zin ook geschiedvervalsing. Bij Paustovski zie je hetzelfde als bij Pasternak. Doordat ze over de jaren '30 zwijgen en die periode compleet negeren, maar toch hun verleden willen beschrijven, lijkt er in de jaren '20 soms sprake van kwesties die in werkelijkheid tien jaar later passen, zodat hij die twee decennia weergeeft als in een telescoopversie. Het was de collectivisering van de eind twintiger jaren die leidde tot de zeer agressieve bejegening van wat koelakken werden genoemd, de grondbezitters; maar de algemene, zo wijdreikende formulering daarvan, die zoveel slachtoffers zou maken, sprak Stalin pas uit eind december 1929, kort nadat hij de OGPU-top bijeen had geroepen, met als gevolg de politbureau-resolutie op 5 januari 1930. Dat neemt niet weg dat Paustovski in deel 3 (Begin van een onbekend tijdperk) een stuk schrijft over een bijzonder onaangenaam vrouwmens, dat zich moet afspelen in 1917 of 1918:

Dit was de eerste keer dat ik een typische koelakenvrouw zag: een gulzig, kwaadaardig mens, waarvan de onbeschoftheid voortvloeide uit het besef dat zij temidden van een algehele armoede en ellende welgesteld en verzadigd was. Indertijd waren er in de Oekraïne nog veel van deze harde en arrogante vrouwen van koelaken. Enkel en alleen om hun bezit te beschermen zouden deze vrouwen in staat zijn geweest hun bloedeigen vaders te wurgen. En zoonlief trad toe tot de bendes met leiders als Machno of Zeleny; die koelbloedig mensen levend begroeven, de schedels van kinderen met geweerkolven verbrijzelden en riemen sneden uit de ruggen van joden en soldaten van het Rode Leger.

Al zwijgt hij natuurlijk over de rode moordpartijen, wat hij over de wreedheden schrijft van de bendes in Oekraïne, is waar. En ik weet natuurlijk ook wel dat veel Russische welgestelden zich soms afschuwelijk gedroegen jegens de boeren. En weten doen we dat in eerste instantie via Tsjechov, Tolstoj en Herzen. Maar de formulering koelakkenvrouw (Hartog lijkt te denken koelakenvrouw) is er éen waarmee Paustovski zich bewust schaart aan de kant van de campagnes zoals die door de Sovjets werden ontwikkeld en die ertoe leidden dat honderdduizenden daar het slachtoffer van werden. Pasternak zong in zijn poëzie de lof van Lenin en van Stalin, Paustovski besteedt in zijn laatste deel (dat als datering 1963 draagt) een hoofdstuk aan de dood van Lenin, en twee pagina's aan het moment dat hij Stalin ziet, al schrijft hij ook (weer) over Boelgakov. Het komt me voor dat het op zijn minst een bewijs van mentale hygiëne is, zich bij het lezen van Paustovski bewust te zijn van de vele momenten waar er eerder sprake is van propaganda dan van geschiedschrijving. En wat Mandelstam schreef, is ook waar. Paustovski's sympathie ligt in werkelijkheid eerder aan de zijde der liberalen en intelligentsia, waar hij zich zo vaak kritisch over uitlaat. In deel 6 neemt hij her en der de gelegenheid zijn sympathie dienaangaande te laten blijken, toen het weer kon.

Ten slotte: dat Martin Ros van de Arbeiderspers indertijd geen copyright wenste te betalen, weten we nu, maar op de uitgeverij heeft ook iemand anders niet goed opgelet. Als Van Oorschot Paustovski's Verhaal van een leven opnieuw uitgeeft, hoop ik maar dat er iemand de zes delen grondig naloopt, want het barst van de rariteiten. Dat gaat van zeer simpele zaken tot best ingewikkelde. Het voltooid deelwoord van jonassen is gejonast en van kruisen gekruist. Het meervoud van koelak is echt koelakken. Het woord ongewraakt bestaat niet. Je kunt niet zeggen dat de schrijver Boenin tot de classici behoort, een vlucht is niet homerisch. Je kunt geen literatuur stichten, je kunt niet zeggen: de tijd staat stil en likt alle wonden, het is Maxim, of Maksim Gorki, maar alleen in het Frans Maxime; je kunt niet zeggen: de uitmonding van de Donau. Een gebouw is niet massaal en de lege tentjes waar in fabelachtige tijden kwast werd verkocht is twee keer raar, fabelachtig betekent iets anders en het is kvas of eventueel nog kwas, geen kwast. De tijd schitterde met de smeltkleuren van een lapis lazulli is gek. Komt dat smeltkleuren van het Engelse melting colours? Ik vrees van wel. Sebastopol kan niet gehuld zijn in een antiek waas. De keizerin komt niet uit Hesse, maar uit Hessen, het woord archicommissaris is raar, triomfale gebeurtenissen bestaan niet. Je kunt niet zeggen dat het vertrouwen van de mensen in de toekomst wordt gematerialiseerd. Iets laat het geen twijfel meer over, is beroerd Nederlands. Een zin als: Deze waarheid konden de welluidendste gedichten niet doen verstommen en liet zich niet door de vage filosofieën van iemand als de toen in de mode zijnde Bergson in de schaduw stellen is niet alleen een gruwel, maar bevat ook een foutieve samentrekking. En inderdaad, u dacht het ook al: sommige van die fouten doen slechte vertalingen uit een andere taal vermoeden, Engels bijvoorbeeld (massive) maar ook het Duits (übrich lassen). Een en ander lijkt erop te wijzen dat Hartog er andere vertalingen naast heeft gehad en op zich is dat begrijpelijk en niet per se oneerbaar, maar vertalen moet je wel doen uit het Russisch. En dit is alleen wat ik in de gauwigheid heb aangestreept. Kortom: werk aan de winkel, Wouter.

Konstantin Paustovski (1892-1960). Begin zestiger jaren. Bron: Paustovski 2016 pag. 534

Konstantin Paustovski, begin jaren '60

4

Enne, Goudzand dan, zult u misschien vragen. Hmmm. Dat is in elk geval van dergelijke stilistische smetten vrij. Hartogs Nederlands is er flink op vooruit gegaan. Maar wie erop hoopt de ontbrekende achtergrond van Paustovski's Verhaal van een leven hier wel aan te treffen, te lezen wat hij echt vond, zal flink teleurgesteld zijn. En voor wie die memoires niet eens kent, is dit boek al helemaal niet interessant. Ik schreef niet voor niets: voor de oudere lezers. Maar zelfs voor hen is dit een beetje vergeefse moeite geweest. Ik wil niets afdoen aan alle inspanningen die Hartog zich heeft getroost, maar de dagboekaantekeningen stellen niet veel voor en de briefwisseling heeft te vaak een zuiver privékarakter. Het interessantste deel is nog wat werd geproduceerd tijdens de Eerste Wereldoorlog, terwijl ik merkwaardig genoeg ook de latere brieven, uit de periode dat Paustovski op reis kan naar West-Europa nog wel interessant vond, omdat het aardig is de verrassing te zien van de Rus die de westerse werkelijkheid leert kennen. En ook hier blijkt dat Paustovski het hart op de goeie plek heeft. Hij zou in later jaren, toen dat geen al te grote risico's meer opleverde, met regelmaat schrijvers steunen die door de Sovjets werden bekritiseerd. Maar ook eerder al doet hij af en toe zijn mond open. In september 1928 noemt hij de redacteur van een literair tijdschrijft, Reginin, een zeldzame lafaard: Hij wilde dat ik van Solovejtsjik, Abakjan en alle overige joden Grieken en Armeniërs in de novelle Russen maakte. In januari 1937 schrijft hij: Het is immers afschuwelijk dat er op Pasternak - van ons schrijvers, de meest honorabele - een klopjacht wordt gehouden, terwijl allerlei gewiekste fielten al tientallen jaren een ongelimiteerd vertrouwen genieten. Ergens in 1938 schrijft hij: Ik heb Goethes Het lijden van de jonge Werther uit. Na zo'n boek valt het niet mee weer te moeten gaan zitten lezen in het soort boeken dat tegenwoordig bij ons geschreven wordt. Maar, ofschoon ik wel wist dat brieven en dagboeken in de Sovjetunie nooit privé waren - dat was ook al zo in de tijd van de tsaren - had ik toch de hoop dat Paustovski's Goudzand wat meer zou laten zien van zijn eigen, echte opvattingen, die ongetwijfeld heel wat kritischer waren dan hij in zijn Herinneringen liet zien. En daarvan nu is totaal geen sprake. Sterker nog, Goudzand lijkt nog veel gezuiverder van alles wat naar de geschiedenis verwijst dan zijn memoires, terwijl er her en der flinke gaten in de correspondentie zitten. Ik vond Goudzand uiteindelijk een nogal zielloos geheel, met veel gebabbel over liefde en natuur, met erg veel goud, heel veel goud. Als ik zijn redacteur was geweest, had ik hem het woord verboden. De dagboekaantekeningen zijn zo karig dat het praktisch onmogelijk is dat Paustovski op grond daarvan zijn Herinneringen heeft geschreven. En de brieven hebben dan wel vaak een privékarakter, maar enkel op zodanige wijze dat ze eigenlijk voor niemand behalve de direct betrokkenen van belang zijn. En al helemaal niet voor wie geïnteresseerd is in de historische achtergrond van de periode. En dat is dus wel een beetje jammer.

Konstantin Paustovski's Goudzand en wat andere Russen die hier ter sprake komen, mijn bewijs van goed gedrag, zullen we maar zeggen.

VERANTWOORDING

zaterdag 20 augustus 2016 Ik heb de laatste tijd veel Russische literatuur herlezen. Een mens heeft van die periodes. En van het een komt dan het ander. Het begon ermee dat een leerling uit mijn zesde in april Anna Karenina op de lijst had gezet en nadat ik dat had herlezen, heb ik gelijk ook maar wat andere delen uit de Russische Bibliotheek van Tolstoj opnieuw ter hand genomen, met even veel plezier als jaren geleden trouwens. Vervolgens heb ik er maar wat Tsjechov achteraan gedaan, de correspondentie dan, in de vijfdelige Duitstalige uitgave van Peter Urban, omdat ik ondertussen bezig was mijn Tsjechovpagina te herzien, waarna bij Van Oorschot Pasternaks Zhivago verscheen, en dus Paustovski's Goudzand, die ik respectievelijk heb her- en gelezen, zodat ik vervolgens ander proza van Pasternak nodig had om me eraan te herinneren hoe de jeugdiger versie klonk, in zijn Vrijgeleide dus, waarna zijn latere Autobiografisch essay voor de hand lag, om vervolgens toch ook weer de eerste vier delen van Paustovski's Verhaal van een leven te herlezen. Daarna voelde ik plotseling grote behoefte - als een soort tegengif - aan Boelgakov. Hoewel ik de driedelige uitgave van de Russische bibliotheek heb, kon ik het toch niet laten om de nieuwe eendelige uitgave te kopen en heb daaruit even snel De meester en Margarita herlezen. Waarna ik maar Grossmans Leven en Lot heb herlezen, en ook wat poëzie, van Pasternak, Achmatova en ook maar van die wildebras van een Tsvetsajeva. Waarna ik ten slotte Schweitzers biografie van haar heb herlezen. En toen ik dit begon te schrijven, dacht ik: wat zegt Karel van het Reve hier eigenlijk allemaal over en natuurlijk Charles B. Timmer? Zo is het gekomen. Wie de Russische literatuur uit deze periode met enige vrucht tot zich wil nemen, zou er eigenlijk toe verplicht moeten worden zich van wat extra bagage te voorzien: van de gebroeders Medvedev te lezen Let history judge, van Conquest natuurlijk, The great terror, maar ook van Sebag Montefiores Court of the red Tsar, Applebaums Gulag A History, en (toch ook maar) Orlando Figes' A People's Tragedy en zijn Whisperers. En uiteraard ter praktische voltooing Jevgenia Ginzburgs Into the whirlwind en tot slot een paar verhalen uit Sjalamovs Berichten uit Kolyma. Dan hebt u een aardige indruk. En zeker, er is nog veel meer. Ik zal u de verdere titels besparen. En daarom heb ik er u hier al peinzend mee lastig gevallen.

GEBRUIKTE LITERATUUR

Grossman, V.
Leven en lot
Vertaling: Froukje Slofstra
Amsterdam, Uitgeverij Balans, 2009, derde druk

Hingley, R.
Pasternak
A biography
New York, Alfred A. Knopf, 1983

Mandelstam, N.
Memoires
Vertaling: Kees Verheul
Amsterdam, G.A.van Oorschot, 1971

Mandelstam, N.
Tweede boek
Vertaling: Kees Verheul
Amsterdam, G.A.van Oorschot, 1973

Pasternak, B.
Autobiografische Geschriften, gedichten, verhalen en essays
Met een inleiding over auteur en werk door Charles B. Timmer
Vertaald en ingeleid door Charles B. Timmer
Den Haag/Antwerpen, Nederlandse Boekenclub, 1970
Pantheon der prijswinnaars van de Nobelprijs voor de literatuur

Pasternak
Autobiografisch essay
Vertaald enj ingeleid door Charles B. Timmer
Amsterdam, Polak & Van Gennep, 1967
Slavische Cahiers 2

Pasternak, B. en Freidenberg, O.
Contradans in brieven, 1910-1954
Samenstelling en inleiding Elliott Mossman
Vertaling en noten Kristien Warmenhoven
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 142, 1981

Pasternak, B.
Dokter Zhivago
Vertaling Nico Scheepmaker
Utrecht/Antwerpen, Bruna & zoon, 1973; 1e druk 1958

Pasternak, B.
Dokter Zhivago
Vertaling, aantekeningen en nawoord Aai Prins
Vertaling gedichten Margriet Berg en Marja Wiebes
Amsterdam, Uitgeverij Van Oorschot, Russische Bibliotheek, 2016

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 1, Verre jaren
Herinneringen aan tsaristisdch Rusland
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 16, 1983, 3e druk

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 2, Onrustige jeugd
Prelude op de Russische revolutie
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 32, 1983, 2e druk

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 3, Begin van een onbekend tijdperk
Herinneringen aan de Russische revolutie
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 5, 1982, 3e druk

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 4, De tijd van de grote verwachtingen
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 61, 1981

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 5, De sprong naar het zuiden
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 83, 1983

Paustovsky, K.
Verhaal van een leven
deel 6, Het boek der omzwervingen
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, Privédomein nr. 103, 1984

Paustovski, K.
Goudzand
Verhalen, dagboeken en brieven
Samengesteld en vertaald door Wim Hartog
Amsterdam, Van Oorschot, 2016

Schweitzer, V.
Tsvetajeva
Marina Tsvetajeva, een biografie
Vertaling: Yolanda Bloemen
Poëzie vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg
Amsterdam, Bezige Bij, 1996

Timmer, Ch. B.
Halverwege
Zeven moderne Russen
Vertaald en ingeleid door Charles B. Timmer
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1963

Timmer, Ch. B.
Rusland Zwart op wit
Tien essays over Russische schrijvers
Amsterdam, G.A. van Oorschot, Stoareeks, 1966

Timmer, Ch. B.
De kinderen van Jesenin
en andere essays
Amsterdam, G. A. van Oorschot, 1969

Tsvetajeva, M.
Werken
Vertalingen van: Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes
Met een nawoord van Marko Fondse
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1999

GRUNBERG MEETS TREUR

donderdag 9 januari 2014
Als ik Arnon Grunberg was, zou ik Franca Treur versieren. Voor een beroemd schrijver moet dat geen probleem zijn. Lef heeft hij genoeg. Arnon maakte ooit zelfs reclame voor het telefoonboek. Dan moet Franca Treur versieren een eitje zijn. Bovendien: een joodse jongen als Arnon uit Amsterdam-Zuid en een shikhsa als Franca uit Zeeland, dat is toch een beetje Roth meets Bloom. Counterlife. In het klein uiteraard, op zeer bescheiden schaal. Het vaderlandse lezerspubliek zou paf staan, van Arnon èn van Franca trouwens. Arnon, jongen, kom op. Neem een goeie fles whiskey mee, want die heeft ze vast niet in huis. Je belt gewoon in Amsterdam bij haar aan - eerst je haar kammen - en als ze open doet, zeg je – toon enthousiast – hé, ik heb net je boek gelezen en ik vond dat we elkaar toch een keer moesten ontmoeten. Franca houdt natuurlijk helemaal niet van Arnons boeken en Arnon is in het geheel niet gesteld op die van Franca, maar daar gaat het nu even niet om. Zelf geef ik per slot van rekening om geen van beiden. Maar ze heeft wel een erg schattig en ontzettend Nederlands hoofd en het moet fijn zijn een avondje met haar door te brengen. Aardig is ze vast ook nog. Kun je zien. En voor de Nederlandse literatuur is het goed. Arnon wat meer Franca en Treur wat meer Grunberg. Kan Arnon haar gelijk wat adviezen geven. Zo van: je moet wel een beetje aan de lijn gaan doen hoor. Enne, hou nou eens op met die streekromans. Doe iets heel anders. Gooi je zelf te grabbel. Probeer eens een echt boek te schrijven. Enne: nooit meer naar Knevel en Van den Brink gaan, want dat loopt altijd verkeerd af. Knevel ziet overal God, daar kan hij niks aan doen. En dan verwarde hij je ook nog met Siebelink. Siebelink! Begrijpelijke vergissing, confetti op een dorsvloer, knielen op een bed violen. Voor zo'n man komt dat op hetzelfde neer. Ga dan in godsnaam maar naar Pauw en Witteman. Je niet door Pauw laten versieren natuurlijk. Niet doen hè. De man draagt in bed nog cowboylaarzen. Franca op haar beurt kan zeggen: Jezus, Arnon, schrijf nou eens geen stripverhaal. Gewoon een klassieke Nederlandse roman, een beetje zoals Tirza, maar dan helemaal goed, en niet alleen voor de helft. En dan niet met allemaal van die bordkartonnen personages. Probeer eens iets echt tragisch. En ze kan hem erop wijzen dat het geen pas geeft de wereldpolitiek te becommentariëren als je eigenlijk niets te melden hebt. Wees eens wat bescheidener man, kan ze zeggen. En Arnon: Godverdomme, (wel flink vloeken hoor), doe nou eens alsof je niet uit Meliskerke komt. De Nederlandse literatuur zou er flink van op vooruit gaan. Wel blijven slapen hè, Arnon. Breng je verslag uit?

Grunberg en Treur, op de omslagen van respectievelijk Tirza en Dorsvloer vol confetti. Bien étonnées etcetera

Arnon Grunberg, Amsterdam, 1971Franca Treur, Meliskerke, 1979

KAREL VAN HET REVE 1921-1999

maandag 5 december 2011
Onlangs (op 24 november 2011) kwam het zevende en laatste deel van het Verzameld Werk van Karel van het Reve uit bij Van Oorschot. Het deel bevat Luisteraars (dat als bundel dateert van 1995, maar de radiocolumns bevat die Van het Reve tussen 1979 en 1991 voor Radio Wereldomroep insprak), Apologie (de reactie die Van het Reve schreef op het hem in mei 1991 ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag aangeboden Liber Amicorum), Achteraf (een in 1999 postuum verschenen bundel met columns die hij tussen 1988 en 1996 publiceerde in het Parool), Ongebundeld Werk uit de jaren tussen 1995 en 1999, en ten slotte een Cumulatief Personenregister. In plaats van morgen (6 december 2011) aanwezig te zijn bij een aan hem gewijde avond in de Rode Hoed, zet ik hier als klein eerbetoon twee stukjes uit zijn bundel met gesproken columns voor de Wereldomroep, uit Luisteraars dus. Karel van het Reve is altijd het lezen waard, minstens zo zeer als zijn broer. Meer, eigenlijk.

UNIVERSITEIT


Waar de laatste tien jaar veel veranderd is, dat is op de universiteit. De organisatie van de universiteit is veranderd en het onderwijs is veranderd en de studenten zijn veranderd. Over die studenten wordt veel geklaagd, een klacht die veel gehoord wordt is dat de studenten veel dommer zijn dan vroeger omdat tegenwoordig iedereen maar gaat studeren en de toelatingseisen voor de universiteit steeds lager worden. Nou is het waar dat er veel meer studenten zijn dan tien, twintig jaar geleden en de toelatingseisen zijn zonder twijfel verlaagd. Als je vroeger aan de faculteit der letteren wou studeren dan moest je in staat zijn om zonder woordenboek een Latijnse, een Griekse, een Franse, een Duitse en een Engelse tekst die je nog nooit eerder gezien had in fatsoenlijk Nederlands te vertalen. Dat hoeft nu niet meer en dat is natuurlijk een verarming. Vooral omdat de creatieve expressie, de maatschappijkunde en dat soort vakken heel weinig om de hakken lijken te hebben. Maar dat de studenten dommer zijn dan vroeger, dat is niet zo, geloof ik. Wat je wel merkt is het verdwenen zijn van een verschijnsel dat je culturele pretentie zou kunnen noemen.
Ik zal u uitleggen wat ik met dat woord bedoel. Als een universitair docent vroeger op college zei: Byron of Goethe of Marx, dan trok iedereen een gezicht van: ja, natuurlijk, hoe was het alweer, Byron hè, George lord Byron, Engelse dichter 1788-1824, auteur van Don Juan, Childe Harold, manke poot had hij, groot vrouwenjager, een tijdje in Venetië gewoond, erg rijk, hield van zwemmen, gestorven in Griekenland, had Grieken geholpen in de oorlog tegen de Turken. Dat wisten de studenten van twintig jaar geleden natuurlijk niet allemaal, maar ze wisten wel, dat ze het behoorden te weten, dat ze geacht werden dat te weten. En als ze het niet wisten dan zochten ze het thuis stiekem op of ze vroegen het aan hun moeder, want ook in het gezelschap van hun medestudenten was het een beetje beschamend om openlijk te moeten bekennen dat je nog nooit van Byron had gehoord. Tegenwoordig is het anders. De machtige ongeschreven wet dat iemand die aan de universiteit letteren studeert behoort te weten wie Byron is, die wet bestaat niet meer. Die wet is door de universitaire revolutie weggevaagd. Als ik nu op college de naam Byron noem dan trekken de studenten een gezicht van over wie heeft hij het nu weer? Dat is als je wilt een verarming van onze cultuur, er zijn geen dingen meer die iedereen verondersteld wordt te weten. Maar dat wil niet zeggen dat studenten onwetender zijn dan vroeger. Ze weten alleen maar verschillende dingen en dat is voor het onderwijs weer en beetje lastig. Er zijn geen boeken meer die ze allemaal gelezen hebben, geen dingen meer die ze allemaal weten. Vroeger kon je bij het onderwijs geven aanknopen bij wat iedere student wist: de eed in de Kaatsbaan. Bonifatius te Dokkum vermoord, Philips II die tegen Willem van Oranje zei: Niet de Staten. Maar gij, gij! Vondel die in kousen handelde, de toespraak tot de hoofden van Lebak, de Emser Depesche, de tocht naar Chatham. De brand van Moskou of de versregel: de bomen dorren in het laat seizoen.
Dat kan allemaal niet meer. Als ik op college uitroep: Niet de Staten, maar gij, gij, gij! dan kijken de studenten me glazig aan. Ze weten niet waar ik het over heb. Ik geloof dat zoiets referentiekader heet. Er is geen gemeenschappelijk referentiekader meer. Daar komt nog bij dat de studenten over het algemeen betrekkelijk weinig kranten lezen en weinig televisie kijken. En het enige referentiekader tussen een docent en een student dat overblijft, dat is dan de Koninklijke Familie, Lucky Luke, Asterix en Kuifje. In die vier onderwerpen is iedereen thuis en die dingen kun je net zo goed als referentiekader gebruiken als het geuzenvendel op de thuismars en niet de Staten, maar gij, gij, gij!
27 december 1979

WAS VROEGER ALLES BETER?


De zo vaak gehoorde bewering dat vroeger alles beter was dan nu, en vooral dat alles tegenwoordig veel slechter is dan vroeger berust geloof ik op een misverstand. Naarmate je ouder wordt, wordt je leven minder leuk en daarom ben je geneigd te denken dat alles minder leuk wordt: de literatuur (vroeger had je nog echte schrijvers, nu niet meer), de veiligheid op straat (vroeger kon je 's avonds laat rustig over straat lopen, nu niet meer), de politiek (vroeger had je geen communisten, nu wel), de godsdienst (vroeger had je nog echte katholieken en echte protestanten, nu niet meer) en het weer (vroeger had je nog koude winters en warme zomers, nu is het kwakkelen geblazen en Elfstedentocht ho maar). De meeste van die beweringen zijn niet erg juist. Een paar jaar geleden nog hadden we twee hete zomers die zo droog waren dat het leger de boeren moest helpen om hun akkers nat te houden, en deze winter zowel als de vorige winter heb ik een paar keer op de gladde ijzers gestaan. Dertig jaar geleden had je in Nederland en in Oost-Europa veel meer communisten dan nu. In het christendom is in Nederland inderdaad een beetje de klad gekomen, maar daar staat tegenover dat het bijvoorbeeld in Polen en Rusland floreert als nooit tevoren.
Maar, als je serieus gaat zoeken kun je toch nog wel iets vinden dat vroeger beslist beter was dan nu, iets dat echt slechter geworden is. Zoiets is bijvoorbeeld het onderwijs in vreemde talen in Nederland. Vroeger stond dat onderwijs op hoog peil: toen ik eindexamen deed moest ik zonder woordenboek een stukje vertalen uit het Duits, uit het Frans, uit het Engels, uit het Grieks en uit het Latijn, en ik maak van deze gelegenheid gebruik om er even op te wijzen dat ik die vijf stukjes allemaal voldoende maakte. Tegenwoordig, hoor ik, gaat dat anders. Een student van mij vertelde me een paar dagen geleden dat hij zijn Frans aan het ophalen was. Ik prees hem, en zei dat ik eigenlijk ook mijn Frans zou moeten gaan ophalen, want ik kan het wel lezen en verstaan maar niet spreken. Toen bleek dat hij, student in de letteren, in totaal drie jaar Franse les had gehad, en ik acht jaar. Dat is wel een verschil. Wat men op dc middelbare school doet in de tijd die wij vroeger aan et leren van vreemde talen besteedden, weet ik niet. Veel goeds, vrees ik, is het niet.
Die onkunde van vreemde talen heeft vreemde gevolgen. Onlangs bijvoorbeeld stond in een heel deftige krant, NRC-Handelsblad, een recensie over de pas gepubliceerde briefwisseling tussen Jung en Freud, twee bekende zenuwartsen, de een Zwitser, de ander Oostenrijker. Het gekke nu was dat die recensie ging over dc Engelse editie van die briefwisseling. Terwijl beide heren met elkaar gecorrespondeerd hebben in het Duits, leest de Nederlandse lezer die brieven blijkbaar liever in een Engelse vertaling, dat wil zeggen in een Engelse bewerking, want echt vertalen doen de Engelsen bijna nooit. Ander voorbeeld. Dezer dagen stuurde een collega me een wetenschappelijke verhandeling over het Lumpenproletariat  bij Marx. Het was een heel interessant stuk, bestemd voor een vakblad. En wat zag ik tot mijn stomme verbazing: alle citaten uit Marx waren door mijn collega in het Nederlands vertaald. Hij rekende er blijkbaar op dat de Nederlandse sociologen voor wie het artikel bestemd was, toch al niet het slimste deel van ons volk, niet in staat waren citaten van Marx te lezen in de taal waarin ze geschreven waren. Dat is treurig.
28 februari 1980

Karel van het Reve, Verzameld Werk deel 7. Luisteraars! Apologie. Achteraf. Ongebundeld werk 1995-1999. Bezorging: Lieneke Frerichs, hoofdredacteur, Elma Drayer en Nop Maas. Amsterdam, Uitgeverij G.A. van Oorschot, 2011. € 45

Karel van het Reve, Verzameld Werk, deel 7

BOERENBOEKEN VOOR
BOERZOEKTVROUWKIJKERS


zondag 27 maart
Ik ben geen boer, ik zoek geen vrouw. Maarre, nu we het daar toch over hebben: keek u naar Boer zoekt vrouw? Zuiver statistisch gezien is die kans immers aanzienlijk. 5.2 miljoen kijkers, zo zag ik in mijn dagblad. Had u echt niets beters te doen? Was het zo beroerd met u gesteld? Gelukkig wist ik niet wanneer het programma werd uitgezonden, anders zou ik me op zo'n avond nog eenzaam hebben gevoeld. Want de waarheid gebiedt te zeggen dat ik het nooit heb gezien en mijn vooroordeel, zoals het een goed vooroordeel betaamt, van zuiver theoretische aard was. Ik kon me niet voorstellen dat er van het idee wat te maken viel. Wie zou er, denk ik dan, geïnteresseerd kunnen zijn in een boer die naar een vrouw zoekt? Een vrouw zoek je trouwens niet. Ze vindt jou. En als dat niet gebeurt, is het zoeken ernaar zinloos. Neemt u mij nou. En dan, een boer? Er bestaan in Nederland nog nauwelijks boeren. Die beheren tegenwoordig de natuur of houden pony’s, ze beschermen de weidevogels of verhuren roeiboten. Hoe dan ook, zo af en toe zag ik wat beelden langs komen, kort voor of na het nieuws, die me blijkbaar dienden warm te maken, maar een averechtse werking hadden. Wat leek me dat erg! Anderzijds: iedereen moet kijken naar wat hem goeddunkt. Dat kleinzielige gedoe over de tv altijd!

Toch, ik maak me wel een beetje zorgen over u. Televisie kijken tast op den duur de creativiteit en de fantasie aan. En het gaat al zo slecht met Nederland. Dan kunnen we dit er ook nog niet bij hebben. Denkt u aan onze kenniseconomie! Wetenschappelijk onderzoek heeft bovendien uitgewezen dat mensen die veel televisie kijken, daar gedeprimeerd van raken. Maar ja, hoe gedeprimeerd waren die mensen voordat ze veel begonnen te kijken. Dat is waar. Daar hebt u gelijk in. Toch is lezen beter. En vandaar. Want, u gelooft het niet, er bestaat voor u prima literatuur. Voor mensen die keken naar Boer zoekt vrouw en die nu in een immens vacuum zijn beland, heb ik wat leestips. Want een flink deel van de Nederlandse literatuur bestaat uit het equivalent van Boer zoekt vrouw. Nemen we aan: u hebt dus niets te doen, u bent levensmoe, u bent ten einde raad, het maakt u niet langer uit wat u doet. Een andere reden om naar Boer zoekt vrouw te kijken, kan er immers niet zijn. Welnu, wat dacht u van Voskuil? Leest u Bij nader inzien eens, of Het Bureau, zeven delen, ruim 5000 pagina's. Wel achter elkaar doorlezen. Als je er even mee ophoudt, is het gedaan. Met Voskuil lezen is het net als met kinderen die net kunnen fietsen: als ze ermee stoppen, vallen ze om. En dan worden uw activiteiten ook nog goed gekeurd door de linkse kerk. Want Voskuil werd jarenlang gepropageerd door de VPRO. Wanneer u Voskuil leest, geraakt u in het gezelschap van vegetarische, veel fietsende, natuur-minnende nordicwalkende Scandinaviëgangers. En als u eraan hecht om, net als na uw vele tv-kijken, gedeprimeerd te raken, dan komt u niets tekort. Want ik verzeker u dat de beklemming die u oploopt na het lezen van Voskuil uw post-tv-depressie ruimschoots verslaat. Wat dacht u van Gerbrand Bakker? Boven is het stil. Een echte boerenroman, met allemaal stoere, zwijgende boerenmensen. Veel frisse lucht en weidse uitzichten. Verse melk. Geen bio-gedoe. Heel, heel licht homo-erotisch, voor wie dat aantrekkelijk vindt. Siebelink? Kent u Siebelink? Lees Knielen op een bed violen. Een roman met allemaal tuinders, knellende zeden en veel teneerdrukkend geloofsextremisme. Siebelink te oud? Franca Treur dan? Dorsvloer vol confetti? Daar aarzel ik al over, want dat is soms wel wat vrolijk. Maar toch, Zeeuwse akkers, de geur van verse mest, veel boerencomplicaties. Mocht u dit allemaal wat ouderwets vinden: er bestaat een moderne dependance der boerenliteratuur, al is die vooral van Vlaamse origine. Wat dacht u van Dimitri Verhulst? De helaasheid der dingen? Veel drank en streekroman-achtige volkse platheid, veel – ik durf het woord bijna niet te gebruiken – leut. En het heeft niets om het lijf, net als uw Boer zoekt vrouw. Nu we het toch over leut hebben die nergens over gaat, Herman Brusselmans dan? Het maakt niet uit wat u van hem leest. Veel neuken, poep en pies. Heel aards allemaal, iets waar onze Vlaamse buren een reputatie in hebben. Gevoel voor humor is wel een vereiste, nou ja, een bepaald soort gevoel voor humor. Boertige humor. Hé, grappig.

LEON DE WINTER
HET RECHT OP TERUGKEER

woensdag 27 januari 2011
Yuval Diskin, hoofd van de Israëlische binnenlandse veiligheidsdienst, Sjien Beet, krijgt zittend achter zijn bureau een briefje toegestoken, een envelop, een goudkleurig doosje en een dik boek met op de achterflap een foto. Op het briefje staat: Leon de Binter, bekend Nederlands schrijver.
- Wat is dat? zegt hij tegen zijn adjudant. Op zijn bureau ligt een geopend exemplaar van Yedioth Ahronoth.
- Een Nederlands schrijver of zo. Maar woont in Californië. Niet veel soeps. Belachelijk verhaal. Defaitistische onzin. Wel geschreven in opdracht. Heb ik niet van mezelf. Van Avram, maar die heeft het na 100 pagina’s weggelegd. Avram Adelstein is de alleslezer van de afdeling.
Maar ja, doet hij. - We moeten nemen wat we krijgen kunnen.
De adjudant stelt zich op achter het bureau en de generaal. Die kijkt vluchtig naar de foto.
- Oh ja, da’s waar, zegt Diskin fronsend. Weer zo’n idee van Hasbara. Kut. Hadden ze dat niet zelf kunnen regelen?
Hij zucht. Hoewel hij een donker pak aan heeft met zijn onafscheidelijke vuurrode das van Hermes, kun je zien dat hij lange tijd gewend is geweest een uniform te dragen. Zijn kostuum lijkt te krap voor zijn brede schouders, terwijl dat grote kale hoofd met die knobbelneus een krijgshaftige indruk maakt. Zijn kleine, bijna vrouwelijke handen vormen en merkwaardige dissonant.
- Het geld? vraagt hij, met een knik naar de envelop.
Hij laat hem in zijn bureaula verdwijnen.
- Hoeveel is het?
- 250.000, zegt de adjudant.
- Tweehondervijftig! zegt Diskin, tweehonderdvijftig!
- Shekel, zegt de adjudant. Geen dollars.
Bijna onmiddellijk daarop betreedt een wat gezette man met donker golvend haar de kamer: de bekende Nederlandse auteur.
Nou, denkt Diskin, die is ook ouder geworden sinds die foto.
Hij plooit zijn gezicht in de beminnelijkste uitdrukking waar het toe in staat is, en al zijn ondergeschikten weten dat het dan lijkt alsof hij zojuist door een granaatsplinter is getroffen.
- Shalom, meneer de Binter, zegt de generaal.
- Shalom, zegt onze schrijver, enigszins geschrokken door de pijnlijke grimas op het gezicht van de generaal.
- De Winter trouwens, zegt hij, de generaal corrigerend.
- Ah, zegt die, nog pijnlijker getroffen. Hij maakt ter excuus een gebaar naar zijn adjudant in uniform: soldaten, cultuur, boeken, altijd moeilijk.
- Laten we het kort houden, zegt de generaal. Uw tijd is ongetwijfeld kostbaar. Hoewel we het spijtig vinden dat u in Californië woont en we dat geen positief signaal vinden voor onze medejoden, is het me toch een eer u deze onderscheiding uit te reiken.
Hij opent het doosje, en haalt er een onderscheidingsteken uit met een lintje. Het is de Leeuw van Jericho, vierde klasse.
- Er zijn maar weinig intellectuelen die in onze strijd op leven en dood met de Arabische terroristen onze zijde kiezen. Zoals gewoonlijk staan we alleen. We hebben begrepen dat u er liever geen foto van hebt, en dus hebben we afgezien van een verdere plechtigheid. Dat klonk wat venijnig.
- Toch is het ons een eer, dat zult u begrijpen.
Terwijl Diskin zijn bureaula opent, zegt de Winter: - En de envelop met inhoud?
De generaal lijkt door nog een splinter te worden getroffen, gaat staan, loopt om zijn bureau heen, steekt hem zwijgend de envelop toe, drukt hem de hand, en klopt hem op de schouder.
Hij pakt het boek even van zijn bureau, zichtbaar onwennig, tussen duim en wijsvinger.
- Ik heb begrepen dat het niet zo’n geweldig boek is, maar zelf kan ik dat niet beoordelen. Als ik alles moet lezen wat wij laten uitgeven, heb ik geen leven.
- Nou, zegt De Winter. Het is inmiddels toch toe aan zijn zesde druk hoor. En het heeft in een belangrijke Nederlandse krant een zeer lovende recensie gekregen.
- Ja, in De Volkskrant, zegt de adjudant behulpzaam, maar daar hebben we ook voor betaald hoor.
- Oh, zegt De Winter, dat wist ik niet.
- Is ook niet nodig, zegt de generaal, met een geërgerde blik op zijn adjudant.
- Vergeet u het. Dat leidt alleen tot misverstanden.

Terug in het hotel zegt De Winter tegen zijn vrouw, die op het balkon in de zon ligt met de laatste Harry Potter: - Dat is godverdomme de laatste keer dat ik wat voor ze schrijf.
Zegt Jessica Durlacher: Dat zei je de vorige keer ook.

Leon de Winter, Het recht op terugkeer. Amsterdam, Bezige Bij, 2009, 5e druk; 1e druk: 2008

OVER GRUNBERG:
DE ANTROPOLOGISCHE ARNON

1

zondag 12 december 2010
Arnon Grunberg is niet alleen een vruchtbaar romanschrijver – in elk geval gemeten naar het aantal pagina's dat hij jaarlijks produceert - hij is ook op tal van andere fronten actief, fronten soms in de letterlijke zin van het woord, want voor NRC bezocht hij de oorlogsgebieden in Irak en Afghanistan. Bang uitgevallen is hij niet. Hij schreef bijdrages voor de VPRO-gids, heeft tegenwoordig een column voor De Volkskrant, schrijft met regelmaat voor NRC, en ik herinner me hem als zodanig dan ook als bediende in een Zuid-Duits hotel, als koffieboy op een Zwitserse trein, als deelnemer aan een Amerikaanse dating-service voor mannen die een partner zochten in, als ik het wel heb, Oekraïne, en als logé in Vinex-gezinnen. En dan is hij, in september 2010, ook nog met een Nederlands echtpaar op vakantie naar Griekenland geweest. Ik meen me te herinneren dat er een soort voorronde had plaatsgevonden, waarna gezinnen die zich daartoe gemeld hadden, een gesprek met hem kregen, en er ten slotte één gezin werd gekozen. Het kan ook zijn dat de logeerpartijen bij de Vinex-gezinnen onderdeel van die procedure vormden. Ik weet het echt niet meer, want, dat moet ik er eerlijkheids-halve maar aan toevoegen, ik lees die stukken hoogstens vluchtig, uit plichtsbesef - misschien zoals de psycholoog het proza leest van zijn patiënt: hij heeft het allemaal al eens gehoord, het is oud nieuws, maar je kunt nooit weten - want ik vind ze dodelijk vervelend. Afgezien daarvan beving mij zo nu een dan een zekere argwaan. Van sommige van die vakantiebaantjes kreeg ik het idee dat hij ze verzonnen had. Dan dacht ik: hij heeft helemaal niet in een Zuid-Duits hotel gewerkt, en ook niet op een Zwitserse trein. Maar ja, ik denk van sommige van zijn romans ook dat hij ze niet zelf geschreven heeft, maar dat ze van een neefje zijn of zo, en dat hij dat over tien jaar met veel tamtam bekend gaat maken. Bedreef Grunberg niet ooit reclame voor het telefoonboek? Van zo iemand kun je alles verwachten. Het komt me trouwens ook voor, dat het idee jezelf als een soort prijs te verloten, wel gebaseerd moet zijn op een vorm van eigendunk die tamelijk naargeestig is, misschien omdat ik er zelf van overtuigd ben dat er met mij helemaal niemand op vakantie zou willen, maar toch vooral omdat ik er niet aan zou moeten denken met Arnon Grunberg naar Griekenland te vertrekken. God, wat lijkt me dat afschuwelijk. En dan zit er in dat Vinex-gedoe ook nog iets wat me helemaal niet bevalt. Het is toch een beetje alsof je een prijsvraag uitschrijft voor de lelijkste mens van Gouda. Wie zou eraan mee willen doen? Ik heb overigens niets tegen Gouda. Over de Vinex-romans van Grunberg kom ik verderop te schrijven, maar hier zij vast gezegd dat ik geen bewonderaar ben van zijn scheppend proza. Ik heb - even tellen – acht romans staan en heb die ook gelezen, meestal dus met weinig plezier. Sterker nog: al lezend, groeide mijn agressie jegens Arnon. Dan smakte ik het boek neer, en riep: "Jij fluim, jij met je puistige uilenkop, jij afschuwelijke kwal!" En nog wel ergere dingen. Nou ja, u kent dat wel. Het gebeurt me niet zo vaak dat ik al lezend aan de schrijver de pest krijgt. Desalniettemin vind ik Grunberg om allerlei redenen interessant. Als verschijnsel, zullen we maar zeggen, want dat is Arnon volgens mij. Zoals Mulisch de oorlog was, is Arnon de jaren '90 en het eerste decennium van de eeuw: hij is de zeepbel en de bijbehorende crisis.

2

Dit is allemaal geen kwade wil, mocht u dat denken. Want ik hoor u al: daar heb je weer zo'n rancuneuze kneus met een websijtje die zijn jalousie de métier niet onderdrukken kan en die schrijvertje wil spelen. Ik zweer het: dat is niet zo. Al heel wat jaren geleden kwam ik Grunbergs naam tegen als schrijver van een voorwoord bij Stendhals Kartuizer van Parma. Ook dat weet ik niet zeker. Ik houd veel van Stendhal, maar lees hem – ik kan het niet helpen - in het Frans, en ik heb zodoende de uitgave in kwestie alleen ingekeken, bij Atheneum of zo. Duur boek trouwens, zo viel me op. Een paperback van pakweg 40 euro. Dat heb ik wel onthouden. Zo'n type ben ik. Dat god (God, zo u wilt) de Nederlandse Bank moge straffen. Grunberg had de uitgave mede gefinancierd. Ik vond dat bewonderenswaardig. Een andere keer las ik een artikel van hem over De Maupassant, ik dacht in NRC. Ik houd ook veel van De Maupassant. Mijn drie delen Pléiade, die heel wat losse pocket-uitgaves vervingen, dateren uit 1982 en 1987, en mijn Stendhal-uitgave in zes delen uit dezelfde tijd. En gelezen (en grotendeels herlezen) heb ik ze ook nog allemaal. Gallimard is twee jaar geleden begonnen aan een nieuwe Stendhal-uitgave, en ik aarzel nog. Zowel De Maupassant als Stendhal is in Nederland altijd stiefmoederlijk bedeeld geweest. Na Du Perron staat me in Nederland niemand meer bij die in het openbaar van zijn liefde voor Stendhal getuigde, maar ik moet ook eerlijk toegeven dat ik op dat punt slecht op de hoogte ben. Bovendien bewonderde Du Perron ook Malraux en Larbaud, wat een mens toch aardig wantrouwig zou maken. Ik lees niet veel over schrijvers. Voor sommige schrijvers, die schrijven over andere schrijvers, maak ik een uitzondering. Maar dan hebben we het wel over Philip Roth of Coetzee. Arnon Grunberg hoort daar, dat is duidelijk, niet toe. Hoe dan ook, van Stendhal zijn een paar standaard-dingen vertaald, terwijl De Maupassant lange tijd alleen verkrijgbaar was in dubieus ogende uitgaves, die bedoeld leken voor oudere heren op zoek naar een hernieuwde lustbeleving. De verzamelde verhalen-editie die een aantal jaren geleden is verschenen, en die er heel wat beter uitzag, is niet lang daarna verramsjt. En dat zegt ook weer iets over het Nederlandse lezerspubliek: voor een flink deel bestaat het uit klootjesvolk dat altijd achter de laatste prijswinnaar aanloopt. Ik heb er een beetje spijt van dat ik die Maupassant-uitgave niet heb gekocht, gewoon uit belangstelling voor de vertaling, en als bewijs van sympathie voor het idee haar uit te geven, iets wat ook gold voor Theo Kars' vertaling van Casanova, die eveneens in de ramsj terecht kwam. Misplaatste zuinigheid. Ik heb er nog steeds de pest over in. Desondanks deed het me plezier dat iemand überhaupt aandacht schonk aan de twee Franse auteurs. Ik had dan ook geen enkele reden op negatieve wijze vooringenomen te zijn jegens Grunberg, integendeel. Nee, echt.

Des te bevreemdender is het dat ik de stukken die Grunberg over anderen schrijft, zo oninteressant vind. Ze gingen slechts zeer ten dele over de schrijvers in kwestie, getuigden niet van veel kennis van zaken, en waren – zo kwam het me voor – in hoge mate ongericht. Een beter woord kan ik zo gauw niet vinden. Ik had zelfs het idee dat hij de verhalen en romans van de auteurs in kwestie niet of nauwelijks gelezen had, want er werd in de stukken voor zover ik me kan herinneren zelden naar verwezen, en er werd niets memorabels over gezegd. Ze gingen over van alles en nog wat, maar niet heel erg over De Maupassant en Stendhal. En dat terwijl er over beiden genoeg interessants te schrijven valt. Ik heb het idee dat Grunberg zulke stukken vervaardigt zonder er ook maar iets van, of over De Maupassant en Stendhal naast te hebben liggen. Hij schrijft ze uit zijn hoofd, zo lijkt het. Ik zou het niet alleen niet kunnen, ik zou het ook niet willen. Als je een schrijver bewondert, of hem zegt te bewonderen, dan wil je hem ook recht doen en hem met wat je schrijft een soort persoonlijk eerbetoon doen toekomen, een beetje zoals je ook een keer zijn graf bezoekt. Mensen zullen het misschien een kinderachtige vergelijking vinden, maar zo denk ik erover. En bij het schrijven van een stuk is niet het feit dat je het doet het eerbetoon, maar de moeite die je eraan spendeert. Anders zou je de schijn kunnen wekken dat je van iemands naam wilt profiteren, verdachtmaking die ik trouwens op geen enkele wijze jegens Grunberg koester, want ik twijfel geen moment aan zijn goede bedoeling. 

Grunbergs human interestjournalistiek – ik weet niet zo gauw een andere naam – vond ik vervelend en voorspelbaar. Ook zijn artikelen over Irak en Afghanistan konden me niet erg boeien. Op andere pagina's van deze site (beeldende kunst) behandelde ik een stuk van Bianca Stigter over Monet. Daar doen Grunbergs artikelen me aan denken. Ze leken me perfecte voorbeelden van een soort journalistiek dat in Nederland al decennia erg populair is, en waaraan de schrijver - die ons deelgenoot maakt van zijn allerpersoonlijkste indrukken, terwijl hij uitgebreid aandacht besteedt aan de reis en zijn verblijfsomstandigheden, ons sentimenten van velerlei type aan de hand doet, en vrij associeert dat het een lust is - veel meer plezier beleeft dan de lezer. Want die schiet er, als hij is geïnteresseerd in de achtergronden van wat er in zulke gebieden plaatsvindt, niet veel mee op. Ze leken veel meer over Grunberg te gaan, dan over Afghanistan en Irak. Het lijkt een gemakzuchtig soort verslaggeving, al valt het niet mee iemand gemakzucht te verwijten die voor zijn stukken de halve aardbol afreist en terechtkomt in gebieden waar er, als het tegenzit, op hem wordt geschoten. Bianca Stigter ging alleen maar naar Parijs. Als ik ze vergelijk met soortgelijke artikelen in de New York Review of Books, dan komt Grunberg er bekaaid af, al moet er eerlijkheidshalve aan worden toegevoegd dat het daarbij gaat om journalistiek werk dat geschreven is door vakmensen en kenners van de landen in kwestie.

Hoe dan ook, wat beweegt Arnon Grunberg tot al deze expedities, van semi-literaire en antropologische aard? Is het reclame? Hebben die stukken de bedoeling hem een zekere naamsbekendheid te verschaffen? Maar die heeft hij al. De critici zijn keer op keer met hem ingenomen, en de recensies van zijn boeken zijn per definitie lovend. En dan zijn er nog de literaire prijzen, waarvan hij de uitreiking af en toe te baat neemt om publiciteit te creëren. Ik herinner me vaag een taxi, ergens in Zuid-Amerika, waaruit hij zogenaamd commentaar leverde op de toekenning ervan. Ik herinner me zijn verschil van mening met A.F.T. van der Heijden tijdens een andere. Dus dat zal wel niet, denk ik dan. Ik neem toch aan dat hij het evenmin voor het geld hoeft te doen. Hij lijkt me bovendien in veel opzichten een eigenzinnig mens, die niet veel om geld geeft. Maar misschien is dat naïef van me. Het enige wat ik verder kan bedenken, is dat er achter dit alles de suggestie schuilgaat dat hij ze nodig heeft om zijn romans te kunnen schrijven, beter is het dan te zeggen: dat hij pretendeert ze nodig te hebben om zijn romans te kunnen schrijven. Zie hier de schrijver voor wie de literatuur een fulltime bezigheid is, een beetje zoals de acteur die een krankzinnige moet spelen zich een maand in een inrichting laat opsluiten. Maar hoewel dat soort dingen bijzonder moeilijk is vast te stellen, heb ik, als ik die romans lees, zelden de indruk, dat hij veel aan zijn onderzoek heeft gehad. Het mensentype dat in zijn romans verschijnt, lijkt me vaak in hoge mate fictief. Het zijn onwaarschijnlijke wezens, die zich als geesten door zijn boeken bewegen, en die niets hebben uit te staan met wat hij in die stukjes tegenkomt. Een uitzondering daarop is Tirza, dat ik in zekere zin zijn eerste serieuze roman vind. Er is natuurlijk nog een mogelijke verklaring. Misschien komen ze gewoon voort uit persoonlijke belangstelling, uit nieuwsgierigheid. Zoiets zou ik me kunnen indenken. Maar als nieuwsgierigheid de drijfveer is, moet Grunberg zich toch ook kunnen voorstellen dat hij die van mij met zijn stukken niet erg bevredigt. Erger nog: dat het een soort nieuwsgierigheid is die niets anders oplevert dan voorspelbaarheid.

3

Zou het een generatiekloof zijn? Merkwaardig feit is ook dat ik in mijn persoonlijke omgeving niemand ken die Grunbergs romans waardeert. Daarbij gaat het allemaal om leeftijdgenoten van me, oudere heren zoals ik, van die types die, als ze wat meer geld te spenderen hadden, niet in New York zouden gaan wonen, maar in Parijs, of eventueel Rome. Dat zeg ik er maar even bij. New York is weliswaar leuk voor een weekje, maar op den duur raak je er toch een beetje ontheemd. Voor iemand voor wie de ontheemdheid de natuurlijke staat is, is New York uiteraard ideaal. Literair gezien zijn die oudere heren trouwens wel veel meer dan gemiddeld geïnteresseerd. Zelf koop ik toch al gauw een paar honderd boeken per jaar, en dat geldt net zo voor de mensen over wie ik het hier heb. En nee, ik geef het eerlijk, toe, het is betreurenswaardig, maar waar: allemaal aangelezen krijg ik het niet. Verder dan zo'n tachtig à negentig boeken per jaar breng ik het nauwelijks. Anderzijds, ik heb ook een baan, en vervelen doe ik me dus nooit. Welnu, bij die aanschaf gaat het grotendeels om buitenlandse literatuur, en ook om non-fictie, omdat ik in de loop de jaren een diep wantrouwen heb opgebouwd jegens veel Nederlandse literatuur die door de critici wordt geprezen.
Dat neemt niet weg dat ik die door politici, mensen uit het zakenleven, juryleden allemaal, en door schrijvers en recensenten geprezen romans en verhalen van Nederlandse bodem uiteindelijk toch vaak aanschaf, omdat ik vermoed dat ze op den duur op de lijsten van mijn leerlingen zullen opduiken. En dan lees ik dus Münstermann, en dan blijkt het echt zes keer niks te zijn. Pretentieuze rommel. God, wat erg. Of ik lees Mortier, en ik vind het al even gekunstelde nikserigheid. Wat een raar namaakproza. Hoe kun je zeggen dat je het mooi vindt? Wieringa? Wel sympathiek, maar toch uiteindelijk geen geweldige boeken, die allemaal mank gaan aan een hoge mate van onechtheid en rare luchtfietserij, en die altijd ergens ontsporen. Dan liever Gogol, of Boelgakov. Gerbrand Bakker? Nou nee. Zuinige plattelandsliteratuur. Stefan Brijs? Hoe kun je een boek (De engelenmaker) nou zo laten aflopen? Wat wil je er trouwens mee? Thomas Roosenboom? Nog sympathieker. Prachtig proza af en toe. Een integer soort schrijver, maar wel een die me sterk doet denken aan Dostojewski, van wie ik vroeger meer hield dan tegenwoordig, en bij wie alle personages ook een heel boek lang, tot uitputting van de lezer, in hoogst opgewonden, en ook nog steeds hoger opgewonden wordende, staat gaan verkeren, alsof iedereen voortdurend koorts heeft. Aan het eind van Gewassen Vlees, of Publieke Werken is de hoofdpersoon toe aan de mentale catastrofe, maar de lezer ook. Die ijlt nog een dag lang na. Van der Heijden houd ik bij, en ik lees hem met plezier, maar echt grote literatuur ken ik het niet vinden. Hij heeft iets oppervlakkigs. Christiaan Weijts, vooruit, maar de man heeft wel een porno-syndroom. Eerlijk gezegd vermoed ik dat er van de schrijfselen der huidige generatie maar erg weinig deze eeuw zal overleven.

Ik schrijf dit allemaal niet om eens een paar vaderlandse auteurs goed af te zeiken. Sterker nog: het is tegen mijn principe. Elke schrijver die naar eer en geweten poogt een boek in elkaar te zetten, heeft recht op meer clementie dan welke moeizaam voortploegende criticus (zoals uw dienaar) ook. En als je een boek niet goed vindt, of een schrijver niet bewondert, dan lees je wat anders. En dan zwijg je er verder over. Er is al zoveel leed. Het probleem is dat ik er hier niet omheen kan. De critici zijn eensgezind in hun lof, en ik begrijp daar niets van. Zijn ze blind? Lezen ze wel eens een echt goed boek? Zijn ze bevriend met de auteur? Waren ze zo blij dat ze hun exemplaren gratis kregen dat ze een goeie recensie voor de enige mogelijkheid hielden? Is het welwillendheid? Maar daarvoor is de lof te groot. En dat geldt net zo voor Grunberg. Praktisch al zijn romans ontsporen wel ergens. Ze lijken zelden met een vooropgezet doel geschreven, ze beginnen nergens en gaan nergens heen. Ze staan bol van de willekeur. De personages zijn gezocht, de stijl is gezocht, de constructie is gezocht. De Asielzoeker vond ik regelrecht afschuwelijk. De Joodse Messias bijna nog erger, Figuranten een drama, Fantoompijn niks. Het zijn wezenloze boeken geschreven door een wezenloze geest. Qua stijl is het allemaal even erg. En begrijpt u me goed: ik bedoel daarmee niet de manier waarop Jessica Durlachters stijl erg is.

"Ik heb aanleg voor het koningshuis", zei Robert G. Mehlman op een avond. We zaten op het terras van hotel Santa Caterina in Amalfi. Het was koud voor de tijd van het jaar. Hij droeg zijn blauwe jas. Aan zijn lippen kleefden pindaresten. Hij rook anders dan vroeger. Naar kelders waar veel gedanst wordt en nooit gelucht. Op zijn witte zomerbroek zat een jusvlek en zijn handen trilden als vogeltjes die wilden opstijgen, maar steeds weer terugkeerden."(Fantoompijn, begin)

Vogeltjes stijgen niet op, maar vliegtuigen wel. En handen al helemaal niet. Wat zijn pindaresten? Het is typerend voor wat Grunberg zich permitteert. Het soort beeldspraak dat hij paraat heeft, houdt zelden verband met de realiteit zoals die zich afspeelt. Het realiteitsgehalte is nihil. Zo gaat het verder.

Twee obers staarden somber naar de grijze lucht. Het seizoen was al drie weken over tijd. Een Oostenrijker vroeg in slecht Italiaans: "Wanneer gaat er een trein naar het zuiden?"
"Er rijden hier geen treinen", zei de ober in het Engels. "Als u naar het zuiden wilt, moet u met een taxi." De ober kwam bij ons tafeltje staan. "Klopt het dat u vandaag gaat betalen, meneer Mehlman?"
Mehlman knikte en de ober zei, terwijl hij naar de zee staarde: "Ja, als een gast eenmaal binnen is, krijg je hem niet snel meer weg"
Onder de ontbijttafel stond de tas vol ongeopende post. Mehlman rommelde erin, haalde er een rekening uit, bekeek die vluchtig en scheurde haar vervolgens in kleine stukjes. 'Ze weten me toch niet te vinden: zei hij, 'en tegen de tijd dat ze me hebben gevonden, ben ik allang dood.'
Hij veegde wat jam van zijn lippen en bestelde een glas whisky. De ober wilde gaan, maar hij hield hem tegen. "Toen ik jouw leeftijd had," zei Mehlman, "toen had ik ook nog haar, en wat voor haar.
"Het leven raast voort," zei de ober en hij staarde nog altijd naar de zee.
De haren die Mehlman nu nog had waren wit en staken alle kanten uit.
"Het is nu bijna een jaar," zei hij. "Wat,' vroeg ik, "wat is een jaar?"
"Dat mijn secretaris is verdwenen."
De Oostenrijker stond op. "En rijden er hier dan taxi's die naar het zuiden gaan?" vroeg hij met luide stem.
Alle mensen in de ontbijtzaal keken naar hem. Er waren niet veel mensen, er waren meer obers dan gasten. Een oude heer bij het raam met minstens vijf buitenlandse kranten voor zich, zei met een geaffecteerde stem: "Ik kom hier al dertig jaar, ik weet meer van deze plaats dan het personeel. Als u een taxi naar het zuiden wilt, dan heb ik er zo een voor u gevonden."
Een dame die bij het buffet bezig was een stukje ananas op haar bord te leggen, riep: 'Mijn ouders kwamen hier al, en ik zeg u: "Ga niet naar het zuiden, verder naar het zuiden is er niets meer, alleen maar armoede."

Wat het belang is van dit alles, blijft onduidelijk. Hoe is die Oostenrijkse toerist die naar een trein vraagt eigenlijk in Amalfi gekomen? Per parachute? Hoe weet onze held dat het een Oostenrijker is? En wat zijn dat voor rare obers, die naar zee staren, en naar de wolken? Santa Caterina is overigens een bestaand 5-sterrenhotel in Amalfi. En zeker, Italiaanse obers hebben soms merkwaardige ideeën over hun plichtsbetrachting. Maar zelfs daar is er niemand die aan zijn gast vraagt, gaat u vandaag betalen? Hoe kun je schrijven: Alle mensen in de ontbijtzaal keken naar hem. Er waren niet veel mensen, er waren meer obers dan gasten. Dit mag allemaal kleinzielig klinken, maar zo is het niet bedoeld. Ik wil laten zien dat Grunberg lak heeft aan de werkelijkheid. Wat hij schrijft, zijn stripverhalen. De personages zeggen dingen, maar die doen er niet toe. Er is geen normaal reëel mens bij. Het zijn spoken. En wat er gebeurt, doet er ook niet toe. Wat er gezegd wordt, is geneuzel. En het is soms weliswaar geestrijk geneuzel, maar hoeveel daarvan kun je doorstaan als het nergens toe leidt? Grunbergs boeken zitten vol met dit soort willekeur. Als lezer ben je bereid het te doorstaan, als het tenminste na verloop van tijd ergens heengaat, maar het gaat nooit ergens heen. Ik geloof eerlijk gezegd dat Grunberg tot aan Tirza eigenlijk geen enkel serieus te nemen boek heeft geschreven, wat de critici ook mogen beweren. Is er iemand die echt denkt dat dit soort romans een langer leven is beschoren dan het huidige tijdsgewricht? En is dat uiteindelijk niet waar het om gaat, om houdbaarheid?

Ik schreef het al: Grunberg is de internetbubbel en hij is de crisis. Hij is een literair hedgefonds in optima forma, dat gebruik maakt van kannibalistische technieken, waarbij een boek in razend tempo kapot gaat aan zijn eigen opzet: snelle boeken voor een snelle tijd. De echte komedie moet laveren tussen ernst en luim, en wie zomaar wat doet, beschadigt onherroepelijk de mogelijkheid die het daarna biedt tot herkenning bij de lezer. Wie voortdurend grappig wil zijn, wordt als het er echt om gaat door zijn lezer niet meer serieus genomen. En daar hebben we Tirza.

4

Want een uitzondering op de lange reeks stripverhalen wordt gevormd door, ik zei het al, Tirza, dat in elk geval tot halverwege de roman een buitengewoon realistisch, hecht en goed geschreven geheel is. Hier geen geneuzel, geen willekeur, maar een sterk samenhangend en in zekere zin traditioneel verhaal dat in allerlei opzichten uitblinkt. Ik herinner me nog hoe verbaasd ik was toen ik het voor het eerst las. Het was kleinzielig, en jawel, dat was het in dit geval echt, maar ik dacht: verdomme, heeft hij toch talent! Anderzijds: na 300 pagina's was het daarmee over. Want het lange slot van het boek lijkt me een reusachtige vergissing. Grunberg hecht meer waarde aan het schrijven, dan aan het erover nadenken. En dat is wel sympathiek, maar het boek komt het niet ten goede.

Hofmeester is een overtuigend beschreven personage, en zijn dochter ook, zij het in mindere mate. De incestueuze relatie tussen de twee, die haar hoogtepunt vindt aan het eind van hoofdstuk 2 van deel 2, de pagina's 183-186, lijkt me eveneens erg goed gedaan, terwijl het toch, voor de schrijver, een riskante scene is. Het is het moment tijdens Tirza's feestje, waar Hofmeester zich herinnert hoe ze hem drie jaar eerder raadpleegde over haar seksuele toekomst. "Papa, wanneer word ik ontmaagd?"(…) "Wanneer word ik in godsnaam ontmaagd? Jij weet toch alles." Een heel klein beetje over the top (sorry) is dit misschien wel, maar eenmaal op dat punt aangekomen, accepteert de lezer het. Het moet trouwens ook fijn zijn zo' n licht absurdistische zin te schrijven. Olly, I 've got milk in my ear. Het is een van de talrijke momenten in het boek waar blijkt dat er sprake is van een manipulerende verteller, want welbeschouwd had het voor de hand gelegen die herinnering eerder te geven. Het gaat per slot van rekening, gezien de thematiek van het boek, niet om een kleinigheid. Maar de roman is zorgvuldig gecomponeerd, en er zitten heel wat andere momenten in van lezersbedrog. Ook in dat opzicht is het boek traditioneel. Zelfs het idee een soort sleutelnaam te kiezen voor de mannelijke hoofdpersoon, wiens onderworpenheid erin tot uiting komt, past daarbij.
Hoe dan ook, Tirza wil per se ontmaagd worden, maar door wie? Ze is zeer op haar vader gesteld, ze is nog jong, en hoewel heel wat lezers het een schokkende scene zullen vinden, heeft ze dus geen schrijversexcuus nodig voor haar dubieuze vraag naar een kwestie, waarvan ik stellig vermoed dat veel dochters er hun vader niet over zullen raadplegen. Hun moeder misschien, maar niet hun vader. Maar met Hofmeester is het duidelijk al bezig mis te gaan. Hij levert strijd met zichzelf, en zijn geweten. In het fragment hierna blijkt dat uit allerlei signalen, zo dat inwendig zoemende insect, dat hij eerst moet overwinnen, door de handen voor de ogen te drukken, en de kreet "als een misthoorn. Kort maar hard, eentje die mijlenver gehoord had kunnen worden." Altijd overdrijven, denk ik dan. Toch weer een stripmoment. Tegelijkertijd is het weer opvallend tot welke traditionele technieken Grunberg zijn toevlucht neemt, als hij eenmaal een klassiek soort roman schrijft. Want dit grenst natuurlijk aan het ouderwetse. Het is een beetje Hollywood. Dat insect bevalt me niks. En dat "hij slikte" evenmin. Arnon moet nog even wennen. Moeilijk, zo'n gewoon boek.
Wanneer Tirza haar vader de eerste jongeling wil laten kiezen, door de diverse kandidaten voor hem op te sommen, kan Hofmeester dat niet verdragen. Inderdaad: het is een onheilspellende episode voor het geval dat de eerste kandidaat zich echt meldt, wat dezelfde avond nog gebeurt. Daarom staat de scene ook hier. Grunberg heeft blijkbaar weinig vertrouwen in de intelligentie van de lezer. Die is gewaarschuwd, zeker als de vriend die gaat verschijnen ook nog op Mohammed Atta lijkt. Hofmeesters vrouw weet overigens niet wie Mohammed Atta is. Hier lijkt het Vinex-onderzoek van Grunberg in elk geval vrucht af te hebben geworpen. Jammer alleen, dat hij Tirza eerder heeft geschreven. Blijkbaar had hij het er niet echt voor nodig. Als Hofmeester eenmaal zijn zoemende insect overwonnen heeft, verlustigt hij zich verder onbekommerd in de details van hoe de nog onbekende jongeman, die door zijn Tirza is verkozen, door haar wordt ontkleed. De lezer snapt het wel. Het is Hofmeester die door zijn eigen dochter wordt ontkleed.

Hij keek naar Tirza, zijn hoogbegaafde jongste dochter die niet door zomaar iemand mocht worden ontmaagd. Vroeger had ze veel gezwommen. Ze had meegedaan aan wedstrijden. Drie keer per week bracht hij haar na zijn werk op de fiets naar het Zuiderbad. Hij was bijna net zo fanatiek als zij. Nee, hij was fanatieker. Zijn dochters moesten doen wat hij niet had gedaan, wat hij verzuimd had te doen, wat hij door omstandigheden had nagelaten te doen: uitblinken. Want één ding konden ze Hofmeester niet verwijten, ze konden niet zeggen dat hij niet had ingezien dat er op deze wereld alleen plaats was voor uitblinkers. De rest werd afgemaakt, of gewoon terzijde geschoven, verveeld in een hoek geworpen. En zelfs de uitblinkers ontkwamen niet altijd aan dat lot.
Tot Tirza ziek werd. Toen was het afgelopen met het zwemmen.
'Ik noem de namen van alle geschikte jongens, en op een gegeven moment zeg jij: "Stop." Oké, zullen we het zo doen? Ik kan namelijk niet kiezen. Ik weet het gewoon niet.'
Ze was opgestaan van haar stoel, ze stond nu achter hem, ze had haar armen om hem heen geslagen.
En hij zat daar, starend naar zijn panna cotta, luisterend naar haar stem, zijn handen tegen zijn wangen gedrukt, en even bedacht hij dat de echtgenote nu misschien wel zou bellen, juist op dit moment, om te vertellen waar ze al die weken was geweest.
'Jij moet me helpen,' zei Tirza. 'Vaders zijn er toch om hun dochters te helpen, daarvoor zijn vaders toch gemaakt? Nou, help me dan, pap.'
'Tirza,' zei hij, 'doe niet zo raar. Doe alsjeblieft niet zo raar.
'Ik ga nu de namen opnoemen van de jongens, met een korte beschrijving. Ben je klaar? David, bruin, glad haar, ongeveer een meter vierenzeventig.'
'Nee,' schreeuwde Hofmeester. 'Nee, Tirza. Ga zitten. Houd hiermee op. Ga zitten.' Hij sloeg met zijn hand op tafel.
Ze liet hem los, ging weer naar haar eigen stoel.
Daar bleef ze even staan, en staand nam ze een hapje van haar panna cotta.
'Niet verdrietig zijn; zei ze. 'Niet verdrietig zijn, papa. Ik wil gewoon zo verschrikkelijk graag ontmaagd worden. Ik ben toch niet lelijk? Waarom gebeurt het dan niet?'
Hij wurgde ook nog een hap van het dessert naar binnen. Ze ging zitten. Hij veegde zijn handen af, hoewel er niets aan kleefde, en hij drukte ze weer tegen zijn wangen.
'Je bent heel mooi, Tirza,' zei hij. 'Vreselijk mooi, daar heeft het niets mee te maken. Maar jongens zijn verlegen, pas later worden ze minder verlegen, en zelfs dan niet altijd. Je moet de jongens op hun gemak stellen.'
'Hoe dan?'
Hij drukte zijn handen tegen zijn ogen, hij herinnerde zich hoe hij haar naar de kliniek in Duitsland had gereden, en voor het eerst van zijn leven begon hij te bidden. Niet met woorden, een zingen was het, een gezoem. Inwendig zoemde hij als een groot insect.
'Maar hoe dan?' vroeg ze nog een keer. 'Hoe moet ik jongens op hun gemak stellen? Ze doen zo raar.'
Hij drukte zijn handen steviger tegen zijn ogen. Het gezoem hield op. 'Je moet niet vergeten; zei hij zacht, 'dat ze een beetje bang voor je zijn. Ze zijn voor alles bang, maar het allerbangst zijn ze voor jou. Daarom moet je de jongen die je hebt uitgekozen meenemen naar een plek waar niemand jullie kan zien, een geheime plek moet het zijn. En daar moet je hem zachtjes aanraken. Eerst zal hij schrikken. Maar jij moet niet schrikken. Wat er ook gebeurt, je moet nooit schrikken. Je moet hem gewoon nog een keer aanraken. En dan moet je zeggen: "Ik ben Tirza en ik heb je lief."
Voor zover mogelijk drukte hij zijn handen nog steviger tegen zijn ogen en hij hoopte maar dat zijn handen de tranen zouden opvangen, dat ze niet door zijn vingers heen zouden sijpelen, dat ze aan het zicht van de wereld zouden worden onttrokken door de handen waarmee hij zo graag in de tuin werkte.
'En dan, als ik dat heb gezegd?'
'Dan ... ' Hij slikte. 'Dan - heeft hij een T-shirt aan of een overhemd of een jas? De jongen die je hebt uitgekozen.'
'Een overhemd.'
'Dan,' zei Hofmeester, 'dan moet je zijn overhemd langzaam openmaken, eerst de bovenste knoopjes, en dan de onderste. Hij zal zich verweren, hij zal misschien zelfs weg willen lopen, maar je moet hem bij zijn arm pakken en zeggen: "Niet weglopen, want ik ben Tirza en ik heb je lief."
'En dan? Vertel.'
Hofmeester kon bijna niet meer. Zijn hoofd zonk steeds verder weg. Zijn ogen voelden rood en opgezwollen, zijn handen nat en oud.
'Dan ... ' Hij haalde diep adem. En nog een keer. Zoals toen hij de trap op liep, op zoek naar Ibi die niet was teruggekomen van de huurder. Dezelfde sensatie van ademnood, van verstikking. 'Dan moet je hem tegen je aandrukken en niet vergeten hoe bang hij is, dat hij banger voor jou is dan voor de dood, omdat je een vrouw bent, Tirza. En dan moet je hem voelen, je moet hem voelen, hoe hij is en hoe hij daar staat, je moet hem ruiken, je moet hem zoenen, je moet je tegen hem aandrukken, je moet hem vasthouden alsof hij zich zou willen ontworstelen, en dat wil hij ook, maar je moet hem blijven vasthouden. Want hij wil ook worden vastgehouden, hij wil zich ontworstelen en hij wil worden vastgehouden, maar jij moet sterker zijn, dat is de enige oplossing. En dan moet je zeggen: "Wie ben jij eigenlijk? Ik ben Tirza en ik heb je lief, maar wie ben jij?"
'Wat is er, papa?' vroeg ze. 'Wat is er?'
Bang als hij was dat ze zijn tranen zou zien, drukte hij haar tegen zich aan. Hij hield haar vast en hij kuste haar, op haar haren, haar wangen, haar neus, haar lippen, haar oren. 'Niets, Tirza,' zei hij, 'niets is er. Ik had een dagdroom, ik had een nare gedachte. Er is niets. Alles komt goed. Alles is goed.'
Hij opende de tuindeuren, hij nam haar mee naar de duisternis van de tuin, hoewel het eigenlijk te koud was om zonder jas naar buiten te gaan, maar hij hoopte dat ze daar zijn rode ogen niet zou zien.
'Dus zo moet ik het doen,' zei ze, toen ze eindelijk stilstonden op het gras. Het natte gras.
'Zo moet je het doen,' antwoordde hij, zijn hoofd iets van haar weggedraaid, starend naar de schuur, de bomen, de huizen van de Willemsparkweg.
'Maar waarom zijn de jongens dan bang voor mij?'
Ergens aan de overkant werden in een kamer de lichten uitgedaan, een kinderkamer waarschijnlijk. Het voorleesuur was ten einde.
En nog altijd half van haar weggedraaid zei hij: 'Omdat ze denken dat je ongenaakbaar bent. Zodra ze je gebroken hebben zullen ze niet meer bang voor je zijn.'
Ze ging op haar tenen staan. Ze fluisterde in het oor van haar vader: 'Ik ben Tirza en ik heb je lief.'

Als Hofmeester na die herinnering, in de tuin, geluid hoort uit een schuur, en daar een meisje tegenkomt dat een klasgenote is van Tirza, Ester, die openhartig vermeldt dat ze niet in liefde gelooft, maar wel in neuken, is hij daardoor oprecht geschokt, en nog in sterkere mate als ze meedeelt dat ze zichzelf "gaat aaien". Esters bedoelingen zijn wel duidelijk. Hofmeester gaat een drankje voor haar halen - misschien zoals Laarmans in Het Dwaallicht ooit besloot zijn drie zwartjes te helpen zoeken naar Maria van Dam - maar inmiddels is Tirza eindelijk gearriveerd op haar eigen feestje, en ze stelt hem haar vriendje voor, Choukri. Dat is voor pa een flinke klap. Pas vijftig pagina's later komt de lezer te weten dat Hofmeester het daarna, als van de weeromstuit, zou je bijna zeggen, toch nog met Ester heeft gedaan, of in elk geval een aardig eind op weg is geweest het te doen, maar met zijn broek omlaag wordt betrapt door zijn eigen dochter, die hem voor een oude viezerik uitscheldt. De manier trouwens waarop Hofmeester een paar minuten eerder Esters clitoris bewerkt, niet omdat hij het fijn vindt, maar omdat het zo hoort, is een parallel van de gedachtes die hem overvallen als hij zijn dochter en haar vriend begraaft, later in het boek: noeste arbeid, Hollands calvinisme. Als hij terugkomt in huis, staat zijn vrouw op de tafel en playbackt iets van Dolly Parton, terwijl ze zich ontkleedt. Dat leek me iets tezeer Vinex. Daar begon mijn ergernis op te spelen. Kijk, dacht ik, daar is de oude Grunberg weer, overmand door de traditionele Nederlandse geest van Blue Movie en Barend Servet. Eigenlijk gaat het vanaf dat moment mis met het boek. Oh, kent u Barend Servet niet? Fred Hachee dan? 

Tirza en Choukri gaan naar Zuid-Afrika, en omdat ze vanaf Frankfurt vliegen, brengt Hofmeester hen weg. Waarom hij Tirza en Choukri via een huis in de Betuwe naar Frankfurt moet begeleiden, blijft onduidelijk, maar het komt goed uit. Vlak voordat Choukri en Tirza verdwijnen, want dat doen ze, wordt er in de Betuwse tuin nog gezaagd, met een machinezaag, een Stihl MS 170. Kort daarop is Hofmeester is er per ongeluk getuige van hoe Choukri het doet met zijn dochter, terwijl ze op tafel ligt. Hofmeester is zo geschokt dat hij zich vast moet houden aan een pook. Ja, lezer, een pook. Als hij vervolgens in de tuin aan het werk gaat, urenlang, moet een lezer wel op het achterhoofd gevallen zijn als hij niet begrijpt wat er is gebeurd. Het is grappig, maar de scene deed me denken aan een andere, uit Jonathan Littells Les bienveillantes: ook daar een brute moord, en een totale verdringing. En nee, daar wilde het er ook al niet bij me in.

Tegen zessen begint het weer te regenen. Hij brengt al het gereedschap naar de keuken. Morgen moet hij het weer inpakken en meenemen. Eerst naar Frankfurt, dan terug naar Amsterdam. Ook daar moet de tuin onderhouden worden. Het gras, de bomen, de struiken.
Hij opent een fles wijn en drinkt een glas. 'Tirza; roept hij. Hofmeester drinkt zijn tweede glas. 'Tirza; roept hij nog een keer, 'waar ben je?'
Hij loopt naar de woonkamer. Zijn dochter ligt op tafel.
Een fractie van een seconde heeft hij nodig om het tafereel tot zich te laten doordringen. Ze hebben hem gehoord noch gezien.
In de deuropening staart hij naar het dierlijke, naar het afschuwelijke, naar het onbegrijpelijke. De koran ligt nog op tafel, en een schaaltje met de restanten van een tros druiven. Het monopolyspel. Hij weet dat hij weg zou moeten gaan, maar hij kan zich niet losrukken, het lijkt alsof hij is gehypnotiseerd. Hij begrijpt ook niet waarom ze hem niet zien of horen, waarom ze niet doorhebben dat er iemand anders in de kamer is. Het kost hem moeite in zijn dochter nog zijn dochter te zien nu ze daar zo ligt, gebruikt wordt, opengescheurd wordt. Ze mompelt iets.
Hij moet zich vasthouden. Hij is misselijk, alsof hij iets verkeerds heeft gegeten, een bedorven oester, een acute voedselvergiftiging. Hij is duizelig, hij doet een stap achteruit, houdt zich vast aan de pook die naast de open haard in zijn standaard hangt.
Jörgen Hofmeester snuift als een verkouden hond.
De kamer draait hem voor de ogen, maar ze horen hem niet. Ze zien hem niet. Ze gaan op in hun spel. Zo heet dat toch? Liefdesspel. Uiteindelijk sluipt hij terug naar de keuken, waar hij drie glazen wijn drinkt en zijn gezicht en handen wast.


Dan loopt hij naar de tuin en ondanks de regen begint hij onkruid uit de aarde te trekken. Vooral onder de bomen en langs de randen van het grasveld zit veel. Hij werkt als een bezetene, alsof hij weer twintig is. Zonder zich een pauze te gunnen, zonder zijn handen af te vegen. Zo werkte hij toen zijn ouders nog leefden, toen hij nog thuis woonde, hij werkte als een hond, want zijn ouders hadden hem geleerd: alleen werk maakt gelukkig. Na een halfuur is hij nat van de regen en het zweet, overal zit aarde. Zelfs in zijn oren.
Hij gaat de keuken binnen, veegt zijn handen af aan een theedoek, die meteen zwart wordt. Het maakt niet uit.
Nu hoort hij hen niet meer. Het spel is opgehouden. Kan seks wel spel worden genoemd? Is dat geen vergissing, begint seks niet juist waar het spel ophoudt? Ja, dat is het. Bij seks houdt het op, daar begint iets anders. De werkelijkheid, dat wat geen spel meer kan worden genoemd. De dood. Er zit zand in zijn oren.

Want zijn ouders hadden hem geleerd: alleen werk maakt gelukkig. Zie daar hoe Hofmeesters burgermansopvattingen hem typeren. Iemand die er zulke oer-Hollandse ideeën op na houdt, nou ja, die is tot alles in staat. Eerder al heeft hij in een opwelling van onoprechte tolerantie Choukri toestemming gegeven met Tirza op één kamer te slapen. Choukri zelf aarzelde daarover. Als Hofmeester vervolgens naar Zuid-Afrika gaat, om zijn vermiste dochter te zoeken, dan is Tirza dood. En ik bedoel nu niet de dochter, alhoewel die ook dood is, maar het boek. Want die lange excursie vormde voor mij in elk geval niet alleen een hoogst onbevredigend, maar ook hoogst ergerniswekkend eind, weer helemaal in de stijl van de oude Grunberg. De Vinex-Grunberg, die van de stripverhalen. Dood is het boek al eerder. Zonde.

JOUW SCHULD!

Anna begon zich langzaam uit te kleden. Nadat ze haar rok had uitgetrokken en haar mooie armen en prachtige hals ontbloot, bekeek ze zichzelf aandachtig in de spiegel. Ze drukte haar wang tegen haar schouder om haar van melk gezwollen borsten die van een opmerkelijke schoonheid waren, te kunnen aanschouwen en hield peinzend stil.
"Ja, dat is het wat hij wil..."
Zij herinnerde zich de hartstochtelijke kussen van haar man, haar ogen schitterden, en ze besloot dat als haar macht dan toch in haar schoonheid lag, ze zich die ten dienste zou stellen. Terwijl ze in een klap haar ideaal van kuisheid opzij zette, en het idee van een geestesgemeenschap met de geliefde naar de achtergrond verdrong, zei ze bij zichzelf dat haar man haar niet alleen niet in de steek zou laten, maar dat hij haar slaaf zou zijn.
(uit: Sophie Tolstoj, A qui la faute, réponse à La sonate à Kreutzer, Albin Michel, 2010 eigen vertaling)

Tolstojs Kreutzersonate dateert van 1891, maar deed al twee jaar eerder in allerlei kopieën de ronde en baarde direct veel opzien. En dat is begrijpelijk, want het is een genadeloos en verbazingwekkend sterk verhaal, dat bovendien nog steeds zeer modern klinkt. In de novelle, die de vorm heeft van een raamvertelling, vertelt een man, Pozdnysjev geheten, "een grijze eenzelvige heer met glinsterende ogen", 's nachts tijdens een langdurige treinreis, eerst aan een paar coupégenoten, daarna alleen aan een verder niet met name genoemde medereiziger, hoe hij ertoe gekomen is zijn vrouw te vermoorden. Het verhaal is vooral opmerkelijk vanwege de extreme, en vaak vrouwvijandige opvattingen die Pozdnysjev erop na houdt. Overigens spaart hij zichzelf en de zeer gegoede sociale klasse waar hij toe behoort evenmin. Want één van de opvallende trekken van de novelle is de manier waarop de man in kwestie duidelijk maakt dat wat hem is overkomen, velen die uit dezelfde sociale laag afkomstig zijn, op precies dezelfde wijze is geschied.

Al op jonge leeftijd leert Pozdnysjev omgaan met het vrouwelijk geslacht, daarbij een beroep doend op een arts als het misgaat, om, als hij de dertig is gepasseerd een vrouw te zoeken voor een huwelijk, maar wel een jonge, die nog maagd is uiteraard. Hij legt uit dat juist de wijze waarop hij voor zijn huwelijk met vrouwen omging, namelijk door zich, na met haar gemeenschap te hebben gehad, van haar los te maken, en dat talloze keren, en daarmee voortdurend elke morele verbintenis te ontkennen, fataal is voor het vervolg. Hij vertelt hoe hij, om zijn morele standaard intact te houden, niet rust voordat hij een vrouw die het uit liefde met hem deed, geld heeft kunnen doen toekomen. "Alles is binnenste buiten gekeerd", zegt hij, "alles is binnenste buiten!" En terwijl iedereen zijn verleden kent, doen tal van moeders hun best de dochter aan hem te slijten. Hij noemt zich een roué van dertig. Terwijl hij zo leeft, twijfelt hij er geen moment aan dat hij uiteindelijk in het huwelijk zal treden, "en een nobel, zuiver gezinsleven" zal vestigen.

Nu, zo leefde ik dan dus tot mijn dertigste jaar, zonder dat ik een ogenblik het plan had laten varen, in het huwelijk te treden en een nobel, zuiver gezinsleven te vestigen, en tot dat doel keek ik rond naar een meisje, dat voor dit oogmerk in aanmerking kwam, vervolgde hij. Ik wentelde me in mijn eigen slijk en ondertussen keek ik uit naar jongedames, die mij door haar reinheid waardig waren. Verscheidene vond ik ongeschikt juist omdat ze mij niet onschuldig genoeg toeleken; ten slotte vond ik er een, die ik mij waardig keurde. Zij was een der twee dochters van een landeigenaar uit Penza (een plaats met papierfabrieken, ten Zuiden van Nizjni-Nowgorod) die schatrijk was geweest, maar financieel totaal achterop was gekomen.
Op een avond, we hadden een boottocht je gemaakt en waren, na zonsondergang, in het maanlicht thuis gekomen, zat ik naast haar en keek verliefd naar haar welgevormde gestalte in het serge kostuumpje, naar haar golvende lokken, en opeens besloot ik, dat zij de ware was. Het scheen mij die avond toe, dat zij alles begreep, alles, wat ik voelde en dacht, en dat die gevoelens en gedachten van mij buitengewoon verheven waren. In werkelijkheid was de hele kwestie, dat het serge kostuumpje en de lange lokken haar bijzonder aardig stonden en dat ik, na een dag vlak in haar nabijheid te hebben doorgebracht, verlangde naar een nog intiemer bijeenzijn.
Merkwaardig, hoe volkomen men onder de illusie kan komen, dat schoonheid hetzelfde is als goedheid. Een mooie vrouw bazelt onzin, je luistert toe en bespeurt er geen domheid, maar verstand in. Ze zegt of doet afschuwelijke dingen en je hoort of ziet er iets liefs in. Maar als ze niets doms en niets laag bij de gronds zegt en bovendien mooi is, dan raak je ogenblikkelijk overtuigd, dat ze een wonder van verstand en deugd is.
Ik keerde opgetogen huiswaarts en kwam tot de conclusie, dat zij een buitengewoon ethisch schepseltje was en dus geschikt om mijn vrouw te worden, en de volgende dag deed ik haar een aanzoek.
Wat een warboel toch eigenlijk! Van de duizend getrouwde mannen, niet alleen van onze stand, maar helaas ook uit het volk, is er nauwelijks één, die niet al tien keer, misschien zelfs honderd of duizend keer, net als Don Juan, vóór zijn huwelijk gemeenschap met een vrouw heeft gehad. ('t Is waar, er zijn tegenwoordig, zoals ik hoor en zelf opmerk, kuise jongelieden, die voelen en weten, dat deze dingen geen grapje zijn, maar belangrijke zaken. God sta hen bij! Maar in mijn tijd was er zo niet één op de tienduizend.) En iedereen weet het en geeft voor, dat hij het niet weet. In alle romans worden tot in de kleinste details de gevoelens van de helden beschreven, de vijvers en bosjes, waar ze langs wandelen; maar als hun grote liefde voor een of andere maagd wordt beschreven, vertelt men er niet bij, wat met de interessante held vroeger is voorgevallen: geen woord over zijn bezoeken aan verdachte huizen, over zijn slippertjes met kamermeisjes, keukenprinsesjes en vreemde vrouwen. En àls er al zulke onfatsoenlijke romans bestaan, geeft men ze toch beslist niet in handen van haar, die het meest nodig hebben, ze te leren kennen: de jonge meisjes.
(uit: L.N. Tolstoj, De Kreutzersonate, Russische Bibliotheek, Tolstoj, deel 6, vertaling Hans Leerink)

Het misschien wel opmerkelijkste feit bij dit alles is dat de naam van de vrouw die Pozdnysjev huwt, in het hele verhaal niet zal worden genoemd. Als hij eenmaal is getrouwd, blijkt dat hij met haar niets gemeenschappelijk heeft, en dat de seks ook tegenvalt. Hij klaagt dat de vrouw ook nog moet worden opgevoed om tot goeie seks in staat te zijn. Zelfs de wittebroodsweken blijken afschuwelijk, en al snel ontstaan de eerste meningsverschillen.

Ik keek haar eens goed aan. Heel haar gezicht had een uitdrukking van uiterste koelheid en vijandigheid, bijna van haat tegen me. Hè? wat? dacht ik. Liefde, geestverwantschap, en in plaats van dat alles krijgen we dit? Ik trachtte haar nog te kalmeren, maar stiet op zó'n muur - een muur, waar niet overheen te klimmen was - van ijskoude, nijdassige vijandelijkheid, dat ik in een ommezien door de driftbui werd aangestoken, en we wierpen elkaar allerlei onaangenaamheden naar het hoofd. Vreselijk was de indruk, die deze eerste twist achterliet. Ik heb gesproken van een twist, maar dit was geen gewone ruzie, dit was alleen maar een voor de dag brengen van de afgrond, die inderdaad tussen ons bestond. De verliefdheid was uitgeput door de bevrediging der zinnelijke behoefte en daar stonden we nu tegenover elkaar in onze werkelijke onderlinge betrekking, namelijk twee egoïsten, in wezen vreemd aan elkaar, belust, zo veel mogelijk bevrediging door elkaar te ontvangen. Ik noemde een twist, hetgeen tussen ons was voorgevallen; maar dit was geen twist, dit was gewoonweg het gevolg van onze geëindigde libido, waardoor onze wèrkelijke wederzijdse verhouding aan het licht kwam. ibid)

Al vertellend haalt hij uit naar de uitdagende kledij van vrouwen, naar voorbehoedmiddelen, maakt de zogenaamde geestverwantschap die er tussen gehuwden zou bestaan belachelijk, ontkent de houdbaarheid van liefde in het algemeen, omdat ze alleen voortkomt uit een seksuele behoefte, terwijl hij seks "vies, demoraliserend en pijnlijk" noemt; hij bekritiseert de artsen "die je met ijselijke gewichtigheid van syfilis genezen", laakt de muziek waarvan de enige functie is erotische gevoelens op te wekken (zie daar Beethovens Kreutzersonate), hekelt de samenleving die allerlei ontsporingen normaal vindt, de overdreven luxueuze voeding die in zijn milieu normaal is, de immense productie van consumptieartikelen, waarvan het grootste deel voor de vrouw is bestemd, de talrijke hysterische aandoeningen van vrouwen, die enkel ontstaan omdat ze de "natuurwetten hebben geschonden", en natuurlijk de vrouwen zelf, waarbij hij spreekt van "vrouwenheerschappij". Terloops vergelijkt hij die met de heerschappij der joden. Zelf tot de laagste trap van vernedering gebracht, wreken ze zich voor hun onderdrukking, joden met behulp van geld, vrouwen met hun lichaam.

Aha, jullie wilt dat wij er alleen maar zijn voor jullie zinnelijke driften, best, dan zullen wij, in onze begeerlijkheid, jullie tot onze knechten maken, zeggen de vrouwen. (ibid)

Als de vrouw vriendschap sluit met een man die - want ze is een verdienstelijk pianiste - haar pianospel op de viool begeleidt, daartoe zo nu en dan aangemoedigd door Pozdnysjew, doodt hij haar in een bui van jaloezie. Of ze echt overspel heeft gepleegd, is zeer de vraag. Pozdnysjev wordt vrijgesproken.

Ik ben altijd verrast door de commentaren op Tolstojs novelle. Vaak worden, met als achtergrond de kennis van Tolstojs opvattingen, de meningen van de verteller zonder meer aan hem toegeschreven, terwijl het de vraag is in hoeverre dat klopt. Het verhaal bevat naast de uitbundige en soms extreem geformuleerde kritiek op Tolstojs eigentijdse samenleving, heel wat ambivalenties. En Tolstoj, die een rasschrijver was, wist wel dat ambivalentie een verhaal alleen maar sterker maakt. Is het verhaal een pleidooi voor kuisheid en abstinentie, zoals zo vaak wordt gezegd? Tolstoj zelf heeft achteraf gezegd van wel. Of is de Kreutzersonate het verhaal van een man die een trauma heeft opgelopen en er een geperverteerde kijk op de werkelijkheid op na is gaan houden? Ik vraag het me werkelijk af. Ik vermoed een beetje van beide. Maar één ding staat inmiddels wel vast.

In 1994 werd in Rusland uitgegeven een manuscript dat in Tolstojs nalatenschap werd gevonden, en dat afkomstig was van zijn vrouw, Sofia Tolstoja (wier eigen naam Sofia Andrejevna Behrs luidde). Die had niet alleen als één van de eersten Tolstojs novelle gelezen, ze had hem in het net geschreven, zoals ze alles van Tolstoj kopieerde, en ze moet er dodelijk door beledigd zijn geweest. Want in het verhaal herkende ze veel persoonlijke gebeurtenissen, waarvan ze vreesde dat die op deze manier aan de openbaarheid werden prijsgegeven. Het verleden van Pozdnysjev lijkt veel op dat van Tolstoj. Ook die liet aan zijn vrouw stukken lezen uit een dagboek om haar op de hoogte te brengen van zijn vrouwenverleden, en net als de vrouw van Pozdnysjev is ze er diep door geschokt. Pozdnysjev vermeldt overigens dat hij dat doet omdat ze naar hij vreesde van één van de affaires al op de hoogte was. Hoe het zij, Sofia Tolstoja deed grote moeite de novelle van haar man door de censuur te krijgen. En welbeschouwd is het opmerkelijk dat het bij een tweede poging lukte, want het verhaal gaat eigenlijk over seksualiteit en is daarin zeer openhartig. Het zegt naar alle waarschijnlijkheid iets over Tolstoj's inmiddels welhaast onaantastbare reputatie, dat het inderdaad werd uitgegeven.

Twee jaar later schreef Sofia Tolstoja dus een repliek, getiteld: Wiens schuld? Zo vertaal ik het maar, al zou er over die titel veel meer te zeggen zijn, want zo simpel is het niet. Ongelukkig genoeg is de titels ook nog identiek aan Herzens roman uit 1846: Кто виноват? Ze liet er zich uiteindelijk van weerhouden het verhaal uit te geven. En dat is nu toch gebeurd, eerst dus in 1994 in Rusland, in 2008 in Duitsland, en ten slotte ook in Frankrijk, in 2010, precies 100 jaar na Tolstojs dood dus. Maar uiteraard niet in Nederland. Uit de Franse editie komt het door mij geciteerde stukje aan het begin, dat zowat een spiegelbeeld vormt van een door mij eveneens geciteerde passage uit de Kreutzersonate. Ik vond de novelle van Tolstojs eega niet bijzonder sterk, en qua stijl tamelijk clichématig, hoewel ik dat in een Franse vertaling nog moeilijker vind vast te stellen dan in een Nederlandse. Maar interessant is ze natuurlijk wel en als verhaal is het verdienstelijk. Wat me er vooral aan opviel, is, niet hoezeer Tolstoja haar man te lijf gaat, maar hoezeer het verhaal een aanvulling vormt op, en een parallel is van de Kreutzersonate. Want de belangrijkste boodschap lijkt toch dat een vrouw wel degelijk tot een bevredigende seksuele verhouding in staat is, als er daarbij maar eerst recht wordt gedaan aan haar persoonlijkheid en haar talenten. In Sofia's Wiens schuld is de echtgenoot weliswaar een talentloos filosofisch schrijver geworden, en niet de beroemdheid van wereldformaat die Tolstoj was, en is de vrouwelijke hoofdfiguur iemand die graag schildert (Sofia Tolstoja was zelf een amateurfotografe), maar de manier waarop ze haar verhouding beschrijft, komt aardig overeen. Haar man is een egoïst die voor zijn huwelijk al heel wat avontuurtjes achter de rug heeft, en die zijn vrouw, nadat ze een ritje heeft gemaakt met de man op wie ze verliefd is geworden (een schilder, genaamd Bekhmetiev), maar die de volgende dag zal vertrekken, omdat hij stervende is aan TBC, slotte in jaloezie een presse-papier naar het hoofd gooit. Terwijl hij wacht op de arts, eet hij een pruim. Net als in de Kreutzer-sonate sterft de vrouw, maar hier verklaart ze haar man met haar laatste woorden dat ze hem nooit ontrouw is geweest. En in tegenstelling tot in de Kreutzersonate weet de lezer dat het waar is. Na haar dood is haar man de krankzinnigheid nabij, maar niemand wil weten wat er precies is gebeurd. "Ze is gevallen", zeggen de mensen. Drie dagen later wordt ze begraven.

De prins begreep dat ze er niet meer was, dat hij haar had gedood, en niet alleen met een stuk wit marmer: hij had haar al veel eerder vermoord, want in werkelijkheid had hij haar nooit gekend en haar nooit naar waarde geschat.

Vrienden vrezen voor de geestelijke gezondheid van de graaf na de dood van zijn vrouw. Een maand na het overlijden van Anna wordt bekend dat Bekhmetiev in het buitenland is gestorven.

Tolstoja, S.
À qui la faute. Parijs, Albin Michel, 2010.
Stukje geschreven op woensdag 10 november 2010

Tolsoja, S. A qui la faute

Sophie Tolstoï
A qui la faute
Roman inédit
Réponse a Léon Tolstoj
Le sonata à Kreutzer Parijs, Albin Michel, 2010


Sofja Tolstoja
Eine Frage der Schuld
Roman
Mit der «Kurzen Autobiographie der Gräfin S. A. Tolstaja»
Mit Nachwort von Ursula Keller
Originaltitel: Tschja wina?
Aus dem Russischen von Alfred Frank, Ursula Keller

L.N. Tolstoj
Russische Bibliotheek, Verzamelde Werken, Deel 6
De Kreutzersonate (p. 59-141)
Vertaling Hans Leerink

QUITTE

Vrijdag 8 oktober 2010
Een bericht in de New York Times (vrijdag 8 oktober, Global Edition, Books) meldt dat er een twitter de ronde doet van Gabriel Garcia Marquez, met de tekst: staan we quitte. Marquez won de Nobelprijs in 1982, en Vargas Llosa deed het vandaag. Het was in 1976, zo gaat het verhaal, dat de twee, die tot op dat moment bevriend waren, slaande ruzie kregen, waarbij het slaande letterlijker mag worden opgevat dan meestal het geval is, want bij een filmpremière in Mexico bezorgde Vargas Llosa Marquez een blauw oog. Beweerd wordt dat Marquez zich met iets teveel zorg over Vargas Llosa's echtgenote had ontfermd. De New York Times meldt eveneens dat Garcia Marquez' Columbiaanse stichting ontkent dat de twitter van Marquez is. Maar, en daar gaat het me om, het is voor het eerst sinds jaren dat de Nobelprijs naar iemand gaat die hem echt verdient, want Vargas Llosa is natuurlijk een geweldige schrijver, en van een heel wat ander kaliber dan Hertha Müller of Le Clézio. Als iemand aan me zou vragen: wat moet ik dan van hem lezen, zou ik zeggen: begin maar met het vroege werk, De stad en de honden, Het groene huis, Pantaleon, doe dan De oorlog van het einde van de wereld, en tot slot Het feest van de bok. Dan heb je een stel geweldige boeken gelezen, zonder je één seconde te vervelen. Ik ben altijd onder de indruk geweest van de manier waarop Vargas Llosa moderne verteltechnieken op zinnige wijze combineert met geweldige, en altijd lezenswaardige verhalen. Ik vond de keus van het Nobelprijscomité om nog een reden opvallend. Vargas Llosa wordt geacht politiek ter rechterzijde te staan, misschien ook vanwege zijn kandidatuur voor het Peruviaanse presidentschap, waarbij hij in 1990 verloor van Fujimori. En ter rechterzijde liggen de Nobelsympathieën vaak niet. Anderzijds, in hetzelfde artikeltje in de New York Times spreken de auteurs van Vargas Llosa's deeply political work, en dat vind ik slechts in beperkte zin juist. De politiek speelt vaak een belangrijke rol in zijn romans, maar van rechtse sympathieën valt maar weinig te bespeuren, net zo min eigenlijk als van linkse. De politiek vormt vaker de achtergrond, dan het thema.
En dan is er natuurlijk nog iets opmerkelijks. De manier waarop het Nobelprijscomité er elk jaar weer in slaagt Philip Roth over te slaan, begint langzamerhand pijnlijk te worden. De laatste Amerikaanse die hem kreeg, was Tony Morrison, in 1983, en dat leek me weer één van die politiek correcte prijstoekenningen, die de hoogst incorrecte Roth uitsluit, maar een toekenning aan Cees Nooteboom steeds onvermijdelijker lijkt te maken. En nee, ik houd niet van Nooteboom. Dan in godsnaam maar Mulisch. Hou vol, Harry. Blijf in leven.

FLAUBERT, A BIOGRAPHY
FREDERIC BROWN
NEW YORK, LITTLE, BROWN AND COMPANY, 2006

A DISTANT VIEW

26 januari 2008
Be warned: this piece is more about Flaubert, than it is about Brown. Because before discussing Brown's biography, I am sorry to have to discuss Flaubert, the novelist that is, for whom – I have to admit - I don't care much. And I wonder how many people really do. Let's be fair: if you admire a writer, you read everything he wrote, and read it again and again. I do so with Chekhov, Bulgakov, Thomas Mann, Stendhal, Kafka, Philip Roth, Modiano, and many others, but although I have read just about everything the man from Rouen wrote, and did so in French, I never felt the urge to start all over again, just for fun. Well, with one exception.
Of Bouvard and Pécuchet, which Flaubert wasn't able to finish, he himself said, many times, that it was an abominable book: "mon bouquin abominable." He was right. I am afraid it took me just as much trouble to read it, as it took him to write. He sincerely doubted if it was even worth trying. The best thing I like about B and P (Flaubert's own short title) is the dictionary of clichés, the "dictionnaire des ideés recues", which is very funny. Salammbo is just slightly less tiring than B and P. I don't care much for Flaubert's novellas either, no, not even for A simple heart ("Un coeur simple"), parrot or no parrot, Barnes or no Barnes. I do have a soft spot for Education Sentimentale, although that too is in many ways a troubled book. But it at least has a directness and a flair which is very un-Flaubertian. I more or less like Mme Bovary, of course, although it doesn't really set you on fire and you tend to admire it first and like it after. In his own time critics already said that it was the only book Flaubert would be remembered by, and he hated them for it, especially since he must have known they might well be right. Well, right, apart from one minor detail that is. An 8000 page-detail.
Writing for Flaubert always meant starting a project, and "piocher" (toiling) every time he did. It never meant just writing. Except for Bovary every novel or short story took stacks of literature to produce. Just sitting down and writing a story wasn't his style. Visiting libraries, asking friends, studying, going places just to check: and then afterwards complain: why did I ever start?  And if just for once there was no research to be done, he was fond of writing a fine sentence too, which took a lot of time as well, while at the same time complaining about his fellow-authors who didn't care how they wrote, meaning just about everyone else. "Industrialists", he called some of his colleagues, not excluding Zola, Daudet or the Goncourt brothers. And they were the ones he liked. It was George Sand, his older and wiser lady-friend from Nohant, whom he admired as a person - but without saying so, didn't take serious as a writer - who once wrote to him, and I paraphrase: what a pity that a man with so much personality, with so many convictions and ideas, who writes so well as long as he doesn't try too hard, has decided to write the way he chooses. Sand was a shrewd woman. She was right of course. I find that great style of Flaubert admirable, but also sterile and cold. If he had been a painter, he would have been Gérôme or Bonnat, whom he both knew. The name of Manet appears in his letters only once, just to mention "that he doesn't understand the first thing of his paintings." He didn't care much for painting, or for music by the way: he was a very literary man, almost exclusively so. Yet, I find the distance he demonstrates toward the figures in his stories very French, and slightly inhuman. I like Stendhal, who always addressed himself in bad English in the margins of his manuscripts, and now and then wrote sloppy French in between, but who could also demonstrate a spontaneous esprit that is a pleasure to read, every time you do. When Flaubert, in 1878, is asking Taine about editions of Stendhal which he can use for his B and P, he calls his colleague an idiot, and I am not sure he is joking.

So, isn't there anything I like about Flaubert? Oh yes, there is. And no, it isn't very original to say this, because it has been said many times before: if Flaubert hadn't written his letters, I doubt if he would enjoy the status he enjoys now. He probably would have despised anyone for saying so, and he wittingly destroyed important parts of his correspondence (to Louise Colet for instance, Maxime du Camp, and Louis Bouilhet), so that the five (French language) Pleiade-volumes of about 8000 pages, including some 2000 pages of annotation, contain just a part of what he actually wrote, but it is Flaubert's correspondence which still makes him worth wile. More than that. His letters immediately make clear why his friends and acquaintances were so impressed by him. Practically all of it written in the deep of night, or early in the morning, so that they are always dated one day late, produced in a hurry after his normal writing, but in sheer weight and volume many times as large, his correspondence is a work of real genius and shows an artist art work as you seldom see. The letters are eminently readable, are fun, and belong without a doubt to what is best in world-literature. In them Flaubert can be humorous, cynical, sarcastic and sentimental, and is always eloquent. He can be a hypocrite, a buffoon, and a whorechaser who talks very dirty now and then, but who also loves his mother and his (as far as I am concerned very unpleasant) niece. 

And then there – at last, you will say – appears Brown. Anybody who feels the way I do, must find a biography of Flaubert problematic. Flaubert himself by the way hated anything biographical. He was angry when he read about himself in the papers and refused to do any photographs or portraits. Two months after Browns biography was published, in France appeared the fifth (and last) volume of Flaubert's letters in the Pléiade (Gallimard), accompanied by an index on all five volumes, finishing an edition that started in 1973. Brown says that he has been able to read the fifth volume before it was published in December 2008, and he obviously did. I couldn't help finding it awkward though that Brown finished writing a biography of Flaubert at a moment like this. Yet, in the end, for anyone preferring the letters of Flaubert, any biography must be second rate. Brown is like the odd hero trying to write a biography of Casanova. The one who tries to do so, is bound to flounder, if only because Casanova's own "Histoire de ma Vie" beats anything anyone could ever try.

Browns biography is, well, ... I hesitate... okay, it's adequate, but I also find it very aloof. He has a keen eye for human weakness, treats Flaubert in a businesslike way, and does justice to his talents and his faults, sketching the background where necessary, functioning as an accompaniment to the annotation of his letters. It certainly sheds no new light. Brown has just been doing what has already been done by many others. And yet - and I admit that it is very hard to do so even reading the letters - I don't really get to see Flaubert, and I know, that is a bit of a silly complaint. But I felt the same way about his book on Zola, which was just as businesslike and fair as his biography of Flaubert. Brown writes well, as someone should who wants to write about Flaubert, but the only parts of the book that really come to life – in both biographies – are the parts about French history, about the background, as if Brown found writing the life stories a duty, and only had fun when he could get away from them, writing about Dreyfus in Zola, and about 19th century French politics (Thiers, Gambetta) in Flaubert for instance. The idea of following up Zola with Flaubert is not without its logic. It makes the biographers life easier, the two knew each other well and even professed to admire each other. But Flaubert made fun of Zola's scientific ideas, and rightly so, and Zola, who was an able producer of novels for the general taste (and who was just as smart in letting others produce plays based on them), must have had his reservations about Flaubert's artistry and literary snobbism. But the boy from Aix and the one from Rouen, outsiders both of them, hankering for success, while denying to do so, also recognized each other's seriousness, and although Flaubert considered himself a conservative, most of his close artist friends tended to the left. I suppose, well, I hope, that Flaubert, had he lived, would have been proud of Zola's J'Accuse, and would have been a staunch Dreyfusard. Maybe it's time for Brown, while he is at it, just for efficiency's sake, to go on, and start writing a biography of Maupassant now, to whom Flaubert wrote many letters ("mon disciple"), one of them - february 12, 1879 - ending in: "I touch myself when I think of you", and signed: "sister clitoris." Flaubert's letters are not for the bourgeois, whom he despised. They beat any biography and deserve to be translated in full, though they probably never will. It takes a real hero to just try.