1 TAGANROG 1860-1879

01 De op 17 januari 1860 in het Russische Taganrog geboren Anton Pavlovitsj Tsjechov is het derde kind van zeven. In 1854 waren de ouders, Pavel Jegoryts Tsjechov (1825- 1898) en Jevgenia Jakovlevna Morozova (1835-1919) in het huwelijk getreden. De grootvader van vaderszijde had zich in 1841 voor 875 roebel in zilver uit lijfeigenschap vrijgekocht. Een jaar na Antons geboorte wordt de lijfeigenschap overigens afgeschaft. In 1855 wordt Antons broer Aleksandr geboren, in 1858 zijn broer Nikolaj. Na hem komen nog in 1863 zijn zus Maria (Masha), die nooit zal trouwen en tot aan diens dood in 1904 bij haar broer zal blijven wonen, in 1861 Ivan, in 1865 Michail en ten slotte in 1869 een dochter Jevgenia, die al in 1871 zal sterven. Op 27 januari 1860 wordt Anton Russisch-Orthodox gedoopt. In het schooljaar 1867-1868 bezoeken Anton en zijn broer Nikolaj, dan zeven en negen jaar oud, de voorbereidende klas van de Griekse school van Taganrog. Die geldt, in een stad waar Griekse kooplieden en reders de dienst uitmaken, als het beste van het beste, zo schrijft Urban. Maar Simmons schrijft in zijn biografie dat Antons vader zich vermoedelijk het hoofd op hol heeft laten brengen door klanten, onder wie er nogal wat Grieken zijn. Eén van hen is zelf leraar op de school. Vader Tsjechov hoopt op een lucratieve koopmanscarrière voor de zoons. Maar het onderwijs, dat in modern Grieks wordt gegeven, blijkt er zo beroerd dat vader Tsjechov zich genoodzaakt ziet zijn zoons gewoon naar het jongensgymnasium te sturen, opleiding die normaliter negen jaar in beslag nam. In 1868 beginnen de beide jongens aan de voorbereidende klas. Anton is acht jaar oud. Omdat de vader weinig vertrouwen heeft in het reguliere gymnasium eist hij van Anton dat die op 13-jarige leeftijd ook een jaar lang een opleiding volgt op een bedrijfsschool, waar hij kleermaken leert. Op het gymnasium Tsjechov blijft twee keer zitten, in de derde, en in de vijfde, zodat hij er elf jaar over doet. In 1879 haalt hij zijn diploma, om kort daarop naar Moskou te vertrekken.

Ook al dacht Tsjechov van niet, het huis bestond nog en het bestaat nog steeds. Ik vermoed dat dit de oudste van de twee foto's is waarover ik beschik met Tsjechovs geboortehuis. Op de volgende lijken de bouwvakkers al langs geweest te zijn.

01 Taganrog, Geboortehuis Tsjechov. Geboren werd ik in het huis van Bolotov (zegt mijn moeder), of Gnutov, naast dat van V.N. Tretyakov, aan Policejskaja ulica, in een klein zijgebouwtje aan de binnenplaats. Dat huis bestaat waarschijnlijk niet meer, uit een brief van 11 mei 1902 aan P.F. Jordanov. Bron: Turkov 1995

Taganrog, Geboortehuis Tsjechov

02 Even terzijde: Tsjechovs geboortehuis werd in 1916 gekocht door de gemeente Taganrog en het Tsjechov-genootschap daar. De zus die zo lang Tsjechovs leven had gedeeld, om hem ten slotte in mei 1901 toch te zien doen wat ze had gehoopt dat niet zou gebeuren, namelijk trouwen - zodat hij haar schreef (toon: geruststellend): Er verandert niets - speelde daarbij een belangrijke rol. Maria Pavlovna Tsjechova, die pas op hoge leeftijd zou sterven, in 1957, kreeg de taak diens Witte Datsja te beheren, huis in Jalta dat museum werd: zie hier voor de website. Tsjechovs ladenkast in Moskou, aan Sadovaja-Koedrinskaya Ulitsa 6, waar hij vanaf eind 1886 tot begin 1890 woonde, werd het Moskouse Tsjechovhuis-museum, Dom-Muzei AP Chekhova, met sinds augustus 2017 een eenvoudige (Russischtalige) website en een nog eenvoudiger Engelstalige versie. Ook zijn landgoed in Melichovo werd museum, met website. Het plaatsje Lopasnja waar Tsjechov, wanneer hij van Melichovo vertrok, gewoonlijk de trein nam, werd 50 jaar na de dood van de schrijver, in 1954, omgedoopt in Tsjechov, zodat nu alleen de rivier erlangs nog Lopasjna heet. Er is in het voormalige postkantoor daar een klein museum gewijd aan zijn correspondentie. Op de binnenplaats ervan staat een standbeeld van Tsjechov, dat werd vervaardigd door M.K. Anikushin (1917-1997). Wie nu met de trein uit Moskou (vanaf station Koersk) naar Melichovo wil, dient in Tsjechov uit te stappen en voor de resterende 13 kilometer een taxi te nemen. 300 roebel. Wel even afspreken hoe laat de chauffeur u weer ophaalt. Er rijdt trouwens ook een bus, maar ja. Zoals Tsjechov in Melichovo al snel een tuinhuis als annex liet bouwen om er af en toe te kunnen ontsnappen aan de vele gasten, deed hij dat even buiten Jalta ook voor zijn witte datsja daar. Het kleine huisje in Hoerzoef (Oekraïens: Гурзуф, Tataars: Gurzuf), op zo'n 10 kilometer ten noordoosten van Jalta, is nu een dependance van de moedervestiging in Jalta. In 1960 werd geopend een museum in wat in 1888 en 1889 een zomerverblijf was van de Tsjechovs, bij de familie Lintvarev, in het Oekraïnse Soemy. Het Tsjechovmuseum daar ligt nu uiteraard aan de Tsjechovstraat. Sinds 1998 is in het Duitse Badenweiler, in het Kurhaus daar, een klein Tsjechov-museum ingericht, de zogenaamde Tschechow-Salon. Zie hier voor de website, en hier voor informatie over de toegangstijden. Het museumpje is blijkbaar onbemand, zo kan ik uit eigen ervaring vaststellen. Op de site (van het Duitse Tsjechov-genootschap) is te vinden het belangwekkende (Duitstalige) artikel van de man die, net als de Duitse arts Schwoerer en Olga Knipper, bij Tsjechov aanwezig was toen die stierf, de op dat moment jonge Russische student L.L. Rabeneck († 1972). In het Kurpark van Badenweiler werd een borstbeeld voor Tsjechov neergezet. In Colombo, op Sri Lanka, waar Tsjechov in 1890 tijdens de terugreis uit Sachalin een paar dagen verbleef, in het Grand Oriental hotel, werd in 1985 een museumpje aan hem gewijd. Er bestond ooit een website van, maar die is inmiddels verdwenen. En, we zijn er nog niet: ook op Sachalin zelf is er een Tsjechovmuseum geopend, in Alexandrovsk, dat - vanzelfsprekend - is gewijd aan zijn Reis naar Sachalin. Het museum heeft een (eenvoudige) website. "Van al die musea is vooral de Witte Datsja in Jalta, waar Masja zou blijven wonen, serieuze Oekraïense concurrentie voor het Russisch gebleven Taganrog", zo schreef ik in 2011, toen ik aan deze pagina begon. Dat probleem heeft Poetin inmiddels opgelost, op hem zo geheel eigen wijze, kan ik anno 2016 schrijven. Michail Boelgakov, wiens graf zo dicht bij dat van Tsjechov ligt en die uiteraard een groot bewonderaar van hem was, schreef in Jalta in het gastenboek: Ik kom terug, al vermoed ik dat hij dat niet heeft gered. Tsjechovs graf op Novodevitsji in Moskou is uiteraard minstens zozeer een bezoek waard als die musea. Tot slot twee monumenten van een ander soort. Thomas Mann schreef in 1954 een Essay over Tsjechov, waarin hij van zijn late liefde voor de Rus getuigde. Uw armzalige dienaar poogde het te vertalen. En als we dan toch bezig zijn, het enorme werk dat Peter Urban (1941-2013) verrichtte, mag ook wel als monument worden beschouwd en hoewel het meeste ervan Duitstalig is, werd recentelijk, eind 2015 - de Heer zij geprezen - bij Hoogland & Van Klaveren Urbans Fotobiografie van Tjechov (die van 1987 was - en waar ik toen 161 gulden voor betaalde) in een Nederlandse vertaling van Anne Stoffels gepubliceerd. Voor 50 euro weet u alles. Als u van Tsjechov houdt, kunt u er niet om heen.

Ik denk dat Tsjechovs zus Masja minder problemen had met het beheer van de nalatenschap dan Tolstojs vrouw Sofia en na 1919 dochter Alexandra (tenminste tot die in 1928 ook de vlucht nam dan). Want hoewel Tolstoj als schrijver van Oorlog en vrede en Anna Karenina onomstreden was, waren zijn ideeën voor de Rode Gardes net zo hinderlijk als voor de tsaren en de Russisch-Orthodoxe kerk die hem excommuniceerde: Wat te doen? Tolstojs volgelingen werden onder het regime der Bolsjewieken genadeloos vervolgd, zijn schrijfselen enkel uitgebracht in luxe-edities, waarna de auteur pas aan het begin van de Tweede Wereldoorlog weer van stal werd gehaald om de vaderlandse gezindheid te bolsteren. Dergelijke problemen zouden Tsjechov bespaard blijven. Tsjechov heeft geen volgelingen, alleen bewonderaars. Nog onder Poetin werd Tsjechov nadrukkelijker herdacht dan Tolstoj. Daar conclusies uit te trekken, zou overigens niet verstandig zijn. Indien het al zo is dat schrijvers een bijdrage leveren aan het menselijk welzijn, lijkt die van Tsjechov me een stuk effectiever dan die van Tolstoj en bovendien een stuk oprechter.

02 Taganrog, Geboortehuis Tsjechov. De foto werd genomen door Ramin Molai voor de film, Anton Tsjechov, een leven, van Sohrab Saless, in 1983. Het vloeroppervlak van het huis was 33 vierkante meter. Het werd in 1933 museum. Bron: Urban 1987 nr. 4

Taganrog, Geboortehuis Tsjechov

03 De straat in Taganrog waar het geboortehuis aan lag, werd kort na zijn dood, nog in 1904, Tsjechovstraat genoemd. Nummer 69 werd gerenoveerd (dat wel) en het gebied erom heen werd vrijgemaakt. Het is sinds 1924 een museum: Музей "Домик Чехова". Uiteraard. Het Taganrogse gymnasium heet inmiddels, u raadt het, Tsjechovgymnasium en het is sinds 1975 een aan Tsjechov gewijd literair museum. Als u wilt, kunt u er nog de lessenaar zien waar hij aan zat. De bibliotheek, waaraan Tsjechov heel wat tijd en geld had gespendeerd, heet Tsjechovbibliotheek. Taganrog meldt met trots dat het de grootste is van de streek. En dan werd er in 1960 ook nog een standbeeld voor hem neergezet (van Iulian Rukavishnikov), al is hij dan zittend afgebeeld. Nog in 2004 werd er 1.4 miljoen roebel gespendeerd aan het onderhoud ervan. Het plein waar het staat, heet Tsjechovplein. En er is natuurlijk op 80 kilometer van Moskou, sinds 1954 de stad Tsjechov: gewoon Чехов, voorheen Lopasjna geheten. In Moskou zelf is er Metrostation Chekhovskaya. In het kader van allerlei honderdjarige Tsjechov-festiviteiten werden er in 2004 kersenbomen geplant in Taganrog, Moskou en Badenweiler. En hoewel men in die aan de menselijke gezondheid gewijde Duitse stad lange tijd helemaal niet blij was met al die aandacht voor een gestorven tbc-patiënt - en trouwens ook niet met de stervende, te oordelen naar het feit dat het hem nog genoeg moeite kostte er onderdak te vinden - en een buste, die er in 1908 in het Kurpark werd geplaatst, al in 1916 weer werd omgesmolten, is er uiteindelijk ook daar een gedenksteen geplaatst en ten slotte toch ook weer een buste, beide wederom in het Kurpark, vlakbij het vroegere Hotel Sommer, dat nu een revalidatiekliniek is geworden, maar waar Tsjechov zijn laatste glas champagne dronk. Beter een beroemde schrijver dan een bijna dode patiënt. De stad kreeg het borstbeeld trouwens cadeau van de directeur van het Tsjechovmuseum op Sachalin, Georgi Miromanov.

03 Taganrog, Standbeeld Tsjechov. Bron: Folder Over Tsjechov, stad Taganrog

Taganrog, Standbeeld Tsjechov

04 De jongens Tsjechov, die hebben daar allemaal nog geen weet van. Ze kunnen gewoon slecht met hun vader overweg. Aleksandr gaat al tijdens zijn laatste gymnasiumjaar, in 1874, het huis uit en trekt in bij de directeur van de school, voor wiens zoon hij als tutor optreedt. In de lente van 1875 doet hij examen, wint de zilveren medaille voor zijn studieresultaten en vertrekt naar Moskou. Nikolaj maakt de school niet af en gaat met hem mee. Daarmee komt er een eind aan de talloze toneel- en theateroptredens van de kinderen, waarbij Anton en Aleksandr vaak de hoofdrollen spelen. Beiden zijn er goed in allerlei types na te doen. De memoires van Aleksandr, die ik overigens in geen enkele volledige versie ken, maar waaruit Simmons uitgebreid citeert, en ook Sekirin, zijn veel bitterder van toon dan die van zijn jongere broer Michail. Wanneer in 1876 ook de vader naar Moskou vertrekt, op de vlucht voor zijn schuldeisers, en kort daarop de moeder hem met de twee jongste kinderen achterna gaat, blijft Anton tussen 1877 en 1879 alleen achter in Taganrog. Dit is de vroegere woning van de vader. Volgens de herinneringen van broer Aleksandr was de reden dat Anton twee keer bleef zitten vooral gelegen in het feit dat die zo veelvuldig in de winkel van vader moest helpen en dat bovendien vaak moest doen onder nogal barre omstandigheden. In de winkel werd letterlijk van alles en nog wat verkocht, maar er was ook een ruimte waar de klandizie wodka kon drinken. De vader was niet altijd even gewetensvol in zijn commerciële praktijken, tot ontzetting van Anton die daarover tegen zijn moeder klaagde.

04 Taganrog, laatste woning van de Tsjechovs in Taganrog die - misschien op verzoek van de familie - werd gekocht door de koopman Selivanov, aan Kontorskaja Ulica. Anton mocht er blijven wonen (met Ivan) en gaf bijles aan diens neef, Petja Gravtsjov. Neem me niet kwalijk, mijn beste, maar wees niet alleen naar je woorden een vader. Wees voor haar een voorbeeld. Schone kleren en vuile door elkaar, etensresten op tafel, stinkende vaatdoeken, een flodderig geklede echtgenote met een lint om de nek dat stijf staat van het vuil als Kontorskaja Ulica [...], uit een brief aan broer Aleksandr van 28 oktober 1883. Foto uit jaren '30 van de twintigste eeuw. Bron: Urban 1987 nr. 41

Taganrog, Huis van de Tsjechovs

05 Taganrog ligt aan de Zee van Azov en dat is eigenlijk het noordelijke deel van de Zwarte Zee. De stad ligt op dat moment in het gouvernement Jaroslav, een paar kilometer ten westen van de monding van de Don. Telt de stad rond 1840 nog zo 'n 13.000 inwoners, 40 jaar later zijn dat er bijna 50.000. Halverwege de negentiende eeuw is het na Odessa de belangrijkste stad van de streek. Hij dient als stapel - en omslagplaats, is belangrijk als handelscentrum en beschikt over alle faciliteiten die je van een stad mag verwachten, inclusief 10 kerken, een klooster, een gymnasium (dus), een theater en een ziekenhuis. Er bevindt zich ook een beursgebouw, een douanekantoor, een vestiging van de Admiraliteit, er zijn scheepswerven en er is een aantal fabrieken. Maar als Tsjechov begin april 1887, met Pasen, een keer terugkeert naar zijn geboortestad - overigens niet voor het eerst na zijn vertrek naar Moskou - schrijft hij aan de uitgever van het tijdschrift Oskolki, Nikolaj Alexandrovitsj Lejkin:

Christus is opgestaan, beste Nikolaj Alexandrovitsj. Uw brief heb ik gisteren gekregen. Gebracht werd hij door een postbode in een rode mantel en met een goedmoedige grijns; nadat hij me de brief had overhandigd, zette hij zijn tas op een bank naast het spoelbekken en ging de keuken in om thee te drinken, zonder zich nog maar enigszins om de briefontvanger te bekommeren. Je zuiverste Azië. Zo'n Azie overal om me heen, dat ik mijn ogen niet kan geloven. 60.000 inwoners houden er zich mee bezig te eten, te drinken, te paren; andere belangstellingen... geen. Waar je ook maar kijkt, overal paasbroden, eieren, wijn, zuigelingen, maar nergens kranten of boeken... De stad ligt in elk opzicht prachtig. het klimaat is heerlijk, vruchten van het veld in overvloed, maar de bewoners zijn traag... traag. Allemaal zijn ze muzikaal, met fantasie begiftigd, met geest, ze zijn nerveus, gevoelig, maar dat gaat allemaal op zinloze wijze verloren. Er zijn noch patriotten, noch mensen die ergens iets van weten, noch dichters, zelfs geen fatsoenlijke bakkers. [...] Ach, wat zijn er hier een vrouwen!

Er wonen veel Grieken, Armeniërs, Italianen en joden. De stad had in Rusland al een zekere faam vanwege het toevallige feit dat Tsaar Alexander I - die van Borodino, zwager van onze Willem II, broer van Anna Paulowna, die natuurlijk eigenlijk gewoon Anna Pavlovna heet - er in 1825 stierf toen hij in de stad verbleef, voor de gezondheid van zijn vrouw nota bene, waarna er (uiteraard) een standbeeld voor hem werd neergezet. Een legende wilde overigens dat de Tsaar in werkelijkheid was ondergedoken als starets. Tolstoj zou er in 1905 nog een verhaal aan wijden dat hij nooit voltooide (Nagelaten gedenkschriften van de starets Fjodor Koezmitsj). Het verhaal werd opgenomen in Van Oorschots deel 6 van Tolstojs werk. Tsjechov zelf zal, als hij in 1897 in Parijs is, voor de stad nog een standbeeld van Peter de Grote regelen. In 1857 begint Tsjechovs vader er met 3000 roebel spaargeld een kruidenierszaak. Het gezin verhuist er vervolgens verschillende keren, zo in 1869 naar de rand van de stad, waar het woonhuis zich bevindt boven de winkel. In 1874 opent de vader een zaak in de buurt van het station, maar die moet al na enkele maanden worden gesloten, waarna hij op een andere plaats weer een winkel begint die ook weer snel wordt opgegeven. Desondanks verhuist het gezin eind 1874 naar een eigen huis dat de vader heeft laten bouwen, op een stuk grond dat hij van zijn vader heeft gekregen. Daar sluit hij een lening voor af van 500 roebel. Dat blijkt fataal.

05 Taganrog, rond 1900. Je zuiverste Azië. Zo'n Azie overal om me heen, dat ik mijn ogen niet kan geloven. 60.000 inwoners houden er zich mee bezig te eten, te drinken, te paren. Andere belangstellingen... geen. Uit een brief aan Nikolaj Alexandrovitsj Lejkin van begin april 1887. Bron: Urban 1987 nr. 9

Taganarog rond 1900

06 Dit is de vroegste familiefoto van de Tsjechovs. Staand van links: de zoons Ivan (Vanja, 1861-1922), Anton (Antosja, 1860-1904), Nikolaj (Kolja, 1858-1889) en Aleksandr (Sasja, 1855-1913), naar ik stellig vermoed allemaal in gymnasium-uniform gestoken. Daarnaast oom Mitrofan Jegorovitsj. Zittend van links: zoon Michail (bijgenaamd Misja, 1865-1936), dochter Maria (bijgenaamd Masja, 1863-1957), de vader Pavel Jegovoritsj (1825-1898), de moeder Jevgenia Jakovlevna (1835-1919) en rechts een tante, Ljudmilla, met haar zoon Georgij. Voorouders van vaderszijde waren, zo schrijft broer Michail in zijn Rondom Tsjechov (Tsjechov 1988), dat vooral voor de vroege jaren van de schrijver een belangrijke bron is, misschien als vluchteling voor godsdienst-vervolgingen afkomstig uit het Tsjechische Bohemen, zoals de naam Tsjechov ook verraadt. Op de oom rechts, broer van de vader, zo schrijft Michail weer, was Anton zeer gesteld, want hoewel velen hem een excentrieke dwaas vonden, hield hij zich als wethouder en kerkvoogd bezig met armenzorg en offerde daar alles aan op. Hij was oprichter van het Taganrogse liefdadigheidsgenootschap. Eén van de bekenden van oom Jegorowitsj was een aartspriester, Pokrovski, die ook godsdienstleraar was op het gymnasium. Omdat hij Antons vader niet mocht, vanwege diens strikte godsdienstige opvattingen, velde hij een soortgelijk oordeel over de zoons. Hij zou tegen de moeder hebben gezegd: Van die kinderen van jou komt niets terecht, behalve van Aleksandr misschien. Maar hij was het ook die Anton Tsjechov, als hij hem in de klas een beurt gaf, aldus nog steeds Michail, Antosja Tsjechonte noemde, wat die later als eerste pseudoniem zou gebruiken. Broer Michail schrijft: Toen Anton al een bekend schrijver was, stuurde hij aartspriester Pokrovski, evenals de Petersburgse advocaat Kolomnin, die ook het Taganrogse gymnasium had doorlopen, een zilveren glashouder als geschenk.

06 Taganrog, de eerste familiefoto, van 1874. Foto van S.S. Isakovitsj. Bron: Urban 1987 nr. 11

De familie Tsjechov, 1874

07 Het is zodoende niet erg verrassend te horen dat het gezin rond deze tijd in financiële problemen geraakt. Waar het om geld gaat, is de vader, zo lijkt het, geen groot genie. Penny-wise, pound-foolish. De kinderen zijn niet bijster dol op hem en als hij later in brieven ter sprake komt, zal dat vaak op kritische wijze geschieden. In dezelfde periode gaat het duidelijk ook minder goed met de stad Taganrog, waar de haven begint te verzanden en de concurrentie van het nabije en inmiddels via een spoorlijn verbonden Rostov aan de Don zich gevoelen doet. In 1872 al blijft Tsjechov zitten, en in 1875 weer. In dezelfde zomer is hij ernstig ziek; hij krijgt peronitis, een buikvliesontsteking. De twee oudste broers gaan naar Moskou, Aleksandr om na zijn eindexamen Wis- en Natuurkunde te studeren, en Nikolaj, na een vijfjarig gymnasium voor een studie aan de kunstacademie. Met de zaak van de vader gaat het slecht. In Moskou begint Aleksandr te schrijven voor humoristische tijdschriften, terwijl het gezin in Taganrog pensiongasten neemt om rond te komen. In oktober 1875 zit Anton een paar weken thuis: de school wil het schoolgeld hebben, maar dat is er niet. In Moskou zwerft Nikolaj rond, want voor zijn opleiding is er geen geld.

In 1876 gaat het helemaal mis. In april 1876 is de vader niet in staat een lening van 500 roebel terug te betalen en wordt hij failliet verklaard. Hij vlucht naar zijn zoon Aleksandr in Moskou. In mei 1876 onderhandelt Anton namens zijn moeder over de verkoop van het huis en eind juli 1876 vertrekt ze ook naar Moskou, in gezelschap van de twee jongste kinderen, Michail en Maria. In november 1876 schrijft ze aan Anton (en Ivan) in Taganrog: We hebben twee brieven vol grappen van je gekregen, terwijl we nog maar twee kopeken hadden voor brood en licht. We hoopten dat je ons nog geld zou sturen en het was bitter, want blijkbaar geloven jullie ons niet. Masja heeft geen mantel, ik geen warme schoenen, we zitten thuis, geen naaimachine om wat te verdienen en je hebt nog niet geschreven of je ons snel wat stuurt, het is erg en verder niks, schrijf in godsnaam gauw, stuur ons geld. Verkoop de commode en dat soort dingen, maar snel, laat ons niet van verdriet sterven (Urban 1979-1). Anton blijft dus samen met zijn broer Ivan achter in Taganrog, maar in 1877 gaat die ook met een vijfjarige opleiding van school en vertrekt naar Moskou, waar hij zal worden opgeleid voor onderwijzer. Anton geraakt uiteindelijk in bijzonder onaangename omstandigheden, want er is niemand die het huis kan of wil kopen. Op dat moment biedt Selivanov, een familievriend, uitkomst - naar bijvoorbeeld Rayfield meent, want Simmons interpreteerde diens rol nog heel wat negatiever - op verzoek van de Tsjechovs. Selivanov woont al een tijdje met zijn nichtje bij de Tsjechovs. Anton geeft het meisje bijles. Selivanov werkt in Taganrog aan het gerechtshof, voldoet de schuld van 500 roebel en slaagt erin het huis voor die prijs te kopen, maar daarmee redt hij de achtergebleven Tsjechovs ook. De familie slaagt er vervolgens uiteraard niet meer in het huis terug te kopen voor de prijs die Selivanov ervoor had betaald, al bood die dat wel aan. Inderdaad zal de relatie met de Selivanovs ook in een later stadium uitstekend blijven, wat pleit voor Rayfields opvatting. In ruil voor bijles aan een neef mag Anton er blijven. De grootouders springen soms nog bij. Eerder al, in 1875, is hij op weg naar het landgoed van Selivanovs broer, als hij buikvliesontsteking krijgt. In een herberg onderweg verplegen de joodse eigenaars hem een nacht lang. Ze komen veel later terecht in éen van Tsjechovs mooiste verhalen, De steppe. Anton wordt teruggebracht naar Taganrog, en verzorgd door de schoolarts, Schrempf. De verhalen die hij van hem te horen krijgt over zijn opleiding zouden, zo meent zowel Simmons als Rayfield, wel eens een belangrijke factor kunnen hebben vormen in Tsjechovs besluit geneeskunde te gaan doen. Hij behaalt uiteindelijk in 1879 zijn gymnasiumdiploma. Zijn eerste seksuele ervaring heeft hij dan al opgedaan, naar Rayfield vermoedt in het plaatselijke bordeel. Tsjechov vermeldt het feit, maar zonder de precieze omstandigheden te noemen, in een brief aan Tikhonov van februari 1892, als hij het over het verhaal heeft dat hij aan Garsjin opdroeg, nu ietwat merkwaardig Zielepijn geheten, bij Timmers nog gewoon De toeval.

07 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) als gymnasiast, 1875. Deze zo vaak getoonde foto lijkt me een vergroting van een detail van de vorige. Als dat zo is, dateert hij van 1874 en niet van 1875, zoals wel wordt beweerd. Bron: Schaubühne 1984

Tsjechov als gymnasiast, 1874

08 Anton is in de paasvakantie van 1877 op bezoek geweest bij de familie in Moskou, waarbij hij alleen geld had voor een enkele reis. Hij logeert grotendeels bij Aleksandr, die dan al apart woont. Hij is geschokt door de toestand van zijn moeder. Deze brief, de zesde die we van Tsjechov hebben, staat met een coupure aan het slot in Eekmans spartaans geannoteerde vertaling als nummer 3, bij Urban als nummer 2. Hij is geadresseerd aan een neef, Michail Michailowitsj Tsjechov, kortweg Misja. Die zoon van een succesvolle oom is negen jaar ouder dan Anton en werkt in Moskou voor een lakenhandelaar, Gavrilov. Niet lang na Antons bezoek aan Moskou krijgt ook diens vader dankzij de neef een baan bij dezelfde Gavrilov. Neef Michail had Anton in Moskou meegenomen naar het theater en was met hem op stap geweest. Tsjechov is als hij dit schrijft 17 jaar oud. Ik vind de brief opvallend vanwege de vroege wijsheid. Simmons merkt in zijn biografie op hoe inventief het arme familielid dat Anton is, zijn welvarender neef (beste broer Misja), probeert in te schakelen voor hulp en ondersteuning. De familieleden van Misja aan wie hij de groeten doet, broer en zus, kent hij nauwelijks.

En het mag hier, waar ik Tsjechovs correspondentie voor het eerst echt gebruik, wel eens gezegd worden dat die brieven van dezelfde hoge kwaliteit zijn als de verhalen. Tsjechov is een geest- en fantasierijke en hoogst amusante brievenschrijver. Het is een groot plezier ze te lezen. En hij blijkt als mens net zo interessant te zijn als de verhalen doen vermoeden. Peter Urban verschaft van de brieven een vijfdelige uitgave, met in totaal 957 brieven, zodat ongeveer eenderde van Tsjechovs complete correspondentie is opgenomen, terwijl hij uitgebreid annoteert. Hij kiest er bovendien voor alle door hem gekozen brieven compleet te geven. Ik heb voor de in 2013 overleden Urban bijna evenveel bewondering als voor Tsjechov, zoals ik trouwens ook Tsjechovs belangrijkste biograaf bewonder, Ernest Simmons (1903-1972). Ik geloof dat ik het meeste wel ken van hetgeen er over Tsjechov in biografisch opzicht in het westen is geschreven en het is wonderbaarlijk dat een biografie van 1962 nog steeds de best beschikbare is. Mijn paperbackuitgave kocht ik in 1975, maar het boek werd in 2011 heruitgegeven, zij het voor een forse prijs. Ik spreek noch lees tot mijn diepe spijt Russisch en ik heb voor de brieven vooral Urbans Duitse vertaling gebruikt, zoals ik dat waar mogelijk overal zal doen, al spiek ik uiteraard ook bij Eekman, wiens briefuitgave 693 nummers telt en naar zijn eigen zeggen ongeveer een tiende van de complete brieven biedt, terwijl hij die bovendien vaak deels geeft. Dat neemt niet weg dat zijn editie grote verdiensten heeft en omvangrijker is dan alle andere die ik ken, afgezien van die van Urban dus. De voor Eekman laatst beschikbare editie was een Russische uit de Stalintijd, uit 1948-1951. Urban kon al gebruik maken van een completere uitgave uit 1974, al waren er van de 12 geplande delen met brieven op dat moment nog maar 6 beschikbaar, namelijk tot mei 1897. Eekman heeft als aanhef bij deze brief: beste neef Misja. Ik vertrouw maar op Urban. Eekmans' vertaling is van 1955. Er was geen internet, biografisch materiaal was vooral Russisch en het zal niet altijd gemakkelijk geweest zijn aan gegevens te komen. Simmons' biografie was nog niet uitgegeven. Ook Yarmolinksi 1973 heeft hier: beste broer.

AAN M.M. TSJECHOV

10 april 1877, Taganrog.
Beste broer Misja!
Daar ik de pech had je niet meer te zien, grijp ik maar naar de inktpot. Vergun me je in de eerste plaats gebroederlijk te bedanken voor alles wat je voor me hebt gedaan tijdens mijn verblijf in Moskou; in de tweede plaats verheug ik me er van harte over dat wij uit elkaar zijn gegaan als goede vrienden en broers, en daarom verstout ik mij te hopen en geloof ik dat de 1200 werst, die zich bevinden tussen twee corresponderende broers, die elkaar goed hebben leren kennen, het voortduren van onze goede betrekkingen niet in de weg zullen staan. Nu volgt er een verzoek va mij, dat je vanwege het geringe belang ervan wel zult inwilligen: als ik via jou brieven aan moeder stuur, wees dan zo goed en geef ze moeder niet in aanwezigheid van de hele troep, maar in het geheim; er zijn dingen in het leven die je maar tegenover één, betrouwbaar medemens kunt uitspreken; en deze omstandigheid is het ook die mij noopt, moeder te schrijven, zonder dat de anderen, voor wie mijn geheimen niet interessant zijn, of beter gezegd niet terzake, het weten (en ik heb  geheimen van een bijzonder soort, die je interesseren of niet, dat weet ik niet. Want als je wilt, wijd ik je in). Mijn tweede en laatste verzoek is belangrijker. Wees zo goed en blijf mijn moeder troosten, want ze is fysiek en moreel gebroken. Zij heeft in jou niet alleen een familielid, maar veel meer dan dat gevonden. Moeder heeft een zodanig karakter dat iedere morele steun van de zijde van een ander een sterke en weldadige werking op haar heeft. Een dwaas verzoek, nietwaar? Maar je zult het begrijpen, te meer daar ik het had over morele, d.w.z. geestelijke steun. Voor ons bestaat er op deze beroerde wereld niets kostbaarders dan onze moeder, en daarom zou je je gehoorzame dienaar ten zeerste verplichten, indien je zijn nog maar half levende moeder zou troosten. Onze correspondentie zullen we wel blijven voeren zoals het hoort. En daarom zeg ik maar dat het je niet zal spijten dat je me zoveel hebt verteld; mij resteert enkel je voor je vertrouwen te bedanken; weet maar dat het me veel waard is. Het ga je goed, ik wens je het beste. De groeten aan Liza en Grisja en je collega’s. Je broer A. Tsjechov.

08 Moeder Jevgenia Jakovlevna Morozova-Tsjechova (1835-1919), circa 1870. Bron: Urban 1987 nr. 37

Jevgenia Jakovlevna Morozova-Tsjechova (1835-1919) Moeder van Anton Tsjechov, ca. 1870

09 In augustus 1875 vertrekken Aleksandr en Michail Tsjechov dus naar Moskou. Aleksandr heeft zijn gymnasiumdiploma gehaald en gaat wis- en natuurkunde studeren. Michail wil naar de Academie voor Beeldende Kunst. Al direct na zijn aankomst begint Aleksandr in humoristische tijdschriften te publiceren. In Taganrog verkeren de achterblijvers in financiële problemen. In april 1876 kan de vader een schuld van 500 roebel niet betalen en wordt aangeklaagd. Hij gaat in het geheim ook naar Moskou, waar hij er aanvankelijk niet in slaagt werk te vinden. In juli volgt de moeder met haar twee jongste kinderen, Maria en Michail. Ivan gaat in Taganrog bij een tante wonen en Anton blijft achter in het voormalige ouderlijk huis en geeft in ruil voor kost en inwoning een neef bijles. Hij verkoopt ook meubilair. Wat hij overhoudt, stuurt hij naar Moskou. In de paasvakantie van 1877 gaat Anton op familiebezoek in Moskou. In juni vertrekt ook Ivan en blijft Anton alleen achter. Pas in november vindt de vader in Moskou een baan, waarmee hij 30 roebel per maand verdient. Hij trekt zonder zijn familie in bij de koopman voor wie hij werkt. Tsjechov stuurt zijn broer Aleksandr twee humoristische schetsen, die door Aleksandr worden doorgestuurd naar een tijdschrift, Boedilnik. In Taganrog leest hij inmiddels zelf zulke tijdschriften. In oktober 1878 leest Aleksandr aan vrienden en bekenden theaterwerk voor dat zijn broer hem heeft gezonden. In Taganrog leent Anton honderden delen uit de bibliotheek, gebundelde tijdschriften, werk van Belinksi, Pisarev, Dobroljubov, Herzen. Tsjechov probeert dus als gymnasiast al om korte verhalen geplaatst te krijgen en het is dus niet zo vreemd dat hij, eenmaal in Moskou, daarmee doorgaat, temeer daar het inkomen dat hij ermee verwerft voor het gezin daar van groot belang is.

09 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Taganrog 1879. Bron: Urban 1987 nr. 2; Bron foto: Schaubühne 1984

Tsjechov, Taganrog, 1879

10 Deze brief staat zonder het slot in Eekmans vertaling als nummer 6. Ik heb Urban 1979-1 gebruikt, waar hij nummer 4 heeft. Begin 1879 smeekt Antons moeder hem snel naar Moskou te komen: ik geloof in elk geval dat als jij komt, het beter zal gaan (29 februari 1879). Ik vind het grappig om in deze brief te zien hoe Anton Beecher Stowe al voorbij is. Hij raadt zijn jongere broer Cervantes aan en Gontsjarov. Voor een essay van Toergenjev vindt hij hem nog te jong. In mei en juni van dit jaar doet Tsjechov examen. Hij slaagt. Eén van de ondertekenaars van het diploma is overigens de leraar wiskunde, Dzjerzinski, vader van de beruchte zoon Felix. Anton slaagt er juli 1879 in een maandelijkse beurs van 25 roebel te verkrijgen voor zijn Moskouse studie geneeskunde. Hij vertrekt op 6 augustus.

AAN M.P. TSJECHOV

Taganrog, 5 april 1879
Beste broer Misja,
Je brief ontving ik precies op het hoogtepunt van de allerverschrikkelijkste verveling, terwijl ik stond te geeuwen voor de poort, dus je kunt nagaan hoezeer hij van pas kwam! Je handschrift is mooi en in de hele brief vond ik niet één grammaticale fout. Er is maar eén ding dat me niet bevalt: waarom noem je je eigen persoon "je nietige en onbelangrijke broertje?" Ben je je bewust van je eigen nietigheid? Niet alle Misja' s, broer, hoeven immers gelijk te zijn! Weet je wanneer je je van je nietigheid bewust moet zijn? Voor God wat mij betreft, voor het verstand, de schoonheid, de natuur, maar niet voor de mensen. Onder mensen moet je je van waardigheid bewust zijn. Je bent toch geen schurk, maar een eerlijk mens? Respecteer dan ook de eerlijke kerel in je en weet, dat een eerlijke kerel geen nietigheid is. Verwar deemoed niet met het besef van je nietigheid. Georgi is groot geworden. Een goeie knul. Ik dobbel vaak met hem. Je cadeaus heeft hij gekregen. Je doet er goed aan boeken te lezen. Wen jezelf eraan te lezen. In de loop der tijd zul je de gewoonte naar waarde leren schatten. Heeft Madame Beecher-Stowe je tot tranen toe geroerd? Ik heb haar vroeger een keer gelezen en een half jaar daarna las ik haar nog een keer voor studie-doeleinden en ik had na het lezen het onaangename gevoel dat stervelingen gewaar wordt als ze te veel rozijnen of krenten gegeten hebben. De appelvink die ik je beloofd had, is weggevlogen en zijn huidige verblijfplaats is me zeer onbekend. Ik neem wat anders voor je mee. Lees de volgende boeken: Don Quichote (de complete versie, in 7 of 8 delen). Erg goed. Een werk van Cervantes dat bijna op hetzelfde niveau staat als Shakespeare. Mijn broers raad ik aan, als ze het nog niet gelezen hebben, Toergenjevs Don Quichote en Hamlet te lezen. Jij, broer, begrijpt dat nog niet. Als je een reisverhaal wilt lezen dat niet vervelend is, lees dan Goncharovs Fregat Pallas enz. Groet Masja in het bijzonder van me. Wees niet bedroefd dat ik later kom. De tijd gaat snel, hoe je je ook verveelt. Ik neem een pensiongast mee die 20 roebel per maand betaalt en zich aan ons toevertrouwt. Ik ga naar zijn moeder om met haar te onderhandelen. Bid! En hoe je ook bidt, 20 roebel zal hij betalen. Overigens is 20 roebel weinig als je het dure leven in Moskou in aanmerking neemt en Mama 's dure karakter – ze zal de onderhuurder goddelijk verzorgen. Onze leraren ontvangen 350 roebel en verzorgen de arme jongeren als honden, met waterige jus. A. Tsjechov.

10 Michail Pavlovitsj Tsjechov (1866-1937), ca 1880. Anton Tsjechovs echte broer Misja dus, en niet de neef aan wie bijgaande brief was gericht. Bron: Urban 1887 nr. 52

Michail Tsjechov, ca. 1880

2 MOSKOU 1879-1890

11 Op 8 augustus 1879 komt Anton Tsjechov in Moskou aan, in gezelschap van twee vrienden uit Taganrog, die ook geneeskunde willen gaan doen en bij het gezin Tsjechov intrekken als betalende pensiongasten. Het betreft Dimitri Saveljev en Vassily Zemboelatov. De aanwezigheid van de twee komt erg goed uit. Voordat Anton arriveert, is het gezin in de drie jaar dat ze in Moskou wonen, al twaalf keer verhuisd. De familie woont op dat moment in een kelderwoning waar het naar vocht ruikt en je buiten op het trottoir alleen de schoenen van de voorbijgangers kunt zien. Bij hen in woont ook een tante, zus van de moeder, Feodosia (Fenisjka) Dolsjenko (1829-1891). De Gratsjevkastraat, zoals hij toen nog heette, heeft een slechte naam vanwege de talrijke bordelen. De Tsjechovs zouden er achtereenvolgens op drie verschillende nummers wonen, 29, 36 en 23. Alleen nummer 23 bestaat nog. Michail schrijft later dat, terwijl Aleksandr al elders onderdak had gezocht en ook de vader elders woonde, Anton snel de plaats van de laatste innam: In ons gezin werden opeens voorheen onbekende, scherpe, kortaffe zinnen hoorbaar: dat is niet waar. Je moet rechtvaardig zijn. Je moet niet liegen. Anton wordt toegelaten tot de faculteit Geneeskunde. Later zal hij zeggen: Waarom ik ervoor koos, weet ik niet, maar spijt heb ik er nooit van gehad. (11 oktober 1899). Eind september al verhuist het gezin naar een vierkamerwoning aan dezelfde straat, toen dus nog Gratsjevka geheten (en nu Трубная улица, de Pijpstraat), waar ook nog een derde geneeskundestudent als pensiongast intrekt, Nikolaj Korobov. De drie studenten zullen hun leven lang met Anton bevriend blijven. Met de allerergste armoede zal het daarna voorgoed gedaan zijn. Moeder Jevgenia kan een dienstmeisje nemen. Aleksandr en Nikolaj zouden er zelden meer zijn en ook Ivan zou al snel vertrekken. Op het nieuwe adres is er meer ruimte en slapen de gezinsleden met zijn tweeën op een kamer. Ivan volgt een opleiding voor onderwijzer en zal voor zijn examens slagen (nadat hij eerder een keer was gezakt) en ook Maria en Michail gaan nog naar school. Anton heeft zijn beurs van 25 roebel per maand, al ontvangt hij die per kwartaal, soms houdt de vader wat over van zijn salaris van 30 roebel en de drie pensiongasten brengen gezamenlijk 60 roebel binnen. Overdag heeft hij meestal tot drie uur college. Die vinden plaats in de kliniek aan de Rozhdestvenkastraat, niet zo ver van de Gratsjevka.

11 Anton Tsjechov (1860-1904) met zijn broer Nikolaj (Kolja, 1858-1889), Moskou 1881/1882. Bron: Urban 1987 nr. 68; Bron foto: Schaubühne 1984

Anton en Michail Tsjechov, 1881-82

12 In oktober 1879 stuurt Tsjechov aan Boedilnik (De wekker) een kort verhaal, De verveelde filantroop, dat hij ondertekent met Antosja Tsjechonte. Het verhaal wordt geweigerd. In december krijgt broer Ivan een aanstelling als zemstwo-onderwijzer in Voskresensk (nu: Istra), dat in de volgende jaren, totdat Ivan in 1884 terugkeert naar Moskou, doel zal worden van heel wat uitstapjes van het gezin. Op 24 december 1879 stuurt Tsjechov zijn verhaal Een brief van de grootgrondbezitter Stepan Vladimirovitsj aan zijn geleerde buurman Dr. Fridrich naar het Petersburgse weekblad Strekoza (Libel). Het is het eerste verhaal dat wordt geaccepteerd. In Nederland staat het in het oude vijfde deel van Van Oorschots Tsjechov-uitgave, in de aanvullingen namelijk (Brief aan een geleerde buurman, p. 485), in de nieuwe uitgave als eerste verhaal in deel 1, terwijl het ook als eerste verhaal is opgenomen in Zilverschoon 2011. Een week later krijgt hij bericht van de redacteur van Strekoza, Vassiljewski, dat het blad 5 roebel per regel betaalt. De betaling per regel voor verhalen was in Rusland gewoonte en het gold voor iedereen die schreef, ook voor Dostojevski en Tolstoj. Voor langere stukken was een betaling per drukvel normaal, dwz. ongeveer 24 pagina's. In maart 1880 verschijnt zijn eersteling samen met een ander kort verhaal in nummer 10 van dat jaar. Het eerste is ondertekend met: v, het tweede met Antosja. De financiële toestand van het gezin is nog steeds penibel. Anton krijgt zijn beurs van 25 roebel uit Taganrog zoals vermeld per kwartaal, met als gevolg dat de ontvangen 100 roebel de dag na ontvangst op zijn, zo schrijft Michail weer in zijn memoires. In 1880 publiceert Tsjechov 12 stukjes in Strekoza.

12 Reproductie van de gehele pagina van Strekoza (Libel) van 9 maart 1880, met de rubriek Archief van Strekoza, waarin het stukje verscheen dat Anton Tsjechovs eerste publicatie vormde: Een brief van de grootgrondbezitter Stepan Vladimirovitsj aan zijn geleerde buurman Dr. Fridrich. In dezelfde uitgave stond ook Tsjechovs Wat men vooral in romans en novelles tegenkomt. Strekoza verscheen wekelijks van 1876 tot 1908 in Sint-Petersburg. Bron: Urban 1987 nr. 65

Strekoza, 9 maart 1880, eerste publicatie van Tsjechov

13 Tsjechovs entree in de Russische literatuur geschiedt op ongebruikelijke wijze. Simmons schrijft: via de achterdeur en de de keuken. Er bestonden in Rusland de zogenaamde dikke tijdschriften, bedoeld voor de intellectuele elite, waarin de groten der literatuur hun werk publiceerden, De Tijdgenoot (Sovremmenik, Sint-Petersburg, 1836-1866), De Russische Bode (Roesskiy Vestnik, Moskou, 1856-1906) en Russische gedachte (Roesskaja Mysl, Moskou, 1880-1918), om er enkele te noemen. Als Tsjechov met schrijven begint, is het met die schrijvende groten eigenlijk al gedaan en met sommige van de dikke tijdschriften ook. Dostojevski sterft in 1881, Toergenjev in 1883, en hoewel Tolstoj pas overlijdt in 1910, schrijft hij nauwelijks nog literatuur. Hoewel op het moment dat Tsjechov begint te schrijven, de laatste afleveringen van De gebroeders Karamazov verschijnen, lijkt hij zich daarvan niet bewust. Van invloed van andere schrijvers is er geen sprake. In de dikke tijdschriften zal hij pas arriveren in het voorjaar van 1888, met zijn Steppe, dat hij schrijft voor Severnij Vestnik (Bode van het Noorden) en dat onmiddellijk algemene aandacht trekt. Uitgerekend in Severnij Vestnik waren, zo schrijft Urban, de pijnlijkste recensies van Tsjechovs eerste verhalenbundels verschenen.

Het begin van de tachtiger jaren is een roerige tijd in Rusland. Op 1 maart 1881 komt Tsaar Alexander II bij een aanslag om het leven. Het broeit in Rusland. De reactionaire Pobedonostsev (1827-1907), opperprocurator van de Russische Synode en voornaamste adviseur van Alexander III, voert een hardvochtig beleid. Hij is ook de man die in 1901 Tolstoj zal excommuniceren. De censuur is veel strenger dan voorheen. Tsjechov neemt wel deel aan studentenbijeenkomsten die in deze tijd veelvuldig worden gehouden, maar kiest geen partij. Simmons denkt dat Tsjechov kritisch is jegens allerlei groepen die zich met extreme opvattingen tegen het bewind keren, omdat hij bang is dat ze zich, zodra ze de kans krijgen en het in hun belang is, erbij aansluiten. Hij wantrouwt kortom hun motieven.

13 Schrijvers rond Sovremmenik (De Tijdgenoot, 1836-1866): Sint-Petersburg 1856. Van links naar rechts: Gontsjarov, Toergenjev, Tolstoj (staand in militair uniform), Grigorovitsj, Druzhinin en Ostrovski. De foto werd genomen door Sergei Levitski. Bartlett vermeldt dat Tolstoj de foto ophing in zijn studeerkamer. Bron: Bartlett 2011 nr. 4

Schrijvers rond Sovremmik, 1856

14 En juist in die periode ontstaan er heel wat tijdschriften met een andersoortige en ook anders gerichte, en minder intellectuele belangstelling. Dat zijn bijvoorbeeld Boedilnik (Wekker, Petersburg 1865-1871, Moskou 1873-1917), Oskolki (Scherven, Petersburg 1881-1916), Strekoza (Libel, Petersburg 1875-1908) en Zritel (De toeschouwer, Moskou 1881-1885). En dat zijn dus de tijdschriften waar Tsjechov debuteert. Later zal hij schrijven: ik heb er alles in geschreven, behalve denunciaties. Wat erin wordt gepubliceerd zijn anecdotes, schetsjes, satire, aforismes, op de tijd van het jaar gerichte bijdragen, karikaturen, maar alles met als gemeenschappelijke factor: kort en humoristisch, en uiteraard zonder dat het veel kwaad kan, want de censuur waakt. Veel redacteuren censureren uit voorzorg zelf. Medewerkers krijgen nauwelijks betaald en worden behandeld als oud vuil. Als gymnasiast had Anton al via zijn broer Aleksandr een paar stukjes naar Boedilnik (Wekker) laten sturen, die toen waren geweigerd. Nadat hij er in maart 1880 heeft gedebuteerd, verschijnen er in de loop van het jaar in Strekoza meer verhalen van Tsjechov. Hij gebruikt allerlei pseudoniemen: Antosja Tsjechonte, Antosja T, An. T., Tsjechonte, maar ook De man zonder milt. In juni 1880 krijgt hij te horen dat hij, als hij zijn beurs uit Taganrog wil behouden, zelf in de stad moet verschijnen voor de aanvraag. In juli gaat hij samen met Nikolaj naar Taganrog. In november verhuist het gezin weer. Als in november twee keer achter elkaar een verhaal van Tsjechov door Strekoza wordt geweigerd, verschijnt er in december een verhaal van hem in een ander tijdschrift, Minuta. Die afwijzingen verschenen gewoonlijk met commentaar in het tijdschrijft Strekoza zelf, in de afdeling die Postbus werd genoemd. Daar kan Tsjechov lezen: Heel heel lang en kleurloos, zoiets als de papierstrook die een Chinees maar uit zijn mond blijft trekken. Toch blijft hij er ook verhalen publiceren. Als het tijdschrift in december een halfjaaroverzicht van zijn honoraria stuurt, blijkt hij met 645 regels 32 roebel en 5 kopeken te hebben verdiend. Strekoza weigert in dezelfde maand meer verhalen van Tsjechov, omdat ze te lang zouden zijn. Als het gezin in mei naar Ivan gaat in Voskresensk, blijft Anton alleen in Moskou achter. Eind juni verschijnt een verhaal van hem in Boedilnik en in september en de maanden erna in een net gestart Moskous blad: Zritel. Hij krijgt nu 8 kopeken per regel. Aleksandr en Nikolaj werken eveneens voor Zritel (De toeschouwer), de laatste als karikaturist. Aleksandr gaat in september 1881 samenwonen met de redactiesecretaresse ervan die al getrouwd is. Aan het eind van het jaar wordt de uitgave stopgezet wegens financiële problemen. Anton keert maandenlang weer terug naar Boedilnik. In juni 1882 stelt Tsjechov een bundel samen met tot dan toe verschenen verhalen, met tekeningen en een omslag van broer Nikolaj. Het boek verschijnt ten slotte niet, misschien omdat het is gestrand bij de censuur. Simmons vermoedt gewoon geldgebrek bij de drukker. 's Zomers verblijft hij met het gezin in Voskresensk bij Ivan. Hij is inmiddels vierdejaars geneeskunde. Niet lang daarna aanvaardt Aleksandr een betrekking bij de douane in Taganrog. De vrouw met wie hij ongehuwd samenwoont, krijgt een kind van hem en in brieven beklaagt hij zich er bij Anton over dat iedereen in Taganrog hem met een scheef oog aankijkt. Het zal een moeizame affaire blijken. De vrouw zal in mei 1888 sterven en Aleksandr achter laten met twee kinderen. Nog in Taganrog vertaalt hij een Franse roman van Texier en Le Senne (L' Inconnue) en Tsjechov levert in december 1882 in een brief kritiek op de kwaliteit ervan. Daar heeft hij blijkbaar ook nog tijd voor. Als Aleksandr een paar maanden later een verhaal opstuurt, kraakt broer Anton dat ook af. Tsjechovs brieven aan Aleksandr vallen op door hun soms zeer raillerende, maar soms ook erg harde toon. Af en toe leest hij hem echt de les. In maart 1885 wordt Aleksandr overgeplaatst naar Sint-Petersburg. Met de schilder en tekenaar Nikolaj gaat het evenmin goed. Hij drinkt teveel, zwerft door de stad en overnacht waar het hem uitkomt. Aan het eind van het jaar schrijft Tsjechov een toneelstuk, dat onder allerlei namen door het leven ging, in het Russisch als Stuk zonder titel, maar dat inmiddels meestal Platonov wordt genoemd. Hij gaat ermee naar een actrice, Maria Jermolova, in de hoop het opgevoerd te krijgen, maar dat gebeurt niet. Maar onthouden zal ze het blijkbaar wel, want bij een veel latere uitvoering van Tsjechovs Meeuw zit ze in de zaal en valt op door haar luide applaus.

14 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Moskou, 1882. Bron: Urban 1987 nr. 64

Anton Tsjechov, Moskou, 1882

15 Nadat Tsjechov in maart 1880 heeft gedebuteerd in Strekoza (Libel), zal hij geleidelijk het aantal tijdschriften waar hij voor werkt uitbreiden. In december 1880 publiceert hij voor het eerst in Minuta, in juni 1881 in Boedilnik (Wekker), vanaf september 1881 in Zritel (Toeschouwer), vanaf januari 1882 in Moskva (Moskou), vanaf juni 1881 in Svet i teni (Licht en donker), en in Sputnik (Metgezel), vanaf juli 1881 in Mirskoj Tolk (Mening der wereld), en in november 1881 voor het eerst in Oskolki (Scherven). Voor een aantal bladen gebruikt hij als pseudoniem De man zonder milt. Het is geen wonder dat Tsjechov soms klaagt dat hij het druk heeft. Terwijl hij overal publiceert, voltooit hij gewoon zijn studie geneeskunde en is er in deze periode ook nog sprake van avonturen met vrouwen, al verwijst hij daar enkel spaarzaam en soms tamelijk kryptisch naar in zijn correspondentie. Vrienden en bekenden doen een beroep op hem als arts, uiteraard zonder te betalen. Wel laat Popudoglo, als die sterft, zijn uitgebreide verzameling boeken na aan Tsjechov, wat het begin zal vormen van diens omvangrijke bibliotheek. 's Zomers loopt hij een praktijk in een plattelandsziekenhuis in Tsjikino, vlakbij Voskresensk, waar broer Ivan als onderwijzer werkte, en bij wie hij eerder al, in de zomer van 1881 de zemstwo-arts Archangelski heeft leren kennen. Die is directeur van het zemstwo-ziekenhuis in Tsjikino. Hij is op Tsjechov gesteld en ontvangt hem 's avonds, na het werk overdag in het ziekenhuis, bij hem thuis, waar zich dan weer een grote kring verzamelt, met andere artsen, maar ook de broers, om te praten over allerlei hedendaagse politieke en literaire kwesties.

In 1882 heeft Tsjechov 32 stukken gepubliceerd; in 1883 zullen het er meer dan 120 zijn, en het grootste deel daarvan komt terecht in Oskolki. Tussen 1880 en 1884 produceert Tsjechov in totaal zo'n 300 stukken voor de komische tijdschriften. Bijgaand de omslag van het weekblad Oskolki (Scherven) van 31 januari 1887, met daarop Poesjkin. Tsjechov zal zelf een jaar later de Poesjkinprijs krijgen.

15 Oskolki, 31 januari 1887, met op de omslag Poesjkin, ter gelegenheid van de viering van de vijfstigste sterfdag van de dichter. Bron: Urban 1987 nr. 171

Omslag Oskolki, 31 januari 1887

16 Via de redacties van de bladen breidt Tsjechov zijn vrienden- en kennissenkring gestaag uit. Op die van Boedilnik leert Tsjechov de schrijver Palmin kennen, op wie hij zeer gesteld raakt. De man is een zuipschuit van formaat, maar ook een liberaal en een sympathiek mens. Tsjechov schrijft: Een gesprek met hem verveelt je nooit. Het is waar, terwijl je met hem praat, moet je erg veel drinken, maar dan ben je verzekerd van een goed gesprek van drie uur. En dan hoor je geen enkele leugen, geen enkele platheid, ook al kost het dan moeite om nuchter te blijven. Hij leert de journalist Giljarovski kennen, de schrijver Popuduglo en via zijn broer Nikolaj de schilder Isaac Levitan (1860-1900). In de eerste jaren trekken de drie broers Anton, Aleksandr en Nikolaj in en rond Moskou nog wel gezamenlijk op, want de twee andere zijn ook getalenteerd, Aleksandr als schrijver en journalist, Nikolaj als schilder en tekenaar. Beiden zijn een tijdlang werkzaam voor het tijdschrift Zritel. Maar met de twee broers zal het geleidelijk ook misgaan. Ze drinken teveel en hebben hun passies slecht onder controle. En ze geven teveel geld uit. Wel is er zodoende in huize Tsjechov in deze jaren heel wat te doen, dankzij het grote en gevarieerde gezelschap dat er met regelmaat verkeert. Er staat een piano, er wordt opgetreden in door Anton geschreven sketches. Velen merken op dat Anton de gangmaker is van elk gezelschap. In oktober 1882 is het Palmin die Tsjechov zal aanbevelen bij de hoofdredacteur van een Petersburgs tijdschrift, Oskolki (Scherven), Lejkin. De twee passeren in Moskou per rijtuig de broers Aleksandr en Anton. Lejkin stapt op aanraden van Palmin uit en maakt kennis. Het zal een belangrijke stap blijken in Tsjechovs carrière. Oskolki is een heel wat serieuzer tijdschrift dan die waarin Tsjechov tot dan toe schrijft. De redacteur, Nikolaj Aleksandrovitsj Lejkin (1841-1906), schreef zelf ook en Tsjechov kende hem van zijn humoristische stukjes. Tsjechovs eerste bijdrage verschijnt al een maand later, in november 1882, overigens nadat zijn eerste inzending is afgewezen omdat ze te lang is. Het zal het begin zijn van een langdurige samenwerking, waarover Tsjechov aanvankelijk zeer enthousiast is. Lejkin op zijn beurt betaalt op tijd, ook al is het maar 5 roebel per regel, en is ingenomen met zijn jonge schrijver, veel meer nog dan hij uit eigenbelang zal laten merken. Pas nadat Tsjechov in februari 1886 in contact is gekomen met Soevorin, eigenaar van de Petersburgse krant Novoje Vremja, zal de verhouding met Lejkin onder druk komen te staan. Soevorin betaalt 12 kopeken per regel. Eind januari 1887 verhoogt Lejkin Tsjechovs honorarium nog naar 11 kopeken, nadat hij van de 5 eerder al 8 heeft gemaakt, maar daarna zal Tsjechov er nauwelijks meer in publiceren. Als hij begin 1886 op bezoek is in Sint-Petersburg, vallen hem de schellen van de ogen. Daarna zal Tsjechov het Lejkin kwalijk nemen dat hij zijn groeiende reputatie in Sint-Petersburg voor hem verborgen heeft gehouden. Op 3 februari 1886 zal hij aan Aleksandr schrijven: Hij is in het algemeen een leugenaar, een leugenaar en nog eens een leugenaar. Maar dat ligt dus nog jaren in de toekomst. Voorlopig haalt Lejkin hem ook nog over elke week een bijdrage te leveren voor een afdeling, getiteld: Fragmenten van het Moskouse Leven. Daarbij gaat het soms om veel journalistieker getint werk, dat bovendien tijd vreet. Tsjechov moet ervoor op stap, moet rechtszaken volgen en dan ook nog de kopij zelf naar het station brengen. Eind 1883 doet Tsjechov een deel van zijn medische eindexamens. Desondanks is hij in augustus 1883 bezig aan een verhaal voor de jaaralmanak voor 1884 van Strekoza. Het is het lange verhaal dat wij nu kennen als De Zweedse lucifer. Samen met twee andere verhalen (Hij had het begrepen en Op zee) is het het eerste wat hij met zijn eigen naam ondertekent. Maar wat Tsjechov nog een hele tijd niet zal weten: in Petersburg begint hij echt gelezen te worden, ook door collega-schrijvers. Want het is het opmerken waard dat Tsjechov zijn geschrijf nog als iets tijdelijks lijkt te beschouwen, als iets wat hij doet voor het geld en waar hij mee zal stoppen als het niet langer nodig is. Er zal iemand van buitenaf nodig zijn om hem op dat punt wakker te maken.

16 Nikolaj Aleksandrovitsj Lejkin, 1841-1906). Schrijver en hoofdredacteur van het weekblad Oskolki (Scherven, Petersburg, 1881-1916). Bron: Urban 1987 nr. 148

Nikolaj Aleksandrovitsj Lejkin (1841-1906)

17 Deze in oorsprong zeer lange brief, waarvan ik hier slechts een klein deel geef, is in veel opzichten typerend voor de omgang tussen Tsjechov en zijn oudere broer Aleksandr. Die wordt door hem, met een verwijzing naar Tsjechovs kleermakersverleden, toen hij voor Aleksandr een keer een zeer strakke pantalon had vervaardigd, maar ook in verband met Aleksandrs beroep (douanebeambte in Taganrog) afwisselend aangesproken als broek, broekeman, douanebroer, quarantaine-douanier, net als hier klein voordeel, maar ook als mislukte broer, lang opgeschoten klein voordeel, corrupte beambte, afperser, maar de toon is ook vertrouwelijk en Tsjechov zegt alles wat hij denkt. In Tjechovs verhaal Mijn leven heeft de hoofdpersoon overigens ook de bijnaam Klein voordeel. De verhouding tussen de twee was soms zeer moeizaam. Aleksandr zal na zijn verhuizing naar Sint-Petersburg daar geleidelijk als Tsjechovs zaakwaarnemer gaan optreden. Hier blijkt dat Anton zijn geschrijf als iets tijdelijks beschouwt. Bij Peter Urban is dit nummer 40, bij Eekman nummer 11. Daar staan op de plaats van de druiper nog puntjes. De Oetkina's en Kitsejevs van wie sprake is zijn tijdschrijftuitgevers, Oetkina bijvoorbeeld van Boedilnik (De wekker). Andrjoesja Dimitriev was schrijver van humoristisch werk en journalist.

AAN ALEKSANDR P. TSJECHOV

13 Mei 1883, Moskou.
Klein voordeel! Ik wens je het allergrootste voordeel en beantwoord je brief. Boven alles betoon ik berouw en verontschuldig ik mij: ik heb lang niet geschreven omwille van redactie-onafhankelijke redenen. Nu eens geen tijd, dan weer lui. [....] Toen ik sprak van jaloerse krantenschrijvers, had ik krantenschrijvers in gedachten, en zeg nou zelf: wat ben jij nou voor een krantenschrijver? Broer, ik heb zoveel geleden en ben zo haatdragend geworden, dat ik zou willen dat jij weigert de naam van Oetkina 's en Kitsjejews te dragen. Krantenschrijver, dat betekent op z'n minst schurken, zoals je toch ook zelf meermalen hebt kunnen ervaren. Ik verkeer in hun gezelschap, werk met hen, schud hen de hand en ben, naar ze zeggen, uit de verte geleidelijk zelf op zo 'n schurk gaan lijken. Dat bedroeft me en hoop dat ik me vroeg of laat van hen kan distantiëren, à la Aleksandr. Jij bent geen krantenschrijver – want dat is iemand die, terwijl hij tegen je glimlacht, je ziel verkoopt voor dertig valse zilverlingen, en die je, omdat je beter en meer waard bent dan hij, heimelijk met behulp van een ander tracht te gronde te richten. Dat bedoelde ik toen ik je over krantenschrijvers schreef. Jij daarentegen, broer, jij bent klein duimpje, een ademtocht, wat gas, niets, een krantenkrabbelaar. Ik ben een krantenschrijver, omdat ik veel schrijf, maar enkel tijdelijk... Zo zal ik niet sterven. Als ik blijf schrijven, dan beslist van een veilige afstand, uit mijn muizengaatje... Wees niet jaloers op me, broer! Dat geschrijf levert, behalve dat het me ergert, niets op. De 100 roebel die ik per maand krijg, verdwijnt door mijn ingewanden en ik heb niet eens geld om mijn grijze, afgedragen jas in te ruilen voor iets bevalligers. Ik geef links en rechts geld uit en houd nihil over. De familie slokt meer dan 50 roebel op. Ik heb niet eens geld voor een kaartje naar Voskresensk. Nikolka heeft ook niks. Ik troost me maar met de gedachte dat er tenminste geen schuldeisers achter me aan zitten. Voor april heb ik van Lejkin 70 roebel gekregen, vandaag is het pas de dertiende, en ik heb niet eens geld voor een koets.
Als ik alleen leefde, was ik een rijk man, maar ja. Wij zaten aan de wateren te Babylon en weenden. Pastoechov is met me gaan souperen bij Testov; hij bood me 6 kopeken per regel aan. Ik zou bij hem geen honderd, maar 200 roebel per maand verdienen. Maar zeg nou zelf, je kunt beter zonder broek met je blote [...] op visite gaan, dan voor hem werken. De Boedilnik kan ik niet uitstaan en als ik erin zou toestemmen er iets voor te krabbelen, dan alleen met pijn. De duivel hale ze! Als alle bladen zo fatsoenlijk waren als Oskolki, kon ik er zelf paarden op na houden. Mijn verhalen zijn niet smerig en, naar men zegt, beter dan de andere, naar vorm en inhoud; de Andrjoesja Dimitrievs prijzen mij als eerste klas humorist, als een der besten, de allerbeste zelfs; mijn verhalen worden op literaire avondjes voorgelezen, maar .... je kunt beter met een druiper rondlopen, dan geld aannemen voor gemene rommel, om een dronken koopman belachtelijk te maken als die enz. Naar de duivel met ze! We wachten maar af, we zien wel, en intussen blijven we maar in onze grijze jas lopen. Ik verdiep me in de geneeskunde, daar ligt redding, al ben ik er nog steeds niet van overtuigd dat ik arts ben, - hetgeen betekent dat... dat zeggen velen tenminste en mij laat dat allemaal koud, dat ik op de verkeerde faculteit ben beland. [...]

17 Aleksandr Tsjechov (1855-1913), 1882. Bron: Urban 1987 nr. 59

Aleksandr Tsjechov, ca. 1882

18 Bijgaande brief getuigt ervan hoe moeizaam Tsjechovs geschrijf te combineren valt met zijn dagelijks bestaan. Er zijn de vrienden en bekenden, de familieleden, de patiënten en ergens rond deze periode heeft hij ook nog bijles aan de twee zoons van een senator. Zo gemakkelijk als het lijkt, gaat het hem allemaal toch niet af. In bijgaande brief excuseert Tsjechov zich bij Lejkin voor de kwaliteit van wat hij inlevert. Het familielid in kwestie, dat net op bezoek is gekomen, is Aleksandr, met vrouw en twee kinderen. Met het niet-literaire werk doelt Tsjechov op de spullen voor zijn studie geneeskunde. De Amusant, voluit Le journal amusant is een Frans humoristisch weekblad, dat vanaf 1856 de opvolger is van Le journal pour rire.

18 Anton Tsjechov (1860-1904), Moskou 1883. Bron: Schaubühne 1984

Anton Tsjechov, 1883

19 AAN N. A. LEJKIN
20 of 21 Aug. 1883, Moskou.
Bijgaande zending is geknoei; de anecdotes zijn bleekjes, het verhaal is niet behoorlijk afgewerkt en erg onbeduidend. Ik heb wel een beter onderwerp en zou meer kunnen schrijven - maar het lot is ditmaal tegen mij. Ik werk onder de afschuwelijkste omstandigheden. Vóór mij ligt mijn niet-literaire werk, dat onbarmhartig aan mijn geweten knaagt - in de kamer hiernaast schreeuwt het kind van een familielid dat is komen logeren, in de andere kamer leest mijn vader mijn moeder hardop De verzegelde engel voor ... Iemand heeft een muziekdoos meegebracht, en ik hoor La belle Hélène - Ik zou het liefst verhuizen naar een datsja, maar het is al na middernacht. Voor iemand die schrijft, is er nauwelijks een beroerder toestand denkbaar. Mijn bed is in beslag genomen door een familielid dat net is aangekomen en dat precies op dit moment bij me komt en een of ander medisch onderwerp aansnijdt. "Mijn dochtertje zal zeker wel buikpijn hebben - daarom huilt ze zo" - Ik heb het ongeluk arts te zijn, en nog nooit heb ik een individu ontmoet dat het niet nodig oordeelde een medisch praatje met me te maken. En wie genoeg van de medicijnen heeft, begint over de literatuur.
Het is onbeschrijfelijk. Ik neem het me kwalijk dat ik er niet ben uitgeknepen naar de datsja, waar ik had kunnen uitslapen en een verhaal voor u had kunnen schrijven, en voor alles: waar men de literatuur en de medicijnen met rust laat.
In september verhuis ik naar Voskresensk, als het weer het toelaat. Over uw laatste verhaal ben ik enthousiast.
Wat brult dat kind! Ik zweer bij mezelf nooit kinderen te zullen krijgen. De Fransen hebben weinig kinderen, waarschijnlijk omdat zij ijverig zijn en verhalen schrijven voor de Amusant. Een thema voor De Amusant en voor Oskolki, in de vorm van een karikatuur: de toestand in Frankrijk. Een politie-officier valt binnen en eist meer kinderen. Gegroet. Ik ga er eens over denken hoe en waar ik me te slapen zal leggen.

19 Anton Tsjechov (1860-1904), Moskou, ca. 1884. Bron: Schaubühne 1984

Anton Tsjechov, Moskou, ca. 1884

20 Eind mei 1884 mag Tsjechov zich officieel arts noemen. Hij is op dat moment in Voskresensk, bij zijn broer Ivan en brengt een weekje al vissend door. Maar al snel is hij bezig met een practicum in het ziekenhuis van Tsjikino en verdient er zijn eerste echte geld met iets anders dan schrijven. Nadat hij eerder al poogde een aantal verhalen te bundelen, brengt hij nu Sprookjes van Melpomene uit, in een oplage van 1200 exemplaren, met als ondertitel Zes verhalen van A. Tsjechonte. Het kost 60 kopeken en telt 96 bladzijdes. Simmons schrijft dat het boekje de schrijver nauwelijks geld opleverde, zoals het hem evenmin een reputatie bezorgde. Tsjechov had de verhalen, die allemaal al eerder waren verschenen, vooraf zorgvuldig herzien. Broer Aleksandr, die in de zomer van 1884 vrij is, omdat hij net weg is uit Taganrog, treedt op als literair agent. Hij poogt exemplaren te slijten aan de diverse Moskouse boekhandels. Dat valt nog niet mee, want het woord Skazki uit de titel betekent in het Russisch zowel sprookjes als kinderverhalen en de muze Melpomene zal bij de boekhandelaren vermoedelijk nauwelijks een bel hebben doen rinkelen. En dat leidde ertoe dat het boek vaak in de kinderafdeling terecht kwam, zodat er, schrijft Simmons, zelfs ouders waren die, nadat ze het voor hun spruiten hadden gekocht, klaagden. Een generaal besrispte een boekhandelaar omdat hij onzedelijke verhalen verkocht aan kinderen. Dat zal Tsjechov wel weer plezier hebben gedaan.

20 Anton Tsjechovs eerste boekuitgave, Sprookjes van Melpomene, mei 1884. Bron: Urban 1987 nr. 92

Tsjechov, Sprookjes van Melpomene, mei 1884

21 In augustus 1884 is Tsjechov betrokken bij de autopsie van het slachtoffer van een moord. Hij schrijft er aan Lejkin een verslag van dat zo goed is dat het zou hebben kunnen dienen als kort verhaal. Hij zal het later inderdaad als zodanig gebruiken, voor Een dode. In september bevestigt hij aan zijn deur het bordje Dokter A.P. Tsjechov. Zijn diploma is gedateerd 15 september. Voor de Petersburgse Gazet volgt hij vanaf eind november een sensationeel proces over een groot bankschandaal. Hij schrijft de stukken onder een pseudoniem, Ruver. Hij heeft het er nog erg druk mee, als hij op 10 december 1884 aan Lejkin schrijft. Hij heeft in deze periode al eerder over zijn gezondheid geklaagd in brieven die aan anderen gericht waren, maar dit is de eerste keer dat er sprake is van bloedspuwingen. Het lijkt daarbij te gaan om de eerste tekenen van zijn tbc. Tsjechov is op dit moment 24. Door sommige artsen is in de loop der tijd na Tsjechovs dood geopperd dat de buikvliesontstekingen van 1875 en 1877 al een eerste bewijs van de tuberculose waren. Tsjechov maakt zich bovendien meer zorgen dan hij hier laat blijken. Eind januari al schrijft hij aan zijn oom Mitrofan in Taganrog dat hij erover denkt om geld te lenen om ermee naar het buitenland of naar de Krim te gaan. Een week later schrijft hij aan Lejkin: niet alleen werk ik weer, ik sta mezelf weer alcoholica toe.

AAN N.A. LEJKIN
10 Dec. 1884, Moskou
Vandaag is het al de derde dag dat er - het komt ontzettend slecht uit - bloed uit mijn keel komt. Die bloedspuwing belet mij te schrijven en zal me ook beletten naar St. Petersburg te gaan. Afgezien daarvan, bedankt zeg. Dat had ik niet verwacht. Al drie dagen heb ik geen normaal speeksel gezien en wanneer de medicamenten waarmee mijn collega ’s me volstoppen, gaan helpen, weet ik niet. Verder is het met mijn gezondheid in orde. De oorzaak is vermoedelijk een gesprongen bloedvat. [...} Wanneer U op de redactie komt, haast u zich dan de met toezending van het honorarium? Voor zieken en lediggangers is een vroeg honorarium beter dan een laat. [....] Alsof de duvel ermee speelt heb ik nu juist enkele patiënten. Ik moet ze bezoeken, maar het kan niet... Ik weet niet wat ik met ze moet beginnen. 't Gaat me ook aan mijn hart ze aan een collega over te doen - ze brengen toch wat geld in het laatje! [...]

21 Isaak Iljitsj Levitan (1860-1900), Portret van Anton Tsjechov, studie. Olieverf op op karton gemaroufleerd papier, 41.8 x 31 cm. Moskou, Tretjakovgalerij. Aanwinst in 1917 uit de Verzameling van B.A. Vorobjev, Moskou. Urban, die een zwart-witversie geeft, dateert voor het onstaan met vroege jaren '80; de Russische catalogus (die van 2010 is) dateert met 1885-1886. Die meldt verder: Справа вверху автограф писателя: А. Чехов, dw: rechtsboven handtekening van de schrijver: A. Tsjechov Пером надписи – слева внизу: портреть А. Чехова: dwz. met pen erbij geschreven links onder: Пером надписи – слева внизу: портреть А. Чехова: portret van A. Tsjechov. Ниже: работа моего покойного брата И Левитана, dwz nog lager: werk van mijn overleden broeder I. Levitan Правее: А. Левитань, dwz. rechtsonder A. Levitan. Bron: Urban 1987 nr. 101 Bron foto en gegevens: Novevla 2010, Isaac Levitan, Catalogus bij de tentoonstelling in de Tretjakovgalerij in Moskou van 15 oktober 2010 tot 20 maart 2011

Isaak Iljitsj Levitan, Anton Pavlovitsj Tsjechov, 1885-1886

22 In 1885 is Tsjechov de auteur van inmiddels zo'n 300 verhalen, waarvan er een aantal al tot zijn beste behoren. Een stuk of tien ervan zouden een plaats krijgen in een latere bloemlezing met zijn beste korte verhalen, bijvoorbeeld Herfst, Dochter van Albion, Dood van een ambtenaar, De dikke en de dunne, Een kameleon. Twee ervan hebben de lengte van een behoorlijke novelle (De Zweedse lucifer en Drama op de Jacht). In januari 1885 schrijft Tsjechov aan zijn oom Mitrofan in Taganrog dat zijn medische paraktijk weliswaar loopt en hij ook patiënten heeft en ze ook behandelt, maar dat hij er nauwelijks geld mee verdient. Ik heb veel bekenden en derhalve ook veel patiënten. De helft van hen moet ik gratis behandelen, de andere helft betaalt met briefjes van drie en vijf roebel. Kapitaal heb ik natuurlijk nog niet bijeen en dat zal zo gauw ook niet gebeuren, maar gebrek lijd ik niet. Als ik in goede gezondheid in leven blijf, is de familie veilig. Ivan heeft inmiddels een baan als hoofd van een lagere school in Moskou, maar Masja wordt nog opgeleid voor lerares en Misja doet rechten aan de Universiteit. Nikolaj is aan de drank en zwerft nog steeds langs allerlei mensen in Moskou. Aleksandr, die was overgeplaatst naar Sint-Petersburg, komt kort daarop te werken in Novorossiejsk, een havenstad aan de Zwarte Zee. Hij klaagt altijd, want geld heeft hij nooit genoeg. Financieel gemakkelijk is het voor Anton allemaal nog steeds niet. Tsjechov klaagt zijn nood bij Lejkin. Die beveelt Tsjechov aan bij de Petersboergskaja Gazeta (Petersburgse Krant, Sint-Petersburg, 1867-1917), een Petersburgs boulevardblad. Daarmee neemt Lejkin wel een risico, want zo komt zijn belangrijkste bijdrager plotseling onder de aandacht van een veel breder publiek. Tsjechov zal schrijven voor de maandelijkse bijlage en krijgt 7 kopeken per regel betaald. Hij zal dat tot eind 1888 blijven doen. In mei krijgt hij van Lejkin te horen dat éen van zijn bijdrages (Afgeschaft) voor Oskolki door de censuur is verboden. Het verhaal zou de spot drijven met de legerrangen en de kerk. Een maand later wordt het toch toegestaan. In dezelfde maand verschijnt zijn eerste verhaal in de Petersburgse Krant (nr. 122): De laatste Mohikaanse.

In dezelfde tijd gaat Anton met het hele gezin naar het landgoed Babkino, in de buurt van Voskresensk, waar hij aan de river de Istra een huis heeft gehuurd en een deel van de zomer doorbrengt. Een voorschot van 100 roebel van Boedilnik is er goed voor. De rest hoopt hij 's zomers te verdienen. Michail Tsjechov vertelde in zijn herinneringen (in het Nederlands gepubliceerd als Rondom Tsjechov) hoe het gezin aan Babkino kwam. Zoals gezegd lag het landgoed niet ver van Voskresensk, waar Ivan een baan had en waar de familie 's zomers vaak heenging omdat die er zo riant woonde. Toen er in een nabij gelegen dorp een keer een officiersbal was, bezocht Ivan dat in gezelschap van wat officieren, maar het werd zo laat dat de officieren besloten te overnachten, terwijl Ivan de volgende dag moest werken. En zo kreeg hij een lift aangeboden van Aleksej Kiselov, de eigenaar van Babkino. De leden van het gezin Tsjechov sluiten vriendschap met de bezitters van het landgoed, de Kiseljovs. Broer Ivan gaf les aan hun kinderen en de Tsjechovs hielpen andere leden van het gezin in een later stadium weer aan onderdak in Moskou. De eigenaar van Babkino, die graaf wordt genoemd, is geen graaf, maar alleen de neef van een graaf, die zelf diplomaat was onder Nicolaas de eerste. Maar A.S. Kiseljov is wel getrouwd met Maria Vladimirovna Begitsjeva, en dat is de dochter van V.P. Begitsjev, directeur van de Keizerlijke Theaters in Moskou, zodat ze heel wat beroemde musici, componisten en acteurs kent. Simmons is er wat sombertjes over. Die schrijft: Maar het verval was al ingetreden op Babkino, waar de gulle en menslievende eigenaren achteloos hun geld verkwistten. Als Tsjechov hier verbleef, was wel het laatste wat hij dacht: naar Moskou, naar Moskou! Dat gevoel krijgt hij zelf pas in Jalta.

22 Maria Begitsjeva-Kiseljova en A.S. Kiseljov. Eigenaren van Babkino. Foto's uit de jaren '80. Foto van de man: D.M. Asikritov. Bron: Urban 1987 nrs. 106 en 107

Maria Begitsjeva-Kiseljova, jaren 80 A.S. Kiseljov, jaren '80

23 De schilder Levitan, die vlakbij verblijft en die Anton via zijn broer Nikolaj heeft leren kennen, is er met regelmaat van de partij. De Kiseljovs zijn kunstzinnige mensen. Het echtpaar heeft twee dochters, de hele zomer door is er visite, er wordt gejaagd, gevist, 's avonds kaart gespeeld, en er zijn concerten, want de familie kent veel musici, onder wie trouwens Tsjaikovski, er wordt gezongen en Levitan werkt er. Het is vermoedelijk voor het eerst dat Tsjechov serieus kennis maakt met de klassieke muziek. Hij is diep onder de indruk van Chopins Nocturnes, die hij er hoort. Beweerd wordt altijd dat de familie en het landgoed het model stonden voor Tsjechovs Kersentuin. De in de tekst bij de foto genoemde Markevitsj is de Tsjechov bekende (en aartsconservatieve) schrijver Boleslav Markevitsj (1822-1884), die kort tevoren was overleden en er zijn Afgrond had geschreven. Volgens Michail Tsjechov in diens herinneringen zag hij er, geheel in het wit als hij altijd gekleed ging, uit als de Commendatore, in Mozarts Don Giovanni, dus die geestverschijning is niet zo vreemd.

23 Babkino, gezicht op het herenhuis. Ik zal de kamers bewonen waar de vorige zomer B. Markevitsj heeft gewoond. 's Nachts zal zijn schim aan mij verschijnen. Ik heb het huis met alles erin gehuurd, meubilair, fruit, melk, enz. Het landgoed, dat erg mooi is, ligt op een hoge oever. Onderaan de rivier, rijk aan vis, op de andere oever bos, bos ook aan deze kant. Om het huis kassen, bloembedden enz. Erom heen woont niemand. We zullen er eenzaam zijn. Kiseljov en vrouw, Begitsjev, de tenor D. Vladislavlev, de schaduw van B. Markevitsj en mijn familie, allemaal zomergasten. Tsjechov aan N.A. Lejkin, 6 mei 1885. Bron: Urban 1987 nr. 105

Landgoed Babkino

24 Ook in de zomer van 1886 zal Tsjechov op Babkino te vinden zijn. Dan wordt Levitan verliefd op Masja, de zus van Tsjechov. Tijdens een wandeling vraagt hij haar ten huwelijk. Masja vlucht naar haar kamer en vertelt later aan haar broer wat er is gebeurd. Die zegt: Als je met hem wilt trouwen, dan trouw je natuurlijk met hem. Maar bedenk wel dat hij een vrouw nodig heeft van het Balzac-type en niet iemand als jij. Aldus Masja tenminste, veel later. Ze begreep, voegt ze eraan toe, niet goed wat hij daarmee bedoelde, maar vond het vervolgens verstandiger bij Levitan uit de buurt te blijven. Simmons schrijft dat Tsjechov vermoedelijk opgelucht adem heeft gehaald, want hij behoudt zo zijn zus, die hem inmiddels dierbaar is, en zijn vriend Levitan. Levitan heeft trouwens een reputatie waar het om vrouwen gaat. Ik zou wel eens willen weten wat Tsjechov van Balzac had gelezen en aan welke vrouwen hij dacht.

24 Maria Tsjechova (Masja) (1863-1957), zus van Anton Tsjechov. Ca. 1887. Bron: Urban 1987 nr. 105

Maria Tsjechova (1863-1857). Ca. 1886-87

25 Terwijl Tsjechov, nog in juni 1885, een paar dagen lang de arts Archangelski vervangt in diens ziekenhuis in Tsjitsjino, daarna weer kortstondig terug is in Moskou, om vervolgens toch weer te vertrekken naar Babkino, verschijnt in allerlei tijdschriften het ene verhaal na het andere. Zonder dat hij het weet, leest in Sint-Petersburg de schrijver Grigorovitsj van Tsjechov op 18 juli in de Petersboergskaja Gazeta het verhaal De jagers [Van Oorschot: De koddebeiers]. Hij is er zo van onder de indruk dat hij ermee naar Soevorin gaat. A.S. Soevorin is niet de minste. Hij is eigenaar van Novoje Vremja (Nieuwe Tijd, Petersburg 1868-1917). De krant, die sinds 1869 een dagblad is, is éen van de belangrijkste van Ruslands, en Soevorin is bijzonder invloedrijk. Hij is sinds 1876 uitgever van de krant. Tsjechov keert pas op 24 september terug in Moskou. Hij is op zoek naar een ander huis en betrekt dat - wederom met hete hele gezin - op 12 oktober. In de loop van de zomer is al een aantal verhalen door de censuur afgekeurd. Over het huis is hij al snel ontevreden. Het is er koud en vochtig.

25 Nikolaj Tsjechov (1858-1889), Babkino, 1885 Aquarel. Tsjechovmuseum, Jalta. Bron: Urban 1987 nr. 104

Nikolaj Tsjechov, Babkino, aquarel, 1885

26 AAN N. A. LEJKIN
12 Okt. 1885, Moskou.
Uw brief ontving ik hier in onze nieuwe woning. Mijn huis staat aan de overkant van de Moskwa, en het is hier net de provincie: 't is netjes, rustig, goedkoop en... een beetje suf. Het bericht van de overval op Oskolki heeft me als een hamerslag getroffèn. In de eerste plaats is het jammer van mijn werk en verder krijg je door dit hele geval een naar, benauwd gevoel. Natuurlijk hebt u gelijk: het is beter terughoudend te zijn en lindenbast te kauwen, dan dat men het tijdschrift in gevaar brengt en zich met rijshout tegen een bijl verzet... We moeten wachten en geduld hebben. Maar ik vrees dat we eindeloos terughoudend zullen moeten zijn. Wat vandaag nog toegestaan is, daarvoor moet je morgen op het matje komen bij het censuurcomité, en het zal niet lang meer duren of zelfs de koopmansstand wordt verboden vrucht voor ons. Nee, de literatuur verschaft je geen zeker stuk brood, en U heeft er verstandig aan gedaan dat U vroeger geboren bent dan ik, toen men nog vrijer kon ademhalen en vrijer kon schrijven. Ik was niet van plan deze week iets te sturen. U had nog drie stukken van me en mij leek een pauze gewettigd, eens te meer daar de verhuizing me bezig houdt. Nu ik uw brief ontvangen heb en het lot vernomen van mijn drie stukken, stuur ik u een verhaal dat ik niet schreef voor Oskolki, maar voor elk willekeurig blad dat het wilde hebben. Het verhaal [Een middel tegen drankzucht, VW 2] is nogal lang, maar het gaat over acteurs - wat me toepasselijk lijkt, gezien de opening van het seizoen - en het is naar me dunkt humoristisch. Morgen ga ik ervoor zitten en schrijf september, oktober en november, tenzij mijn medische praktijk of zoiets me daarvan afhoudt. U adviseert me naar Petersburg te gaan, om eens te praten met Khudekov [uitgever van de Petersboergskaja Gazeta] en u zegt dat Petersburg geen China is. Ik weet ook wel dat Petersburg geen China is, en u weet best dat ik me er al lang bewust van ben dat die reis noodzakelijk is, maar wat kan ik doen? Aangezien ik de kostwinner ben van een groot gezin, heb ik nooit zelfs maar een 10-roebelbiljet over en voor zo'n reis, hoe goedkoop en oncomfortabel je het ook doet, heb ik toch minimaal 50 roebel nodig. Ik weet echt niet hoe ik dat bedrag uit mijn gezin moet persen en echt waar, dat kan niet. [...]

26 Anton en Nikolaj Tsjechov, Moskou, 1884. Urban spreekt in zijn commentaar op deze foto van een vroeg voorbeeld van Russisch retoucheren, nog tijdens Tsjechovs leven. Wie de verdwenen persoon links is, is onbekend. Dat Nikolaj hier een fles vasthoudt, lijkt gezien zijn levensgeschiedenis geen toeval. Bron: Urban 1987 nr. 77

Anton en Nikolaj Tsjechov, Moskou, 1884

27 Bij de Tsjechovs bestaat er inmiddels een jour fixe, een avond waarop gasten worden ontvangen. Het betrof gewoonlijk de dinsdag. Eind oktober 1885 klaagt Tsjechov zijn nood weer eens bij Lejkin. Hoewel hij nu voor de Petersboergskaja Gazeta schrijft, verdient hij geen cent meer dan hij deed. Maar meer schrijven dan ik nu doe, kan ik niet, want de geneeskunde is geen advocatuur. De verhouding met Lejkin is er niet op vooruit gegaan. Tsjechov begint langzamerhand het gevoel te krijgen dat hij wordt misbruikt. Hij hoort zo nu en dan wel de berichten van zijn succes in het verre Petersburg, maar hij krijgt nog steeds een schamel honorarium betaald. Wellicht om de schrijver enigszins te paaien belooft Lejkin hem zijn tweede verhalenbundel uit te brengen onder het imprint van Oskolki. Maar de voorwaarden waaronder het wordt utgegeven, maken er een weinig lucratieve kwestie van. Eerst moeten de kosten van de uitgave worden terugverdiend en daarna wordt de opbrengst fifty fifty verdeeld. De man die bij Oskolki verantwoordelijk is voor de uitgave, Bilibin, probeert namens Tsjechov Lejkin milder te stemmen, maar dat lukt niet. Tsjechov laat Lejkin vervolgens weten dat hij voor Oskolki stopt met zijn Fragmenten van het Moskouse Leven. Hij vindt dat hij er teveel tijd aan kwijt is. Lejkin op zijn beurt protesteert als Moskouse bladen verhalen van Tsjechov publiceren onder het pseudoniem van Tsjechonte, want hij wil dat het voorbehouden blijft aan het Petersburgse Oskolki. Begin december verhuist Tsjechov opnieuw, naar wat nu Ulica Dimitrova nummer 45 is. Het is het eerste grote huis, schrijft Urban, waar de Tsjechovs komen te wonen. De schrijver heeft er - eveneens een primeur - een eigen studeerkamer. Lejkin bezoekt in december Tsjechov in Moskou en op 10 december reizen ze getweeën naar Sint-Petersburg. Daar is hij twee weken bij Lejkin te gast. Het zal een bezoek zijn dat hem de ogen opent.

27 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904). Moskou, 1885. Op de achterzijde: opdracht aan Isaac Levitan: voor Levitasja van A. Tsjechov. Foto: A. Ovtsjarenko. Bron: Urban 1987 nr. 102

Anton Tsjechov, Moskou 1885

28 Er is namelijk iets wat Lejkin Tsjechov nog niet heeft verteld, en wel dat er in Petersburg heel wat mensen hebben gevraagd wie toch die Tsjechonte is. Hij wordt daar immers niet meer alleen gepubliceerd in Oskolki maar ook in de Petersboergkaja Gazeta. Daarmee is de kring van zijn lezers flink uitgebreid. Hij is stomverbaasd te merken dat hij in de stad wordt beschouwd als een belangrijk talent. Achteraf zal hij er zich aan ergeren dat Lejkin hem daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. Dan begrijpt hij pas dat hij naïef is geweest. In het Rusland van de negentiende eeuw was Petersburg het intellectuele centrum, het was de stad van Peter de Grote, de stad met de dikke bladen en het was de plek waar alle grote schrijvers verbleven. Het was tot 1918 de hoofdstad van het land. Moskou, toch al een relatief nieuwe stad na de brand onder de Napoleontische bezetting, was ook enigszins provinciaal, in elk geval volgens de normen van Sint-Petersburg, dat trouwens nu nog door sommigen voor de enige Europese stad van Rusland wordt gehouden. Waar hij verschijnt, wordt hij met veel strijkages begeleid. Soevorin, Boerenin, Grigorovitsj, ze blijken allemaal onder de indruk. Hij werd, schrijft hijzelf als hij weer terug is in Moskou aan Aleksandr, overal ontvangen alsof hij de sjah van Perzië was. In de brieven die hij in deze periode aan die en gene verstuurt, valt op hoe beduusd hijzelf van zijn succes is. Aan Aleksandr, wiens vrouw in verwachting is van een tweede kind, schrijft hij op 4 januari 1886:

Quarantaine-douanier Sasja, Ik wens jou en je hele tranendal een goed nieuw jaar, wens je geluk, wens je nog meer zuigelingen. God schenke je alle goeds. Je bent waarschijnlijk boos omdat ik niet schrijf... Ik ben ook boos, om dezelfde reden. Zwijn! Broek! Kinderfokkende ambtenaar! Waarom schrijf je niet? Hebben je brieven hun vroegere charme en glans verloren? Ben je opgehouden mij als je broer te zien? Ben je na dat alles geen varken? Schrijf, schrijf 1000 keer. [...] Ik was getroffen door de ontvangst die de Petersburgers mij bereidden. Soevorin, Grigorovitsj, Boerenin... Alles heeft me uitgenodigd, me gevierd en mij werd het zo zwaar te moede dat ik zo nonchalant geschreven heb, zo met éen hand op de rug. Als ik had geweten dat ik zo veel gelezen werd, had ik niet zo op bestelling geschreven. [...] Ik heb Bilinin leren kennen. Dat is een heel fatsoenlijke vent die je, in geval van nood, volledig kunt vertrouwen. Over 2 of 3 jaar zal hij bij de pers in Petersburg een belangrijke rol spelen. Eindigen doet hij als redacteur van een krant als Novosti of Novoje Vremja. Een man kortom die je nodig hebt.

28 Sint Petersburg, Nevski-prospekt, ca. 1885. Bron: Urban, 1987 nr. 135

Sint-Petersburg, Nevski prospekt, ca. 1885

29 Bij Tsjechov is het soms moeilijk vast te stellen of iets ernst of scherts is, maar in een brief van 1 april 1886 aan de zojuist genoemde V.V. Bilenin, die op de redactie van Oskolki werkt en Lejkin zou opvolgen (maar pas in 1906), schrijft hij:

À propos. De feestdagen hebben me rond de 300 gekost. Ben ik niet waanzinnig? Nee, het is erg familie te hebben. Overigens heb ik gisteren een jonge dame, terwijl ik haar naar huis begeleidde, een huwelijksaanzoek gedaan... Ik geraak van de regen in de drop. Zegen mijn huwelijkswens.

Het betrof vermoedelijk, zo annoteert Urban, Jevdokia Isajakovna Efros, later - na haar huwelijk, naar ik aanneem - Konovitsjer, een vriendin van Tsjechovs zus Masja die met haar school had gegaan. Masja zal het (in 1956) nog bevestigen in een brief. Met Dunya zal het, aldus Rayfield, slecht aflopen. Ze werd in 1943 in Frankrijk gearresteerd en kwam om het leven in de gaskamer. In een latere brief aan dezelfde Bilini, van 1 februari 1886, komt Tsjechov op zijn huwelijksaanzoek terug:

[...] Nu over mijn bruid en Hymeneus [God van het huwelijk]. [...] Als ik over vrouwen spreek die me bevallen, dan rek ik de conversatie gewoonlijk tot het nec plus ultra, tot aan de zuilen van Hercules - een trek die ik heb overgehouden aan mijn gymnasiumtijd.... Dank uw bruid voor haar oplettendheid en zeg haar dat mijn bruiloft, waarschijnlijk - ach en wee, niet door de censuur zal geraken Mijn zij is namelijk joodse. Heeft de rijke jodin de moed het orthodoxe geloof aan te nemen met alle gevolgen van dien, in orde, heeft ze dat niet, dan niet... Bovendien hebben we al ruzie gehad. Morgen zullen we ons verzoenen en over een week hebben we weer ruzie. Uit ergernis dat de godsdienst haar in de weg staat, breekt ze op mijn bureau mijn potloden en fotolijsten, dat is haar aard. Een verschrikkelijk boosaardig vrouwmens... Dat ik binnen 1 of 2 jaar na de bruiloft van haar zal scheiden, staat vast. Maar ... finis.

Eind januari 1886 krijgt hij een brief van Soevorin die hem vraagt te gaan bijdragen aan de Novoje Vremja (Nieuwe Tijd). En dat is misschien wel de belangrijkste krant van Rusland op dat moment. Lejkin reageert in elk geval zuur: dan kan Tsjechov daar zijn langere verhalen kwijt. Heel wat daarvan werden door Lejkin afgewezen omdat ze te lang waren, of hij knipte er wat hij de vervelendere stukken noemde uit. In februari 1886 verschijnt Tsjechovs eerste verhaal in Novoje Vremja, De dodenmis (nu in VW 2). Hij krijgt twaalf kopeken per regel betaald. Het tweede verhaal dat hij erin publiceert, De heks (VW 2), levert hem 75 roebel op, meer dan hij normaliter in éen maand van Oskolki kreeg. De Petersboergskaja Gazeta betaalde tot op dat moment 7 kopeken, maar zag zich al gauw genoodzaakt het honorarium gelijk te trekken met dat van Soevorin. Bovendien is Tsjechov opeens vrij zelf de lengte van zijn verhalen te bepalen en van inleverdata wordt niet meer gerept. Op 21 februari 1886 schrijft Tsjechov Soevorin een hartelijke dankbrief. Het zal het begin zijn van een langdurige en intieme vriendschap, die pas bij de Dreyfusaffaire ernstige schade zal oplopen, al zijn er ook eerder al her en der spanningen. Ook de briefwisseling die eruit ontstaat, is van belang, al duurt het nog even voordat ze echt op gang komt. Omdat Soevorin na Tsjechovs dood - bang als hij was voor publicatie ervan - zijn brieven terugvroeg en kreeg, hebben we alleen die van Tsjechov zelf aan Soevorin. Een gevolg ervan is ook dat Tsjechov voor het eerst begint te denken aan een serieuze literaire carrière. Aan Bilibin, de redactiesecretaris van Oskolki, die als lector de uitgave van zijn tweede bundel begeleidt, schrijft hij: Zou het na mijn debuut in Novoje Vremja denkbaar zijn dat ze me nu ook accepteren in de dikke bladen? Wat denk je? Hoewel Tsjechov humoristische verhalen blijft schrijven, verandert in de jaren 85-86 toch de toon. De gekozen onderwerpen worden serieuzer, verhalen worden langer, maar de onafhankelijkheid die eruit spreekt, brengt hem ook vaker in botsing met de censuur, die nu en dan ook wel weer gemakkelijk te omzeilen is, soms door enkel de titel van een verhaal te veranderen.

29 Viktor Viktorovitsj Bilibin (1859-1908), schrijver, journalist, redactiemedewerker bij het tijdschrift Oskolki, lector van Tsjechovs tweede bundel, In de schemering. Foto halverwege de jaren '80. Ik heb Bilinin leren kennen. Dat is een heel fatsoenlijke vent die je, in geval van nood, volledig kunt vertrouwen, uit een brief aan Aleksandr van 4 januari 1886. Bron: Urban, 1987 nr. 149

 V.V. Bilibin (1859-1908), halverwege jaren '80

30 Verhalen als De jager [Van Oorschot: De Koddebeier], De boosdoener, Verdriet, Sergeant Pribisjev en Een ramp zijn, zo schrijft Simmons, in dit jaar (met ruim 100 verhalen) toch eerder uitzonderingen. Veel ervan zijn merkbaar snel geschreven en hebben een simpele, vaak komische opzet. En in Petersburg is er iemand die zich daar danig aan ergert. Het is D. V. Grigorovitsj (1822-1899), éen van de auteurs uit de kring van Sovremmenik. Op de foto van de groep in kwestie is hij ook al aanwezig, nog als relatief jonge man. Grigorovitsj, zoon van een Russisch grootgrondbezitter en een Franse moeder, is op dat moment een grote naam in de Russische literatuur, al was er ook kritiek op zijn sentimentalisme en zou hij in deze periode zelfs ophouden te schrijven. Hij is overigens éen van de Slavofielen. Op 25 maart 1886 schrijft hij Tsjechov een brief. Die heb ik - uit het Engels dus - vertaald uit de biografie van Simmons, die hem in zijn geheel geeft. Urban citeert er alleen delen uit en Eekman geeft hem niet. Tsjechov antwoordt drie dagen later, op 28 maart 1886. Bij Urban is de reactie van Tsjechov nummer 44, bij Eekman 27. De twee hebben elkaar een paar maanden eerder in Petersburg (oppervlakkig) leren kennen. Boerenin is de belangrijkste literaire kriticus van Novoje Vremja, aan wie Tsjechov - op termijn - een intense hekel zou krijgen. Andersom was dat al vanaf het begin het geval.

AAN ANTON PAVLOVITSJ TSJECHOV
Geachte heer, Anton Pavlovitsj

25 maart 1886
Een jaar geleden of zo las ik toevallig een verhaal van u in de Petersboergskaja Gazeta; de titel herinner ik me niet meer. Ik weet alleen dat ik werd getroffen door de verdiensten van een buitengewone originaliteit en vooral van de opvallende precisie en juistheid in de beschrijving van mens en natuur.
Sindsdien heb ik alles gelezen wat de handtekening droeg van Tsjechonte, hoewel ik me inwendig ergerde aan een man die zo'n lage dunk van zichzelf had dat hij het nodig vond een pseudoniem te gebruiken. Terwijl ik u las, ried ik met regelmaat Soevorin en Boerenin aan mijn voorbeeld te volgen. Ze luisterden naar me en inmiddels twijfelen ze er net zo min als ik aan dat u een echt talent hebt, een talent dat u vooraan plaatst in de rij van schrijvers van een nieuwe generatie.
Ik ben geen journalist of publicist. Ik kan voor u alleen van nut zijn als éen van uw lezers. Als ik spreek van uw talent, spreek ik uit overtuiging. Ik ben bijna 65, maar ik voel nog steeds zoveel liefde voor de literatuur en ik volg de successen ervan nog steeds met zoveel vuur, dat me ik erover verheug wanneer ik er iets aantref waarin zoveel levends en begaafds zit, dat ik me er – zoals u ziet - niet van kan weerhouden beide handen naar u uit te steken.
Maar dat is zeker niet alles. Dit wil ik er nog aan toevoegen. Vanwege de zo verschillende verdiensten van uw onbetwijfelde talent – de precieze juisheid van innerlijke analyse, uw meesterlijke beschrijvingen (de sneeuwstorm, de nacht, de achtergrond in Agafja enz), de plasticititeit van uw gevoelens, die met een paar regels een compleet beeld oproepen (de wolken boven de ondergaande zon als “as boven dovende kolen”, enz) - ben ik ervan overtuigd dat u ertoe geroepen bent om bewonderenswaardig en werkelijk artistiek werk te scheppen. En u maakt zich schuldig aan een grote morele zonde als u die hoop niet waarmaakt. Alles wat daartoe nodig is, is respect voor een talent dat iemand slechts zo zelden ten deel valt. Houdt op met haastig schrijven. Ik weet niet hoe het gesteld is met uw financiële situatie. Als u arm bent, is het beter honger te lijden, zoals wij ooit deden, en uw indrukken te bewaren voor een rijp en voltooid werk dat niet in éen zitting is geschreven, maar tijdens de gelukkige uren van inspiratie. Eén zo 'n werk is honderd keer meer waard dan honderd aardige verhalen die op verschillende tijdstippen bij allerlei kranten terecht komen. Dan bereikt u in éen klap uw doel en verwerft daarmee de aandacht van ontwikkelde mensen en vervolgens van het hele leespubliek.
Waarom liggen er zo vaak motieven met een soort pornografische toon ten grondslag aan uw verhalen? Waarheid en realisme sluiten verfijning niet alleen niet uit, maar die wint er zelfs bij. U hebt zo 'n sterk gevoel voor vorm en voor het treffende, dat u het helemaal niet nodig hebt om van vieze voeten te spreken met ingegroeide teennagels of de navel van een ambtenaar. Dat soort details voegt helemaal niets toe aan de artistieke schoonheid van een beschrijving en ze bederven de indruk die u wekt bij een lezer met smaak. Weest u zo genereus dit soort opmerkingen van mijn kant te vergeven, want ik ik besloot ze enkel te maken omdat ik oprecht in uw talent geloof en van ganser harte verlang naar een zo volledig mogelijke ontplooiing ervan.
Een paar dagen terug hoorde ik dat u bezig bent een boek uit te geven met verhalen. Als het bedoeld is te verschijnen onder het pseudoniem van Tsjechonte, dan smeek ik u oprecht de uitgever te telegraferen om het onder uw eigen naam te drukken. Nadat uw recente verhalen in Novye Vremja en het succes van De jager [De koddebeier], zal het boek groot succes oogsten. Ik zou het op prijs stellen als u me liet weten dat u niet boos bent over mijn opmerkingen, maar dat u ze accepteert in de geest waarin ik ze schreef - niet als die van een autoriteit, maar uit de eenvoud van een oud hart.

30 Dimitri Vasiljevitsj Grigorovitsj (1822-1899). Ca 1880. Bron: Urban 1987 nr. 146

D.V. Grigorovitsj (1822-1899). Ca 1880

31 AAN D. V. GRIGOROVITSJ
Moskou, 28 maart 1886
Uw brief, mijn goede, innig geliefde vreugdebrenger, heeft me getroffen als de bliksem. Ik barstte bijna in tranen uit, werd opgewonden en voel nu nog dat hij diepe sporen in mijn ziel heeft achtergelaten. Zoals u mijn jeugd hebt gevleid, zo moge God u een rustige oude dag schenken, maar ik vind woord noch middel om u te danken. U weet met welke ogen stervelingen opzien naar uitverkoreren zoals u; daaruit kunt afleiden wat uw brief voor mijn gevoel van eigenwaarde betekent. Het is meer waard dan welk diploma ook, voor een beginnend schrijver is het een honorarium voor nu en de toekomst. Het is alsof ik verdoofd ben. Ik heb niet de kracht om te beoordelen of ik deze hoge beloning verdiend hebt of niet... ik kan alleen maar herhalen dat ze me diep heeft ontroerd.
Als ik inderdaad een talent heb dat ik zou moeten achten, dan beken ik voor uw eer en gemoed dat ik dat tot nu toe niet heb gedaan. Ik heb gevoeld dat ik het had, maar was gewend het te geringschatten. Om tegenover jezelf onrechtvaardig, argwanend en wantrouwend te zijn, daartoe volstaan voor de geest gronden van zuiver uiterlijke aard... en dat soort gronden had ik, nu ik erover nadenk, in ruime mate. Al mijn vrienden hebben zich over mijn geschrijf altijd laatdunkend uitgelaten en me onophoudelijk de raad gegeven dat ik mijn echte werk niet opzij moest zetten om in plaats daarvan papier vol te smeren. Ik heb in Moskou honderden bekenden, daaronder toch ook twee dozijn schrijvende, en mij staat er niet éen bij die me ooit heeft gelezen of een kunstenaar in me zag. In Moskou bestaat er een zogenaamde literaire kring: talenten en middelmatigen van alle leeftijden en allerlei soort komen er éen keer per week bijeen in een achterzaaltje van een restaurant en laten daar hun tong de vrije loop.  Als ik er heen zou gaan en ook maar een stukje van uw brief zou voorlezen, zou men me recht in mijn gezicht uitlachen. In de vijf jaar van mijn dwaaltochten door de krantrenwereld heb ik me de algemene opvatting over mijn literaire onbeduidendheid eigen gemaakt, heb me aangewend neer te kijken op mijn eigen werk, en .. schrijven maar. Dat is éen oorzaak. De andere is dat ik arts ben en tot over mijn oren in de geneeskunde zit, zodat het spreekwoord van de twee hazen niemand slapelozer nachten bezorgt dan mij.
Ik schrijf dit alles alleen om  me enigszins voor u te rechtvaardigen voor mijn zware zonde. Tot nu toe heb ik me tegenover mijn literaire werk uiterst lichtzinnig, nonchalant en onbezonnen gedragen. Ik herinner me niet éen verhaal waaraan ik langer dan vierentwintig uur heb gewerkt, en De Jagers, dat u zo beviel, heb ik in het badhuis geschreven. Zoals verslaggevers hun berichten schrijven over een uitslaande brand, zo schreef ik mijn verhalen: mechanisch, half onbewust, zonder aan de lezer te denken of aan mezelf. Ik schreef en probeerde op elk denkbare wijze aan verhalen figuren en beelden te onthouden die me dierbaar waren en die ik, God weet waarom, zorgvuldig bewaarde en verborgen hield.
Het eerste wat me aanzette tot zelfkritiek was een voor zover ik kan beoordelen oprechte brief van Soevorin. Ik begon me voor te nemen iets van waarde te schrijven, maar het mankeerde me aan geloof in mijn eigen literaire waarde.
En daar kwam – onverwachts en onverhoopt – uw brief. Vergeeft u me de vergelijking, maar op mij had hij de uitwerking van  een bevel van de gouverneur om binnen 24 uur de stad te verlaten, dat wil zeggen dat ik plotsklaps de dringende behoefte voelde gehaast en zo snel mogelijk weg te komen vanwaar ik was blijven steken.
Ik ben het in alle opzichten met u eens. Het cynisme dat u me toeschrijft, heb ik zelf ook gevoeld toen ik De heks in druk zag. Daar zou geen sprake van geweest zijn als ik over het verhaal drie of vier dagen had gedaan in plaats van éen. Ik zal me bevrijden van dat haastwerk, maar nu nog niet. Het is onmogelijk zo snel uit het spoor te raken waar ik in ben terechtgekomen. Het is niet zo dat ik erop tegen ben honger te lijden, want honger heb ik al gehad, maar de kwestie raakt niet alleen mij. Ik besteed mijn vrije tijd aan schrijven, twee of drie uur per dag en 's nachts een beetje, en dat wil zeggen dat ik alleen tijd heb voort kleine dingen. Van de zomer, als ik meer tijd heb en minder kosten, zal ik me zetten aan serieuzer werk.
Om mijn eigen naam op mijn boek zetten, is het te laat, want de omslag is al af en het is gedrukt. Behalve u hadden al heel wat andere Petersburgers me aangeraden mijn boek niet te bederven met een pseudoniem, maar ik heb niet naar ze geluisterd, vermoedelijk uit ijdelheid, want het boekje bevalt me helemaal niet. Het is een rommeltje, een ordeloos allegaartje van studentenstukjes, die nog zijn misvormd door de censuur en de redacties van de komische tijdschriften ook. Ik geloof dat velen die het zullen lezen, teleurgesteld zullen zijn. Als ik geweten had dat men mij las en u op me let, dan had ik het boek niet laten uitgeven.
Al mijn hoop is gevestigd op de toekomst. Ik ben pas 26. Misschien gaat het me nog lukken iets te presteren, ook al gaat de tijd snel.
Vergeeft u mij deze lange brief en wees niet boos op iemand die voor het eerst in zijn leven heeft gewaagd zichzelf het plezier te gunnen een brief te schrijven aan Grigorovitsj.
Stuurt u me alstublieft uw foto als dat kan. Ik ben zo door u gevleid en in de wolken gebracht dat ik u niet maar éen vel zou willen schrijven, maar een hele riem papier. Dat God u gezondheid en geluk moge geven en weest u overtuigd van de oprechtheid van de u hoogachtende en zeer dankbare A. Tsjechov.

31 Brief aan D.V. Grigorovitsj van 18 maart 1886. Bron: Urban 1979-1

Brief aan D.V. Grigorovitsj van 18 maart 1886

32 Aleksej Sergejevitsj Soevorin (1834-1912) speelt in het leven van Tsjechov een belangrijke rol. Hij werd geboren in het dorp Kosjevo, in de steppenprovincie Voronezj. Zijn analfabetische vader had zich in de Napoleontische oorlog onderscheiden, werd uiteindelijk tot kapitein benoemd en verkreeg daarmee een rang die toegang verschafte tot de erfelijke adel. De jonge Aleksej krijgt een staatsbenoeming bij het kadettenkorps van Voronezj. En dat was een militaire academie die uit vijf provincies slechts honderd jongens aannam. Hij kreeg er een uitstekende opleiding. Ambler merkt op dat het met de boerenafkomst van Soevorin, waar die altijd zo prat op ging, dus wel meeviel. Dat neemt niet weg dat zowel hij, als Tsjechov, beiden van lijfeigenen afstamden. Als Soevorin op zijn negentiende niet de financiële middelen heeft om naar de universiteit te gaan, keert hij terug naar huis en wordt er onderwijzer op een school in Bobrov. In 1859 krijgt hij een benoeming in Voronezj zelf en kort daarna begint hij te schrijven en debuteert, net als Tsjechov later zal doen, met komische schetsen, maar vertaalt ook Franse literatuur. Hij is nog een echte Europees gezinde liberaal. Het zijn de jaren dat de tijdschriften in Rusland als paddestoelen uit de grond schieten, in het begin van het bewind van Alexander II. In 1861 vertrekt hij naar Moskou, als redactiesecretaris van Russkaja Rech (Russische spraak). Hij raakt bevriend met Pletsjejev, vaag-linkse schrijver uit de utopistische Petrasjevski-kring, die is teruggekeerd uit Europa na de amnestie van Alexander II. Dostojevksi was ook bij de groep betrokken. Soevorin zal bijdragen aan éen van de kort bestaande tijdschriften die Lev Tolstoj wijdt aan onderwijs en opvoeding. Met diens opvattingen is hij het op dat moment blijkbaar eens. Voor een filantropisch vrouwengenootschap dat zich ten doel stelt goedkope educatieve literatuur te verspreiden, schrijft hij een aantal werken, waarvan er éen kortstondig wordt geselecteerd door het Ministerie van Onderwijs, al gebeurt dat onder de progressieve Minister Golovnin. Een tijdschrift als Sovremmenik laat er zich gematigd positief over uit. Hij schrijft nog steeds ook verhalen. In 1863 vertrekt hij naar Sint-Petersburg, als redactiesecretaris in dienst van de liberaal V.F. Korsj voor de oudste Russische krant, Petersburgskije Vedomosti (Petersburgse Gazet). Kort na de mislukte moordaanslag op Alexander II, wordt de censuur aangescherpt. Soevorins eerste vrouw geeft zelf ook educatieve literatuur uit, zo bijvoorbeeld Jules Verne, dat aanvankelijk in problemen komt, maar ten slotte toch wordt uitgegeven. Het enige boek dat uiteindelijk echt wordt verboden is een bundel van haar man, onze Soevorin: Allerlei soorten, schetsen uit het dagelijks leven. Want na een tijdje allerlei functies te hebben vervuld, neemt Soevorin - onder het pseudoniem De vreemdeling van de krant de zondagsfeuilleton over, en dat was een zondagse column met luchtig commentaar op de alledaagse gebeurtenissen. Eén decennium later is hij de bekendste feuilletonschrijver van Rusland. Wat in Rusland in de negentiende eeuw feuilleton werd genoemd, bestond in elke krant uit het onderste derde deel van de voorpagina. Daar kon van dag tot dag iets anders staan, een rubriek over muziek, over literatuur of over dagelijks nieuws. Het onderdeel gaf vaak aanleiding tot polemiek en er bestonden allerlei depreciërende betitelingen voor, maar tegelijkertijd bood het vanwege de vage afgrenzing een grote mogelijkheid tot principiële stellingname. Alle kranten hadden zo'n afdeling en allemaal op dezelfde plaats. Soevorin verwierf er aan het begin van de jaren '70 een groot lezerspubliek mee. Toen hij in 1875 twee delen uitbracht met oude feuilletons, die noodzakelijkerwijs dus nauwelijks meer van actueel belang waren, zo schrijft Ambler, waren die binnen een paar dagen uitverkocht. De in beslag genomen bundel uit 1865, die niet behoorde tot de reeks waarmee Soevorin zijn beroemdheid verwierf, bestond uit een serie waarin allerlei prominenten zich in anecdotische vorm uitlieten over actuele kwesties. Daarin waren hedendaagse zaken herkenbaar, nauwelijks vermomde reële personages, er werd geroddeld en gelasterd, en aan het eind verscheen er iemand die een mysterieuze opmerking maakte, die dan de week erna werd opgelost. De maatschappelijke en politieke kritiek die erin voorkwam, was soms zo scherp dat de redactie van de krant op een gegeven moment de column staakte, waarna Soevorin besloot alles in boekvorm uit te brengen. En dat boek werd door de censtuur verboden. Het proces erover trok veel aandacht. De dichter Nekrasov spendeerde er (op rijm) een klaaglied aan. Nadat Soevorin in eerste instantie werd veroordeeld tot drie maanden gevangenis, werden er dat ten slotte drie weken. Hij keerde vervolgens terug naar de redactie van Petersburgskije Vedomosti, waar hij, zoals gezegd, al snel éen van de populairste bijdragers werd, terwijl hij ook nog schreef voor de Europese Bode, éen van de dikke (liberale en bovendien meest wetenschappelijke) tijdschriften, dat van 1866 tot 1918 verscheen. Soevorins opvattingen in deze jaren zijn nog steeds oprecht liberaal. Hij verdedigt de oudgelovigen, wier reputatie in deze jaren omstreden is, wijdt veel aandacht aan de positie van de vrouw en verdedigt haar recht op hoger onderwijs, terwijl hij er in de kwestie van het groeiende nationalisme, waarvan soms allerlei groepen het slachtoffer zijn, de Baltische Duitsers bijvoorbeeld, of nationalistisch gezinde Oekraïners, tolerante opvattingen op na houdt. Wel raakt hij geleidelijk pro-Duitser en anti-Franser, waarbij hij de Duitse geleidelijke vooruitgang stelt boven de Franse, schoksgewijze. Hij neemt ook wat hij de plutocraten noemt, de speculanten en beleggers, op de korrel. Zo rond 1875 wordt hij algemeen beschouwd als een verlicht en liberaal voorvechter van de hervormingen waar in Rusland door intellectuelen zo algemeen voor werd gepleit.

Ik vind het opmerkelijk dat Ambler in zijn aan Soeverin gewijde studie - van 1972 - geheel zwijgt over een persoonlijk drama dat Soevorin in 1873 zou hebben getroffen. Zowel Rayfield in zijn Tsjechov-biografie, als Bartlett in die van Tolstoj - beide echter van veel recenter datum - vermelden de kwestie. In september 1873, zo schrijft Bartlett, wordt de dan 33-jarige vrouw van Soevorin, moeder van vijf kinderen - iets wat in elk geval klopt: twee dochters, drie zoons - in een bekend Petersburgs hotel aan de Nevskiprospekt door haar minnaar, een jonge, voormalige officier en vriend van de familie, Tomofeji Komarov, van dichtbij in het gezicht geschoten. Ze overlijdt ter plekke, waarna de dader zelfmoord pleegt. Rayfield vat de kwestie anders samen en spreekt van een zelfmoord-pact. Tolstoj was in de kwestie geïnteresseerd, omdat hij werkte aan Anna Karenina. Bovendien kende hij, zoals vermeld, Soevorin, en hij zou nog vaker met hem te maken gaan krijgen. Het schandaal dat ontstond, baarde in Rusland veel opzien en de kwestie zou Soevorin toch ook niet onberoerd moeten hebben gelaten. De Russische Wikipedia geeft als sterfdatum van Soevorins eerste vrouw, Anna Ivanovna Baranova, overigens 1874. De enige die Tsjechov leerde kennen, was in elk geval Soevorins tweede (en twintig jaar jongere) vrouw, Alexandra Lvovna Sokolova, over wie hij nu en dan zeer kritisch is omdat ze haar mond geen seconde kan houden en zoveel onzin uitslaat. In latere brieven, als de relatie met de Soevorins al veel schade heeft geleden, noemt hij haar achterbaks.

32 Aleksej Sergejevitsj Soevorin (1834-1912). Schrijver, publicist, uitgever van de krant Novoje Vremja. Van 1887 tot 1899 uitgever van Tsjechov. Portret van I.N. Kramskoj, 1876. Olie op linnen, 138 x 88 cm. Sint-Petersburg, Hermitage. Bron: Urban 1987 nr. 143

I.N. Kramskoj, Portret van A.S. Soevorin (1834-1912), 1876

33 In februari 1876 koopt Soevorin, samen met de jurist en liberale publicist Likatsjev de krant Novoje Vremja (Nieuwe Tijd) van de vorige uitgever, voor de som van 30.000 roebel. De krant is al snel succesvol. Binnen een jaar kan de lening waarmee hij was gekocht, worden afgelost. Het feit dat uitgerekend Soevorin, martelaar der censuur, hem koopt wekt bij liberalen en progressieven bovendien alom de hoop dat er nu een belangrijk liberaal platform zal ontstaan. Als de krant in februari 1876 in zijn nieuwe vorm verschijnt, vrezen velen desondanks dat hij het, met een oplage van 13 tot 15.000 niet lang zal uitzingen. Maar dat zal meevallen, want het is de tijd dat de Servische christenen van Herzegovina in opstand komen tegen de Ottomaanse regering. In sommige Russische kringen bestaat de neiging militair in te grijpen en de broeder-christenen te helpen. Aan het eind van de jonge, in tijdschriften verschenen versie van Tolstojs Oorlog en vrede, die een paar jaar geleden ook in Nederland werd uitgegeven, neemt de ongelukkige - maar in deze versie overlevende - vorst Andrej zijn toevlucht tot een eerdere, soortgelijke actie. Na aanvankelijk gematigde opvattingen, neemt Soevorin, die zelf als correspondent naar het oorlogsgebied gaat, een steeds patriottistischer houding in, en als Alexander II begin april 1877 Turkije de oorlog verklaart, is Novoje Vremja de krant met de extreemste opvattingen. Het is opvallend dat, waar het aanvankelijk de progressieven zijn, de socialisten en anarchisten, die als eersten klaar staan om de Servische broeders te hulp te schieten, terwijl Soevorin gematigd is, dat een jaar later precies andersom is. Vanaf dat moment wordt Soevorin door progressieve Russen als een overloper gezien, iemand die meehuilt met de wolven. De progressieven meenden inmiddels dat de echte vijand in Rusland zelf huisde en dat de oorlog tegen de Ottomanen een afleidingsmanoeuvre vormde, precies zoals Soevorin zelf bij eerdere gelegenheden had geschreven. In een jaar tijd is hij terecht gekomen in het kamp van de Slavofielen die hij ooit zo verfoeide. In een paar jaar tijd is zijn krant de grootste van Rusland geworden. Uit zijn dagboeken blijkt dat Soevorin zelf in de jaren '90 en het begin van de twintigste eeuw, terwijl zijn krant de repressie steunde, een diepe minachting koesterde voor de autoriteiten die ervoor verantwoordelijk waren. Dat neemt niet weg dat hij, naarmate het aantal aanslagen op Alexander II toenemeemt, hardnekkiger en emotioneler zijn partij zal kiezen, terwijl zijn krant ondertussen ook steeds anti-semitischer wordt. Velen zijn inmiddels de mening toegedaan dat Soevorin te koop is. De schrijver Saltykov-Shchedrin zal de krant een bijnaam geven die blijft hangen, vertaald: wat kan ik voor u doen? Nadat Soevorin in 1876 de krant heeft gekocht, koopt hij een jaar later een eigen drukkerij. Hij voert in Rusland als eerste een rotatiepers in, en een paar jaar later heeft hij er vier. Hij begint tevens een uitgeverij, met een groot aantal daaraan gelieerde boekhandels en verwerft het monopolie op al het drukwerk van de spoorwegen. Hij publiceert de stadsgidsen met adressen en familienamen voor steden als Moskou en Petersburg (Heel Rusland). Hij geeft - naar het voorbeeld van het Duitse Reclam, in goedkope edities klassiek literair werk uit. Op het hoogtepunt heeft Novoje Vremja een oplage van 600.000 exemplaren. Geleidelijk zal Soevorins zoon, Aleksej Aleksejevitsj Soevorin (1862-1937), bijgenaamd de kroonprins, de macht bij de krant overnemen. Tsjechov had een hekel aan hem.

33 Twee acteurs, links P.M. Svobodin (1850-1892) en rechts V.N. Davydov (1849-1925), met Tsjechov en A.S. Soevorin, januari 1889. Svobodin zou kort voor zijn dood in oktober 1892 Tsjechovs contact met Roesskaja Mysl herstellen, zodat zijn Zaal 6 er terecht kwam. Eerder, eind 1888, begin 1889, vinden twee toneelpremières plaats: Tsjechovs Ivanov in Sint-Petersburg, en Soevorins Tatjana Repina in Moskou. In Petersburg bekommert Soevorin zich om Ivanov, in Moskou Tsjechov om Tatjana Repina. Urban schrijft in het commentaar op deze foto: Deze groepsfoto met Tsjechov, Svobodin en Davydov is in de gehele Tsjechovliteratuur tot op heden de enige waar Soevorin op te zien is, vaak zelfs zonder zijn naam te vermelden. De welhaast oud-testamentische haat waarmee werk en persoon van Soevorin worden bejegend, lijkt pas recentelijk plaats te maken voor een nuchterder benadering. Bron: Urban 1987 nr. 204 Rayfield 1997 nr. 23

links P.M. Svobodin (1850-1892), rechts V.N. Davydov (1849-1925), met Tsjechov en A.S. Soevorin

34 1886 lijkt voor Tsjechov in sommige opzichten een moeizaam jaar. Op 6 april schrijft Tsjechov nog in een brief aan Lejkin:

Ik ben ziek. Ik hoest bloed en ik voel me slap... Ik schrijf niks... Als ik er morgen niet in slaag aan het schrijven te gaan, vergeef me. Dan stuur ik u niets voor het paasnummer van Oskolki... Ik zou naar het zuiden moeten, maar ik heb geen geld. Over een reis naar Petersburg zal ik nadenken. Ik kom vermoedelijk wel, als geldgebrek of ziekte me er niet van afhoudt. [...] Ik ben bang een onderzoek van een collega te ondergaan... Opeens ontdekken ze wat, een vertraagde uitademing of een vermindering... Mij lijkt het dat het minder aan de longen ligt dan aan mijn keel.

Maar hij gaat toch. Nadat hij in maart 1886 voor het eerst in Soevorins Novoje Vremja (Nieuwe Tijd) heeft gestaan, hij zijn brief heeft gekregen van Grigorovitsj en hem heeft teruggeschreven, krijgt Tsjechov de smaak van Sint-Petersburg te pakken, want op vrijdag 25 april 1886 arriveert hij er weer, om er twee weken te blijven. Hij huurt een gemeubileerde kamer aan de Nevski Prospekt bij een koopman, schaft mantel, broek en schoenen aan en presenteert zich in het nieuw gestoken bij oude bekenden en recente vrienden. Hij bezoekt Bilibin met wie hij al heeft gecorrespondeerd, lector van zijn tweede boek, op de redactie van Oskolki, vervolgens de burelen van Petersboergskaja Gazeta en die van Novoje Vremja. Aan Aleksandr doet hij op de dag van aankomst al op schertsende toon verslag: De secretaresse Leontjeva, die me altijd mijn geld stuurt, ziet er niet slecht uit. Van Soevorin is Tsjechov onder de indruk. Hij marchandeert niet, stelt geen eisen en betaalt goed. Geef je moeite, jongmens, zei hij. Ik ben over u tevreden, maar ga vaak naar de kerk en drink geen wodka. Laat me uw adem ruiken. Soevorin, die niets rook, draaide zich om en riep: Jongen! Er verscheen een jongen die het bevel kreeg thee te brengen met suiker in koppen zonder schotel. Vervolgens verschafte de vereerde heer Soevorin mij geld en zei: Met geld moet men oppassen. Na twee weken keert Tsjechov vanuit Petersburg terug naar Moskou, om kort daarna al te vertrekken naar Babkino voor zijn zomerverblijf. Daar werd hij op 1 mei verwacht. Eerder nog, op 14 februari, voor zijn verblijf in Sint-Petersburg, had hij aan Bilibin geschreven, toen die begon over zijn pseudoniemen:

[...] Ik heb na enig overleg toch de voorkeur gegeven aan een pseudoniem, en niet zonder reden. Mijn familienaam en mijn familiewapen heb ik aan de geneeskunde gewijd, die ik tot aan mijn dood zal blijven beoefenen. Met de literatuur zal ik vroeg of laat moeten stoppen. Ten tweede moeten de geneeskunde die zich serieus neemt en het spel der literatuur verschillende bijnamen hebben.

Maar als half mei zijn bundel Bonte vertellingen verschijnt, staat onder zijn pseudoniem op de titelpagina desondanks zijn eigen naam. Blijkbaar heeft hij daar toch nog voor gekozen, vermoedelijk vanwege de brief van Grigorovitsj. Hoewel hij doet alsof de kritieken hem niet deren, houdt hij ze zorgvuldig bij. De meeste zijn positief, maar éen niet. De criticus van éen van de dikke tijdschriften, de Severnije Vestnik (Bode van het Noorden), Skabisjevski, schrijft een vernietigend stuk, waarin hij Tsjechovs bundel gebruikt om korte metten te maken met alle moderne humoristen. Tsjechov zal de recensie altijd onthouden en hem 15 jaar later nog citeren in een gesprek met Gorki. Met de humorist, schrijft Skabisjevski, zal het aflopen als een uitgeperste citroen, en net als een uitgeperste citroen zal hij in totale vergetelheid ergens in een greppel eindigen. Uitgerekend Severnije Vestnik zal het eerste dikke tijdschrift zijn waarin Tsjechov terecht komt, met zijn Steppe namelijk.

Hierbij de omslag van Tsjechovs tweede boek. Bovenaan zijn pseudoniem: A. Tsjechonte. Daarachter tussen haakjes An. P. Tsjechov. An ter onderscheiding van zijn broer Aleksandr. Daaronder: Uitgeverij van het tijdschrift Oskolki. Helemaal onderaan: S.-Petersburg. Drukkerij R. Golike, Troitsjki per. 18-20, 1886 De met de hand geschreven opdracht is gericht aan Tsjechovs neef A.A. Dolsjenko: Aan de geliefde broer Alesja Dolsjenko, van de auteur A. Tsjechov. 86, IX, 21. Op 18 januari 1886 moet Tsjechov eerst nog aan Bilibin vragen om 9 verhalen die hij in de bundel wil opnemen, omdat hij zijn eigen gebonden uitgave van Oskolki niet kapot wil knippen. Hij schrijft: Mijn boek moet een hel oplichtende vlek zijn in de geschiedenis der Russische literatuur enz. enz. Het is een ieders plicht daaraan mee te werken enz. En daarom wees zo vriendelijk de handel te ondersteunen door mij de nummers van Oskolki te sturen die ik niet heb.

34 Anton Pavlovitsj Tsjechov. Tweede boek. Omslag Bonte vertellingen, 1886. Uitgeverij Oskolki, Sint-Petersburg. Bron: Urban 1987 nr. 147

Tsjechov, Omslag Bonte Vertellingen, 1886

35 Ook 's zomers heeft Tsjechov het in 1887 niet erg naar zijn zin. Hij krijgt op Babkino last van zijn gebit, moet er na een doorwaakte nacht voor terug naar Moskou, waar er twee tanden getrokken worden en krijgt na zijn terugkeer op het landgoed zoveel last van aambeien dat hij niet meer kan zitten. Als hij vanuit Babkino naar Zvenivogorod moet om er zijn collega Oespenski te vervangen, wordt hij weer ziek. In een brief aan Lejkin van 30 juli klaagt hij dat hij nergens in de Moskouse boekhandels een exemplaar van zijn boek heeft zien liggen, dat immers half mei was verschenen. Ook op een station onderweg was het niet verkrijgbaar, zo laat hij weten. Het is slecht weer in Babkino. In dezelfde brief schrijft hij aan Lejkin: Het weer is afschuwelijk. De hele zomer komt het in stromen naar beneden en het zal doorgieten tot in der eeuwigheid. Onze rivier is net als in het voorjaar buiten zijn oevers getreden, als na de dooi, zodat we vandaag vis hebben gevangen met een net. Het koren verrot en de oogst gaat verloren. De zomer ook. Dan is er nog het reeds vermelde gedoe tussen zijn zus en de schilder Levitan en ook de terugkeer naar Moskou in september levert problemen op, want het gezin is wederom verhuisd, omdat de woning van Klimenkov te luidruchtig was, nu naar een heel huis, aan een relatief deftige straat, Sadovaja Koedrinskaja, niet ver van het centrum. Het huis was eigendom van een collega-arts, Ja. A. Kornejev (1845-1921). De huur was 650 roebel. Sadovaja betekent zoiets als Tuinstraat. Kudrinskaja is van Koedrino, en dat is de wijk waar de straat lag. Om het bedrag te kunnen voldoen moest Tsjechov zijn horloge verpanden en zelfs de Turkse gouden munt die hij altijd als een soort talisman bij zich droeg en die hij ooit als betaling voor zijn medische diensten had verkregen, aldus tenminste broer Michail in zijn memoires. Het huis in kwestie is nu het Tsjechovhuis. Hij zal er welbeschouwd nog geen vier jaar wonen, tot hij in 1890 naar Sachalin vertrekt namelijk. Anderzijds, tot nu toe heeft hij het in geen enkel ander huis zo lang uitgehouden.

35 Moskou, Sadovaja Koedrinskaja. Tachtiger jaren negentiende eeuw. Bron: Urban 1987 nr. 154

Moskou, Sadovaja Kudrinskaja, ca. 1880

36 Het huis met de twee verdiepingen en de dubbele erkers deed Tsjechov denken aan een ladenkast. Op de begane grond bevonden zich zijn praktijk en studeerkamer, zijn eigen slaapkamer, die van Misja, en de keuken. Tsjechovs moeder en zus bewoonden de eerste verdieping, waar zich ook een eetkamer bevond en waar een gehuurde piano stond, waarvan de betaling Tsjechov trouwens met regelmaat problemen zou opleveren. Er stond ook een aquarium. Sommige onderdelen van het meubilair waren verkregen als honorarium van Boedilnik voor de gebroeders Tsjechov. De angst voor de tyfus waarvan Tsjechov in het volgende brieffragment getuigt, is niet denkbeeldig. Op een moment dat hij nog maar kort in zijn nieuwe huis woont, sterven twee van zijn patiënten aan tyfus, de moeder en de zuster van de schilder A.S. Janov. In maart 1887 zal zijn oude studiegenoot, Nikolaj Korobov, er bijna aan overlijden. Tsjechov haalt het doktersbordje bij de deur weg. In een brief aan Maria Kiseljova, bezitster van Babkino, schrijft hij op 21 september 1886:

[...] Overigens is het geen groot genoegen een groot schrijver te zijn. Ten eerste is het een droefgeestig bestaan... werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, en nut - weinig... Geld, niet de moeite waard... Ik weet niet hoe het met Zola en Sjtsjedrin is, maar bij mij is het rokerig en koud. Sigarettten geeft men me net als voorheen alleen op feestdagen. Onmogelijke sigaretten! Vast gedraaid, vochtig, worstvormig. Voordat ik opsteek, doe ik de lamp aan, droog daar de sigaret boven en rook hem dan op, waarbij de lamp walmt en sist, de sigaret knispert en zwart wordt en ik mijn vingers brand .. het is om jezelf dood te schieten. [...] Het doktersbordje heb ik tot op heden nog niet opnieuw laten aanbrengen, maar moet toch zieken behandelen. Brrrr... Ik ben bang voor de tyfus. [...] Overigens heeft de schrijverij ook goede kanten. Ten eerste loopt mijn boek volgens de laatste berichten niet slecht; ten tweede heb ik in oktober geld; ten derde begin ik enige lauweren te oogsten; aan het theaterbuffet wijst men mij met de vinger na, men maakt me een beetje het hof en onthaalt me op broodjes. Korsj heeft me in zijn theater opgevangen en me direct een jaarabonnement geschonken... De kleermaker Beloesov heeft mijn boek gekocht, leest het thuis voor en voorspelt me een schitterende toekomst. Mijn collega-artsen zuchten als ze me tegenkomen, brengen het gesprek op de literatuur en verzekeren me dat de geneeskunde hun de keel uithangt. Enz. [...] Op uw vraag aan mijn zus of ik al getrouwd ben, antwoord ik: nee, waar ik trots op ben. Ik sta boven het huwelijk! De weduwe Chloedova (die tussen haar vingers door spuugt) is naar Moskou gekomen. Hemel, red mij van de Serafijnen!

36 Moskou, Sadovaja Koedrinskaja nummer 6, het Tsjechovhuis. Dat idee van die ladenkast was niet zo ver gezocht. In tegenstelling tot hetgeen Lisette Lewin beschreef na een bezoek in september 1990 (NRC 6 november 1990) en terwijl het personeel van Melichovo zeer welwillend is, regeren de dames van dit huis nog met ouderwetse Sovjethand. Hebt u wel betaald om te mogen fotograferen? Niet meer dan drie foto's per kamer! Wel is het fijn te weten dat er zich de dames ten spijt in de nabijheid een Burger King bevindt. Zie hier voor meer foto's van Tsjechovs Moskouse huis. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Moskou, Tsjechovhuis, augustus 2012

37 Het gezin begint in te zien dat Antons activiteiten van nog veel meer belang zijn dan ze al dachten. Per slot van rekening dankt men hem in zeven jaar tijd een promotie van een kelderwoning in een achterbuurt naar een huis aan Sadovaja. Sommigen van hen zijn ingeschakeld voor de goede zaak. Aan het eind van 1886 komt Aleksandr dankzij Anton te werken bij Novoje Vremja. Hij is degene die de schrijver in Sint-Petersburg op allerlei manieren assisteert, zo bij de diverse tijdschriftredacties daar en bij Soevorin. Veel later, pas in 1899, zal ook Michail bij Novoje Vremja komen te werken. Ook zus Masja zal uiteindelijk een rol spelen in het literaire bedrijf van haar broer die steeds nadrukkelijker de rol van gezinshoofd vervult. Eind 1886 neemt hij haar tijdens zijn derde bezoek aan de stad mee naar Sint-Petersburg, waar beiden bij Lejkin logeren. Zowel broer Aleksandr als de nog veel ongedisciplineerdere Nikolaj worden in brieven van Anton soms toegesproken, op een toon die varieert van vriendschappelijk tot belerend, maar een enkele keer ook bijna arrogant is. Met Nikolaj gaat het slecht. Hij zal in 1889 sterven aan tbc, net als later de schrijver zelf. Op 29 september 1886 schrijft hij aan Maria Kiseljova: Nikolaj is bij me. Hij is ernstig ziek (maagbloedingen die hem verschrikkelijk uitgeput hebben). Gisteren was zijn toestand zorgwekkend, vandaag gaat het beter met hem, zodat ik hem toesta elk half uur een lepel melk te nemen. Hij ligt hier, op een nuchtere maag, zacht, bleek... Een maand later schrijft hij een brief aan de architect Frants Osipovitsj (Fjodor) Sjechtel (1859-1926) en vraagt hem geld te leen. Ernaast schetst hij zichzelf, hangend aan het plafond. Onder mij lucht, schrijft hij erbij. Als bijgaande artistieke weergave van mijn lot u geen medelijden inboezemt, Frants Osipovitsj, dan hebt u geen hart. Het staat er zo voor dat de firma Dokter A.P. Tsjechov & Co een financiële crisis doormaakt... Tsjechov zal aan Sadovaja wonen tot hij in 1890 naar Sachalin vertrekt. Als hij acht maanden later terugkeert, is het gezin - noodgedwongen - kleiner gaan wonen. Het huis is nu dus een museum, Dom-Muzei AP Chekhova, Sadovaja-Koedrinskaya Ulitsa 6. Het heeft geen website.

37 Michail Tsjechov, Tsjechovs huis aan Sadovaja Koedrinskaja. Potloodtekening in een brief aan neef G.M. Tsjechov, 20 februari 1889. Bron: Urban 1987 nr. 156

Michail Tsjechov, Woning Anton Tsjechov aan Sadovaja, 1889

38 Eind 1886, als Tsjechov met zijn zus Masja in Petersburg is - het is zijn derde bezoek - blijkt dat zijn reputatie snel groeiende is, terwijl hij het financieel nog steeds moeilijk heeft. Lejkin maakt zich er zorgen over dat hij de succesvolste auteur van Oskolki bezig is kwijt te raken, want die wordt van alle kanten besprongen met verzoeken om verhalen. Diens honorarium heeft hij verhoogd naar 11 kopeken, nog altijd minder dan Soevorins 15. Begin 1887 denkt Tsjechov erover de komische tijdschriften te laten vallen. Tegelijkertijd raakt hij gefrustreerd door wat hij schrijft. Het advies dat hij alom krijgt - schrijf minder - werkt hem op de zenuwen. Daarbij speelt wellicht ook De steppe een rol, een lang verhaal waar hij het idee voor heeft en dat bestemd is voor de dikke tijdschriften. Het is een tijd waarin zijn associatie met Soevorin kritisch ontvangen wordt, terwijl critici in verwarring zijn over deze zo talentvolle schrijver, wiens verhalen geen enkele boodschap lijken te hebben. Het is de tijd dat Tolstoj actief is met zijn schriftelijke preken: Mijn biecht, Mijn kleine Evangelie, Wat ik geloof en Wat te doen? Simmons merkt het op en daar heeft hij naar mijn idee groot gelijk in: tal van Tsjechovs verhalen uit deze periode tonen - op allerlei manieren - Tolstojs invloed, al zou het misschien beter zijn te spreken van een soort stilzwijgende reactie op wat Tolstoj allemaal schrijft, omdat Tsjechov op zo eigen, zuiver artistieke wijze reageert op Tolstojs ideeën en ze ten eigen bate gebruikt. Daarbij speelde ongetwijfeld ook een rol dat hij 's zomers bij de Kiseljovs van heel wat discussies getuige was en Tolstojs artikelen ook in het algemeen veel opzien baarden en alom werden besproken. Bij de Lintvarevs, waar hij in de zomer van 1888 en 1889 verblijft, is éen van de zoons een Tolstojaan. Het betreft bijvoorbeeld Voortreffelijke mensen, Een ongeluk en Een ontmoeting, alle drie uit 1885, De bedelaar, De kozak, en De brief, uit 1886. In dat laatste verhaal zondigt Tsjechov trouwens tegen iets wat hijzelf ooit had aanbevolen: schrap het begin en - hier - het eind. Nadat in december 1886 in Novoje Vremja zijn enthousiast ontvangen Onderweg is verschenen (VW 2) - verhaal waardoor Rachmaninov zich zou laten inspireren voor zijn Rots - en waarin bij een toevallige ontmoeting in een herberg een reiziger verslag doet van al de dingen waar hij ooit mee gedweept heeft, zodat hij op het terrein geraakt van Dostojevski en Tolstoj - schrijft hij op 14 januari 1887 aan Maria Kiseljova:

U hebt mijn Onderweg gelezen... Hoe bevalt u mijn stoutmoedigheid? Ik schrijf over knappe dingen en ben niet bang. In Petersburg heeft het furore gemaakt. Daarvoor heb ik "Weersta het kwaad niet" behandeld en daarmee het publiek net zo verbaasd. In hun nieuwjaarsnummers hebben allle kranten me gecomplimenteerd en in het decembernummer van Roesskoje Bogatsvo waarin Lev Tolstoj publiceert, is een essay van Obolenski verschenen (van 4 pagina's) met de titel Tsjechov en Korolenko. De jongen is enthousiast over me en beweert dat ik als kunstenaar groter ben dan Korolenko... Waarschijnlijk slaat hij onzin uit, maar toch begin ik een zekere verdienste te bespeuren: ik ben de enige die, zonder in de dikke tijdschriften te hebben gepubliceerd, enkel en alleen met krantenrommel de opmerkzaamheid van de wankelmoedige kritici veroverd heb - zoiets is nog niet eerder gebeurd.
In maart 1887 gaat hij weer naar Petersburg, leest in de trein op weg erheen Anna Karenina, bezoekt er zijn zieke broer Aleksandr en de eveneens zieke Grigorovitsj. Die laatste heeft inmiddels overal laten weten dat hij Tsjechov ontdekt heeft, iets wat onze schrijver nog een keer zal gaan ergeren. Tijdens een langdurig gesprek met Soevorin biedt die aan een derde bundel van Tsjechov te publiceren met alle verhalen uit Novoje Vremja en geeft hem bovendien 300 roebel voorschot. Die bundel wordt In de schemering, dat in augustus 1887 zal verschijnen. Omdat hij toch al met het plan rondliep naar het zuiden te gaan, naar het Dongebied, in wat nu Oekraïne is, nou ja, soort, misschien ook voor zijn verhaal De Steppe, vertrekt hij nu hij geld heeft bijna onmiddellijk, op 2 april 1887. Tien jaar eerder is Tsjechov uit Taganrog in Moskou aangekomen. Nu arriveert hij uit Moskou op 4 april in Taganrog, logeert er bij zijn oom Mitrofan, en gaat kort daarop door naar Novotsjerkassk, zo'n 30 kilometer ten noordoosten van Rostov aan de Don, waar hij getuige is bij het huwelijk van een vriend, reist door naar het steppengebied bij Ragozina Balka, het ravijn van Ragozina. Hij verblijft er bij de Kravtsovs, een kozakkengezin dat hij een jaar eerder heeft leren kennen toen hij een zoon bijles gaf en verblijft er tien dagen onder de eenvoudigste omstandigheden. Vandaar reist hij naar een klooster aan de Donjets, Svyaty Hory (Heilige heuvels). Hij is er aanwezig bij een processie ter ere van Sint Nikolaas. Vandaar keert hij terug naar Taganrog en Moskou.

38 Russische spoorwegnet rond 1870. Bron: Urban 1987 nr. 161

Russisch spoorwegnet rond 1870

39 Het is opvallend hoe onrustig Tsjechov zijn hele leven lang kan zijn. Hij was zeer sociaal, dol op gezelschap, fungeerde dan, naar altijd wordt beweerd - hoe moeilijk ik me dat ook kan voorstellen van de op foto 's altijd zo gedistantieerd ogende Tsjechov - als gangmaker en komediant, maar zodra het er was, zonderde hij er zich ook vaak van af, of leek er zelfs voor op de vlucht te slaan. Later zou hij zowel op Melichovo, als op Jalta, naast of in de buurt van zijn hoofdverblijf onmiddellijk iets anders laten bouwen waar hij zich kon terugtrekken als er veel bezoek was, dat hij dus zelf - oprecht en welgemeend - had uitgenodigd. Ook voor de leden van het eigen gezin sloeg hij soms op de vlucht. Met zijn zeer vrome vader kon hij geen verstandig woord wisselen en ook zijn moeder, die zielsveel van hem hield, werkte hem vaak op de zenuwen. Vrienden merkten op hoe vaak het gebeurde dat Tsjechov plotseling uit hun midden verdween. Zijn onregelmatig gereis ving vaak zeer à l' impromptu aan. Als zijn broer Nikolaj, door hem in brieven aan derden meestal de schilder genoemd, in de zomer van 1889 stervende is, verpleegt hij hem op zijn zomerverblijf in Soemy dat hij van de Lintvarevs heeft gehuurd en zit hij er eigenlijk op hete kolen omdat hij graag weg wil. Aan collega-arts Obolonski schrijft hij: Misschien kom ik naar Kislodovsk, maar niet voor augustus. Om begrijpelijke redenen. Als kort daarop zijn broer Aleksandr verschijnt, die trouwens in Loeka voor de kerk zal trouwen met zijn tweede vrouw, beschouwt Tsjechov hem blijkbaar als aflossing van de ziekenwacht en neemt, terwijl het verschrikkelijk weer is, toch met een paar anderen de wijk naar vrienden van de Lintvarevs, de Smagins, in het goevernement Poltava, om daar de ochtend na zijn aankomst per telegram het bericht van de dood van zijn broer te moeten vernemen. Nikolaj wordt begraven op het dorpskerkhof van Loeka. Anderen valt het op hoe Tsjechov, bij al zijn schijnbare openheid, ook heel gesloten kan zijn over dingen die hem werkelijk raken. Voor volkomen onbekenden getroost hij zich soms de grootste moeite. De talrijke manuscripten die hij ontvangt van would-be-schrijvers becommentarieert hij allemaal even zorgvuldig. Eén van de redenen waarom ik Simmons' biografie zo goed vind, is dat hij zo 'n fijn gevoel heeft voor het bijzondere karakter van Tsjechovs sociale eigenaardigheden en terwijl hij al die, soms tegenstrijdige karaktertrekken nauwgezet documenteert, een portret schildert van een gecompliceerd mens dat werkelijk overtuigt, iets wat naar mijn idee geen enkele andere biograaf op zo subtiele wijze is gelukt.

Tsjechov is op 17 mei 1887 uit het zuiden terug in Moskou en vertrekt de volgende dag naar Babkino, waar hij voor de derde opeenvolgende keer - en voor het laatst - de zomer zal doorbrengen bij de Kiseljovs, terwijl hij overweegt een datsja aan te schaffen aan de Zee van Azov, in Zuid-Rusland dus. Dat zal ten slotte niet gebeuren. Ook in januari 1888 en januari 1889 zal hij Babkino nog bezoeken, die laatste keer vermoedelijk met een speciale reden. Sachalin! In februari 1888 biecht hij aan de Kiseljovs op dat hij de zomer van dat jaar het verblijf in Babkino inruilt voor een huis in het dorpje Loeka, langs de rivier de Psol, vlakbij Soemy, in Oekraïne, al heette dat voor Tsjechov natuurlijk nog gewoon Malorossiya: Klein-Rusland. Maandenlang verkeert hij mentaal gesproken blijkbaar in ongemakkelijke omstandigheden, en wat hem in deze tijd dwars zit, is niet helemaal duidelijk. Maar ook op Babkino voelt hij zich blijkbaar niet meer thuis en het verschijnen van zijn derde boek, in augustus, verandert daar niets aan. In de schemering wordt eind juli gepubliceerd bij Soevorin, in een oplage van 1500 exemplaren. Het kost 1 roebel. Simmons citeert cryptische passages uit brieven van september 1887 die van Tsjechovs getob blijk geven, zonder dat hij erin slaagt vast te stellen wat er precies aan de hand is. Ook al is dat duidelijk niet de enige kwestie en zijn er dus blijkbaar ook zaken van privé-aard die hem dwars zitten, Simmons gelooft dat Tsjechov in deze jaren vooral worstelt met het verwijt, dat hij nog zo vaak te horen zal krijgen, namelijk dat het hem ontbreekt aan maatschappelijke betrokkenheid. Ook naar aanleiding van zijn nieuwe bundel zal door critici worden geschreven: richtingloosheid, en: Vragen zonder antwoorden, antwoorden zonder vragen. In september stelt Soevorin via Aleksandr voor dat Tsjechov naar Petersburg verhuist, voor Novoje Vremja komt werken, voor een maandsalaris van 200 roebel. Tsjechov weigert het aanbod, op voor hem karakteristieke wijze. Maar hij zit weer in geldnood en in plaats daarvan verkoopt hij aan de uitgever Verner voor 150 roebel een aantal verhalen voor een privé-uitgave (Onschuldige woorden). In de bundel, die welbeschouwd zijn vijfde uitgave is, werden 21 verhalen opgenomen uit de jaren tussen 1884 en 1887. Kort daarop verschijnt op zijn Moskouse adres de schrijver Korolenko. Die probeert hem ertoe over te halen langere verhalen te schrijven en die dan te publiceren in Severnij Vestnik (Bode van het Noorden), éen van de dikke bladen. Aleksandr laat zijn broer weten dat er eind oktober welgeteld 315 ezels zijn geweest die zijn bundel hebben gekocht, maar dat de inkomsten zodoende nog niet opwegen tegen de drukkosten van 391 roebel. In december verschijnt wat voor lange tijd zijn laatste verhaal zal zijn in Oskolki. Tsjechov schrijft ondertussen in een maand tijd zijn toneelstuk Ivanov. In oktober 1887 is hij aanwezig bij de repetities. Aan Aleksandr schrijft hij op 24 oktober 1887:

Het stuk zal beslist met succes worden gespeeld - daarvan zijn Korsj en zijn acteurs overtuigd. Ik ben daar niet van overtuigd. De spelers hebben geen idee, slaan onzin uit, nemen de verkeerde rollen en ik ga de strijd aan, omdat ik geloof dat als het stuk niet in de door mij gewenste bezetting wordt gedaan, het een fiasco wordt. Als ze het niet doen zoals ik wil, zal ik om een blamage te vermijden het stuk terug moeten trekken. Een ongemakkelijke en volkomen onaangename zaak. Als ik dat had geweten, had ik me er niet mee ingelaten.

Maar in november gaat het toch met veel succes in première, ondanks al zijn angstige voorgevoelens. Hij wordt verschillende keren op het podium geroepen. Toch is er tijdens de voorstelling ook veel onrust, zowel positief als negatief. Bij de uitvoering betrokkenen melden dat ze nog nooit zoiets hebben meegemaakt. Van de theatereigenaar Korsj krijgt hij 8 procent van de avondontvangst. Maar als hij op 20 november aan Aleksandr verslag doet, is hij uiterst negatief, waarbij hij zich erg kritisch uitlaat over de acteurs, maar eigenlijk over alles wat met de voorstelling te maken heeft. Sommigen van hen zal dat op een later tijdstip nog ter ore komen, waarna hij zich moet verontschuldigen. In december gaat hij naar Sint-Petersburg, wat zodoende enigszins op een gewoonte gaat lijken, want ook aan het eind van de vorige twee jaar deed hij dat. Hij verblijft deze keer bij Aleksandr. Aan de in Moskou achtergebleven gezinsleden schrijft hij op 3 december: Ik woon bij Aleksandr. Smerigheid, stank, gehuil, leugens; eén week bij hem wonen is genoeg om de pest te krijgen en te vervuilen als een vaatdoek. Daar tegenover staat dat Piter geweldig is. Ik voel me als in de zevende hemel. Met kerst is hij weer terug in Moskou.

39 Anton Pavlovitsj Tsjechov. In de schemering. Sint-Petersburg, 1887, Uitgeverij A.S. Soevorin. Omslag van de derde bundel van Tsjechov, die daarvoor in 1888 de Poesjkinprijs zou krijgen, eenstemmig toegekend door de Academie van Wetenschappen. Grigorovitsj zat in de jury. Het bedrag van de prijs was 1000 roebel, maar Tsjechov krijgt de helft. In de schemering is een allegorie: het leven is schemering en de lezer die het boek koopt moet het tijdens de schemering lezen, als hij bijkomt van de dagelijkse arbeid. Prijs van het boek 1 roebel. Stuur me mijn 'Onderzoeksrechter.' Uit een brief aan Aleksandr van 26 mei/3 juni 1887. Bron: Urban 1987 nr. 172

Tsjechov, In de schemering, 1887

40 Van 3 tot 6 januari gaat Tsjechov opeens toch weer naar Babkino. Het zal, afgezien van een erg kort bezoek in januari 1889, de laatste keer zijn dat hij er komt. Hij begint nu serieus te werken aan De steppe. Aan Leontejev-Tsjeljov (1856-1911), bevriend collega-auteur, schrijft hij op 1 januari: Laat maar aan de goede Pletsjejev weten dat ik een kleinigheid schrijf voor Severnij Vestnik, (dat literaire weduwenhuis). Wanneer ik het af heb, weet ik niet. (....) Ik schrijf een steppenverhaal. Ik schrijf en voel daarbij dat het niet naar hooi ruikt. Aleksej Nikolajevitsj Pletsjejev (1825-1893) heeft hij tijdens zijn laatste bezoek aan Petersburg leren kennen. Hij is schrijver, vertaler en redacteur van de Moskouse Bode, Severnij Vestnik dus. Het blad had een aantal vrouwen als redacteur, wat misschien de opmerking over de weduwen verklaart. Na het verbod door de censuur van een ander tijdschrijft is de Moskouse Bode het tijdschrift geworden van degenen die, zo schrijft Urban, de idealen van de zestiger jaren hoog houden. Tsjechovs eerdere reis naar het Dongebied in april 1887 heeft hem blijkbaar genoeg stof opgeleverd. Pletsjejev zat al een tijd achter hem aan voor een verhaal en Korolenko is er al voor bij hem op bezoek geweest. Ook Grigorovitsj had hem weer gemaand: schrijf een langer, serieuzer verhaal. Die schreef op 30 december 1887 uit Nice een brief, waarin hij Tsjechov (opnieuw) hogelijk prees, nadat hij diens In de schemering had gelezen. Net zo goed als Tolstoj en Toergenjef, schrijft hij. Ook hem laat hij weten dat hij inderdaad aan het werk is, maar tevens dat hij vreest dat het verhaal niet meer zal zijn dan een droge opsomming van natuurscenes. Een verhaal zonder romance is als een stoommachine zonder stoom, schrijft hij. Hij voelt zich alleen, omdat er in Moskou niemand is die iets zinnigs kan zeggen over wat hij schrijft. Hij heeft inmiddels wel genoeg literaire vrienden, Leontejev-Tsjeljov, Lazarev-Groezinski, Jezov, maar die verblijven in Petersburg en beschouwen hem eerder als hun meester, dan dat hij ze beschouwt als collega's bij wie hij om raad kan vragen. Het is tevens voor het eerst dat Tsjechov zich waagt aan een verhaal van deze lengte, afgezien dan van de min of meer komisch bedoelde Zweedse Lucifer en zijn Drama op de jacht.

Ondertussen blijft zijn steppenverhaal ook tot zijn eigen verbazing groeien, terwijl zijn aanvankelijke onzekerheid omslaat in het vertrouwen dat hij bezig is iets bijzonders te maken. En dat is natuurlijk ook zo, want De steppe is éen van Tsjechovs allermooiste. En naar hooi ruiken doet het zeker. Dat het geen love-interest heeft, zoals dat in moderne kringen heet, maakt het verhaal nog bijzonderder dan het al is, omdat het eigenlijk uit het gezichtpsunt van een klein jongetje is geschreven. Ondertussen klaagt hij over het snobistische karakter van de dikke bladen, waar hij nu opeens voor schrijft. Maakt het uit waar de nachtegaal zingt? vraagt hij aan iemand. Daarbij is het van belang, zo schrijft Simmons, dat Tsjechovs langdurige geschrijf aan éen verhaal hem zijn gebruikelijke snelle verdiensten ontneemt. En dus schrijft hij in een zucht een verhaal voor de Petersburgse Gazet (Slaap), dat al net zo'n knap verhaal is als De steppe. Aan Leontejev schrijft hij, naar aanleiding van een artikel over de jonge Russische literatuur: in ons talent zit veel fosfor, maar weinig ijzer. En elders: We zijn mooie vogels, en zingen goed, maar adelaars zijn we niet. Blijkbaar heeft hij nog steeds twijfels over zijn talent. Tsjechov is zich bewust van het belang van zijn publicatie. Hij weet dat hij is aangekomen op de plek waar Gogol, Tolstoj en Dostojevski hem zijn voorgegaan. Op 3 februari 1888 is De steppe af. Bij Pletsjejev dringt hij erop aan te zeggen wat hij echt denkt. Schrijf me als het slecht en vervelend is. Maar dat vindt Pletsjejev niet. Die is in alle staten als hij het verhaal onder ogen krijgt. Hij schrijft op 8 februari 1888: Nadat ik eraan begonnen was, kon ik er me niet meer van losmaken en Korolenko evenmin. Het is zo prachtig, zo eindeloos poëtisch. Het is fascinerend en ik voorspel je een grote, grote toekomst. Tsjechov is trots op zijn eerste succes in de dikke bladen, veel meer dan ooit tevoren over andere publicaties. Eind maart verschijnt het in Severnij Vestnik (Bode van het noorden), overigens, enigszins tot zijn verrassing, zonder dat hij correctieproeven heeft gekregen. Tsjechov speelt bovendien met het idee een vervolg te schrijven, iets waar het uiteindelijk niet van zal komen. Het slot heeft hij, zo schrijft hij aan Pletsjejev, met opzet open gehouden. Een andere redacteur van het blad schrijft hem met een prijzende reactie, maar raadt hem ook aan om direct elke band met Novoje Vremja te verbreken, iets wat Tsjechov ongetwijfeld bevestigd heeft in zijn argwaan jegens de dikke bladen.

40 Anton Pavlovitsj Tsjechov, De Steppe, Titelblad eerste druk, maart 1888, in nummer 3 van Severnij Vestnik (Bode van het noorden). Bron: Urban 1987 nr. 166

Tsjechov, De Steppe, titelblad

41 In de brieven aan vrienden en bekenden is er nog iets wat steeds opduikt. Hij heeft, zo laat hij trots weten, met een verhaal dat hij in éen maand geschreven heeft, 1000 roebel verdiend. Ik vraag me trouwens af of het in werkelijkheid niet ging om 500, iets wat uit een brief van 9 februari aan Pletsjejev zou kunnen blijken. In diezelfde brief schrijft hij ook over Pletsjejevs reactie op éen van de karakters uit De steppe, Dymov:

U schrijft dat Dymov u bevallen is, als materiaal... Zulke karakters als die vechtersbaas Dymov schept het leven niet voor religieuze ketterij, niet voor landloperij, niet voor een gevestigd bestaan, maar direct voor de revolutie... Een revolutie zal er in Rusland nooit zijn en met Dymov zal het zo aflopen dat hij zich dood zuipt of in de bak belandt. [...] In het jaar 1877 ben ik een keer ziek geworden van een buikvliesontsteking en toen heb ik in de herberg van Mosje Mojseitsj een pijnlijke nacht doorgebracht. De jood heeft me de hele nacht ononderbroken met mosterdpleisters en compressen geholpen.
Urban merkt daar nog over op dat we uit een brief van Tsjechovs vader weten dat het jaar in kwestie 1875 was en niet 1877. In de post-creatieve depressie na zijn Steppe, schrijft hij in een oogwenk een korte komedie, De beer, en hij laat aan vrienden ironisch weten dat de deftige redacteuren van Severnij Vestnik dat wel zullen afkeuren, maar zelfs dat zal niet zo blijken te zijn. Mijn melkkoe, zal hij zijn Beer noemen, want van al zijn eenakters zal hij de succesvolste blijken en fungeren als regelmatige bron van inkomsten. De beer was het enige toneelstuk van Tsjechov dat Tolstoj goed vond.

41 Aleksej Nikolajevitsj Pletsjejev (1825-1893) Dichter, vertaler, tot 1889 redacteur van het tijdschrijft Severnij Vestnik. Bron: Urban 1987 nr. 165

Aleksej  Nikolajevitsj Pletsjejev (1825-1893)

42 Na succes volgt bij Tsjechov vaker een feestweek. Lejkin komt in maart 1888 langs in Moskou, zonder te zeuren over het verlies van zijn auteur. Tjsechov gaat met hem mee terug naar Petersburg en klaagt dat Lejkin onderweg zijn mond geen moment kan houden. Hij logeert vervolgens bij Soevorin, waar hij zich verbaast over de enorme luxe, diens dochter ten huwelijk krijgt aangeboden - Tsjechov wil niet - en afspraken maakt voor een herdruk van In de schemering, Tsjechovs derde bundel, voor de uitgave van een vierde bundel (Verhalen) en voor een bundel met kinderverhalen. Die bundel met kinderverhalen zou Kastjanka worden, maar dat verscheen pas in 1892. Aleksandr, over wiens nuchterheid Tsjechov zich op zulke momenten verbaast, handelt de details af. Verder baadt hij in zijn succes. Aan Masja in Moskou schrijft hij op 14 maart:

Het sneeuwt. Het is koud. Overal waar ik kom, wordt over mijn Steppe gesproken. [...] Ik ben in mijn nieuwe verblijf. Vleugel, harmonium, chaise-longue, de lakei Vasili, bed, schoorsteen, een chic bureau - dat zijn de aangename zaken. De onaangenaamheden zijn niet te tellen. Om te beginnen dat me de mogelijkheid ontnomen wordt stomdronken en in gezelschap naar huis te komen. Voor het eten - een lang gesprek met Mme Soevorina, over hoezeer ze het menselijk ras haat en daarover dat ze vandaag het een of andere jasje heeft gekocht voor 120 roebel. Na het eten een gesprek over migraine, terwijl de kinderen me geen seconde uit het oog verliezen en opletten of ik niet iets verschrikkelijk knaps zeg. Volgens hen ben ik een genie omdat ik een verhaal over Kastjanka heb geschreven. Bij Soevorin heet éen hond Fedor Tmofejovitsj, een ander Teika, een derde Ivan Ivanitsj. Tussen eten en thee gedwaal van de ene hoek van Soevorins studeerkamer naar de andere en filosofie; in het gesprek mengt zich ongevraagd de echtgenote, spreekt met basstem of doet een blaffende hond na. [...] Ik zou willen slapen, maar mijn gastlieden gaan pas om drie uur naar bed. Een avondmaaltijd is er hier niet en om naar Palkin te gaan, ben ik te lui. [...] Om te schrijven ben ik te lui. Men stoort me ook. Het is nacht. Ik hoor het klikken van biljartballen: Gej en Vasili spelen.

Hij hoort hoe Garsjin, die Tsjechov als éen van de talentvolste jongeren beschouwt, zijn Steppe voorleest aan een groot gezelschap, onder wie de schilder Repin. Tsjechov is ontzet als hij nog geen maand later in Moskou hoort dat Garsjin op 24 maart zelfmoord heeft gepleegd door zich van zijn trap af te gooien. Tsjechov schrijft op 3 april over een door Boerenin voor Novoje Vremja geschreven necrologie aan Soevorin: Beweerd wordt dat Garsjin droomde van een historische roman en daar waarschijnlijk al aan begonnen was. Het interessante is dat hij een week voor zijn dood al wist dat hij zich van zijn trap zou gooien en zich op dat levenseinde had voorbereid. Een ondraaglijk bestaan. Die trap is verschrikkelijk. Ik heb hem gezien: donker, smerig. Voor een almanak die ter herdenking wordt uitgebracht, draagt hij dan een verhaal bij: Zielepijn (VW 3) - bij Timmer terecht nog Een zenuwtoeval geheten, over een bordeelbezoek. Tsjechov is inmiddels van plan om samen met Pletsjejev en Korolenko in de komende lente een reis over de Wolga te maken. Dat gaat niet door. Ondertussen bereidt hij zijn nieuwe verhalenbundel voor, Verhalen, waarin ook De steppe zal worden opgenomen; en hij tobt een paar maanden lang met een verhaal voor Severnij Vestnik, Lichtjes, dat tot mijn spijt (en mijn verbazing) niet in de nieuwe editie van Van Oorschots Verzamelde Werken werd opgenomen. Zeker is het waar dat het moeizame ontstaan er enigszins aan af valt te lezen, en het is ook waar dat Tsjechov zelf het niet in zijn Verzamelde Editie bij Marks opnam, maar ik vind het toch een onbegrijpelijke beslissing, zeker als je weet hoe die Marks-editie tot stand kwam. Timmer vertaalde het voor de eerste uitgave gelukkig wel. Van een vriend, fluitist in het orkest van het Moskouse conservatorium, de Oekraïner Ivanenko, hoort hij van een huis in het dorp Loeka, op een bezit van de familie Lintvarev, bij Soemy, ook in Oekraïne dus, aan de rivier de Psol. Omdat broer Misja toch naar Taganrog gaat, vraagt hij hem er te gaan kijken hoe het eruit ziet. Misja, die erg op Babkino was gesteld, brengt een zeer negatief verslag uit, zo schrijft hij ook in zijn herinneringen. Die vermeldt dat hij vreest, als hij er in zijn studentenuniform verschijnt, al bijvoorbaat met een scheef oog aangekeken te zullen worden. De familie Lintvarev houdt er blijkbaar erg vooruitstrevende ideeën op na. De schrijver besluit toch te gaan en nodigt Pletsejev uit ook te komen, wat die inderdaad zal doen. Eind april klaagt hij weer eens bij Aleksandr. Op de terugreis uit Sint-Petersburg heeft hij op geen enkel station zijn boek zien liggen, ook al beweert Soevorins zoon, Michael, dat het overal verkrijgbaar is. Ook in boekhandels is het naar zijn zeggen nergens te krijgen. Het zal niet voor het laatst zijn dat zijn beklag doet.

Nog net voor zijn vertrek naar Soemy, schrijft hij een brief aan protégé Ivan Leontsjevitsj Leontjev-Tsjeljov (1856-1911), schrijver, dramaturg en criticus, die in de jaren '80 enig succes had, met voorbeeld zijn De datsja-man. In het Engels wordt zijn naam geschreven als Ivan Shcheglov. De twee kenden elkaar sinds december 1887, toen Tsjechov in Sint-Petersburg verbleef. Ze hadden sindsdien, zo schrijft Leontejev-Tsjeljov in zijn herinneringen, de gewoonte elkaar aan te spreken met Antoine en Jean. Maar ook met Alva en Egmont, zo voeg ik daar maar aan toe. Urban merkt op dat Leontejev er om wat voor reden ook mee begon Tsjechov Egmont te noemen, zodat die repliceerde met Alva. Ik vermoed dat beiden hun Schiller kenden. En dan lijkt Egmont me voor Tsjechov geen belediging. Op 3 mei schrijft Tsjechov over een hem door een ander, de schrijver A.I. Leman (1859-1913), gedaan verzoek om solidariteit:

Hoe weet u met wie ik solidair ben en met wie niet? Van wat voor een onzin houdt men toch in Petersburg? Worden jullie niet doodziek van zulke woorden als solidariteit, eenheid van de jonge schrijvers, gemeenschappelijk belang, enz? Solidariteit en soortgelijke zaken begrijp ik aan de beurs, in de politiek, in godsdienstige kwesties (sekten) enz., maar solidariteit van jonge schrijvers is onmogelijk en ook niet nodig. Hetzelfde denken en voelen kunnen we niet, onze doelen verschillen of die zijn er helemaal niet, we kennen elkaar te weinig of helemaal niet, en er is zodoende niets waar men op den duur enige solidariteit aan zou kunnen ontlenen. En heb je die nodig? Nee, om een collega te helpen, zijn persoon en zijn werk te achten, om geen geruchten en haat jegens hem te verspreiden, om niet tegen hem te liegen en te huichelen - daartoe moet je minder een jong schrijver zijn dan gewoon een mens. Zijn we allemaal normale mensen en gedragen we ons allemaal op dezelfde manier, dan heb je geen behoefte aan kunstmatig opgeschroefde solidariteit.

42 Loeka, Soemy (Oekraïne). Herenhuis van de familie Lintvarev, waar de Tsjechovs de zomer van 1888 en 1889 doorbrachten. Bron: Urban 1987 nr. 188

Loeka, Sumy (Oekraïne). Zomerverblijf van de Tsjechovs

43 Omdat Tsjechov in zijn enthousiasme Pletsjejev al heeft uitgenodigd op het landgoed, heeft hij het idee dat hij niet meer terug kan, en begeeft zich begin mei 1888 Soemy-waarts. De reis valt overigens niet mee, want Soemy is lastig te bereiken, zo waarschuwt hij ook de gasten die nog zullen gaan verschijnen. Soemy is nu de noordelijkste, aan Rusland grenzende provincie van Oekraïne. De regering in Kiev bracht er in december 2015, tot woede van een deel van de bevolking, hek, tankgrachten en wachttorens aan. Tsjechov is ondanks de moeizame reis aangenaam verrast en het verblijf zelf valt hem erg mee, ook al is het aan de primitieve kant. Zo blijkt er bijvoorbeeld geen toilet te zijn en moet iederen voor zijn behoeften naar buiten. De Lintvarevs zijn al even kunstzinnig als eerder de Kiseljovs op Babkino. Er is een verweduwde moeder, een oudere dochter Zinaida, een blinde arts, een jongere dochter, ook al arts, met wie Tsjechov het medisch gezien nooit eens is, en een jongste dochter die Marx leest. Van de twee zoons is er éen van de universiteit gestuurd en is de ander een aanhanger van Tolstoj. Dat moet voor de maatschappelijk zo weinig betrokken Tsjechov een uitdaging zijn geweest. Maar hij voelt er zich in een mum van tijd thuis, vindt tijd om zijn verhaal Lichtjes af te maken voor Severny Vestnik en blijft vrienden uitnodigen. Pletsjejev verschijnt, Ivanenko, zijn broer Aleksandr (wiens eerste vrouw onlangs was gestorven) en ook nog anderen. Aleksandr misdraagt zich zo dat die weer de wijk moet nemen naar Petersburg. Omdat Loeka niet ver weg lag van het gebied waar Gogol zijn verhalen had gesitueerd, wordt er ook in de omgeving gereisd. Het is interessant uit een brief aan Lejkin te citeren die Tsjechov op 11 mei 1888 schrijft, vooral omdat hetgeen hem opvalt als stilzwijgend contrast is bedoeld met wat hij blijkbaar gewend is, terwijl het ook een tegenstelling vormt met wat hij kort daarop schrijft over de Krim, zeker als je in gedachten houdt dat hij daar in 1897 terecht zal komen. Voor Tsjechov heet wat wij nu Oekraïne noemen soms nog gewoon Malorussiya: Klein-Rusland, zoals Rusland zelf uiteraard Groot-Rusland is. Voor wat ik met uit Urbans uit het Russisch vertaalde Duits Oekraïners vertaald heb, of Klein-Russen, gebruikt Tsjechov chochol of chochly, woord dat Eekman in de brieven onvertaald laat, maar wat zoveel betekent als kuiven, goedmoedige bijnaam voor de Oekraïners, zoals Tsjechov ook spreekt van Cochlandia, Kuifland, voor Oekraïne:

.
[...] Ik verblijf op een landgoed bij Soemy, aan de steile oever van de rivier de Psol (een zijtak van de Dnjepr). De rivier is breed en diep; vis zit er zoveel dat uw baardige Timofej, als u hem hierheen liet komen, van woede zou vergeten zou dat hij ooit bij graaf Stroganof heeft gediend. In de witte huisjes om ons heen wonen Kleinrussen. Het volk is welgevoed, vrolijk, spraakzaam en geestig. De boeren verkopen hier boter, melk, noch eieren, maar eten alles zelf op, wat een goed teken is. Bedelaars zijn er niet. Dronken mensen heb ik nog niet gezien en vloeken hoor je zelden, en dan nog alleen op min of meer kunstzinnige wijze. De landgoedeigenaren bij wie ik woon, zijn goeie en vriendelijke mensen.

43 Loeka, Soemy (Oekraïne). Oever van de Psol. Gasten en gastheer. Staand, derde van links: met de hand in de ceintuur, Masja Tsjechova. Met de roeispaan: Ivan Tsjechov. Rechts, met witte baret: Anton Tsjechov. Bron: Urban 1987 nr. 191

Loeka, oever van de Psol

44 In een brief van 30 mei 1888 aan Soevorin schetst Tsjechov een beeld van Soemy en van het gezin waar hij verblijft, dat recht uit zijn verhalen lijkt weggelopen. Ook de uitweiding naar aanleiding van Lichtjes over het pessimisme lijkt me van belang, omdat het zo duidelijk Tsjechovs standpunt illustreert over wat literatuur wel en niet hoort te doen. Bij Urban heeft de brief nummer 127, bij Eekman nummer 84. Ik geef enkel delen uit de zeer lange brief.

AAN A.S. SOEVORIN
30 mei 1888, Soemy
Ik antwoord op uw brief die ik pas gisteren kreeg; de envelop was gescheurd, verfomfaaid en vies, hetgeen mijn gastheren en huisgenoten als politiek gemotiveerd beschouwen.
Ik verblijf aan de oever van de Psol, in een vleugel van een oud landgoed. Ik heb het zomerkwartier zomaar en op goed geluk gehuurd en ik heb er tot nu toe nog geen spijt van. De rivier is breed, diep, rijk aan eilanden, vis en kreeft, de oevers zijn mooi en er is veel groen... En de hoofdzaak, er is zoveel ruimte dat het me voorkomt alsof ik voor 100 roebel het recht heb verworven in een ruimte te leven die onmetelijk is. Natuur en leven zijn hier precies ingericht volgens de clichés die tegenwoordig zo verouderd zijn en die bij ons op de redacties worden afgewezen: om maar te zwijgen van de nachtegalen die dag en nacht zingen, van het hondengeblaf dat men uit de verte hoort, van de oude, verwilderde tuinen, van de dichtgetimmerde, zeer poëtische en treurige landhuizen, waar de zielen van mooie vrouwen rondwaren, om maar te zwijgen van de oude, de dood nabije lijfeigen lakeien en de jonge meisjes, die hunkeren naar de clichématigste liefde; niet ver van hier bevindt zich zelfs zo'n versleten cliché van een molen, met 16 raderen, met een molenaar en zijn dochter die altijd voor het raam zit en blijkbaar ergens op wacht. Alles wat ik hier nu zie en hoor, komt me sinds lang bekend voor uit de oude verhalen en sprookjes. Iets nieuws waait me enkel aan met een geheimzinnige vogel - een soort roerdomp - die ergens ver weg in het riet zit en dag en nacht een geluid uitstoot dat doet denken aan een slag op een leeg vat of het loeien van een in een schuur opgesloten koe. Elke Klein-Rus heeft die vogel éen keer in zijn leven gezien, maar allemaal beschrijven ze hem anders, dus heeft niemand hem gezien. Er is ook nieuws van een ander soort, maar dat is van buiten gehaald en daarom niet helemaal nieuw. Elke dag vaar ik met de boot naar de molen en 's avonds begeef ik me met de fanatieke vissers van de Charitenko-fabriek naar de eilanden om vis te vangen. We voeren interessante gesprekken. Met Pinksteren willen alle vissers op het eiland overnachten en de hele nacht vissen, ik ook. Er zijn geweldige types bij.
De eigenaren blijken aardige en gastvrije mensen te zijn. Een familie die het verdient bestudeerd te worden. Ze bestaat uit 6 personen. De oude moeder, een heel nette, gezette vrouw die heel wat heeft meegemaakt; ze leest Schopenhauer en gaat naar de kerk voor de akathist [deel uit de Russisch-orthodoxe liturgie]; ze bestudeert nauwgezet elk nummer van Severny Vestnik en kent schrijvers van wie ik niet eens gedroomd heb; en ze houdt het voor heel belangrijk dat in een zijvleugel ooit de schilder Makovsky heeft gewoond en dat er nu een jonge schrijver verblijft; als ze met Pletsjejev spreekt, voert er een heilige rilling door haar lijf en ze verheugt zich op elk ogenblik dat ze het mag meemaken dat ze een groot dichter ziet.
Haar oudste dochter, een arts, is de trots van de hele familie, wordt door de boeren als een heilige beschouwd en is waarlijk een ongewone verschijning. Ze heeft een hersentumor; daardoor is ze volledig blind geworden, ze lijdt aan epilepsie en heeft voortdurend hoofdpijn. Ze weet wat haar te wachten staat en praat stoïsch en met verpletterende koelbloedigheid over de naderende dood. Als praktiserend arts ben ik gewend mensen te zien die spoedig zullen sterven en ik had altijd een vreemd gevoel als mensen die ten dode waren opgeschreven in mijn nabijheid spraken of lachten of huilden, maar hier, waar op het terras een blinde lacht, schertst of luistert, waar men haar mijn Schemering voorleest, komt het me langzamerhand niet meer vreemd voor dat de arts zal sterven, maar dat wij onze eigen dood niet voorvoelen en Schemeringen schrijven alsof we het eeuwige leven hebben.
De tweede dochter, eveneens arts, is een oude vrijster, een stil verlegen, doodgoed, iedereen lief hebbend, maar lelijk wezen. Patiënten zijn voor haar een ware foltering en ze behandelt ze zo voorzichtig dat het aan het ziekelijke grenst. Bij consulten zijn we het nooit eens: ik treed op als heilsverkondiger, waar zij de dood voorziet en ik verdubbel de doseringen die zij voorschrijft. Waar de dood echter onmiskenbaar en onvermijdelijk is, voelt zij zich alles behalve arts. Op een keer ontving ik samen met haar patiënten op een medische post; daar kwam een jonge Oekraïense met een kwaadaardig gezwel aan hals en nek. De ziekte was zo ver voortgeschreden dat eraan genezing niet meer te denken viel. En daar, terwijl de vrouw op dat moment geen pijn voelde, maar over een jaar onder verschrikkelijke kwellingen zou sterven, keek mijn arts haar zo in-en-in schuldig aan dat het leek alsof ze zich wilde excuseren voor haar eigen gezondheid en zich ervoor schaamde dat de geneeskunde machteloos stond. (...)
De derde dochter, die haar opleiding kreeg op een kweekschool in Bestoezjevka - een jong meisje met een nogal mannnelijke lichaamsbouw, sterk, benig als een brasem, gespierd, bruinverbrand, met een stem... ze lacht zo luid dat je het een werst ver hoort. Fanatiek Oekraïens. Ze heeft op het landgoed op haar eigen kosten een school laten bouwen en leert er de Klein-Russische kinderen de fabels van Krylov in Oekraïense vertaling. Ze bezoekt het graf van Sevsjenko zoals een Turk naar Mekka gaat. Ze houdt het haar lang, draagt korset en tournure, doet het huishouden, zingt en lacht graag en wijst de clichématige liefde niet af, hoewel ze Das Kapital van Marx heeft gelezen en naar alle waarschijnlijkheid wel niet zal trouwen, want ze is lelijk. [vervolg hierna]

44 Loeka, Soemy (Oekraïne), tekenen naar de natuur, ca. 1894. In het midden Maria Tsjechova, 1863-1957, Masja dus. Urban vermeldt niet wie de anderen zijn, maar Rayfield wel: links kunstenaar Sacharov, rechts Natalja Lintvariova (1863-1943). Bron: Urban 1987 nr. 193; Rayfield 1997 nr. 42

Loeka, Soemy, Mascha Tsjechova

45 De oudste zoon is een stille, bescheiden, intelligente, talentloze en hardwerkende jongeman zonder pretenties en hij is blijkbaar tevreden met wat het leven hem te bieden heeft. Hij is als vierdejaars van de universiteit gestuurd, maar loopt daar niet mee te koop. Hij zegt weinig. Hij houdt van het bedrijf en de grond, staat op goede voet met de Oekraïners. De tweede zoon is een jongeman die gek is van het genie van Tsjaikovski. Pianist. Droomt van een leven volgens Tolstoj. Dat is de korte beschrijving van de mensen bij wie ik nu verblijf. [...] Bij mij is Pletsjejev te gast. Allen kijken naar hem op als een halfgod, wanneer hij zich verwaardigt de yoghurt die hem gebracht wordt tot zich te nemen, men brengt hem boeketten, nodigt hem overal uit, enz. (...)
Wat u over Lichtjes schrijft, is volkomen juist. Nikolaj en Masja lopen als een rode draad door de Lichtjes, maar wat te doen? Omdat ik niet gewend ben lange dingen te schrijven, ben ik een twijfelaar; terwijl ik schrijf, beangstigt me de gedachte dat mijn novelle overmatig lang wordt en doe ik moeite zo kort mogelijk te schrijven. Het slot met de ingenieurs en met Kisotsjka vormde voor mij een onbelangrijk detail dat het verhaal ophield, daarom heb ik het weggelaten en in plaats daarvan onwillekeurig Nikolaj en Masja neergezet.
U schrijft dat noch het gesprek over pessimisme noch het verhaal over Kisotsjka de kwestie van het pessimisme verder helpt of zelfs oplost. Ik geloof niet dat schrijvers zulke kwesties als pessimisme, God, enz. dienen op te lossen. Het is de zaak van de schrijver te tonen wie, hoe en onder welke omstandigheden over God of het pessimisme heeft gedacht. De kunstenaar moet geen rechter spelen over zijn personages en hun gesprekken, maar er enkel een onpartijdig getuige van zijn. Ik hoorde een chaotisch, niets verklarend gesprek tussen twee Russen over het pessimisme en ik dien dat gesprek weer te geven in de vorm waarin ik het heb gehoord, maar beoordelen moeten de juryleden het, dat wil zeggen de lezers. Mijn zaak is het talent te hebben, dat wil zeggen ertoe in staat te zijn de belangrijke uitingen van de onbelangrijke te onderscheiden, personages te belichten en hun taal te spreken. Leontjev-Tsjeljov verweet me dat ik het verhaal beëindigde met de zin: 'Ja, van deze wereld begrijp je niks.' Volgens hem moet een kunstenaar en psycholoog 'begrijpen', daar is hij psycholoog voor. Daar ben ik het niet mee eens. Schrijvers, en kunstenaars in het bijzonder, zouden langzamerhand eens moeten erkennen dat je op deze wereld niets kunt begrijpen, precies zoals Socrates en Voltaire ooit vonden. De massa denkt alles te weten en te begrijpen; en hoe dommer ze is, hoe weidser de horizon lijkt. Maar als de kunstenaar die door de massa wordt geloofd ertoe besluit niets te begrijpen van hetgeen hij ziet, dan is dat al een belangrijk weten en een grote stap voorwaarts. [...] Nu wat betreft de toekomst. Eind juni of begin juli ga ik naar Kiev, vandaar de Dnjepr stroomafwaarts naar Jekaterinenburg, dan naar Alexandrovski en zo naar de Zwarte Zee. Ik zal u in Feodosija bezoeken. [...]

Op 9 juni 1888 schrijft Tsjechov nog aan Leontjev-Tsjeljov dat er niet veel van schrijven komt: De coitus met de muzen is alleen 's winters schoon. En daar zit wel wat in, want Tsjechov heeft het er 's zomers altijd moeilijk mee te schrijven, menselijke trek naar het me voorkomt. Op dat moment is, eind mei 1888, al zijn vijfde boek verschenen, Vertellingen. Wat hij op 21 juni aan Lejkin schrijft, is al net zo opvallend als wat hij hiervoor over de Oekraïne te melden had, vooral natuurlijk vanwege de stilzwijgende vergelijking met Rusland zelf. Het ontbreken van antagonisme tussen pan, landheer op zijn Pools, en boer (paysan) op zijn Frans - hij gebruikt de twee woorden zelf - bewijst dat Tsjechov, die kort tevoren nog in een brief had geschreven dat er in Rusland niet op een revolutie hoeft te worden gerekend, niet zo naïef is als het daar leek.

Alles wat ik zag en hoorde, was zo nieuw, mooi en gezond, dat me de hele weg lang éen verlokkende gedachte me niet losliet: de literatuur weg te gooien die me verveelt en me in een dorp aan de oever van de Psol als arts te vestigen. Als ik alleen was, dan bleef ik in het goevernement Poltava, want voor Moskou voel ik geen enkele sympathie. 's Zomers zou ik in de Oekraïne wonen en 's winters ging ik naar het me inmiddels dierbare Sint-Petersburg. Behalve de natuur verbijstert me in Oekraïne niets zozeer als de algemene tevredenheid, de volksgezondheid, de hoge ontwikkelingsgraad van de boeren hier, die intelligent zijn en godsdienstig, muzikaal, nuchter, moreel, en altijd vrolijk en goed gevoed. Van antagonisme tussen paysan en pan geen spoor.

45 Loeka, Soemy (Oekraïne). Twee zoons van de gastheer en gastvrouw, Georgij en Pavel Michailovitsj Lintvarev, met twee onbekenden, vissend. Bron: Urban 1987 nr. 195

Vissen aan de Psol

46 En terwijl dat allemaal gaande is en er tal van mensen logeren, vertrekt Tsjechov op 10 juli dus - zoals aan Soevorin beloofd - naar Feodosija, aan de Krim, waar die op dat moment verblijft. Het is de eerste keer dat Tsjechov op de plaats verschijnt waar hij noodgedwongen zijn laatste levensjaren zal doorbrengen: mijn warm Siberië. En wat hij er deze eerste keer over schrijft, kondigt niet veel goeds aan. Via Simferopol reist hij naar Charkov, om 's nachts aan te komen in Sebastopol, vanwaar hij de volgende dag naar Jalta reist om onmiddellijk verder te gaan naar Feodosija, waar hij 12 dagen op het zomerverblijf van de Soevorins logeert. Op het sociale leven daar is hij niet erg gesteld, maar op het strand verblijft hij graag. Met Soevorin kan hij inmiddels erg goed overweg. Ze praten en discussiëren over van alles. Vanuit Feodosija schrijft hij op 14 juli 1888 aan Masja, die in Loeka is achtergebleven:

AAN MASJA TSJECHOVA
Feodosija, 14 juli 1888
Het is erg heet en drukkend en daarom schrijf ik niet lang, maar kort. Om te beginnen ben ik gezond en monter, gaat alles goed en heb ik voorlopig nog geld... De longen makengeen geluid, maar mijn geweten wel, omdat ik niets doe en op een berenvel lig. De route van Soemy naar Charkov is enorm saai en van Charkov naar Lozovaja en van Lozovaja naar Simferopol zou je van verveling sterven. De Krimsteppe is troosteloos, eentonig, zonder verte, zonder kleurigheid, net als de verhalen van Ivanenko en hij doet me in alle opzichten denken aan de toendra. Terwijl ik er tijdens mijn reis over de Krim zo naar keek, dacht ik: Ik kan er niks aan vinden, Sasja [citaat van een minister, Ostrovski]. Te oordelen naar deze steppe, haar bewoners en alles wat eraan ontbreekt en, vergeleken met wat andere steppen zo aantrekkelijk maakt, staat het schiereiland de Krim geen stralende toekomst te wachten. Achter Simferopol begint het gebergte en daarmee de schoonheid. Ravijnen, bergen, kloven, bergen, uit de kloven omhoog stekende populieren, op de berghellingen schemeren kleine wijngaarden - alles door maanlicht overgoten, het is nieuw en doet denken aan Gogols Vreselijke wraak. Bijzonder fantastisch is de afwisseling van afgronden en tunnels, als je nu eens de door maanlicht beschenen afgronden ziet, dan weer de ondoordringbare duisternis. Een beetje eng en toch aangenaam. Je voelt iets niet-Russisch en vreemds. In Sebastopol kwam ik 's nachts aan. De stad is erg mooi, mooi ook omdat ze aan die prachtige zee ligt. Het mooiste aan de zee is de kleur, en die kleur is onbeschrijflijk. Ze is als blauw vitriool. Wat de stoomboten en schepen, de baaien en aanlegplaatsen betreft, valt vooral de armoede van de Russen op. Behalve de handelsschepen die eruit zien als Russiche koopmansvrouwen en afgezien van 2 of 3 stoomschepen, is er in de hele haven niets wat de moeite waard is. [...] Het is interessant aan boord te gaan en te zien hoe het anker gelicht wordt, de reis daarentegen en het gesprek met de passagiers, die enkel uit het soort mensen bestaat dat je op de zenuwen werkt en je al lang kent, is vervelend. De zee en de eentonige kale kusten zijn de eerste keer mooi, maar je went er snel aan en onwillekeurig ga je je kajuit in en drinkt wijn. Mooi is de kust niet. De schoonheid ervan wordt overdreven. [...] Toen ik vanaf de stoomboot de kust bekeek, begreep ik waarom die nog nooit een dichter heeft geïnspireerd of onderwerp is geweest voor een schrijver. [...] Jalta is een mengsel van iets Europees, dat aan Nizza doet denken, en een kleinburgerlijke jaarmarkt. Doosvormige hotels waar ongelukkige teringlijders wegkwijnen, brutale tatarenkoppen, de tournures met de openhartige uitdrukking van iets zeer onaangenaams, de smoelen van de rijke nietsnutten met hun hang naar goedkope avontuurtjes, de parfumlucht in plaats van de geur van cypressen en zee, de armzalige, vieze haven, de treurige lichtjes ver op zee, geklets van dames en hun cavaliers... dat alles wekt zo'n troosteloze indruk, en dat op zo indringende wijze, dat jezelf haast gaat beschuldigen van vooringenomenheid en vooroordelen.

46 Feodosija, Krim, juli 1888. Links zittend: A. S. Soevorin. Rechts van hem staand S. I. Orfanova (de schoonzus van Soevorin), zoon Borja (met fiets), met naast hem twee onbekenden. Zittend op de muur de dochter Nastja, en Tsjechov. Op de bank rechts in het zwart A. I. Soevorina en haar moeder. Foto: Chr. Babaev. Bron: Urban 1987 nr. 198

Feodosija, Tsjechov op zomerverblijf Soevorins, juli 1888

47 Masja schrijft hem uit Loeka dat het geld krap begint te worden. Tsjechov maakt voor zijn terugreis gebruik van de gelegenheid om samen met Soevorins zoon, Alexej, naar de Kaukasus te gaan om zo via een omweg terug te reizen naar Soemy. Per stoomboot gaan ze naar Batoemi en houden halt in Abchazië, in Soechoemi waar ze het Nieuw Athosklooster bezoeken. De kleine vrachtboot waarmee ze van Soechoemi naar Poti varen, ontkomt ternauwernood aan een aanvaring. Via Tbilisi reizen ze naar Bakoe, waar Alexej te horen krijgt dat diens jongere broer, Valerian, plotseling aan difteritis is overleden, zodat hij terug moet naar Feodosija. Op 7 augustus is Tsjechov terug in Soemy, waar hij nog weken lang met plannen loopt in de omgeving een boerderij te kopen. Het zal er (weer) niet van komen. Wel is er op het landgoed in 1960 een Tsjechovmuseum ingericht.

47 Feodosija, Krim, juli 1888. Temidden van de Soevorins. De toren zou ooit door de Genuezen zijn gebouwd. Onderaan de ladder met hoed en wandelstok A. S. Soevorin zelf. Erboven zit zoon Borja. De vrouw linksvoor naast de planken glijbaan is A.I. Soevorina 's moeder. Bovenaan dochter Nastja. Verder op de achtergrond, zittend op de rand van het terras, met kat A.I Soevorina (Soevorins tweede vrouw dus), daarnaast haar zuster, S.I. Orfanova. Zittend op de hoop stenen met een arm over de knie: Tsjechov. Foto: Chr. Babaev. Bron: Urban 1987 nr. 197

Tsjechov in Feodosija bij de Soeverins, juli 1888,

48 Begin september 1888 keert hij terug naar Moskou. Daar neemt hij een zoontje van de Kiseljovs in huis - de mensen die hij kent van zijn eerdere zomerverblijven in Babkino - dat zich voorbereidt om naar het gymnasium in Moskou te gaan. Nikolaj is inmiddels in problemen, omdat de politie achter hem aanzit. Aangezien hij geen paspoort heeft, geen opleiding meer volgt en geen baan heeft, willen de autoriteiten dat hij zijn dienstplicht vervult. Soevorin moet bij Tsjechov opbiechten dat hij een woedende brief aan diens broer Aleksandr heeft geschreven, omdat die een verhaal in Novoje Vremja heeft geplaatst, ondertekend met Al. Tsjechov. Tsjechov schrijft terug: Aleksandr, of Anton, wat maakt het uit. Kort daarop krijgt hij van Soevorin ook nog te horen dat Aleksandr in een dronken bui een vechtpartij heeft gehad op de redactie van de krant. Tsjechov heeft op zijn beurt Soevorin al een paar keer laten weten dat hij van verscheidene kanten te horen heeft gekregen dat hij met hem moet breken, zo van de Lintvarevs uit Soemy. Soevorin vreest de effecten daarvan. Tsjechov schrijft op 11 september 1888 ter geruststelling:

Die jonge dame uit Soemy die me gevraagd heeft niet bij u langs te gaan, had de "richting"en de "geest" in gedachten, en geenszins de verderfelijke invloed waar u het over hebt. Ze vreesde de politieke beïnvloeding van mijn persoon. Ja, die jonge dame is een goede, reine ziel, maar toen ik haar vroeg hoe ze Soevorin kende en of ze Novoje Vremja las, raakte ze in verlegenheid, bewoog de vinger en zei: In éen woord, ik raad u aan niet te gaan. Ja, onze jonge dames en hun politiek bewuste cavaliers zijn reine zielen, maar 9/10 van hun zielereinheid is geen eierschaal waard. Al hun talentloze heiligheid en zuiverheid berust op nevelige en naïeve anti- en sympathieën, voor personen en etiketten, niet voor feiten.
En op etiketten heeft Tsjechov het niet. In een brief aan Pletsjejev van 4 oktober 1888 legt hij een soort geloofsbelijdenis af. In reactie op een opmerking over een verhaal, De naamdag, schrijft hij:
Ik ben alleen bang voor degenen die tussen de regels een tendens zoeken en die mij per se of als liberaal of als conservatief willen zien. Ik ben geen liberaal, geen conservatief, geen aanhanger van hervorming, geen monnik, geen onverschillige. Ik wil een vrije kunstenaar zijn en verder niks en het spijt me dat God me niet de kracht heeft gegeven dat te zijn. Ik haat leugen en geweld in al hun verschijningsvormen en ik verafschuw consistorie-secretarissen net zozeer als ik Notovitsj en Gradovski doe [twee journalisten van Dagblad Novosti, 1871-1906]. Farizeeërdom, stompzinnigheid en willekeur heersen niet enkel in koopmanswoningen en gevangenissen; ik zie ze in wetenschap, in de literatuur, onder de jeugd.... Daarom koester ik net zo weinig voorliefde voor gendarmes als voor slagers, voor schrijvers, voor de jeugd. Merk en etiket houd ik voor een vooroordeel. Mij het allerheiligste is - het menselijk lichaam, gezondheid, geest, talent, bezieling, liefde en absolute vrijheid, vrijheid van geweld en leugen, hoe ze ook tot uiting mogen komen. Dat is het programma waar ik me aan zou houden, als ik een groot kunstenaar was.
Als ik een groot kunstenaar was! Bij de familieproblemen komt dat Tsjechov zich beroerd voelt. Er is weer verschillende keren sprake van dat hij bloed opgeeft. In een brief van 14 oktober 1888 aan Soevorin doet hij er uitgebreid verslag van. Als vrienden die op de hoogte zijn, hem aanraden maatregelen te nemen, ontkent hij dat er iets ernstigs aan de hand is. Toch kan hij, als arts, nauwelijks in onzekerheid hebben verkeerd over zijn ziekte. Om dat alles goed te maken, krijgt hij op 7 oktober 1888 te horen dat vier leden van de literaire afdeling van de Academie van Wetenschappen, onder wie Grigorovitsj, Tsjechov de Poesjkinprijs voor literatuur hebben toegekend voor zijn In de schemering. De volgende dag schrijft Grigorovitsj hem een brief met de mededeling dat de toekenning unaniem was, maar ook dat de het de leden spijt dat Tsjechov zijn eigen talent onderschat, te vlug produceert en voor de humoristische bladen schrijft, zodat ze hem slechts de helft van de gebruikelijke prijs toekennen, 500 in plaats van 1000 roebel. Tsjechov is desondanks wederom in alle staten. Hij schrijft terug aan Grigorovitsj en Soevorin om ze te bedanken, want ook Soevorin heeft een rol gespeeld. Korolenko had naar Tsjechovs idee meer recht op de prijs en zonder hen zou hij hem niet hebben gekregen. Maar aan Soevorin schrijft hij ook - heel wat realistischer, zo merkt Simmons op - dat de komische bladen hem op zijn minst een zilveren sigarettenkoker schuldig zijn, want hij heeft ze de weg naar de dikke bladen gewezen. Zoals langzamerhand gebruikelijk wordt hij, begin december, in Petersburg weer gevierd. Bij de Soevorins ontmoet hij voor het eerst Tsjaikovsky, die hij zeer bewondert. Dat blijkt geheel wederzijds. Als Tsjechov hem in oktober 1889 per brief vraagt of hij hem zijn nieuwe bundel mag opdragen en trouwens ook om een foto met handtekening verzoekt, begeeft de componist zich spontaan en per ommegaande naar Koedrino om Tsjechov persoonlijk te ontmoeten. Die blijkt niet thuis te zijn, zodat Tsjaikovski alleen de foto met handtekening achterlaat. Tsjechov vertrekt uit Sint-Petersburg weer eens plotseling, zonder afscheid te nemen van vrienden en bekenden, zo van Grigorovitsj, die daarom boos blijkt te zijn. Hij schrijft hem een excuusbrief. Het zal de laatste zijn die hij aan hem richt. Tijdens dit verblijf in december 1888 is hij ook bij Aleksandr. Dat is het bezoek dat zijn woede opwekt en naar aanleiding waarvan hij een brief schrijft.

48 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904). Genomen in Feodosija, juli 1888. Foto: Chr. Babaev. Bron: Urban 1987 nr. 173

Anton Tsjechov, juli 1888

49 Op 2 januari 1889 leest Anton zijn vijf jaar oudere broer Aleksandr in een brief de les, nadat hij kort tevoren bij hem op bezoek is geweest. Aleksandr was eerst vanaf 1883 werkzaam als douanebeambte in Taganrog, waarna hij in 1885 werd overgeplaatst naar Sint-Petersburg, en kort daarop weer naar Zuid-Rusland, naar Novorossiejsk. Ten slotte komt hij dankzij zijn broer terecht op de redactie van Novoje Vremja. De in de brief genoemde N.A. is Aleksandrs tweede vrouw, Natalja Alexandrovna Golden, met wie hij na de dood van zijn eerste vrouw in mei 1888, op 8 november 1888 was getrouwd, nu enkel voor de burgerlijke stand, in de zomer erna in Soemy ook in de kerk. Ze was de gouvernante van zijn kinderen. Eerder al, in de zomer van 1888, had Aleksandr zich misdragen op het zomerverblijf bij Soemy, waarna hij halsoverkop was terug gekeerd naar Petersburg. Eind 1888 had hij op de redactie van Novoje Vremja een dronkemansgevecht gehad. De brief staat in sterk ingekorte vorm in de uitgave met brieven van Van Oorschot (deel 7, pag. 226-227) en bijna, maar evenmin helemaal compleet, in het eerste deel (1877-1889) van Urbans vijfdelige brievenuitgave, pagina 383-386. Ik heb Urban gebruikt en geef die in eigen vertaling. Ik vermoed dat Urbans weglatingen (in tegenstelling tot die van Eekman 1955) te wijten zijn aan coupures in de oorspronkelijke Russische tekst, die her en der, ook in de volledige uitgave, is gekuist. De context doet dat naar mijn idee vermoeden. De toon van de brief is raillerend en soms op het satirische af, waarbij Tsjechov bewust de toon aanslaat van het burgermansfatsoen, zodat hij zelfs in zijn brieven doet, wat hij ook in zijn verhalen bedrijft, zich de stem toe te eigenen van een ander, die hij half scherstend ten tonele voert, inclusief de ermee verbonden vooroordelen: de god waarin zij gelooft. Dat alles neemt niet weg dat Tsjechov meent wat hij zegt. Tegelijkertijd raakt de brief aan iets wat Tsjechov belangrijk vindt, en wat in veel van zijn verhalen een rol speelt, namelijk de afschuwelijke omgangsvormen die Russen er vaak op na houden. De brief is natuurlijk ook opmerkelijk vanwege hetgeen Anton zegt over de gemeenschappelijk doorstane jeugd in Taganrog en daarom staat de brief ook hier.

49 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), 1888. Met opdracht aan de actrice K.A. Koratygina uit de zomer van 1889, als Tsjechov, na Nikolajs dood naar het zuiden reist en in Odessa haar theatergezelschap aantreft dat op tournee is. Voor Kleopatra Alexandrovna Koratygina, ter herinnering aan kamer 48 van Hotel du Nord, van de gastgezelschapreiziger in Odessa, A. Tsjechov. Foto: A. Passetti. Bron: Urban 1987 nr. 159

Tsjechov, Sint Petersburg 1888

50 AAN Aleksandr TSJECHOV
2 Januari 1889, Moskou.

Alwijze secretaris!
Ik wens Uw stralende persoon en Uw kinderschare veel geluk in het nieuwe jaar. Ik wens je toe 200 duizend roebel te winnen en staatsraad te worden, en vóór alles gezond te zijn en je dagelijks brood te hebben in een voor zo 'n veelvraat als jij afdoende hoeveelheid.
Bij mijn laatste bezoek hebben wij elkaar gezien en zijn wij weer uiteengegaan alsof er een misverstand tussen ons gerezen was. Ik kom binnenkort weer; maar teneinde dit misverstand uit de weg te ruimen acht ik het noodzakelijk je eerlijk en naar geweten het volgende te verklaren. Ik heb me flink kwaad op je gemaakt en ben boos weggegaan, zo biecht ik je nu maar op. Bij mijn eerste bezoek al stuitte je afschuwelijke, door niets te rechtvaardigen manier van omgaan met N. A. en de keukenmeid me tegen de borst. Wees zo grootmoedig me te vergeven, maar zo met vrouwen om te gaan, wie ze ook wezen mogen, is een fatsoenlijk en liefhebbend mens onwaardig. Welke aardse of hemelse macht heeft je het recht verschaft hen als je slavinnen te behandelen? De platste scheldpartijen, stemverheffing, verwijten, buien bij het ontbijt en bij het middageten, het eeuwige geklaag over het gevangenisbestaan dat je leidt, over dat vervloekte werk van je, - is dat niet allemaal een blijk van grof despotisme? Hoe nietswaardig en schuldig een vrouw ook mag zijn, hoe na ze je ook staat, je hebt niet het recht in haar aanwezigheid met je broek uit te zitten en in haar nabijheid dronken te zijn, woorden te bezigen die fabrieksarbeiders nog niet in de mond zouden nemen als ze in de buurt van vrouwen zijn. Fatsoen en opvoeding beschouw je als vooroordelen, maar men moet sommige dingen toch ontzien, in elk geval zwakke vrouwen en kinderen - tenminste de poëzie van het leven, als het dan met het proza al is afgelopen. Geen fatsoenlijke echtgenoot of minnaar zou het zich permitteren zo tegen een vrouw te spreken, en zich zo grof, voor de grap, op ironische toon aan bedverhalen te vergrijpen. [...] Dat demoraliseert de vrouw en het vervreemdt haar van de god in wie ze gelooft. Iemand die zijn vrouw respecteert, die beschaafd is en een een liefhebbend hart heeft, vertrouwt het zich niet toe aan het kamermeisje te verschijnen zonder broek en luidkeels te schreeuwen: Katka, breng me de po! 's Nachts slapen echtgenoten met hun vrouw, waarbij ze in toon en gedrag in alle opzichten het fatsoen bewaren, om zich 's morgens met gezwinde spoed een das te strikken, om de vrouw niet door hun onbehoorlijk uiterlijk te krenken, door hun verwaarloosde kledij. Dat is misschien pedant, maar daaraan ligt ten gronde wat je onmiddellijk zou begrijpen als je er even bij stil staat, hoe een belangrijke opvoedkundige rol kleinigheden en omgeving spelen in het leven van de mens. Tussen een vrouw die op schone lakens slaapt en éentje die op smerige maft, en vrolijk lacht als haar minnaar [....], bestaat hetzelfde verschil als tussen een restaurant en een kroeg.
Kinderen zijn heilig en rein. Zelfs bij bandieten en krokodillen hebben ze de rang van engelen. We kunnen zelf naar believen in elk gat kruipen, maar hen moeten we omgeven met een atmosfeer die past bij hun rang. Men mag in hun aanwezigheid niet ongestraft ontuchtige praatjes houden, de dienstmeiden beledigen of woedend tegen Natalja Alexandrovna zeggen: Loop naar de hel! Ik houd je niet tegen. Je mag je niet tot speelbal van je buien maken, ze niet de ene keer teder afzoenen en de volgende woedend een schop geven. Beter helemaal niet liefhebben, dan met de liefde van een tiran. Haat is veel eerlijker dan de liefde van Nasreddin, die zijn zo geliefde Perzen de ene keer tot satraap bevordert en ze de volgende keer op een paal spietst. Je behoort de naam van een kind niet ijdel in de mond te nemen, maar jij hebt er een handje van elke kopeke die je een ander geeft of wilt geven, vergezeld te laten gaan van de woorden: Hier, maar het was eigenlijk voor mijn kinderen! Als iemand iets aanneemt, betekent het dat je het gegeven hebt, en dan is het niet erg fraai van weldaden en geschenken te reppen. Dan klinkt het als een verwijt. De meeste mensen leven voor hun familie en je zult maar zelden zien dat iemand zich daarop laat voorstaan alsof het een verdienste is, en behalve jezelf zul je zelden een flinkerd tegenkomen die daaraan toevoegt: Hier, dat ontneem ik mijn kinderen. Het is geringschatting van kinderen, geringschatting van hun heiligheid, wanneer men, terwijl men zelf genoeg gegeten heeft, goed gekleed gaat, tegelijkertijd vrolijk en wel te zeggen: dat zijn hele inkomen opgaat aan zijn kinderen. Hou toch op!
Ik verzoek je te beseffen dat despotisme en leugenachtigheid de jeugd van je moeder bedorven hebben. Despotisme en leugens hebben onze kinderjaren zozeer verminkt dat je nog misselijk en angstig wordt als je eraan denkt. Herinner je eens de schrik en afkeer die wij indertijd voelden wanneer vader aan tafel te keer ging omdat de soep te zout was of wanneer hij moeder voor idioot uitschold. Vader slaagt er zelfs nu nog niet in zich dat te vergeven.
Despotisme een drievoudige misdaad. Als het laatste oordeel geen hersenspinsel is, dan zul jij voor het Synedrion zwaarder worden gestraft dan Cotsjov en Gavrilov. Het zal geen geheim voor je zijn dat de hemel je met iets heeft toebedeeld waarover 99 op de 100 mensen niet beschikken: je bent van nature enorm gul en fijngevoelig. Daarom word er van jou ook 100 keer meer verlangd. Agezien daarvan ben je academicus en journalist.
Je lastige situatie, het slechte karakter van de vrouwen met wie je moet leven, het onbenul van de kokkin, je dwangarbeid, dat vervloekte bestaan, enzovoorts, dat kan allemaal niet dienen als rechtvaardiging voor je despotisme. Beter slachtoffer dan dader.
Natalja Alexandrovna, de keukenmeid en de kinderen zijn weerloos en zwak. Zij hebben niets over jou te vertellen, terwijl jij elk ogenblik van de dag het recht hebt hen de deur uit te gooien en met hun zwakheid de spot te drijven zoveel je wilt. Het is niet nodig ze dat recht te laten voelen.
Ik ben zo goed voor hen opgekomen als ik kan, en mijn geweten is nu zuiver. Wees grootmoedig en beschouw het misverstand als afgehandeld. Als je openhartig en niet achterdochtig bent, ga je nu niet zeggen dat deze brief boze doeleinden dient, dat hij bijvoorbeeld grievend is en mij door slechte gedachten is ingegeven. In onze wederzijdse betrekkingen streef ik enkel en alleen eerlijkheid na. Iets anders heb ik niet nodig. Wij zijn elkaar niets schuldig. Schrijf me dat je ook niet boos bent en niet gelooft aan de zwarte kat.
De hele familie laat je groeten. Je A. Tsjechov.

50 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Sint-Petersburg, 1889. Bron: Urban 1987 nr. 214

Tsjechov, Sint-Petersburg, 1889

51 Het succes van Tsjechovs toneelstuk De beer, dat rond deze tijd in een aantal plaatsen in Rusland wordt uitgevoerd, leidt er ook toe dat hij in de laatste maanden van 1888 zijn oude Ivanov weer opneemt en het flink bewerkt. Hij schrijft tussendoor ook nog twee eenakters (Zwanenzang en Het aanzoek). Ideeën voor eenakters, zo schrijft hij aan Soevorin, wellen bij me op als aardolie uit de bodem van Bakoe. Hij schrijft ook weer aan De woudduivel, waaraan hij in de vorige zomer samen met Soevorin begonnen is, maar hij is ontevreden over diens bijdrage. Ivanov gaat eerst in november in première in Moskou, en op 31 januari 1889 in Petersburg. Die in Moskou loopt uit op een chaos. Het stuk wordt na drie voorstellingen van het programma genomen. Tijdens de voorafgaande repetities in Petersburg logeert hij bij de Soevorins. Hij bezoekt heel wat vrienden en bekenden, Pletsjejev, Leontejev-Skeljov, en hij gaat kort langs bij Grigorovitsj, om zijn geweten te sussen. Hij gaat eten bij de uitgever van de Petersburgse Gazet, Khudekov, en ontmoet er voor het eerst diens dan 24-jarige schoonzus, Lydiya Avilova (1864-1943), die getrouwd is met een ambtenaar op het Ministerie van Onderwijs, Just. Die zou overigens onder de Sovjets geëxecuteerd worden. Ze schrijft zelf ook en bewondert Tsjechovs verhalen zeer. Voordat hij vertrekt, belooft hij haar kaartjes te doen toekomen voor de première van Ivanov. Avilova is de vrouw die beweert Tsjechovs grote liefde te zijn. Ze schreef er een boek over. Simmons is zeer sceptisch met betrekking tot Avilova's aspiraties en ik vermoed dat hij gelijk heeft, al moet ik ook zeggen dat haar memoires oprecht klinken. Bijgaande foto is niet opgenomen in Urban 1987. Hij staat op de titelpagina van de Duitse vertaling van Avilova's memoires. Een eerste uitgave van de oorspronkelijke Russische versie verscheen in 1947, in een bundel met herinneringen van tijdgenoten. De volledige en ongeredigeerde uitgave ervan werd voor het eerst gepubliceerd in 1984, in een bundel met haar verhalen en dagboeken, en ten slotte in 1986 wederom in een verzamelband met herinneringen van tijdgenoten. Mooie vrouw zo te zien, in een tijd bovendien dat er nog geen hair-extension bestond.

51 Lydia Avilova (1864-1943). Ongedateerd, zonder bron. Stelt u zich voor, een bekende van me, een 42-jarige dame, heeft zich in de 20-jarige heldin van mijn Spring-in-het-veld (Sever nr. 1 en 2) herkend, en nu beschuldigt heel Moskou me ervan een smaadschrift geschreven te hebben. Tsjechov in een brief aan Lydia Avilova van 29 april 1892. En dan was dat lang niet alles. Foto uit: Awilowa, L., Tschechow, meine Liebe, Edition Ebersbach, 2004.

Foto van Lydiya Avilova, zj.

52 Hoewel Tsjechov zelf vindt dat Ivanov er met zijn bewerking erg op is vooruit gegaan, vreest hij na de mislukking in Moskou toch het ergste, ook vanwege de verschillende acteurs die de rollen hebben toegewezen gekregen. Maar het succes blijkt enorm. De dag erna vlucht hij terug naar Moskou. Daar vraagt hij Lejkin de groeten te doen aan de Khudekovs, wiens vrouw hij - zo vermeldt hij - sympathiek vindt, maar hij zwijgt daarbij over haar zus, Lydia Avilova dus.

52 Oskolki (Splinters), 4 november 1889, Tsjechov, getrokken door zijn Beer, zijn Woudduivel en zijn Ivanov, op een splitsing der wegen. Links op de wegwijzer: Toneel, rechts: Proza. Tekening: M.M. Dalkevitsj. Bron: Urban 1987 nr. 220

Omslag Oskolki, 4 november 1889

53 Begin 1889 heeft Tsjechov voor het eerst het idee dat hij financieel gezien voorgoed uit de problemen is. Hij heeft 1500 roebel in een bureaula liggen en rekent erop dat hij in de komende jaren zo'n drie à vier duizend roebel per jaar aan zijn werk kan gaan verdienen. Van zijn verhalen en toneelstukken heeft hij inmiddels een aardig bedrag aan vaste inkomsten. Als hij van Aleksandrs plan hoort een huis in Oekraïne te kopen, ontraadt hij hem dat, maar het wakkert bij hem wel het idee aan dat zelf te doen. Hij vermoedt dat hij nu een hypotheek aankan van 10.000 roebel en reist in maart 1889 naar Charkov, om voor zichzelf en voor Soevorin, die soortgelijke plannen heeft, op zoek te gaan naar een boerderij, maar hij kan niets vinden. Ondertussen woont hij nog steeds samen met de hele familie. De al bejaarde moeder raadt hem - tot zijn ergernis - met enige regelmaat aan een rijke weduwe te trouwen. Hij maakt daar zoveel grapjes over dat hij in brieven aan vrienden moet ontkennen dat er waarheid in het gerucht zit. De jongste broer, Misja, is klaar met zijn studie rechten. De 26-jarige Masja geeft les aan een meisjesschool (het Rjevskygymnasium) en schildert. Ze fungeert ondertussen als vertrouweling van Tsjechov en als tussenpersoon voor al diegenen die kennis met hem willen maken, waarbij hij volledig op haar vertrouwt. Tegen de vriendinnen die ze mee naar huis neemt, is hij altijd bijzonder vriendelijk, zo schrijft Simmons. Eén van hen is recentelijk een collega van Masja geworden, Lidiya Stakhievna Mizinova. Tsjechov, die de gewoonte ontwikkelt haar de prachtige Lika te noemen zal jarenlang erg op haar gesteld blijven. Ze is naar beweerd een bijzonder mooie vrouw (al flatteert bijgaande foto haar niet erg) en broer Misja schreef dat Tsjechov zeer in haar geïnteresseerd was. Ze zal ten slotte in 1893 terecht komen in een ongelukkige verhouding met een goede bekende van Tsjechov en veelvuldig bezoeker van Melichovo, I.N. Potapenko en in Frankrijk van een kind van hem bevallen, in 1894, jaar waarin Potapenko haar ook in de steek laat. Tsjechov, die zelf rond die tijd ook in Frankrijk verblijft, zal haar dan niet opzoeken. Simmons schrijft: Toen Masja haar voor het eerst mee naar huis bracht, liet ze Lika achter in de hal en ging zelf naar boven om iets te halen. Misja kwam de trap af en staarde naar de verlegen Lika, die dicht tegen de muur gedrukt stond en de ogen neersloeg, terwijl ze probeerde haar gezicht in haar bontkraag te verbergen. Hij ging Tsjechovs studeerkamer binnen en zei: Hé Anton, Masja is net binnen met een schoonheid. Ze staat in de hal. Tsjechov kwam tevoorschijn, keek en ging naar boven. Dat deed Misja ook, en de twee herhaalden hun gang trap op trap af verschillende keren, tot verlegenheid van Lika. Toen Masja terug was, zei Lika dat er heel wat manvolk in de familie rondliep. Mensen kwamen graag bij de Tsjechovs op bezoek, want er was altijd wel iets belangwekkends aan de gang. Soms kwam de criticus Ostrovsky (broer van de toneelschrijver), de acteur Lenski of de acteur Davidov. Er was altijd een overvloed aan interessante gespreksstof. Tsjechov kent inmiddels heel wat acteurs en actrices en verkeert in Moskou vaak in hun gezelschap. Hij bezoekt wekelijks de feestjes van de Koevshinnikovs. De vrouw, die geen schoonheid is, kent vele kunstenaars, en de man is een bescheiden, maar toegewijd arts, die onzichtbaar blijft, tot hij op het hoogtepunt van de festiviteiten het eten aankondigt, waarna zijn eega hem in het voorbijgaan looft (Oh, wat hij is hij toch lief, kijk eens wat een lieve man ik heb). Zeker, wie Tsjechovs werk kent, zal het kunnen plaatsen. Drie jaar later verschijnt Tsjechovs prachtige Een spring-in-t-veld (VW 4), waarna iedereen uit de kring woedend op hem is, de schilder Levitan, die zichzelf moeiteloos herkent in Rjabovski, de acteur Lenski en Sofja Koevshinnikova zelf, al heeft die wel de trekken gekregen van Lika Mizinova. Levitan portretteerde Koevshinnikova overigens, in 1888, op een portret dat zich nu in het Tretjakov bevindt. De jonge Moskouse schrijvers begroeten Tsjechov ondertussen enthousiast in hun midden. Simmons schrijft dat het feit dat die erkenning zo laat kwam, vermoedelijk te wijten was aan hun liberale opvattingen (en Tsjechovs inmiddels alom bekende vriendschap met Soevorin, voeg ik daar maar aan toe).

53 Lydia Stakjevna Mizinova (Lika) (1870-1937), 1890. De groepsfoto die voorafgaand aan Tsjechovs vertrek naar Sachalin werd genomen, lijkt haar meer te flatteren. Er bestaat van haar ook een foto van mei 1897. Bron: Urban 1987

Lidiya Mizinova, ca. 1890

54 Na de Petersburgse première van zijn Ivanov komt er van schrijven een tijdje niets. Hij leest en herleest veel. En waar hij over zijn eigen geschrijf standaard erg bescheiden is, verstout hij zich soms ook tot oordelen over collega's die zijn houding lijken te logenstraffen. Wat hij ooit in Gontsjarov gezien heeft, begrijpt hij niet meer, Dostojevski noemt hij langdradig en ook over Saltykov is hij kritisch. Terwijl Tolstoj blijkens diens dagboeken Tsjechov begint te lezen, herleest Tsjechov hem niet, maar wel Gogol, die hij nog onverminderd bewondert. Hij laat aan die en gene weten dat hij schrijft aan een roman, maar als zijn broer Nikolaj ziek wordt, lijdt dat idee ergens rond augustus 1889 weer schipbreuk. Nikolaj krijgt eerst tyfus, maar al spoedig blijkt dat hij ook tbc heeft. Geld om hem mee naar een vriendelijker klimaat te nemen, is er niet en zodoende besluit Tsjechov met hem naar het landgoed van de Lintvarevs te gaan, in Loeka, Oekraïne, waar hij op 25 april 1889 arriveert, met zijn moeder en zus Masja. Misja wilde niet mee. Hij nodigt er allerlei mensen uit, maar aangezien ze op de hoogte zijn van Nikolajs toestand, blijven de meesten weg. Soevorin verschijnt wel, en de twee gaan vissen aan de Psol. Ook Svobodin, die de rol van Sjabelski had gespeeld in Ivanov, komt langs. Maar het grootste deel van de tijd is hij alleen met Nikolaj en de familie. Als hij in mei hoort dat Soevorin plannen heeft op reis te gaan, begint hijzelf ook te dromen van Parijs en Biarritz, waar er muziek wordt gespeeld en er vrouwen zijn. Hij verkeert soms in een merkwaardige stemming. Aan Soevorin schrijft hij op 4 mei 1889:

Ik schrijf u, beste Aleksje Sergejewitsj nadat ik net van de jacht ben teruggekeerd - ik was kreeften vangen. Het weer is heerlijk. Alles zingt, bloeit, straalt van schoonheid. De tuin is al helemaal groen, zelfs de eiken zijn al uitgelopen. De stammen van de appel-, peren-, kersen- en pruimenbomen zijn wit gekalkt tegen de wormen, al die bomen staan vol witte bloesem, hetgeen ze verbluffend veel op bruiden in het wit doet lijken; het witte gewaad, de witte bloesem en zo'n onschuldig uiterlijk, alsof ze er zich voor schamen dat je naar ze kijkt. Elke dag worden miljarden levende wezens geboren. De nachtegalen, de roerdompen, de koekoeken en andere gevederde schepsels roepen onophoudelijk, dag en nacht, en de kikvorsen begeleiden hen. Elk uur van dag en nacht heeft zijn bijzonderheid. Zo is het negende van de avond letterlijk gevuld met het bruisen van de meikevers. De nachten zijn maanverlicht, de dagen helder. Zodoende ben ik in een erg goede stemming en als de hoestende schilder er niet was en de muggen, waartegen zelfs de recepten van Elpe [columnist van Novoe Vremja Popov op het gebied van gezondheid] niet helpen, dan was ik waarachtig Potemkin. De natuur is een uitstekend kalmeringsmiddel. Ze stemt vredig, dat wil zeggen ze maakt de mens onverschillig. En de mens moet op deze wereld onverschillig zijn. Enkel de onverschilligen zijn in staat de dingen scherp te zien, ze recht te doen en te werken - dat heeft natuurlijk alleen betrekking op op intelligente en fatsoenlijke mensen; egoïsten en leeghoofden zijn al onverschillig genoeg. U schrijft dat ik lui ben geworden. Dat kan niet betekenen dat ik nu luier ben dan ik ooit was. Ik werk nog net zoveel als 3 tot 5 jaar geleden. Werken en de indruk te wekken van iemand die werkt van 's ochtends 9 tot het middagmaal en van de avondthee tot het slapen gaan, dat is een gewoonte geworden en in dat opzicht ben ik net een ambtenaar. Als er bij mijn werk per maand geen twee novelles ontstaan of 10.000 roebel jaarinkomen, dan komt dat niet door mijn luiheid, maar door mijn psychisch-organische eigenschappen: voor de geneeskunde geef ik te weinig om geld, voor de literatuur ontbreekt het me aan hartstocht, dus aan talent. Het vuur in mij brandt gelijkmatig en traag, zonder op te vlammen en te knetteren, daarom gebeurt het ook niet dat ik in éen nacht drie vier drukvellen schrijf of dat ik, omdat ik door het werk bezeten ben, niet naar bed ga als ik slapen wil; daarom lever ik noch opzienbarende stommiteiten, noch opvallend knappe prestaties. Ik vrees dat ik wat dat betreft erg op Gontsjarov lijk, op wie ik niet veel geef, maar die qua talent ver mijn meerdere is. Hartstocht heb ik weinig; voeg daar nog wat psychopathie aan toe; en opeens, als een donderklap bij heldere hemel maakt het me niks meer uit mijn werk in druk te zien, ben ik onverschillig geworden waar het recensies aangaat, gesprekken over literatuur, geruchten, succes, mislukking, waar het honoraria betreft, in éen woord: ben ik een enorme idioot geworden. In mijn hart heerst een soort stilstand. Ik verklaar die door de stilstand in mijn persoonlijke leven. Ik ben noch teleurgesteld, noch moe noch gedeprimeerd, het interesseert me alleen minder. Ik moet een vuurtje onder mijn achterste hebben. [...]

Half juni haalt Tsjechov Aleksandr over langs te komen en vertrekt kort daarop naar de provincie Poltava, waar hij de vorige zomer ook op bezoek is geweest bij de Smagins. Hij gaat er samen met Svobodin en een paar Lintvarevs heen, maar de reis blijkt afschuwelijk en op 17 juni ontvangt hij een telegram met de mededeling dat Nikolaj gestorven is. Tsjechov neemt de trein terug en komt pas met veel oponthoud aan in Loeka, waar Nikolaj, de eerste van het gezin die sterft, wordt begraven op het dorpskerkhof. Op 2 juli 1889 laat hij de familie achter en vertrekt uit Loeka naar Odessa.

54 Nikolaj Tsjechov, Portret van Anton Tsjechov, 1884. Onaf. Olieverf op linnen, Tsjechovhuis Moskou, Sadova Kudrinskaja 6. Het was dit, of een zwart-witafbeelding van Urban. Vergeeft u me maar. Foto: Moskou, woensdag 8 augustus 2012.

Nikolaj Tsjechov, Portret van Anton Tsjechov, 1884

55 Nog in Loeka overweegt Tsjechov begin juli 1889 eerst naar Soevorin te gaan, die op dat moment door Europa reist en in Wenen verblijft, maar hij kiest, nadat hij een brief heeft gekregen van de acteur Lenski, uiteindelijk voor Odessa, waar het gezelschap optreedt van het Malytheater dat op toernee is. Vanuit Odessa neemt hij zich voor naar het buitenland op reis te gaan. Tien dagen lang houdt hij zich er op in een hotel, gaat 's ochtends met sommige leden van het gezelschap zwemmen, bezoekt er de cafés en toneelvoorstellingen en begeleidt er winkelende actrices, van wie hij er nu en dan éen achter het toneel behandelt als ze verkouden is. Simmons schrijft hoe de bekende actrice Cleopatra Karatygina geschokt is als ze aan Tsjechov wordt voorgesteld, omdat die op dat moment uit een grote papieren zak zonnebloempitten loopt te eten, als de eerste de beste boer. Maar de twee raken al gauw op goede voet. Een oude schoolvriend uit Taganrog, Sergejenko, begeleidt hem op uitstapjes in de omgeving van Odessa. Op éen ervan leert Tsjechov zo I.N. Potapenko kennen, een jonge journalist en schrijver uit Odessa. Een paar jaar later zullen de twee met elkaar bekend raken en dan zal Potapenko ook een regelmatige gast worden op Melichovo, niet altijd tot plezier van de schrijver. Tsjechov zal hem in zijn brieven al gauw de God der verveling gaan noemen, maar raakt desondanks op hem gesteld. In Petersburg zal hij nu en dan karweitjes voor de schrijver opknappen. Hij is ook de man die Lika Minizova uiteindelijk met een kind zal opzadelen. Toch heeft Tsjechov ook al snel weer genoeg van de drukte, het geroddel en de achterklap die in het gezelschap blijkbaar usance zijn en vertrekt, hoewel zijn geld aan het opraken is, naar Jalta. Hij schrijft op 18 juli 1889 aan Masja, over de plek waar hij nog zal komen te wonen: De flora van Jalta is een jammerlijke zaak. De veelgeprezen cypressen groeien niet hoger dan de populieren die in de kleine tuin van de Lintvarevs links van de zijvleugel staan; ze zijn donker, hard en stoffig. Het publiek bestaat grotendeels uit joden en gladgeschoren koppen van operettespelers. De vrouwen ruiken naar roomijs. Toch begint hij weer te schrijven. Het verhaal waar hij een aanvang mee maakt, is het beroemde (en prachtige) Een vervelende geschiedenis. Het zal pas in het novembernummer (1889) van Severny Vestnik verschijnen en zal er voor die tijd nog flink mee tobben. Terwijl hij aan de Krim verblijft, wordt in Krasnoje Selo voor de tsaar Tsjechovs Huwelijksaanzoek gespeeld. Svobodin laat Tsjechov weten dat de tsaar hartelijk heeft gelachen. In Jalta leert hij ondertussen éen van de drie dochters van een landeigenaar uit Charkov kennen, die zelf ook schrijft, Jelena Savrova. Hij zal nog jarenlang met haar corresponderen en een verhaal dat ze geschreven heeft voor haar naar Novoje Vremja sturen. Sjavrova zelf schrijft in de herinneringen aan Tsjechov die ze in 1935 publiceerde, dat het verhaal Sophie heette en dat het inderdaad in Novoje Vremja terecht zou komen. Na een paar weken in Jalta moet Tsjechov bij Aleksandr om geld vragen, waarna hij op 12 augustus weer terug is in Loeka. Het plan om Soevorin op te zoeken, laat hij varen. In het buitenland is hij nog steeds niet geweest. Dat zal pas gebeuren in maart en april 1891, wel samen met Soevorin. Begin september vertrekt iedereen vanuit Loeka weer naar Moskou. Als het gezin op de terugreis in de trein een oude docent van Masja tegenkomt, een bekend professor die ze bewondert, en ze bang is dat Tsjechov haar in verlegenheid zal brengen met rare opmerkingen, doet hij alsof hij de kok is, zo schrijft Simmons.

Urban zwijgt geheel over deze foto. Hou oud Sjavrova hier is, kan ik dus niet met zekerheid zeggen. Maar Alan Twigg weet in het voorwoord bij het - wat snorkerig getoonzette - boek van Sekirin (Sekirin 2011) over Jelena Sjavrova, wier naam hij in het Engels spelt als Elena Shavrova, te melden, dat ze 15 was toen de 29-jarige Tsjechov haar ontmoette - wat qua jaar in elk geval klopt met Simmons weergave, 1889 namelijk - dat zulks geschiedde toen ze hem het manuscript van een verhaal gaf, dat ze verliefd werd op hem, zonder een kans te hebben, vervolgens op haar twintigste trouwde met een ambtenaar (ene Youst), waarna Tsjechov haar in 1897 opnieuw tegenkwam en een verhouding met haar kreeg (terwijl ze inmiddels zelf 23 was), en met haar naar Jalta vluchtte. Ze zou model hebben gestaan voor Tsjechovs Dame met het hondje, en hem na het verschijnen van dat verhaal nooit meer zien. Dat alles zou gebaseerd zijn op onlangs (in 2008 en in het Russisch) voor het eerst gepubliceerde brieven in het Verzamelde Werk van Tsjechov in 35 delen. Twigg meldt nog dat Tsjechov 68 brieven aan haar schreef, meer dan aan enige andere vrouw, afgezien dan van Olga Knipper, met wie hij in 1901 zou trouwen. Maar noch Twigg, noch Sekirin kent blijkbaar Peter Urban, wiens werk nu eenmaal in het Duits is uitgegeven. Urban meldt in zijn brieveneditie al (Urban-1979-6) dat Tsjechov 69 (!) brieven aan haar schreef, en Sjavrova aan Tsjechov 130, allemaal in de jaren 1889 tot 1900. Urban zelf heeft er 19 van gepubliceerd. Tsjechov kende ook haar zus Anna Michailovna, en richtte ook drie brieven aan haar. Ook haar man (E.M. Just, schrijft Urban) neemt hij op in het namenregister van de brievenuitgave, evenals de pseudoniemen waaronder Sjavrova schreef en haar jaartallen. Ik vermoed dat de foto van rond Sjavrova 's huwelijk dateert en dus van ongeveer 1894 is, toen ze twintig was. Simmons merkt in zijn biografie ten slotte op dat Tsjechov Sjavrova voor het eerst weer terugziet in Moskou, na zijn reis naar Sachalin, eind 1891.

55 Jelena Michailovna Sjavrova (1874-1937), schrijfster. Tsjechov leert haar in 1889 in Jalta kennen, als ze 15 jaar oud is en zal blijkbaar in 1897 een verhouding met haar krijgen. Bron foto: Urban 1987 nr. 219

Jelena Sjavrova (1874-1937)

56 Het najaar van 1889 is aldus voor een goed deel gevuld met theaterbezigheden. Tsjechov herziet zijn Woudduivel, is aanwezig bij uitvoeringen van Ivanov, schrijft een eenakter (Het huwelijksaanzoek), maar krijgt ook te horen van Pletsjejev dat de titel van zijn laatste verhaal (Een vervelende geschiedenis) het de critici wel erg gemakkelijk maakt. Overigens is het verhaal éen van de allermooiste van zijn hand. Ik heb voor de aardigheid in een apart stuk onder mijn vertaling van Thomas Manns Essay over Tsjechov alles bij elkaar gezet wat Tsjechov zelf over het verhaal schreef in zijn correspondentie. Hier zou het te zeer een uitweiding zijn. Al met al is het geen wonder dat Tsjechov in 1889, 1890 en 1891 verder maar weinig verhalen schrijft. Eerst is er de dood van Nikolaj, daarna zijn reis naar Sachalin met de daarvoor benodigde voorbereidingen. Kort na zijn terugkeer gaat hij bovendien met Soevorin op reis naar West-Europa, naar Wenen, Italië, Zuid-Frankrijk en Parijs. Zover is het nog niet.

Uit deze periode, eind 1889, dateert ook Tsjechovs beroemde zin over het geweer aan de muur, al wordt de muur hier niet genoemd. Ik vermoed dat hij ook elders nog wel een keer te vinden is in Tsjechovs correspondentie. Hier komt de passage uit een brief van 1 november 1889 aan toneelschrijver Lazarev-Groezinski over een vaudeville die hij van hem heeft opgestuurd gekregen. Bij Urban is het nummer 243, Eekman geeft hem niet. Hij schrijft over éen van de personages uit Groezinski's stuk:

Dasja's eerste monoloog is volkomen overbodig, want hij steekt uit als een gezwel. Hij zou op zijn plaats zijn als u van Dasja niet gewoon een bijrol had willen maken en als die, de monoloog, die de toeschouwer zoveel belooft op de een of andere manier betrekking had op de inhoud of het effect van het stuk. Je kunt niet een geladen geweer op het toneel tonen, als niemand de bedoeling heeft ermee te schieten. Dan kan Dasja beter helemaal zwijgen. Dat is beter.

Kort daarvoor, op 12 oktober 1889, vraagt Tsjechov de componist Tsjaikovkski - ik vermeldde het al - per brief, of hij hem zijn nieuw uit te geven verhalenbundel mag opdragen en of hij een foto van hem kan krijgen (Urban nr. 236, Eekman 166) De componist stemt niet alleen toe, maar begeeft zich bijna per ommegaande naar Koedrino. Tsjechov blijkt niet thuis te zijn, zodat Tsjaikovski de foto achterlaat en, blijkens een hartelijk bedankbriefje van Tsjechov van twee dagen later, ook zijn sigarettenetui, want drie eruit blijken te zijn opgerookt door de cellist, de fluitist en de leraar. Daarbij ging het, zo annoteert Urban, om M.R. Semasjko, AS.I. Ivanenko en Tsjechovs broer Ivan. Tsjaikovski zelf schrijft op dezelfde dag aan zijn broer Modest (die in Tsjechovs brief wordt genoemd): Stel je voor, Tsjechov heeft geschreven. Hij wil zijn nieuwe verhalenbundel aan mij opdragen. Ik ben vol dankbaarheid naar hem toe gegaan, ik ben enorm trots en blij.

AAN PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI
12 oktober 1889, Moskou
Zeer vereerde Pjotr Iljitsj,
In deze maand zal ik mijn nieuwe verhalenbundel laten uitgeven. De verhalen zijn vervelend en zo saai als de herfst, gelijkvormig van toon en de artistieke elementen erin zijn sterk vermengd met geneeskundige, maar dat ontneemt me niet de moed me met een verzoek tot u te wenden: wilt u mij toestaan deze bundel aan u op te dragen? Ik zou het erg op prijs stellen een positieve reactie te ontvangen, ten eerste omdat die opdracht me veel plezier zou doen en ten tweede omdat het mijn gevoel van bewondering voor u - waardoor ik dagelijks aan u denk - zou bevredigen. De gedachte dat boek aan u op te dragen, kwam al bij me op op de dag dat we samen bij Modest Ivanisovitsj ontbeten en ik van u hoorde dat u mijn verhalen gelezen had. Als u me ook nog een foto van u wilt sturen, zou ik meer krijgen dan ik verdien en volkomen tevreden zijn. Vergeeft u me dat ik u lastig val, sta mij toe u alle goeds te wensen. Uw toegenegen A. Tsjechov.

Een paar maanden later, op 16 maart 1890, kort voor zijn vertrek naar Sachalin, schrijft hij nog aan Tsjaikovski's broer Modest, van wie hij eerder al een toneelstuk (getiteld: Symfonie) toegestuurd heeft gekregen:

[...] Over anderhalve week verschijnt mijn nieuwe boek [Sombere mensen] dat aan Pjotr Iljitsj is opgedragen. Ik zou bereid zijn dag en nacht voor zijn huis de erewacht te houden, zo zeer bewonder ik hem. Als je het in rangen zou willen uitdrukken, dan neemt hij in de Russische kunst heden ten dage de tweede plek in, na Tolstoj, die al lang de eerste heeft. (De derde geef ik aan Repin, mezelf ken ik de achtennegentigste toe). Ik koesterde al lang de drieste droom iets aan hem op te dragen. Die opdracht was een geringe, minimale uitdrukking van mijn lange, kritische hulde, die ik, als schrijver aan zijn geweldige talent had willen besteden, maar die ik uit gebrek aan muzikaal talent niet op papier heb kunnen zetten. [...]

Van een week na de vorige dateert nog een opvallende brief, nu aan Leontjev, die hem in een schrijven heeft gekapitteld om zijn Vervelende geschiedenis en het verhaal dat hij voor de aan Garsjin gewijde almanak had geschreven en dat in de nieuwe vertaling van Stoffel Zielepijn heet, omdat hij ze uitgekookt en droog vond, vergeleken met Tolstojs Kreutzersonate. Ik vraag me af of Leontjev bijvoorbeeld zou kunnen doelen op de mogelijkheid - die Tsjechov zelf in een brief aan Pletsjejev volkomen uitsloot - van een verhouding tussen de oude professor en Katja in Een vervelende geschiedenis. Die gedachte - eerlijk is eerlijk - is me ook wel eens bekropen, omdat het Katja's wanhoop aan het slot begrijpelijker zou maken. Duidelijk is dat zij van haar kant in elk geval zeer op hèm is gesteld. Haar zo koele afscheid lijkt dat van een versmade vrouw. Ambiguïteiten maken een verhaal meestal beter, dat wist Tsjechov net zo goed als Tolstoj. Tsjechovs Zielepijn gaat, voor wie het niet kent, over het bordeelbezoek van drie studenten. De titel, Zielepijn, wordt gebruikt in Stoffels nieuwe vertaling en die is eigenlijk raar, want de oorspronkelijke Russische titel, припадок (pripadok') betekent volgens het woordenboek van De Honselaar gewoon toeval, als in: van epilepsie, of woede, waanzin, of een beroerte. Timmer vertaalde nog: Zenuwtoeval. Hoe dan ook, de stof met een bordeelbezoek biedt in elk geval gelegenheid tot opmerkingen van morele aard. Mijzelf valt overigens aan de kwestie op dat Leontjev, terecht overigens, Tsjechov überhaupt vergelijkt met Tolstoj. Tsjechov repliceert op 22 maart 1890:

[...] Je schrijft dat je de lust bekruipt mij eens flink onder handen te nemen, "vooral inzake vragen van morele en artistieke aard", spreekt op vage toon over een of ander misdrijf dat ik zou hebben gepleegd, dat vriendschappelijke kritiek zou verdienen en dreigt zelfs met "invloedrijke krantenkritiek". Als ik het woord "artistiek" schrap, dan wordt de zin die tussen tussen aanhalingstekens staat begrijpelijker, maar verkrijgt die ook een betekenis die me, om je de waarheid te zeggen, nogal in verwarring brengt. Jean, wat moet dat? Hoe moet ik dat opvatten? Wijk ik qua morele opvattingen zo ver van mensen als jij af dat ik kritiek verdien en de opmerkzaamheid van invloedrijke krantenkritiek? Het zo opvatten alsof je de een of andere hogere moraal op het oog hebt, kan ik niet, omdat er geen lagere, geen hogere en ook geen middelste moraal bestaat, maar enkel die ene, en wel die, die Jezus Christus ons ooit verschaft heeft, en die tegenwoordig mij, jou en Baransjevitsj ervan weerhoudt te stelen, te beledigen, te liegen, enzovoorts. Maar ik heb, als ik op mijn rustige geweten afga, in mijn hele leven, noch in woorden noch in gedachten, noch in verhalen of in vaudevilles de vrouw van mijn naaste begeerd, noch zijn dienaar, noch zijn vee of heb hetgeen hem toebehoort gestolen, ik heb niet gehuicheld, de machtigen niet gevleid en niets van hen gewild, heb niemand afgeperst en mij door niemand laten onderhouden. Zeker, in traagheid slijt ik mijn dagen, heb zonder zin gelachen, at mij vol, dronk en bedreef ontucht, maar dat behoort allemaal tot mijn privéleven en dat alles ontneemt me geenszins het recht te denken, dat ik op het punt van moraal niet in negatieve en niet in positieve zin van het normale afwijk. Geen heldendaden, geen gemeenheden - ik ben net als de meeste andere mensen; ik heb veel gezondigd, maar met de moraal ben ik quitte, want ik betaal voor die zonden met rente op rente, namelijk door de onaangenaamhden die ze met zich meebrengen. Als je mij eens flink onder handen wilt nemen, omdat ik geen held ben, gooi dan die flinkheid maar uit het raam en verruil de toon van de rechter met je dierbare tragische lach - dat is beter. Het woord artistiek vrees ik als de koopmansvrouw een spook. Wanneer men tegen mij over artistiek en onartistiek begint, over hetgeen voor het toneel geschikt is en wat niet, over tendens, richting, realisme, enz. dan word ik verlegen, zeg aarzelend ja en antwoord met banale halve waarheden die geen stuiver waard zijn. Ik deel de hele kunst in twee soorten in: die me bevalt en die me niet bevalt. Een ander criterium heb ik niet en als ze me vragen waarom Shakespeare me wel bevalt en en Zltovratski niet, dan heb ik geen antwoord. Misschien zal ik er mettertijd, als ik intelligenter word, criteria voor kunnen aanleggen, maar voorlopig vermoeien al die gesprekken over het artistieke me en komen ze me voor als de voortzetting van al die scholastische twistgesprekken waarmee de mensheid zich in de middeleeuwen vermoeide. [...]

56 Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893). Op 14 oktober 1889 bezoekt éen van mijn helden de andere held, want dan gaat Tsjaikovski langs bij Tsjechov. Die is niet thuis. Dat is dan wel weer jammer. De componist vraagt hem later om een libretto naar een verhaal van Lermontov, Bela. Het zal er niet van komen. Ze wisselen foto 's uit met een opdracht. In de hand van Tsjaikovski: Voor A.P. Tsjechov van zijn vurige vereerder, P. Tsjaikovski Foto: 80'er jaren. E. Bieber, Hamburg. Bron foto: Urban 1987 nr. 221

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

3 SACHALIN 1890

57 Hoewel Tsjechov pas op 20 januari 1890 voor het eerst schrijft dat hij besloten heeft naar Sachalin te gaan, speelt hij eind 1889 blijkbaar al met het idee, dat dan snel vaste vormen aanneemt. Begin 1890 verblijft Tsjechov kortstondig bij de Kiseljovs op Babkino, niet bij toeval, naar blijkt. Want daar vraagt hij aan de zwager van Maria Kiseljova, senator Goloebev, om voor hem een kajuit te regelen op een schip dat in oktober 1890 vanuit Wladiwostok via China en India van Sachalin naar Odessa terugkeert. Er bestond in Rusland de zogenaamde Vrijwillige vloot, die met behulp van een publieke inzameling was ontstaan. Tsjechov had een schip ervan ook op weg naar Sachalin kunnen gebruiken, maar heen koos hij voor de route over land. Kort daarop is hij in Sint-Petersburg. Hij leest wetenschappelijke literatuur, neemt contact op met het bestuur van het gevangeniswezen - dat hem hulp belooft, maar in stilte een telegram stuurt naar Sachalin om de autoriteiten daar te waarschuwen - en vraagt met behulp van Soevorin bij andere ministeries om ondersteuning bij zijn plan. Die krijgt hij trouwens op geen enkele wijze. Begin februari is hij weer terug in Moskou. Hij blijft literatuur over Sachalin lezen en laat anderen in bibliotheken werk over Sachalin excerperen. Vooral Kleopatra Karatagyna komt van pas. Ze was éen van de actrices die hij eerder in Odessa was tegengekomen en hij had een verhouding met haar gekregen. Ze kende Siberië goed omdat ze er jaren als gouvernante had doorgebracht, in Kiakta, aan de grens met Mongolië. Ze verschaft hem adressen en onderwijst hem in Siberische zeden (Vraag nooit waar iemand vandaan komt). In de pers wordt zijn plan geprezen, vooral ter linker zijde, want men meende eindelijk een principiële schrijver te ontwaren. Rayfield schrijft: De Russische Zola's - Korolenko en Ertel - kwamen terug op hun kritische aantekeningen. De schepsels in de dierentuin der literatuur waren jaloers op het voetlicht waar Tsjechov in stond; sommigen waren blij dat hij de rest van het jaar uit de weg zou zijn. Boerenin, Soevorins belangrijkste literaire criticus, schreef een hatelijk rijmpje. Op 15 februari 1890 rept hij in een brief aan Pletsjejev van Mania Sachalinosa. Kort na zijn vertrek ondertekent hij, op 23 april 1890, schrijvend vanaf de Aleksandr Nevski op de Wolga, een brief aan de familie met: Homo Sachaliniensis.

57 Isaak Iljitsj Levitan (1860-1900), De Vladimirka, 1892: detail. Vladimirka (Владимирка), was in de volksmond de benaming van de weg waarlangs strafgevangenen naar Siberië werden gedreven. De weg liep van Moskou naar Vladimir en Niznji Novgorod en was 190 kilometer lang. Aangenomen wordt dat Levitan het doek maakte omdat hij onder de indruk was van Tsjechovs reis naar Sachalin. Het werd voor het eerst tentoongesteld tijdens de jaarlijkse expositie van de Peredvisjniki in 1892, in Petersburg. Een schets ervoor zou hij aan Tsjechovs broer (en jurist) Michail hebben gegeven. Olieverf op linnen, 87 x 108 cm, Tretjakov, Moskou. De reproductie is aan de linkerzijde door mij bijgesneden omdat ik hem anders niet naar behoren had kunnen tonen en komt uit een catalogus van het Tretjakov bij een tentoonstelling ter gelegenheid van het 150ste geboortejaar van Levitan in 2010. Het was dit of een (complete) zwartwitreproductie van Urban. Bron: Novevla 2010, Isaac Levitan, Catalogus bij de tentoonstelling in de Tretjakovgalerij in Moskou van 15 oktober 2010 tot 20 maart 2011

Isaak Iljitsj Levitan (1860-1900), Vladimirka, 1892

58 Er is veel over gespeculeerd wat Tsjechov ertoe bewogen kan hebben naar Sachalin te gaan. Sommigen hielden het op de verwerking van een ongelukkige liefdesaffaire, waarbij dan vaak Avilova wordt genoemd. Simmons gelooft er niet in. En ik trouwens ook niet, eens temeer waar Tsjechov haar volgens mij nog niet kende. De eerste brief aan haar dateert pas van februari 1892. Er zijn bovendien eenvoudiger methodes om een ongelukkige liefde kwijt te raken, welke dan ook. Zelf vermoed ik dat Tsjechov de meeste vrouwen niet interessant genoeg vond om mee samen te leven, maar dat kan ik mis hebben. Afgezien daarvan vermoed ik dat Tsjechov elke vrouw had kunnen krijgen die hij wilde. Hij was in hoog tempo een beroemdheid aan het worden en een knappe man was hij ook nog. Zelfs Lika Mizinova, met wie hij vermoedelijk al een verhouding had, zou hem graag (definitief) veroverd hebben. Anderzijds, het is Rayfield weer eens - die alle vrouwen van Tsjechov nauwlettend bijhoudt en alle pikante, tot dan toe onbekende passages uit zijn briefwisseling op een rij zet - die in zijn van 1997 daterende biografie schrijft, dat als Tsjechov onderweg in Siberië met een officier uit zijn gezelschap in gesprek raakt en die hem aanraadt een vrouw te zoeken, hij zegt: Dat kan niet. Ik heb een bruid in Moskou. En toen, na een korte stilte zei hij met een rare stem, alsof hij hardop dacht: Ik betwijfel alleen of ik gelukkig met haar zal worden - ze is te mooi. Ik ben - Rayfield ten spijt - geneigd te denken dat de zaak eenvoudiger ligt. Tsjechov was, waar hij ook kwam, omgeven door idealisten. Hij kreeg altijd te horen dat hij geen standpunt innam, geen levensvisie had, en dan was hij ook nog bevriend met die inmiddels aartsconservatieve Soevorin, die hem bovendien uitgaf. Sachalin was de verwerkelijking van de opvattingen en ideeën die hij wel degelijk had. Ik vermoed dat Tsjechovs oprechte literaire bescheidenheid voortkwam, niet uit het idee dat hij een klein talent had, want hij wist wel beter, maar uit de overweging dat de literatuur als zodanig maar weinig bijdraagt tot het menselijk levensgeluk in de meest praktische zin. De idealen van al die mensen om hen heen gingen alle kanten uit, maar éen ding hadden ze gemeen, terwijl ze op zeer Russische wijze vooral de eigen heiligheid bewerkten, dienden ze nauwelijks het algemeen belang. Kort voordat hij naar Sachalin ging, op 10 april 1890, reageert hij, op voor zijn doen zeer atypische wijze, nog boos op een passage in Roesskaja Mysl (Russische gedachte), waarin hij een priester van het principeloze schrijven wordt genoemd. Hij schrijft aan Lavrov, redacteur van het blad:

[...] Ik zou normaal op die lasterlijke aantijging niet hebben gereageerd, maar ik verlaat in de komende dagen voor lange tijd Rusland, misschien zal ik nooit terugkeren en ik ben niet bij machte u mijn reactie te onthouden. Een principeloze schrijver of, wat op hetzelfde neerkomt, een schurk, ben ik nooit geweest. Het is waar, mijn gehele literaire carrière bestond uit éen ononderbroken reeks fouten, soms grove, maar dat vindt zijn verklaring in de omvang van mijn begaafdheid en niet daarin dat ik een goed of slecht mens ben. Ik heb niemand afgeperst, heb noch smaadschriften noch aangiftes geschreven, heb niemand gevleid, niemand belogen, niemand beledigd, kortom, ik heb veel verhalen en artikelen die ik vanwege hun ondeugdelijkheid zo zou weggooien, maar ik heb geen enkele regel geschreven, waarvoor ik me zou moeten schamen. Erkent u de juistheid van de hypothese dat, wat u onder principeloosheid verstaat, de treurige omstandigheid is dat ik, een beschaafd mens, die veel publiceert, niets voor hen heb gedaan van wie ik houd, dat mijn activiteiten spoorloos voorbij gegaan zijn, bijvoorbeeld aan de Zemstwo, aan de nieuwe rechtspraak, aan de persvrijheid, aan de vrijheid in het algemeen, dan zal Roesskaja Mysl zich tegenover mij collegiaal dienen te gedragen, zou mij niet mogen beschuldigen, want zij heeft in diezelfde richting tot nu toe niet meer gedaan dan ik - en daaraan zijn wij niet schuldig, noch u noch ik. Beoordeelt men mij als schrijver, zuiver uiterlijk, dan verdien ik derhalve nauwelijks de publieke aantijging van principeloosheid. Ik heb tot nu toe een teruggetrokken leven geleid, tussen vier muren geleefd; wij ontmoeten elkaar éen, twee keer per jaar. (...) Ik heb altijd hardnekkig geweigerd deel te nemen aan literaire avondjes, bijeenkomsten, zittingen enz., ben nooit ongenood op een redactie verschenen, heb er altijd meer moeite voor gedaan dat mijn bekenden eerder de arts in me zien dan de schrijver en de brief die ik nu schrijf - is de eerste onbescheidenheid die ik me permitteer in mijn complete tienjarige bezigheid. [...] Uw aantijging is - laster. [...] Dat na uw aantijgingen tussen ons niet alleen zakelijke betrekkingen, maar ook de gewone dagelijkse beleefdheden onmogelijk zijn geworden, spreekt vanzelf.

Lavrov zal pas op 23 juni 1893 reageren, als hij via een wederzijdse vriend, de acteur Svobodin, gehoord heeft dat Tsjechov misschien een verhaal kwijt wil aan Roesskaja Mysl. Dan excuseert hij zich en laat weten dat hij al eerder had willen schrijven, maar dat Tsjechov toen al op reis was. Het ging om de novelle die wij nu kennen als Verhaal van een onbekende, door Tsjechov zelf in een brief aan Lika Mizinova als zijn liberale novelle bestempeld. Ook Zaal 6 zal hij uiteindelijk aan het tijdschrift geven. In beide gevallen ging het inderdaad om links getinte verhalen en in beide gevallen vreesde Tsjechov vooraf de censuur. Ook zijn Sachalin zou hij, behalve als boekpublicatie, in afleveringen publiceren in Roesskaja Mysl. Tsjechov zou ten slotte nog heel wat meer gaan bijdragen aan Roesskaja Mysl en met Lavrov - en de rest van de redactie - op de foto gaan zou hij ook nog.

Nog een illustratie van de opvattingen die Tsjechov ertoe bewogen zouden kunnen hebben naar Sachalin te gaan, maar nu een motivering in omgekeerde richting. Kort voordat in januari 1889 in Sint-Petersburg Tsjechovs toneelstuk Ivanov in première ging en Soevorin voorafgaand daaraan de honneurs voor hem moest waarnemen, zoals Tsjechov dat in Moskou deed voor Soevorins Tatjana Repina, voelde hij zich genoodzaakt Soevorin uit te leggen wat hij met Ivanov wilde, want niemand leek het stuk te begrijpen. Op 30 december 1888 schrijft hij hem een erg lange brief (Urban nummer 1979-1, nr. 172, Eekman 1955 nr. 137), waaruit ik een klein deel citeer:

[...] Mijn held zie ik zo. Ivanov, man van adel, academicus, valt in niets op. Hij heeft een licht ontvlambare, heftige, erg naar geestdrift neigende, eerlijke en oprechte natuur, zoals de meeste ontwikkelde mensen van adel. Hij heeft op een landgoed gewoond en in de zemstwo gediend. [...] Zijn verleden is prachtig, zoals dat van de meeste Russische intellectuelen. Er is nauwelijks een welgeboren Russische heer die zich niet beroemt op zijn verleden. Het heden is altijd slechter dan het verleden. Waarom? Omdat de Russische ontvlambaarheid door éen zeer bijzondere eigenschap wordt gekenmerkt: ze maakt snel plaats voor moedeloosheid. Vol vuur neemt hij, ternauwernood uit de schoolbank, een last op zich die zijn krachten te boven gaat, begint zich met scholen te bemoeien, met de boeren, de rationele bedrijfsvoering, begint bij te dragen aan de Europese Bode, houdt redevoeringen, schrijft aan ministers, kampt tegen het kwaad, juicht het goede toe, wordt niet zomaar een beetje verliefd, maar bemint blauwkousen, psychopaten, jodinnen of zelfs prostituees die hij redt enz.... Maar hij is nog maar net 30 of 35 jaar oud, of hij begint al vermoeidheid en verveling te bespeuren. Hij heeft nog niet eens een behoorlijke baard, of hij zegt al op de toon van een autoriteit: Trouw niet, beste kerel... Geloof me, ik heb ervaring. Of: Wat is nou eigenlijk liberalisme? Onder ons gezegd, Katkov had vaak gelijk. En daar is hij er al toe bereid zemstwo, rationele bedrijfsvoering en wetenschap en liefde te verloochenen. Mijn Ivanov zegt tegen de arts (1e akte, 5e scene): "U hebt pas vorig jaar uw studie beëindigd, mijn waarde, u bent nog jong en vol goede moed, ik ben 35. Ik heb het recht u raad te geven... Dat is de toon die die vroeg oud gewordene aanslaat. [...] Ik heb deze brief nog eens doorgelezen. In de karakterbeschrijving van Ivanov valt erg vaak het woord Russisch. Wees daar niet boos over. Toen ik het stuk schreef, had ik alleen op het oog wat nodig was, dzw. typisch Russische trekken. Overmatige prikkelbaarheid, schuldgevoel, moedeloosheid, ze zijn bij uitstek Russisch. De Duitsers winden zich nooit op, daarom kent Duitsland noch teleurgestelden, noch overtolligen, noch vermoeiden.... [...]

58 Moskou, april 1890, afscheidsfoto: Staand van links naar rechts: A.E. Ivanenko (1862-1926), de bij de Tsjechovs verblijvende fluitist, Ivan Tsjechov (1861-1922) en de vader, Pavel Jegoryts Tsjechov (1825-1898); rij daarvoor: Masja Kornejeva, dochter van de huiseigenaar, collega-arts Kornejev; L.S. Mizinova (1870-1937), zus Masja (1863-1957), de moeder, Jevgenia Jakovlevna Tsjechova (1835-1919) en Alesja Kornejev (zoon van de huiseigenaar); zittend voor: Michail (1865-1936) en Anton Tsjechov. Genomen kort voor het vertrek naar Sachalin, op de binnenplaats van het huis van de Kornejevs in Moskou-Koedrino, op dezelfde dag als de volgende foto. Bron: Urban 1987 nr. 237; Rayfield 1997 nr. 27

Afscheidsfoto Tsjechov, Moskou, april 1890

59 Als Tsjechov weer terug is in Moskou schrijft hij op 9 december 1890, oa. over zijn verblijf in Hong Kong aan Soevorin:

[...] De eerste buitenlandse haven op mijn reis was Hong Kong. Een schitterende baai, op zee een verkeer zoals je dat niet eens op plaatjes ziet: prachtige paardenrenbanen en wegen, een berglift, musea, botanische tuinen; overal waar je kijkt, zie je de omvangrijke zorg die de Engelsen besteden aan hun onderdanen, zelfs een matrozenclub is er. Ik heb in een riksja gereden, dwz met behulp van menselijke inspanning, heb bij de Chinezen allerlei kitsch gekocht en was verontwaardigd toen ik hoorde hoe mijn Russische reisgenoten de Engelsen uitbuiting van vreemde volkeren verweten. Ik dacht: ja, de Engelsen buiten Chinezen, Sepoys en Hindoes uit, maar daarvoor geven ze straten, waterleidingen, musea en het christendom terug; jullie buiten anderen net zo uit, maar wat geven jullie ervoor terug? [...]
En dan is dat Christendom volgens mij nog een speciale toegift voor Soevorin, want ik vermoed dat Tsjechov meer gaf om waterleidingen dan om de lieve heer. En dat jullie is ook gericht aan zijn vriend. Het lijkt me dan ook geen toeval dat Tsjechov, voordat hij vertrekt, uitgerekend aan Soevorin zijn motieven om naar Sachalin te gaan uiteenzet. Soevorin is iemand die zou kunnen doen wat de Engelsen doen. Tsjechov legt uit waarom hij gaat in een brief van 9 maart 1890. De 40 martelaren in de aanhef zijn een verwijzing naar de kerkelijke feestdag die 9 maart is, de 10.000 leeuweriken een toespeling op het lenteweer. De Brit Kennan had een in Rusland verboden studie over Siberië geschreven. Tsjechov las haar voorafgaand aan zijn reis. Eigenlijk spreekt Tsjechov in de brief Soevorin bestraffend toe, zoals er ook uit blijkt dat de verhouding tussen de twee vanaf het begin niet zonder spanningen geweest kan zijn. Het slot van de brief, zo'n halve pagina, heb ik weggelaten. De brief staat in zijn geheel in Urban 1979-2 als nummer 271 en deels in Eekman 1955 als nummer 177.

59 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Moskou, 1890, vermoedelijk in april, kort voor het vertrek naar Sachalin, op de binnenplaats van het huis van de Kornejevs in Moskou-Koedrino, waar ten afscheid ook twee groepsfoto's werden genomen. Dit lijkt een vergroting van een uitsnede van éen ervan. Bron: Urban 1987 nr. 225

Tsjechov, april 1890

60 AAN A.S. SOEVORIN
9 maart [1890], veertig martelaren
en 10.000 leeuweriken

Wat Sachalin betreft hebben we het allebei mis, maar u vermoedelijk meer dan ik. Ik ga in de vaste overtuiging dat mijn reis noch aan de literatuur noch aan de wetenschap een waardevolle bijdrage zal leveren; daartoe zijn mijn kennis, mijn tijd en mijn ambitie ontoereikend. Ik heb niet de plannen van een Humboldt en al helemaal niet die van een Kennan. Ik wil als het lukt een 100 tot 200 bladzijden schrijven en dusdoende tenminste iets goedmaken jegens mijn geneeskunde, waar tegenover ik me, zoals u wel weet, als een varken heb gedragen. Misschien ben ik er niet eens toe in staat wat te schrijven, maar toch verliest de reis daardoor niets van zijn aantrekkingskracht; door te lezen, om me heen te kijken en te luisteren, kom ik veel te weten en leer ik veel. Ik ben nog niet eens op weg, maar dankzij de boeken die ik nu beslist moest lezen, heb ik al veel opgestoken wat eenieder op straffe van 40 zweepslagen zou moeten weten en wat ik daarvoor in mijn onkunde niet wist. Bovendien geloof ik dat ik dat die reis een onafgebroken labeur is van een half jaar, fysiek zowel als mentaal, en dat ik dat nodig heb omdat ik een Kleinrus ben en al lui begin te worden. Men moet zichzelf opvoeden. Laat mijn reis een paskwil zijn, een eigenzinnigheid, een gril, maar vraagt u het zich eens af, en vertel me dan wat ik te verliezen heb, als ik ga? Tijd? Geld? Zal ik ontberingen doorstaan? Mijn tijd kost niks, geld heb ik toch nooit en wat die ontberingen aangaat, nou, dan rijd ik 25 tot 30 dagen in een paardenwagen, niet meer, en de rest van de tijd breng ik door aan boord van een stoomboot of met in een kamer zitten en u onophoudelijk met brieven bestoken. Laat de reis me niets opleveren, maar zouden er echt tijdens die hele reis niet een paar dagen zijn die me de rest van mijn leven, in verrukking of in bitterheid, zouden heugen? Enzovoorts. Enzovoorts. Zo is dat, mijnheer. Dat is allemaal weinig overtuigend, maar wat u schrijft is net zo weinig overtuigend. U schrijft bijvoorbeeld dat Sachalin helemaal niemand nodig heeft en er voor niemand toe doet. Zou het waar zijn? Sachalin niet nodig hebben of oninteressant vinden kan zich alleen een samenleving permitteren, die mensen er niet met duizenden tegelijk heen verbant en daar geen miljoenen aan uitgeeft. Na Australië in het verleden en Cayenne is Sachalin de enige plaats waar men de kolonisatie door misdadigers bestuderen kan; heel Europa is daarin geïnteresseerd en wij hebben daar niets aan? Nog maar 25 tot 30 jaar geleden hebben onze Russische landgenoten bij het onderzoek van Sachalin ware heldendaden verricht, waarom men een mens zou kunnen verafgoden en wij hebben daar niets aan, wij hebben geen idee wat dat voor mensen zijn, wij zitten tussen onze vier wanden en klagen dat God de mens zo onvolmaakt schiep. Sachalin is een oord van het ondraaglijkste lijden waartoe een vrij en onvrij mens in staat is. Degenen die met Sachalin te maken hebben gehad en er gewerkt hebben, hebben immens verantwoordelijke arbeid verricht en doen dat nog. Het spijt me dat ik niet sentimenteel ben, anders zou ik zeggen dat men naar Sachalin op bedevaart zou moeten, zoals de Turken naar Mekka, en dat vooral zeelieden en gevangenbewaarders Sachalin zouden moeten beschouwen zoals militairen Sebastopol doen. Uit de boeken die ik gelezen heb en lees, komt naar voren dat wij in gevangenissen miljoenen mensen hebben laten wegrotten, voor niks verrotten, zomaar, barbaars; we hebben die mensen in kettingen tienduizenden werst door de kou gedreven, ze met syfilus besmet, ze gedemoraliseerd, het aantal misdadigers doen toenemen, en dat allemaal afgeschoven op gevangenbewaarders met rooie neuzen. Tegenwoordig weet het hele beschaafde Europa dat niet de opzieners schuldig zijn, maar wij allen, maar ons gaat dat niks aan, voor ons is dat niet interessant. Die veelgeprezen zestiger jaren hebben voor de zieken en gevangenen niets gedaan en daarmee het belangrijkste gebod der christelijke beschaving geschonden. In onze tijd wordt voor zieken iets gedaan, maar voor gevangenen niets; de strafvoltrekking interesseert juristen niets. Nee, ik verzeker het u, Sachalin is interessant, wij hebben het nodig, en het is alleen spijtig dat ik het ben die erheen reist, en niet een ander die meer van de kwestie begrijpt en beter in staat is, de belangstelling der samenleving te wekken. Zelf ga ik alleen vanwege onbeduidendheden.
Wat mijn brief aan Pletsjejev betreft, zo schreef ik u dat ik bij mijn jonge vrienden ergernis heb gewekt door mijn nietsdoen, en te mijner rechtvaardiging heb ik hun geschreven dat ik, mijn nietsdoen daargelaten, meer heb gedaan dan mijn vrienden, die helemaal niets doen. Ik heb in elk geval de Morskoj sbornik doorgelezen en ben bij Galkin geweest, zij daarentegen - niets. Dat is geloof ik alles.
Bij ons is er sprake van grootse studentenonlusten. Begonnen zijn die op de Peters-Academie, waar de leiding verboden had meisjes mee te nemen naar de gesubsidieerde woonruimtes, omdat men die niet alleen van prostitutie verdacht, maar ook van politiek. Van de Academie sloeg het over naar de universiteit, waar nu de studiosi, onringd door zwaarbewapende Hectors en Achilles' met paarden en pieken, het volgende eisen:
1. Volledige autonomie van de universiteiten
2. Volledige vrijheid van onderwijs
3. Vrije toegang tot de universiteit zonder aanzien van geloofsovertuiging, geslacht en maatsch. positie
4. Toegang tot de univers. voor joden zonder enige verdere beperking en hun juridische gelijkstelling met de andere studenten
5. Vrijheid van vergadering en erkenning van de studentencoropora
6. Inrichting van een universiteits- en stud. rechtbank
7. Afschaffing van de inspectiefunctie van de politie
8. Verlaging van het collegegeld
Ik heb hier met een paar afkortingen de proclamatie overgeschreven. Ik geloof dat het hele gedoe vooral uitgaat van een massa kleine joden en van het geslacht dat ernaar hunkert op de universiteit te worden toegelaten, maar daar 5 keer slechter op is toebereid dan de man, en die man is al miserabel voorbereid en studeert, afgezien van een paar uitzonderingen, allermiserabelst. (...)

60 Perskaart Anton Tsjechov. Nadat Tsjechov in januari 1890 aan de autoriteiten om een aanbevelingsschrijven had gevraagd, zonder zelfs maar een reactie te krijgen, bleef dit het enige document dat Tsjechov op zijn reis naar Sachalin bij zich had, een perskaart die hem door Soevorin was gegeven: ... reist als correspondent van Novoje Vremja naar verschillende plaatsen in binnen - en buitenland. Als Tsjechov op Sachalin verschijnt, is er niemand van zijn komst op de hoogte. Bron: Urban 1987 nr. 253

Tsjechov, Perskaart Sachalin

61 Vlak voordat Tsjechov in april 1890 op reis gaat, doet Tolstojs Kreutzersonate de ronde, in een soort Samizdat-versie, want het verhaal zou pas het jaar erna worden toegestaan, wanneer het verschijnt in het dertiende deel van het Verzameld Werk. In een dure uitgave kon het minder kwaad. Douwes Dekker zou het begrepen hebben. Tsjechov is diep onder de indruk. Op 15 februari 1890 schrijft hij (Urban 1979-2, nr. 267, Eekman 1955 nr. 176) aan Pletsjejev:

[...] Vond u de Kreutzersonate echt niet goed? Ik zeg niet dat het het werk is van een genie, iets eeuwigs - van dat soort zaken heb ik geen verstand - maar naar mijn idee zul je in de massa die hier bij ons en in het buitenland geschreven wordt, niets vinden van dezelfde kracht, dezelfde schoonheid en ernst van uitvoering. Afgezien van de artistieke waarde van het verhaal, die op sommige plaatsen verbluffend is, zouden we de schrijver in elk geval voor éen ding dankbaar moeten zijn, en dat is de resolute manier waarop het tot denken aanzet. Toen ik het las, kon ik me nauwelijks bedwingen te roepen: dat is waar! of: dat is belachelijk! Maar het is waar, het heeft ook ernstige gebreken. Behalve wat u allemaal opsomt, is er nog iets wat men de auteur niet vergeven mag, en wel de driestheid waarmee Tolstoj over dingen spreekt waarvan hij niets weet en die hij in zijn stijfkoppigheid niet wil begrijpen. Zo zijn z'n uitspraken over syfilis, weeshuizen, de weerzinwekkendheid van de vrouw bij de geslachtsdaad, niet enkel discutabel, ze bewijzen ook dat hij een onwetende man is, die in de loop van zijn lange leven niet eens de moeite heeft genomen twee of drie boeken te lezen die zijn geschreven door specialisten. Toch verdwijnen die gebreken ook als veren in de wind; in het licht van de waarde van het verhaal vallen ze je eigenlijk niet eens op, en als dat wel zo is, is het omdat je je eraan ergert dat het verhaal er niet in slaagt te ontkomen aan het lot van elk menselijk streven dat nu eenmaal wordt ontsierd door gebreken. [...]

Na zijn terugkeer uit Sachalin, op 17 december 1890, schrijft hij aan Soevorin:

Wat had u een ongelijk me af te raden naar Schalin te gaan. Ik heb nu een buikje, een fijne impotentie, duizenden vliegjes in mijn hoofd en een immense hoeveelheid plannen en nog veel meer, en wat een zuurpruim zou ik nu geweest zijn als ik nog gewoon had thuisgezeten. Voor mijn reis leek de Kreutzersonate me een gebeurtenis, nu komt ze me absurd en belachelijk voor. Of ik door de reis rijper ben geworden of mijn verstand verloren heb - de duivel mag het weten.

61 Ilja Jefimovitsj Repin (1844-1930), Portret van L.N. Tolstoj, 1887. Moskou, Tretjakov. Bron foto: Bartlett 2011

Ilja Jefimovitsj Repin, Portret van Tolstoj, 1889

62 Tot kort voor zijn vertrek probeert Tsjechov nog geld bij elkaar te halen. Hij krijgt nog net 600 roebel voor voorstellingen van Ivanov, ontvangt 782 roebel voor zijn verhaal Duivels en krijgt van Soevorin een voorschot van 1500 roebel voor artikelen voor Novoje Vremja. Op éen van zijn laastste dagen in Moskou komt een jonge collega-schrijver, Jhezov, bij hem langs. Diens vrouw blijkt tbc te hebben en hij wil haar meenemen naar Zuid-Rusland, maar heeft geen geld. Tsjechov regelt bij Soevorin 100 roebel, die hij aan de Jhezov ter hand stelt, zogenaamd als voorschot voor een verhaal. 's Avonds om acht uur op 21 april begeleidt een groep vrienden hem naar Station Jaroslavl. Het eerste deel van het traject wordt hij begeleid door Olga Petrovna Koendasova (1865-1943), door de schrijver in zijn brieven standaard aangeduid als de astronome. Ze is een familievriend en als we Tsjechovs beschrijvingen moeten geloven, een uitzinnige en soms zeer verwarde vrouw met tal van extreme - voor de periode extreme - standpunten. Ze fungeerde naar vaak wordt beweerd als model voor Rassoedina, in Drie jaren, waar ze de uitzonderlijk lelijke vrouw is die door Laptev in de steek is gelaten en die later intrekt bij een goede vriend, Jartsev. Op een stoomschip op de rivier de Kama valt hem op hoe een Officier van Justitie zijn Schemering leest. In Tomsk ziet hij affiches voor zijn Huwelijksaanzoek dat daar wordt uitgevoerd. Tsjechovs reis naar Sachalin zal bijna acht maanden in beslag nemen. Hij arriveert in Alexandrovsk op Sachalin op 11 juli, vertrekt daar weer op 13 oktober, en is op 8 december weer thuis in Moskou, waar de familie ondertussen in arrenmoe naar een kleinere en goedkopere woning is verhuisd.

62 Het aansmeden van de boeien. Uit Tsjechovs Sachalin-verzameling. Foto: I.I. Pavlovski. Genomen in Dué. Hoewel Tsjechov dat wel van plan was geweest, had hij uiteindelijk geen camera bij zich. Een Zwitserse uitgave uit 1973 heeft ten onrechte het verhaal in de wereld geholpen dat Tsjechov op Sachalin fotografeerde. Tsjechov beschikte ten slotte over 109 foto's, allemaal van anderen. Zijn boek zou, net als de huidige Nederlandse uitgave in de vertaling van Ameling bij Thomas Rap, ongeïllustreerd blijven. Bron: Urban 1987 nr. 257

Sachalin, Het aansmeden van de boeien

63 Tsjechov reist via Jaroslavl, Jekaterinenburg en Tyumen, en legt vandaar de 1300 kilometer af naar Tomsk (dat hem niets bevalt), reist op 21 mei verder naar Irkutsk (weer 1300 kilometer), vanwaar hij op 11 juni langs het Bajkalmeer reist, om vervolgens per boot verder te gaan. Tsjechov ervaart wat heel wat mensen voor hem al is overkomen: hij leeft regelrecht op. De mensen zijn er vrij, Moskou is ver, ver weg en de natuur is subliem. Als de kou er niet was die Siberië van zijn zomers berooft en als de ambtenaren er niet waren, die boeren en bannelingen demoraliseren, zou Siberië het gelukkigste en rijkste land op aarde zijn, schrijft hij op 16 mei uit Tomsk aan de familie. Soevorin schrijft hij op 27 juni: de laagste veroordeelde ademt hier op de Amoer vrijer dan de hoogste generaal in Rusland. Stalin en zijn soortgenoten, die zelf nog onder de tsaristische verbanning hadden geleefd en er met regelmaat moeiteloos aan zouden ontsnappen, zouden er éen ding van leren: dat gaan we beter doen. Onderweg besluit hij uiteindelijk een eigen rijtuig te kopen. Hij doorstaat tal van riskante momenten, met name bij het oversteken van rivieren. Nadat Tsjechov op Sachalin is aangekomen, blijken de autoriteiten daar volledig mee te werken. Hij kan er praktisch doen waar hij zin in heeft en geniet van een grote mate van vrijheid. Alleen toegang tot de politieke gevangenen wordt hem verboden. Ik denk dat ook een rol speelt dat Tsjechov inmiddels een beroemdheid was. Wat hij in Sachalin probeert, is eigenlijk gewoon een census uit te voeren. Terwijl hij bij de plaatselijke arts verblijft, bezoekt hij de gevangenissen, interviewt gevangenen en legt een kaartsysteem aan waarbij hij ook gebruik maakt van officiële documentatie. Uiteindelijk zal hij bijna 10.00 kaarten invullen, waarbij zowat over het hele eiland reist. Simmons merkt op dat het met dertien nummers per kaart nauwelijks mogelijk geweest kan zijn dat allemaal in zijn eentje te doen, en dat Tsjechov dus vermoedelijk assistentie heeft gehad. Hoewel hij aanvankelijk van plan was terug te reizen via de Verenigde Staten, kiest hij ervoor om vanuit Wladiwostok via Hong Kong, Singapore en Ceylon terug te reizen naar Odessa. Daar doet hij nog eens twee maanden over. Er zijn niet zoveel verhalen die we danken aan zijn reis. Goesev (VW 4) en Een moord (VW 5) zijn vermoedelijk de bekendste.

63 De zwaarste straf op Sachalin, het vastsmeden aan een kruiwagen. De kettingen werden niet meer losgemaakt. Uit Tsjechovs Sachalin-verzameling: Foto: I.I. Pavlovski. Genomen in Voevods. Hoewel Tsjechov dat wel van plan was geweest, had hij uiteindelijk geen camera bij zich. Een Zwitserse uitgave uit 1973 heeft ten onrechte het verhaal in de wereld geholpen dat Tsjechov op Sachalin fotografeerde. Tsjechov beschikte ten slotte over 109 foto's, allemaal van anderen. Zijn boek zou, net als de huidige Nederlandse uitgave in de vertaling van Ameling bij Thomas Rap, ongeïllustreerd blijven. Bron: Urban 1987 nr. 258 en 259

Sachalin, Strafgevangenen

4 MOSKOU 1890-1892

64 Het valt Tsjechov niet gemakkelijk na terugkeer zijn bestaan weer op te nemen. Hoewel het met de gezondheid op zijn reis naar Sachalin goed gesteld was, gaat het na terugkeer direct weer mis. Hij wil bovendien graag aan het werk met zijn reisverslag, maar het loopt storm met bezoekers, vrienden, bekenden, journalisten, en zelfs een paar ambtenaren namens de regering. Zijn reis heeft meer opzien gebaard dan hijzelf had gedacht. Het nieuwe, kleinere huis van twee verdiepingen, aan Malaya Dmitrovka nummer 29 (Kleine Dimitrovka) bevalt hem niks. Hij begint een inzamelingsactie van schoolboeken voor kinderen op Sachalin. Als hij een paar weken later in Petersburg is, probeert hij het daar ook. Uiteindelijk, zo schrijft Simmons, gaan er 2200 boeken naar Sachalin. Wel is hij bezig aan zijn Duel. In Petersburg, waar hij bij de Soevorins logeert, wordt zijn verjaardag op 17 januari uitbundig gevierd in het luxueuze restaurant Malo-Jaroslavets, maar Tsjechov raakt er allen maar gedeprimeerder door, want bij de aanwezigen, praktisch allemaal schrijvers en journalisten, voelt hij overal antagonisme. In Novoje Vremja verschijnt, ten bewijze daarvan, een artikel van Boerenin, die Tsjechov noemt als éen van de schrijvers die al is uitgebloeid. Over diens reis naar Sachalin spreekt hij als een vlucht. Tsjechovs snel groeiende faam heeft inderdaad bij sommigen heel wat ergernis en jaloezie gewekt. Daarbij speelt zijn vriendschap met Soevorin een belangrijke rol. Simmons citeert uit een dagboek van V. A. Tichonov een passage waarin die erop wijst dat Tsjechov inmiddels een formidabele reeks vijanden heeft. Een vriend van Tsjechov (Leontejev-Skeljov) citeert anderen, die zeggen dat Tsjechov zonder Soevorin nooit zover zou zijn gekomen en die hem een een maintenée van Soevorin noemen. Maar Tsjechov blijft Soevorin toch trouw. Als de Petersburgse Gazet hem 40 kopeken per regel biedt (in plaats van Soevorins 25) weigert hij. Hij doet voor tal van jonge auteurs zijn best bij hem, niet alleen voor Lazarev-Groezinski en Jezhov, en Jelena Sjavrova, die nu in Moskou opduikt en voor wie hij verhalen probeert te plaatsen, maar ook voor Ivan Boenin, met wie hij later goed bevriend zal raken. Begin januari 1891 schrijft Ivan Aleksejevitsj Boenin (1870-1953) zijn eerste brief met een verzoek een paar verhalen van hem te bekijken. Bij Van Oorschot verscheen in deel IV van Boenins Verzamelde Werk een ruime selectie uit diens correspondentie. In februari werkt Tsjechov weer aan Het duel en ontdekt dat hij na zijn lange pauze nog kan schrijven. Maar in Petersburg had hij met Soevorin ook plannen besproken om 's zomers gezamenlijk een datsja te delen. Soevorin stelde hem voor samen op reis te gaan naar Europa, en terwijl Tsjechov eerst nee had gezegd, bedenkt hij eind februari een paar dagen de Kiseljovs bezoekt in Babkino. Op 5 maart 1891 schrijft hij aan Soevorin: We gaan! Ik ben akkoord, waarheen en wanneer u wilt. Mijn hart maakt een sprong van vreugde. Niet mee te gaan, zou dom zijn van me, want wanneer zou de gelegenheid zich weer voordoen?

64 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) aan zijn bureau, Moskou, Malaya Dmitrovka nummer 9, 1891. Dit is, samen met een kort na zijn huwelijk genomen foto, éen van de zeer weinige foto 's waarop ik bij Tsjechov een - toegegeven, heel lichte, nauwelijks merkbare - glimlach meen te bespeuren. Er bestaat ook een andere, bij dezelfde gelegenheid gemaakte foto van Tsjechov achter zijn bureau. Bron: Urban 1987 nr. 284

Anton Pavlovitsj Tsjechov, Moskou, 1891

65 De eerste keer dat Tsjechov buiten de grenzen van Rusland komt, betreft het zijn terugkeer uit Sachalin, in 1890, als hij vanuit Wladiwostok de boot neemt om via Ceylon en Hong Kong terug te reizen naar Odessa. Daarna zou Tsjechov vier keer naar Europa gaan, zoals dat gewoonlijk door Russen werd genoemd. De eerste keer gebeurt dat van 17 maart tot 2 mei 1891 in gezelschap van Soevorin: Warschau, Wenen, Venetië, Bologna, Florence, Rome, Napels, Pompeji, Nice, Monte Carlo en Parijs. De tweede keer reist hij opnieuw in gezelschap van Soevorin, en wel van 14 september tot 14 oktober 1894: Abazia (nu Opatija in Kroatië), Triest, Venetië, Milaan, Genua en Nice. De derde keer reist hij alleen. En dat is tevens het langste verblijf, want dan brengt hij de winter door in Nice, dat in de meeste West-Europese landen al sinds 1861 Nice heet, maar in Rusland nog Nizza. Zijn verblijf buitenslands duurt dan van 31 augustus 1897 tot 4 mei 1898: Parijs, Bayonne, Nice. Daar woont hij maandenlang, terwijl in Frankrijk juist de Dreyfus-affaire woedt, wat de aanleiding vormt voor het begin van een breuk met Soevorin. Nadat hij de winter van 1898 al in Jalta heeft doorgebracht, zal hij daarheen verhuizen, verkoopt hij in 1899 Melichovo, en betrekt in augustus 1899 het deel van zijn huis in Autka dat af is. De vierde keer gaat hij in zijn eentje weer naar Nice, waar hij op 13 december 1900 aankomt en weer vertrekt op 26 januari 1901, om via Noord-Italië en Rome terug te keren naar Jalta, waar hij op 14 februari 1901 arriveert. De laatste keer vertrekt hij op 3 juni 1904 met Olga Knipper uit Moskou naar Badenweiler, waar hij op 2 juli om 3 uur 's morgens sterft.

Tsjechov gedraagt zich op zijn eerste reis net als elke toerist, zij het wellicht niet als elke Russische. Waar hij eerst uitzinnig enthousiast is over alles wat hij ziet, en verbaasd is over de enorme luxe en de beschaving, wordt hij geleidelijk weer kritischer, terwijl hij zich bovendien zorgen maakt over de enorme uitgaven waar hij toe gedwongen wordt doordat Soevorin alleen genoegen neemt met het allerduurste. De hele zomer, waarde dames en heren, zullen we geen geld hebben, en die gedachte bederft mijn eetlust. Voor de reis die me, als ik hem solo had ondernomen, 300 roebel had gekost, heb ik 1000 roebel schulden gemaakt. Mijn enige hoop is gevestigd op de domkoppen van amateurs die mijn 'Beer' spelen, schrijft hij op 7 april aan de familie. Hij gaat trouw langs alle bezienswaardigheden. Aan Masja schrijft hij drie dagen eerder uit Napels: Als ik een kunstenaar was en geld had, dan zou ik hier de winter doorbrengen. Want afgezien van zijn natuurschoon en warmte, is Italië het enige land waar je ervan overtuigd raakt dat de kunst er inderdaad boven alles gaat en die overtuiging geeft je moed. Op 7 april bezoekt Tsjechov Pompeji en beklimt daarna de Vesuvius. In Monte Carlo waagt hij een gokje en verliest. De laatste halte is Parijs, dat hij prachtig vindt. Hij bezoekt er direct het terrein van de Wereldtentoonstelling met de Eiffeltoren en kort daarop ook de Salon. Daar heeft hij van de moderne Franse schilders geen hoge dunk. Vergeleken daarbij is Levitan een vorst, schrijft hij, al klaagt hij ook dat hij maar de helft kan zien, vanwege de verminderde kwaliteit van zijn ogen (en trouwens ook omdat zijn lorgnet kapot is). Hij ziet er Pletsjejev terug. Die heeft een miljoenenerfenis gekregen en probeert Tsjechov 1000 roebel te lenen, om hem op die manier wat langer te laten blijven. Tsjechov weigert, iets waarvoor hij zich later, op 25 december 1891, per brief uit Moskou bij Pletsjejev nog zal excuseren, omdat hij vreest dat die hem de toon waarop hij dat deed, heeft kwalijk genomen. Als hij weer in Moskou is, gaat hij direct aan het werk. De eerste drie dagen van de week besteedt hij aan Sachalin, de rest aan zijn verhalen.

65 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Melichovo 1892. Er bestaat van Tsjechov blijkbaar geen enkele foto die op zijn eerste reis door Europa is genomen, anders zou Urban hem zonder twijfel hebben opgespoord. Deze foto is in Melichovo genomen door Tsjechovs broer Aleksandr. Het is de vergrote uitsnede van een groepsfoto (die zelf zo te zien van matige kwaliteit is). De foto dateert van 25 maart 1892, net als als nummer 68. Bron: Urban 1987 nr. 1

Tsjechov, Melichovo  1892

5 MELICHOVO 1892-1897

66 In mei 1891 vertrekken de Tsjechovs voor de zomer naar Aleksin, in de buurt van Vjazma-Smolensk, nu een voorstad aan de westkant van Moskou. De helft van de week werkt hij aan Sachalin, de rest besteedt hij aan zijn Duel. Half mei zijn Levitan en Lika Mizinova te gast. Ze vertellen dat ze op de boot naar Aleksin ene Bilim-Kolosovski zijn tegengekomem, die op een naburig landgoed woont, Bogimovo, waar ooit Catharina de Grote had overnacht toen ze op weg was naar haar minnaar Potemkin. Ze zijn uitgenodigd. Als ze daarop ingaan, merken ze dat de bovenverdieping van het immense huis leeg staat, huren ze die en verhuizen, waarna er op Bogomivo hetzelfde gebeurt als eerder bij de Kiseljovs op Babkino en de Lintvarevs in Loeka. Groot feest. Michail meent dat het huis model stond voor Tsjechovs Huis met de Loggia, dat in de nieuwe vertaling - wat mij betreft nogal gewild - Het huis met de Mezzanine heet. Op het landgoed verblijft ook de bioloog Wagner, met wie Tsjechov al snel verhitte discussies voert over de vrije wil en het belang der natuurlijke selectie. Een deel van die discussies zal belanden in de gesprekken die Von Koren voert in Het duel. Soevorin komt zelf twee keer kort langs en Natalja Lintvareva blijft een paar weken. Hoewel Tsjechov haar smeekt, verschijnt Lika Minizova, nadat ze in mei al een keer is langs geweest, niet een tweede keer, ook al probeert Tsjechov haar over te halen. Bijgaande brief is een goed voorbeeld van de toon die Tsjechov tegen haar aanslaat. Die dikkop Malkijel is Sofja Samojlovna Malkijel en ze is een bekende van de Tsjechovs, schrijfster van kinderboeken. De mangoes is éen van de dieren die Tsjechov op zijn terugreis uit Sachalin heeft meegenomen. De mangoes was berucht, want hij richtte met regelmaat grote schade aan. Trofim is éen van de door Tsjechov bedachte concurrenten in de liefde.

AAN L.S. MIZINOVA
Bogimovo, 12 juni 1892
Betoverende wonderbare Lika,
Meegesleept door de Tsjerkes Levitan bent u helemaal vergeten dat u mijn broer Ivan beloofd heeft op 1 juni bij ons langs te komen en u antwoordt niet meer op de brief van mijn zus. Ik heb u eveneens naar Moskou geschreven en u uitgenodigd, maar ook mijn brief bleef die van een roepende in de woestijn. Ook al hebt u nu toegang tot de betere kringen gevonden (bij die dikkop Malkijel), toch bent u slecht opgevoed en ik heb er geen spijt van u eens met de zweep gestraft te hebben. Begrijpt u dat ons dagelijkse wachten op u ons niet alleen kwelt, maar ons ook op kosten jaagt: normaal gesproken eten we 's middags de soep van gisteren, maar als we gasten verwachten, hebben we ook rundergebraad dat we bij kokkinnen in het naburige dorp kopen. We hebben een geweldige tuin, donkere lanen, stiekeme plekjes, een beek, een molen, een boot, maannachten, nachtegalen, kalkoenen... In de rivier en de vijver leven intelligente kikvorsen. We gaan vaak wandelen, waarbij ik meestal de ogen sluit en mijn rechterarm buig, terwijl ik me inbeeld dat u aan mijn arm loopt. Als u komt, vraag dan bij het station naar de koetsier Goesjin, die u bij ons brengt. U kunt ook bij de tussenhalte uitstappen, maar dan moet u ons dat van te voren laten weten, zodat we u een rijtuig sturen. Van de tussenhalte naar ons is het maar vier werst. Groet Levitan. Vraag hem om het niet in elke brief over u te hebben. Ten eerste is dat niet erg grootmoedig van hem en ten tweede laat zijn geluk me koud. Blijf gezond en glukkug en vergeet ons niet. De vrouw van de nachtwaker laat groeten. [Hier tekent Tsjechov een hartje met een pijl erdoor] Dat was mijn handtekening. De mangoes is teruggevonden. Masja gaat het goed. Zojuist heb ik uw brief ontvangen. Hij staat van boven tot onder vol met liefdevolle opmerkingen als: de duivel zal je halen, naar de duivel ermee, anathema, achterwerk, schorremorrie, ik heb me volgevreten, enzovoorts. Ik kan alleen maar zeggen dat die karrenvoerder van een Trofim een uitstekende invloed op u heeft. [...]

In augustus heeft Tsjechov zijn verhaal af en hij stuurt het op 18 augustus naar Soevorin in Feodosija. Die heeft inmiddels Tsjechovs honorarium verhoogd van 25 naar 30 kopeken per regel. Eigenlijk vindt Tsjechov het verhaal niet geschikt voor een krant. Hij vraagt Soevorin dan ook de publicatie in elk geval naar de herfst te verschuiven, met als gevolg dat de novelle ten slotte pas in november 1891 in 10 afleveringen zal verschijnen in Novoje Vremja. Rond Bogimovo kijkt hij in augustus in de omgeving uit naar een landgoed voor Soevorin. In een brief aan hem voorspelt hij een hongerwinter, met alle mogelijke ziekten en opstanden. In september keert hij terug naar de stad. Hij zwoegt nog steeds aan Sachalin, maar op verzoek van twee vrienden die sinds kort een tijdschrijft uitgeven, Albov van Severny Vestnik (Bode van het Noorden), en Tichonov van Sever (Het Noorden) stuurt hij hun twee verhalen, (Mijn vrouw en Spring in 't veld), die beide pas in januari 1892 worden gepubliceerd. In dat laatste verhaal herkent iedereen de verhouding van Levitan met de vrouw van Koevsjinnikov, de eerder genoemde echtgenote van de zichzelf opofferende arts, bij wie de Moskouse kunstenaars zo vaak te gast zijn. Levitan zal Tsjechov, als hij een paar maanden later op de hoogte raakt, drie jaar lang niet meer willen zien. Pas in 1895 zullen ze elkaar terugzien. De acteur Lenski, die zichzelf ook meent tegen te komen, acht jaar. Sofia Koevsjinnikova meed Tsjechov de rest van haar leven. Wat opvalt in de verhalen van dit jaar is de rol van allerlei bewonderenswaardige wetenschappers. Dat is éen van Tsjechovs stokpaardjes. Op 16 september 1891 onderhoudt hij per brief Sjavrova, nadat die in een verhaal een portret van een vrouwenarts heeft geschilderd dat hij blijkbaar als denigrerend had beschouwt:

Dus wij oude vrijgezellen ruiken naar hond? Wat mij betreft. Maar weest u zo vrij me toe te staan er met u over van mening te verschillen dat vrouwenartsen in het diepst van hun hart rokkenjagers en cynici zijn. Gynaecologen hebben voortdurend te maken met een proza dat zo rauw is dat u er niet eens van kunt dromen: als u wist hoe erg, zou u er met de genadeloosheid der fantasie die u eigen is wel ergere dingen aan ruiken dan de lucht van een hond. Wie altijd op zee zit, verlangt naar het vasteland; wie altijd aan het proza vast zit, verlangt hartstochtelijk naar poëzie. Alle gynacologen zijn idealisten. Uw arts leest gedichten, uw intuïtie heeft u de juiste weg gewezen; ik zou eraan toevoegen dat hij een groot liberaal is, neigt naar de mystiek en droomt van een echtgenote in de zin van Nekrasovs Russische vrouw. De beroemde Snegirev spreekt van de Russische vrouw met bevende stem. Een andere gynaecoloog die ik ken, is verliefd op een geheimzinnige, gesluierde onbekende, die hij enkel uit de verte heeft gezien. Een derde bezoekt alle premières in het theater - en gaat dan in de garderobes luid te keer omdat hij gelooft dat auteurs de plicht hebben alleen de ideale vrouw weer te geven. - U hebt bovendien over het hoofd gezien dat een dom of middelmatig mens geen goed gynaecoloog kan zijn. Intelligentie, al is het maar die van een seminarist, glanst helderder dan een kaal hoofd. U hebt weliswaar het kale hoofd gezien en beklemtoond, maar de intelligentie over boord gegooid. [...]

Een week eerder, op 8 september 1891, komt Tsjechov in een brief aan Soevorin nog een keer terug op Tolstoj en diens Kreutzersonate, als het nawoord ervan in deel 13 van diens verzamelde werken is verschenen. Hij heeft zojuist gehoord dat de schrijver Koerepin lijdt aan keelkanker. Ik citeer er een klein deel uit:

Ja, zo verzamelt de dood de mensen éen voor éen. Hij verstaat zijn vak. Schrijft u een toneelstuk: een oude scheikundige heeft het elixer voor onsterfelijkheid gevonden - 15 druppels ervan en je hebt het eeuwige leven. Maar de chemicus slaat het fiool met het elixer kapot, uit angst dat zulke ellendelingen als hij of zijn vrouw eeuwig zullen leven. Tolstoj ontzegt de mens de onsterfelijkheid, maar mijn God, hoeveel persoonlijks speelt daarbij niet mee! Ik heb gisteren zijn nawoord gelezen. Al slaat u me dood, dat is nog dommer en bekrompener dan de Brief aan de Gouverneursvrouw [uit Gogols latere, moraliserende werk], die ik veracht. De duivel hale ze, al die filosofieën van de groten der wereld. Al die grote wijzen zijn despotisch als generaals, en onbeschoft en en grof als generaals, omdat ze ervan overtuigd zijn dat ze straffeloos blijven. Diogenes spuugde een ander in zijn baard, omdat hij wist dat men hem niks kon maken; Tolstoj scheldt de artsen uit voor schoften en maait in het rond met de grote vragen, omdat hij net zo'n Diogenes is, die men niet mee naar het bureau kan slepen of in de kranten aanpakken. Dus naar de duivel met de filosofie van de Heren dezer aarde.

In de winter van 1891 breekt er in Rusland, precies zoals Tsjechov had voorspeld, hongersnood uit. Het is dezelfde winter dat Tolstoj in een artikel de nijpende voedselschaarste onder de aandacht van het publiek brengt, terwijl een nog scherper artikel van zijn hand wordt verboden, waarna hij op grote schaal zijn gaarkeukens organiseert. Ook Tsjechov wil wat doen, daartoe misschien aangezet door Tolstojs werkzaamheden. Hij herinnert zich de officier Jegorov, uit zijn tijd in de provincie Niznji Novgorod, waar Ivan ooit woonde, en hij schrijft hem begin oktober 1891 een brief met de vraag of hij kan helpen, maar wordt onmiddellijk daarna ernstig ziek. Het gaat duidelijk weer om een aanval van zijn tbc. Terwijl hij op zijn ziekbed ligt, sterft een opmerkelijk aantal vrienden en bekenden: Palmin, Kurepin, Zinaida Lintvarevna en Begitsjev. Jegorov stelt Tsjechov voor om alle vee in de provincie op te kopen, omdat de boeren het anders slachten en er dan het jaar erna opnieuw sprake zal zijn van hongersnood. Tsjechov begint een inzamelactie. De relatief geringe sommen gelds die binnen komen, stuurt hij ook nog naar het verkeerde adres. Eind december probeert hij het in Petersburg, waar hij nu Lydia Avilova weer ontmoet. Geld haalt hij nauwelijks binnen. Als hij na zijn terugkeer in Moskou, op 11 januari 1892, en samen met Soevorin in Voronezj een hulpactie van de grond probeert te krijgen, leidt dat tot zijn ergernis vooral tot veel diners met notabelen. Simmons schrijft dat Tsjechov stiekem jaloers geweest moet zijn op Tolstojs effectiviteit. In oktober 1891 heeft hij nog diens Oorlog en vrede gelezen, met, zo schrijft hij op 25 oktober 1891 aan Soevorin, dezelfde bewondering als de eerste keer. Het is alsof je het nooit eerder gelezen hebt. Alleen de delen waar Napoleon in voorkomt, vindt hij slecht.

Zodra er van Napoleon sprake is, leidt dat tot gekunstelde beweringen en alle mogelijke kunststukjes die moeten bewijzen dat hij dommer was dan in werkelijkheid. Alles wat Pierre, vorst Andrej, of de volkomen onbeduidende Nikolajk Rostov doen en zeggen - dat is allemaal goed, intelligent, natuurlijk en aangrijpend, alles wat Napoleon denkt en doet - dat is allemaal onnatuurlijk, dom, opgeblazen en totaal betekenisloos. Als ik in de provincie zal wonen (iets waar ik tegenwoordig dag en nacht van droom) zal ik mijn artsenpraktijk beheren en romans lezen.

Die droom van het platteland houdt hem dus ook bezig. Want ondertussen is hij weer op zoek naar een boerderij. Hij ergert zich aan het dure verblijf in Moskou en hij vindt het huis waar de familie woont, te klein. Hij denkt vooral aan iets in Oekraïne, maar dat loopt op niets uit. Hij vraagt Masja te gaan kijken naar een landgoed in de buurt van Moskou, waarvoor een advertentie in de krant staat. Het is begin januari 1892. Het gezin vindt het een dwaas idee, het is niet het geliefde Oekraïne, bovendien is de winter een slecht moment om vast te stellen of een huis dat je koopt intact is of niet. Als Tsjechov dreigt dan op reis te gaan, gaan Masja en Misja toch kijken. Hoewel het op dat moment met sneeuw is bedekt, is hun eerste indruk gunstig. Al voordat hij het heeft gezien - kort daarop gaat hij met Soevorin naar Voronezj - laat hij aan Lazarev-Groezinski weten dat hij het gaat kopen. Hij wil weten of hij van een rijke vriend van hem 1500 roebel kan lenen. Tijd om zelf te gaan kijken heeft hij niet. Pas kort nadat hij op 12 februari 1892 terug is uit Voronezj gaat hij erheen. Het blijkt inderdaad een echt landgoed te zijn en geen boerderij. Het ligt op tweeëeneenhalf uur met de trein van Moskou, acht kilometer van station Lopasjna, vlakbij een plaatsje dat dezelfde naam draagt als het landgoed: Melichovo.

66 Melichovo, Anton Tsjechov met broer Ivan voor de dorpsherberg. In zijn annotatie slaat Urban deze foto over. Het jaar is onbekend, maar ik vermoed dat de foto is genomen door broer Aleksandr. Bron: Urban 1987 nr. 336

Melichovo

67 Tsjechovs landgoed Melichovo, dat hij zo blijkt uit een brief aan Lazarev-Groezjinski, op 2 februari 1892 had gekocht, lag dus zo'n 80 kilometer ten zuidoosten van Moskou. Deze kaart, uit Rayfield 1997, geeft alle plaatsen rond Moskou, waar Tsjechov ooit verbleef. Voskresensk, waar broer Ivan een baan als leraar had tot hij door een vervelende grap van zijn broer Kolja zou worden ontslagen, maar waar Tsjechov een paar artsen zou leren kennen. Via éen ervan, Archangelsky, zou hij er zo nu en dan in het ziekenhuis van Zvenigorod werken, en via een ander, Rozanov, in dat van het nabij gelegen Tsjikino, dat allemaal in zijn studietijd dus. Tussen 1883 en 1885 verbleven de Tsjechovs 's zomers in Babkino, op het landgoed van de Kiseljovs. Ten zuiden van Moskou ligt Aleksin, waar de Tsjechovs verblijven in de zomer van 1891, in een huis dat ze al snel verruilen voor het nabij gelegen landgoed Bogimovo. Daar niet zover vandaan ligt natuurlijk Melichovo, dat Tsjechov in 1893 kocht, waar hij tot 1898 zou wonen tot hij door zijn ziekte werd gedwongen te verhuizen naar de Krim en dat hij in 1899 zou verkopen. In het daar vlakbij gelegen Serpoechov werkte Tsjechov vanaf de late zomer van 1892 als arts, eerst tijdens de cholera-epidemie van dat jaar. Ten slotte Ljoebimovka, waar hij in de zomer van 1902 zes weken verbleef, samen met Knipper, op het landgoed van de moeder van Stanislavski, de regisseur van het Moskouse Kunsttheater. Wat verder van Moskou verwijderd, lag natuurlijk Jasnaja Poljana, waar Tsjechov in augustus 1895 anderhalve dag bij Tolstoj op bezoek was.

67 Omgeving Moskou met verblijfplaatsen van Tsjechov tijdens zijn leven. Bron: Rayfield 1997

Omgeving Moskou met verblijfplaatsen Tsjechov, uit: Rayfield 1997

68 Tsjechov hield er niet van om over zichzelf uit te weiden. Begin 1892 vraagt de schrijver Vladimir Aleksejevits Tichonov (1857-1914) hem om een biografietje, om dat met een foto te kunnen publiceren in het tijdschrift Sever, naar aanleiding van de publicatie daar van Spring in 't veld. Tsjechov schrijft uit Moskou, is net bezig zijn landgoed Melichovo aan te schaffen en klaagt daarover. Vervolgens geeft hij toch een biografietje. De brief staat zonder nadere toelichting, en met een coupure, in Van Oorschots Tsjechov deel 7, met brieven (pag. 339-340), in de vertaling van Tom Eekman en compleet in tweede deel (1889-1892) van Peter Urbans 5-delige brievenuitgave (pag. 291-293). Ik vind het een voor Tsjechov typerend stukje, lapidair en half schertsend. Ik heb het in de Nederlandse uitgave weggelaten deel zelf vertaald uit Urbans editie. Overigens zal Tsjechov op 22 december 1894 en later nog een keer op 11 oktober 1899, serieuzer reageren als hem om een biografie wordt verzocht, dan door respectievelijk de redactie van het Encyclopedisch Handwoordenboek en door een artsenalmanak. Maar ook dan zal een goed deel ervan in beslag worden genomen door zijn medische bezigheden. In verband met het laatste geval rept Tsjechov tegen de degene die hem erom vraagt, G.I. Rossolino, van de autobiografiefobie waar hij aan lijdt.

68 Melichovo, de familie, staand: Masja Tsjechov, Anton Tsjechov, A.I. Smagin, zittend: Ivan Tsjechov, Michail Tsjechov en de beide ouders. De foto werd genomen door Aleksandr, 25 maart 1892. Bron: Urban 1987 nr. 338

De familie voor het landgoed Melichovo, maart 1892

69 AAN W.A. TICHONOV
22 Februari 1892, Moskou.

Vergeeft U me, dierbare Vladimir Aleksejewitsj, dat ik U zo lang op antwoord laat wachten. Ten eerste ben ik pas terug uit het gouvernement Voronezj, en ten tweede ben ik bezig met het kopen van een landgoed (de hemel zij geklaagd), zodat ik hele dagen doorbreng in allerlei notariële, bank-, verzekerings- en andere parasitaire instellingen. Die koop heeft me tot razernij gebracht. Ik lijk op iemand die alleen maar een kroeg binnenging om cotelet met ui te eten, maar er mensen tegen het lijf loopt aan wie hij dank verschuldigd is, zodat hij zich zat eet en drinkt als een varken en tenslotte een rekening van 142 roebel 75 kopeken te betalen krijgt. Ik had erop gerekend vijfduizend roebel nodig te hebben en er daarmee van af te zijn, maar helaas, reuzenslangen in de vorm van alle mogelijke koopcontracten, hypotheekactes, pandkwitanties e.d. hebben me van de eerste stap af in hun greep gehad, ik hoor mijn botten kraken, en als ik mijn ogen sluit zie ik duidelijk hoe mijn landgoed geveild wordt. Oef!
Uw angst op het naamdagsfeest van Tsjeglov [op 7 januari 1892] uit de band gesprongen te zijn, is geheel ongegrond. U hebt gedronken, dat is alles. U hebt gedanst, toen iedereen danste, en uw ruiterkunststuk op de koetsiersbok heeft niets dan hilariteit gewekt. Wat uw kritiek betreft, die was waarschijnlijk mild, want ik herinner me er niets meer van. Mij staat alleen bij dat ik en Vedenski, toen we naar u luisterden, vaak en langdurig gelachen hebben.
U hebt mijn biografie nodig? Daar is ze. Ik ben geboren in Taganrog in 1860. In 1879 beëindigde ik het Taganrogse gymnasium. In 1884 studeerde ik af op de Moskouse universiteit aan de medische faculteit. In 1888 kreeg ik de Poesjkinprijs. In 1890 ondernam ik een reis naar Sachalin door Siberië en over zee terug. In 1891 maakte ik een tour door Europa, waar ik prima wijn dronk en oesters at. In 1892 zette ik op mijn verjaardag de bloemetjes buiten met W. A. Tichonow. Met schrijven begon ik in 1879 in de Strekoza. Mijn bundels zijn Bonte verhalen, In de schemering,  Verhalen, Sombere mensen en de novelle Het duel. Ik heb me ook aan toneelwerk bezondigd, maar met mate. Ik ben in alle talen vertaald behalve in de vreemde. Trouwens, de Duitsers hebben me allang vertaald. De Tsjechen en Serven vinden me ook goed. Ook de Fransen zijn tot uitruil geneigd. In de geheimen der liefde werd ik ingewijd toen ik 13 jaar was. Met mijn collega 's, artsen zowel als literatoren, onderhoud ik een voortreffelijke relatie. Vrijgezel. Zou pensioen willen krijgen. Houd me bezig met de medische praktijk, zelfs zo dat ik ' s zomers, als het uitkomt gerechtelijk-medische secties verricht, wat trouwens al 23 jaar niet is voorgekomen. Van de schrijvers bewonder ik vooral Tolstoj, van de de medici Zacharjin.
Entin, dit is allemaal larie. Schrijf maar wat U wilt. Als de feiten ontbreken, vult U ze maar aan met lyriek. Ik wens u gezondheid en voorspoed. Mijn groeten aan uw dochters. Uw A. Tsjechov.

69 In de werkkamer op Melichovo: Van links Masja, Anton Tsjechov, Ivan, A. Liosova (Ivans verloofde), Michail Tsjechov en Aleksandr Smagin, Mascha 's vrijer, 25 maart 1892. Foto op dezelfde dag genomen als nummer 68 en 65, opnieuw door Aleksandr. Bron: Urban 1987 nr. 339; Rayfield 1997 nr. 32

Melichovo, In de werkkamer, maart 1892

70 Op 9 maart 1892 schrijft Tsjechov deze brief aan zijn protégé, de schrijver I. L. Leontejev-Tsjeljov (1856-1911). De twee kenden elkaar sinds december 1887, toen Tsjechov in Sint-Petersburg verbleef. Ze hadden sindsdien, zo schrijft Leontejev-Tsjeljov in zijn herinneringen, de gewoonte elkaar aan te spreken met Antoine en Jean. De brief staat in Van Oorschots deel 7, pag. 343-344 en in Urbans Brieven deel 3, pag. 9-10. Tsjechov belooft een liberaal tijdschrift, Nedelja (De week), een verhaal te sturen. Hoofdredacteur van Nedelja was M. O. Mensjikov, een voormalig marine-officier van wie, geheel terzijde, soms wordt vermeld dat hij de man is die model stond voor Tsjechovs Man in het foedraal. Vanwege de marine-achtergrond dus Tsjechovs beeldspraak: zeg maar tegen de stuurman, en: een hut betrekken. Kort daarop stuurde Tsjechov inderdaad een verhaal: Buren. Maar wat hij over zijn godsdienstige opvoeding zegt, is interessant, hoewel voor wie Tsjechov kent ook weer niet zo opmerkelijk. Radzjinksi was een Moskous hoogleraar, die voorstander was van godsdienstig onderwijs.

AAN I. L. LEONTEJEV
9 Maart I892, Melichovo .

Mijn beste Jean, je wens zal vervuld worden: ik zal een verhaal naar de Nedelja sturen. Dat doe ik met des te meer genoegen omdat dit blad me sympathiek is. Laat de stuurman maar weten dat ik uiterlijk in april een hut op zijn schip zal betrekken.
Ja, zulke mensen als Radzjinski zijn er erg weinig op het ondermaanse. Ik begrijp je geestdrift. Na de benauwenis die je voelt temidden van de Boerenins en Averkijevs - en van hen is de wereld vol - is Ratsjinski, zo rijk aan ideeën, humaan en zuiver, als een lentekoeltje. Ik ben bereid mijn leven in te zetten voor Ratsjinski, maar, beste Jean, - sta mij dat maar toe en word niet boos - ik zou mijn kinderen niet naar zijn school sturen. Waarom niet? Ik heb in mijn jeugd een godsdienstige vorming en opvoeding gehad - met zingen in de kerk, met het de apostelverhalen en de psalmen in de kerk, met nauwgezet bezoek van de ochtendmis, met de plicht om bij het altaar te helpen en in de toren de klok te luiden. En nu? Als ik nu aan mijn jeugd terugdenk, komt die me tamelijk duister voor: religie bezit ik nu niet. Weet je, als mijn twee broers en ik midden in de kerk het trio Hij richte zich op of Des aartsengels stem stonden te zingen, keek iedereen vertederd naar ons en benijdde mijn ouders, maar wij voelden ons dan kleine dwangarbeiders. Jawel, mijn beste. Radzjinski begrijp ik, maar de kinderen die hij les geeft ken ik niet. Hun innerlijk is voor mij in duister gehuld. Wanneer er vreugde in hun hart is, zijn zij gelukkiger dan ik en mijn broers, wier jeugd uit lijden bestond.
't Is mooi lord te zijn. Het is hier ruim, warm, er wordt niet voortdurend gebeld, - maar je kunt makkelijk failliet gaan en van lord afzakken tot conciërge of portier. Het goed kost 13 duizend, meneer, en ik heb pas een derde betaald. De rest vormt een schuld, die me lang, heel lang geketend zal houden.

Hier mijn adres: Stat. Lopasjna. Str. Mosk-Kursk. Dorp Melichovo. Dat is voor gewone brieven en telegrammen. Kom bij me op bezoek, Jean, samen met Soevorin. Spreek met hem af. Wat ik een tuin  heb! Wat een primitieve boerderij! Wat een ganzen! Schrijf vaker. Doe de groeten aan je vrouw. Blijf gezond en opgewekt. Je A. Tsjechov.
Stuur me een exemplaar van uw laatste novelle.

70 Melichovo, in de tuin, 5 april 1892. Van links: Neef Aleksej Dolsjenko (1865-1942), Anton Tsjechov in de kruiwagen, Michail Tsjechov erachter, een duwende V.A. Giljarovski (1853-1935), en rechts Ivan Tsjechov. De foto werd genomen door Levitan, met Pasen 1892. De met de hand geschreven opdracht is van Giljarovski aan Masja: ter herinnering aan Melichovo, V. Giljai. Tsjechov schrijft op 8 april aan Soevorin: Giljarovski was bij me. Wat hij allemaal heeft uitgevoerd, mijn God. Hij heeft al mijn merries bereden, is in de bomen geklommen, heeft de honden bang gemaakt en, om zijn kracht te bewijzen, boomstammen in stukken gehakt. Hij heeft onophoudelijk gekletst. Bron: Urban 1987 nr. 341; Rayfield 1997 nr. 33

Melichovo, 5 april 1892

71 Tsjechov besloot Melichovo dus te kopen voordat hij het zelfs maar had gezien, misschien, zo merk ik maar op, met dezelfde lichtzinnigheid waarmee hij jaren later zijn verzameld werk voor 75.000 roebel aan de uitgever Marks zou verkopen. Het landgoed bestond uit 675 ares, voor de helft bos, er liep een beekje over, er was een vijver en er waren wat boomgaarden. Het L-vormige huis met wat bijgebouwen was recentelijk gebouwd, maar erg groot was het niet en de omvang ervan stelde hem aanvankelijk teleur. De herhaalde leugens van de eigenaar, een kunstenaar met een kaalgeschoren hoofd genaamd Sorochtin, over allerlei details met betrekking tot het huis maakten Tsjechov soms dol van woede. Een toilet was er niet en evenmin een badkamer. Het geheel kostte hem 13.000 roebel, veel meer dan hij van plan was geweest uit te geven, maar het kan haast niet anders of de kleinzoon van een voormalige lijfeigene moet opgewonden zijn geraakt bij het idee zich landbezitter te kunnen noemen. Het was in zekere zin de verwerkelijking van een droom. Het idee uit zijn raam in zijn eigen vijver te kunnen vissen (die inderdaad vlak voor het huis lag), moet hem plezier hebben gedaan. Maar alleen de verplichtingen rond de koop zelf zouden hem ten slotte al zo'n 1000 roebel kosten. Soevorin verschaft hem een lening, iets waarvoor hij enorm dankbaar is. Hij laat hem weten dat hij hoopt die binnen drie jaar terug te betalen. Aan de eigenaar betaalt hij 4000, krijgt een hypotheek terug van 5000, die Tsjechov diende af te lossen in vijf jaar tegen een rente van 5 procent. De resterende 4000 verkrijgt hij via een tweede hypotheek van de Landbank. De gezamenlijke rente bedraagt jaarlijks minder dan wat hij in Moskou aan huur betaalt. De helft van de lening van Soevorin hoopt hij in augustus terug te betalen, want hij heeft de laatste maanden geen verdiensten van zijn werk meer binnen gekregen. Op 5 maart 1892 betrekt hij officieel Melichovo. Een brief aan Aleksandr, waarin hij vraagt of die paardenborstels wil meenemen, twintig pond spijkers, twintig roggebroden en vijf Franse broden, ondertekent hij met Landeigenaar A. Tsjechov.

Eerder al, op 23 februari 1892, schrijft hij aan Aleksandr, die net door Vorst Sjeremetjev tot redacteur van het tijdschrift De brandweerman (Pozjarnije) is benoemd en ook nog een telefoon bij hem heeft laten installeren - om hem - maar dat weet Tsjechov nog niet - na drie dagen weer te ontslaan en de telefoon af te nemen:

Mijn brandweerbroer! Ik begin aan voorgevoelens en voorspellingen te geloven: toen jij nog als kind 's nachts je bed bluste en daarna, als knaap, behalve die bewatering te bedrijven ook nog achter brandjes aanging en graag verhalen vertelde over brandweerlieden en hoe ze hun ladders op- en afklommen - toen al viel te voorzien dat jij ooit nog eens brandweerredacteur zou worden. Dus, ik feliciteer je. Blus het vuur, Sasja, met je getalenteerde pen op kosten van Sjeremetjev en wij zullen ons verheugen. Maar let op! Ik heb Oekraïne met zijn liederen en zijn kreeften verraden. Het landgoed dat ik gekocht heb, ligt in het district Serpoechov, 9 werst van station Lopasjna. Stel je voor: 213 desjatinen, daarvan 140 bos, twee vijvers, een miezerig beekje, nieuw huis, boomgaard, vleugelpiano, drie paarden, koeien, een reiskoets, een sjees, wagens, sleden, mesthopen, twee honden, spreeuwenkasten, en nog veel meer wat jouw brandweerverstand niet kan bevatten... en dat alles heb ik gekocht voor 13 duizend, inclusief schulden. Ik zal per jaar 490 roebel rente betalen, dat wil zeggen half zo veel als we tot nu toe gemiddeld voor woning en zomerhuis hebben neergeteld. Afgezien van het brandhout en andere kleinigheden kan het landgoed met enige moeite 1000 roebel winst opleveren, met ijver 2000. De weides leveren 250 roebel pacht. Al gezaaid zijn 14 desjatinen rogge. In maart zal ik klaver, haver, linzen, erwten en alle mogelijke andere groenten zaaien. Als ik de pijp uitga, laat ik het betalen van de hypotheek over aan de familie. Kom, Sasja, ik breng je onder in het kippenhok en zal om je te plezieren een brandweeralarm regelen. In de vijver zit steenkarper, in het bos paddestoelen, in de lucht zuiverheid, in het huis genegenheid. Op 1 maart nemen we afscheid van Moskou en verhuizen. [...]

71 Melichovo, in de tuin. Anton Tsjechov zit tegen de wand op de achtergrond. Liebhaberfoto uit het jaar 1897, schrijft Urban, naar aanleiding van deze foto. Van een fan dus. Bron: Urban 1987 nr. 342

Melichovo, In de tuin, 1897

72 Aan het huis dat in een soort L-vorm gebouwd is, blijkt van alles te mankeren. De tien kamers, die op de begane grond liggen - want een verdieping is er niet, die laat Tsjechov aanbrengen - moeten allemaal gerenoveerd worden en het barst er van het ongedierte. Tsjechov begint de verdiensten van het kapitalisme te waarderen, schrijft hij, als hij ontdekt hoe goedkoop het is arbeidskrachten te huren. Dat gebeurt op grote schaal: timmerlieden, metselaars en schilders. Hij laat het hele huis opnieuw inrichten, laat de hekken en schuren repareren, laat een nieuwe put graven en een wc installeren. De leden van de familie werken minstens zo hard als het gehuurde personeel. Hij koopt drie muizenvallen, zo schrijft hij, en vangt er 25 per dag, die hij naar het bos brengt en daar los laat. Op 23 juni 1892 krijgt hij een brief van Lavrov, hoofdredacteur van Roesskaja Mysl, die zoals hij schrijft een treurig misverstand wil ophelderen, doelend op het nare stuk over Tsjechov in zijn tijdschrift in april 1890, vlak voor Tsjechovs reis naar Sachalin. Ik gaf al een deel van Tsjechovs reactie. Lavrov heeft via Svobodin te horen gekregen dat Tsjechov misschien een verhaal heeft voor zijn tijdschrijft en laat weten dat hij geïnteresseerd is. Het betrof Zaal 6 en trouwens ook zijn Verhaal van een onbekende. In oktober 1892 brengt hij Het verhaal van een onbekende zelf naar de redactie. Zaal 6 moet hij eerst terugkrijgen van een ander tijdschrijft, Nedelja (De week), dat de publicatie niet aandurfde.

Regelmatige bezoekster Tatjana Sjtsjepkina-Koepernik schrijft in haar memoires: Tsjechov hield van zijn landgoed Melichovo. Hij zag er daar compleet anders uit. Het waren vermoedelijke de beste jaren van zijn leven. Na zijn moeilijke jeugd, armoede, 3-roebel-per-verhaal honoraria en goedkope appartementen had hij opeens het gevoel dat hij de eigenaar was van zijn eigen huis. Hij was niet van plan te verhuizen en had geen haast. Een jaar nadat hij het landgoed had gekocht was het zo veranderd dat je het niet terug zou herkennen. Al de Tsjechovs werkten even hard om het te verbeteren. De éen werkte in de tuin, de ander in de boomgaard en weeer een ander plantte bomen en bloemen. Alle Tsjechovs werkten even hard. [...] Ik denk dat ze groot gelijk heeft in het idee dat Tsjechov uit vrije wil Melichovo nooit meer verlaten had. Het zouden uiteindelijk de aanhoudende doktersadviezen zijn die hem ertoe zouden doen besluiten naar dat verafschuwde Jalta te vertrekken.

72 Melichovo, vooraanzicht woonhuis Tsjechov. De ingang van het nu museum geworden huis bevindt zich aan wat in Tsjechovs tijd de achterzijde was. Foto: Melichovo, donderdag 9 augustus 2012

Melichovo, Woonhuis Tsjechov

73 Hij koopt boeken over land- en tuinbouw, informeert bij vrienden die ook een landgoed hebben (Lejkin, Jegorov, Smagin, Kiseljov) en koopt er drie paarden bij. Hij gaat aan het werk in zijn boomgaard en plant er tachtig appel- en zestig kersenbomen. In de loop van de tijd plant hij dennen, eiken, en berken aan en legt bloemperken, waarbij hij een voorkeur heeft voor rozen. Aan geklus heeft hij een broertje dood en een spijker ergens in slaan, lukt niet, maar zijn tuin en boomgaard krijgen al zijn liefde. Als de lente eenmaal daar is, is Tsjechov als een kind zo gelukkig. De vader en moeder wonen er, Masja, Ivan en Misja brengen er de zomervakanties door, maar omdat ze in het 50 kilometer verder gelegen Moskou werken, kunnen ze ook buiten de zomer gemakkelijk langskomen, iets wat veelvuldig gebeurt. Tsjechov neemt een kok aan een een kamermeisje. Ivan blijkt niet erg praktisch, maar het blijkt dat vooral Misja van groot belang is bij het dagelijks bestuur. Hij neemt al gauw een baantje dichterbij, in Serpoechov en is al spoedig onmisbaar op Melichovo, dat steeds meer op een familie-onderneming gaat lijken, een beetje zoals dat in de Moskouse woning eigenlijk ook al het geval was. Het bijgebouw dat op de foto zichtbaar is, werd pas later gebouwd. Op 19 mei 1894 schrijft hij aan Jules Legras, hoogleraar aan de Universiteit van Bordeaux, die in de zomers van 1892 en 1893 bij een buurman van Tsjechov had gelogeerd en die hij zo had keren kennen, dat hij een tuinhuis laat neerzetten. Tsjechov hoopt dan dat het eind juni af is. Legras had inmiddels een paar verhalen van hem in het Frans vertaald. Tsjechov zou het bijgebouw zelf gaan gebruiken en schreef er (bijvoorbeeld) zijn Meeuw. Het landgoed wordt liefdevol onderhouden en voor zover ik dat kon vaststellen druk bezocht.

73 Melichovo. Dit is het tuinhuis dat Tsjechov voor de gasten bijbouwde, maar uiteindelijk zelf zou gebruiken om er zich terug te trekken als het te druk werd. Op 5 mei 1899, een paar weken nadat hij haar voor het eerst had bezocht, en slechts enkele dagen nadat ze op Melichovo was geweest, stuurde Tsjechov Olga Knipper er een foto van met de tekst Mijn huis, waarin de Meeuw werd geschreven, voor Olga Leonardovna Knipper ter herinnering. Zie hier voor meer hedendaagse foto's van Melichovo. Foto: Melichovo, donderdag 9 augustus 2012.

Melichovo, Augustus 2012

74 Waar Tsjechov zich in de lente en de zomer kostelijk amuseert op Melichovo, valt de winter tegen. Ook als de temperaturen aangenaam zijn, bestaan er trouwens wel wat problemen. De kok is nogal eens dronken, het kamermeisje steelt. De ratten knagen aan de groentes, de koeien dwalen soms de tuin in en eten zijn kolen op en als hij de overvloed aan fruit die hij 's zomers oogst voor een prikje verkoopt aan de dorpelingen, denken ze dat hij niet goed snik is. Op een ochtend blijkt de prachtige merrie die hij heeft, 's nachts een oude kreupele hengst te zijn geworden. Tsjechov spreekt van het wonder van het paard. Simmons' weergave van dit alles is veel grappiger dan die van mij. Maar 's winters valt het bestaan er tegen, dan reikt de sneeuw tot aan zijn raamkozijn, zodat een konijn naar binnen kijkt en ligt het huis flink geïsoleerd. Zelf viel me op dat het landschap erom heen niet bijzonder fraai is, vlak, met her en der wat bos, maar niet bijster interessant. Herhaaldelijk zal hij aan vrienden schrijven dat hij het liefst een deel van het jaar op het platteland zou doorbrengen en de rest in Sint-Petersburg. Zodoende vertrekt hij vaak naar Moskou en op 19 december 1892 gaat hij naar Petersburg, waar hij vijf weken verblijft. Iemand die hem zes jaar lang niet heeft gezien, Nazdezja Goloebeva, de zus van Maria Kiseljova (van Babkino) merkt op hoe hij is veranderd. Hij kan tijdens de maaltijd geen seconde aan tafel blijven zitten, beent dan voortdurend heen en weer (iets wat ook regelmatig door anderen wordt opgemerkt), heeft onomwonden kritiek op vrouwen die schrijven als hobby (iets wat Goloebeva doet) en is naar haar oordeel veel minder fijngevoelig dan hij ooit was. Als ze hem zes jaar later, in 1899, terugziet in Jalta, zal ze nog veel geschokter zijn, maar dan door zijn afgetakelde fysieke toestand. Zodra de lente aanbreekt, is Tsjechov weer gelukkig op zijn Melichovo. Hij schrijft, werkt in zijn tuin en boomgaard, ontvangt gasten, zodat er, schrijft Simmons, al in de tweede zomer op Melichovo een patroon ontstaat waarmee Tsjechov de rest van zijn bestaan had kunnen leven, als het lot het niet anders had gewild. Daar heeft hij denk ik groot gelijk in. Uit zichzelf geloof ik niet dat Tsjechov Melichovo ooit had verlaten. Afgezien van de paar onbezorgde jaren in Moskou, als hij bezig is succesvol te worden, zijn de vroege jaren daar de gelukkigste van zijn bestaan. Na de ernstige problemen met zijn tbc waarvoor hij in 1897 wordt opgenomen, lijkt Tsjechov niet meer de oude te zijn geworden. Op de Krim zal hij met weemoed terugdenken aan Melichovo, zelfs aan de strenge winters daar, terwijl aan zijn zuidelijk verblijf altijd het idee zal kleven dat hij geen keus heeft en in Jalta een soort banneling is. Mijn warme Siberië, zei hij soms. Ook de familieleden hebben het naar hun zin op Melichovo. De streng gelovige vader organiseert weer een koor in de plaatselijke kerk en de gezinsleden zingen soms zelfs mee als vroeger, waarbij opvalt hoe 'n mooie bariton Tsjechov heeft. De acteur Konstantin Varlamov schrijft in zijn herinneringen dat hij, voordat hij Tsjechov zelfs maar als schrijver kende, hem in het theater tegenkwam en hem vroeg, toen hij hem hoorde praten: zingt u? waarna die hem bevreemd aankeek, en zei: Laat me mezelf voorstellen. Met de buren sluit Tsjechov al snel vriendschap en de vrienden verschijnen spoedig van alle kanten. In de zomer van 1893 al zijn er zoveel gasten, dat hij niet weet waar hij ze moet laten en er overal mensen slapen, zelfs in de hal. Een meisje dat hij nauwelijks kent, blijft een week, een zieke musicus zonder werk bivakkeert er maandenlang, nadat Tsjechov hem een baantje op het gemeentehuis heeft bezorgd, en éen van de gasten die Tsjechov is aanbevolen, is vermoedelijk iemand van de politie die op zoek is naar subversieven. Maar ook zijn neef Dolsjenko, de acteur Svobodin, Giljarovski, Smagin en Soevorin verschijnen regelmatig. In juli 1893 duikt voor het eerst de schrijver Ignati Nikolajevitsj Potapenko op, die hij kent uit Odessa. Die speelt ook goed viool, en Lika Mizinova heeft een mooie stem, zodat er als de twee er samen zijn, wordt gemusiceerd. In 1894 zal hij, omwille van het vele bezoek, een soort hut laten bouwen, waar dan de mannelijke gasten konden slapen. Maar het ding was zo klein, dat Tsjechov er geleidelijk toe overging het huisje zelf te gebruiken om er rustig te kunnen werken.

Vrouwen zijn er ook genoeg: Lika Mizinova dus, Natalja Lintvareva en de nog 19-jarige Tatjana (Tanja) Sjtsjepkina-Koepernik, dochter uit een Kievs advocatengezin, dichteres, schrijfster en vertaalster, die door Masja werd geïntroduceerd. De herinneringen aan Tsjechov die ze schreef - en waarvan naar ik aanneem maar een klein deel werd opgenomen in Sekirin 2011 - vond ik sympathiek klinken. De transliteratie van Russische namen is altijd problematisch en hier ook. Ik ken hier alleen de Engelse spelling van haar naam en voeg de Russische maar toe. In haar van 1925 daterende herinneringen (Jonge jaren) schrijft ze:

Maria Pavlovna, Anton Tsjechovs zus, nam schilder-lessen en gaf les op de Rzhevskyschool. Op het eerste gezicht leek het alsof ze gereserveerd was en afstand wilde houden. Maar dat bleek enkel een eerste indruk. Al gauw leerde ik haar Tsjechoviaanse humor en haar prettige geaardheid kennen en we sloten vriendschap. [...] Tsjechov zei op een dag tegen me dat ik hem nog een keer zou dwingen met me te trouwen. Hij zei ook dat het onmogelijk was omdat ik een schrijfster was en dat een voortdurende bron van spanningen binnen het gezin zou worden. Hij plaagde me voortdurend, maar steeds op een vriendschappelijke manier en hij maakte me altijd aan het lachen. Ik wist dat Anton Pavlovitsj alleen maar mensen plaagde die hij aardig vond. De enige die hij vaker plaagde dan mij was Lika Mizinova. Op zijn schoorsteen zette hij een portret van me in formele kleding en schreef: Lizet Sjtsjepkina-Koepernik. Hij volgde daarmee het voorbeeld van dhr. Oeroesov, een journalist en toneelcriticus, die zo gek was op de Franse schrijver Gustave Flaubert dat hij, toen mensen hem een keer om een handtekening vroegen, ze een foto gaf, ondertekend met Lizet Flaubert. Hij gaf me bijnamen, "De grote dames-schrijver van Rusland" en "De welbekende romanschrijfster." Hij noemde me ook Tatjana E., een combinatie van mijn eerste naam en de middelste van een beroemd journalist die ik nooit zelf had gekend. Dat was een kleine, magere en nederige man, maar Tsjechov dreigde me te dwingen met hem te trouwen en mijn naam te veranderen. Eén van zijn grappen was te doen alsof hij de directeur van het Keizerlijk Theater was [...] Op een dag maakten we een lange wandeling in de buurt. Plotseling begon het te regenen en waren we gedwongen de bui uit te wachten in een lege schuur. Tsjechov droogde zijn natte paraplu toen hij zei: Ik zou een muzikale komedie willen schrijven. Luister eens... twee mensen wachten tot de bui voorbij is in een lege schuur. Ze drogen hun kleren en hun papaplu's, maken grapjes. Daarna verklaren ze elkaar de liefde. Het houdt op met regenen en plotseling sterft hij aan een hartaanval. [...] Soms veranderden de grapjes in serieuze conversatie. Anton Pavlovitsj gaf me advies - op een heel voorzichtige manier - hoe ik mijn schrijfstijl kon verbeteren. Over éen van mijn romans zei hij: Alles is heel mooi en artistiek. Maar je moet niet schrijven: Dit was een roerend moment. Je moet de dingen zo beschrijven dat de lezers voelen dat een roerend moment is. [...]

74 Tatjana (Tanja) Lvovna Sjtsjepkina-Koepernik (1874-1952) (Татьяна Львовна Щепкина-Куперник) Bron: Urban 1987 nr. 367

Tatjana Sjepkina-Koepernik (1874-1952)

75 Tatjana Sjtsjepkina-Koepernik heeft zelf weer een vriendin, op wie Tsjechov ook al gesteld raakt, de actrice Lydia Javorskaja. Het is Rayfield die opmerkt dat de dames meer in elkaar waren geïnteresseerd dan in Tsjechov, want Javorskaja zou lesbisch geweest zijn, in elk geval voordat ze een huwelijk sloot met vorst Bariatinski. De dames hadden in elk geval zo'n heftige verhouding dat hun op een gegeven moment - het is Rayfield weer die het vermeldt - wordt verzocht uit hun hotel te vertrekken. Twee jaar later, in 1895, zal in elk geval eerst het gerucht de ronde doen dat hij een verhouding met haar heeft of die wil hebben, maar in datzelfde jaar, na het verschijnen van zijn verhaal Ariadna (VW 5) ook dat het daarbij gaat om een geval van literaire wraak, aangezien hij een blauwtje bij haar zou hebben gelopen. Ariadna is trouwens een prachtig verhaal en het lijkt eerder stof te ontlenen aan Potapenko's avontuur met Lika Mizinova, zij het dan gecombineerd met Tsjechovs eigen reiservaringen. Het is bovendien het enige verhaal dat ik van Tsjechov ken, waarin hijzelf als personage optreedt, al is het enkel als luisteraar en toeschouwer. En dan is het verhaal in zekere zin ook nog eens een pendant van Tolstojs Kreutzersonate, vanwege het genadeloze portret dat er in wordt geschilderd van een vrouw.

Ze drukte me heel stevig de hand, keek me verrukt aan en bedankte me met zoet-zangerig stemgeluid voor het genot dat ik haar had verschaft met mijn boeken.
- Geloof het maar niet, fluisterde Sjamochin, ze heeft nooit iets van u gelezen.

Tsjechov is - terug nu naar 1893 - inmiddels een fervent sigarenroker, sinds hij dat genotmiddel in de vorige winter in Sint-Petersburg heeft leren kennen en na het eten wordt er flink op los gepaft. In maart 1893 vraagt hij aan Franz Schechtel, de bevriende architect, welke sigaren de beste zijn. Die stuurt hem uit Riga 100 Havana's. Heel goed. Twee jaar later al zal hij er voorgoed mee stoppen. Voor de gastvrijheid die hij iedereen op Melichovo betoont, wordt hij dubbel en dwars gestraft als hijzelf in Moskou is. Zijn vaste hotelkamer in Slavanski Bazar daar is nummer 5: de kamer van Tsjechov. Hij wordt Avelan genoemd, naar een Russische admiraal, F. K. Avelan, die in 1893 in Toulon een Frans-Russisch verdrag had gesloten en die daarom overal waar hij verscheen, in zowel Rusland als Frankrijk, werd fêteerd. Als bekend wordt dat hij in Moskou is gearriveerd, loopt het storm in het hotel, iets waar hij soms wel wat onder gebukt gaat.

75 Lydia Borisovna Javorskaja (1872-1921). Bron: Urban 1987 nr. 365

Lydia Borisovna Javorskaja (1872-1921)

76 Eind 1893 gaat hij in Moskou met de schrijfster Tatjana Sjtsjepkina-Koepernik en de actrice Lidia Javorskaja op de foto. Simmons schrijft dat Tsjechov, op het bevel van de fotograaf kijk naar het vogeltje een strak gezicht trekt, terwijl de vrouwen het uitschateren. Ik vraag me af of Simmons de foto gezien heeft, want echt geschaterd lijkt er niet te worden. Tsjechov zou de foto De verzoeking van Antonius noemen, schrijft Simmons nog. Urban heeft het over Het oordeel van Paris. Ook goed. Tekst misschien: aah kom, kijk eens wat vriendelijker...

76 Moskou, 1893. Van links naar rechts: schrijfster, dichteres, vertaalster Tatjana Lovna Sjtsjepkina-Koepernik (1874-1952), Lydia Borisovna Javorskaja (1872-1921) en (uiteraard) Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), eind 1893. Het oordeel van Paris (Urban) of De verzoeking van de heilige Antonius (Simmons). Ik vraag me af of onze tbc-patiënt een sigarenstompje in de rechterhand heeft. Foto: K. Fischer. Bron: Urban 1987 nr. 360; Rayfield 1997 nr. 40

Tatjana Lovna Tsjepkina-Koepernik , Lydia Borisovna Javorskaja, Tsjechov

77 Toen de Tsjechovs in de zomer van 1888 bij de Lintvarevs verbleven, in de buurt van Soemy, in Oekraïne, leerden ze daar ook twee broers kennen die tot de familie behoorden en op een wat vervallen landgoed woonden in de provincie Poltava. Het was daar dat Tsjechov per telegram te horen kreeg dat zijn broer Nikolaj gestorven was, zodat hij halsoverkop terug moest. Eén van de broers is Aleksandr Smagin, die al vanaf het begin geïnteresseerd is in Masja. Het gezin Tsjechov had de kennismaking met Smagin al in Moskou hernieuwd en ook op Melichovo logeert hij vaak. Nadat daar in 1893 Ivan is getrouwd en Misja een grappig blauwtje heeft gelopen bij een gravin, vraagt Smagin Masja ten huwelijk. Ze gaat naar de studeerkamer van haar broer, en zegt tegen hem: Nou, ik heb besloten te trouwen. Ik citeer verder Simmons, die Masja 's memoires citeert, die lang na dato werden geschreven: Mijn broer begreep uiteraard wie de man was, maar zei niets. Toen realiseerde ik me dat dit onaangenaam nieuws voor hem was, want hij bleef zwijgen. Maar wat had hij kunnen zeggen? Ik begreep wel dat hij niet kon opbiechten dat het moeilijk voor hem zou zijn als ik het huis verliet voor een ander en voor een gezin van mezelf. Maar het woord nee sprak hij niet uit. Een paar dagen lang wacht ze vervolgens of haar broer er nog op terugkomt, maar dat doet hij niet. De liefde voor mijn broer, mijn banden met hem, beslisten de zaak. Ik was er niet toe in staat mijn broer onaangenaamheden te bezorgen, of iets wat de gewoontes van het huis in de war zou brengen en hem de voorwaarden ontnemen waarin ik altijd had voorzien en die het hem mogelijk maakten zijn creatieve werk voort te zetten. Ze schrijft Smagin een brief met een weigering en krijgt er éen terug vol verwijten. Hij is overigens de derde man van wie ze een aanzoek weigert. Tsjechov schrijft aan Soevorin: Het huwelijk van mijn zus ging niet door, maar de romance wordt blijkbaar door middel van een correspondentie vervolgd. Ik begrijp er niets van. Er wordt vermoed dat ze nee heeft gezegd, in elk geval deze keer. Ze is een ongewoon meisje dat echt niet wil trouwen. In dezelfde brief schrijft Tsjechov dat hij er in elk geval niet over piekert te trouwen. Maar tegen verliefd zijn heeft hij niks: zonder liefde is het leven saai. Masja geeft onbetaald les aan een school in Melichovo.

77 Maria Tsjechova (Masja, 1863-1957) zus van Anton Tsjechov. Melichovo, ca. 1894. Urban geeft maar weinig foto 's van Tsjechovs zus. Ik neem aan dat er niet veel meer zijn. Deze komt uit Rayfield 1997.

Masja Tsjechova, Melichovo, ca. 1894

78 Tsjechov legt op Melichovo onmiddellijk ook een flinke voorraad medicijnen aan en hij vervult al snel de functie van onbezoldigd arts. Omdat het vanwege zijn bescheiden komaf de enige manier is om voor het geval hij weer naar het buitenland wil, een paspoort te verkrijgen, neemt hij eind 1893 kortstondig dienst als zemstwo-arts om, direct nadat hij zijn paspoort heeft, weer ontslag te nemen. Eerder reisde hij op een tijdelijk paspoort. Hoe dan ook: er houden maar weinig artsen praktijk in het district Serpoechov en hij is al snel druk beklant. Op Melichovo houdt hij spreekuur, registreert de patiënten en legt hun dossiers aan. Als er in juli 1892 cholera dreigt uit te breken in de streek rond Melichovo, zonder dat het dorp zelf er overigens door getroffen zal worden, schakelt hij zich vrijwillig en zonder salaris in. Voor de 25 dorpen, 4 fabrieken en een klooster bedelt hijzelf het geld bijeen om er ziekenbarakken te laten bouwen. Hulp krijgt hij niet en hij moet bij rijke landeigenaren in de omgeving langs. Velen weigeren een bijdrage en ook van het klooster krijgt hij geen cent. Terwijl Soevorin in het buitenland verblijft, rijdt Tsjechov in de late zomer, vaak bij erg slecht weer, rond langs 25 dorpen om mensen te behandelen en voorlichting te geven. Want hij heeft ook de laatste medische literatuur over de cholera laten komen. Op Melichovo verblijft hij enkel om te slapen. In de zomer van 1893 breekt een kleinere epidemie uit en doet hij opnieuw zijn plicht. Op 15 april 1893 brengt Masja twee tekkels mee, die ze als cadeau heeft meegekregen van Lejkin. Ze noemt de twee Broom en Kinine. Op de Krim zou Tsjechov er ook twee hebben: Tusik en (niet toevalligerwijs) Kastjanka. Van katten hield Tsjechov niet.

78 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) in het uniform van districtsarts, onder de dikke eik op Melichovo, 1893. Genomen door Aleksandr. Bron: Urban 1987 nr. 347

Tsjechov als districtrarts, Melichovo 1893

79 Dat alles neemt niet weg dat Tsjechov in de periode 1892-1893, tussen alles door, zijn talrijke bezoek, zijn werkzaamheden aan zijn landgoed en zijn optreden als arts, nog altijd eenentwintig verhalen schrijft, daaronder een paar lange en belangrijke. Het gaat onder andere om het al genoemde Mijn vrouw en Spring in 't veld, maar ook om Ballingschap, Grote Volodja en Kleine Volodja, Buren, het Verhaal van een onbekende, dat hij trouwens eerder heeft laten varen vanwege de censuur en dat toen nog Verhaal van een mijner patiënten heette en als laatste twee De zwarte monnik en Vrouwenheerschappij. Ondertussen schrijft hij het grootste deel van zijn Sachalin. Maar ook zijn misschien wel bekendste verhaal, Zaal 6, dateert uit deze periode. Zowel zijn Verhaal van een onbekende als Zaal 6 is politiek gezien brisant. Zaal 6, was oorspronkelijk bedoeld voor het Moskouse tijdschrift Roesskoe obozrenie (Russisch Overzicht) dat hem een voorschot had gegeven van 500 roebel en dat had beloofd alles te nemen wat hij zou opsturen. Maar de redacteuren schrikken flink van het zwartgallige en tamelijk radicale verhaal. Tsjechov vraagt en krijgt het terug, zogenaamd omdat hij er nog wat aan wil doen. Hij beseft wel dat het veel beter past bij het linkse Roesskaja Mysl (Russische gedachte), maar met de uitgevers daarvan, Lavrov en Goltsev, heeft hij ruzie. Lavrov had een bijzonder naar stukje over hem geschreven. Ik gaf al een deel van de brief waarin Tsjechov erop reageerde. Het is de bevriende acteur Pavel Svobodin, die op dat moment op Melichovo verblijft, die dat voor hem regelt, vlak voordat hij begin oktober 1892 plotseling overlijdt. Lavrov schrijft een excuusbrief en Tsjechov stuurt beide verhalen naar Roesskaja Mysl. Lavrov vraagt Tsjechov om toestemming eerst Zaal 6 te publiceren en dan pas Het verhaal van een onbekende. En zo gebeurt het.

79 Anton Pavlovitsj Tsjechov Anton Tsjechov Zaal 6, S. Petersburg Uitgeverij Soevorin, 1893. Titelblad van de tweede oplage van de boekuitgave, 1893. Zaal 6 was eerst gepubliceerd in de novemberaflevering (1892) van Roesskaja Mysl (Russische gedachte). Bron: Urban 1987 nr. 358

Tsjechov, Boekuitgave Zaal 6, 1893

80 Roesskaja Mysl was éen van de zwarte schapen van Soevorin, die bovendien een hekel aan Zaal 6 had, wat nauwelijks verbazing kan wekken. Het gedoe dat om de publicatie ervan ontstaat, brengt ook spanningen teweeg in Tsjechovs verhouding met de man van Novoje Vremja. Terwijl de schrijvende arts het druk heeft met de cholera, nodigt de uitgever hem uit om met hem op reis te gaan. Tsjechov weigert, op een geïrriteerder toon dan bij hem gebruikelijk is. Als er vervolgens een schandaal uitbreekt naar aanleiding van het bankroet van de maatschappij die De Lesseps in Frankrijk had gevormd ter financiering van het Panamakanaal en het gerucht gaat dat een Parijse medewerker van Novoje Vremja daarbij is omgekocht, gaat Soevorins zoon Aleksej naar Parijs en presenteert zich daar, namens de Russische pers, om de beschuldiging te weerleggen. Uitgerekend in Roesskaja Mysl worden die pretenties in een venijnig artikel belachelijk gemaakt. Soevorin schrijft Tsjechov een boze brief over het tijdschrift, waaraan die net ook zijn Verhaal van een onbekende heeft gestuurd en dat er zal verschijnen in februari 1893. In november 1892 al verschijnt in Roesskaja Mysl Zaal 6. In linkse kringen wordt Tsjechov eindelijk geprezen, want velen menen er een frontale aanval in te zien op de Russische staat. Het is natuurlijk een geniaal, maar ook inktzwart verhaal en het is niet enkel de schrijver Leskov die de zaal als een metafoor voor Rusland opvatte. Thomas Mann schrijft in zijn Essay over Tsjechov, dat wanneer Lenin het verhaal leest, hij naar buiten moet, omdat hij anders zou stikken, of worden van gelijke strekking. Was hij maar binnen gebleven. Als Soevorins zoon terug is uit Parijs, bezoekt hij het redactiebureau van Roesskaja Mysl en slaat de hoofdredacteur, Lavrov, op het gezicht. Op de Petersburgse redactie van de krant heeft Aleksandr sterk te lijden onder het conflict. Bovendien moet hij aanhoren hoe zijn eigen broer wordt zwartgemaakt. Uiteindelijk komt er een verzoenende brief van Soevorin, maar de zaak heeft toch zijn sporen getrokken in hun verhouding. En ook in een volgend conflict zal de wijdere politiek een rol spelen. Begin maart 1893 verschijnt Zaal 6 samen met een paar andere verhalen in boekvorm bij Soevorin. Ondertussen loopt Tsjechov aardig binnen, want de verkoop van zijn boektitels begint goed op gang te komen. In 1893 bestaan er inmiddels 7 herdrukken van In de schemering, 5 van Bonte verhalen, 8 van Verhalen, 4 van Sombere mensen en 4 van Het duel. Eind 1893 krijgt hij plotseling 2300 roebel van de uitgever Sytin voor herdrukken van zijn vroege verhalen. Het Russische publiek is hem gaan zien als zijn grootste prozaschrijver. Verhalen van hem zijn vertaald in het Engels, Frans, Duits en Tjechisch. Tolstoj laat weten dat hij hem wil ontmoeten en is in Moskou, samen met de schilder Repin, langs geweest op twee van zijn voormalige adressen daar. Eind 1893 en begin 1894 verschijnt ten slotte in acht afleveringen zijn Reis naar Sachalin in Roesskaja Mysl. Een ervan wordt door de censuur tegen gehouden en na drie dagen toch toegestaan.

80 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) met de redactie van Roesskaja Mysl (Russische gedachte): Staand, links: Tsjechov, V. A. Goltsjev, zittend links: M.N. Remezov, M.A. Sablin, I.I. Ivanjoekov, uitgever V.M. Lavrov en J.N. Potapenko. 1892. Bron: Urban 1987 nr. 357

Tsjechov met de redactie van Roesskaja Mysl, 1892

81 Dit is een brief aan Soevorin, die Tsjechov per telegram heeft laten weten dat de acteur en wederzijdse vriend, Pavel Svobodin, in Petersburg is overleden. Svobodin heeft net nog voor Tsjechov een contact geregeld met de redacteur van het tijdschrijft Roesskaja Mysl, met wie Tsjechov ruzie had, maar bij wie hij toch graag twee verhalen kwijt wilde. Tsjechovs adres in Moskou is de school waar zijn broer Ivan werkzaam is. Die twee kleine novelles waar Tsjechov in de brief wat badinerend van rept, zijn Zaal 6 en Verhaal van een onbekende. Monte Christo is de roman van Alexandre Dumas senior, die Tsjechov drastisch heeft bewerkt.

AAN A. S. SOEVORIN

10 oktober 1892
Uw telegram met het bericht van de dood van Svobodin bereikte me toen ik de boerderij afreed om op patiëntenbezoek te gaan. U kunt zich mijn stemming voorstellen. Deze zomer was Svobodin nog bij me te gast; hij was was heel lief, zacht, stil en goedmoedig en betoonde zich zeer aanhankelijk jegens mij. Mij was het duidelijk dat hij binnenkort zou sterven; en hij wist het ook. Als een grijsaard verlangde hij naar gewoon comfort en verafschuwde reeds het toneel, en alles wat met het toneel van doen had en hij was bang voor de terugkeer naar Sint-Petersburg. Natuurlijk zou ik naar de begrafenis moeten, maar ten eerste kwam uw telegram pas tegen de avond, terwijl de begrafenis waarschijnlijk al morgen is, en ten tweede behoort 30 werst enkel aan mij en de cholera en dan kan ik mijn district niet in de steek laten. In éen dorp zijn zeven mensen ziek geworden en twee zijn er al gestorven. De cholera kan ook naar mijn gebied overslaan. Merkwaardig dat de cholera zich tegen de winter altijd uitbreidt.
Ik heb beloofd tot 15 oktober districtarts te blijven - op die dag wordt mijn district officieel gesloten. Ik zal de ziekenverplegers ontslaan, de barakken sluiten en, als er dan een cholera-aanval plaatsvindt, een belachelijk figuur slaan. Voegt u daaraan toe dat in het naburige district de arts longontsteking heeft gekregen en ik, als er bij hem een geval van cholera optreedt, uit collegialiteit voor een tijd lang zijn district zal moeten overnemen.
Tot op vandaag had ik nog geen enkel cholerageval, maar wel tyfus, difteritis, roodvonk etc. Aan het begin van de zomer was er veel werk, maar met het naderen van de herfst steeds minder. Ik zou u willen zien en met u willen spreken. Wanneer bent u in Moskou? Ik zal er zijn op 15, 16 en 17 oktober. Schrijft u, als u kunt, naar dit adres: Moskou, Novaja Basmannaja, Petrovsko-Basmannoe onderwijsinstelling. Op de twintigste ben ik weer thuis, op de negenentwintigste in Serpoechov voor een medisch congres, en waarheen Fortuna mij daarna voert, weet ik niet. Het zou mooi zijn, als het Japan was.
Mijn literaire productie van de afgelopen zomer is dankzij de cholera bijna gelijk aan nul. Geschreven heb ik weinig en nog minder aan literatuur gedacht. Overigens heb ik twee kleine novelles geschreven - een behoorlijke, en een andere die miserabel is, en die ik wel in Roesskaja Mysl zal publiceren. Ik heb van Lavrov een heel sympathieke brief gekregen en me oprecht met hem verzoend.
Deze zomer was het leven moeizaam, maar nu heb ik het gevoel dat ik nooit een zomer zo goed heb doorgebracht als deze. Ondanks cholera en geldgebrek die me tot aan de herfst in de greep hadden, is het me bevallen en heb ik plezier in het bestaan. Wat een bomen ik niet geplant heb! Dankzij ons Kulturträgertum is Melichovo voor ons niet terug te herkennen en ziet het er nu enorm gezellig en mooi uit, hoewel het in werkelijkheid vermoedelijk geen fluit voorstelt. Groot is de macht der gewoonte en het besef van het eigendom. En het is verbazingwekkend hoe aangenaam het is geen huur te moeten betalen. Er zijn nieuwe kennissen gemaakt, nieuwe betrekkingen ontstaan. Onze vroegere angsten voor de boeren lijken inmiddels dwaas. Ik heb voor de zemstvo gewerkt, heb aan zittingen van de gezondheidsraad deel genomen, ben van fabriek naar fabriek gereden en het is me nog bevallen ook. Men beschouwt me inmiddels als een ingezetene en wie via Melichovo reist, overnacht bij me. Daar komt bij dat we een een nieuw comfortabel rijtuig met een kap hebben gekocht, een nieuwe weg hebben aangelegd, zodat we niet meer door het dorp hoeven te rijden, dat we een vijver hebben gegraven... En wat niet al. In éen woord: tot nu toe is alles nieuw en interessant en wat er verder nog komt, dat weet ik niet. Het sneeuwt al, het is koud, en toch trekt Moskou me niet. Van het gevoel van verveling heb ik nog geen last.
Mijn buurman, Vorst Sjachovski, een jonge man, die vaak bij me is en erg veel praat, verwacht u, om u brieven van de Dekabristen te laten zien die hij heeft geërfd. Hij zegt dat het er erg veel zijn.
De intellectuelen hier zijn aardig en interessant. Bovenal: fatsoenlijk. Onsympathiek is alleen de politie.
We hebben zeven paarden. Een kalf met een brede snuit, een Allgauer. De honden Mure en Marielouise. Ik wacht vol ongeduld op een brief van u. Schrijft u alstublieft. Ik heb Monte Christo ingekort. Wat moet ik ermee?

81 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), met de actrice Lydia Borisovna Javorskaja (1872-1921). Melichovo, 1893. Bron: Urban 1987 nr. 361

Tsjechov met Lydia Javorskaja, Melichovo 1893

82 Het valt niet gemakkelijk Tsjechovs verhouding tot vrouwen te beoordelen. Welbeschouwd doet het er trouwens ook weer niet zoveel toe. Ik heb de indruk dat het belang ervan in veel biografisch werk wordt overschat. Anderzijds: wie de biografie van een schrijver wil geven, ontkomt er niet aan. Inmiddels lijkt ook wel vast te staan dat Tsjechov heel wat meer verhoudingen met vrouwen heeft gehad, dan altijd werd gedacht. Het is vooral Rayfield die dat heeft vastgesteld. Simmons beperkt zich nog tot de usual suspects. Hoe dan ook, nadat Tsjechov Lydia Avilova in januari 1892 weer is tegengekomen, schrijft hij haar in de loop van het jaar vier brieven, alle vier als een reactie op een brief van haar. De eerste dateert van 21 februari 1892. Op éen na zijn ze allemaal gevuld met kritiek op haar literaire werk. In 1893 schrijft hij haar éen brief, in reactie op twee brieven van haar. Wel zinspeelt ze in éen ervan op een derde ontmoeting met Tsjechov, al geeft ze geen datum. Simmons merkt op dat er van die ontmoeting in de rijke documentatie met betrekking tot Tsjechovs leven niets is terug te vinden. Al met al lijkt er veel hartstocht in dezen bij Tsjechov niet te bespeuren.

Zijn verhouding tot Lika Mizinova is duidelijk van een ander soort. Tsjechov voelt zich blijkbaar oprecht tot haar aangetrokken en Lika van haar kant is duidelijk op Tsjechov verliefd. In een brief zal ze tussen neus en lippen door schrijven dat hij haar twee keer heeft afgewezen. In de eerste twee jaar verschijnt ze vaak op Melichovo, waarbij ze steeds ingaat op uitnodigingen van zijn kant. Ook als hij in Moskou is, bezoekt hij haar en zelfs lijken er een tijd lang plannen te bestaan samen naar de Krim te gaan, al zal het zover niet komen. De brieven die hij haar stuurt, zijn soms bijzonder geestig, maar ze verraden vaak een mengeling van ernst en ironie, die door Simmons wel eens neerbuigend wordt genoemd. Hij heeft de gewoonte de rivalen die hij zogenaamd bij haar had aan te moedigen, en daarna jaloezie voor te wenden. Hij heeft zelfs een rivaal bedacht, die hij Trofim noemt. Ik vermoed dat die naam in het Russisch een wat boerse associatie oproept, wat - als het waar is - me evenmin vleiend lijkt. Bijgaand briefje mag dienen als illustratie van de toon die hij dan tegen haar aanslaat. Het staat als nummer 413 in Urban 1979-3 en als nummer 271 in Eekman 1979.

AAN L. S. MIZINOVA

[eind november 1892]
Trofim!
Als jij hondenzoon niet ophoudt achter Lika aan te lopen, dan steek ik, jij boer, een kurk in de plek die rijmt op Hellespont. Jij oude smeerlap! weet je niet dat L. van mij is en dat we al twee kinderen hebben? Varkenskop! Rotzak! Ga naar de binnenplaats en was je in een modderpoel, want je bent niet goed snik geworden, hondenzoon! Voorzie in de behoeftes van je moeder en houd haar in ere, maar laat de meisjes met rust. Varken!

Uit een toneelstuk:
1. DAME: Is dat uw zoon?
2. DAME: Nee, in tegendeel, dat is de zoon van Aglaja Ivanovna.
1. DAME: Bent u nog niet getrouwd?
2. DAME: Nee, in tegendeel, ik ben getrouwd.
1. DAME: Wilt u niet wat eten?
2. DAME: Nee, in tegendeel.
DOEK

Als Tsjechov begin 1894 via zijn broer Ivan aan Lavrov, hoofdredacteur van Roesskaja Mysl, laat weten dat hij binnenkort in Moskou is, organiseert die zonder het hem te zeggen een feestdiner ter gelegenheid van Grigorovitsj' inmiddels vijftigjarige auteurschap. Als Tsjechov op de hoogte raakt, zo vermeldt in zijn herinneringen Potapenko, een met Tsjechov (min of meer) bevriend auteur, doorspekt die een dag lang zijn conversaties met de teksten die hij daar verwacht te horen, van hoe Grigorovitsj hem heeft ontdekt, van het hier aanwezige vereerde literaire gezelschap, om vlak voordat het diner plaatsvindt te vertrekken naar Melichovo. En inderdaad is bekend dat Tsjechov er enorm het land aan had bij allerlei min of meer plechtige gelegenheden te worden toegesproken. Het diner gaat gewoon door en Potapenko liegt dat Tsjechov plotseling ziek is geworden. Verder blijken al de teksten die Tsjechov had bedacht, ook inderdaad te zijn uitgeproken. Op Melichovo heeft hij het druk. Er is weer veel bezoek, hij werkt aan een bibliotheek voor het ziekenhuis van Serpoechov, woont vergaderingen bij, doet mee bij de organisatie van een liefdadigheidsgenootschap, en dat alles terwijl het met zijn gezondheid echt niet goed gaat. Op 23 maart 1894 vertrekt hij weer eens onverhoeds, nu naar Jalta. Daar geeft hij tijdelijk de sigaren en de alcohol op. Plaatselijke notabelen proberen hem te fêteren, maar meestal weet hij zich daaraan te onttrekken. Rond deze tijd hoort Tsjechov ook dat Mizinova en Potapenko, die getrouwd is, samen in Parijs verblijven. Uit Berlijn krijgt hij een brief van haar die erg gedeprimeerd van toon is, en waarin ze meedeelt dat ze zo gauw mogelijk dood wil. Ik vermoed dat die somberheid is ingegeven door de wetenschap dat ze zwanger is, maar dat zegt Simmons niet. Tsjechov reageert op 27 maart met een nogal luchthartig epistel: Lieve Lika, dank voor je brief. Al probeer je me daarin ermee angst aan te jagen dat je gauw zult sterven en al plaag je me dat ik je verstoten heb, toch dank ik je. Ik weet best dat je niet zult sterven en dat niemand je verstoten heeft. Waarna Tsjechov verder gaat met een humoristische beschrijving van wat hij in Jalta heeft meegemaakt. Hij besluit met de nogal pijnlijke opmerking dat ze, omdat ze nu en dan Potapenko tegenkomt, samen met hem terug kan reizen omdat het haar geld scheelt. Laat hem je kaartje kopen en vergeet hem terug te betalen (je zult de eerste niet zijn). Maar als je de reis niet maakt, ga ik naar Parijs. Het gebeurt niet vaak dat ik het met Simmons oneens ben, maar hier is dat zo. Met name die voorlaatste toevoeging (je zult de eerste niet zijn) lijkt me een hatelijkheid, al ontneemt hij er enigszins de kracht aan door de slotopmerking. Maar als hij niet lang daarna, in oktober 1894, in Frankrijk is en Mizinova nog steeds in Zwitserland verblijft, zal hij, ondanks haar smeekbede, niet bij haar langs gaan.

Ik ken maar weinig foto's van Mizinova en de weinige die er zijn, flatteren haar (al weer) niet echt. Het is trouwens ook opvallend hoe vaak mensen, als ze met Tsjechov op de foto staan, naar hem kijken, terwijl Tsjechov de indruk wekt alsof er zich naast hem niemand bevindt. Zie ook hier voor Mizinova.

82 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) met Lydia Stachjevna Mizinova (1870-1937). Melichovo, 1897. Foto: de schilder P.I. Seregin, die Tsjechov op 21 mei 1897 bezocht. Er bestaat ook een op hetzelfde moment genomen foto met alleen Tsjechov op deze bank. Bron: Urban 1987 nr. 426; Bron foto: Schaubühne 1984

Tsjechov en Lika Mizinova, Melichovo 1897

83 Eerder al schreef ik hoe Tsjechov, vlak voordat hij naar Sachalin ging, onder de indruk was van Tolstojs Kreutzersonate dat toen net de ronde deed, maar ook hoe hij al in september 1891 de staf over hem brak nadat hij Tolstojs voorwoord bij het verhaal had gelezen, toen dat verscheen in deel 13 van de Verzamelde Werken. In deze brief aan Soevorin, geschreven in Jalta, op dezelfde dag als die waaruit ik hiervoor citeerde, aan Lika Mizinova, legt hij uit waarom Tolstoj niet langer vat op hem heeft. Sommige passages eruit worden vaak geciteerd in verband met de verhouding tussen Tolstoj en Tsjechov: Enig nadenken en wat rechtvaardigheidsgevoel zeggen mij dat er in electriciteit en stoom meer liefde voor de mens steekt dan in kuisheid en de onthouding van vlees. Antonina Ivanovna Abarinova (1842-1901) is een operazangeres en toneelspeelster, die zou optreden in Tsjechovs Ivanov en De meeuw. De Duitse arts en Zionist Max Nordau schreef boeken als: Op zoek naar de waarheid, De beweging van de menselijke ziel, en De ziekte van onze eeuw. Zijn bekendste boek is misschien Degeneratie van 1892. Mamaj was een Tataarse legeraanvoerder van de Gouden Horde in de 14e eeuw. De Conventie waar Tsjechov over spreekt is de Berner Conventie van 1886, waarbij afspraken waren gemaakt over het auteursrecht. Rusland had niet ondertekend. Dat betekende dat in Rusland buitenlandse auteurs zonder vergoeding konden worden vertaald, maar dat het omgekeerde ook gold. Tsjechov was daar uiteraard tegen en hij is dus voor ondertekening van de Conventie. Tsjechov zal veel later, tijdens de Dreyfusaffaire, schrijven dat Soevorin, terwijl hij in de krantenpagina's Zola belastert, in de bijlages zonder vergoeding éen van zijn romans als feuilleton gebruikt. Pas in 1995 trad Rusland toe, als Russische Federatie dus. De Duitser uit Stuttgart is de uitgever Carl Malcomes, die Tsjechov 50 mark stuurt voor de vertaling van Mijn vrouw. Ik neem aan dat Tsjechovs verbazing wordt gewekt door het feit dat iemand uit zichzelf geld opstuurde voor een vertaling, terwijl hij daartoe niet verplicht was. De brief staat in Eekman 1979 met een coupure aan het eind, als nummer 298, en volledig in Urban 1979-3, als nummer 454. Dit is de volledige brief.

AAN A. S. SOEVORIN

27 Maart 1894, Jalta,
Hoe gaat het met u? Ik zit nu al een maand in Jalta, het stomvervelende Jalta, in hotel Rossija, kamer 39, en op no. 38 woont uw lievelingsactrice Abarinova. Lenteweer, warm en zonnig, de zee is de zee, maar de mensen zijn in hoge mate bot, saai, suf en kleurloos. Ik heb een domheid begaan de hele maand maart aan de Krim te besteden. Ik had naar Kiev moeten gaan en me daar moeten wijden aan het observeren van de heiligdommen en de kleinrussische lente.
Mijn hoest is nog niet over, maar 5 april begeef ik me toch weer naar het noorden, naar de penaten. Langer hier blijven kan ik niet. En ik heb er ook geen geld voor. Ik heb maar 350 roebel meegenomen. Met aftrek van de reiskosten heen en terug blijft er maar 250 roebel over, en daar kun je geen rare sprongen mee maken. Als ik duizend of anderhalf duizend roebel had zou ik naar Parijs gaan, en dat zou om vele redenen mooi geweest zijn.
Over het algemeen ben ik gezond, alleen op enkele onderdelen ziek. Bijvoorbeeld de hoest, de hartkloppingen, de aambeien. Ik had 6 dagen hartkloppingen, onafgebroken, en ik voelde mij al die tijd ellendig. Nadat ik geheel met roken opgehouden ben, heb ik van een sombere en onrustige stemming geen last meer. Misschien heeft de Tolstojaanse moraal omdat ik niet meer rook opgehouden mij te boeien; in het diepst van mijn hart sta ik er onwelwillend tegenover, en dat is natuurlijk onbillijk. In mij stroomt boerenbloed, en mij laat je niet verbaasd staan met boerendeugden. Ik heb van kind af aan in de vooruitgang geloofd en moest daar wel in geloven, want het verschil tussen de tijd dat ik slaag kreeg en de tijd dat men mij niet meer sloeg, was enorm. Ik hield van intelligente mensen, van fijngevoeligheid, beleefdheid, scherpzinnigheid, en wanneer mensen aan hun likdoorns peuterden of wanneer hun voetwindsels een benauwende lucht verspreidden, stond ik daar even onverschillig tegenover als wanneer juffrouwen 's ochtends in papillotjes rondlopen. Maar Tolstojs filosofie heeft mij sterk geraakt, heeft mij een jaar of 6-7 beheerst, en niet de hoofdstellingen hadden vat op mij, die ik ook vroeger al kende, maar Tolstojs manier van zich uitdrukken, zijn bedachtzaamheid en waarschijnlijk een soort hypnotisme. Tegenwoordig echter protesteert er iets in mij; enig nadenken en rechtvaardigheidsgevoel zeggen mij dat er in electriciteit en stoom meer liefde voor de mens steekt dan in kuisheid en de onthouding van vlees. De oorlog is een kwaad en de rechtspraak is een kwaad, goed, maar daaruit volgt nog niet dat ik op bastschoenen moet lopen en dat ik samen met een werkman en zijn vrouw op de kachel moet slapen enz. enz. Maar daar gaat het niet om, niet om het pro of contra, maar om het feit dat, hoe dan ook, Tolstoj voor mij al is weggezonken, niet meer in mijn ziel is en dat hij van mij is uitgegegaan, zeggende: Zie, ik verlaat uw lege huis. Ik ben vrij van inkwartiering. Alle ontboezemingen zijn mij gaan tegenstaan, en dergelijke leuteraars als Max Nordau lees ik eenvoudig met walging. Zieken die koorts hebben willen niet eten, maar iets willen ze toch, en die onbestemde wens drukken ze dan uit met de woorden: “Ik wil iets zuurs”. Zo heb ook ik behoefte aan iets zuurs. En dat is geen toeval, want precies dezelfde stemming bespeur ik alom. Het lijkt of allen verliefd waren, maar nu van hun liefde zijn bekomen en nieuwe passies zoeken. Het is heel goed mogelijk en het lijkt er veel op dat de Russen weer een passie voor de natuurwetenschappen zullen doormaken en dat de materialistische stroming weer in de mode zal komen. De natuurwetenschappen doen tegenwoordig wonderen, en ze kunnen zich gelijk Mamaj op het publiek storten en het veroveren door hun massaliteit en grootsheid. Overigens, dit alles is in Gods hand. Begin je te filosoferen, dan duizelt het je.
Een Duitser uit Stuttgart heeft me 50 mark voor de vertaling van éen van mijn verhalen gestuurd. Wat vindt u daarvan? Ik ben voor de conventie, maar het een of ander varken heeft in de krant geschreven dat ik me tijdens een gesprek tegen de conventie heb geuit. Daar worden me dingen toegschreven, die ik niet eens zou kunnen zeggen.
Schrijft u me naar Lopasnja. Als u zin hebt me een telegram te sturen, dan bereikt het me nog in Jalta, omdat ik tot de 15e blijf.
Blijft u gezond en houd u rustig. Hoe is het met uw hoofd? Hebt u vaker hoofdpijn dan voorheen? Bij mij zijn ze heftiger – omdat ik niet meer rook.
Aan Anna Ivanovna en de kinderen hartelijke groeten,
Uw A. Tsjechov

83 Ilja Jefimovitsj Repin (1844-1930), Tolstoj aan het werk, 30 januari 1891. Grafietstift op papier, 32.8 x 24 cm. Midden onder (bijgesneden) gesigneerd. Rechts de datum. Moskou, Tolstojmuseum. Bron foto: Urban 1987 nr. 393

Repin, Tolstoj aan het werk, 1891

84 Eenmaal terug op Melichovo, voorjaar 1894, heeft hij het al snel weer even druk als altijd. Hij wordt voor drie jaar gekozen tot lid van de Zemstwo (een soort districtsraad), wordt lid van het uitvoerend comité van het liefdadigheidsgenootschap en gaat met een stel andere artsen op inspectiebezoek bij een instelling voor geestelijk gehandicapten. Terwijl het met zijn gezondheid beter lijkt te gaan, krijgt hij op een keer zo'n ernstige aanval dat hij bang is te overlijden. Uit tal van bronnen weten we dat Tsjechov altijd een flesje of iets anders bij zich had, waar hij in kon spugen, het bloed bijvoorbeeld dat hij soms opgaf. En we weten ook hoe allerlei mensen die bij hem thuis op bezoek waren, 's nachts bezorgd naar zijn hoestbuien luisterden. Als hij in een trein een keer iemand tegenkomt met soortgelijke symptomen als de zijne, een grondbezitter uit de omgeving, adviseert hij hem dringend naar het zuiden te verhuizen. En we weten ook dat zijn broer Aleksandr een keer terug vlucht naar Moskou, omdat hij niet kan aanzien hoe slecht Tsjechov er aan toe is. Als het weer wat beter gaat, probeert hij Soevorin mee te krijgen op een reis, waarheen dan ook. Als dat niet lukt, gaat hij samen met Potapenko op pad, die net terug is uit Frankrijk en als het graf zwijgt over Lika Mizinova. De bedoeling is een reis over de Wolga. Als ze onderweg op de boot P.A. Sergejenko tegenkomen, oude schoolvriend van Tsjechov uit Taganrog, hartstochtelijk Tolstojaan (die later Tolstojs brieven zou uitgeven) en een enorme kletsmajoor, die zich bij hen aansluit, keert Tsjechov terug naar Moskou. Potapenko schrijft in zijn herinneringen dat Tsjechov niet tegen zulke mensen was opgewassen en te beleefd was om hardop te zeggen dat hun gezelschap hem verveelde. Dat lijkt te worden bevestigd door wat Tsjechov later in een brief aan Soevorin over Sergejenko zal schrijven. Bevreemdend is het wel, dat het uitgerekend Sergejenko is aan wie hij in een later stadium de onderhandelingen met Marks over de verkoop van zijn complete werk zal overlaten. Overigens gold die status van iemand aan wie geen ontsnappen mogelijk was misschien ook wel voor Potapenko zelf, over wie Tsjechov zich in brieven soms zeer laatdunkend uitliet: de God der verveling. Dat neemt niet weg dat hij meestal goed met hem overweg kan en zijn gezelschap bij nader inzien toch op prijs ging stellen. In Moskou aangekomen, hoort hij dat zijn oom Mitrofan in Taganrog ernstig ziek is. Tsjechov gaat er op 24 augustus heen, maar stelt vast dat hij er weinig kan uitrichten. Wel wordt zijn komst er in de krant aangekondigd, zij het pas op 31 augustus. Dat is de beste manier om hem weg te jagen en hij neemt kort daarop de vlucht naar Feodosija, waar de Soevorins verblijven. Daar is het is koud en winderig en Tsjechov reist door naar Jalta, waar hij te horen krijgt dat zijn oom is overleden. Hij gaat vervolgens naar Odessa, wat toch een beetje de zuidelijke poort van Rusland tot Europa is. Na een flinke financiële meevaller heeft hij in het voorbijgaan blijkbaar met Soevorin afgesproken op reis te gaan. In Melichovo weet niemand ervan. Kort tevoren had hij nog laten weten dat hij zou terugkeren. Het is niet ondenkbaar dat het vooral de bedoeling is, Lika op te zoeken.

84 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) in Jalta, vermoedelijk begin september 1894. Met muts en wandelstok. Foto: L.V. Sredin. Bron: Urban 1987 nr. 379

Tsjechov in Jalta, 1894

85 Op 18 september 1894 arriveren Soevorin en Tsjechov via Lvov in Wenen. Daarvandaan schrijft hij onmiddellijk aan Lika, blijkbaar poste restante. Van Potapenko weet hij dat ze in Zwitserland is en hij vraagt naar het adres waar ze verblijft, zodat hij haar kan opzoeken. Als zijn eigen adres geeft hij Abazia, eveneens poste restante. Abazia is het huidige Opatija, in Kroatië. Want dat is de volgende etappe op de reis. Tsjechov zal Abazia nog ernstig misbruiken in zijn Ariadna, verhaal waarin hij het afschildert als een gruwelijk van god verlaten gat. Via Triest, Venetië, Milaan en Genua reizen de twee naar Nice. Uit Nice schrijft hij aan Golcev: Ach, wat hebben ze hier een bier! Ik drink elke dag een fles. Wat een bier! Pas in Milaan laat hij zijn zus Masja weten dat hij in het buitenland zit. Op 2 oktober komt hij aan in Nice. Daar treft hij een stel brieven aan van Lika, nagestuurd uit Abazia. Ze schrijft hem wat er is gebeurd, dat ze verliefd is geworden op Potapenko en dat die haar in de steek heeft gelaten: Wat kon ik anders, vadertje. Jij slaagde er altijd in aan me te ontkomen en schoof me af op een ander. Ze blijkt in verwachting te zijn. Tsjechov schrijft op 2 oktober uit Nice aan Masja: Ik had gedacht in Parijs Lika te treffen, maar het blijkt dat ze in Zwitserland is en zover reikt mijn arm niet. En ik heb langzamerhand genoeg van het gereis. Ik was in Milaan, in Genua. Potapenko is een jood en een zwijn. Ik ben gauw weer thuis. In Simmons vertaling van de passage uit deze brief staan op de plaats van het woord jood nog puntjes. Eekman neemt de brief niet op, wat me zeer bevreemdt. Het is Urban (brief nummer 466) die jood geeft. Het is opvallend, want Tsjechov is bepaald geen antisemiet. Het bewijst denk ik dat Tsjechov echt boos was. Potapenko was immers getrouwd, had Lika stiekem opgezocht, was een verhouding met haar begonnen en had haar naar nu bleek zwanger achtergelaten. Tsjechov laat Lika weten dat hij, nu hij eenmaal in Nice is, niet meer terugkan naar Zwitserland. Hij wil Soevorin niet meeslepen, zegt hij. Maar hij zal, zonder het te zeggen, ongetwijfeld ook last hebben gehad van zijn geweten. Want hijzelf had waarschijnlijk ook een verhouding met haar gehad. Lika blijft alleen in Zwitserland en bevalt daar van haar kind. Simmons citeert Masja, die Tsjechov citeert in haar memoires: Er huist in jou, Lika, een enorme krokodil en eigenlijk doe ik wat wijs is, als ik gehoorzaam aan het gezond verstand en niet aan het hart waar jij je tanden in hebt gezet. Na een paar dagen in Parijs is Tsjechov - via Berlijn - op 14 oktober 1894 weer terug in Moskou. Twee weken eerder is net tsaar Nicolaas II aangetreden. In sommige brieven laat Tsjechov zich ironisch uit over het enthousiasme waarmee die door sommige intellectuelen wordt begroet. Nicolaas II zal de laatste tsaar zijn, maar dat zullen maar weinigen vermoed hebben.

85 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Dimitri Narkizovitsj Mamin-Sibirjak (1852-1912) en Ignatiji Nikolajevitsj Potapenko (1856-1928). Ik ben vandaag de hele dag bij Potapenko. Hij is vol levensvreugde. Zijn echtgenote net zo. Vandaag laten hij, Mamin en ik zich op de foto zetten. Petersburg, Tsjechov op 9 januari 1896 in een brief aan Masja Tsjechova. Rechts dus de man die Tsjechovs Lika zwanger maakte en in de steek liet. Simmons vermeldt in zijn biografie dat de enigszins wonderlijke Mamin-Sibirjak met opzet de pose van Napoleon aannam. Tsarskoje Selo, januari 1896. Foto: K. Sjapiro. Bron: Urban 1987 nr. 389

Tsjechov, Mamin-Sibirjak en Potapenko, 1896

86 Op een kort bezoek aan Moskou na blijft Tsjechov de rest van 1894 op Melichovo. Hij herneemt zijn medische praktijk, wordt benoemd als opzichter van de dorpsschool van Talesj en neemt zitting in de jury van Serpoechov, waar hij onder de indruk is van de manier waarop gewone Russen, samen met de adel, het recht hadden belangrijke beslissingen te nemen. Het enige lange verhaal dat hij in deze tijd schrijft, Drie jaren, lijkt Tsjechovs laatste poging een roman te produceren. Aan te nemen valt dat hij sommige delen ervan al had liggen. Het zal begin 1895 verschijnen in Roesskaja Mysl. Zijn literaire oogst van 1894 is al met al niet bijzonder groot. In de eerste helft van 1895 volgt nog zijn verhaal Ariadna. Over de gelijknamige hoofdpersoon ervan wordt soms beweerd dat Javorskaja er model voor stond. Dat het om Koendasova ging, ontkent hij in elk geval - op stellige toon - in een brief aan Soevorin van 21 januari 1891.
Een half jaar eerder, terwijl Masja met kerst 1894 bij de Lintvarevs verblijft, in Babkino, zit Melichovo vol gasten. Tsjechov krijgt een brief van Lika, die klaagt dat ze zich vergeten voelt en er heel wat voor zou geven in Melichovo te zijn. Kort nadat ze met haar kind terugkeert in Rusland sterft het. Tsjechov is, zo schrijft Simmons, nog gewoon bevriend met Potapenko. Dat blijkt ook wel uit wat hij een half jaar later schrijft in een brief aan Soevorin. Niks geen jood meer. Tsjechov is inmiddels wel op de hoogte van alle treurige details van de verhouding tussen de twee en hij zal ze niet vergeten. In januari staat Tatjana Sjtsjepkina-Koepernik voor de deur, met achter haar een wat verlegen Levitan, die zich blijkbaar over zijn ergernis heeft heengezet. Tsjechov heeft Sjtsjepkina-Koepernik ertoe overgehaald Levitan mee te nemen. Vanaf dat moment zullen de schilder en de schrijver elkaar weer met regelmaat zien. Levitan is soms zeer gedeprimeerd. Wanneer hij weer eens een nieuw avontuur heeft met een vrouw, A.N. Turkaninova, schrijft die Tsjechov in juli van hetzelfde jaar, met de vraag of hij wil komen, want Levitan heeft een zelfmoordpoging gedaan. Tsjechov gaat op reis naar de provincie Novgorod en ontdekt dat Levitan in problemen is geraakt omdat zowel moeder als dochter achter hem aanzitten. De kogelwond blijkt weinig voor te stellen. Door velen wordt aangenomen dat het landgoed het decor is van Tsjechovs Meeuw dat hij kort daarop schrijft, zoals er ook andere elementen uit Tsjechovs persoonlijke ervaringen, zowel met Lika als met Levitan, in het stuk zullen belanden. In de zomer van 1895 wordt er in Moskou alom beweerd dat Tsjechov en Javorskaja bezig zijn een verhouding te krijgen. Hij ontkent. Wel beveelt hij haar als actrice aan bij Soevorin, die net in Petersburg een theater heeft overgenomen. Als in december 1895 Ariadna, hoewel het in oorsprong was bedoeld voor een ander tijdschrift, in Roesskaja Mysl verschijnt, wordt ook beweerd dat het een soort satire is op Javorskaja, omdat ze Tsjechov een blauwtje heeft laten lopen. Het is ook nooit goed. Gezegd moet worden dat het verhaal ook echt lijkt op een afrekening. Een maand eerder is in hetzelfde tijdschrijft Tsjechovs Moord verschenen. Beide staan nu in VW 5.

86 Isaak Iljitsj Levitan (1860-1900), Melichovo, ca. 1895. Tsjechov keek wie ik bij me had, stond even stil, en plotseling stormden ze naar elkaar toe, grepen elkaars handen en ... begonnen te praten over de gewoonste dingen alsof er niets gebeurd was. Uit de memoires van Tatjana Lovna Sjtsjepkina-Koepernik (1874-1952) over de eerste ontmoeting van de twee in 1895 na hun ruzie over Ariadna. Ik was bij Levitan in zijn atelier. Hij is de beste Russische landschapsschilder, maar stelt u zich voor, hij heeft geen jeugd meer. Hij schildert niet meer jong, maar met bravoure. Ik geloof dat de vrouwen hem hebben opgebruikt. Die fijne schepsels schenken liefde en nemen maar weinig: alleen de jeugd. Tsjechov op 19 januari 1895 aan Soevorin. Levitan schilderde in 1895 op Melichovo een landschap, nu in het Israëlisch Museum in Jeruzalem, Landschap rond Melichovo. Bron: Eekman 2010, Urban 1987 nr. 386

Isaak Iljitsj Levitan (1860-1900), ca. 1895.

87 In een terzijde in een brief aan Soevorin op 16 maart 1895 beschrijft Tsjechov een grappig voorval uit Melichovo. Daar heeft hij bezoek gekregen van oa. Lejkin, schrijver en hoofdredacteur van Oskolki. Mijn moeder zei, toen ze bij de slager vlees bestelde, dat ze goed vlees moest hebben, want ze had Lejkin uit Petersburg te gast. Welke Lejkin, verbaasde de slager zich. Die boeken schrijft? En hij stuurde voortreffelijk vlees. De slager weet dus niet dat ik ook boeken schrijf, want mij stuurt hij altijd rotzooi.

Over een huwelijk laat Tsjechov zich keer op keer sceptisch uit. De volgende brief, wederom aan Soevorin, is daarvan een bekend voorbeeld. Urban 1979-3 geeft hem compleet als nummer 495, Eekman 1955 met twee coupures als 324. Ik geef de complete brief. Over Potapenko heeft Tsjechov hier niets vervelends te zeggen. Istoritsjeski Vestnik is een historisch tijdschrift: de historische bode. Met Fokino, dat Tsjechov in Latijnse letters schreef, zal wel iets als centrum bedoeld zijn. Wilhelm is de Duitse keizer die de Duise ambassadeur in Petersburg, W(erder) had teruggeroepen.

AAN A. S. SOEVORIN

23 Maart 1895, Melichovo
Ik zei u toch dat Potapenko een erg levendig mens is, maar U wilde het niet geloven. In het binnenste van alle Kleinrussen zitten talloze schatten verborgen. Ik geloof dat, wanneer onze generatie oud wordt, Potapenko van ons allemaal de vrolijkste en meest levensblije grijsaard zal zijn.
Goed dan, ik zal trouwen, als U dat wilt. Maar op mijn voorwaarden: alles moet blijven zoals het daarvóór was, d.w.z. zij moet in Moskou wonen, ik op het platteland, en ik zal haar dan bezoeken. Geluk dat dag in dag uit aanhoudt, van de ene ochtend tot de andere, zou ik niet uithouden. Als men elke dag over één en hetzelfde onderwerp met mij spreekt, steeds op dezelfde toon, word ik wild. Ik word bijvoorbeeld wild in gezelschap van Sergejenko, omdat die erg op een vrouw lijkt (een ‘intelligente en fijngevoelige’) en omdat in zijn aanwezigheid de gedachte bij mij opkomt dat mijn vrouw op hem zou kunnen lijken. Ik beloof een geweldige man te zullen zijn, maar geef me een vrouw die niet, als de maan, elke dag weer aan mijn hemel verschijnt; maar wanneer ik trouw, ga ik daar niet beter van schrijven.
U gaat naar Italië. Heel mooi, maar als u Michail Aleksejevitsj uit medische overwegingen meeneemt, zal het hem niet veel beter vergaan als hij 25 keer per dag trappen of en af moet, naar de Fokino loopt enz. Hij zou er beter aan doen in alle rust ergens aan zee te gaan zitten, baden; als dat niet lukt, moet hij het met hypnose proberen. Groet Italië namens mij. Ik houd vurig van dat land, ook al hebt U tegenover Grigorowitsj beweerd dat ik op het San Marcoplein ging liggen en zei: Het zou nu fijn zijn bij ons in het Moskouse gouvernement in het gras te liggen! Lombardije heeft me zeer getroffen, zodat ik me geloof ik elke boom nog herinner en Venetië zie ik vóór me als ik mijn ogen dicht doe.
Mamin-Sibirjak is een sympathieke vent en een goede schrijver. Zijn laatste roman in de Roesskaja Mysl wordt zeer geprezen; Leskov was heel enthousiast over hem. Hij heeft echt heel mooie dingen en in zijn beste verhalen komt de gewone man er niet slechter af dan in Heer en Knecht. Ik ben blij dat u hem tenminste een beetje hebt leren kennen.
Ik woon nu al vier jaar in Melichovo. Mijn kalveren zijn in koeien veranderd, het bos is een paar meter hoger geworden. Mijn erfgenamen zullen een succesvolle houthandel drijven en mij een ezel noemen, want erfgenamen zijn nooit tevreden, Gaat u niet te gauw naar het buitenland; daar is het nu koud. Wacht tot mei. Ik ga dan misschien ook; dan ontmoeten we elkaar ergens. Schrijft u me vaker. Is er geen nieuws van het gebied der onzinnige en edele dromerij? Waarom heeft Wilhelm Generaal W. ontslagen? We gaan toch zeker geen oorlog met Duitsland voeren? Ach, dan zou ik me in de strijd moeten begeven, amputaties verrichten en daarna notities voor Istoritsjeski Vestnik schrijven. Geheel uw A. Tsjechov.
Kan ik van Soebinski geen voorschot krijgen voor die aantekeningen?

87 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Petersburg, 1896. Bron: Urban 1987

Anton Tsjechov, Petersburg, 1996

88 Lydia Avilova had Tsjechov voor het eerst geschreven in april 1892 en Tsjechov had toen ook gereageerd. Hij is dan net bezig met zijn Duel. Avilova's brief is die van een bewonderaarster. Hij had haar al begin 1889 in Petersburg leren kennen, na de première daar van zijn Ivanov. Kort voordat hij de door mij hiervoor gegeven brief aan Soevorin schreef, in februari 1895, ontmoette hij, toen hij in Petersburg was, naar haar eigen zeggen Avilova opnieuw, eerst tijdens een diner bij Lejkin en op 13 februari bij haar thuis. Avilova beschrijft in haar boek wat er daar gebeurde, namelijk dat Tsjechov haar zijn liefde verklaarde, maar ook meedeelde dat er, omdat ze met niet minder genoegen nam dan zijn hele leven, niets van kon komen. Simmons acht haar versie van de gebeurtenissen onwaarschijnlijk. Ik weet het niet, maar zal het u verder besparen. Ik vermoed een eenvoudige versierpoging, éen van de vele misschien. Een man moet wat. Als Lejkin kort daarna op bezoek komt in Melichovo, valt het hem op dat het inmiddels piekfijn is ingericht, met een mate van comfort die je, zo schrijft hij, zelfs in Moskou meestal niet aantreft. Ook aan de familie wordt gedacht. Tsjechov bezorgt zijn broer Michail via Soevorin een baan als hoofd van een afdeling in het stadsbestuur van Jaroslavl, terwijl hij ook succes boekt als schrijver van verhalen voor kinderen. Masja schildert en volgt een medische cursus om Tsjechov beter terzijde te kunnen staan. Bij Novoje Vremja krijgt Aleksandr oprechte erkenning voor zijn werk. Hij kan zich 's zomers een datsja veroorloven en opent zelfs een spaarrekening. Tsjechov klaagt dat hijzelf altijd bezig is het geld dat hij heeft te verspillen aan zinloze zaken. Zo bouwt hij op Melichovo opeens een badhuis, laat in het dorp iets bouwen voor de brandweer, met een klok, en maakt plannen voor een nieuwe school in Talesj. Het komt me voor dat een goed deel daarvan bepaald geen verspilling op zijn Russisch is. Mensen die hem een tijdlang niet hebben gezien, valt het op hoe mager is geworden en dat hij voortdurend hoest, iets waar hij zich zeer aan ergert. Afgezien van een paar korte bezoeken aan Moskou en Petersburg is hij heel 1895 op Melichovo.

In augustus 1895 komt de Tolstojaan Gorboenov-Posadov die op weg is naar Jasnaja Poljana bij Tsjechov op bezoek. Tolstoj heeft al een aantal keren geprobeerd om Tsjechov te ontmoeten. Nu besluit Tsjechov met zijn gast mee te gaan. Op 8 en 9 augustus verblijft hij bij Tolstoj. Hij is onder de indruk van de oude man. Het valt hem bovendien op hoe gemakkelijk de omgang met hem is. De twee maken samen een wandeling, maar Tolstoj wijkt verder niet af van zijn gewoontes. Niet voor niets schrijft Rayfield dat Tsjechov eigenlijk bij Tolstoj op audiëntie gaat. 's Avonds is het Vladimir Tsjertkov (1854-1936), Tolstojs secretaris, die voorleest uit Opstanding. Tsjechov is er positief over, zegt dat de scenes voor de rechter in het eerste deel goed zijn gedaan - waar hij groot gelijk in heeft - maar uit kritiek op het eigenlijk per vergissing gevelde oordeel over Maslova (twee jaar dwangarbeid), omdat hij uit eigen ervaring weet dat twee jaar voor een dergelijke veroordeling onmogelijk is. Tolstoj zal de fout verbeteren en er 4 van maken. Ook van Tolstojs dochters is Tsjechov onder de indruk, vanwege de manier waarop ze hun vader steunen. Eén van die dochters, Tanya, zal nog veel meer onder de indruk van Tsjechov blijken. Maar dat vond haar moeder geen goed idee. In een brief aan zijn zoon Leo schrijft Tolstoj: Ik mag hem... hij is zeer getalenteerd en hij moet een goed mens zijn, maar tot nu toe lijkt hij me geen vast standpunt te hebben. De twee zullen elkaar vaker gaan zien.

Op 15 oktober 1895 stuurt hij zijn, zoals Stoffel vertaalt, De Anna-orde op aan Roeskije Vedomosti (Russisch nieuws). Bij Timmer heette dat verhaal nog, iets getrouwer naar ik vermoed, Anna om de hals. De eerste twee weken van december 1895 neemt Tsjechov zijn intrek in Hotel Groot Moskou, waar hij schrijft aan zijn Huis met de mezzanine en doet dat juist op het moment dat de dichter Balmont en de schrijver Ivan Boenin er ook verblijven. Boenin beschrijft veel later wat er is gebeurd. Ik vermoed desondanks, op grond van wat Simmons schrijft, dat de twee elkaar toch ontmoet hebben. Bovendien hadden ze al gecorrespondeerd, want Ivan Aleksejevitsj Boenin (1870-1953) had al in 1891 al aan Tsjechov gevraagd een paar verhalen van hem te bekijken en dat had Tsjechov gedaan. En die zal zich dat wel herinnerd hebben. Maar de twee zullen elkaar later, aan de Krim, pas goed leren kennen. Ook met Balmont zou hij nog in contact komen en hij zou diens vertalingen van Edgar Allen Poe lezen. Laat me eens een keer iemand anders citeren, Boenin zelf namelijk, in zijn Herinneringen aan Tsjechov. Ik hoop maar dat de twee dames het me vergeven, maar de vertaling is van Margriet Berg en Marja Wiebes (Berg en Wiebes 2013):

Toen hij mij weer eens schertsend begon uit te vragen wat ik precies in mijn memoires over hem zou schrijven, antwoordde ik:
- Ik zal in de eerste plaats vertellen hoe en waarom wij elkaar ontmoet hebben in Moskou. Het was in 1895, in december. Ik wist niet dat u in Moskou was. Ik zat met een dichter in ‘Groot Moskou’ rode wijn te drinken en naar de pianola te luisteren, terwijl de dichter zijn gedichten voordroeg en steeds opgetogener over zichzelf werd. We gingen heel laat weg en de dichter was zo opgewonden dat hij zelfs op de trap nog doorging met voordragen. Nog steeds declamerend begon hij aan de kapstok zijn jas te zoeken. De portier zei vriendelijk: ‘Laat mij maar, meneer, ik zoek hem wel even ...’ De dichter viel woedend uit: ‘Hou je mond, bemoei je er niet mee.’ ‘Maar meneer, dat is uw jas niet ...’ ‘Wat krijgen we nou, schurk. Ik zou de jas van iemand anders pakken?' ‘Jawel meneer, van iemand anders.’ ‘Hou je mond, schurk, dit is mijn jas’. ‘Nee meneer, dat is uw jas niet. Zeg op, van wie is hij dan?’  ‘Van Anton Pavlovitsj Tsjechov.’ 'Je liegt, ik sla je ter plekke dood voor die leugen.’ ‘Dat moet u weten, maar die jas is van Anton Pavlovitsj Tsjechov.’ ‘Wil dat zeggen dat hij hier is?’ ‘Hij logeert altijd bij ons ...’ En toen waren we bijna om drie uur 's nachts naar u toegestormd om kennis te maken. Maar gelukkig hielden we ons in en gingen de volgende dag op bezoek, de eerste keer troffen we u niet, we zagen alleen uw kamer, die door het kamermeisje werd opgeruimd, en een manuscript op de tafel. Het was het begin van Vrouwenheerschappij.
Hij kwam niet meer bij van het lachen en zei:
- Wie die dichter was kan ik wel raden. Balmont, natuurlijk. Maar hoe wist u wat voor manuscript er op de tafel lag. Dan hebt u het dus even ingekeken?
- Vergeef ons, mijn beste, we konden ons niet inhouden.
- Jammer dat u niet 's nachts bent langs gekomen. Het is juist leuk om 's nachts onverwacht ergens heen te gaan. Ik ben gek op restaurants.

88 Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828-1910). Met opdracht (9 augustus 1895): Aan Anton Pavlovitsj Tsjechov Foto: Scherer en Nabholz. Bron: Urban 1987

Lev Nikolajevitsj Tolstoj, met opdracht aan Tsjechov

89 Sinds het fiasco van zijn Woudduivel, vijf jaar eerder, heeft Tsjechov zich niet meer met het toneel bemoeid. Maar Soevorin beschikt in Petersburg nu over een eigen theater, aan het hoofd waarvan Nemirovitsj-Dantsjenko en Soembatov-Joezjin staan. Alle drie dringen ze er bij Tsjechov op aan dat hij weer een stuk schrijft en in november 1895 laat hij weten dat hij aan een komedie werkt. Als hij haar af heeft, waarschuwt hij iedereen dat het een zwak stuk is. Het begint forte en eindigt pianissimo en het hoort precies andersom, schrijft hij. Het is een novelle geworden. Het gaat natuurlijk om De meeuw. Aan Jelena Sjavrova meldt hij op 18 november 1895: In het algemeen zou ik zeggen dat ik een matige toneelschrijver ben. Het stuk zal na het fiasco van de Petersburgse première een tijdlang de nagel aan zijn doodskist zijn, al gaat het bij latere voorstellingen al beter, tot het in Moskou in reprise wordt genomen, waarna het overal in Rusland - en al snel daarbuiten - met enorm succes zal worden uitgevoerd.
Ik besteed in deze pagina 's, laat ik het maar eens hardop zeggen, relatief weinig aandacht aan Tsjechovs toneel, dat ik altijd het zwakste deel van zijn oeuvre heb gevonden, terwijl ik zijn verhalen enorm bewonder. Ik herinner me hoe aangenaam verrast ik was toen ik in Pritchetts biografie las dat hij dezelfde mening was toegedaan. Tsjechovs toneel doet me denken aan Rachmaninovs symfonieën, waarvan ik trouwens ondanks alles toch veel houd: je verwacht elk moment de piano, maar die komt nooit. Ik vermoed trouwens dat veel mensen Tsjechov alleen maar via zijn toneel kennen. Ik ben er niet helemaal van overtuigd of Tsjechov zelf meent hij wat hij zegt over zijn dramaturgische kwaliteiten, want hij laat zich over zijn werk nu eenmaal vaak geringschattend uit. Aan Soevorin schrijft hij op 13 december 1895: Wat mijn eigen dramaturgie betreft, het is me blijkbaar niet gegeven, toneelschrijver te zijn. Ik heb geen geluk. Maar ik verval niet in droefenis, want ik houd nu eenmaal niet op met verhalen schrijven - en op dat vlak voel ik me thuis; als ik een toneelstuk schrijf is het net alsof iemand voortdurend bezig is me in de nek te stoten. Terwijl hij over zijn Meeuw tobt, in december 1895, schrijft hij ook aan zijn prachtige Huis met de Mezzanine, zoals Timmers Huis met de loggia in de nieuwe vertaling heet. Hoe dan ook: op 21 november stuurt hij het stuk aan Soevorin, met het dringende verzoek het aan niemand te laten lezen. Tatjana Sjtsjepkina-Koepernik memoreert in haar herinneringen hoe Tsjechov het aan een gezelschap schrijvers en theatermensen voorleest bij Javorskaja, in een Moskous appartement. Koepernik vallen onmiddellijk de overeenkomsten op in het verhaal van hetgeen er tussen Trigorin en Nina plaatsvindt, met wat ze weet van de gebeurtenissen tussen Potapenko en Lika Mizinova, al meent ze ten onrechte dat Lika 's baby op dat ogenblik nog niet is overleden. Ze schrijft ook hoe sommige van de theatermensen, zoals Javorskaja zelf, die gespecialiseerd zijn in stukken van Dumas en Sardou, in toenemende verwarring luisteren. Zijzelf zouden nooit op het idee komen iemand achter het toneel zelfmoord te laten plegen en al helemaal niet dat te laten doen zonder hem eerst een toespraak te laten houden. Ook Nemirovitsj heeft veel kritiek en ook hem vallen de overeenkomsten op met de gebeurtenissen rond Potapenko en Lika Mizinova. Wie Tsjechovs brieven kent, weet ook nog dat de scene met de meeuw gebaseerd is op iets wat Tsjechov zelf heeft meegemaakt, in gezelschap van Levitan.

89 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Petersburg, 1896. Met opdracht in scherts-Italiaans aan A.I. Soevorina van 13 november 1896: all' incomparabile signora Anna Soevorina ricordo affectuoso di Antonio Cekhoffino Foto: K. Sjapiro. Foto genomen op dezelfde dag als nummer 87. Bron: Urban 1987

Tsjechov, Petersburg, 1896

90 Begin januari 1896 verblijft Tsjechov twee keer in Petersburg, eerst in een hotel, de tweede keer bij Soevorin. Samen met Potapenko bezoekt hij de romanschrijver Mamin-Sibirjak in Tsarskoje Selo en gedrieën gaan ze daar op de foto. Een paar weken later, op 15 februari 1896, bezoekt hij, als hij met Soevorin van Melichovo terugkeert naar Moskou, voor de tweede keer in korte tijd Tolstoj, naar ik aanneem in diens Moskouse woning. Tsjechov verwijst ernaar in een brief van 15 februari aan F.O. Sjechtel: Vanavond zijn we bij Lev Tolstoj; we komen om elf uur weer terug. Daar blijkt de sfeer nogal geïrriteerd. Tsjechov valt middenin een verhitte discussie met een gast, waarbij Tolstoj op heftige wijze de moderne Russische decadente schrijvers bekritiseert. Vrouw Sofia op haar beurt heeft het voorzien op de schilder Ge, een bewonderaar van haar man. Nog in april tobt Tsjechov over zijn Meeuw. Aan Potapenko schrijft hij: Hoe zit het met mijn stuk? Dat blijkt zich bij de censuur te bevinden. In dezelfde brief meldt hij dat hij drie dagen bloed heeft opgegeven. Maar nu is alles weer in orde, ik kan bomen uit de grond trekken of trouwen. Door een verrekijker bekijk ik de vogels. Ik schrijf aan een roman voor Niva. Daarbij ging het om Mijn leven, dat uiteindelijk in drie afleveringen in het tijdschrift Korenveld terecht zou komen. De eigenaar van Niva, uitgever Marks, betaalt hem 350 roebel per drukvel, maar verzoekt hem dat bedrag geheim te houden, iets wat Tsjechov niet zal doen. Als in de zomer van 1896 enkele geheimzinige Amerikaanse Tolstojanen Tsjechov een paar boeken brengen die in Rusland verboden zijn, met het verzoek die aan de schrijver door te geven, gaat hij 's zomers niet voor de tweede keer naar Jasnaja Poljana, omdat hij vreest dat Tolstoj 's zomers toch al wordt overspoeld door gasten.

Tsjechov werkt, terwijl hij weer problemen met zijn gezondheid heeft, veel bloed opgeeft en vervolgens ook een oogontsteking krijgt, aan de herziening van zijn Meeuw, nadat hij via collega-schrijver Krylov (door Tsjechov in een brief aan Soevorin orde-generaal der Jezuïeten genoemd) zelf contact met de censuur heeft gekregen. De censor in kwestie, Litvinov, schreef Tsjechov op 15 juli 1896 dat de problematische passages met blauw waren gemarkeerd en dat hij minder

de formuleringen zelf op het oog had dan de algemene zin van de verhoudingen die door deze formuleringen worden aangeduid. Het gaat niet om het samenleven van van de actrice met de literaat, maar om de gemoedsrust waarmee haar zoon en broer dit fenomeen beschouwen. Uit het oogpunt van de censuur ware het te wensen dat deze kwestie in het geheel niet werd aangeroerd, maar indien het uit artistiek oogpunt absoluut noodzakelijk is de verhouding tussen Trigórin en [Irína] Trepljéva te kenschetsen, hoop ik dat u dat op zodanige wijze zult doen dat de toestemming der censuur zonder problemen kan volgen.

In zijn correspondentie wordt hij wel steeds opener over zijn gezondheidsproblemen. Van zijn bacillen spreekt hij als dubieuze logés. Hij ijvert in de eerste helft van 1896 ook nog voor een post- en telegraafkantoor in Lopasnja, krijgt de spoorwegen zover dat ze er ook de exprestreinen laten stoppen - wat hemzelf natuurlijk goed uitkomt - haalt de gemeentelijke overheid van Serpoechov ertoe over dat ze een weg aanleggen naar Melichovo, laat een gammele brug over een nabije rivier op eigen kosten herbouwen en zorgt ervoor dat het armoedige schoolgebouw in Talesj, waarover hij het toezicht heeft, wordt vervangen door een nieuw modern gebouw, zonder dat hij voor die plannen ook maar enige steun krijgt van gemeente en kerk. Hij haalt de autoriteiten over het streekziekenhuis in Melichovo te vestigen. En dan zorgt hij er ook nog voor dat de Taganrogse bibliotheek een van de beste provinciale exemplaren van Rusland wordt. De correspondentie daarover met een wethouder, Jordanov, die later burgemeester zal worden - Urban vermeldt 76 brieven - verraadt de zorg die hij aan de kwestie besteedt. Hij schrijft auteurs aan, om waar mogelijk hun uitgaves gratis (en gesigneerd) te verkrijgen, of koopt ze zelf. Om maar éen van de vele voorbeelden te geven: uit Nice stuurt hij op 9 maart 1898 over zee naar Taganrog 319 delen van 70 auteurs, allemaal Franse klassieken. Uiteindelijk zullen er zo'n 2000 boeken in Taganrog arriveren. Enige eis van Tsjechov aan Jordanov: anonimiteit. Zeker, u hebt gelijk, dat zijn typisch van die dingen voor iemand zonder levensvisie. De nieuwe school in Talesj wordt overigens op 4 augustus 1896 plechtig geopend, zo schrijft Tsjechov (en ook Simmons), in aanwezigheid van een eregast, de Moskouse pedagoog Ivan Tsjechov. Het gebouw is het modernste van de wijde omgeving. Il faut cultiver son jardin.

90 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), voor het tuinhuis dat Tsjechov bij Melichovo had laten bouwen, aanvankelijk voor de gasten, maar waar hij uiteindelijk vooral zelf zou schrijven. Samen met broer Michail. Winter 1895. Bron: Urban 1987

Anton en Michail Tsjechov, Melichovo, winter 1895

91 De zomer van 1896 heeft Tsjechov het zodoende nog drukker dan voorheen. Voor het eerst zijn alle drie de broers tegelijk te gast, met vrouwen en kinderen. En dan is er ook nog een tante met haar dochter uit Taganrog. Wel gaat hij 's zomers een paar keer naar Moskou. In zijn dagboek meldt hij op 1 juni 1896 dat hij op de begraafplaats van Vagankovo de graven bezoekt van de meer dan 2000 mensen die kort tevoren bij de kroningsplechtigheid van Nicolaas II werden doodgedrukt, in Khodinka. Op diezelfde plek zou, nadat de velden Moskous vliegveld voor de burgerluchtvaart waren geworden, op 23 augustus 1939 Ribbentrop landen. Tsjechov bezocht de graven in gezelschap van Soevorin, die er zelf ook kapot van was. Simmons schrijft dat het opmerkelijk is dat dat Tsjechovs enige verwijzing is naar die tragische gebeurtenis. Rayfield wijst er - in een stilzwijgende dialoog met Simmons naar ik vermoed - echter op dat Tsjechov twee weken lang niet zou schrijven, pas op 6 juni weer verder zou gaan met zijn Mijn leven en dat hij vijf dagen lang geen brief zou schrijven. Bewijs in abstentia zullen we maar zeggen. Het is vermoedelijk ergens in deze periode, of begin augustus 1896, of de laatste weken van september, dat hij in stilte ook zijn oude Woudduivel omwerkt tot zijn Oom Wanja. Hij bezoekt kort Soevorin, die een datsja heeft gehuurd in Rybinsk en doet op de terugweg zijn broer Misja aan in Jaroslavl. Op 20 augustus reist hij via Taganrog, waar hij een blik werpt op de bibliotheek, naar de Kaukasus. Hij verblijft er een tijdje in Kislovodsk en vertrekt naar Novorossiejsk, om daar de boot te nemen naar Feodosija, waar hij is uitgenodigd door de Soevorins. Na een verblijf van tien dagen reist hij terug naar Melichovo en komt er op 17 september aan. Aan het eind van het jaar zal hij Soevorin schrijven dat het de enige aangename week van 1896 was. Tegen het eind van de eerste week van oktober is hij Sint-Petersburg.

91 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Melichovo 1896. Bron: Urban 1987

Anton Pavlovitsj Tsjechov, Melichovo 1896

92 In Melichovo nog kan hij, net terug uit het zuiden, half september 1896, wederom in de slag met de censuur. Die eist namelijk dat allerlei details met betrekking tot de sociale achtergrond van de provinciale intelligentsia uit zijn verhaal Mijn leven verdwijnen. Hij worstelt trouwens ook met de titel ervan, want Mijn leven vindt hij eigenlijk niks. Hij aarzelt over In de negentiger jaren, en Mijn huwelijk, maar wijst die ook af. De hoofdpersoon van het verhaal, Poleznev, is duidelijk door Tolstojaanse principes geïnspireerd. Als zoon van een rijkaard en intellectueel wil hij arbeider met de arbeiders zijn. De arts in het verhaal, Blagovo, veroordeelt het idee omdat hij op die manier de vooruitgang niet dient. Thomas Mann wijst in zijn Essay over Tsjechov terecht op het dubieuze karakter van Blagovo's kritiek, als hij Mijn Leven bespreekt, dat Mann trouwens nog kent onder de naam De nietsnut. Mensen moeten doen waar ze goed in zijn en zo de progressie dienen, zegt Blagovo. Maar hij voert het gesprek enkel om tijd te rekken, want hij wacht op Poleznevs zus, op wie hij verliefd is en die hij in de steek zal laten na haar zwanger te hebben gemaakt. Hoewel het verhaal vaak wordt gezien als een veroordeling van Tolstojs opvattingen, is dat niet helemaal waar, zo schrijft Simmons en ik vind alweer dat hij daar gelijk in heeft. Poleznev wordt onterfd, zijn zuster sterft, zijn huwelijk mislukt, maar hij geeft zijn ideeën niet op en lijkt aan het eind van het verhaal zijn rust en een zeker geluk te hebben gevonden. Net als Tolstoj zelf in zijn beste werk wist ook Tsjechov dat ambivalentie een verhaal sterker maakt. Mijn leven werd in drie afleveringen gepubliceerd in het weekblad Niva (Korenveld) in 1896. Niva was een populair tijdschrift met een groot lezerspubliek, dat bestond tussen 1870 en 1917. Ook Tolstojs Opstanding werd er gepubliceerd. Pasternak beschreef in zijn Autobiografisch essay (van 1956) hoe zijn vader de tijdschriftafleveringen van de roman van illustraties voorzag. Rond 1900 had het 200.000 lezers. De uitgever was A.F. Marks (1838-1904), die een paar jaar later Tsjechovs werk zou kopen. In december 1896 zal hij tot de verrassende ontdekking komen dat er in het contract dat hij met Marks had gesloten, de bepaling was opgenomen dat hij het verhaal een jaar lang niet in boekvorm mocht publiceren. En dan worstelt hij ondertussen in zijn brieven met de rolverdeling van zijn Meeuw. Die houdt hem nog op 4 oktober bezig, ruim een week voor de première, wat naar mijn idee te denken geeft over de voorbereidingen.

92 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904) in Feodosija bij de Soevorins. Van links: S.I. Orfanova (met zwarte hond op de schoot), A.I. Soevorina en Tsjechov zelf. Daarboven: in het zwart de moeder van A.I. Soevorina; helemaal rechts in lichte rok: dochter Nastja. Bovenaan staand: Soevorin en zijn zoon, kroonprins Aleksei. September 1896, Feodosija. Bron: Urban 1987

Tsjechov bij de Soevorins, Feodosija, 1896

93 Nog even samengevat: maanden eerder al, in april 1896, heeft hij dus de herziening af van zijn Meeuw; en het is opvallend dat het eerste wat Tsjechov doet - ik schreef er al over - is een exemplaar te sturen naar Potapenko, blijkbaar om er zeker van te zijn dat het verhaal niet al te zeer meer geïnspireerd lijkt door diens escapade. Overigens vermoed ik ook dat Potapenko inmiddels als een soort manusje-van-alles fungeert. Want Tsjechov gebruikt hem ook om een huis in Petersburg te regelen waar hij tijdens de première kan verblijven, al zal hij uiteindelijk voor Soevorin kiezen. Potapenko voert ook de discussie met de censuur en als die bezwaar maakt tegen al te veel openhartigheid, brengt hijzelf, met goedkeuring van Tsjechov nog een paar kleine wijzigingen aan. In juli correspondeert Tsjechov zelf met de censor. Ook daar verwees ik al naar. Eind augustus, als Tsjechov zelf in Zuid-Rusland zit en van Taganrog via Kislodovsk naar Feodosija gaat, is het stuk geaccepteerd. Ook het uit drie personen bestaande comité van het Keizerlijk Theater verklaart het geschikt voor uitvoering, op 14 september 1896, maar het rapport is in hoge mate kritisch. Het spreekt van wezenlijke gebreken, bekritiseert het symbolisme en het Ibsenisme, rept van onvoldoende uitwerking van de karakters en meent zelfs slordige vluchtigheid te constateren. Enige scenes lijken geheel toevallig op papier terecht gekomen en zijn niet met de handeling verbonden. Hoe kan een stuk met aan het eind een zelfmoord een komedie zijn, vraagt iedereen zich bovendien af. De uitvoering zal op 17 oktober 1896 plaatsvinden in Petersburg, in het keizerlijke Aleksandra-theater, dat met zijn 1700 plaatsen éen van de belangrijkste theaters van de stad is. Tsjechov had er grote successen beleefd, in 1889 met Ivanov en later met zijn Beer. Maar het Aleksandrinski is ook gespecialiseerd in Franse komedies en houdt er een nogal ouderwetse speelstijl op na, zoals die in de mode was geraakt onder invloed van Sarah Bernhardt. Voor een zo modern stuk als De meeuw zal het niet erg geschikt blijken. Op 8 oktober 1896 is Tsjechov er aanwezig bij de vierde repetitie van De meeuw en is diep geschokt door wat hij ziet. Want alles eraan is fout. De acteurs begrijpen duidelijk niets van het stuk. Ze declameren te zeer, lezen voor uit de tekst, terwijl sommige acteurs niet eens komen opdagen. Voor de meesten is De meeuw een stuk als elk ander. Herhaaldelijk probeert Tsjechov de acteurs ervan te overtuigen dat ze minder moeten declameren. Dat is ongebruikelijk, want meestal zwijgt hij over wat de bedoeling is van zijn werk. Het zijn heel gewone mensen, zegt hij. Vijf dagen voor de première besluit de actrice die Nina speelt (de beroemde Maria Savina) dat ze ongeschikt is voor de rol, waarna ze wordt vervangen door de jongere, op dat moment 32-jarige Vera Kommissarsjevskaja. Blijkbaar zag Savina de bui hangen. Van Kommissarsjevskaja was Tsjechov, toen hij haar bij de repetities zag, wel onder de indruk. Het zal uiteindelijk Olga Knipper zijn die er faam mee verwerft, maar zover is het nog lang niet. Op 12 oktober 1896, vijf dagen voor de première, schrijft hij aan Masja, misschien om Lika te waarschuwen voor als die ook wil komen:

Lieve Masja, waar ben je - in Moskou, of in Melichovo? Ik schrijf naar Moskou. Ik ben bij Soevorin thuis afgestapt, Ertelev 6. Ik ben bij Aleksandr geweest. Het gaat hem goed. Hij is ouder geworden, Natalja Aleksandra heeft een hond aangeschaft, die ze Selitra hebben genoemd en waartegen ze even lief zijn als voor een dochtertje. Ik ben bij Potapenko geweest. Hij heeft een nieuw huis waar hij 1900 roebel per jaar voor betaalt. Op zijn tafel staat een erg mooie foto van Maria Andrejevna. Die wijkt niet van zijn zijde; ze is gelukkig op het onbeschaamde af. Hijzelf is ouder geworden, zingt niet, drinkt niet, verveelt zich. Naar De meeuw komt hij met de hele familie en het kan gebeuren dat zijn loge naast de onze ligt - en dat Lika het dan recht in haar gezicht krijgt.

93 Vera Fejedorovna Kommissarsjevskaja (1864-1910), Nina in de Meeuw. Met opdracht aan Tsjechov: Voor de goede Anton Pavlovitsj, ter herinnering aan een korte, maar gedenkwaardige kennismaking. V. Kommissarsjevskaja, negentiger jaren. Bron: Urban 1987 nr. 405

Vera Fejedorovna Kommissarsjevskaja (1864-1910)

94 Tsjechov denkt er serieus over het stuk terug te trekken. Hij is er letterlijk ziek van. Soevorin valt het op dat Tsjechov weer bloed opgeeft. Bij de première, op 17 oktober 1896 is de zaal afgeladen. Maar het publiek wijkt sterk af van wat gebruikelijk is bij premières, want het ongeluk wil dat het grotendeels komt voor het afscheid van een actrice, Elizabeta Levkejeva (1851-1904), een struise vrouw, die gespecialiseerd is in komische rollen en om wie het publiek al lacht als ze alleen maar op de bühne verschijnt; het bestaat vooral uit kleine burgerij. Tsjechov zelf meende nog in een brief van september dat ze zelf zou meespelen, in de rol van een 20-jarige bovendien en ik heb altijd gedacht dat het klopte, maar ik heb slecht opgelet: Urban merkt in zijn annotatie op dat ze niet meedeed. Het is Rayfield die weet te vermelden dat ze twee uur later in een komedie zou optreden. De voorstelling verloopt rampzalig. Er werd op verkeerde momenten luid gelachen en misprijzend commentaar geroepen. Tsjechov vlucht na de eerste akte naar de kleedkamer van Levkejeva. Aan het eind maakt hij zich met zijn kraag omhoog uit de voeten om niet herkend te worden, terwijl hij overal om zich heen de negatieve commentaren hoort van het huiswaarts kerende publiek: Wie is die Tsjechov eigenlijk? Het is gewoon beledigend zoiets op te voeren! Hij gaat in zijn eentje naar een restaurant, Romanov, eet er en dwaalt daarna uren door de stad, terwijl iedereen naar hem op zoek is. Pas om twee uur 's nachts keert hij terug bij de Soevorins. Als Masja hem daar weet te vinden, wil hij haar niet spreken. Soevorin vertelt in zijn dagboek dat Tsjechov een deken over zich heen heeft getrokken en niemand wil zien. Masja schrijft hij voor zijn vertrek nog een briefje, met als ps: Neem Lika mee. Soevorin was zo overtuigd geweest van het succes van De meeuw dat hij zijn recensie grotendeels al van te voren had geschreven. Dat moet hij nu opnieuw doen. 's Ochtends om tien uur verschijnt Potapenko, die - blijkbaar bewust - niet aanwezig was bij de voorstelling, terwijl Tsjechov bezig is zijn koffers te pakken. Uit Tsjechovs brieven blijkt dat hij zich zorgen had gemaakt over een ontmoeting in het theater van Potapenko en diens vrouw met Lika. Hoewel hij had gepoogd haar te ontmoedigen te gaan, was ze er toch, net als Avilova trouwens. Die meende in het stuk de boodschap te krijgen die Tsjechov haar ooit had beloofd. Dat gebeurt als in de derde akte Nina aan Trigorin een medaillon geeft, met zijn initialen en een verwijzing naar een passage uit éen van zijn boeken: pagina 121, regel 11 en 12. Als Trigorin de passage opzoekt, blijkt er te staan: Als je ooit mijn leven nodig hebt, kom en neem het. En dat is een passage uit een verhaal van Tsjechov die Avilova zelf had gebruikt voor de horlogeketting die ze hem had gestuurd. Wat ze niet weet, is dat Tsjechov diezelfde horlogeketting al cadeau had gedaan aan Kommissarsjevskaja. Nog erger: vermoedelijk was Lika ook op de hoogte, want in een brief van kort na de uitvoering van zijn Meeuw haalt hij met haar hetzelfde grapje uit, waarbij hij een medaillon tekent met een soortgelijke verwijzing, dit keer naar een catalogus van Russische toneelschrijvers: Catalogus uitgave 1890, pagina 73, regel 1. Daar vindt ze de titel van een komische eenakter: Ignasja de domkop, of de waanzin per vergissing. Ignasja is een koosnaam voor Ignatii, en dat is de voornaam van Potapenko, die Lika in de steek had gelaten met een kind. Mannen! Wel een erg wreed grapje trouwens en niet Tsjechovs mooiste moment. Maar Potapenko was dus voorzichtigheidshalve niet bij de première. Die brengt hem nu wel naar het station, samen met een huisknecht van Soevorin. Als de eerst vertrekkende trein een boemel blijkt te zijn, neemt hij hem toch. Een jongen die hem een krant wil verkopen, zegt hij: Ik lees niet. In de vroege ochtend van 19 oktober komt hij aan in Moskou en neemt de eerste trein die gaat naar Melichovo, derde klas niet roken. Als hij in Melichovo uitstapt vergeet hij zijn ochtendjas en beddengoed, die nog dezelfde dag door de stationschef worden nabezorgd. Aan Soevorin schrijft hij de dag erna: Ik zal de avond van gisteren nooit vergeten, maar ik heb toch goed geslapen en vertrek in een heel draaglijke stemming. Aan Soevorins vrouw biedt hij een paar dagen later nog zijn schriftelijke excuses aan omdat hij zonder afscheid te nemen is vertrokken. Kort na Tsjechov verschijnt in Melichovo Masja, die inderdaad Lika heeft meegenomen. Na drie dagen vertrekt ze, met als dank een jong hondje. Nog geen maand later overlijdt haar dochtertje. Eerder, op 22 oktober schrijft hij aan Soevorin:

In uw laatste brief (van 18 oktober) noemt u me drie keer een oud wijf en zegt u dat ik laf ben geweest. Vanwaar die lasterlijke aantijging? Na de voorstelling ben ik in alle eer bij Romanov wat wezen eten, ben naar bed gegaan, heb vast geslapen en ben de volgende dag naar huis vertrokken, zonder éen klacht te uiten. Als ik laf was geweest, had ik redacties afgelopen, was ik van acteur naar acteur gegaan, had nerveus om aandacht gesmeekt, had nerveus overbodige correcties aangebracht en was twee, drie weken in Petersburg gebleven om naar mijn Meeuw te gaan, me op te winden en badend in het koude zweet te klagen... [...] Waar is zodoende de lafheid? Ik heb zo verstandig en koelbloedig gehandeld als iemand die een huwelijksaanzoek heeft gedaan, een blauwtje heeft gelopen en die dus niets anders overblijft dan te vertrekken. Jazeker, mijn eigenliefde was gekwetst, maar het fiasco kwam toch niet uit de lucht vallen; ik had een mislukking verwacht en was erop voorbereid, iets waarop ik u van tevoren in alle openheid had gewezen. [...]

94 Omslag tijdschrijft Oskolki, 26 oktober 1896, getekend door N.N. Amalatbekov. Titel: Op de meeuw. Het nummer van Oskolki met de karikatuur heb ik ontvangen. Ik stuur u als herinnering mijn boek - pour les enfants. Als uw oudste zoon leert lezen, moet hij het lezen als hij kan. Tsjechov op 1 november 1896 aan V.V. Bilibin, hoofdredacteur van Oskolki. Bij Tsjechovs boek ging het om diens bundel met voor kinderen bedoelde verhalen, Kastjanka. Bron: Urban 1987 nr. 411

Omslag tijdschrijft Oskolki, 26 oktober 1896

95 Afgezien van een stuk van Soevorin in Novoje Vremja zijn alle kritieken vernietigend. Hoewel het met de publieke waardering vanaf de tweede voorstelling veel beter gaat, vooral ook omdat er nu een andersoortig publiek verschijnt, dat nu ook bewust is gemobiliseerd, hij lovende brieven krijgt, als eerste nota bene van zijn broer Aleksandr, maar ook van Potapenko, Bilibin, Koni, Lejkin en Kommissarevskaja, vaak zeer vriendschappelijk van toon, zal Tsjechov er altijd een bittere smaak aan overhouden. Wat hem vooral dwars zit is dat zovelen van degenen die hem altijd vriendschappelijk bejegenden, nu erop uit lijken hem eens flink te beschadigen. Uiteindelijk zal het stuk toch een succes blijken, ook als het de provincie ingaat en elders in Rusland wordt uitgevoerd. Maar de eerste reeks zal toch na vijf voorstellingen worden beëindigd. Tsjechov zal het ten slotte ook nog publiceren in Roesskaja Mysl en apart als boekuitgave bij Soevorin. Wanneer hij, al in december 1896, eveneens een boekpublicatie overweegt van mijn leven, komt hij tot de ontdekking dat hij in het contract met Marks over het hoofd heeft gezien dat hij dat een jaar lang niet mag doen. Een tijdlang zal hij in zijn correspondentie literaire kwesties met ingehouden afkeer bespreken. Op 14 december schrijft hij aan Soevorin:

[...] U en Koni hebben me met uw brieven heel wat plezierige momenten bezorgd, maar toch voelt mijn hart als versteend, ik voel voor mijn stukken niets dan afkeer en het kost me zelfs moeite om drukproeven te corrigeren. U zult wel weer zeggen dat dat onwijs is en dom, dat het ijdelheid is en trots enz. Ik weet het, maar ik kan er niks aan doen. Ik zou blij zijn dat stomme gevoel kwijt te zijn, maar het lukt me echt niet. Dat komt niet doordat mijn stuk een fiasco was; met het merendeel van mijn eerdere stukken ging het ook mis en elke keer heb ik het van me af laten glijden. Het echte fiasco van 17 oktober betrof niet mijn stuk, maar mijn persoon. Al tijdens de eerste akte trof me iets bijzonders en wel dat al diegenen die tot 17 oktober zo openhartig en vriendschappelijk met me hadden verkeerd, met wie ik zorgeloos was wezen eten, voor wie ik op bres was gesprongen (bijv. voor Jazinski) - dat die allemaal zo'n vreemd gezicht opzetten, een verschrikkelijk vreemd gezicht... Kortom, er is datgene gebeurd wat voor Lejkin aanleiding was me er in een brief zijn medeleven voor te betuigen dat ik zo weinig vrienden had, voor Nedelja om te vragen: wat heeft Tsjechov u gedaan, en voor Theatral (nr. 95) om er een heel artikel aan te wijden met de strekking dat de complete schrijvende gemeente me een schandaal bereid heeft. Ik ben nu kalm, mijn stemming is normaal, maar toch kan ik niet vergeten wat er gebeurd is, alsof iemand me een muilpeer heeft gegeven. [...]

Als hij vanaf 20 december een paar dagen in Moskou is, bezoekt hij Levitan, met wiens gezondheid het erg slecht is gesteld. Levitan zal in juli 1900 overlijden. Pas begin januari 1897 heeft Tsjechov zijn goede humeur weer enigszins terug. Er is vaak over gespeculeerd of het fiasco van zijn Meeuw heeft bijgedragen tot de tbc-aanval die hem vijf maanden later in het ziekenhuis deed belanden. Maar dat lijkt niet echt het geval. Tsjechov weigert domweg rekening te houden met zijn fysieke toestand. In januari 1897 neemt hij deel aan een volkstelling, waarvoor hij een maandlang zijn district rondgaat en waarbij hij bovendien de supervisie heeft over 15 anderen. Een afvaardiging van boeren uit het dorp Novoselki, halverwege Melichovo en Lopasnja, komt bij hem langs en vraagt om een nieuwe school. Ze hebben zelf 300 roebel bijeengebracht, de gemeente geeft 1000, Tsjechov zelf organiseert van alles om geld op te halen en legt er wat er van de 3000 roebel ontbreekt zelf bij. Het is zijn tweede schoolgebouw. Eén van de liefdadigheidsvoorstellingen waar hij geld mee wil inzamelen, wordt georganiseerd door Jelena Sjavrova. De gezondheidsraad kiest Melichovo voor de bouw van een nieuw ziekenhuis. Als hij plannen heeft voor een soort volkspaleis in Moskou, met een theaterzaal, een bibliotheek en een museum en daarvoor activiteiten op touw zet, ontmoet hij voor het eerst Stanislavski. Van het volkspaleis komt niks, maar een jaar later begint Stanislavski aan een theater dat hij in het begin nog Volkskunsttheater noemt. Wanneer hij half februari na weer een verblijf van een paar dagen in Moskou terugkeert op Melichovo, verschijnt kort daarna de schilder Braz om een afspraak te maken voor een portret in opdracht van de verzamelaar Tretjakov. Braz zal in de zomer van 1897 terugkomen. Als Tsjechov zijn (geruchtmakende) verhaal Boeren afheeft, vertrekt hij in maart naar Petersburg.

En daar, in restaurant de Hermitage, tijdens een diner waar hij aanzit met oa. Soevorin gulpt het bloed uit zijn mond. Hij weet dat het uit zijn rechter long komt, zal hij nog dezelfde avond tegen zijn gastheer zeggen. Een paar dagen later, op 25 februari 1897, wordt hij opgenomen in de kliniek van de specialist Ostroemov. De eerste die hem bezoekt, samen met haar broer, op die dag zelf, is Avilova, met wie Tsjechov eerder had afgesproken. Ze mag hem drie minuten zien. De dag erna is ze er weer en kort daarop verschijnt ook Masja. De diagnose van de artsen is voorspelbaar: tuberculose in het bovenste deel van de longen. Ze adviseren hem dringend naar het zuiden te verhuizen. In het ziekenhuis moet hij zich rustig houden, zo luidt de boodschap. Maar dat lukt niet erg. Want er verschijnt veel bezoek. Op de derde dag stormt Tolstoj naar binnen, zonder dat iemand het zelfs maar waagt hem tegen te houden. Hij praat honderduit. Na zijn vertrek heeft Tsjechov weer een bloeding. Een paar dagen later gaat het al beter. De auteur van Zaal 6 is verplaatst naar zaal 16, schrijft hij aan vrienden. Urban meldt dat de zaal zich op de eerste verdieping van de kliniek bevond en heden ten dage nog in precies dezelfde vorm bestaat. Urban schreef dat overigens in 1987. Hij voegt eraan toe dat de arts Ostroemov tegen de toen wijd verbreide opvatting was dat tbc-patiënten naar een mild zeeklimaat moesten verhuizen, maar dat die op dat moment in het buitenland verbleef. Het zou Tsjechov een verhuizing hebben bespaard. Bezoekers verschijnen en masse. Op een gegeven moment mag hij ook weer lopen. Hij schrijft aan iemand dat hij is wezen wandelen naar Novodevitsji, het klooster met begraafplaats, waar de kliniek vlakbij ligt, om er het graf van Pletsejev te bezoeken, die in 1893 is overleden en zodoende weinig plezier van zijn enorme erfenis heeft gehad. Tsjechov zal er in 1904 zelf begraven worden. Na zes weken kliniek, wordt hij op 10 april ontslagen.

95 Dit is de Moskouse kliniek waar Tsjechov van 25 februari tot 10 april 1897 zal verblijven. De kliniek was in 1892 open gegaan en bevond zich niet ver van het Novodevitsji-klooster, met daarbij het kerkhof waar Tsjechov zelf in 1904 begraven zou worden. Elk nadeel heeft zijn voordeel. In de kliniek kreeg ik bezoek van Lev Nikolajevitsj, met wie ik een interessant gesprek voerde, zeer interessant voor mij, omdat ik meer heb geluisterd dan gesproken. We spraken over de onsterfelijkheid. Tsjechov in een brief van 7 april 1897 aan A.S. Soevorin. Bron: Urban 1987 nr. 421

Moskou, Kliniek van Ostroemovsky

96 Kort na zijn terugkeer naar Melichovo uit de kliniek verschijnt Tsjechovs verhaal Boeren in Roesskaja Mysl. Niet eerder zorgde een verhaal van zijn hand voor zoveel opschudding. De censuur had grote bezwaren omdat het beeld van de boeren dat erin werd geschetst te somber zou zijn. Roesskaja Mysl was gedwongen een complete pagina te verwijderen en elders tal van onaangename details. En alweer is het misschien goed op te merken dat de tsaristische censuur, vergeleken bij die onder Stalin, regelrecht goedaardig was. Wat de censor vooral ergerde, zo schrijft Simmons, was dat Tsjechov sinds de afschaffing van de lijfeigenschap niet alleen blijkbaar geen enkele verbetering in het lot van de boeren had waargenomen, maar slechts achteruitgang. Onder de heren was alles beter, zei de vader onder het haspelen. Je werkte en je sliep, alles op zijn tijd. Het middagmaal was koolsoep en grutten, 's avonds ook koolsoep en grutten. Augurken en kool waren er bij de vleet, je kon eten zoveel als je hartje begeerde. Er was ook meer gestrengheid. Iedereen kende zijn plaats. De vader in kwestie is overigens een dronkelap en een varken, zodat die herinnering wel in een dubieus daglicht komt te staan. Onder de heren wilde zeggen: tijdens de lijfgenschap. Feit is dat Tsjechov in zijn verhaal alles had gestopt wat hij de laatste jaren als arts op het platteland van dichtbij had gezien. De recensies zijn extatisch. De recensent van Severni Vestnik (De Bode van het Noorden) schreef dat het verhaal hem deed denken aan de tijd dat er een nieuwe roman van Dostojevski of Toergenjev verscheen. Tsjechov ontvangt thuis vele brieven, vaak van gewone lezers, bijna allemaal lovend. Daarbij speelt ongetwijfeld ook een rol dat veel intellectuelen tot hun tevredenheid constateerden dat die hardnekkige apostel van de principeloosheid eindelijk uit een ander vaatje tapte. Zelf ben ik zo vrij de verhalen waar dat misschien voor geldt, als Tsjechovs mindere te beschouwen, wat niet wegneemt dat het ook dan nog altijd verhalen zijn die klinken als een klok. Hij is blijkbaar van plan een vervolg te schrijven en er bestaan schetsen van twee hoofdstukken daarvan, die in 1956 door Edmund Wilson werden uitgegeven, maar die nooit in het Nederlands verschenen. Zo schreef ik tenminste ergens in 2011. Maar ik had beter moeten opletten, want het fragment werd kort tevoren, in 2010, door Tom Eekman ondergebracht in de aantekeningen bij deel 5 van het Verzameld Werk.

96 Tsjechov op Masja's kamer - de warmste van het huis - op Melichovo, april 1897. Foto gemaakt door de met Tsjechov bevriende arts, in 1879 pensiongast bij de Tsjechovs aan Gratsjevka, N.I. Korobov (1860-1913). Bron: Urban 1987 nr. 423

Tsjechov, Melichovo, april 1897

97 Hoewel vaak wordt beweerd dat Tsjechovs verhalen geen boodschap en geen richting hebben, is dat voor een aantal ervan, met name de wat latere, bepaald niet waar. En het lijkt me evenmin toeval dat zoveel daarvan terecht komen in Roesskaja Mysl, want dat was een links tijdschrift. Dat zou gebeuren sinds Tsjechov eind 1892 zijn Zaal 6 en Verhaal van een onbekende aan Roesskaja Mysl had gegeven. Anderzijds moet worden erkend dat alleen al een feitelijke en gedetailleerde beschrijving van het dagelijks leven in Rusland kon worden opgevat als een aanklacht. Voor Tsjechovs Boeren, dat afkwam in maart 1897, geldt dat ook. Het is bijvoorbeeld ook waar voor Tsjechovs verhaal Mijn leven, over de titel waarvan de schrijver tot op het laatste moment aarzelde en dat eerder Mijn huwelijk heette. Ook in dat verhaal wordt zonder de roede te sparen het dagelijks bestaan in een provincieplaats beschreven. Hoewel ik op deze pagina, afgezien van de brieven, normaliter geen proza van Tsjechov zelf neerzet, wil ik dat hier bij uitzondering wel doen. Ik geef een klein stukje van Tsjechovs Boeren, en maak daarbij gebruik van de vertaling van Tom Eekman. In het verhaal wordt beschreven hoe een kelner uit het Moskouse hotel-restaurant Slavanski Bazar, dat Tsjechov goed kende, ziek wordt en noodgedwongen terugkeert naar het dorp van zijn geboorte, in het gezelschap van zijn vrouw Olga en dochtertje Sasja. Het dorp waaraan Nikolaj Tsjilikidijev idyllische herinneringen heeft, blijkt de hel op aarde. Een uitgebreide familie hokt bijeen in een primitieve boerenhut. De meeste mannen zijn aan de drank, de armoede is enorm, de vrouwen en kinderen worden mishandeld, iedereen bedriegt iedereen. Nikolaj sterft, omdat er door een kwakzalver bloedzuigers worden gezet en Olga keert met haar dochtertje terug naar Moskou. De laatste zinnen van het verhaal zijn de smeekbedes om een aalmoes van moeder en dochter.

Toen de grond opdroogde en het warm werd, maakten ze zich klaar voor de reis. Olga en Sasja vertrokken bij het krieken van de dag, met knapzakken op hun rug en met bastschoenen aan; Marja kwam naar buiten om ze uit te wuiven. Kirjak was ziek, hij zou nog een week thuisblijven. Olga bad voor het laatst met haar gezicht naar de kerk en dacht daarbij aan haar man - ze huilde niet, alleen werd haar gezicht gerimpeld en onooglijk als bij een oude vrouw. Gedurende de winter was ze mager, lelijk en een beetje grijs geworden; in plaats van de vroegere lieftalligheid en vriendelijke glimlach had ze een deemoedige, droevige uitdrukking van doorgemaakt leed op haar gezicht, en iets afgestompts en onbeweeglijks in haar blik alsof ze je niet hoorde. Het speet haar afscheid te moeten nemen van het dorp en de boeren. Ze moest eraan denken hoe Nikolaj ten grave was gedragen, hoe bij iedere hut een dodengebed was gezegd en hoe iedereen had gehuild uit medeleven met haar verdriet. Tijdens die zomer en winter waren er uren en dagen geweest waarop het leek of die mensen een erger bestaan leidden dan vee, het was vreselijk met hen te samen leven: ze waren grof, oneerlijk, smerig, dronken, ze leefden in onmin, maakten voortdurend ruzie omdat ze elkaar niet respecteerden, maar vreesden en wantrouwden. Wie houdt de kroeg en voert het volk dronken? De boer. Wie verkwist en verdrinkt het geld van de dorpsgemeenschap, de school, de kerk? De boer. Wie besteelt zijn buurman, sticht brand, legt valse verklaringen af voor de rechtbank omwille van een fles wodka? Wie is op vergaderingen van de streekraad of andere bijeenkomsten de eerste om de boeren te bestrijden? De boer. Ja, ze zijn vreselijk om mee te leven, maar toch zijn het mensen, ze lijden en huilen als mensen, en er is niets in hun leven waarvoor geen rechtvaardiging te vinden zou zijn. Zwaar werk, waarvan 's nachts je hele lijf pijn doet, barre winters, magere oogsten, krappe onderkomens, en er is geen hulp te vinden of ergens vandaan te verwachten. Degenen die rijker en sterker zijn dan zij kunnen niet helpen, want die zijn ook grof oneerlijk, dronken en schelden al even weerzinwekkend. De minste beambte of winkelbediende bejegent boeren als landlopers, zegt zelfs tegen dorpshoofden en kerkoudsten jij en jou en meent daartoe het recht te hebben. En kun je enige hulp of een goed voorbeeld verwachten van lieden die hebzuchtig, inhalig, verdorven, lui zijn, die uitsluitend op het platteland neerstrijken om te krenken, te roven, schrik aan te jagen? Olga moest eraan denken hoe zielig en vernederd het oude stel er had uitgezien toen Kirjak die winter werd weggehaald om gegeseld te worden ... En nu had ze medelijden met al deze mensen, heel veel medelijden, en terwijl ze voortliep keek ze telkens om haar heen naar de hutten.

97 Tsjechov, Melichovo, mei 1897. Op de trap van zijn tuinhuis met hond China. Eronder geschreven in de hand van Tsjechov zelf: mei 1897. Bron: Urban 1987 nr. 424

Tsjechov, Melichovo, mei 1897

98 Aan de strenge voorschriften van zijn artsen lijkt hij zich niet erg te houden. Hij blijft boeken versturen naar Taganrog, examineert op districtsscholen en opent weer een nieuw gebouw, dat in Novoselki. Hij heeft traditiegetrouw veel bezoekers. Die valt het op hoe slecht hij eruit is gaan zien. De broers zijn er weer, met vrouwen en kinderen, er is een nicht uit Taganrog, die 46 dagen blijft logeren (aldus het dagboek van vader Pavel Jegorovitsj, die inmiddels als een boekhouder zo grondig de verblijfsduur van de vele gasten bijhoudt), er zijn oude familievrienden, zoals Lika, Levitan, Ivanenko en Lejontejev, er verschijnen voormalige medestudenten en er zijn de talrijke ambtenaren, priesters, monniken, artsen, maar ook onbekenden, die allemaal gastvrij worden onthaald. Tegen Lejontejev klaagt hij, wat zelden gebeurt: Het lijk wel alsof ik een herberg drijf. Hij ontsnapt - tegen het advies van de artsen in - een paar keer naar Moskou. Als hij een keer net terug is, verschijnt de schilder Braz, die voor de gezelligheid twee nichtjes heeft meegenomen, 17 dagen blijft en twee zittingen per dag wil. Ten slotte is Braz nog niet tevreden en vernietigt het doek. Masja was overigens zeer op Braz gesteld. Half maart 1898 zal hij, tegen het einde van Tsjechovs verblijf daar, weer opduiken in Nice. Kort na het vertrek van Braz reist Tsjechov naar Petersburg, vooral, zegt hij om te laten zien dat hij er helemaal niet meer zo slecht aan toe is en ten bewijze daarvan zijn vollemaansgezicht aan vrienden en bekenden te tonen. Op weg erheen, in Moskou, ontmoet hij Lika, vlak voordat hij op reis gaat, voor - zo schrijft Rayfield - een laatste ontmoeting waar geen van beiden het ooit nog over zou hebben.

98 Tsjechov, Melichovo, mei 1897. Bron: Urban 1987 nr. 425

Tsjechov, Melichovo, mei 1897

99 Hij hunkert ernaar op reis te gaan, iets wat artsen hem ook aanraden, maar dan met de bedoeling dat hij niet enkel naar het zuiden gàat, maar er blijft. Als hij aan Levitan en Koendasova laat weten dat hij geen geld heeft, mobiliseren die allebei de rijkaards onder hun vrienden en krijgt Tsjechov van verschillende kanten geld aangeboden. Maar hij accepteert het alleen van Soevorin, terwijl hij ook van een paar tijdschriften een voorschot vraagt. Hij maakt tal van plannen, maar als hij een brief krijgt van de bevriend hoofdredacteur van Roesskije Vedomosti (Russisch nieuws), V.M. Sobolevski (1846-1913), die in Biarritz verblijft, besluit hij daarheen te gaan. Hij schrijft dat hij bang is alleen te reizen in Europa en dat, wanneer hij een vreemde taal probeert te spreken, iedereen begint te lachen. Maar misschien valt dat wel mee. Kort tevoren heeft hij Soevorin aangeboden Maupassant te vertalen, die hij bewondert. In Nice leest hij voortdurend Franse kranten. In een paar brieven aan Masja van eind oktober 1897 geeft hij haar zowat Franse les. Ik neem aan dat hij het uitstekend kon lezen, maar minder goed sprak, wat nu eenmaal de normale gang van zaken is. Ik voel met hem mee, dat begrijpt u. Hij wint informatie in bij Sobolevski en vertrekt op 31 augustus 1897 naar Parijs met de bedoeling kort daarop door te reizen naar Biarritz. Pas begin mei 1898 zal hij terug zijn op Melichovo en dit verblijf is zijn langste in het buitenland.

In Parijs, waar hij begin september 1897 arriveert, wachten een paar bekenden uit Taganrog hem op, de Parijse correspondent van Novoje Vremja en een ingenieur, maar ook Soevorins vrouw en met hen bezoekt hij weer de diverse bezienswaardigheden, daaronder zelfs de Moulin Rouge. Soevorin zelf is op dat moment al in Biarritz. Een paar dagen later vertrekt hij, ondanks het matige Parijse weer met spijt in het hart, en reist via Bordeaux ook naar Biarritz, waar hij wordt opgevangen door de Sobolevski's, die hem hun woning aanbieden. Maar hij kiest voor een hotel, Victoria. Soevorin is net vertrokken, zodat hij hem weer mist. Biarritz bevalt hem zeer. De zon schijnt, hij koopt een zijden hoed en flaneert langs de boulevard. Alles lijkt hem ontzettend goedkoop. Twee weken later verschijnt Lejkin. In Biarritz heeft hij gezelschap van een negentienjarig meisje, dat Margot heet en hem blijkbaar ook nog volgt naar Nice, waar ze al gauw uit zicht verdwijnt. Op 18 september probeert hij Lika zover te krijgen dat ze naar Frankrijk komt:

Lieve Lika, je brief heb ik gisteren gekregen en ik was er natuurlijk heel blij mee. Je vraagt me of het hier warm is en of ik me vermaak. Tot nu toe gaat het me heel goed. Hele dagen lang zit ik in de zon en denk aan jou en waarom je zo graag praat en schrijft over mensen met scheve heupen; na enig overleg ben ik tot de overtuiging geraakt dat je dat naar alle waarschijnlijkheid doet omdat je eigen heupen niet in orde zijn, je me dat duidelijk wil maken en me ermee wil behagen. Hier is het vandaag heel warm, zelfs heet, maar dat zal niet lang meer duren, en vandaag of morgen al zal ik me ineens net voelen als in Melichovo, dat wil zeggen, geen idee te hebben waar ik heen moet. Ik verlang van ganser harte naar Parijs, maar daar begint spoedig de vochtige herfst, ik zal er weggejaagd worden en waarschijnlijk zal ik naar Nice of Beaulieu moeten vertrekken, dat in de buurt van Nice ligt. Als ik geld heb, reis ik via Nice en Marseille naar Algerije en Egypte, waar ik nog nooit geweest ben. En wanneer kom je naar Parijs? Wanneer je ook komt, laat het me weten, dan kom ik aan het station om je op te halen. Ik zal je heel liefdevol ontvangen en mijn best doen je scheve heupen niet te zien en, om je genoegen te doen, het alleen nog maar met je te hebben over de bereiding van roomkaas. [...]

Het weer slaat inderdaad al gauw om en hij vertrekt samen met Sobolevski via Toulouse naar Nice, waar hij zich heeft voorgenomen de winter door te brengen. Hij komt er op 23 september aan. Lejkin heeft hem daar het Pension Russe aanbevolen en hij krijgt er een ruime kamer met ramen op het zuiden. Op 1 oktober schrijft hij in zijn notitieboek: Graven van Gambetta en Herzen. Sobolevski vertrokken. Hoewel hij er in zijn brieven over zwijgt, mag aangenomen worden dat Tsjechov die dag dus het graf van Alexander Herzen had bezocht. Dat doet me deugd. Ik houd veel van Herzen, die ik hogelijk bewonder. Alexander Herzen (1812-1870) was gestorven en begraven in Parijs, maar werd herbegraven in Nice op het Cimetière du Château, op de citadel daar, waar zijn vrouw Natalja al in 1852 werd begraven en waar zich inderdaad ook het graf van Gambetta bevindt. Wilt u weten waarom ik Herzen zo bewonder? Lees de vijf delen van Timmers vertaling van Herzens Feiten en gedachten. En als u dat teveel vindt, lees dan tenminste het prachtige eerste deel. Doe het! Net als Tsjechov stierf Herzen aan tbc en zijn graf wordt nog steeds druk door vooral Russen - en een enkele Nederlander dus - bezocht.

99 Anton Tsjechov op de kamer van zijn hotel in in Nice, 1897. Bron: Urban 1987 nr. 440

Tsjechov, Nice, 1897

100 Even voor de goede orde: Tsjechovs Pension Russe (het huidige Hotel Oasis) was bepaald geen 5-sterrenlocatie. Het was een relatief bescheiden hotel-pension, aan wat - zo schrijft Rayfield tamelijk hardvochtig - toen nog een stinkende steeg was tussen station en de Promenade des Anglais. De eigenares was een Russische, Vera Kroeglopoleva. Als Tsjechov er eind 1900, begin 1901 opnieuw verblijft, doet hij cynisch over Nemirovitsj-Dantsjenko die dan in Menton zijn intrek heeft genomen in het Prince de Galles, dat wel een vijfsterrengelegenheid is. Tsjechov hield niet van vijfsterrenaandacht, wat ik ook al voor hem vind pleiten, temeer daar hij zich die best kon permitteren als hij had gewild. Waar het om restaurants ging, was hij veeleisender. En over de keuken van Pension Russe aan rue Gounod 9 had hij naar eigen zeggen geen klagen, want die werd beheerd door een Russische kokkin, zij het éen die ook Frans kon koken; het was een voormalige lijfeigene, die getrouwd was met een zwarte en wier dochter tippelde. Het ontbijt was overvloedig. De zon scheen voortdurend. En het is dus niet verwonderlijk dat Tsjechov de kwaliteit van zijn verblijf looft: en dat allemaal voor 70 francs per week, schrijft hij. Voor een jaar zou hij toe kunnen met 2500 roebel. Op 1 oktober 1897 schrijft hij aan Soevorin in Parijs:

[...] In Nizza woon ik in het Pension Russe. De kamer, tamelijk ruim, heeft een raam op het zuiden, tapijt over de hele vloer, een balkon als bij Kleopatra [Karatygina], een garderobe; overvloedige maaltijden, bereid door een Russische kokkin (koolsoep en piroggi), net zo overvloedig als in Hôtel Vendôme en net zo smakelijk. Ik betaal 11 francs per dag. Het is warm hier; zelfs 's avonds is het niet herfstachtig. De zee is vriendelijk, boeiend. De Promenade des Anglais is door-en-door groen en schittert in de zon; 's morgens zit ik in de schaduw en lees kranten. Ik ga veel wandelen. Ik heb Maksim Kovalevski leren kennen, de voormalige Moskouse professor, ontslagen op grond van van artikel 3. Hij is een grote, dikke, levendige en goedmoedige man. Hij eet veel, maakt veel grappen en werkt hard - met hem erbij is het vrolijk en aangenaam. Hij heeft een schallende en aanstekelijke lach. Woont in Beaulieu in zijn eigen mooie villa. Ook de schilder Jakobi is hier, die Grigorovitsj een schoft en een schurk noemt, Azjvazovski een hondenzoon, Stasov een idioot enz. Eergisteren heb ik met Kovalevski en Jakobi samen gegeten en de hele maaltijd zo gelachen dat mijn buik zeer deed - tot grote verbazing van het bedienend personeel. We eten vaak oesters. [...]

Zowel de jurist en historicus M.M. Kovalevski (1851-1916), die van de Moskouse universiteit was weggestuurd wegens zijn liberale opvattingen en doceerde aan de Sorbonne, maar zijn thuisbasis had op de het instituut voor marinebiologie in Villefranche, als de kunstschilder V. I. Jakobi (1834-1902) zal vaker Tsjechovs pad in Nice kruisen. Hij leert er ook de Russische vice-consul Nikolaj Joerasov kennen, die in Menton werkt, maar woont in Nice. Zijn zoon werkte bij Credit Lyonnais, hetgeen Tsjechovs geldstortingen veremakkelijkt. Tsjechov brengt er de hele winter door, maar vindt het moeilijk er te schrijven, zeker als hij in oktober in de krant leest dat het in Parijs prachtig weer is. Over het verblijf en Frankrijk zelf is hij verder tevreden. Op 11 november schrijft hij aan A.I. Soevorina (Soevorins vrouw):

Het weer is hier paradijselijk. Het is heet, stil, vriendelijk. De muziekconcoursen zijn begonnen. Orkesten trekken door de straten, met lawaai, gedans, gelach. Ik zie het allemaal aan en denk: wat stom dat ik voorheen niet langer in het buitenland heb gewoond. Nu zou ik, geloof ik, niet meer in Moskou overwinteren, niet voor alle peperkoeken in de wereld. Zodra het oktober is, weg uit Rusland. De natuur hier doet me niets, ze is me vreemd, maar ik houd hartstochtelijk van de warmte, houd van de cultuur... En die cultuur springt je hier uit elke etalage tegemoet, uit elke mand; elke hond ruikt hier naar beschaving. [...]

100 Anton Tsjechov in Nice, samen met de vice-consul Nikolaj Ivanovitsj Joerasov op de binnenplaats van Pension Russe, 1897 of 1898. Morgen, zaterdag, is er in het Pension Russe een afscheidsmaaltijd voor Maksim Maksimovitsj [Kovalevski]. Er eten 8 Russen. Joerasov zal wijn meebrengen die hij van de een of andere vorst heeft geërfd. Tsjechov in een brief uit Nice aan V.M. Sobolevski van 17 oktober 1897. Bron: Urban 1987 nr. 436

Tsjechov in Nice, 1897/98

101 Het schrijven kost hem dus moeite. En inderdaad is de oogst gering, met bovendien een paar voor zijn doen nogal matige verhalen, de Petsjeneg, Op de boerenkar, In eigen honk. Ze gaan naar Sobolevski's Roesskije Vedomosti (Russisch nieuws). Als iemand hem vraagt een internationaal verhaal te schrijven, op basis van zijn ervaringen in het buitenland, antwoordt hij dat hij dat niet kan: Ik kan alleen schrijven uit de herinnering. Ik moet eerst filteren. En hij schrijft: Nice is goed om te lezen, niet om te schrijven. Ik merk maar op dat Tsjechov er ook in Rusland al moeite mee had 's zomers te schrijven. Ook aan de Krim zal dat het geval zijn. Het valt hem trouwens op dat hoe beter het met hem gaat, hoe zwartgalliger zijn verhalen worden. Wanneer iemand hem begin november 1897 benadert omdat hij Tsjechovs Mijn leven wil vertalen, schrijft die dat de voorwaarden waaronder dat gebeurt door de vertaler worden bepaald, omdat Rusland de Berner Conventie niet heeft ondertekend. Maar, zo laat hij weten, hij zou het wel prettig vinden de gedrukte versie in Rusland toegestuurd te krijgen. Voor de complete tekst verwijst hij naar een boekuitgave, want de tijdschriftversie is indertijd gecensureerd en een manuscriptversie heeft hij niet meer. Tsjechov schreef die in het net en gooide het origineel weg, waarna hij vaak op de drukproef de eindredactie deed. Met zijn gezondheid gaat het eerst goed en daarna toch weer minder. Nadat hij weer bloed heeft opgegeven, wordt hij in november door de hem behandelende artsen naar de begane grond verhuisd. Als hij hoort dat anderen minder betalen dan hij, slaagt hij erin de prijs van zijn kamer te verlagen naar 10 francs. Hij weegt, zo schrijft hij, 72 kilo. Bij het begin van de herfst stromen de Russen de stad binnen, onder wie de gebroeders Nemirovitjs-Dantsjenko. Toch loopt hij soms ook een beetje met zijn ziel onder de arm. Aan Soevorin schrijft hij op 14 november 1897:

Ik voel me heel gezond en mijn bevoorrechte positie als ledig en tevreden mens begint me nu en dan te vervelen en op sommige momenten - heb ik zin in sneeuw. Werken kun je hier wel, maar het is net of er iets ontbreekt, en terwijl je werkt heb je een ongemakkelijk gevoel, alsof je aan éen been hangt.

Plannen om met Kovalevski naar Noord-Afrika te gaan, gaan niet door, omdat die ziek wordt, al is het niet ondenkbaar dat zijn reisgenoot juist vreesde voor Tsjechovs gezondheid, zodat hij op zijn verjaardag, 17 januari, in elk geval schrijft dat hij zich 89 voelt in plaats van 38. Joerasov was ziek en is nu weer beter. Eergisteren, op mijn verjaardag, bracht hij me piroggi en een bos bloemen. We leven hier in vrede en eendracht. Begin maart 1898 verschijnt Potapenko en ook een andere vriend, Soembatov-Joezin, terwijl de Sobolevski's eveneens weer in Nice verblijven. Hij gokt weer eens in Monte Carlo. De schilder Braz daagt opnieuw op, wederom in opdracht van Tretjakov en dit keer zijn schilder en verzamelaar tevreden. Het zal zijn populairste portret blijken, maar Tsjechov zelf had er een hekel aan, misschien vanwege de wat roodaangelopen neus, zo raad ik maar. Wanneer artsen in februari 1902 tijdens een congres een speciaal voor hen in Petersburg georganiseerde, besloten voorstelling van Oom Wanja bezoeken, met maaltijd na, en ze de theatergroep vervolgens Braz' portret schenken, of misschien een kopie ervan, met lauwerkrans trouwens, besluiten ze Tsjechov in Jalta er een foto van te sturen. Dan schrijft hij op 13 februari 1902 aan éen der collega-artsen, Sjlenov dat hij zeer vereerd is: Eén ding maar, waarom, waarom dat portret van Braz? Dat is toch een slecht, een verschrikkelijk portret, zeker als foto. (...) Ach, als u eens wist hoe Braz me gekweld heeft toen hij dat portret schilderde. Rayfield heeft het, weinig fijngevoelig als hij is, op de omslag van zijn biografie gezet, zodat ik het hier niet hoef te tonen.

101 Anton Tsjechov in Nice, op de binnenplaats van Pension Russe, 1897 of 1898. Bron: Urban 1987 nr. 438

Anton Tsjechov in Nice, op de binnenplaats van Pension Russe, 1897

102 In Nice leest Tsjechov dus meer dan hij schrijft. Hij leest Voltaire en krijgt te horen dat zijn verhaal Mijn leven in het Frans wordt vertaald voor Le temps. Van de kranten bevalt hem, zo meldt hij, vooral L' Aurore, dat hij een interessante krant noemt, al werkt Rochefort hem na een paar keer lezen op de zenuwen. Voor La libre Parole geldt hetzelfde, zo schrijft hij daar in éen adem achteraan: dat de krant hem op de zenuwen werkt dus, neem ik aan. Simmons merkte in zijn biografie op dat die twee kranten hem bevielen en dat lijkt me niet wat er in de betreffende brief (Urban 643, Eekman 406) te lezen staat, ook niet volgens Urban en Eekman trouwens. Het zou, zo merk ik maar op, een wat vreemde combinatie zijn geweest, want L' Aurore was Clemenceau's recent verschenen, linkse krant (waarin op donderdag 13 januari 1898 Zola's J' Accuse gepubliceerd zou worden), terwijl La libre Parole weliswaar eveneens links was, maar ook anti-semitisch. Het was de in schandalen gespecialiseerde krant van Drumont. Henri Rochefort (1830-1913) was de voormalige linkse held van Frankrijk, redacteur van La Lanterne, communard, die inmiddels veel rechtser was geworden en heftig antisemiet. Voor informatie over hem verwijs ik naar mijn behandeling van Manets Ontsnapping van Rochefort en Manets Portret van Rochefort. Tsjechov had net als veel tijdgenoten zeker zijn vooroordelen waar het de joodse medemens betrof en geeft daar in zijn brieven met regelmaat, maar op onnadrukkelijke wijze blijk van. Maar antisemiet is hij zeker niet. Joodse vrienden gingen daar stilzwijgend van uit. Als hij hoort wat Potapenko met Lika Mizinova heeft uitgevreten, noemt hem een jood (wat hij ook was) en ook elders duikt het woord met regelmaat in depreciërende zin op in zijn correspondentie. De oude Russische Tsjechov-editie van de correspondentie laat het woord standaard weg en vervangt het door haken met puntjes. Maar een half jaar na zijn terugkeer in Rusland zal hij in Moskou de rector van de universiteit daar bezoeken in een poging om een joods student (bevriend met de boekhandelaar Sanin, die hij in Jalta kent) een plaats te bezorgen en ook op andere momenten blijkt dat Tsjechov van geïnstitutionaliseerd noch individueel anti-semitisme iets moet hebben. Als een paar jaar later, op 28 januari 1902, éen van de directeuren van het Kunsttheater, Savva Morozov (1862-1905), besluit aandelen uit te geven en Meyerhold en Smagin, twee joodse leden, niet worden gevraagd, is het Tsjechov - die uiteindelijk met 10.000 roebel meedoet - die daartegen protesteert. Soevorin, aan wie Tsjechov schreef over zijn persvoorkeuren, kan het met diens opmerkingen over L'Aurore in elk geval niet eens geweest zijn. En dat zal snel blijken.

Want in november 1897 verschijnt er plotseling nieuw bewijs in de Dreyfus-affaire, waarbij de Franse officier al in 1894 is veroordeeld. Van de romancier Zola heeft Tsjechov, zoals vermeld, geen hoge dunk, maar hij is realistisch, want hij herkent anderzijds de kwaliteiten die er wel degelijk zijn. Wanneer Soevorin, al in juli 1891, een keer de nu vergeten Zwitserse, maar Franstalige romancier Edouard Rod (1857-1910) looft, breekt Tsjechov de auteur in kwestie tot op de grond toe af. Rod was iemand die door Tolstoj werd bewonderd en het Naturalisme dood verklaarde, overigens na in een eerder stadium Zola's volgeling te zijn geweest. Dat dood verklaren gebeurde na het verschijnen van Zola's zwaar bekritiseerde - en zeer onzedelijk geachte - roman La Terre met een in augustus 1887 in Le Figaro verschenen manifest, dat was ondertekend door vijf van Zola's voormalige discipelen. Zola werd daarin onder andere een ziekte aan de lagere organen verweten. Het manifest zou in heel Europa tot navolging leiden, zelfs in Nederland waar van Deyssel in 1891 de dood van het naturalisme uitriep, al was hij het ook die in de massaliteit der veroordeling zelf de beroepsnijd herkende, net als misschien zijn Russische collega deed. Tsjechov schrijft op satirische toon over Rod, aan de zo gelovige Soevorin: Al hebben we dan niet zoveel talent als u, meneer Zola, wij geloven tenminste in God. Wanneer nu tijdens Tsjechovs verblijf, op 13 januari 1898, Zola's J' accuse verschijnt in L' Aurore, is Tsjechov in éen klap een bewonderaar. De kwestie splijt op dat moment natuurlijk al een tijdlang heel Europa. Ze zal huwelijken, vriendschappen en relaties voorgoed beëindigen en jarenlang met regelmaat de voorpagina's beheersen.

Op 4 januari 1898 reageert hij aan het eind van een brief aan Soevorin nog op wat hij in diens krant, Novoje Vremja, heeft gelezen over L.N. Tolstojs Wat is kunst? Het is naar mijn idee een in al zijn eenvoud bewonderenswaardig stukje proza:

[...] Naar de samenvatting in Novoje Vremja te oordelen is L.N's essay over de kunst blijkbaar weinig interesssant. Het is allemaal oud nieuws. Over de kunst te zeggen dat ze lijdt aan ouderdomskwalen, op een doodlopende weg is geraakt, dat ze niet meer is wat ze zou moeten zijn, dat is hetzelfde als te zeggen dat het verlangen te eten en te drinken verouderd is, dat het achterhaald is en dat het niet meer is wat het ooit is geweest. Natuurlijk is honger een oud verhaal en natuurlijk zijn we met de wens te eten op een doodlopende weg geraakt, maar eten moeten we toch, en dat zullen we - wat filosofen en boze oude mannen ons ook allemaal proberen wijs te maken - blijven doen.

Een paar weken later schrijft hij, opnieuw aan Soevorin: Ik doe niks, ik slaap, eet en offer aan de godin der liefde, waarna de Russische editie een paar haken met puntjes zet, ten bewijze dat wat er stond niet door de beugel kon. Gelukkig heeft Rayfield de rest: Mijn huidige Française is een bijzonder aardig schepsel, 22, met een geweldig figuur, maar het verveelt me nu allemaal wel een beetje en ik wil naar huis. Er zijn overigens meer kapers op de kust. Want begin januari, op kerstdag (Russische stijl), verschijnt Aleksandra Khotiáintseva (1865-1942), Masja's schilderende vriendin, die ook een oogje op Tjsechov had. Ze trekt in zijn pension en blijft een paar weken, ondertussen onophoudelijk in zijn gezelschap verkerend. Ze blijkt aangenaam gezelschap. Maar er zijn andere dingen die hem echt bezighouden. Op 23 januari schrijft hij aan F.D. Batjoesjkov (1857-1920), aan wie hij drukproeven stuurt voor zijn Bij Kennissen (VW 5):

Bij ons is er maar éen gespreksthema, en wel Zola en Dreyfus. De overweldigende meerderheid der intelligentsia staat aan de kant van Zola en gelooft in de onschuld van Dreyfus. Zola is minstens drie el gegroeid; uit zijn protestbrieven waait gewoonweg een frisse wind en elke Fransman heeft gemerkt dat er godzijdank nog gerechtigheid is op deze wereld en dat er, als iemand onschuldig is veroordeeld, mensen zijn die hem willen verdedigen. De Franse kranten zijn enorm boeiend, de Russische - om weg te gooien. Novoje Vremja is gewoon weerzinwekkend.

Of hij met die meerderheid der Franse intelligentsia gelijk had, daarvan ben ik helaas niet zeker. Hoe dan ook: begin februari schrijft hij aan Aleksandra Khotiáintseva, die dan al weer vertrokken is:

U vraagt me of ik nog altijd geloof dat Zola gelijk heeft? Ik vraag u: hebt u zo'n lage dunk van me dat u er ook maar éen moment aan kunt twijfelen dat ik aan de kant van Zola sta? Voor éen van zijn vingernagels geef ik al diegenen die nu als gezworenen recht over hem spreken, al die generaals en voorname getuigen. Ik lees het stenografische verslag en ik vind niet dat Zola ongelijk heeft en ik zie niet in welk bewijs daarvoor nog meer nodig is.

Tsjechov houdt Zola's proces dus nauwgezet bij en leest er alles over wat hij in handen krijgt. Het ergert hem dat een deel van de Russische pers, in het kielzog van Franse rechtse kranten, Zola veroordeelt en bekladt. En de ergste Russische krant op dat punt is Soevorins Novoje Vremja, terwijl diezelfde krant, zo noteert hij in een terzijde in een brief aan broer Aleksandr, elders in de pagina's ervan een roman van Zola als feuilleton gebruikt, diens Paris namelijk, uiteraard zonder ervoor te betalen. Eerder al, in oktober 1897, had er een vervelend incident plaatsgevonden tussen de twee. Soevorin had hem uitgenodigd naar Parijs te komen en Tsjechov had, met een beroep op zijn gezondheid, geweigerd. Soevorin had Tsjechov naar aanleiding daarvan - tot Tsjechovs verbazing overigens - een geërgerde brief geschreven. Op 6 februari 1898 schrijft hij een zeer lange brief aan Soevorin, waarin hij alle bewijzen van Dreyfus' onschuld opsomt. Soevorin vroeg en kreeg na Tsjechovs dood al zijn brieven aan hem terug, zodat zijn antwoord op Tsjechovs brief verdwenen is, maar Tsjechov zelf was de mening toegedaan dat hij Soevorin had overtuigd. Dat blijkt echter niet uit de lijn die zijn krant volgt en evenmin uit wat die in zijn dagboek schrijft. Als Tsjechov door iemand wordt gevraagd, hoe het kan dat hij Soevorin zou hebben overtuigd, maar dat zijn krant nog steeds over Zola tekeer gaat, zegt hij: Omdat Soevorin karakterloos is. De twee zullen hun zeer regelmatige correspondentie een tijdlang onderbreken en daarna nooit meer op dezelfde vertrouwelijke voet komen. Ik vermoed dat eerder al ook de kwestie rond Zaal 6 en de publicatie ervan, uitgerekend in Roesskaja Mysl, Soevorins ergernis had opgewekt. Een half jaar later in Rusland zal overheidsoptreden tegen studenten - verdedigd in Soevorins krant - een nieuwe splijtzwam vormen. Nu is er pas in maart 1898 weer een brief. In diezelfde maand stuurt hij naar Taganrog 319 boeken, voor de buitenlandse afdeling van de bibliotheek daar. Als hij op 14 april Nice verlaat en naar Parijs gaat, om vandaar terug te keren naar Rusland, ontmoet hij Soevorin weer, die er speciaal voor uit Petersburg komt. Tsjechov verlaat zelfs zijn goedkope, aan rue Canmartin gelegen hotel Dyon om te verhuizen naar Soevorins chique Vendôme. Ik vraag me af of Tsjechov niet Rue de Caumartin bedoelde. Simmons schrijft: Vergevingsgezind als hij was, had Tsjechov een hekel aan ruzies en animositeit, en hoewel hun verschil van mening over de Dreyfus-affaire de relatie onherstelbaar had beschadigd, wilden beiden de goede verstandhouding bewaren. Soevorin is nu eenmaal Tsjechovs belangrijkste uitgever, al is het geen toeval dat daar nog geen jaar later een eind aan zal komen. In Parijs spreekt Tsjechov nog met verschillende hoofdrolspelers in de Dreyfus-affaire en krijgt hij na een twee uur durend interview met een verdediger van Dreyfus, Bernard Lazare, een gesigneerde brochure. In het voorbijgaan regelt hij voor Taganrog een standbeeld van Peter de Grote dat daar zal komen te staan. Op 19 april bezoekt hij nog Versailles. Op 2 mei vertrekt hij naar Petersburg, waar hij op 4 mei 1898 arriveert, toch bij de Soevorins overnacht, om de dag erna door te reizen naar Moskou, waar hij door Masja wordt opgewacht. Laat in de middag van 5 mei 1898 is hij in Melichovo.

102 Anton Tsjechov, Nice, 1897. Foto: G. Sabbiot. Bron: Urban 1987 nr. 446

Tsjechov in Nice, 1897

103 Al op 25 april 1898, toen Tsjechov nog in Parijs verbleef, had Vladimir Ivanovitsj Nemirovitsj-Dantsjenko (1858-1943) hem gevraagd om toestemming De meeuw weer uit te voeren in het door hem en Konstantin Stanislavski (1863-1938) op te richten Moskous algemeen toegankelijk Academisch Kunsttheater, Moskovski Choedozjestvenni Akademicheski Teatr, ofwel als acronym MChAT. Dat heet sinds 1992 Tsjechov-Moskou-Kunsttheater en heeft zelfs een Amerikaanse dependance. Het symbool ervan is nog steeds een meeuw. Nemirovitsj schrijft dat hij er borg voor staat dat de uitvoering gewetensvol, vrij van routine en met nieuwe enthousiaste acteurs zal plaatsvinden. Hij is nog maar net in Melichovo, of Nemirovitsj vraagt het hem een tweede keer en biedt aan de enscenering te komen bespreken. Tsjechov stemt toe, al zal hij daar ten slotte zelf voor naar Moskou gaan. Het Kunsttheater was inmiddels op poten gezet, vooral met geld van Stanislavski, die uit een schatrijke familie kwam en al een verleden als succesvol acteur achter de rug had en met financiële ondersteuning van een andere rijke sponsor, de fabrikant Savva Timofejevitsj Morozov (1862-1905). Het gebouw van het theater - waar het gezelschap nog steeds speelt - zal overigens pas eind 1902 afkomen en was het oude, nu door Franz Schechtel omgebouwde Lianozov-theater, toen aan de Gazetnysteeg, nu aan Kamergerski pereulok (laan). Tsjechov noemt Stanislavski in zijn brieven gewoonlijk bij zijn burgernaam, Aleksejev. Op grond van de brieven heb ik het idee dat Tsjechov Nemirovitsj eigenlijk niet mocht. Aan diens vrouw heeft hij een regelrechte hekel. Aangenomen wordt dat regisseur Nemirovitsj - Vladimir, ter onderscheiding van zijn schrijvende broer Vasili - een verhouding heeft gehad met Olga Knipper. En het is Rayfield die in zijn biografie niet alleen uitgebreid verslag doet van Tsjechovs omvangrijke seksleven, maar ook nog uitrekent dat Olga's mislukte zwangerschap van anderhalve maand in maart 1902 niet het product van een samenzijn met Anton Tsjechov kon zijn. Hoe dan ook: het zou nog even gaan duren, en De meeuw zou uiteindelijk pas de vierde voorstelling zijn die het Kunsttheater op het toneel bracht, maar wel de succesvolste.

Al snel wordt Tsjechov weer overstroomd met gasten, terwijl hij bezig is fondsen te werven voor een derde schoolgebouw, nu in Melichovo zelf. Ondertussen verzamelt hij zijn vroege korte komische verhalen om ze in een bundel uit te geven. De uitgever Sytin wil er 5000 voor betalen, schrijft hij aan Soevorin, wellicht als hint. Half juni 1898 is hij vijf dagen in Moskou, onder andere om met Sytin te overleggen. De uitgave zal uiteindelijk niet tot stand komen, omdat hij al snel in contact raakt met een andere uitgever, Marks. Want tussendoor schrijft Tsjechov een paar verhalen, Bij kennissen, Ionitsj, De man in het foedraal (in de nieuwe vertaling: in het etui), Kruisbessen en Over de liefde, die in oorsprong allemaal bedoeld waren voor Roesskaja Mysl. Nadat hij Ionitsj daar al heen had gestuurd, vraagt hij het op 6 juni terug en stuurt het naar Niva (Korenveld); en dat is het tijdschrijft van Marks, die uiteindelijk zijn verzameld werk zal kopen. Ionitsj zal in Niva nummer 9 van 1898 gepubliceerd worden. Als Tsjechov de drukproeven ontvangt, krijgt hij tegelijkertijd te horen dat Marks hem wil spreken. Het is niet ondenkbaar, zo meent bijv. Simmons, dat die wens, een verzameld werk, mede is ingegeven door door het vermoeden dat hij niet zo lang meer te leven heeft. Begin augustus bezoekt hij Sobolevski, die op het landgoed van de Morozovs verblijft, bij Tver, om op de terugreis Levitan te bezoeken op diens landgoed. Op 12 augustus schrijft hij aan Mensjikov, hoofdredacteur van Nedelja (De week), dat hij, in de wetenschap dat hij herfst en winter niet op Melichovo zal kunnen doorbrengen, nergens meer toe in staat is. Hij is van plan in de herfst naar Sotsji te gaan en daarna weer naar het buitenland. De bacillen verdrijven hem, schrijft hij, want hij zou graag blijven. Het landgoed is al bezig enigszins in verval te raken, want er wordt niet veel meer aan gedaan. De onderwijzer Michailov, die dankzij Tsjechov is aangesteld op de door hem gebouwde school in Talesj, jaagt de plaatselijke pope tegen zich in het harnas en wordt ontslagen. Ook met het personeel gaat het mis. De beste dienstmeid gaat trouwen, een knecht is weer aan de drank. Niet lang erna maakt éen van Tsjechovs acteursvrienden de keukenmeid zwanger.

Tsjechov dringt er dus bij Soevorin op aan een verzamelde editie van zijn werk te gaan publiceren, omdat hij er genoeg van heeft steeds maar losse delen met verhalen uit te brengen. Op 24 augustus 1898 schrijft hij aan Soevorin:

Sytin wilde mijn humoristische verhalen niet voor drie, maar voor vijfduizend kopen. De verleiding was groot, maar ik kon niet besluiten te verkopen; ik heb geen zin in weer een nieuw boek met een nieuwe titel. Elk jaar boeken onder een nieuwe titel uit te geven - dat gaat zo vervelen en het is zo simpel. Wat Kolesov ook zegt, vroeg of laat zal ik ertoe moeten overgaan de verhalen in enkele banden uit te brengen en ze gewoon te noemen deel 1, deel 2, deel 3, met andere woorden, mijn verzameld werk uit te geven. Dat zou me van alle problemen verlossen en dat raadt ook Tolstoj me aan. De komische verhalen die ik nu heb bijeengebracht, zouden dan het eerste deel kunnen vormen. En als u er niets op tegen hebt, kan ik van de herfst en de winter, als ik niets te doen heb, me bezighouden met de redactie van de andere delen. [...] Ik bouw weer een nieuwe school, de derde in getal. Mijn scholen hebben een voorbeeldige reputatie en dat zeg ik alleen opdat u niet denkt dat ik uw 200 roebel aan rotzooi heb uitgegeven. Op 28 augustus ga ik niet naar Tolstoj, ten eerste omdat het te koud en te nat is om te reizen, ten tweede - waarom zou ik? Tolstojs hele leven is éen voortdurend jubileum en er is geen enkele reden daar éen speciale dag voor uit te kiezen; ten derde was Mensjikov hier, die recht van Jasnaja Poljana kwam en me vertelde dat Tolstoj bijvoorbaat de wenkbrauwen fronst en kreunt bij de gedachte alleen al dat er de 28e feliciteerders zouden kunnen verschijnen; en ten vierde ga ik niet naar Ja. P. omdat Sergejenko er is. Met Sergejenko heb ik samen op het gymnasium gezeten; toen was hij een komiek, een vrolijke kerel en een grappenmaker, maar sinds hij denkt dat hij zowel een groot schrijver is als de grote vriend van Tolstoj - die hem, even terzijde, verafschuwt - is hij de stompzinnigste mens op aarde geworden. Ik ben bang voor hem. Hij is een lijkwagen op twee benen. Mensjikov zei dat Tolstoj en zijn familie me nadrukkelijk hadden uitgenodigd en dat ze beledigd zouden zijn als ik niet kwam (maar niet op de 28e, voegde Mensjikov daar aan toe). [...]

En dat is dus de Sergejenko die Tsjechov nog geen jaar later zal laten onderhandelen met de uitgever Marks over zijn verzamelde uitgave. Op 9 september 1898 gaat Tsjechov naar Moskou en leert er dezelfde avond tijdens een repetitie van De meeuw het gezelschap kennen dat zijn stuk in december in een nieuwe serie voorstellingen zal gaan uitvoeren. In afwezigheid van Stanislavski worden alleen de eerste en een deel van de tweede akte gerepeteerd. Op de avond van de elfde sepember is hij er weer. Hij is verrast door de kwaliteit, maar als tijdens de repetitie het geluid van kikkers en van krekels hoorbaar wordt, vraagt Tsjechov, op ontevreden toon: hoezo dat? Omdat het echt is, antwoordt een acteur. Echt..., zegt Tsjechov, toneel is kunst. Kramskoj heeft een genreschilderij waarop een prachtig gezicht is afgebeeld. Maar wat als je de neus eruit zou snijden en die vervangen door een echte neus... dan is de neus echt, maar het schilderij bedorven. Dat allemaal volgens de acteur V.V. Loezjiski in zijn Herinneringen aan Tsjechov. Een paar dagen later is hij aanwezig bij de repetitie van Tsaar Fjodor Jovanovitsj van A.K. Tolstoj - neef van de grote - waarmee het Kunsttheater van plan is te openen. Hij is diep onder de indruk, vooral van éen actrice, Olga Knipper.

Olga Knipper werd geboren op 9 (21) september 1868 in de stad Glazov, in wat nu Oedmoertië heet, als dochter van een ingenieur van Pruisische herkomst, Leonard Knipper, en van een ook al van origine uit Pruisen afkomstige moeder, Anna Saltz, die muziekonderwijs gaf aan de academie. De ouders namen blijkbaar al snel de Russische nationaliteit aan. De vader was in Glazov fabrieksdirecteur, maar de familie zou toen Olga twee jaar oud was, naar Moskou verhuizen. Ze had éen oudere broer (Konstantin) en éen jongere (Vladimir). Van een derde broer, Leonid, zijn de data onbekend. Ze volgde een privéschool voor meisjes, sprak Frans, Duits en Engels, schilderde naar verluidt heel behoorlijk en speelde uitstekend piano. Na de dood van haar vader in 1894, die zich had verzet tegen een artistieke carrière, maar wel op te grote voet had geleefd, gaf ze, net als haar moeder beroepsmatig deed, noodgedwongen een tijdje muzieklessen, tot ze zich inschreef aan de Moskouse toneelschool, eerst heel kort aan die van het Malytheater, maar al snel aan die van de Moskouse Academie, waar ze les kreeg van Nemirovitsj-Dantsjenko. Die opleiding sloot ze af in 1898, maar al voor die tijd werd ze, net als haar medestudent (en latere regisseur) Vsevolod Meyerhold, aangenomen bij het Moskouse Kunsttheater. Ze speelde Arkadina in De meeuw, Elena in Oom Vanja, Masja in Drie zusters en Ljoeba in De kersentuin en zou dat lang blijven doen. Benedetti vertelt hoe ze, nog als tachtigjarige, tijdens een galavoorstelling van Drie zusters vanuit haar loge luidkeels roept wat door Masja wordt uitgesproken bij haar afscheid van Versjinin: Vaarwel! Se non è vero... Ze zal overigens tijdens de burgeroorlog een tijd in onzekerheid verkeren over de keus die ze moet maken. In mei 1919 gaat ze uit Charkov, waar ze op dat moment heen is gevlucht voor de hongersnood en waar ze optreedt, voor het rode leger op de loop naar Tiflis en ze zal vervolgens elders in Oost-Europa optreden, in Bulgarije en Joegoslavië, om pas in 1922, maar via Duitsland en Scandinavië terug te keren naar het vaderland, zoals velen in die periode nog deden. Kort daarna al gaat ze - en nu officieel - op toernee, naar Parijs, Berlijn en de Verenigde Staten. Haar broer Konstantin sloot zich aan bij de Witten. Het is verwarrend dat een zoon uit het tweede huwelijk van Tsjechovs broer Aleksandr, Michail (1891-1955), zal trouwen met de dochter van Olga's broer Konstantin, die ook Olga Knipper heet (1897-1980). Uit dat kortstondige huwelijk van neef en nicht zal geboren worden een andere bekende actrice, Olga Tsjechova (1915-1966), actief in Duitsland ten tijde van het Derde Rijk. De twee Olga's zullen elkaar in de twintiger jaren tijdens Olga Knippers officiële toernee nog ontmoeten. Als Tsjechov zijn Olga Knipper voor het eerst bezoekt, is ze 29 jaar en heeft ze, na een eerdere verhouding met een student, een relatie met regisseur Vladimir Nemirovitsj-Dantsjenko. De altijd wat cynische Rayfield legt zoals gewoonlijk de vinger op de zere plek en schrijft: In het Russisch theater was het nu eenmaal gebruikelijk dat de steractrice de maitresse was van de regisseur. Ze zou erg oud worden en pas op 90-jarige leeftijd sterven, op 22 maart 1959.

Zie verderop voor de zo succesvolle voorstelling van 17 oktober 1898, waarin ze - met koorts - de rol van Arkadina speelde. Op 18 april 1899 bezocht Tsjechov Olga Knipper bij haar thuis. In haar herinneringen schrijft ze: En op Eerste Paasdag kwam plotseling Tsjechov op bezoek, hij, die nooit en nergens bezoeken aflegde... Ze wist het blijkbaar niet, maar dat laatste was zeker niet waar. De dag na de kennismaking met Knipper vertrekt Tsjechov naar Jalta, waar hij op 18 september arriveert. Vandaar schrijft hij op 21 september, uitgerekend aan Lika Mizinova:

[...] Nemirovitsj en Stanislavski hebben een heel interessant theater. Heel, heel knappe actricetjes. Als ik nog wat langer was gebleven, had ik mijn hoofd verloren. Hoe ouder ik word, hoe vaker en heftiger in mij de harteklop des levens slaat. Knoop dat maar in je oren. Maar vrees niet. Ik zal 'mijn vrienden' geen verdriet doen door van hen weg te nemen wat ze met zoveel succes bij elkaar hebben gehaald.

Bijgaande foto wordt voor zover ik heb kunnen vaststellen niet door Urban gegeven en ik wilde hem, gezien hetgeen Tsjechov er zelf over schrijft (een duiveltje), toch tonen. Ik ben ernaar op zoek gegaan en dit is het enige volledige exemplaar dat ik heb kunnen vinden. Ik heb hem heel licht gephotoshopt.

103 Olga Leonardovna Knipper (1868-1959), Moskou, 1900. Ansichtkaart van het Moskouse Kunsttheater. Lieve actrice, de foto's zijn heel, heel mooi, vooral die, waarop je met de ellebogen op de stoelleuning steunt en waarop je een gelaatsuitdrukking hebt van een stil en bescheiden bekommernis, waar het duiveltje achter schuilgaat. Ook die andere is geslaagd, maar daar lijk je meer op een kleine jodin, een zeer muzikaal persoontje, dat op het conservatorium zit maar tegelijkertijd, voor als de nood aan de man komt, tandheelkunde studeert en er een bruidegom in Mogilev op na houdt; en wel een bruidegom als Manasevitsj. Tsjechov op 14 februari 1900 uit Jalta aan Olga Knipper. Ik vermoed dat het eerste commentaar deze foto betrof; op een andere foto leunt Knipper ook, maar niet op de ellebogen. Urban annoteert bij de brieftekst: Mogilev was een stad in Oekraïne met veel joodse bewoners. Albert Feodorovitsj Manasevitsj was (de eveneens joodse) directie-secretaris van het Kunsttheater. Bron foto: onbekend, internet

Olga Knipper, 1900

5 JALTA 1897-1904

104 Tsjechov heeft voor Jalta gekozen, niet omdat hij het er ooit zo naar zijn zin had gehad, want hij vond Jalta vanaf het begin vervelend en dat vindt hij nog. Hij is er enkel vanwege het advies van de artsen en omdat hij geen geld heeft om naar het buitenland te gaan. Sterker nog: als hij erheen gaat, is hij van plan aansluitend binnen niet al te lange tijd naar het buitenland te vertrekken. Maar daar zal dus wat tussenkomen en naar het buitenland gaat hij pas een jaar later. Het intellectuele centrum van Jalta blijkt de boekhandel van Sinani, waar, zo schrijft Simmons, de levendige verkoop van tabak, pijpen en sigaretten de trage omzet der schone letteren compenseert. Hij leert er al zowat op de dag van aankomst alle plaatselijke en Jalta bezoekende artiesten kennen, zo de dichter Balmont (1867-1942), de operabas Sjaljapin (1873-1938) en de componist Rachmaninov (1873-1943), die hem een gesigneerde Fantasie voor Orkest stuurt, met de medeling dat die is geïnspireerd door een verhaal van Tsjechov, Onderweg, dat van 1886 was. Het betrof naar Rachmaninovs eigen zeggen zijn Rots (Утёс), opus 7, van 1893, al is dat officieel opgedragen aan Rimski-Korsakov en heeft het ook nog een motto dat nota bene is ontleend aan Lermontov.

Het is half oktober 1897. Tsjechov is nog maar kort in Jalta, waar hij binnen een paar weken tijd twee keer verhuist, bijna onmiddellijk tot bestuurslid van het meisjesgymnasium wordt gekozen - dat als ik Rayfield moet geloven maar drie klassen telde - en iedereen leert kennen die er toe doet, of hij krijgt per telegram te horen dat zijn vader op 12 oktober 1898 is overleden. Die heeft bij het optillen van een zware doos een breuk opgelopen, wordt naar een ziekenhuis in Moskou gebracht en geopereerd, waarbij er blijkbaar complicaties ontstaan, twee dagen later nog een keer geopereerd moet worden en dan sterft op de operatietafel. Tsjechov kan niet naar de begrafenis. Het telegram is per vergissing een dag later bezorgd en het zou hem vier dagen kosten terug te komen op Melichovo. De vader wordt begraven op het deftige Novodevitsji, wat de zoon in elk geval tot tevredenheid stemt, ook al tobt hij over de ellende die de kwestie Masja bezorgt. Hij meent dat als hijzelf in Melichovo was geweest, de vader in leven was gebleven. Bij een later bezoek aan Moskou zal hij nog voor een steen op het graf zorgen. Op 23 oktober 1897 verhuist hij naar een andere woning, villa Au mur, van K.M. Ilovajskaja, een generaalsweduwe, die een bewonderaar is van de schrijver, en hij besluit bovendien voorlopig in Jalta te blijven en niet, zoals hij eerst van plan was, naar het buitenland te gaan. Dat zal pas in december 1900 gebeuren. In zijn afwezigheid opent het Moskouse Kunsttheater op 14 oktober 1897 zijn eerste seizoen met A.K. Tolstojs Tsaar Fjodor Jovanovitsj in de regie van Stanislavski en Sanin. Kort daarna volgen nog stukken van Hauptmann, Shakespeare, Pisemski en Goldoni. Een paar weken eerder is in het Moskouse Kleine Theater zijn eigen Beer in première gegaan. Tsjechov aarzelt of hij Melichovo zal verkopen en het gezin naar Jalta zal laten verhuizen, maar hij heeft het er duidelijk moeilijk mee, want hij zal verschillende keren van mening veranderen. Voor Masja heeft hij al een baan op het oog op het meisjesgymnasium. Al op 25 oktober laat hij aan zijn broer Michail weten dat hij een stuk grond heeft gekocht bij Aoetka. De eigenaar wil uit respect voor mij geen rente, schrijft hij. Eerder al, op 8 oktober 1898, schrijft hij aan Soevorin, die blijkbaar van plan is de prijzen van Tsjechovs boeken te verhogen:

U schrijft wel dat men het publiek niet moet verwennen - nou, wat mij betreft; maar het moet ook niet zo zijn dat ik duurder word verkocht dan Potapenko en Korolenko. Hier op Jalta lopen mijn boeken goed en in de boekhandel vertelde men me dat het publiek vaak van zijn misnoegen blijk geeft. Ik ben bang dat de dames mij op straat met hun parasols te lijf zullen gaan. Het weer is hier warm, echt zomers. Vandaag staat er wat wind, maar gisteren en eergisteren was het zo mooi dat ik me niet kon beheersen en een telegram aan Novoje Vremja heb gestuurd. Een mantel dragen we niet en nog is het warm. De kust van de Krim is mooi, gezellig, en bevalt me beter dan de Riviera, alleen éen ding is jammer: er is geen cultuur. In Jalta is men op éen punt in elk geval verder dan in Nice: er is hier een voortreffelijke riolering, maar de omgeving is je reinste Azië. [...]
Twee dagen later vraagt hij in een brief aan Soevorin ook nog of hij 5000 roebel voorschot kan krijgen, zoals Soevorin ooit had beloofd dat mogelijk was. Hij heeft geld nodig. Op 26 oktober stuurt hij bovendien de vroege komische verhalen die hij had verzameld voor de editie bij Sytin naar Soevorin, dat dan voor een verzamelde uitgave, die hij op dat moment blijkbaar toch nog bij Soevorin wil onderbrengen. Hij legt uit dat hij vooral waarde hecht aan de kwaliteit van de uitgave, aan band, lettertype en omvang. Hoe dikker, hoe beter. De verhouding met Soevorin is ondertussen niet geweldig. Zijn krant gaat nog steeds te keer tegen Dreyfus en diens verdedigers. Journalisten lopen weg bij de krant. Een week later zal hij in een brief van 25 oktober 1898 aan Michail melden dat het gevraagde geld inderdaad is aangekomen. Aan hem legt hij uit wat er gebeurd is. Het is de eerste vermelding van het stuk grond waarop Tsjechovs nieuw te bouwen huis zal komen te staan. Naar de zonde waar Tsjechov van rept, mag u raden.
Beste Michail, ik wilde jou en O.G [Olga Germanovna, Michails vrouw] wat van de Krim sturen, maar ik heb niks geschikts kunnen vinden, het is allemaal rommel. Pesje kan getuigen dat ik lang gezocht heb - wees daarmee dus tevreden. Ik ben in Jalta, woon in het huis van Ilovskaja, eet daar ook. Ik eet samen met Mme Sjavrova [moeder van Jelena Michailovna Sjavrova] en Asja [zus van Jelena Michailovna Sjavrova]. Straf voor mijn zonden. Overmorgen teken ik het koopcontract voor een stuk grond in Aoetka, 20 minuten te voet van zee; een prachtig uitzicht in alle richtingen, over zee, over de bergen; tuin, wijngaard, put, waterleiding, riolering en genoeg ruimte, zelfs om er een moestuin aan te leggen. Ik heb het voor 5.5 roebel per sazjen [ruwweg een vierkante meter] gekocht, en nu al wil men er mij 8 voor geven. Ik betaal niet contant, maar met een pandbrief, zonder rente. De eigenaar wil uit respect voor mij geen rente hebben. De 5 duizend uit Piter zijn binnen en op dinsdag al begin ik te bouwen, vervolgens neem ik bij de bank een hypotheek en betaal al mijn schulden af. Behalve het stuk grond in Aoetka koop ik vermoedelijk nog een klein landgoed in Koetsjoekoi, als het Masja bevalt. Ik zal je de details in elk geval nog doen toekomen. Masja schrijft dat het in Melichovo enorm troosteloos is. Het lijkt er allemaal op uit te draaien dat we Melichovo moeten verkopen. [....]

Een dag later - op 26 oktober - voegt hij daar, ook aan Michail, nog het volgende aan toe:

Beste Michail, ik had net mijn kaart aan je verstuurd of de jouwe kwam. Wat jullie allemaal hebben doorstaan bij de begrafenis van vader, weet ik en ik voelde me zodoende afschuwelijk. Het bericht van vaders dood kreeg ik pas te horen op de avond van de dertiende, van Sinani, men had me op wat voor reden ook niet getelegrafeerd en als ik niet toevallig naar Sinani's winkel was gegaan, had ik nog lang in het ongewisse verkeerd.
Ik koop in Jalta een stuk grond en ga er bouwen om een vaste plek voor de winter te hebben. Het vooruitzicht van voortdurend gezwerf, met hotelkamers, portiers, maaltijden op goed geluk, enz. schrikt me af. Moeder kan hier met mij overwinteren. Winters bestaan hier niet. Het is nu eind oktober en rozen en andere bloemen bloeien om het hardst, de bomen zijn groen, het is warm. Er is hier veel water. Behalve een huis heb je hier niets nodig, geen bijgebouwen, alles heb je onder éen dak. In de kelder kolen en hout, een verblijf voor de huismeester en dat is het. De kippen leggen het hele jaar door en je hebt geen eigen stal nodig. Een hok volstaat. Vlakbij een bakker, een markt. Zodat moeder het warm en heel gezellig zal hebben. Even terzijde: in het bos kun je de hele herfst paddestoelen plukken en ook dat zal moeder bezig houden. Bouwen doe ik niet zelf, dat doet een architect. Tegen april is het huis klaar. Voor een stedeling is het stuk grond groot; er is plaats voor fruit-, bloemen- en groententuinen. Vanaf volgend jaar heeft Jalta een spoorverbinding. [...] Wat het huwelijk betreft waar je op aandringt - wat zal ik zeggen? Trouwen is alleen interessant als je het uit liefde doet; met een meisje alleen maar trouwen omdat ze sympathiek is, is hetzelfde als op de markt iets overbodigs kopen, alleen omdat het mooi is. Het belangrijkste punt in het gezinsleven is - de liefde, de seksuele neiging, de gemeenschap des vlezes, de rest is onbetrouwbaar en dodelijk vervelend, hoe slim we het van te voren ook bedenken. Het gaat dus niet om een sympathiek meisje, maar om een geliefde; het betreft, zoals je begrijpt, maar een detail. [...] Morgen komt Masja. We zullen beraadslagen, alles overwegen, zoals het hoort. Van wat we besluiten, krijg je bericht. [...]

Eind oktober, begin november 1898 krijgt hij voor het eerst een brief van Maksim Gorki. Tsjechov zal op 16 november reageren. Op 8 december 1898 - terwijl het werk aan zijn huis in Aoetka vordert, hij blijkens een brief aan Soevorin weer dagenlang bloed heeft opgegeven en toch een verhaal voor Nedelja heeft geschreven (bij Timmers In dienstaangelegenheden, nu, nogal gewild: Uit hoofde van hun functie), en weer eens vergeefs wacht op de drukproeven - laat hij Masja weten dat hij voor 2000 roebel ook nog een klein landgoed in Koetsjoekoi heeft gekocht en dat hij van plan is erheen te vertrekken met medeneming van matras en lakens. Het betreft een huis met vier kamers, tuinhuis in Tataarse stijl, keuken, stal, divan en ijzeren kachel. Dus van nu af aan ben ik eigenaar van éen van de mooiste en meest curieuze landgoederen op de Krim. Zodoende is alles weer min of meer als in Melichovo. Er komt een huis om te wonen en om bezoek te ontvangen en een ander - op enige afstand - om te werken. Ook andere dingen zijn niet veranderd, of minder dan hij misschien had gehoopt: een half jaar later al heeft hij een tijdlang geen water, blijkt het ook aan de Krim echt winter te kunnen zijn die nog onverwacht lang duurt ook en moet hij net als in Melichovo op muizenjacht.

104 Anton Tsjechov, Jalta, 1898. Foto: L.V. Sredin. Bron: Urban 1987 nr. 454

Anton Tsjechov, Jalta, 1898

105 De familie heeft misschien wel gemengde gevoelens over Jalta. Ik vermoed dat ze gehecht waren geraakt aan Melichovo, dat vanuit Moskou nu eenmaal makkelijk te bereiken was. Allen hadden ze hun sociale leven in Moskou of in Petersburg. Een verkoop van Melichovo zou ook voor hen grote gevolgen hebben. Tsjechov zelf zou er niet anders over hebben gedacht, als hij door zijn gezondheid niet gedwongen was naar Jalta te gaan. Niet voor niets zou hij lang aarzelen over wat hij met Melichovo moest doen. Als Masja eerder al, eind oktober, naar het door hem gekozen stuk grond komt kijken, houdt ze haar ontevredenheid niet voor zich. Ze vindt het te ver van zee liggen en vlakbij bevindt zich een Tataarse begraafplaats, waar juist iemand ter aarde wordt besteld. Wel is er een geweldig uitzicht, hoog over Jalta en zee heen. Als ze ziet hoe enthousiast haar broer is, laat ze naar het schijnt haar tegenzin varen, al lijkt er half december nog enige ergernis over te bestaan. Want dan ziet Tsjechov zich blijkbaar genoodzaakt aan Masja te schrijven:

Indien Melichovo, zoals je in je laatste brief schrijft, verkocht moet worden, dan in elk geval niet omdat ik op de Krim schulden heb gemaakt. Mijn financiële toestand is weliswaar niet schitterend, maar ik red me wel. [...] In heel Rusland loopt mijn Oom Vanja. Ik denk dat ik tot aan deze zomer bij Vereniging voor Toneelschrijvers 1000 roebel binnenhaal. Terwijl ik deze regels schrijft, wordt in Moskou de Meeuw uitgevoerd. Hoe het afgelopen is? Het is niet goed dat je niet bij de première was.
En dan legt hij uit hoe hij de zaak heeft bekostigd en dat Melichovo daardoor niet in gevaar komt. Maar ik heb de indruk dat de verhouding met de rest van het gezin, en ook met Masja, er toch onder te lijden heeft gehad. Wanneer hij in december 1900 weer naar Nice vertrekt, zo viel me op, zal er nauwelijks correspondentie zijn met Masja. In Sinani's boekwinkel is Tsjechov in de herfst van 1898 de jonge architect Sjapovalov tegengekomen. Die is wel enigszins bevreesd om voor de beroemde auteur een huis te bouwen, maar Tsjechov legt uit dat hij iets eenvoudigs wil en de zaak wordt beklonken. Hij huurt een Tataarse aannemer, Babakai Kalfa, die aan het werk gaat in Aoetka. Aan zijn in Melichovo achtergebleven moeder schildert hij de heerlijkheden van het te bouwen huis, die haar beslist zullen doen denken aan haar oude Taganrog. Overigens betrekt Tsjechov pas in augustus 1899 het deel van het huis dat dan bewoonbaar is.

105 Jalta, Tsjechovs Witte Datsja in aanbouw, 1899. Bron: Rayfield 1997 nr. 59

Tsjechovs Witte Datsja, Aoetka, 1899

106 Masja, die op 27 oktober was verschenen, keert aan het eind van de eerste week van november terug naar Melichovo en neemt daar de verplichtingen op zich die te maken hebben met de bouw van Tsjechovs derde school. Op 25 oktober bericht een correspondent in Odessa aan de Moskouse en Petersburgse bladen dat het met Tsjechov aan de Krim slecht gaat en dat hij voortdurend bloed opgeeft. Tsjechov is woedend, want dit soort berichten jaagt vrienden en familie de stuipen op het lijf. Hij is inmiddels een bekende Rus en hij wordt nauwlettend door de pers gevolgd. Met de arts die hem in Jalta verpleegt, Altschuler, is hij al snel goed bevriend. Op 27 november 1898 wordt die bij hem geroepen en dan blijkt Tsjechov er slecht aan toe. Maar een stelselmatige behandeling blijft hij weigeren. Zelfs te praten over zijn ziekte weigert hij. In plaats van een flesje of een glas heeft hij nu een papieren puntzakje bij zich waar hij in spuugt, zo valt Altschuler op.

Tsjechov kon ook berekenend zijn, want een heilige was hij niet. Door de nood gedwongen had hij van jongsafaan geleerd hoe nuttig het kon zijn met mensen op goede voet te staan, zeker als ze hem ergens mee konden helpen. Zijn hele carrière lang zou dat blijken. Zijn contacten met het meisjesgymnasium kwamen goed uit, want hij overwoog of hij er Masja aan een baan kon helpen als aardrijkskundedocente. Op zijn beurt was hij ook bereid daar wat voor terug te doen. Zo poogde hij op 19 december 1898, via een hem bekende acteur, Visnjevski, de zus van een lerares aan de school aan een rol te helpen in de uitvoering van zijn Meeuw in Moskou. Ook in andere opzichten betaalde hij voor de protectie een prijs, want het leidde er soms toe dat hij het slachtoffer werd van allerlei vormen van openbare verering. Tsjechov had zwaar de pest aan zulke officiële aangelegenheden en waar zulk een afkeer vaak een vorm van valse bescheidenheid is, is dat in zijn geval beslist niet zo. Wat wel opmerkelijk is en er regelrecht mee in strijd lijkt, is het enorme aantal foto's dat er van hem bestaat, iets waarvan Urbans fotobiografie uitgebreid getuigt. Ik betwijfel of er veel beroemde auteurs zijn van wie er zoveel foto's bestaan, in een periode bovendien dat nu eenmaal niet iedereen met een toestel rondliep. Blijkbaar was daar geen ontkomen aan. Anderzijds is het niet ondenkbaar dat hij dat zelf aanmoedigde. Hij was per slot van rekening ook de man die elke brief zorgvuldig zou opslaan, om ze aan het eind van elk jaar allemaal zorgvuldig te archiveren. Daarbij ging er letterlijk niets wat hij van belang achtte verloren, al zou hij zijn manuscripten vernietigen, op twee na, waarvan hij er éen, het manuscript van De dame met het hondje, weggaf aan Boenin. Op de vele foto's blijkt dat hij er zich van bewust is dat het om hem gaat en om niemand anders. Op geen enkele foto kijkt hij degene aan die naast hem zit, als er iemand naast hem zit. De bijna grappige foto met zijn voorlezing van de Meeuw is zo geënsceneerd dat hij als enige van het hele gezelschap naar de camera kijkt. Tegelijkertijd begonnen de talrijke correspondenten ook het belang van Tsjechovs brieven in te zien, misschien - op termijn - ook de financiële waarde ervan. Soevorin liet niet voor niets onmiddellijk na Tsjechovs dood zijn brieven door Aleksandr terughalen. Die vreesde blijkbaar de openbaarheid. Het is éen van de redenen waarom ik niet geloof in de zo vaak vermelde bescheidenheid van Tsjechov. In een land waar de literatuur van oudsher meer voorstelde dan elders, waar die een andere en belangrijker rol vervulde en schrijvers er een reputatie mee verwierven die met niets te vergelijken was, wist Tsjechov volgens mij wel degelijk wat hij waard was. Tsjechov was, ondanks de hem door die en gene verweten principeloosheid een oprecht geliefd schrijver, domweg omdat het gewone lezerspubliek beter dan sommige critici deden, begreep dat er in Tsjechovs verhalen wel degelijk van veel mededogen sprake was. Omdat Tsjechov inmiddels een beroemdheid is, komt hij nogal eens in aanraking met bewonderaars en hij zal met regelmaat proberen aan de aandacht te ontsnappen. Ook in Jalta was hij al gauw een bekende. Per slot van rekening was hij inmiddels, samen met Tolstoj, de beroemdste levende Russische auteur en naar ik vermoed de populairste van de twee. Naar aanleiding van het jubileum van een andere auteur schrijft hij dat hij dolblij is dat niemand weet wanneer hij voor het eerst heeft gepubliceerd. Daar zal hij zich trouwens nog lelijk in blijken te vergissen. Hij vindt het afschuwelijk toegesproken te worden. Aan Masja schrijft hij op 6 december:

Lieve Masja, ik was eergisteren op het verjaardagsfeestje van Varvara Konstantinovna [Charkejevitsj, directrice van het meisjesgymnasium]. Het feest vond niet in haar huis plaats, maar in de aula. Er werd gedanst en 's avonds werd er gegeten. Meisjes en dames waren er onvergelijkelijk veel meer dan mannen, er waren twee popes, de directeur van het jongensgymnasium was er. Toepikov [leraar aan het gymnasium] hield tijdens het eten met de hem zo eigen ernst een lange redevoering aan mijn adres, zodat ik gezworen heb in Jalta nooit meer uitnodigingen aan te nemen om te komen eten.

106 Maria Tsjechova (Masja) (1863-1957), zus van Anton Tsjechov. Ca 1900. Bron: Urban 1987 nr. 522

Mascha Tsjechov, ca. 1900

107 Terwijl Tsjechov in Jalta vasthoudt aan Melichovo als zomerdatsja, desintegreert het landgoed, want er is niemand meer die echt toezicht houdt. Half november 1897 sluit Masja het huis en daarna verblijven leden van het gezin tot de lente wanneer dat nodig is in haar Moskouse appartement. Een keer per maand gaat ze terug om te kijken hoe het met het landgoed is gesteld. In december 1897 laat ze weten dat ze zelf ook ziek is en eveneens naar Jalta wil. Ze moet bovendien verhuizen naar een groter appartement om ook de moeder te kunnen herbergen. Maar in Moskou is ze als Tsjechovs zus inmiddels ook populair en ze verblijft nu zelf ook met regelmaat in kunstenaarskringen. Ondertussen twijfelt Tsjechov nog steeds over Melichovo. Ivan (Vanja) is op bezoek geweest aan de Krim. Aan Masja schrijft hij erover op 9 januari 1899. Roman is een knecht daar:

[...] Ik heb zolang niet geschreven omdat er absoluut niets is waar ik over schrijven kan. Jij hebt het naar je zin, je leidt zoals je schrijft een mondain bestaan, ik leef als in de verbanning. In Jalta zijn er op dit moment geen mensen - het ene deel is vertrokken, de anderen werken me op de zenuwen, rondom de woestenij, en ik zou met alle plezier naar Moskou gaan, maar iedereen vertelt me dat dat te riskant is, omdat ik al twee jaar lang niet meer aan de winter gewend ben. De enige verstrooiing die ik heb, is de bouw, en ook daar ben ik zelden, want het grondstuk is drassig, je laarzen blijven erin vastzitten. Bij sneeuw en regen is het onmogelijk te bouwen en daarom vordert die maar langzaam, eigenlijk niet. De architect ontwerpt ondertussen het interieur van mijn studeerkamer, de schoorsteen, de ramen. Het wordt heel mooi. [...] Ik ben blij dat Roman betrouwbaar is. Als we Melichovo verkopen, neem ik hem mee naar de Krim. Vanja zei, dat jullie, dwz. jij en mamma, ervoor zouden zijn Melichovo te verkopen. Wat jullie willen. Verkoop het tegen elke aanvaardbare prijs, maar niet voor onder de 15.000. Mijn voorwaarden: 15.000 voor mij, de rest voor jullie; aangezien Melichovo zijn groei vooral aan jou te danken heeft, heb je het volste recht op een beloning. Verkoop de hele inventaris; meenemen doen we alleen de inhoud van de zijvleugel, de schilderijen, het goed, tapijten, bedden, zadels, geweren en zulke zaken, die van jou een mamma zijn, met uitzondering van reuzen als mamma's garderobe. Ik schrijf voor het geval je het echt weg wilt doen en een koper vindt. Als ik Marks mijn werk op gunstige voorwaarden weet te verkopen, zal ik Melichovo niet verkopen, maar de zaak anders oplossen [...]

107 Anton Tsjechov, Jalta, 1898. Bron: Urban 1987 nr. 493

Tsjechov, Jalta, 1898

108 In de zomer van 1898 werd, met toestemming van Tsjechov De meeuw ten slotte weer op het programma gezet van het Moskouse Kunsttheater onder Nemirovits-Dantsjenko en Stanislavski, en wel vanaf 17 oktober 1897. Tsjechovs Meeuw en zijn Oom Wanja waren inmiddels overal te zien geweest, behalve in Moskou. Een eerdere, korte reeks voorstellingen in Sint-Petersburg was nogal een fiasco geworden, waarna het stuk elders in den lande toch met toenemend succes zou worden opgevoerd. Maar van de Petersburgse première was Tsjechov maandenlang kapot geweest. En hoewel nu de openingsvoorstelling van het programma in het nieuwe seizoen van het Kunsttheater (een stuk van A.K. Tolstoj) een succes was geweest, verliepen de volgende voorstellingen van het theater allemaal slecht en werden ze zwaar bekritiseerd in de pers. Het betrof stukken van Hauptmann, Shakespeare, Pisemski en Goldoni. Het was vooral Soevorins Novoje Vremja die daar een rol in speelde, want in zijn krant werd Stanislavski beschuldigd van het plagiëren van eerdere voorstellingen en de kritieken erin waren negatief. De angst bestond, dat als het met Tsjechovs Meeuw weer misging, het afgelopen was met het nieuwe theater, dat bovendien nog steeds geen eigen ruimte had en speelde in de Hermitage. Pas in het seizoen 1902-1903 zou het nieuwe, nu nog bestaande theater af zijn. Stanislavski had na 26 repetities nog steeds het idee dat hij het stuk niet goed begreep. De generale repetitie verliep slecht. Kort voor de première verscheen Masja bij Nemirovitsj om hem te smeken de voorstelling uit te stellen omdat ze vreesde dat een nieuw fiasco Tsjechovs gezondheid ernstig zou schaden. Maar Nemirovitsj en Stanislavski besloten door te zetten. Olga Knipper was op de openingsavond ziek en had hoge koorts, terwijl ze Arkadina speelde. De paar dagen erna zou ze niet kunnen optreden, wat Tsjechov, die bij elke voorstelling 10 procent van de entrees kreeg, trouwens nog flink wat geld zou kosten. De andere acteurs waren op van de zenuwen, want ze wisten wat er van de avond afhing. Maar de première van De meeuw, op 17 december 1898 bleek een enorm succes. Als het doek valt na de voorstelling, die in allerlei opzichten sterk afwijkt van wat in Rusland gebruikelijk is, is het niet eens zo omvangrijke publiek even doodstil, waarna het, terwijl de acteurs al het ergste vrezen, losbarst in een daverend gejuich en er in de zaal een waar pandemonium uitbreekt. Aan éen van de acteurs, de niet al te intelligente Visnjevski, die de rol van Dorn speelde, schrijft Tsjechov op 19 december: Ach, als je eens kon ervaren en begrijpen hoe bitter het voor me is, niet bij De meeuw te zijn en u allemaal te kunnen zien. De telegrammen uit Moskou hebben me totaal ontregeld. Want het Kunsttheater had in de nacht van 17 op 18 december, onmiddellijk na de première dus, een telegram gestuurd dat door alle leden van het gezelschap was ondertekend. De tekst luidde:

Hebben zojuist De meeuw gespeeld. Kolossaal succes. Vanaf de eerste akte sloeg het stuk zo in dat er daarna een reeks triomfen volgde. Eindeloos terugroepen. Mijn uitleg na de derde akte dat de auteur afwezig was, leidde ertoe dat het publiek eiste u een telegram te sturen. We zijn gek van vreugde.

Als Tanja Sjtsjepkina-Koepernik, die zelf ook een telegram stuurde, de volgende dag het theater passeert, staan er buiten lange rijen voor de kassa. De volgende dag stuurt Nemirovitsj nog een telegram:

Alle kranten vermelden met verbazingwekkende eensgezindheid succes van de Meeuw schitterend betoverend geweldig. Recensies van het stuk enthousiast. Voor ons theater succes van de Meeuw belangrijker dan Vorst Fejodor. Ben zo gelukkig als nooit eerder met een uitvoering.

Het telegram waarmee Tsjechov antwoordt op het felicitatietelegram van Nemirovitsj zal nog tot ergernis leiden, als het kort daarop, op 20 en 22 december 1898, in verschillende kranten zal worden gepubliceerd. Tsjechov schreef in zijn telegram: Geef iedereen door ben enorm en van ganser harte dankbaar. Zit in Jalta als Dreyfus op Duivelseiland. Bedroefd niet bij u te zijn. Uw telegram heeft me gezond en gelukkig gemaakt. Die opmerking over Dreyfus en Duivelseiland lag natuurlijk gevoelig. Op 22 februari 1899 schrijft hij aan een bevriend arts, Orlov: Mijn telegram over Duivelseiland was niet voor publicatie bedoeld; het was zuiver privé. In Jalta heeft het woedend gemor veroorzaakt. Ik neem aan dat vooral de vergelijking van Jalta met Duivelseiland het gemor der Jaltezers veroorzaakte, niet die van Tsjechov met Dreyfus. De première wordt uiteindelijk gevolgd door een lange reeks succesvolle uitvoeringen, tot in Praag toe. Tsjechov wordt bedolven onder post van vrienden, bekenden en wildvreemden.

Ik loop nu even kort op de zaken vooruit, want ik wil het verhaal over Tsjechovs Meeuw bij elkaar houden. Zelf zou de schrijver zijn Meeuw namelijk pas zien toen het Kunsttheater een half jaar later, op 1 mei 1899, een speciaal voor hem georganiseerde voorstelling in Moskou op touw zette, zij het éen zonder decor. Bijgaande foto werd naar ik aanneem genomen na die speciale uitvoering, begin mei 1899 dus, in Moskou. Aan P.F. Jordanov schrijft hij daarover, op 15 mei 1899, na zijn lovende commentaar op de uitvoering zelf: Overigens speelt in de Meeuw Visnjevski, onze Taganrogse Visjnevski, die me met zijn voortdurende herinneringen aan Kramsakov, Ovsjannikov etc. flink op de zenuwen heeft gewerkt. Alle medewerkers van de Meeuw hebben zich met mij laten fotograferen; het is een interessant groepsportret geworden. In een brief aan Gorki van 9 mei 1899 is hij over de uitvoering die hij heeft bijgewoond echter veel negatiever: De meeuw heb ik zonder decor gezien, ik kan over het stuk niet op normale toon spreken, want de Meeuw zelf [Nina, gespeeld door Roksanova, HV] heeft afschuwelijk gespeeld, ze heeft de hele tijd gejankt en gesnikt en Trigorin (de schrijver) [gespeeld door Stanislavski, HV] liep heen en weer over het toneel en sprak als een verlamde; hij heeft "geen eigen wil" en de regisseur heeft dat zo opgevat dat ik tijdens het kijken zowat misselijk werd. Maar als geheel was het best goed en heeft het me geboeid. Af en toe kon ik niet geloven dat ik het zelf geschreven had. Van de actrice die Nina speelde, M.L. Roksanova dus, eiste hij dat ze die rol nooit meer zou krijgen en kritiek op de nieuwe kleren waarin Stanislavski als Trigorin optrad, had hij ook. Het moest een oud pak zijn. Misschien vond hij het uiteindelijk toch allemaal minder erg dan hij schreef, want een paar dagen later laat hij vanuit Melichovo weten dat hij zijn Oom Wanja aan het Kunsttheater zal geven voor het seizoen 1899-1900, al geschiedt dat pas nadat een ander theater - het zogenaamde Kleine, eveneens in Moskou, waar Tsjechov het aan had beloofd - wijzigingen in het stuk had geëist. Tsjechov maakt daarvan gebruik om het terug te vragen en geeft het vervolgens aan Nemirovitsj. Urban geeft als datum voor bijgaande foto 7 mei 1899.

108 Anton Tsjechov en het ensemble van De meeuw na een gezamenlijke lezing van het stuk. Staand van links: A.L. Viznjevski, V.V. Loetski, Tsjechov zelf, V.I. Nemorovitsj-Dantsjenko, Olga Knipper, K.S. Stanislavski, M.L. Roksanova, M.P. Nikolajevna en A.I. Andrejev. Zittend: E.M. Rajevskaja, A.R. Artejem, M.P. Lilina, I.A. Tichomirov en helemaal rechts, in de leren stoel, V.E. Meyerhold. Er bestaat van deze foto een bekendere versie, waarop Tsjechov in het midden achter de tafel zit, voorlezend uit een uitgave van De meeuw. Op 16 januari 1940 tekent Stalin voor 346 terdoodveroordelingen, daaronder die van Meyerhold (maar bijvoorbeeld ook van Isaac Babel). Meyerhold werd daarom in de Stalintijd van de foto verwijderd. Hij werd overigens, na te zijn gemarteld om hem tot een bekentenis van spionage te dwingen, op 3 februari 1940 doodgeschoten, een week nadat Isaac Babel hetzelfde overkwam. Beiden werden kort na Stalins dood gerehabiliteerd. Foto: 7 mei 1899. Bron: Urban 1987 nr. 481

Ensemble Moskous Kunsttheater voor De meeuw, 7 mei 1899

109 Temidden van de stroom van brieven die hem overspoelt na zijn succes met de Meeuw is er ook éen van de Tolstojaan P.A. Sergejenko (1854-1930), die Tsjechov uit zijn gymnasiumtijd in Taganrog kende. Sergejenko vroeg hem - kwansuis naar ik vrees - om gesigneerde boeken voor een bibliotheek in Kolomna, zoals Tsjechov zelf vaak deed voor die van Taganrog. Tsjechov had een hekel aan hem. Hij was hem in 1889 weer tegengekomen in Odessa. Toen Tsjechov in 1894 van plan was met Potapenko een reis over de Wolga te maken, waren ze op de boot Sergejenko tegengekomen en was hij voor hem op de vlucht geslagen omdat zijn mond geen moment stilstond. In een brief aan Soevorin van 24 augustus 1898 liet hij zich nog zeer laatdunkend over hem uit: een lijkwagen op twee benen. Sergejenko zal later Tolstojs correspondentie uitgeven.

Nu brengt Sergejenko in dezelfde brief het aanbod over van de Petersburgse uitgever Marks (1838-1904), die Tsjechov voorstelt zijn verzamelde werk te kopen. Tolstoj zelf zou dat Marks hebben aangeraden toen hij met de uitgever onderhandelde over zijn roman Opstanding, die in Marks' tijdschrift Niva (Korenveld) verscheen. Overigens had Tsjechov zelf daar eerder al, in 1896, zijn zo Tolstojaanse Mijn leven, gepubliceerd. Er is veel geschreven over de verkoop van Tsjechovs werk en er is letterlijk niemand die het een verstandige actie vindt. En daar hebben ze allemaal groot gelijk in. Tsjechov was, net als zijn vader misschien en zoveel andere familieleden, geen groot financieel genie, vooral omdat hij er denk ik in het geheel niet in geïnteresseerd was. Hij wist inmiddels wel dat hij, wat er ook gebeurde, een onbezorgd bestaan kon leiden. En zo komt het denk ik dat Tsjechov eigenlijk al direct begint te onderhandelen. Hij schrijft op 1 januari 1899 ten antwoord:

[...] Nu wat betreft Marks. Ik zou er helemaal niets op tegen hebben hem mijn werk te verkopen, helemaal niet zelfs, maar hoe moet ik dat aanleggen? Jou daarmee op te zadelen zou ik pijnlijk vinden, want je bent een druk bezet man en de onderhandelingen met Marks zouden enige tijd in beslag nemen. Behalve wat ik gepubliceerd heb, heb ik mijn bureaulade nog materiaal voor vier andere boeken van de omvang van Bonte vertellingen; ik zou alles verkopen wat ik heb en bovendien alles wat ik uit oude tijdschriften en kranten bij elkaar kan zoeken en publicabel vind. Ik zou alles verkopen, behalve de inkomsten van mijn stukken. [...]

Het probleem is dat hij al een soortgelijke overeenkomst heeft met Soevorin - sinds kort overigens - maar met die uitgave gaat het slecht. Manuscripten blijken verdwenen, hij krijgt geen antwoord op zijn brieven en er zijn voortdurend misverstanden. Ook financieel heeft Soevorins slordigheid inmiddels grote gevolgen voor Tsjechov. Jaarlijks ontvangt hij voor de 13 uitgaves die er van hem in herdruk zijn niet meer dan 3500 roebel, wat erg weinig is voor een toch zeer succesvol auteur. De afspraak met Soevorin bestond er bovendien uit dat hij steeds een percentage van de verkoop zou ontvangen, dat hij noodzakelijkerwijs achteraf kreeg, terwijl Marks in éen keer alles koopt. Tsjechov nam zodoende ook wel eens voorschotten op en als hij op een gegeven moment om een afrekening vraagt, blijkt dat hij geld schuldig is, in plaats van dat hij nog krijgt. Als Potapenko dat vervolgens allemaal uitzoekt en narekent, blijkt dat totaal onjuist. Dat lag dan niet aan Soevorin zelf, maar aan de boekhoudafdeling, die volstrekt chaotisch was. Nu biedt Marks eerst 50.000 roebel. Het is Sergejenko die in Petersburg namens Tsjechov de onderhandelingen voert over de koopsom en en die weet het bedrag in acht uur onderhandelen op 75.000 roebel te krijgen. Rayfield wijst er terecht op hoe absurd het is dat Tsjechov daarvoor uitgerekend de pedante Sergejenko in de arm neemt, schrijver inmiddels van komisch bedoelde verhalen onder het pseudoniem Navel en hartstochtelijk Tolstojaan, en een man die hij verder op geen enkele wijze serieus neemt. Sergejenko zal trouwens voor alle moeite 500 roebel in zijn zak steken. Masja is ontsteld over het idee en suggereert dat zijzelf zijn werk uitgeeft, zoals Sofia Tolstoja doet voor haar man.

Ten slotte krijgt Tsjechov dus inderdaad 75.000 roebel, maar daarmee staat hij alle rechten af, behalve die voor zijn toneel. Daarbij moet dan wel worden opgemerkt dat het toneel ten tijde van Tsjechov in Rusland een erg lucratief genre was, lucratiever dan zijn proza. Hij verplicht zich er bovendien toe de uitgever binnen zes maanden na tekenen van het contract, dat overigens tot 1919 loopt, schone kopij van al zijn gepubliceerde werk te leveren. Wel heeft hij het recht zelf te bepalen wat hij voor de verzamelde uitgave geschikt acht. Anderzijds behoudt Marks de mogelijkheid af te wijzen wat hem minder geschikt voorkomt. Dit alles lijkt me - geheel terzijde - een goed argument om de Marks-editie niet als Tsjechovs definitieve uitgave te beschouwen, iets wat de Russische Bibliotheek bij haar laatste uitgave helaas wel heeft gedaan. Tsjechov houdt het recht op eerste publicatie van nieuw werk, maar ook de rechten daarvan vervallen vervolgens aan Marks. Publicatie bij anderen wordt bestraft met een bedrag van 5000 roebel per drukvel (dw. ongeveer 24 pagina's). Urban geeft als annotatie bij de brieven het complete contract met alle acht artikelen. Tsjechov tekent het op 26 januari 1898, zo vermelden de biografen, maar het notarieel bekrachtigde contract stuurt hij pas naar Marks op 16 februari, nadat er over sommige problemen overeenstemming is bereikt. Het is sterk in het voordeel van Marks en het is voor Tsjechov (en zijn familie) een zeer ongunstige zaak. Veel van het werk is immers al gezet door Soevorin, zodat Marks zich ook daarmee kosten bespaart. Maanden na het tekenen van het contract, op 18 juni 1901, kort na Tsjechovs huwelijk en tijdens diens verblijf in Aznakajevo, rekent Gorki Tsjechov nog voor wat hij had kunnen verdienen, en poogt hem, niet voor het laatst, over te halen het contract op te zeggen en zijn werk in eigen beheer uit te geven bij Znanie (Kennis), waar ook Gorki zelf wordt uitgegeven. Die schrijft dat hijzelf op die manier voor éen enkele uitgave al 17.000 roebel kreeg. Marks verdiende, zo schrijft biograaf Rayfield, aan Tsjechov alleen in het eerste jaar al 100.000 roebel. Tsjechov krijgt weliswaar direct 20.000 roebel, maar de rest pas in vier delen over het verloop van twee jaar, 10.000 in december 1899, 20.000 in januari 1900, 10.000 in december 1900 en tot slot 15.000 in januari 1901. Simmons meldt dat er geen reden bekend is, waarom Tsjechov maar 15.000 krijgt als eerste deel, iets wat inderdaad uit zijn briefwisseling blijkt. Ik vermoed dat het gebeurde, omdat er van de eerste 20.000 direct het voorschot van 5000 dat Soevorin aan Tsjechov gegeven had, werd afgehouden en dat misschien direct door Marks aan Soevorin werd betaald. Tsjechov had 5000 gevraagd aan Soevorin voor de aankoop van zijn stuk grond en de bouw van zijn huis. Rayfield meent dat Tsjechov direct 25.000 krijgt. Dat lijkt me onjuist.

109 Adolf Fjodorovitsj Marks (1838-1904), in het toen nog Duitse Stettin (nu: Szczecin, in Polen) geboren, maar in 1859 naar Sint-Petersburg verhuisde uitgever, volgens een in december 1904 verschenen foto in het weekblad Niva (nr. 50, 1904). Naar aanleiding van Tsjechovs verplichting hem binnen zes maanden schone kopij te verschaffen van al zijn verhalen, zei Marks tegen Sergejenko, die de onderhandelingen namens Tsjechov voerde: Dat zal dhr. Tsjechov ertoe aanzetten zijn best te doen. Bron: Urban 1987 nr. 528

Adolf Marks (1838-1904)

110 Als hij op 16 januari 1899 per telegram door Marks via Sergejenko 50.000 krijgt geboden, reageert hij, ook per telegram, dat hij 80 wil. Gezien de uitkomst - die we nu eenmaal kennen - vraag je je af, wat er gebeurd zou zijn als Tsjechov 150.000 had gevraagd. Op dezelfde dag licht hij Soevorin in en vraagt om raad. Die blijkt zich er eveneens mee te bemoeien en reageert op 18 januari, ook al per telegram:

Heb drie uur met Pjotr Aleksejev [Sergejenko] overlegd. Marks betaalt 75.000. Tolstoj zegt dat alleen al als bijlagen van de Niva uw werk 50.000 zou opbrengen. Niva kan binnen éen twee jaar niet om u heen. Zou redenen moeten kennen die u ertoe brengen niet alleen huidige werk, maar ook toekomstige te verkopen. Dat laatste bijzonder lastig, soort Kabbala. Tien drukvellen per jaar leveren u 5000 op. Hij betaalt niet eens 5000 voor uitsluitend eigendomsrecht. Wacht met verkoop. Schrijf me wat voor u de reden is te verkopen. Ik weet niet welke som u uit uw moeilijkheden helpt, maar als 20.000 genoeg is, stuur ik die onmiddellijk. Dat kan en zou ik van ganser harte doen. Besluit niet te snel. Overleg. Al het beste, goede Anton Pavlovitsj.

Ook tal van anderen wijzen hem erop dat hij op het punt staat iets doms te doen. Als hij in Jalta probeert te informeren naar wat verstandig is, krijgt hij te horen dat er nooit iemand is geweest die op deze manier in éen keer zijn werk heeft verkocht en dat niemand zodoende weet wat het verstandigste is. Toch geeft hij op 20 januari 1899 Sergejenko volmacht voor hem te tekenen bij Marks en vervolgens de zaken met Soevorin, die nog heel wat werk van Tsjechov heeft liggen, af te handelen: Ik stuur je de volmacht. Als hij niet deugt, gooi hem weg. Stel de overeenkomst op zonder volmacht, stuur hem hierheen, ik teken hem. Eerder al, op 18 januari, had hij op voorwaarde van geheimhouding zijn broer Ivan (Vanja) ingelicht over de details van de overeenkomst met Marks en voegt eraan toe: Ik heb beloofd niet ouder dan 80 te worden, waarna hij op 20 januari dezelfde informatie ook aan Masja doet toekomen. Hij schrijft:

Lieve Masja, Ivan zal je waarschijnlijk al verteld hebben over mijn onderhandelingen met Marks. Ik heb lang gepingeld, lang en hardnekkig en heb vandaag ten slotte getelegrafeerd dat ik akkoord ben. Voor alle reeds gepubliceerde werk ontvang ik 75.000 roebel, waarbij ik voor toekomstige publicaties 250 roebel per vel krijg, over 5 jaar 450, in de volgende jaren 650 enz., een verhoging van 200 roebel per elke volgende 5 jaar. Mijn toekomstig werk behoort pas aan Marks, nadat ik het in tijdschrijften en kranten heb gepubliceerd en daarvoor honoraria heb ontvangen. De inkomsten uit de stukken behoren mij toe en daarna de erfgenamen. De medaille heeft twee kanten. En de verkoop waar ik toe besloten heb, heeft ongetwijfeld ook zijn slechte kanten. Maar zonder twijfel heeft hij ook goede. Ten eerste zal mijn werk voorbeeldig uitgegeven worden, ten tweede heb ik niets meer met drukkers en uitgevers te maken en kan niemand me meer bestelen en me diensten bewijzen, ten derde zal ik in alle rust kunnen werken zonder bang te hoeven zijn voor de toekomst, ten vierde zijn de inkomsten niet hoog, maar wel regelmatig [...] Wat te doen met Melichovo? Het tweede stuk grond zal ik aan de boeren schenken en voor mijzelf de hoeve houden. Maar - wat je wilt. [...]

Vel wil hier overigens zeggen drukvel, wat ongeveer gelijk staat aan 24 pagina's. Masja raadpleegt op haar beurt zelfs een advocaat en is van mening dat haar broer wordt opgelicht. Zo ontdekt ze dat Marks voor veel mindere schrijvers dan Tsjechov 125.000 roebel heeft betaald. Het contract lijkt inderdaad vooral ingegeven door de wens direct over contant geld te beschikken voor zijn huis, terwijl hij er in brieven aan vrienden en familieleden blijk van geeft dat de zaak, gezien zijn beperkte levensverwachting, niet zo ongunstig is als het lijkt. Als de voormalige medestudent geneeskunde Jakovlev tegen dat idee protesteert, schrijft hij: Mijn vriend, je vergeet dat ik, hoe een slechte ook, arts ben. Mij maken de medische experts niets wijs. Mijn zaak staat er beroerd voor en het einde is niet ver weg.

Op 27 januari, een dag nadat hij heeft getekend, brengt Tsjechov ook Aleksandr op de hoogte, die voor Soevorin werkt. Aleksandr heeft op dat moment allerlei geruchten gehoord, ook dat Soevorin zelf graag Tsjechovs werk had gekocht, maar, zo schrijft hij, doelend op de kinderen van de uitgever, dat diens erfgenamen hem zo'n groot bedrag niet toestonden. Hij is er in elk geval ontevreden over dat datgene wat voor het grijpen lag, hem door de vingers is geglipt. Tsjechov schrijft, de namen noemend van werknemers van Soevorin, op 27 januari 1899:

Jawel, arm familielid, het klopt allemaal. Ik verlaat de drukkerij, Nejoepokojev, Tinsjikin, ik verlaat ze niet alleen, ik heb ze al verlaten. Ik heb Soevorin niet mijn werk te koop aangeboden; en tegenover het fait accompli stelt hij zich welwillend op, hij schrijft me tenminste kokette brieven. [...] De inkomsten uit de stukken komen mij toe en de erfgenamen. Bij het woord 'erfgenamen' heb je sardonisch gegrijnsd. Maak je geen illusies, ik vermaak alles aan liefdadige doelen, zodat er voor mijn familieleden geen kopeke overblijft. Jij krijgt elk jaar een half pond thee van 30 kopeken - meer niet. Dan weet je waar opstandigheid toe leidt. [...]

Op 27 januari 1899 kreeg Tsjechov van Sergejenko een telegram met de mededeling dat het contract notarieel ondertekend was. Aan Soevorin schrijft hij op dezelfde dag, 27 januari:

Toch voelt het ongemakkelijk, alsof ik met een rijke vrouw getrouwd ben. Ik heb veel schulden bij u en ik heb Sergejenko gevraagd naar de boekhandel te gaan en die daar te betalen; waarschijnlijk heeft hij dat al gedaan en mij rest, naar Russische gewoonte, niets dan u te danken. Onder zakenlieden bestaat de uitdrukking leef en vecht, maar ga in vrede uiteen. Wij gaan in vrede uit elkaar maar we hebben ook in vrede geleefd en ik geloof, dat zolang als mijn boeken bij u zijn uitgegeven, er nooit van éen misverstand sprake is geweest. Terwijl wij toch grote dingen hebben bereikt. En we zouden het feit dat u mij hebt uitgegeven en ik bij u heb uitgegeven samen moeten vieren. [...] Onlangs heb ik een humoristisch verhaal van een half drukvel geschreven [Schatje] en nu schrijft men mij dat Tolstoj het verhaal voorleest en nog heel mooi ook.

Als hij het contract op 31 januari per post ontvangt, maakt hij zich over sommige punten ervan nog zorgen. De door hem in bijgaand brieffragment gebruikte term, Katorga, staat voor de dwangarbeid waartoe misdadigers werden veroordeeld. Hij schrijft dezelfde dag aan Sergejenko:

[...] Het contract bevat éen merkwaardig punt. 4) Tsjechov daarentegen geeft Marks het recht de acceptatie van éen van diens werken te weigeren, in zoverre als dat door hem op grond van de literaire kwaliteiten als niet geschikt voor opname in het Verzameld Werk geschikt wordt geacht... Geacht door wie? Dat zet de deur toch wagenwijd open voor willekeur. Er is nog een merkwaardig punt. 7) Tsjechov verplicht zich ertoe, de complete werken zonder uitzondering samen te stellen en de complete tekst binnen zes maanden te verschaffen, indien mogelijk met een precieze vermelding, waar, wanneer en met welke ondertekening het betreffende werk is gepubliceerd. Dat is net alsof Marks wil dat ik hem zeg waar, wanneer en op welk moment in de loop van mijn leven ik die en die vis gevangen heb, ik, die meer dan 1000 keer heb gehengeld. En het contract stipuleert ook nog, dat ik dat allemaal in juli af moet hebben. Dat is Katorga! Katorga, niet in de zin van dwangarbeid, maar omdat het onmogelijk is, want redigeren kun je alleen na verloop van tijd, wanneer uit de dieptes van mijn verleden mijn over de hele wereld verstrooide kinderen hier binnenkomen. Ik heb toch 20 jaar gepubliceerd. En dat moet ik nu allemaal bij elkaar zoeken! Maar dat alles is niet zo erg, daarover kunnen we het tenslotte wel eens worden, maar wat wel erg is, is dit: je hebt in het contract de inkomsten uit mijn toneelstukken vergeten. Als Marks het niet doet, zullen zijn erfgenamen me de stukken afnemen - en zal mijn weduwe arm achterblijven. Dat punt baart me grote, grote zorgen. [...] Als je het geld hebt gestuurd, stuur me dan ook een telegram. En daarna kun je rusten op de lauweren van mijn eeuwige dankbaarheid. Ik zeg je eerlijk, het belangrijkste aan de verkoop zijn minder de 75.000 roebel, dan het feit dat mijn werk nu fatsoenlijk wordt uitgegeven, dat ik van nu af aan ontslagen ben van de verplichting voor elk volgend boek een nieuwe titel te bedenken, het formaat van het boek te bepalen, genoegen te moeten nemen met slecht papier en met de kwalijke geruchten over de 'drukkersexemplaren' die op de rommelmarkten en in de provincie verkocht worden. [...]

Een jaar later nog, op 29 januari 1900, zal Tsjechov in een brief aan zijn broer Michail punt voor punt uitleggen, waarom hij zijn werk niet aan Soevorin heeft verkocht. Michail heeft op dat moment net een gesprek achter de rug met de Soevorins over hun verhouding tot Tsjechov en Michail lijkt zich Soevorins opvattingen te hebben eigen gemaakt. Tsjechov schrijft een lange verdediging, met onder punt 3: Een voorschot van 20.000 had betekend dat hij mijn werk voor 20.000 had gekocht en dat ik nooit van mijn schulden was afgekomen. Onder punt 7 schrijft hij: Met de volledige uitgave van mijn werk is in zijn drukkerij begonnen, maar die schoot niet op, omdat ze er voortdurend mijn manuscripten kwijt raakten, brieven niet beantwoordden en mij door die lamlendige houding in een onmogelijke positie brachten; ik had tuberculose, ik moest eraan denken mijn werk niet in de vorm van een ongeordende en vormeloze massa aan mijn erfgenamen achter te laten.

110 Anton Tsjechov, voor zijn Witte Datsja in aanbouw, Jalta, 1898-1899. Bron: Urban 1987 nr. 506

Tsjechov voor zijn Witte Datsja in aanbouw, Jalta, 1898-1899

111 Het is niet verwonderlijk dat Tsjechov in het jaar daarop, 1899, ook al traag en laat reageert op post, want een goed deel van dat jaar is hij bezig met het verkrijgen van zijn oude werk, dat hij zelf meestal niet heeft. Zijn manuscripten gooide hij normaliter weg en van zijn vroege werk beschikt hij nauwelijks over versies. Praktisch iedereen die hij kent, wordt ervoor ingeschakeld, Masja natuurlijk, Avilova, Lazarev-Groezinski, Jezhov en Aleksandr. Die laatste wordt gedwongen alle verhalen op de redactie van Novoje Vremja met de hand over te schrijven, want Soevorins zoon Aleksej verbiedt kopiisten de toegang en mee naar huis nemen mag hij niets. Tsjechov herziet vervolgens al het werk dat hij krijgt toegestuurd. Op 17 maart 1899 schrijft hij aan Sergejenko: Marks doet blijkbaar moeite om een briefwisseling met mij op gang te brengen, maar een weinig vriendschappelijke. Dat Duitse canaille begint nu al te dreigen met een contractstraf en citeert in zijn brief hele contractartikelen. Tot Marks' ergernis schrapt Tsjechov 200 van de 400 verhalen, iets waartoe hij immers bij contract het recht heeft en hij herschrijft de resterende 200 radicaal. Tussen 1899 en 1901 besteedt Tsjechov dusdoende veel meer tijd aan het herschrijven dan aan het schrijven van nieuw werk. Lezers komen bovendien geschokt tot de ontdekking dat er in elk nieuw verschijnend deel tal van prachtige verhalen ontbreken. Ja, Van Oorschot! Trekt het u aan! Marks laat Soevorin ook nog eens 5000 roebel betalen voor de verkoop van oude voorraad. Daarbij gaat het om in totaal 16000 exemplaren. Soevorin biedt Tsjechov daarvan trouwens ongevraagd 70% van de winst. Maar mede als gevolg daarvan zullen de gedrukte versies van Tsjechovs Meeuw en Oom Wanja drie jaar lang niet verkrijgbaar zijn. Al je verhalen verzamelen, schrijft hij aan iemand, is hetzelfde als nauwkeurig alle vissen opsommen die je ooit gevangen hebt.

111 Anton Tsjechov, Sint-Petersburg 11 juni 1899. Tsjechov was voor een dag vanuit Moskou naar Petersburg gereisd om zijn uitgever Marks te ontmoeten. Foto: D.S. Zdobnov, Petersburg, Nevski Prospekt nr. 10. Bron: Urban 1987 nr. 527

Tsjechov, 11 juni 1899, Petersburg

112 Dat neemt niet weg dat Tsjechov er hard aan heeft gewerkt. De 10 delen worden niet helemaal op volgorde uitgegeven. Het eerste deel verschijnt in november 1899, het tweede in september 1900, het zevende in december 1900, het derde in februari 1901, het vierde in april 1901, het vijfde in juli 1901, het zesde in september 1901, het achtste in november 1901, het negende in december 1901 en het laatste, deel 10, in april 1902. Aan Mensjikov schrijft hij op 4 juni 1899:

Ik heb het koud en corrigeer als een gek drukproeven, die Marks me per kilo stuurt. Bij het redigeren van alles wat ik tot nu toe geschreven heb, heb ik er al 200 verhalen en alles wat geen belletrie is uitgegooid en desondanks blijven er nog meer dan 200 vel druks over - en dat gaat dus neerkomen op 12 of 13 delen. Alles wat deel uitmaakt van de u tot nu toe bekende verhalenbundels zinkt in het niet bij de massa materiaal, dat het publiek nog niet kent. Terwijl ik die enorme hoeveelheid samenstelde, sloeg ik van verbazing de handen ineen.
Van de tien delen waren er acht gevuld met korte verhalen en novelles, éen met de toneelstukken (deel 7) en éen met De reis naar Sachalin (deel 10). In 1902, nog tijdens Tsjechovs leven dus, besloot Marks de tiendelige uitgave, maar nu opgedeeld in 16 goedkoper uitgegeven delen, cadeau te doen aan de abonnees van zijn weekblad Niva. De ophef over het contract dat hij met Tsjechov had gesloten, zal ook Marks wel bereikt hebben. In het vervolg zouden heel wat mensen uit Tsjechovs omgeving hem pogen over te halen terug te komen op het contract. En zo nam Marks het zekere voor het onzekere. Met zijn gratis uitgave maakte hij elke discussie er over zinloos. En dat zal wel de bedoeling geweest zijn. Die gratis uitgaven van Marks stonden in een eerbiedwaardige traditie. Ook het verzameld werk van andere grote Russen, Toergenjev, Gontsjarov, Gogol, Gribojedov, Dostojevski, Grigorovitsj en Ljeskov had hij op die manier uitgebracht. Urban schrijft: Gezien de oplage van Niva (250.000 in het jaar 1901) zal het duidelijk zijn wat een slag de uitgever met zijn aankoop van Tsjechovs werk had geslagen. Toch... ik weet eigenlijk niet of Tsjechov daar uiteindelijk zo negatief over was. Die gigantische oplage getuigde er per slot van rekening ook van dat het gewone publiek hem en masse las. Eén van de eisen die hij aan uitgevers stelde voor wat betreft zijn boeken en de manier waarop ze die uitgaven, was dat ze dik moesten zijn. Hoe dikker, hoe beter. Dat had hij geschreven aan Soevorin en nu deed hij het ook aan Marks. Ik vermoed dat Tsjechof wilde dat zijn lezers waar voor hun geld kregen. Welnu, laten we eerlijk zijn, dat kregen ze.

Ondertussen is er in Moskou en Petersburg sprake van studentenonlusten die hardhandig worden onderdrukt, net als eerder reeds was gebeurd. Soevorins commentaar daarop in zijn krant van 21 en 23 februari leidde tot grote woede in de pers en bij het liberale deel van het publiek. Soevorin zal uiteindelijk door de Vereniging van Schrijvers voor een soort ereraad worden gedaagd en zelfs Tsjechov om hulp vragen. Op 29 maart 1899 schrijft Tsjechov nog aan A.S. Soevorina, Soevorins vrouw dus. Die heeft hem blijkbaar verweten dat hij haar man in de steek laat:

Lieve Anna Ivanovna, als het niet zo ver en zo koud was, zou ik naar Petersburg komen en proberen Aleksej Sergejevitsj [Soevorin] te ontvoeren. Ik krijg veel brieven en luister van vroeg tot laat naar gesprekken, zodat mij deels bekend is wat er bij u aan de hand is. U verwijt me trouweloosheid, u schrijft dat A.S. een goed en onbaatzuchtig mens is en dat ik hem niet met gelijke munt terugbetaal; maar wat kan ik als oprecht en welgezind mens nu doen? Wat? De huidige stemming is niet opeens ontstaan, ze is jarenlang voorbereid en alles wat nu wordt gezegd, is al eerder gezegd, overal, alleen u en Aleksej Sergejevitsj is die waarheid ontgaan, zoals vorsten die nooit kennen. Dat is geen filosofie, ik zeg gewoon wat ik weet. Novoje Vremja doorstaat nu moeilijke tijden, maar ze blijft toch een kracht en ze zal een kracht blijven, de tijd gaat voorbij en alles komt weer terecht, en niets zal veranderen en alles blijft zoals het was. [...]

112 Omslag van de verzamelde uitgave bij Uitgeverij A.F. Marks, Sint-Petersburg 1899-1906. Bron: Urban 1987 nr. 529

Uitgeverij Marks, Omslag Verzameld Werk Tsjechov

113 Het is typerend dat éen van de eerste dingen die Tsjechov met zijn geld doet, voor een heel jaar een appartement huren in Moskou is, terwijl hij toch moet hebben geweten dat hij er maar een paar weken per jaar kan verblijven. Blijkbaar vond hij Masja's appartement te druk. Een ander deel van zijn geld wordt onmiddellijk uitgegeven aan liefdadige doeleinden. Hij draagt 500 roebel bij aan de bouw van een nieuwe school vlakbij Jalta, betaalt de opleiding van een dochter van iemand die ooit in de kruidenierszaak van zijn vader had gewerkt, geeft geld aan de aan de tbc lijdende Moskouse journalist Epifanov, die hij overigens nauwelijks kent en doneert geld aan een liefdadigheidssschool in Taganrog. Aan Aleksandr leent hij 1000 roebel voor een datsja buiten Petersburg. Maar het grootste deel gaat natuurlijk op aan zijn huis bij Jalta. Net als eerder in Melichovo getroost hij zich veel moeite voor de tuin die hij er laat aanleggen.

Kort voordat hij op 10 april 1899, niettegenstaande Masja's berichten over het beroerde weer in Moskou er toch heen vertrok, nog in Jalta, overwoog Tsjechov zelfs een huis in Moskou te kopen. Misschien was het Masja wel die hem daarvan weerhield. Een maand later, op 16 april, schrijft hij al aan Lydia Avilova, vanuit Moskou nu: Een huis zal ik niet kopen. Ik heb in Moskou een woning gehuurd. Hier mijn adres: Moskou, Malaja Dmitrovka, Huis Sjeskov. Een aristocratische straat, zoals u ziet. Ik blijf hier tot begin mei. Malaja Dmitrovka, gewoon Kleine Dmitrovka, lag vlakbij het Strastnoi-klooster, ook wel Passieklooster genoemd, aan het Poesjkinplein. Tsjechov hield van het klokgelui ervan. Het kloostercomplex werd onder Stalin in 1937 verwoest. Tsjechov had er trouwens eerder kortstondig gewoond, maar op een ander adres, na zijn terugkeer uit Sachalin. Het huis lag niet ver van Masja's appartement. De straat heet tegenwoordig overigens, zo schrijft Urban in een voetnoot, Ulica Tsjechova, Tsjechovstraat dus. Maar eerlijk gezegd vraag ik me af of het daarbij in werkelijkheid niet ging om de Gratsjovskastraat, naamsverandering die plaatsvond in 1944 nota bene. Op 20 april 1899 schrijft hij aan V.K. Charkejevitsj, lerares in Jalta:

[...] We willen Melichovo verkopen en toch ook weer niet; er is nog niets besloten. Ik heb nu vier woningen; ik zou in elk ervan een echtgenote moeten onderhouden, zodat ze na mijn dood allemaal naar Jalta komen en elkaar daar op de promenade te lijf gaan. [...] Aan de Poesjkinvieringen heb ik niet deelgenomen. Ten eerste heb ik geen rok, en ten tweede ben ik als de dood voor redevoeringen. Zodra iemand bij een feestdiner aanstalten maakt een redevoering te houden, heb ik de neiging onder tafel te kruipen. Achter die toespraken, vooral van Moskovieten, gaat veel bewuste leugenachtigheid schuil en bovendien spreken ze slecht. [...]
De enige klacht die hij over zijn nieuwe, vierde woning heeft, is dat hij er aan de lopende band door gasten bezocht wordt, van acht uur 's morgens tot 10 uur 's avonds, iets waar hij ongetwijfeld zelf mede debet aan was. Maar het is dus vermoedelijk ook de reden dat hij met regelmaat zijn toevlucht zoekt tot Melichovo, waar hij eerst verblijft tussen 7 en 24 mei en vervolgens weer van 30 mei tot 21 juni, al reist hij tussendoor op 10 en 11 juni ook nog voor éen dag naar Petersburg, om daar met Marks te overleggen. Hij gaat er ook nog op de foto. In Melichovo corrigeert hij eindeloos drukproeven. Hij klaagt dat het er koud is. Zijn duur betaalde woning staat zodoende langdurig leeg of wordt door de familie gebruikt. Eén van de eerste bezoekers daar is trouwens Tolstoj. Het is de vierde keer dat ze elkaar ontmoeten. Voor het eerst gebeurde dat op 8 en 9 augustus 1895, toen Tsjechov op Jasnaja Poljana verbleef, de tweede keer ging hij samen met Soevorin bij hem langs, op 15 februari 1896, in Moskou; de derde keer bezocht Tolstoj hem toen hij net in de kliniek van Ostroemovski lag, op 28 februari 1897. Nu, bij het recentste bezoek, zo schreef Tsjechov, kwam hij aan een normaal gesprek met Tolstoj niet toe omdat er ook twee acteurs aanwezig waren, die alleen maar over het theater praatten. Misschien bezocht Tsjechov zelf Tolstoj daarom de volgende dag nog een keer in diens Moskouse woning. Tussen alles door ging hij langs het graf van zijn vader en zorgde dat er een steen op kwam te staan.

Om de drukte te ontlopen gaat hij op 7 mei dus naar Melichovo. Aan vrienden schrijft hij dat het ene maandje Moskou hem al 3000 roebel heeft gekost. Maar ook in Melichovo wordt hij niet met rust gelaten, want hij komt er direct terecht in een verschil van mening tussen de onderwijzer en de gemeente over het beheer van zijn school. De onderwijzer zal later ontslagen worden. Op 26 juni, terwijl hij dus op zijn landgoed verblijft, valt blijkbaar het besluit Melichovo te verkopen. Aan het eind van de maand leidt hij potentiële kopers rond, maar er komt niets van. Op 6 juli gaat hij van Melichovo naar Moskou en vandaar reist hij op 12 juli door naar Taganrog. Aan Masja, die op Melichovo blijft, stuurt hij een brief met de mededeling dat hij - raadselachtige zaak - naar Taganrog gaat om daar een paar fabrieken te inspecteren. Bekend is dat hij Taganrog in elk geval met wethouder - en latere burgemeester - Jordanov spreekt over een standbeeld van Peter de Grote. Tsjechov zal de kwestie uiteindelijk in Parijs regelen. Jordanov is ook de man met wie hij correspondeert over de Taganrogse blibliotheek. De kwestie met de fabrieken is onduidelijk. Een Delfts ingenieur, Jean Piret, wist me te melden dat er zich in Taganrog een hoogovenbedrijf bevond (en nog bevindt), annex gieterij en walserij, van Belgische origine - Neve, Wilde en cie - dat misschien de aanleiding geweest zou kunnen zijn, wellicht dus toch om te weten te komen of het beeld van Peter de Grote er kon worden gegoten. Het bedrijf werd in 1895 in aanbouw genomen en was uiterst modern. Maar de voornaamste reden voor zijn bezoek was vermoedelijk toch, zo wordt door de biografen aangenomen, een rendez-vous met Olga Knipper, die hem trouwens begin mei ook al kort op zijn landgoed had bezocht en die nu voor haar vakantie in de Kaukasus verbleef, in Mtskheta, dat nu in Georgië ligt. Tolstojs Hadzji Moerat begint er. Tsjechov was voordat Olga naar Melichovo kwam met haar ook naar een tentoonstelling met werk van Levitan geweest. Nu heeft hij met haar afgesproken in Novorossiejsk, aan de Zwarte Zee. Op 20 juli 1899 komen ze samen aan in Jalta, waar ze gescheiden verblijven, op twee verschillende adressen. Een ongehuwde vrouw moet om haar reputatie denken. Op 2 augustus keren ze samen terug naar Moskou. Daar slaagt hij erin Melichovo te verkopen aan een houthandelaar, M. Konsjin, affaire waarmee het uiteindelijk ook mis zal gaan, al zal het nog even duren voordat het blijkt. Konsjin doet een aanbetaling van een kwart van de prijs, 5750 roebel, maar in 1902 blijkt hij in financiële problemen te verkeren en moet Melichovo dan doorverkopen. Op 11 november 1899 al, wanneer blijkt dat Konsjin een wissel heeft uitgeschreven die niet incasseerbaar is, schrijft Tsjechov uit Jalta aan Masja: Ik vind dat we over de wissel geen aanklacht moeten indienen. Dat is niet mijn stijl.

Eerder al, in maart en april 1899, is er in Moskou een tijd lang sprake van studentenonlusten. Hij is er wel in geïnteresseerd, leest erover, maar bemoeit er zich niet mee. Aan Avilova schrijft hij: Onze zaak is het te schrijven en enkel te schrijven. Indien we al oorlog gaan voeren, verontwaardigd zijn of oordelen uitspreken, dan alleen met de pen. En daarmee bedoelt hij natuurlijk die der literatuur. Simmons merkt op dat Tsjechov dat in de laatste jaren in toenemende mate is gaan doen. Heel wat van die verhalen hebben een duidelijke politieke strekking en ze zijn linkser dan zijn vroege werk. Als hij later te horen krijgt dat sommige van de tijdschriften waarin hij publiceert, bijvoorbeeld Zizni (Leven, Petersburg 1897-1901, daarna Londen), Marxistisch zijn, doet hem dat niets. Als de politieke denker Peter Struve (1870-1944) hem vraagt mee te werken aan zijn eveneens Marxistische maandblad Natsjalo (Het begin, of: Het principe, Petersburg 1899), merkt Tsjechov op dat de redactiesecretaris hem heeft geschreven dat hij nu een echte Marxist is geworden, maar dat ze het helaas aan de verhalen niet kan zien. Het tijdschrift wordt na vijf afleveringen verboden. Struve zal zich tijdens de revolutie trouwens aansluiten bij de Witten en ten slotte emigreren.

In dezelfde brief aan Avilova waar ik eerder al uit citeerde, van 16 april 1899, vraagt hij haar in vertrouwen wat er is gebeurd met Soevorins kwestie en de ereraad. Eerder al had hij geschreven: U vraagt me of ik medelijden heb met Soevorin. Natuurlijk heb ik medelijden met hem. Zijn fouten zullen hem duur komen te staan. Maar met de mensen in zijn omgeving heb ik helemaal geen medelijden. De motieven van de protesterende studenten zal Tsjechov altijd wantrouwen. Zodra ze hun positie hebben veroverd, schrijft hij, blijkt dat ze net zijn als hun ouders, of woorden van gelijke strekking. Eerder al, op 22 februari 1899, schrijft hij een vaak geciteerde brief aan een collega-arts, Orlov, waarin hij zijn afschuw uitspreekt over de huichelachtigheid der Russische intelligentsia:

[...] Uw brief bevat een passage uit de Heilige Schrift. Op uw klacht over de gouverneur en alle mogelijke misstanden antwoord ik u ook met een passage: Verlaat u niet op vorsten, want het zijn mensen. En ik herinner u aan een andere uitdrukking waar het mensenkinderen betreft, precies dezelfde die u nu het leven zo zuur maken: het zijn kinderen van hun tijdsgewricht. Niet de gouverneur, maar de hele intelligentsia is schuldig, de complete, mijnheer. Zolang er nog studenten zijn en cursistes bestaat er eerlijk en goed volk, is het onze hoop, is het de toekomst van Rusland, maar het volstaat om de studenten en cursistes huns weegs te laten gaan, volwassen te worden, of onze hoop op Ruslands toekomst gaat op in rook en wat in de zeef achterblijft, zijn dan enkel artsen, zomerhuisbezitters, hongerende beambten, stelende ingenieurs. Herinnert u zich Katkov, Pobedonostsev, Vysnjegradski - dat zijn allemaal pupillen van de universiteit, dat zijn onze professoren, geen pummels, maar professoren en lichten der wetenschap... Ik geloof niet aan onze intelligentsia, die huichelachtig, vals, hysterisch, onopgevoed en smerig is, ik geloof niet in hen, zelfs niet wanneer ze lijdt en zich beklaagt, want haar onderdrukkers komen uit de eigen gelederen. Ik geloof in individuen, ik zie de redding in enkele afzonderlijke mensen die over heel Rusland verstrooid zijn - om het even of het intellectuelen zijn of boeren - bij hen ligt de kracht, ook als het er maar weinigen zijn. [...]

Als Soevorin zich schaart aan de zijde van de machthebbers, beginnen studenten een boycot van Novoje Vremja, die spoedig succesvol is en zich over heel Rusland uitbreidt, zelfs tot in Jalta. Als kort daarop het verhaal gaat dat Soevorin geld heeft ontvangen voor zijn regeringsgezinde beleid, wordt hij voor een ereraad gedaagd en zoekt hij steun bij Tsjechov. Ook Gorki bemoeit zich met de kwestie via een aan Soevorin gerichte open brief: Tsjechov was in Frankrijk ten tijde van het proces tegen Zola. Vraag hem eens wat hij vindt van de schuld van Dreyfus. Tsjechov vond het niet prettig dat privé gedane uitlatingen publiek werden gebruikt, ook al kun je dat opvatten als een bewijs van zwakte. Aleksandr houdt Tsjechov vanuit Petersburg, waar hij voor Novoje Vremja werkt, op de hoogte en schrijft hoe Soevorins gezondheid zelfs lijdt onder de kwestie, dat journalisten weglopen en de oplages van de krant enorm zijn gedaald. Soevorin weigert voor de ereraad te verschijnen, maar stuurt wel zijn correspondentie met de leden ervan naar vrienden, onder wie Tsjechov. Dat doet hij in de vorm van een speciale uitgave. In zijn krant legt hij bovendien een verklaring af ten behoeve van de ereraad, éen die mede onder invloed van Tsjechovs kritiek wordt geredigeerd. Die wijdt er drie lange telegrammen aan, die overigens in 1977 werden gepubliceerd en door Urban in hun geheel worden gegeven. Tsjechov verklaart zich tegen zo'n ereraad. Voor het leger heeft hij er niets op tegen, maar wel als het gaat om de journalistiek, zeker in een Aziatisch land zonder persvrijheid. Tegelijkertijd wijst hij op het verleden van Soevorins krant en schrijft hij dat de inmiddels al een aantal jaren gevoerde lijn het wantrouwen jegens het blad begrijpelijk maakt. Soevorin zelf reageert er niet op, maar zijn vrouw verwoordt blijkbaar wat hij vindt. Ze schrijft hem een scherpe brief waarin ze hem een gebrek aan loyaliteit verwijt. Ik citeerde al uit Tsjechovs reactie. De toch al aangetaste verhouding tussen de twee zal er verder door onder druk raken. Corresponderen zullen ze maar weinig meer. Aan Soevorin schrijft hij op 24 april 1899:

Ik ben naar Moskou gekomen en het eerste wat ik deed, was van woning wisselen. Mijn adres: Moskou, Malaja Dmitrovka, Huis Sjeskov. Het huis heb ik voor een heel jaar gehuurd, in de vage hoop dat men me misschien zal toestaan hier van de winter éen of twee maanden te blijven wonen. Uw laatste brief met de aparte druk over de ereraad stuurde men me gisteren toe uit Lopasnja. Ik begrijp absoluut niet wie er een ereraad nodig heeft, waarom er éen zou moeten komen en waarom het voor u noodzakelijk zou moeten zijn zich eraan te onderwerpen, temeer daar u hem, naar u zelf in de pers hebt meegedeeld, niet erkent. Een erereraad onder literatoren die nu eenmaal geen eigen corps vormen als bijvoorbeeld officieren, advocaten - dat is onzinnig, absurd; in een Aziatisch land waar er geen pers- en gewetensvrijheid bestaat, waar de regering en 9/10 van de bevolking journalisten als vijand ziet, waar het bestaan zo miserabel en besloten is en er zo weinig hoop op betere tijden bestaat, daar doen grappen als hoe mensen met stront naar elkaar gooien, zoals een ereraad, de schrijvers belanden in de komische en erbarmelijke toestand van dieren die, terwijl ze in een kooi zijn opgesloten, elkaar de staart afbijten. [...]
De maatschappij (niet de intelligentsia, maar de Russische samenleving in het algemeen) was Novoje Vremja in de laatste jaren vijandig gezind. Er was de overtuiging ontstaan dat Novoje Vremja door de regering en de Franse generale staf werd gesubsidieerd. En Novoje Vremja heeft alles gedaan wat in zijn macht lag om die onverdiende reputatie in stand te houden en het was moeilijk te begrijpen waarom het dat deed en in de naam van welke God. [...]

113 Anton Tsjechov, Moskou, 1899. Foto: V. Tsjechovski. Ik vermoed dat er iemand is die heeft gezegd: kunt u een boek inkijken en doen alsof u leest? Voor de Verzamelde uitgave fotograferen laat ik me bij Tsjechovski, als ik in Moskou ben. De fotografen in Jalta zijn miserabel. Tsjechov in een bief aan Sergejenko van 1 februari 1899. Bron: Urban 1987 nr. 530

Anton Tsjechov, Moskou 1899

114 In november 1898 al kreeg Tsjechov voor het eerst een - tamelijk uitzinnige - brief van Maksim Gorki. Tsjechov had er overigens via een wederzijdse bekende, V.S. Miroljoebov (1860-1939), om gevraagd. Gorki was geboren - en woonde in - Nizjni Novgorod en hij stuurde zodoende twee van zijn verhalenbundels naar Tsjechov met daarbij een bewonderende brief, die voordat Tsjechovs zelfs maar had kunnen reageren, werd gevolgd door een al even enthousiaste brief nadat hij Oom Wanja had gezien. Tsjechov schreef pas terug op 3 december 1898. Niet lang erna zou hij Gorki een horloge sturen. Een schrijver zonder horloge... dat is niet goed, zou Tsjechov hebben gezegd. De twee zullen elkaar goed leren kennen. In de vroege lente van 1899 verschijnt Aleksej Maksimovitsj Pesjkov (1868-1936), die zich dus Maksim Gorki noemde, in eigen persoon. Gorki betekent overigens bitter. Hij had met regelmaat problemen met de tsaristische autoriteiten en ook zijn verschijning aan de Krim was het gevolg van een verbanning. De plaats waar hij vandaan kwam, zou onder de Sovjets nog naar hem vernoemd zou worden, net als bijv. Tverskaja Ulitsa in Moskou en hij leed ook aan beginnende tbc. Gorki's Foma Gordejev vond Tsjechov - terecht - niks en hij accepteerde met klaarblijkelijke tegenzin dat het aan hem werd opgedragen. Hij had trouwens ook een hekel aan de te nadrukkelijk proletarische wijze waarop Gorki zich kleedde. Wat hij in de latere Sovjetheld bewondert, schrijft Simmons, is diens literaire en sociale instinct. Ook een aantal verhalen bewonderde hij, Jaarmarkt en In de steppe, evenals Gorki's latere toneelstuk, dat nu meestal Nachtasyl heet. Maar juist rond deze tijd begint hij er zich uitgesproken kritisch over uit te laten. Hij heeft een hekel aan de goedkope effecten en het te uitgebreid beschrijvende karakter. Ik houd van Gorki, maar de laatste tijd begint hij nonsens te schrijven, baarlijke nonsens, zozeer dat ik binnenkort ophoud hem te lezen. (9 maart 1899) En: Je kunt alles bedenken wat je wilt, maar psychologie bedenken kan niet en Gorki's werk staat vol psychologische bedenksels; hij beschrijft wat hij niet heeft gevoeld. (25 april 1899) Het is grappig vast te stellen dat Tsjechov die kritiek in een brief aan Gorki zelf letterlijk uit, maar die toeschrijft aan Tolstoj, waar hij dan net op bezoek is geweest. Toch raadt Tsjechov ook heel wat mensen aan Gorki in de gaten te houden. Gorki lijkt me, ook al heeft hij het hart op de goede plek, een wat vulgaire man. Op foto's heeft hij altijd de neiging zo zichtbaar mogelijk te zijn en het zegt misschien wel iets over hem dat hij, als in Peking de Boksersopstand uitbreekt, hij Tsjechov uitnodigt mee naar China te gaan, op een moment dat iedereen kon zien dat het met Tsjechovs gezondheid beroerd was gesteld. Anderzijds: Gorki is een goed waarnemer en wat hij over Tsjechov schrijft, getuigt van de nodige scherpzinnigheid. Als Tsjechov zijn Ravijn aan Zjizn (Het leven) geeft, het marxistische blad van Posse, is dat vooral omdat Gorki het hem heeft gevraagd. Tsjechov had geen hoge dunk van het tijdschrijft, dat uitgerekend vanwege een gedicht van Gorki trouwens ten onder zou gaan, omdat het in april 1901 werd verboden. Tijdens Gorki's eerste bezoek houden hij en Tsjechov samen een lezing die in Jalta wordt georganiseerd voor slachtoffers van de hongersnood in Samara. Een andere foto van Gorki is van een later bezoek. De maker daarvan, Sredin, is een collega-arts met wie Tsjechov al tijdens zijn eerste bezoek aan Jalta bevriend raakte en die nu ook Gorki leerde kennen. Sredin maakte al in 1894 een foto van Tsjechov. Gedrieën zullen ze in de zomer van 1901 met nog een paar vrienden een tochtje naar de Kaukasus maken van twee weken. De correspondentie van Tsjechov en Gorki is in Nederland apart uitgegeven, in een vertaling van Anne Stoffel (Stoffel 2000). Boenin wijdde in zijn Herinneringen, behalve een hoofdstuk aan Tsjechov, er trouwens ook éen aan Gorki.

In de strenge winter van 1899 op 1900, waarin hij zich vooral bezig houdt met de Marks-uitgave, blijkt opnieuw hoe ambivalent zijn houding tegenover Jalta is. Tegen collega-zieken in Jalta zegt hij dat hij de stad prefereert boven Nice en dat hij voor zieken veel beter is, maar privé verlangt hij voortdurend naar Moskou en verveelt zich mateloos, terwijl hij aan het effect op zijn gezondheid ook twijfelt. Aan Soevorin schrijft hij op 10 maart 1900: Zoveel teringpatiënten als er hier zijn! Wat een ellende en een onrust levert dat op. Zwaar zieken worden hier noch in hotels, noch in privéwoningen opgenomen. Dan kunt u zich voorstellen wat voor zaken je hier meemaakt. De mensen sterven aan uitputting, aan de omgeving, aan totale verwaarlozing - en dat aan de veelgeprezen Tauris. Dan verlies je elke trek in zon en zee wel. Vrienden bezoeken hem zo nu en dan. Nadat ze hem zes jaar niet heeft gezien, verschijnt Maria Kiseljova weer, al is ze bang hem lastig te vallen, want ze heeft inmiddels gehoord dat Tsjechov op Jalta wordt achtervolgd door tal van vrouwen die er zelfs toe overgaan bloemen door zijn raam naar binnen te gooien. In een latere brief aan Olga Knipper sluit hij een krantenknipsel bij met dezelfde strekking - iedereen wil Tsjechov zien - al noemt hij het tegelijkertijd onzin omdat hij al twee maanden niet op de boulevard is geweest. Maar er is in Jalta echt veel belangstelling voor hem van vrouwelijke zijde, zo zeer dat de dames, met een woordspeling op Tsjechovs voornaam, zelfs het epitheton Antonovka (Антоновка) krijgen toegemeten, naar een soort appel die in Rusland populair is. Het valt te betwijfelen of Tsjechov daar erg onder geleden heeft. Hij is iemand die geen gelegenheid voorbij laat gaan om te melden dat een vrouw mooi is, als dat tenminste zo is. Ook in zijn verhalen gaat de vrouwelijke schoonheid nooit onopgemerkt voorbij. Hij was een groot vrouwenliefhebber en soms misschien ook wel enigszins een haantje. Zie maar eens hoe fraai rechtop hij staat op een foto die is genomen als hij in Sebastopol met enkele hem bekende dames converseert. Mannen! Kiseljova moet lang wachten en als hij eindelijk verschijnt, is ze geschokt en herkent ze hem nauwelijks. Ook met Ivan Bunin hernieuwt Tsjechov de kennismaking. Delen ervan zijn natuurlijk ook opgenomen in Eekmans vertaling van de brieven van Tsjechov.

114 Maksim Gorki, pseudoniem van: Aleksej Maksimovitsj Pesjkov (1868-1936). Zelfs als Gorki alleen op een foto aanwezig is, lijkt hij meer ruimte te willen dan er is. Zonder jaar. Bron: Urban 1987 nr. 582

Maksim Gorki (1868-1936)

115 Ik schreef het allemaal al: Tsjechov zag Olga Knipper voor het eerst op 14 september 1898, toen hij haar zag optreden tijdens repetities voor een toneelstuk van A.K. Tolstoj. Zie hier voor haar biografie. Hij was onder de indruk, maar vertrok desondanks de dag erna naar Jalta. Op 17 december van datzelfde jaar ging in zijn afwezigheid in Moskou zijn Meeuw in première, waarin Olga Knipper Arkadina speelde. Pas op 10 april 1899 keerde Tsjechov vanuit Jalta terug naar Moskou en bezocht haar daar zes dagen na zijn aankomst, op 18 april, op haar thuisadres - een dag voordat hijzelf werd bezocht door Tolstoj trouwens, bij wie hij de dag erna zelf ging eten - zag haar op 1 mei 1899 optreden in een speciaal voor hem georganiseerde uitvoering van zijn Meeuw, stuurde haar een paar dagen later nog een foto van zijn tuinhuis in Melichovo (hier werd De meeuw geschreven), ging op 7 mei met het hele gezelschap van het Kunsttheater, inclusief Olga Knipper, op de foto, waarna ze enkele dagen later, op 7 mei, zelf op zijn landgoed verscheen. Ondertussen corrigeert hij drukproeven voor Marks. Hij heeft het koud, zo meldt hij. Op 16 en 17 juni en 1 juli 1899 schreef Tsjechov haar zijn eerste drie brieven. Olga Knipper verbleef op dat moment, tijdens haar zomervakantie, bij familieleden in de Kaukasus, in Mtskheta, dat nu in Georgië ligt, in de Kaukasus. Olga Knipper wist het niet, maar kort voordat Tsjechov op 10 april 1899 naar Moskou vertrok, had hij Lika Mizinova nog geschreven, die in Parijs zat, om haar te vragen of ze in Jalta langs wilde komen. Hij stelde voor een trip langs de Krim te maken en daarna samen terug te keren naar Moskou. Maar Lika had daar geen zin meer in. Kort daarop vraagt Olga Knipper het hem en het is dus de vraag in hoeverre het helemaal haar eigen initiatief is. Tsjechov schrijft haar drie brieven, kort achter elkaar:

AAN O.L. KNIPPER

Melichovo, 16 juni [1899]
Wat heeft dat te betekenen. Waar bent u? U weigert zo hardnekkig elk teken van leven dat we ons aan vermoedens te buiten gaan en beginnen te geloven dat u ons vergeten hebt en in de Kaukasus bent getrouwd. Als dat inderdaad zo is, mogen we dan weten met wie? Hebt u niet ook besloten het toneel er aan te geven? De auteur is dus vergeten - oh, wat is dat verschrikkelijk, hoe wreed, hoe trouweloos. Iedereen doet u de groeten. Er is geen nieuws. Zelfs vliegen zijn er niet. Niets is er bij ons. Zelfs de kalveren bijten niet. Ik was van plan u naar het station te brengen, maar gelukkig werd dat door de regen verhinderd. Ik was in Petersburg, waar ik me twee keer heb laten fotograferen. En ben er bijna bevroren. Naar Jalta vertrek ik op zijn laatst begin juli. Als u het me toestaat, druk ik u stevig de hand en wens u het allerbeste.

AAN O. L. KNIPPER

Melichovo, 17 juni [1899]
Wees gegroet, laatste bladzij van mijn leven, groot actrice der Russische natie. Ik benijd de Tsjerkessen die u elke dag mogen aanschouwen. Nieuwtjes zijn er in het geheel niet. Vandaag eten we kalfsvlees, zodat de kalveren niet ons bijten, maar omgekeerd, wij de kalveren. Vliegen zijn er niet. De mussen hebben de aalbessen opgegeten. Ik wens u een wonderschoon humeur, boeiende dromen. Ik heb Masja uw adres gegeven, Michailovskaja 233. Toch? Ik zal proberen u nog in Mtskheta te schrijven, huis Berg. Schrijf, wanneer u naar Jalta komt.

AAN O. L. KNIPPER

Moskou, 1 juli [1899]
Ja, u hebt gelijk: de schrijver Tsjechov is de actrice Knipper niet vergeten. Sterker: uw voorstel samen van Batoemi naar Jalta te reizen, lijkt hem magnifiek. Ik kom, op voorwaarde dat u 1) na ontvangst van deze brief zonder éen ogenblik te aarzelen mij bij benadering de datum telegrafeert waarop u Mtskheta denkt te verlaten; houdt u zich aan dit schema: Moskou, Malaja Dmitrovka, Huis Sjesjkov, Tsjechov, twintigste. Dat wil zeggen dat u op 20 juli van Mtskheta naar Batoemi vaart 2) op voorwaarde dat ik direct naar Batoemi kom en u daar afhaal, zonder de omweg over Tbilisi te maken en 3) dat u me niet het hoofd op hol brengt. Visnjevski houdt mij voor een serieus man en ik zou niet willen dat ik zijn ogen net zo slap lijk als alle anderen. Als ik het telegram van u gekregen heb, zal ik u schrijven - en gaat alles prachtig worden, tot dan wens ik u het allerbeste en druk u stevig de hand. Dank voor uw brief.
uw A. Tsjechov
Ml Dmitrovka, Huis Sjesjkov
We verkopen Melichovo. Mijn landgoed op de Krim, Koetsjoekoi, is nu, 's zomers, naar men me schrijft, prachtig. U moet me daar beslist bezoeken. Ik was in Petersburg, heb me daar twee keer laten fotograferen. Ze zijn niet slecht geworden. Ik verkoop de foto's voor éen roebel. Visnjevski heb ik er onder rembours al vijf gestuurd. Het zou me het beste uitkomen als u telegrafeerde "de 15e", maar zeker niet later dan "de 20e".

Zelf vond ik dat laatste bladzij van mijn leven opmerkelijk. Tsjechov zal nog heel wat inventieve - zij het meestal minder navrante - aanspreekvormen voor Olga Knipper gaan gebruiken. En in die laatste jaren van Tsjechovs leven duiken er ook genoeg tersluikse, tussen neus en lippen door gedane opmerkingen op, waaruit blijkt dat hij zich geen illusies maakt over zijn toekomst. Het is misschien ook goed op te merken dat de brieven die Knipper terugschrijft minstens twee keer zo lang zijn. Ik ga er hier niet uit citeren, maar Benedetti bijvoorbeeld gaf in 1997 al de complete correspondentie tussen de twee uit in een Engelstalige uitgave en zette daar Knippers memoires doorheen, die van 1934 dateren. Wel moest Benedetti zodoende, net als Urban, die ook erg veel brieven geeft, nog net gebruik maken van de oude, gecensureerde Sovjet-editie. Ik vermoed dat de opmerking over Visjnevski een grapje is, net als het opsturen van de foto's naar hem. Tsjechov kende Visnjevski, nog onder zijn echte naam, Visjnetsjevski, uit Taganrog, waar hij samen met hem had schoolgegaan. Hij was de knapste acteur van het Kunsttheater, maar naar algemeen beweerd werd, ook de domste. Visjnevski fungeert hier al direct als de zo vaak opgevoerde Trofim in de brieven aan Lika Mizinova, als ordinaire en niet al te intelligente concurrent. In de brieven duikt er ook een verzonnen vrouwelijke concurrent voor Olga op, Nadenka.

Op 1 juli nodigde Olga Knipper Tsjechov dus uit samen van Batoemi (nu in Georgië) naar Jalta te reizen. Op 12 juli vertrok hij naar Taganrog en op 18 juli was hij in Novorossiejsk. Knipper schrijft in haar memoires: We ontmoetten elkaar op de stoomboot in Novorossiejsk en reisden naar Jalta, waar ik verbleef bij dokter Sredin en diens gezin, die oude vrienden van ons waren. (Bededetti 1997). Dat oude vrienden van ons is wel erg inclusief, want de Sredins waren Tsjechovs oude vrienden en trouwens niet eens zo heel oud. Tsjechov had de net als hijzelf aan tbc lijdende arts Sredin leren kennen toen hij in maart 1894 voor het eerst in Jalta verscheen. Sredin maakte toen een foto van hem. Nu gaat Tsjechov met Olga de bezienswaardigheden langs en hij neemt haar ook mee naar Oreanda. En misschien, zo schrijft Simmons, zitten ze daar op dezelfde bank als de twee hoofdpersonen uit De dame met het hondje. Tsjechov verbleef in Jalta in Hotel Marina, aan de boulevard en ging elke dag kijken bij de bouw van zijn huis in Autka. Tussen neus en lippen door schrijft Tsjechov uit Jalta aan zijn zus, dat Knipper in Jalta is. Die mededeling zal Masja danig hebben verrast. Als ze hem terugschrijft dat ze in onzekerheid verkeert over hoe te handelen met de verkoop van Melichovo, reageert Tsjechov ongebruikelijkerwijs geïrriteerd. Dat is haar zaak en ze heeft complete volmacht. Laat de prijs desnoods zakken naar 15.000, schrijft hij. In de laatste zin meldt hij nog, als klap op de vuurpijl, dat Olga erg enthousiast is over Masja's kamer in Aoetka, zoals die bezig is gebouwd te worden. Blijkbaar is hij met haar bij zijn nieuwe huis geweest. Op 2 augustus 1899 reisden de twee - via een omweg, want ze bezochten op de Krim het Tataarse Bachtsjysaraj - samen terug naar Moskou.

Ik vraag me af in hoeverre Olga Knippers rol bij het Kunsttheater in het vervolg tot ergernis ging leiden. Tsjechov uitte zich over enscenering en rolverdeling vaak in brieven aan Knipper en het kan haast niet anders of ze moet als een soort spreekbuis voor hem zijn gaan fungeren, misschien niet tot ieders plezier. Het kan irritant zijn als iemand in je gezelschap alles beter weet, maar het is me onbekend hoe ver Olga Knipper erin ging alles beter te weten. Benedetti schrijft - terecht - dat het praktisch onmogelijk is geworden zich een beeld te vormen van de prestaties van Olga Knipper als actrice, want zeker na Tsjechovs dood was er op haar acteerwerk geen kritiek meer mogelijk. In de Sovjettijd was ze een ware icoon. Dat neemt niet weg dat ze, als ze in het buitenland optrad, zwaar werd bewaakt, zoals dat met iedereen in die tijd ging. Maar ze had de naam gemakzuchtig te zijn en bij het acteren vooral op haar intuïtie af te gaan. Nemirovitsj vond haar lui en die zou, toen er een Drie zusters werd uitgevoerd met een ander dan Knipper in de rol van Masja, hebben gezegd: Dan kunnen we het deze keer misschien doen zoals het hoort. En wellicht gold die opmerking indirect - en paradoxaal genoeg - ook voor de rol van Tsjechov, die een hekel had aan de hang naar naturalisme van Nemirovitsj, die op zijn beurt de auteur misschien ook als een sta-in-de-weg beschouwde.

115 Olga Leonardovna Knipper (1868-1959). Bron: Urban 1987 nr. 580

Olga Leonardovna Knipper  (1868-1959)

116 Olga Knipper was het opgevallen dat Tsjechov slecht voor zichzelf zorgde. Een week na zijn terugkeer in Jalta op 28 augustus schrijft hij:

AAN O. L. KNIPPER

Jalta, 3 september [1899]
Lieve actrice, ik antwoord op al uw vragen. Ik ben heelhuids gearriveerd. Mijn medepassagiers hebben voor mij de benedencouchette vrij gelaten, waarna er maar twee in de coupé bleken achter te blijven, ik en een jonge Armeniër. Ik heb een paar keer per dag thee gedronken, elke keer drie glazen, met citroen, heel degelijk, zonder haast. Alles wat in de mand zat heb ik opgegeten. Maar ik vind dat met een mand rond te sjouwen en de stationsrestauratie binnen te draven om warm water te halen - dat is stom en ondermijnt het aanzien van het Kunsttheater. Tot Koersk was het koud, daarna werd het warmer, en in Sebastopol was het al heet. In Jalta ben ik in mijn eigen huis getrokken en woon nu hier, bewaakt door de trouwe Moestafa. Ik eet niet elke dag, want het is een heel eind naar de stad en het gerommel met een petroleumstel schaadt wederom het aanzien. 's Avonds eet ik kaas. Nu en dan zie ik Sinani. Naar de Sredins ben ik al twee keer geweest; uw foto heb ik ontroerd bekeken, de jam gegeten. Met L.V. [Leonid Valentinovitsj Sredin] gaat het matig. Narzan [Russisch mineraalwater] drink ik niet. En verder? In de tuin kom ik bijna nooit, maar ik zit binnen en denk aan u. Toen ik Bachtsjysaraj passeerde, moest ik ook aan u denken en aan onze reis. Lieve, buitengewone actrice, opmerkelijke vrouw, als u eens wist hoe ik me heb verheugd over uw brief... Ik buig me diep, diep, zo diep dat ik met mijn voorhoofd de bodem van mijn put raak, die inmiddels al acht vadem diep is. Ik ben al aan u gewend geraakt, heb nu heimwee en kan me gewoonweg niet verzoenen met de gedachte u tot de lente niet meer te zien; ik erger me kortom dood en als Nadjenka [door Tsjechov verzonnen jaloerse vrouw] wist wat wat er in mijn binnenste omging, zouden de poppen aan het dansen zijn. In Jalta is het schitterend weer, alleen regent het ineens nu al twee dagen en is het zo drassig geworden dat je overschoenen moet dragen. Vanwege de vochtigheid kruipen langs de muren de duizendpoten omhoog, in de tuin springen kikkers en jonge krokodillen rond. Het groene monster in een bloempot [door Olga geschonken cactus] dat u me geschonken hebt en dat ik intact hierheen heb vervoerd, staat in de tuin in het zonnetje. Er is een vlooteskader binnengelopen. Ik kijk ernaar door mijn verrekijker. In het theater loopt een operette. De gedresseerde vlooien dienen wederom de heilige kunst. Geld heb ik niet, gasten daarentegen vele. Het is allemaal saai en bovendien van een doods, zinloos soort saaiheid. Welnu, ik druk u de hand en kus hem. Blijf gezond, vrolijk, gelukkig, werk, spring maar, wees enthousiast, drink en vergeet, indien mogelijk niet de streekschrijver, uw toegewijde vereerder, A. Tsjechov

Met de hier genoemde trouwe Moestafa zal het slecht aflopen. Als hij een jaar later of zo koffers ophaalt op een boot in Jalta, wordt hij door een officier geslagen omdat Tataren niet op het betreffende dek mochten komen. Tsjechov die het ziet, is witheet van woede. Moestafa zelf zou gezegd hebben: U hebt niet mij geslagen, maar hem, wijzend naar de inmiddels landelijke beroemdheid die Tsjechov is. Een krant in Jalta doet verslag van het incident. Het is Rayfield die de anecdote vertelt. Die voegt er nog aan toe dat Moestafa in een later stadium zal verdwijnen, vermoedelijk omdat moeder Jevgenia niet door een islamiet wenste te worden bediend. Op 8 januari 1900 schrijft hij aan Soevorin: Ik kan horen hoe de muezzin van de minaret roept. De Turken zijn een zeer gelovig volk; het is vastentijd [ramadan, HV], ze eten de hele dag niet. Ze hebben geen religieuze dames - dat element waarin de religie verzandt zoals de Wolga doet.

Ondertussen werkt Tsjechov aan zijn Dame met het hondje, maar het valt blijkbaar niet mee. Op 15 september 1899 laat hij aan Goltsjev, redacteur bij Roesskaja Mysl, weten dat het bij hem in huis een enorm lawaai is, omdat er parket wordt gelegd en er timmerlui bezig zijn, zodat hij er niet in slaagt te schrijven. De novelle zou uiteindelijk in het decembernummer verschijnen. Bij alle beknoptheid is het éen van Tsjechovs mooiste. Helemaal opvallend: hij vraagt tegelijkertijd 1000 roebel te leen. Want, zo schrijft hij, hoewel hij in december veel geld tegoed heeft van Marks - 10.000 roebel namelijk, al zegt hij dat niet - zit hij nu zonder een cent. Aan Marks stuurt hij op 25 september een lijst met 17 verhalen waarvan hij wil dat ze niet in het tweede deel van zijn Verzameld werk worden opgenomen. En die u dus ook niet kent (maar die allemaal door Urban werden vertaald). Eind september begint het tweede seizoen van het Moskouse Kunsttheater, waarbij ook zijn Oom Wanje op de rol staat. De première ervan zal - na een keer te zijn verschoven - op 26 oktober 1899 plaatsvinden. Als Olga Knipper hem vraagt om uitleg over haar rol, als Elena, en haar laatste scene, geeft hij die, zoals hij ook Meyerhold helpt, als die hem vraagt naar zijn rol in een toneelstuk van Hauptmann, Eenzame mensen. Op 30 september wenst hij het gezelschap per telegram succes voor de komende voorstellingen. Wanneer hem op 16 oktober door iemand wordt gevraagd zijn Woudduivel te mogen uitgeven, weigert hij. Ik haat dat stuk en probeer het te vergeten. Behalve zijn moeder is ook Masja in Jalta aanwezig. Die zal pas op 25 oktober teruggaan naar Moskou, zodat Tsjechov daarna met alleen zijn moeder achterblijft. Wederom is hij niet aanwezig bij de première van éen van zijn stukken.

116 Anton Tsjechov. Moskou, 1899 Foto: V. Tsjechovski. Ik neem aan dat de foto werd gemaakt bij dezelfde gelegenheid als de andere. Ik zal me laten fotograferen, zij het alleen om aan uw wens tegemoet te komen, maar als het aan mij lag, zou ik het portret niet gebruiken, tenminste niet in de eerste delen. Datzelfde kan ik over mijn biografie zeggen. Als u het zonder portret en biografie kon doen, zou u mij daarmee zeer verplichten. Tsjechov in een brief aan Marks van 25 februari 1899. Bron: Urban 1987 nr. 575

Anton Tsjechov, Moskou 1899

117 Op 11 oktober 1899 schrijft Tsjechov een brief aan een oud studiegenoot, Grigori Ivanovitsj Rossolimo (1860-1928) - een uit Odessa afkomstige hoogleraar in de neuropathologie - die hem heeft gevraagd om een biografietje voor een almanak voor artsen. Eekman annoteert bij zijn vertaling van de bij de brief gaande biografie (Eekman 1955-1, nr. 485) dat Tsjechov Rossolimo hogelijk waardeerde en hem begin jaren '90 vergeefs poogde een privaatdocentschap in Moskou te bezorgen. Ik vraag me af of het dezelfde Rossolimo is die Tsjechov kort voor zijn dood nog ontmoet in Berlijn. Rayfield noemt hem dan een jonge collega-arts, wat dus niet het geval zou zijn. Rossolimo wordt overigens ook genoemd in Boelgakovs Eieren der Rampspoed. In Urban 1979-5 is de brief met biografie nummer 791. Ik geef eerst een deel uit de brief aan Rossolimo, en vervolgens de gehele biografie zoals Tsjechov die op een apart blad bijvoegde. Ik vind de toon daarvan opvallend serieus, zoals het ook opmerkelijk is hoe hij zich uitlaat over het verband tussen zijn studie en zijn literaire bezigheden, al ligt dat hier gezien de medische context natuurlijk wel enigszins voor de hand. De laatste zinnen eruit lijken me (mede) aan het adres van Tolstoj gericht, want er weerklinkt in wat hij in februari 1890 schreef over diens Kreutzersonate.

AAN G. I. ROSSOLIMO

11 oktober [1899] [...] Mijn autobiografie? Ik heb éen ziekte: autobiografiefobie. Allerlei details over mezelf te lezen - en dan helemaal ze voor publicatie te schrijven - dat is voor mij een waar martyrium. Ik stuur u op een apart bijgevoegd vel enkele zeer karige feiten - meer kan ik niet. Schrijft u er, als u wilt, bij dat ik, toen ik aan de rector om toelating tot de universiteit verzocht, schreef faculteit der medicynen [onvertaalbare Russische woordspeling]. U vraagt wanneer we elkaar weer zien. Vermoedelijk niet voor volgend voorjaar. Ik woon in Jalta, in de verbanning, misschien wel een heel mooie, maar toch: in de verbanning. Het leven is saai. Mijn gezondheid is matig. Bij al het overige heb ik last van darmbloedingen en ontsteking van de anus en er zijn dagen dat ik van de voortdurende aandrang compleet uitgeput raak. Ik moet me laten opereren. Het spijt me zeer dat ik niet aan de feestmaaltijd heb kunnen deelnemen en dat ik de collegae niet heb kunnen ontmoeten. [...]
Ik, A.P. Tsjechov, werd geboren op 17 januari 1860 in Taganrog. Ik bezocht eerst de Griekse school van de Grieks Orthodoxe Kerk, daarna het gymnasium van Taganrog. In 1879 begon ik mijn studie aan de medische faculteit van de Universiteit van Moskou. Van de studierichtingen had ik toen enkel een vage voorstelling en op grond waarvan ik de keus maakte voor de medische faculteit staat me niet meer bij, maar spijt heb ik er daarna nooit van gehad. Al in mijn eerste jaar begon ik te publiceren in weekbladen en kranten en die literaire werkzaamheden namen reeds aan het begin van de jaren '80 een vaste, beroepsmatige vorm aan. In 1888 kreeg ik de Poesjkinprijs. In 1890 ben ik naar Sachalin gegaan, om daarna een boek over onze strafkolonie en de dwangarbeid te schrijven. Als ik de justitieel-medische verslagen, artikelen, feuilletons en berichten buiten beschouwing laat, moet alles wat ik in de loop der 20 jaren van mijn literaire carrière zo van dag tot dag voor kranten heb geschreven en wat nu allemaal moeilijk op te zoeken en bijeen te brengen zou zijn, meer dan 300 vel druks aan novellen en verhalen beslaan. Ik heb ook toneelstukken geschreven.
Ik twijfel er niet aan dat mijn werkzaamheden in de medische wetenschap grote invloed op mijn literaire bezigheden hebben gehad, dat ze mijn blikveld aanzienlijk hebben verruimd en mij verrijkt met kennis, waarvan de werkelijke betekenis voor mij als schrijver enkel naar waarde geschat kan worden door iemand die zelf arts is; ze heeft me vermoedelijk ook de richting gewezen en mijn kennis van de geneeskunde heeft me behoed voor vele fouten. De bekendheid met de natuurwetenschappen en de wetenschappelijke methodes deed mij op mijn hoede zijn en ik heb mijn best gedaan mijn schrijven, daar waar dat mogelijk was, met de feiten der wetenschap in overeenstemming te brengen en waar dit onmogelijk bleek, gaf ik er de voorkeur aan mij te onthouden. Terzijde merk ik maar op dat de voorwaarden der kunstzinnige schepping volledige overeenstemming met de feiten der wetenschap niet altijd mogelijk maken; het is nu eenmaal onmogelijk de dood door vergiftiging op het toneel zo weer te geven als ze in werkelijkheid geschiedt. Maar ook onder die omstandigheden zou men de overeenstemming met de wetenschappelijke feiten moeten kunnen vaststellen, dwz. dat de lezer of toeschouwer te begrijpen krijgt dat ze enkel onder die condities kon worden getoond en dat hij te maken heeft met een schrijver die zich daarvan bewust is. Ik behoor niet tot de soort schrijvers die negatief staan tegenover de wetenschap; en tot degenen die voor alles enkel bij zichzelf te rade gaan, wens ik niet te behoren. Wat de praktijk der geneeskunde betreft, heb ik als student in het zemstwo-ziekenhuis van Voskresensk (bij Nieuw Jeruzalem) gewerkt, en wel bij de beroemde zemstwo-arts P. A. Archangelski, daarna korte tijd als arts in het ziekenhuis van Zvenigorod. In de cholerajaren (92, 93) leidde ik in de regio Serpoechov het district Melichovo.
Als Tsjechov voor een aan tbc lijdende onderwijzer uit Serpoechov, een plaatsje bij Melichovo, aanbiedt diens reis naar Jalta te bekostigen, komt een verminkt bericht daarover in de kranten. Tsjechov zou van plan zijn in Jalta een sanatorium te openen voor aan tbc lijdende onderwijzers. In een mum van tijd wordt hij bestookt met aanvragen uit het hele land. Hij is er zo van onder de indruk dat hij inderdaad poogt om met hulp en financiering van anderen zo'n instelling van de grond te krijgen. Er begint inderdaad geld binnen te komen, maar ook de zieken verschijnen. Ten slotte zal er een soort pensionregeling komen en uiteindelijk ook een echt sanatorium. Als hij in december 1900 in Nice verblijft, blijkt dat er geld genoeg binnen is. Zelf draagt hij op dat moment 5000 roebel bij.

117 Jalta, Tsjechovs Witte Datsja. Bron: Urban 1987

Jalta, Tsjechovs Witte Datsja

118 Nadat Masja is teruggekeerd naar Moskou, voelt hij zich vaak eenzaam. De brieven die hij aan Olga Knipper schrijft, klinken anders dan alles wat hij eerder aan vrouwen heeft geschreven, merkt Simmons op. En dat is beslist waar. De brieven aan Lika zijn veel plageriger en minder serieus. Een deel van de correspondentie gaat ook over Oom Wanja. Zijn oude - maar nu omgebouwde - Woudduivel was weliswaar met veel succes uitgevoerd in de provincie, maar nooit in Moskou en hij had eigenlijk zonder erover na te denken toegestemd het daar nu te laten uitvoeren, maar wel in Ruslands oudste en belangrijkste theater, het Maly. Als Nemirovitsj het hoort, is hij in alle staten, want na het succes van De meeuw had hij aangenomen dat hij ook het volgende stuk van Tsjechov zou krijgen. Het ging daarbij niet om de rechten op de première, want die had hij al, maar op het recht om er op een toernee gebruik van te maken. De toelatingscommissie van het Maly blijkt echter kritiek te hebben en eist een aantal veranderingen. Tsjechov maakt daarvan gebruik om het stuk terug te nemen. Tsjechov laat dat op 3 december 1899 aan Nemirojvitsj weten. Die springt in het gat en belooft het precies uit te voeren zoals Tsjechov wil. Zoals gezegd vond de uiteindelijke Moskouse première al eerder plaats, op 26 oktober 1899. De berichten die hij er in Jalta over krijgt, zijn positief, maar er klinkt iets in door wat hem niet bevalt en als hij de recensies krijgt, blijken die niet zo jubelend als de reacties van de leden van het Kunsttheater deden geloven. Op 30 oktober schrijft hij:

AAN O. L. KNIPPER

Jalta, 30 oktober [1899]
Lieve actrice, best mensenkind. U vraagt me of ik last heb van plankenkoorts. Maar dat Oom Wanja op de 26e in première ging, hoorde ik officieel pas via uw brief, die ik op de 27e kreeg. De telegrammen begonnen pas de 27e 's avonds binnen te komen, toen ik al naar bed was. Ze worden me altijd per telefoon overgebracht. Ik werd elke keer wakker en liep in het donker naar de telefoon, blootsvoets, zodat ik het koud kreeg; en dan sliep ik nog maar net en werd er weer gebeld en weer. Het was voor het eerst dat ik wakker lag van mijn eigen roem. De dag erna heb ik, voordat ik naar bed ging, mijn pantoffels en ochtendjas klaar gelegd, maar toen kwamen er geen telegrammen meer. In die telegrammen was er alleen sprake van open doekjes en daverend succes, maar toch klonk er een fijne, nauwelijks waarneembare toon in door, waaruit ik kon opmaken dat de stemming bij jullie niet helemaal de allerbeste is. De kranten die ik vandaag kreeg, bevestigden mijn vermoedens. Ja, actrice, jullie kunsttheateracteurs zijn met een gewoon, middelmatig succes al niet meer tevreden. Jullie willen alleen nog maar geknal, saluutschoten, dynamiet. Jullie zijn totaal verwend, verdoofd door het voortdurend gepraat over succes, uitverkochte en lege zalen, zijn al vergiftigd door die verslavende middelen en over 2-3 jaar is het afgelopen met jullie. Zo!
Hoe gaat het met u? Hoe voelt u zich? Ik zit maar hier en ben dezelfde. Ik werk, ik plant bomen.
Maar er zijn gasten gekomen. Ik kan niet verder schrijven. Ze hokken hier al meer dan een uur en nu willen ze thee. Dus ik ga de samovar opzetten. Oh, wat is dat vervelend.
Vergeet me niet, houdt de vriendschap in ere, zodat we van de zomer weer samen ergens heen op reis kunnen. Tot ziens. We zullen elkaar wel niet voor april terugzien. Als u in het voorjaar allemaal naar Jalta zou kunnen komen, konden jullie hier spelen en bijkomen. Dat zou pas kunstzinnig zijn. Eén van de gasten neemt de brief mee en post hem. Ik druk u stevig de hand. Groet Anna Ivanovna [Olga's moeder] en uw militaire oom.
Uw A. Tsjechov.
Actrice, bij alle heiligen, schrijf me, want anders verveel ik me zo! Ik zit hier als in de gevangenis en erger me dood.

Geleidelijk echter zal het stuk meer begrip krijgen, meer succes oogsten en misschien ook beter gespeeld worden, tot het vast onderdeel is van het repertoire. Nemirovitsj en Stanislavski dringen erop aan dat hij een nieuw stuk voor het gezelschap schrijft. Een tijd lang nog zal hij het ontkennen dat hij aan iets bezig is. Een stuk? Het zal Drie zusters worden: Naar Moskou, naar Moskou!

Begin november 1899 heeft hij een heel ander probleem op te lossen. Aan de acteur Visnjevski, die hij al uit Taganrog kende, schrijft hij: De zwangerschap van onze kokkin Masja heeft ons verrast en u vraagt me in uw brief wie de schuldige zou kunnen zijn. Wat mannen betreft was er het vaakst een jonge soldaat bij ons, maar wie de schuldige is, weet ik niet en het is ook niet mijn zaak over mijn naaste te oordelen. Als u het niet bent, hoeft u natuurlijk niet voor het kind te betalen. Een week later is hij blijkbaar op de hoogte. Want dan schrijft hij aan Masja op Melichovo: Voor het kind van Masja moet niet Asjesjov (journalist van een Moskouse krant] betalen, maar Visnjevski. En ook aan Masja zelf moet hij maandelijks minstens drie roebel betalen. Het zou nog beter zijn als hij Melanja [echte naam van de kokkin Masja] bij zich nam en haar samen met het kind bij zich hield. Hij heeft me al geschreven dat hij de vader is en niet de soldaat Aleksandr.

118 Aanplakbiljet voor de première van Oom Wanja op 26 oktober 1899. Het is op dezelfde manier vorm gegeven als eerder dat voor De meeuw. Rechts boven de doorgetrokken lijn onderaan: alle kaarten uitverkocht.

Aanplakbiljet voor de première van Oom Wanja, oktober 1899

119 De verhouding tussen Olga Knipper en Tsjechov verloopt misschien niet altijd zonder rimpelingen, al is het soms lastig vast te stellen wat scherts is en wat ernst en - niet te vergeten - hoeveel ernst er achter de scherts schuilgaat. In dezelfde brief aan zijn zus, waarin hij schrijft dat Visjnevski de vader is van het kind van het keukenmeisje Masja, schrijft Tsjechov aan het eind: Als je O.L. Knipper bezoekt, groet dan haar moeder. Een groet aan Vladimir Ivanovitsj [Nemirovitsj-Dantsjenko]. Ik benijd hem, want voor mij staat het vast dat hij succes heeft bij een bepaald persoontje. Een week later, op 18 november 1899, schrijft hij aan Olga Knipper: Lieve actrice, Visjevski schreef me dat u dezer dagen, om mij te zien niet meer dan drie kopeken zou betalen - dat zou u in elk geval tegen hem gezegd hebben. Bedankt, u bent erg gul. En als het nog wat langer duurt, éen of twee maanden, dan hebt u er misschien niet eens meer twee kopeken voor over. Wat kunnen mensen veranderen. Ik zou, om u te kunnen zien, 75 roebel neertellen! Urban annoteert dat Tsjechov een week eerder, op 24 november aan zijn zus had geschreven: Visnjevski schreef me dat Olga Leonardovna zich als volgt over me zou hebben uitgelaten: Spreek me niet van die schoft. Als ze dat niet heeft gezegd, zou ik haar nu een foto van mezelf sturen die ze voor drie kopeken kon verkopen. Met andere woorden: dan betaalt ze toch drie kopeken om me te zien.

Uit Tsjechovs laatste zes levensjaren dateren maar weinig verhalen. Vanaf 1898 schrijft hij er in totaal nog 14, al bestaan er ook nog twee onvoltooide restanten. Begin 1899 verschijnen De nieuwe datsja en Uit hoofde van hun functie zoals Timmers' De dienstreis tegenwoordig heet, maar die zijn beide eind 1898 ontstaan. De twee die in deel 5 van de Van Oorschot-editie als jaar 1900 krijgen, In het ravijn en In de kerstweken, werden beide eind 1899 geschreven. Tsjechovs Ravijn verschijnt in het nummer van januari 1900 van Zizn (Leven), het marxistische tijdschrijft onder redacte van V.A. Posse, dat tot 1901 in Petersburg werd uitgegeven, en daarna in Londen en Genève. In 1900 zelf schrijft hij geen enkel verhaal. In 1902 volgt nog De bisschop en zijn laatste, Verloofd, dateert van 1903. Het bekendste late verhaal en bovendien de eerste vrucht van zijn verblijf op Jalta, ook van 1899, is natuurlijk Tsjechovs beroemde De dame met het hondje. Het verschijnt in december 1899 in Roesskaja Mysl (Russische gedachte, 1880-1918). Tsjechov besteedt het grootste deel van zijn tijd aan zijn twee laatste toneelstukken, Drie zusters en De kersentuin. Als ik het wel heb, duikt de naam van Drie zusters voor het eerst op in een brief aan Nemirovitsj van 24 november 1899: Een toneelstuk schrijf ik niet. Ik heb een onderwerp, Drie zusters, maar voordat ik de novelle af heb die me al lang dwars zit [Het ravijn], begin ik niet aan het stuk.

119 Anton Tsjechovs manuscript van De dame met het hondje, van eind 1899. Met rechtsonder in de hand van Ivan Boenin: Dit is het manuscript van De dame met het hondje van Tsjechov. Urban annoteert: Aangezien Tsjechov principieel zijn manuscripten vernietigde nadat hij ze in het net had geschreven, is dit door Boenin geredde exemplaar van groot belang, net als het exemplaar van De verloofde. Bron: Urban 1987 nr. 598

Tsjechov, Manuscript van De dame met het hondje, 1899

120 Tolstoj is diep onder de indruk van Tsjechovs Ravijn, dat nu eenmaal weer een verhaal is met een uitgesproken sociale strekking. Tolstoj bezoekt ook een voorstelling van Oom Wanja, wordt door het publiek met daverend applaus begroet, maar vindt het stuk niets. Waar is het drama? zegt hij na afloop. En: Tsjechovs stukken zijn nog slechter dan die van Shakespeare. Aan Tsjechovs toneel zal Tolstoj altijd een hekel hebben, al maakt hij een uitzondering voor zijn Beer.

120 Moskouse Kunsttheater, met autogrammen van alle leden. Midden voor: Nemirovitsj-Dantsjenko en Stanislavski. Midden links in witte blouse: Olga Knipper. Moskou 1900. Bron: Urban 1987

Moskous Kunsttheater, 1900

121 In Moskou zijn Masja Tsjechov en Olga Knipper inmiddels goede vriendinnen geworden, al vraag ik me af in hoeverre de goede relatie - aan beide zijden - de vrucht was welbegrepen eigenbelang. De twee gaan veel met elkaar om en Masja houdt Tsjechov nauwkeurig op de hoogte van alles wat met haar vriendin te maken heeft. De winter in Jalta van 1899 op 1900 is zo streng dat hij, zo laat hij weten, net zo goed in Moskou kan gaan wonen. Dan al is er sprake van dat het hele Kunsttheater naar Jalta komt voor een toernee. Dat zal in de lente van 1900 gebeuren. Nadat Masja op 17 januari 1900, Tsjechovs verjaardag, in Moskou met Lika naar een voorstelling is geweest van Tsjechovs Meeuw, stuurt ze hem dezelfde avond een telegram om hem te feliciteren met zijn benoeming, een dag eerder, tot lid van de Russische Academie van Wetenschappen, afdeling Literatuur, de Poesjkin-Academie. Die afdeling was in december gecreëerd, ter herdenking van Poesjkins honderdste geboortejaar. Toen Tsjechov ervan hoorde, had hij geschreven dat de Russische literatuur er niet van op vooruit zou gaan door daarin de middelmatige schrijvers te benoemen waar de Academie ongetwijfeld voor zou gaan kiezen. Bij de eerste tien benoemden echter zijn behalve hijzelf ook Tolstoj en Korolenko. Maar hij krijgt ook al gauw te horen dat de leden van de afdeling literatuur alleen ereleden zijn en niet mogen deelnemen aan het dagelijks bestuur, want die rol is alleen weggelegd voor wetenschappers. Tsjechov ontvangt weer eens een brief van Soevorin, die hem ook feliciteert. Hij draagt zijn eretitel met de nodige humor. Hij ondertekent zijn brieven nu met Academicus, Erfelijk erelid en Generaal, want in de Russische rangentabel stond de titel Academicus gelijk aan die van generaal. Hij is blij met de titel, schrijft hij, maar hij zal nog blijer zijn als hij hem vanwege een misverstand kwijtraakt. En misverstanden zullen er beslist zijn, schrijft hij. Hij hoeft niet lang te wachten.

121 Anton Tsjechov. Jalta, 1900. Bron: Urban 1987

Tsjechov, Jalta 1900

122 Uitgeblust of niet, er gaat nog steeds geen mooie vrouw onopgemerkt voorbij. Op 15 januari 1900 schrijft Tsjechov aan Masja: Ik heb het stukje land gekocht aan de kust met strandje en Poesjkinrots in de buurt van de aanlegplaats en het park van Hoerzoef. Nu hebben we een kleine baai waar de boot kan liggen. Het huis is eem misbaksel, maar bedekt met dakpannen, vier kamers, grote verdieping. Een grote boom, een moerbei. [...] Gisteren was ik in Hoerzoef en heb bij die bijzonder mooie dame gegeten (zo mooi dat je er bang van wordt), aan wie ik door mevrouw Bonnier was voorgesteld. Koetsjoekoi wordt verkocht. De vrouw in kwestie was Olga Michailovna Solovjejeva. Mevrouw Bonnier was een bekende uit Jalta die Tsjechov hielp bij het onderbrengen van tbc-patiënten. In de vroege lente van 1900 besteedt Tsjechov veel tijd aan zijn tuin. Die wordt inmiddels bewoond door twee kraanvogels, die hem volgen terwijl hij de rozen snoeit. Nadat de twee honden die hij op Melichovo had, zijn gestorven, heeft hij twee nieuwe aangeschaft, Tusik (Kleine Aas) en Kastjanka (Kastanje). Als hij muizen vangt, neemt hij die mee naar het naburige kerkhof en laat ze daar vrij. Als Rossolimo, de hem bekende neuropatholoog, vraagt of hij aan de autobiografie die Tsjechov hem gestuurd had, nu zijn benoeming tot erelid van de Academie van Wetenschappen kan toevoegen, en bovendien of hij ook wat voor kinderen geschikte verhalen heeft, antwoordt hij:

AAN G. I. ROSSOLIMO

21 januari 1900,
Beste Grigori Ivanovitsj, het betreffende PS aan mijn autobiografie kunt u toevoegen, maar het zou beter zijn de vergadering van de Academie af te wachten, tijdens welke de verkiezing officieel plaatsvindt. Wat betreft mijn zaken die misschien voor kinderen geschikt zijn - twee sprookjes uit het leven van een hond [Witkopje en Kastjanka] stuur ik u onder rembours toe. Meer in die trant heb ik geloof ik niet. In het algemeen kan ik toch al niet voor kinderen schrijven, ik doe dat eens in de tien jaar en van die zogenaamde kinderliteratuur houd ik niet en ik erken ze ook niet. Kinderen behoort men dat te geven, wat ook voor volwassenene geschikt is. Andersen, het Fregat Pallas, Gogol, die worden door kinderen gelezen zoals ze door volwassenen worden gelezen. Men moet niet voor kinderen schrijven, maar erin slagen uit te zoeken wat al voor volwassenen is geschreven, dat wil zeggen echte kunst; erin slagen het medicijn te kiezen en te doseren - dat is effectiever en directer, dan een bepaald geneesmiddel te vinden voor een patiënt alleen omdat die een kind is. Vergeeft u me de medische vergelijking. Maar hij komt goed van pas, omdat ik al vier dagen weer praktiseer; ik behandel mezelf en mijn moeder. Waarschijnlijk griep. Koorts en hoofdpijn. [...]

122 Anton Tsjechov in de tuin bij zijn huis in Aoetka. 1900. Bron: Urban 1987

Tsjechov in de tuin bij zijn huis in Aoetka, 1900

123 Zijn kleine werkkamer is op orde gebracht. Er hangt een schilderij van Levitan met een noordelijk nachtlandschap met hooibergen dat die tijdens een bezoek eind 1899 of begin 1900 ter plekke heeft gemaakt nadat Tsjechov had opgemerkt dat hij Melichovo en de omgeving zo miste. Er hangen portretten van Tolstoj, Toergenjev en Grigorevitsj. Door het raam heeft hij een uitzicht over de tuin, het dal van de Oetsjan-Soerivier en de zee bij Jalta. Er hangt een bordje: gelieve niet te roken, iets wat iedereen toch doet, zonder dat Tsjechov er zijn bezoekers op attent maakt, zoals ze ook te lang blijven plakken zonder dat hij er wat van durft te zeggen. Als een tijd later de weg langs het huis wordt verhoogd, beginnen mensen langs te rijden in de hoop hem te zien te krijgen. Al snel koopt Tsjechov dus een klein huisje aan zee, op 12 kilometer oostelijk van Jalta, bij Hoerzoef (Oekraïens: Гурзуф, Tataars: Gurzuf), vlakbij de pier daar, met een stukje strand. Het heeft drie kamertjes en een badhuis. Het lijkt hem geschikt voor de zomer, voor Masja en voor zijn moeder. Het huisje dat hij in Koetsjoekoi heeft en waar niemand van de vrienden en bekenden enthousiast over was, doet hij nu van de hand. Op 25 januari 1900 stuurt hij Aleksandr de beloofde 1000 roebel. Die kan er de aannemer mee betalen die voor hem werkt op het stukje grond dat hij bij Petersburg heeft gekocht, in Oedelnaja. Het kan allemaal, want in januari 1900 krijgt hij van Marks weer een deel van het geld voor zijn Verzameld werk, terwijl de inkomsten uit zijn toneelwerk inmiddels flink oplopen. Hij zet 5000 roebel op de bank voor Masja, in plaats van het door hem beloofde bedrag voor de verkoop van de inrichting van Melichovo, waar nog steeds niemand voor is verschenen. Hij schrijft desondanks aan iemand dat hij ziek is van Jalta als van een vervelende echtgenote.

Op 24 januari schrijft hij aan collega-schrijver F.D. Batjoesjkov (1857-1920): U noemt in uw brief Gorki. Hoe bevalt die u trouwens? Ik houd niet van alles wat hij schrijft, maar hij heeft dingen die me zeer, zeer bevallen, en ik twijfel er niet aan of hij is uit het echte kunstenaarshout gesneden. Hij is echt. Hij is een goed, intelligent, denkend en nadenkend mens, maar in en om hem draagt hij veel overbodigs met zich mee, zijn provincialisme bijvoorbeeld. Op 27 januari feliciteert hij collega-schrijver Viktor Goltsjev (1850-1906) met diens 20-jarige schrijverschap, viering waarover hij zich eerder in een brief aan Masja zeer laatdunkend heeft uitgelaten (Wie viert er nou zijn 20-jarige schrijverschap! en: Oh, wat ben ik blij dat niemand weet wanneer ik begonnen ben) en raadt hem aan, in plaats van een bibliotheek aan zijn geboortedorp te schenken, het éen of andere kind van een kokkin, door uw tegenstanders principieel zo gehaat, een complete gymnasium- en universiteitsopleiding te verschaffen. Dat kind van een kokkin komt niet uit de lucht vallen. De acteur Visnjevski had op Melichovo de kokkin zwanger gemaakt.

Als eind januari 1900 Tolstoj ernstig ziek blijkt te zijn, schrijft hij een lange brief aan de Tolstojaan Mensjikov (1859-1918). En dan blijkt terzijde dat Tsjechov, die principieel weigerde recensies te schrijven, dat ook nog prima had gekund en dat hij bij al zijn grote bewondering voor Tolstoj feilloos diens zwakke plek aanwijst:

AAN M. O. MENSJIKOV

28 januari [1900] Jalta
Beste Michail Osipovitsj, ik begrijp niet welke ziekte Tolstoj heeft. [...] Kanker is het ook niet, die zou vooral zijn eetlust aantasten, zijn algehele gezondheids-toestand en dan zou het in zijn gelaatstrekken zichtbaar zijn, als het dat was. Waarschijnlijk is L.N. gezond (afgezien van de nierstenen) en leeft hij nog 20 jaar. Zijn ziekte heeft me doen schrikken en in spanning gehouden. Ik ben bang voor Tolstojs dood. Als hij stierf, zou er in mijn leven een grote leegte achterblijven. Ten eerste heb ik om niemand zoveel gegeven als om hem; ik ben geen gelovig mens, maar van alle soorten geloof die er zijn, houd ik dat van hem voor wat me het naast staat en het beste bij me past. Ten tweede is het, zolang als er in de literatuur een Tolstoj bestaat, gemakkelijk en aangenaam schrijver te zijn; zelfs als men moet erkennen dat men niets heeft bereikt en niets doet, is dat niet zo erg, want Tolstoj werkt voor ons allemaal. Zijn doen en laten is de rechtvaardiging van alle hoop en verwachtingen die je van de literatuur kunt hebben. Ten derde is Tolstoj een machtige aanwezigheid, hij heeft een ernorm aanzien en zo lang hij leeft, zal alle wansmaak in de literatuur, al het triviale, hoe brutaal of larmoyant ook, zal alle ijdelheid, rauw of bitter, ver in zijn schaduw blijven. Alleen zijn morele gezag al is ertoe in staat al die zogenaamde literaire ideeën en stromingen op een zeker peil te houden. Zonder hem zou het een kudde zonder herder zijn, of een brij waarmee je niets zou weten te beginnen.
Nu we het toch over Tolstoj hebben, zou ik graag nog wat over Opstanding zeggen dat ik niet bij stukjes en beetjes heb gelezen, maar als geheel, in éen ruk. Het is een bewonderenswaardig boek. Het oninteressantste is alles wat over de relatie tussen Nechljoedov en Katja wordt gezegd, het interessantst zijn de vorsten, de generaals, de tantes, de boeren, de arrestanten, de bewakers. De scene bij de generaal, de commandant van de Peter-en- Paulvesting, de spiritist, die las ik met ingehouden adem, wat is dat goed! En Mme Korsjagina in haar stoel, en die boer, de man van Fedodosja. De boer noemt zijn vrouw flink. En dat is de pen van Tolstoj ook: flink. Een slot heeft de novelle niet en dat wat er is, kun je niet als slot beschouwen. Schrijven, schrijven en maar schrijven... en er dan opeens een stuk uit het evangelie achteraan te gooien, dat is net zo willekeurig als arrestanten in vijf categorieën in te delen. Waarom in vijf? Waarom niet in tien? Waarom een tekst uit het evangelie en niet uit de koran? Eerst moet je vertrouwen in het evangelie scheppen, vertrouwen dat alleen daar de waarheid te vinden is, en dan dat alles in het verhaal zichtbaar maken. Werk ik u op de zenuwen? Als u naar de Krim komt, geef ik u een interview en dan zetten we dat in Novosti Dnja [Dagelijks nieuws, Moskou 1883-1906, uitgever Lipskerov]. Over Tolstoj schrijven die allemaal als ouwe wijven over heilige dwazen; het is zinloos dat hij met al die joden praat. [...]

123 Anton Tsjechov in de werkkamer van zijn huis in Aoetka, na het bezoek van de schilder Levitan. Die vertrok op 8 januari 1900 naar Moskou. Links hangt, aan de schoorsteen, het kort tevoren door hem gemaakte doek. Levitan is bij ons. Aan mijn schoorsteen heeft hij een maannacht tijdens het hooien geschilderd. Weide, hooibergen, in de verte bos, boven alles de maan. Tsjechov op 2 januari 1900 aan Olga Knipper. Het schilderij heeft een opdracht: Voor A. Tsjechov - Levitan. Foto: L.V. Sredin. Bron: Urban 1987

Tsjechov in de werkkamer van zijn huis in Aoetka, 1900

124 In de lente van 1900 doen - niet voor het eerst - de geruchten van een huwelijk van Tsjechov de ronde. Aleksandr schrijft hem schertsend dat hij gehoord heeft dat zijn broer met twee vrouwen tegelijk gaat trouwen. Gorki schrijft dat hij heeft vernomen dat Tsjechov gaat trouwen met een actrice met een buitenlandse naam. Ik geloof het niet, maar als het waar is ben ik blij voor u. Masja schrijft: Ik zou willen dat je snel trouwt. Neem een intelligente en verstandige vrouw, zelfs als ze geen bruidschat heeft. De brieven die ze hem schrijft, zijn vol van Olga Knipper, met wie ze inmiddels op intieme voet staat. Toch gelooft Simmons dat Masja Olga Knipper alleen maar voor een bevlieging van haar broer houdt. Ze heeft al heel wat vriendinnen gezien. Masja gelooft niet dat hij nog gaat trouwen, meent Simmons. Ik ben daar niet helemaal van overtuigd en ook Rayfield is er sceptisch over. Hij schrijft: Masja accepteerde Knipper als vriendin en Antons minnares, maar het vooruitzicht van een schoonzus verontrustte haar zeer. Dat dat inderdaad zo is, zal per slot van rekening onmiddelijk blijken als de twee getrouwd blijken te zijn. Vooralsnog lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Als Tsjechov ermee dreigt 's zomers weer naar het buitenland te gaan, omdat hij Jalta zo dodelijk vervelend vindt, krijgt hij een brief van Olga Knipper, die is ingelicht door Masja. Hij schrijft haar dat hij in de herfst enkel naar Parijs wil voor de Wereldtentoonstelling en hij laat haar bovendien weten dat het Kunsttheater echt naar Sebastopol en Jalta komt, iets wat hij net van Nemirovitsj heeft gehoord en waarvan Olga zelf nog niet op de hoogte is. Tsjechovs stukken zijn de enige waarmee het Kunsttheater succes heeft en de toernee dient ook, zo zegt Nemirovitsj openlijk, om Tsjechov ertoe over te halen weer een stuk te schrijven. Tsjechov schrijft op 10 februari 1900 vanuit Jalta aan Olga Knipper in Moskou:

AAN O. L. KNIPPER

Jalta, 10 februari [1900]
Lieve actrice, de winter duurt heel lang, ik was niet helemaal gezond en een maand lang was er niemand die me schreef, zodat ik maar besloot, omdat me niets anders overbleef, naar het buitenland te gaan, waar ik me minder verveel. Maar nu is het warmer geworden, het gaat beter met me - en ik heb besloten pas tegen het einde van de zomer naar het buitenland te vertrekken, naar de tentoonstelling [de wereldtentoonstelling in Parijs]. Maar waarom bent ù gedeprimeerd? U leeft, u werkt, u hoopt, u drinkt, u lacht als uw oom u voorleest, wat wilt u nog meer! Bij mij is dat anders. Ik ben ontworteld, ik heb geen compleet leven meer, drink niet, hoewel ik graag drink, ik houd van drukte, maar er is niemand, in éen woord: ik verkeer op het moment in de toestand van een overgeplante boom, die nog niet helemaal vast staat: zal ik aangroeien of afsterven? Als ik het mezelf af en toe permitteer me in mijn brieven te beklagen over de verveling, dan heb ik daar enige reden toe, maar u? [...] In het voorjaar komt het gezelschap ook naar Charkov. Ik kom u tegemoet, maar praat er met niemand over. Nazdezja Ivanovna [de moeder van de arts Sredin] is naar Moskou vertrokken. Ik bedank u voor de goede wensen met betrekking tot mijn huwelijk. Ik heb mijn jonge vrouw op de hoogte gebracht van uw voornemen naar Jalta te komen om haar eens te bedriegen. Ze zei daarop dat ze me, als die 'slechte vrouw' naar Jalta kwam, niet uit haar armen zou laten. Ik merkte op dat het bij zulk warm weer onhygiënisch is iemand zo lang te omhelzen. Ze was beledigd, dacht een ogenblik na, alsof ze zich afvroeg in welke kringen ik zulk een façon de parler had opgedaan en zei, na enig nadenken dat het theater een groot kwaad was en dat mijn plannen er nooit meer stukken voor te schrijven lof verdienden, waarna ze me vroeg haar te kussen. Daarop gaf ik ten antwoord dat het me, als lid van de Academie, niet langer paste zo vaak te kussen. Ze begon te huilen en ik ging mijns weegs.
Een week later ziet hij er blijkbaar van af naar Charkov te gaan. Op 14 februari al schrijft hij aan Olga: Ik kom zelfs naar Sebastopol, maar ik herhaal het, vertel het niemand, en al helemaal Visjnevski niet. Ik kom incognito en schrijf me in het hotel in als Graaf Tsjernomordik. Tsjernomordik, zo annoteert Urban, betekent zoiets als: zwartsmoel. Op 5 maart krijgt hij een brief van Rainer Maria Rilke, die hem meedeelt dat hij net zijn Meeuw heeft vertaald. En of hij ook zijn andere stukken kan krijgen, want die wil hij eveneens vertalen. Erg gelukkig is hij nog steeds niet in Jalta. Op 10 maart 1900 schrijft hij aan Soevorin:
Nooit eerder heeft een winter zich zo lang voortgesleept als deze - de tijd verstrijkt, maar er zit geen beweging in en nu begrijp ik pas hoe dom ik ben geweest door Moskou op te geven. Ik ben het noorden ontwend en kan me aan het zuiden niet aanpassen en in mijn situatie zit er niets anders op dan naar het buitenland te vluchten. Na de lente is hier in Jalta de winter begonnen; sneeuw, regen, kou, modder - het is om van te spugen.
En dan wordt hij ook nog lastig gevallen door Visjnevski, die het bezoek aan de Krim komt voorbereiden van het Kunsttheater. Op 7 maart schrijft hij aan Masja:
Lieve Masja, in Jalta sneeuw, regen, kou, modder, - en zo gaat het al de hele week. Net als in Novoselki. En het ziet er niet naar uit alsof het weer zo gauw zal omslaan. Visnjevski was er. Hij heeft hier vier dagen doorgebracht en de hele tijd bij mij aan tafel gezeten, telegrammen aan zijn directie opgesteld of verstuurd en me verteld hoe geweldig hij gespeeld heeft. Hij heeft me zijn rol uit Oom Vanja voorgedragen, me het stuk in de hand gedrukt, me gevraagd hem zijn tekst aan te geven; hij heeft gebruld, gesidderd, zich bij het hoofd gegrepen en ik heb in wanhoop toegekeken en geluisterd; want ik kon moeilijk weglopen, aangezien het sneeuwde - en dat 4 dagen lang! Hier hangen de affiches al op. Sinani verzorgt de kaartvoorverkoop. Als Nemirovitsj zich nog bedenkt, hebben we een schandaal.
Maar Nemirovitsj bedenkt zich niet, want hij weet wat ervan afhangt. Een nieuw toneelstuk van Tsjechov namelijk. Ondertussen worden dus de affiches opgehangen. Aan Nemirovitsj schrijft hij kort daarop, op 10 maart: Gisteren zag Sinani, die de kaarten verkoopt, er de hele dag zwaarbelast en als verdoofd uit; het publiek heeft zijn winkel gewapenderhand bestormd. De kaarten zijn uitverkocht en als het gezelschap twee keer zo lang zou blijven, waren er ook niet genoeg geweest. En dat in Jalta, waar er nooit een uitverkocht huis is en het theater leeg staat. Kort tevoren is er, speciaal voor de gelegenheid, ook nog electriciteit aangelegd, wat een paar maanden later trouwens - vanwege kortsluiting - de ondergang van het gebouw zal blijken te zijn. Ondertussen houdt hij zich, tussen zijn bezigheden met betrekking tot de electriciteit door, ook nog onledig met andere zaken. Mensjikov vraagt hem, voor een bevriend hoogleraar, Vengerov, in de brief V, of hij in Jalta niet een plaatsje weet voor een psychiatrisch patiënt die ook nog aan tbc lijdt. Hij schrijft terug, en je kunt je afvragen in hoeverre Tsjechov de mening was toegedaan dat de erin door hem gestelde diagnose ook voor hemzelf gold:

AAN M. O. MENSJIKOV

26 maart [1900, Jalta]
Beste Michail Osipovitsj, in Jalta zijn er geen inrichtingen voor psychiatrische patiënten en ik heb van de artsen en hoteleigenaren hier ook nooit gehoord dat die een geesteszieke hebben opgenomen. Ik zou aan de hele zuidkust niet éen woning weten, waar ik de familie Vengerov in die zin mee tevreden kon stellen als die waarin u schrijft, namelijk dat de arts een fijngevoelig mens zou moeten zijn, de woning niet te duur, enz. Een tuberculeuse geesteszieke hierheen sturen lijkt me een moeizame en gecompliceerde onderneming; de artsen bij u in het noorden sturen ze hierheen, omdat ze niet op de hoogte zijn van de omstandigheden hier, en op dezelfde gronden waarom hier voortdurend zwaar zieken heen worden gestuurd, die hier spoedig sterven, in een erbarmelijke omgeving, ver van hun vaderland, in eenzaamheid... (Die artsen bezorgen me bijna dagelijks verrassingen en ik kan er u heel wat over vertellen als we elkaar terugzien). Als het proces in de longen net begonnen is, heeft het nog zin de patiënt in de herfst of winter hierheen te sturen, maar een ongeneeslijk zieke hierheen te laten gaan, en nog in de zomermaanden ook, als het hier heet en benauwd is als in een oven, terwijl het in Rusland zo mooi is, dat zondigt naar mijn idee tegen alle wetten der geneeskunde, dat betekent alleen maar je van een patiënt te ontdoen. [...] Als de artsen erop zouden staan V. hierheen te sturen, dan kan men maar twee dingen doen: of hem onderbrengen in Simferopol of ergens in de buurt van Jalta een villa te huren. Dat laatste is voor weinig geld onmogelijk, want daarvoor heb je nodig dienstbodes, verpleegsters, enz. Ik zeg villa, want in familiepensions, hotels, privé-woningen, worden zwaar zieken hier niet opgenomen. Meer in het algemeen en terzijde is er hier, in dat zo beroemde en veelgeprezen kuuroord, het enige dat we hebben, nog nooit door éen Rus éen vinger voor uitgestoken om daar iets aan te veranderen. [...]

En dat zal Tsjechov dus ook nog gaan doen. Masja en Olga komen een paar dagen eerder dan het theatergezelschap, begin april. Gorki verschijnt nog eerder, half maart al, met vrouw en kind. Olga moet al snel weer weg, want de eerste voorstellingen vinden plaats in Sebastopol, vanaf 10 april 1900. De leden van het Moskouse Kunsttheater beschouwen de toernee als een vakantie-uitje. Ze hebben een hele treinwagon nodig voor de requisieten en de hele affaire kost een kapitaal. Maar als duidelijk wordt, dat Tsjechov zelf misschien niet komt omdat hij weer flink ziek is, verandert de uitgelaten stemming in een rouwsfeer. De leden wachten op elke boot die uit Jalta verschijnt. Pas op de ochtend van de tiende april, de dag van de eerste voorstelling zelf, verschijnt hij, mager en met een scherpe hoest. Stanislavski kan nauwelijks zijn tranen bedwingen, schrijft Simmons. Die avond brengt Tsjechov door in de regisseursloge. Voor het eerst ziet hij zowel het Moskouse Kunsttheater, als een eigen stuk in een normale voorstelling met publiek, die van Oom Wanja. Ze is een daverend succes en Tsjechov wordt zelf tal van keren op het toneel geroepen, uiteraard tot zijn ergernis. De dag erna gaat hij naar het Museum voor Oudheidkunde van Chersones en legt een bezoek af bij een aan tbc lijdende acteur, Artejem. Hij woont vervolgens ook nog repetities voor en de voorstellingen bij van de volgende stukken, Hauptmanns Eenzame levens en Ibsens Hedda Gabler. Over Hauptmann is hij enthousiast en hij noemt het stuk beter dan zijn eigen toneelwerk. Maar Over Ibsen is hij (zoals altijd) erg negatief. Dat is toch geen toneelschrijver. Voordat als laatste voorstelling zijn eigen Meeuw gaat, vertrekt hij op 13 april overdag weer naar Jalta, want het weer is omgeslagen en hij voelt zich niet goed.

124 Tsjechov (rechts) met (links, in het wit) Olga Leonardovna Knipper (1868-1959) en M.G. Savitsjkaja. Half zichtbaar op de achtergrond acteur en regisseur A.A. Sanin (1869-1956, pseudoniem van: Aleksandr Schönberg). Het betreft medewerkers van het Moskouse Kunsttheater. Sanin zal in 1902 trouwen met Lika Mizinova. In hetzelfde jaar zal hij, net als Meyerhold, vertrekken bij het Kunsttheater, wanneer namelijk blijkt dat ze geen van tweeën aandelen krijgen. Beiden waren joods. Tsjechov protesteert. Sebastopol, 11 of 12 april 1900. Bron: Urban 1987

Tsjechov met Olga Leonardovna Knipper, Sebastopol, april 1900

125 Op 14 april 1900 komt het gezelschap uit Sebastopol aan in Jalta. De leden van het gezelschap zullen onder de indruk zijn geweest, want de volgende morgen verschijnt Tsjechov in het theater met een aantal literaire vrienden, onder wie Gorki, die inmiddels ook een beroemdheid aan het worden is. Bovendien blijkt een aanzienlijk deel van de Russische artistieke fine fleur speciaal voor de gelegenheid naar Jalta te zijn gekomen. Het betreft bijvoorbeeld Boenin, Tsjirikov, Koeprin, Mamin-Sibirjak, Rachmaninov, Miroljoebov en Elpatjevski. Dezelfde middag gaat iedereen op bezoek bij Tsjechov in Aoetka. Boenin en Gorki zijn eveneens weer aanwezig en het gaat er zeer levendig aan toe. Hun gastheer is dolgelukkig met de drukte. Hetzelfde zal vervolgens de tien dagen gebeuren dat het gezelschap in Jalta verblijft. De eerste voorstelling van Oom Wanja, op 16 april, woont Tsjechov bij, net als trouwens zijn moeder, die daarop staat en zich speciaal voor de gelegenheid kleedt. Stanislavski schreef in zijn memoires dat wat voor Tsjechov de voorstelling vergalde, de voortdurende noodzaak was op het toneel te verschijnen. In de volgende dagen blijkt hij nu en dan plotseling uit het theater verdwenen. Ten slotte is hij alleen nog aanwezig bij een speciale voorstelling van De meeuw op de voorlaatste dag, 23 april. Dat wordt voor Tsjechov een persoonlijke triomf.

125 Het ensemble van het Moskouse Kunsttheater in Jalta, april 1900. Tsjechov (met hoed) staat op de achterste rij, zevende van rechts. Voor hem zit, in het gebruikelijke wit, Olga Knipper, met zonnescherm. Aan haar voeten zit Meyerhold. Staat vijfde van rechts, zich - tot verbazing van de man links van hem - bijna naast Tsjechov dringend, Gorki? Lijkt me wel. Urban zwijgt erover. Bron: Urban 1987

Het ensemble van het Moskouse Kunsttheater in Jalta, april 1900

126 Een vrouwelijke Maecenas onthaalt het gezelschap de laatste dag op een lunch op het dak van haar paleis en Tsjechov krijgt als cadeau de schommel uit zijn Oom Wanja. Tsjechov zelf laat voor alle leden gouden medailles slaan met hun naam erin gegraveerd. Ze zijn gemaakt in de vorm van een boek, en als ze het open slaan, zien ze de foto van het gezelschap met Tsjechov. Wat zou er met die van Meyerhold zijn gebeurd, denk je dan. Geërfd door Beria misschien? Of, nog fascinerender: door diens schoondochter, die de dochter van Gorki was? Want Martha Peshkova zou trouwen met Beria's zoon Sergo. Ik vraag me af of deze foto is genomen op het dak van het paleis van genoemde maecenas. Het is er duidelijk een dolle boel. Ook de flessen worden naar de fotograaf opgestoken. Urban zwijgt erover.

126 Het ensemble van het Moskouse Kunsttheater in Jalta, april 1900. Ik vermoed dat het Gorki is die in witte boerenboezeroen met gordel, pontificaal middenin - zo ver achterover hangend dat de mensen achter hem moeten uitwijken - proost met éen der actrices, die misschien Olga Knipper zou kunnen zijn. Hij heeft iets provinciaals. De enige die ik als Tsjechov zou kunnen identificeren, staat dan schuin achter haar, ter linkerzijde in donker kostuum met donkere hoed op voor degene die de fles omhoog steekt. Als hij het is, heft hij het glas, net als op een moment vier jaar later. En dan lacht hij ook nog. Het zal wel niet. De enige andere kandidaat is de man - misschien zonder hoed - achter Gorki's proostende hand, tweede van rechts naast de steun van het tentdak. Zonder glimlach. Urban waagt zich er niet aan. Bron: Urban 1987

Het ensemble van het Moskouse Kunsttheater in Jalta, april 1900

127 Op 6 mei 1900 vertrekt Tsjechov naar Moskou, waar hij sinds april in het jaar ervoor niet meer is geweest. Toen bezocht hij met Pasen Olga Knipper. Nu heeft ze het weliswaar druk, want ze repeteert en speelt, maar ze bezoekt hem blijkbaar toch zonder dat het al te zeer opvalt in het hotel waar hij verblijft, Hotel Dresden. Hij gaat een aantal keren langs bij de ernstig zieke Levitan. Die zal op 22 juli sterven. Tsjechov wordt zelf ook bezocht door Soevorin, die in gezelschap is van zijn kroonprins. De twee hebben het over de verkoop van zijn werk. Soevorin schrijft in zijn dagboek dat hij aan Tsjechov vroeg of het hem niet dwars zat dat hij nu al zijn werk kwijt was. Natuurlijk, zou die hebben gezegd, maar ik heb toch geen zin meer om te schrijven. Op 13 mei vertrekt Masja uit Moskou naar Jalta om haar moeder gezelschap te houden. Tsjechov zelf vertrekt op 17 mei eveneens naar Jalta en op de dag dat hij aankomt, 20 mei 1900, schrijft hij Olga een briefje:

AAN O. L. KNIPPER

Jalta, 20 mei 1900
Lieve, betoverende actrice, wees gegroet. Hoe gaat het met u? Ik was tijdens de reis naar Jalta erg ziek. Ik had in Moskou al zware hoofdpijn, koorts - dat heb ik op schandelijke wijze stil gehouden, nu is alles in orde. Hoe gaat het met Levitan? De onzekerheid kwelt me. Als u iets hoort, schrijf me dan. Blijf gezond, gelukkig. Ik heb gehoord dat Masja u een brief schrijft - en zo heb ik me gehaast om er deze paar regels aan toe te voegen. Uw A. Tsjechov.
In Jalta, zo blijkt uit een latere brief van Masja aan Olga, van 29 mei, heeft Antons broer Misja met zijn gezin gebruik gemaakt van de gelegenheid langs te komen, enigszins onder het voorwendsel om moeder Jevgenia gezelschap te houden. En, zo meldt Masja aan Olga, dan komt ook Vanja nog met zijn gezin, een andere broer dus, Ivan namelijk. Ze laat Olga weten dat Anton, om de drukte te ontlopen, een dag eerder met een paar vrienden uit de omgeving, onder wie Sredin, maar ook met Gorki, een tocht van twee weken door de Kaukasus op touw heeft gezet, naar Tbilisi, maar over Mtskheta, beide nu in Georgië. In de trein van Tiflis naar Batoem komen de mannen Olga Knipper tegen met haar moeder, die zelf op weg zijn voor een korte vakantie in de Kaukasus. Ze reizen zes uur samen tot de Knippers moeten overstappen. Helemaal toevallig zal dat allemaal wel niet geweest zijn, vermoed ik. Tsjechov zal geweten hebben dat de Knippers zoals vaker naar familie in Mtskheta gingen. Masja is van dat alles niet op de hoogte. Op 12 juni schrijft ze nog aan Olga dat ze moet komen. Die dag vertrekt Misja met zijn gezin. Anton arriveert, ook niet helemaal toevallig misschien, op 13 juni; Tsjechovs relatie met de broers is op dit moment blijkbaar niet optimaal. Een paar dagen later vertrekken ook de Gorki's, die al vanaf half maart in Jalta verbleven. Ze gaan op vakantie naar Oekraïne, waar ze, misschien niet toevallig, een huis aan de Psol hebben gehuurd. Tsjechov blijft achter met zijn zus en zijn moeder.

Olga verschijnt op de 23e juni in haar eentje bij de Tsjechovs in Jalta, om er de resterende tijd van haar vakantie door te brengen. Ergens in die periode moeten de twee een verhouding hebben gekregen, al is er verder weinig over bekend. Ze kennen elkaar inmiddels twee jaar, zij het vooral via hun correspondentie. Wat er precies is gebeurd, is onduidelijk, want in Olga's herinneringen wordt er geen woord over gezegd en Tsjechov zelf schrijft in deze periode weinig brieven en in de brieven die hij schrijft, noemt hij niet eens haar naam. Dat neemt niet weg dat het zich eenvoudig laat raden. Op 7 juli schrijft hij in een brief aan Gorki: Nieuws is er niet in Jalta. De mijnen bevinden zich in Hoerzoef, ik woon alleen. Sredin is gezond, maar hij was ziek, erg ziek. Blijkbaar is die ziek van de reis teruggekeerd. Sredin leed ook aan tbc. Maar alleen is hij dus zeker niet. Moeder Jevgenia en Masja verblijven in het zomerhuis in Goerzoef en Olga en Anton verkeren voor het eerst langdurig in elkaars gezelschap. Toen Olga arriveerde, waren Tsjechovs moeder en zus blijkbaar nog in Aoetka en op dat moment logeerde Olga blijkbaar al, tot ergernis van moeder Jevgenia, bij hen thuis. Olga was een vrijgezelle vrouw en volgens de geldende moraal kon dat niet door de beugel. In latere brieven daarover is er in een brief van Olga aan Tsjechov sprake van het hinderlijke gekraak van een trap. Nu schrijft Rayfield, die altijd in is voor wat seksueel getint innuendo: Ze vreesden niet langer de krakende trap die Jevgenia of Masja stoorde, als Olga zich met een kussen en een kaars naar Antons kamer begaf, of als ze hem 's ochtends bezocht nadat ze had gezwommen. Precies in die periode, op 23 juli, krijgt hij ook te horen dat Levitan een dag eerder is overleden. In een hotel in Jalta verblijft wel de door Olga gehate Maria Andrejevna, collega-actrice, die erg gesteld was op Tsjechov en voor wier charmes de schrijver zelf ook niet helemaal ongevoelig was. Ze had de naam een erg mooie vrouw te zijn. Kort daarop krijgt hij ook nog onverwacht bezoek van de actrice Vera Kommissarsjevskaja, als ze in augustus op toernee is aan de Krim. Die is duidelijk ook verliefd op hem. Als hij haar op 13 september een brief schrijft, omdat ze foto's van hem wilde, en ze vermeldt dat ze is verhuisd, verwijt hij haar dat ze haar adres niet heeft gegeven. Tsjechov werkt af en aan wat aan zijn Drie zusters. Olga keert pas op 5 augustus terug naar Moskou. Tsjechov begeleidt haar tot Sebastopol. De eerste brief daarna dateert van 9 augustus. Het is ook de eerste waarin het Russische ty wordt gebruikt, en waarin hij Olga Knipper dus tutoyeert

AAN O. L. KNIPPER

9 augustus [1900, Jalta]
Mijn lieve Olja, vreugde van mij, wees gegroet. Vandaag kreeg ik je brief, de eerste sinds je vertrek. Ik heb hem gelezen en nog een keer en nu schrijf ik je, mijn actrice. Nadat ik je naar het station had gebracht [in Sebastopol], ben ik naar Hotel Kista gegaan en heb daar overnacht; de volgende dag ben ik uit verveling en omdat ik niets beters wist, naar Balaklava gegaan. Daar heb ik me voortdurend voor de dames die me herkenden en me een ovatie wilden bezorgen, moeten verstoppen, heb er overnacht en ben de volgende ochtend met de Tavel naar Jalta gevaren. De zee was enorm woelig. Nu zit ik in Jalta, verlang naar jou, erger me, smacht. Gisteren was Aleksejev [Stanislavski] bij me - we hadden het over het stuk en ik heb hem beloofd het op zijn laatst begin september af te hebben. Zie je hoe een braaf kind ik ben? Het is me net te moede alsof je elk moment de deur open kunt doen en binnen komen. Maar je komt niet binnen, want je repeteert nu of je zit in de Merzjlakovskystraat, ver van mij en Jalta. Tot ziens, mogen de heerscharen en engelen des hemels je beschermen. Gegroet, lief meisje. Je Antonio.

AAN O. L. KNIPPER

[13 augustus 1900, Jalta]
Lieve, prachtige, geweldige actrice, ik ben gezond, monter, denk aan jou, droom van je en hunker, omdat je niet hier bent. Gisteren en eergisteren was ik in Hoerzoef, nu zit ik weer in Jalta in mijn gevangenis. Er waait een gemene wind, de boot vaart niet, de golfslag is te hoog, er verdrinken mensen, het wil maar niet regenen, alles is verdord en verwelkt - kortom: na je vertrek is het hier niets dan ellende. Zonder jou zou ik me ophangen. Blijf gezond en gelukkig, mijn Duitstertje, treur niet, slaap vast en schrijf me zo vaak als je kunt. Ik kus je, innig, innig, vierhonderd keer. Jouw Antonio, 13 augustus.

AAN O. L. KNIPPER

5 september 1900 [Jalta]
Mijn lief, mijn engel, ik schrijf je niet, maar wees niet boos en heb begrip voor de menselijke zwakheid. Ik zit de hele tijd aan mijn stuk en heb wel meer nagedacht dan geschreven, maar het is toch alsof ik hard heb gewerkt en geen tijd had voor brieven. Ik schrijf aan het stuk, zonder haast, en het is best mogelijk dat ik naar Moskou kom zonder het af te hebben; het heeft veel handelende personages, en dan wordt het krap; ik ben bang dat het onbegrijpelijk wordt of bleek, en zodoende is het volgens mij beter om het naar het volgend seizoen te verschuiven. Trouwens, ik heb alleen Ivanov direct na het schrijven bij Korsj [theaterdirecteur] laten opvoeren, de andere stukken heb nog lang bij me rondgeslingerd, tot Vladimir Ivanovitsj [Nemirovitsj-Dantsjenko] kwam, zodat ik ruim de tijd had alle mogelijke correcties aan te brengen. Ik heb gasten: de directrice van het meisjesgymnasium en twee meisjes. Ik schrijf met onderbrekingen. Vandaag heb ik twee mij bekende dames naar de boot gebracht en kwam - o wee - Jekaterina Nikolajevna [echtgenote van Nemirovitsj-Dantjenko] tegen die naar Moskou vertrok. Ze was koud als een grafsteen in de herfst. En ik was zelf ook niet bijzonder hartelijk. Natuurlijk stuur ik een telegram, kom me beslist afhalen, echt. Ik kom met de sneltrein, 's ochtends. Ik kom en ga nog dezelfde dag verder met mijn stuk. Maar waar moet ik verblijven? In de Mala Dmitrovka staat er geen tafel of bed, ik moet naar een hotel. Ik blijf niet lang in Moskou. In Jalta regent het maar niet. De bomen verdorren, het gras is al verdord; het is elke dag winderig. Het is koud. Schrijf me, je brieven doen me altijd plezier en doen mijn stemming goed, waarmee het verder gesteld is als met de aardbodem van de Krim, hard en droog. Wees niet boos, lief. De gasten vertrekken, ik ga hen uitgeleide doen. Je Antoine.

AAN O. L. KNIPPER

27 september 1900 [Jalta]
Mijn lieve Olja, mijn prachtige actrice, vanwaar die toon, die klagelijke, zure stemming? Kan ik daar echt wat aan doen? Vergeef me dan, lieverd, wees niet boos, ik ben minder schuldig dan je argwaan je ingeeft. Ik ben er niet toe gekomen naar Moskou te gaan omdat ik ziek ben geweest, andere redenen zijn er niet, ik verzeker het je, lief, mijn erewoord. Erewoord! Geloof je me niet?
Tot 10 oktober blijf ik in Jalta werken, dan kom ik naar Moskou of ga, afhankelijk van mijjn gezondheids-toestand, naar het buitenland. Ik zal het je in elk geval laten weten.
Noch van mijn broer Ivan, noch van mijn zus Masja krijg ik brieven. Blijkbaar zijn ze boos op me - al weet ik niet waarom.
Gisteren was ik bij Sredin en trof veel gasten bij hem aan, allemaal onbekenden. Zijn dochter heeft chlorose, maar ze gaat toch naar het gymnasium. Zelf heeft hij reumatiek.
En let op, schrijf me uitvoerig hoe het met het Sneeuwmeisje [toneelstuk van Ostrovki, later opera van Rimski-Korsakov] is gegaan, in het algemeen, hoe de eerste voorstellingen waren, hoe de stemming bij jullie is, het publiek, enz. Bij jou is het toch anders: jij hebt stof voor brieven, meer dan genoeg, ik daarentegen heb niks, behalve misschien dat ik vandaag twee muizen heb gevangen.
In Jalta regent het nog steeds niet. Het is overal kurkdroog. De arme bomen, vooral die aan deze kant van de bergen, hebben de hele zomer geen druppel water gezien en nu staan ze daar, vergeeld; zo is het ook met mensen die hun hele leven lang geen greintje geluk hebben ervaren. Dat moet blijkbaar zo zijn.
Je schrijft: Je hebt een liefhebbend, teer hart, waarom verhard je het zo? Wanneer is dat dan ooit gebeurd? En waaruit zou die hardheid gebleken zijn? Mijn hart heeft altijd van je gehouden en het was altijd teder voor je; en ik heb dat ook nooit voor je verheimelijkt en nu beticht je me opeens, zo maar, van hardheid. Naar je brief te oordelen, wil je en verwacht je de een of andere verklaring, het een of andere langdurige gesprek- met ernstige gezichten en met ernstige gevolgen; en ik weet niet wat ik je moet zeggen, behalve wat ik je al 1000 keer gezegd heb en je vermoedelijk nog lang zal zeggen: dat ik van je houd, en verder niks. Als we nu niet samen zijn, ben noch jij noch ik daaraan schuldig, maar de duivel die mij mijn bacillen heeft ingeblazen en jou de liefde voor de kunst.
Het ga je goed, het ga je goed, lief vrouwtje, mogen de heilige engelen je beschermen. Wees niet boos, liefste, wees niet treurig, wees een wijs kind. Wat is er voor nieuws in het theater? Schrijf alsjeblieft. Je Antoine.

127 Anton Tsjechov, Jalta, 1900. Bron: Urban 1987

Tsjechov, Jalta 1900

128 De brieven die hij in de periode erna veelvuldig wisselt met Olga Knipper zijn duidelijk die van een minaar en een minnares. Maar een bezoek aan Moskou stelt hij week na week uit, tot ontevredenheid van Olga. Die lijkt zich bovendien niet serieus genomen te voelen. Hoewel niet met zoveel worden, dringt ze aan op het officieel maken van hun verhouding. De vorige brief die ik gaf, lijkt daarop te wijzen. Ze wil een goed gesprek. Nou ja, u kent dat wel. De oorzaak van het uitstel van zijn bezoek is enerzijds ongetwijfeld het werk aan zijn Drie zusters. Stanislavski oefent druk op hem uit om te zorgen dat het afkomt voor het begin van het nieuwe seizoen, maar het schrijven kost hem de grootste moeite, laat hij weten. Bovendien is er weer veel visite. Zo komen Vanja's vrouw en kind logeren en ook Nemirovitsj' echtgenote verschijnt met regelmaat, net als de Stanislavski's zelf. Een paar keer - zoals in de voorafgaande brief - zinspeelt hij erop naar Moskou te komen en het stuk daar af te maken, maar zijn moeder wil niet alleen achterblijven in Jalta en Masja zegt dat ze haar niet bij zich kan nemen in Moskou, omdat haar appartement te klein is. Ze vertrekt zelf op 19 augustus naar Moskou. Ten slotte vertrekt zijn moeder 23 september toch ook naar Moskou. Een vriend van hem zet haar in Sebastopol op de trein. Masja is er boos om.

Olga, die Jevgenia in Moskou meeneemt naar A.K. Tolstojs Tsaar Fjodor, schrijft in haar brieven dat de situatie tussen Anton en haarzelf nu ongemakkelijk is; ze zinspeelt her en der op een toekomstig bestaan samen en schrijft dat er over hen wordt geroddeld. Tsjechov negeert zulke toespelingen in zijn brieven. Hij is blij dat hij eindelijk rust heeft, al is die ook nu niet compleet. Sergejenko komt langs en er verschijnt een 18-jarig meisje dat - in elk geval naar eigen zeggen - een dochtertje heeft geadopteerd, Maroesja. Olga Vasiljeva kwam uit Nice, en had ook een kindermeisje bij zich. Tsjechov zou op het kind gesteld raken met als gevolg dat er al snel over werd geroddeld in Jalta. Er is wel eens beweerd dat ze een dochtertje was van Tsjechov, maar Rayfield, die toch altijd bereid is vuur te zien als het enkel rookt, gelooft het niet. Maar het lijkt me wel duidelijk dat Olga Knipper Tsjechov zover wil krijgen dat hij met haar trouwt en hun verhouding officeel maakt. Aan Gorki schrijft hij op 16 oktober dat hij zijn stuk af heeft. Anderhalve week eerder schrijft hij aan Olga Knipper: Met mijn stuk is er wat vertraging geweest, ik heb er tien dagen of meer niet aangewerkt, want ik was ziek en het is me een beetje op de zenuwen gaan werken, zodat ik niet meer wat wat ik er nog over moet schrijven. Ik had griep, keelpijn, hoestte erg; zo gauw ik het huis verliet, kreeg ik hoofdpijn, maar nu is het aan de beterende hand, ik ga alweer naar buiten. Hoe dan ook, het stuk schrijf ik, maar in dit seizoen zal het niet meer gespeeld worden. Denk eens na over een hotel waar ik kan blijven. Denk na. Ik wil een kamer waar je niet misselijk wordt als je de gang op gaat en waar het niet ruikt. In Moskou zal ik vermoedelijk mijn stuk in het net schrijven. Van Moskou ga ik naar Parijs. Op 21 oktober 1900 gaat hij vanuit Jalta naar Moskou.

Tsjechov meende dat hij maximaal twee weken in Moskou kon riskeren; het werden er zeven. Hij verblijft weer in hotel Dresden, aan Tverskaja Ulitsa, net als de vorige keer, in mei, maar zijn eigenlijke hoofdkwartier is het Moskouse Kunsttheater. Weer is Olga vooral bezig met repeteren en spelen. Hij bezoekt verschillende voorstellingen, sommige zelfs twee keer. Ook Gorki is in Moskou en de twee zijn vaak samen in het theater, waar ze dan door het publiek met applaus worden begroet, iets wat Tsjechov geen plezier kan hebben gedaan (maar Gorki wel). Hij schrijft: Het publiek bezorgt ons ovaties alsof we Servische vrijwilligers zijn. Kort na Tsjechovs aankomst organiseert Stanislavski een lezing van Drie zusters. Na afloop is de verwarring groot. Hoewel het stuk (weer) bedoeld is als komedie, is er niemand die het zo opvat. Er zijn geen echte rollen, luidt de klacht, er is geen verhaal, het is onmogelijk zoiets te acteren. Tsjechov gaat er snel vandoor. Stanislavski achtervolgt hem naar zijn hotel en moet zijn best doen de boze auteur tot bedaren te brengen. Hij begint twee aktes te herzien. Hij raakt ook nog betrokken bij een klein drama, want een broer van de met hem in Jalta bevriende boekhandelaar Sinani pleegt in Moskou zelfmoord en Tsjechov moet Sinani daar opvangen. Terwijl hij in Moskou verblijft, krijgt hij na acht maanden weer eens een brief van Soevorin, waarin die probeert de goede verhouding te herstellen. Tsjechov schrijft een ongedwongen en vriendelijke brief terug, bekritiseert ook weer zijn krant, maar nodigt hem toch uit naar Moskou te komen. Volgens Soevorins dagboek is dat ook gebeurd. Tsjechov zelf zwijgt daarover. Eind november vindt er in de Moskouse Jachtclub van het Genootschap voor Kunst en Cultuur een eerste Tsjechov-avond plaats, waar met veel succes al zijn vroege toneelstukken worden uitgevoerd. Een paar avonden later is Tolstoj éen van de bezoekers. Olga schrijft Tsjechov dat die er zo hard om heeft gelachen dat hij ervan omviel. En dan gaat op 1 december in het theater van Korsj ook nog zijn Ivanov in première, waarna een dag later hetzelfde in Kiev gebeurt. Tsjechov heeft het enorm naar zijn zin in Moskou, laat hij iedereen weten, maar als het weer omslaat, gaat het met zijn gezondheid weer slechter. Hij wil niet naar Jalta, besluit naar Nice te gaan en wanneer zijn moeder bij Masja in Moskou blijft en hij als voorschot weer een deel ontvangt van het geld van Marks, staat niets die reis meer in de weg. Olga blijft achter. Ze heeft gehuild toen hij vertrok, schrijft ze hem een paar dagen later.

Mannen! Allemaal eender. Want aan Soevorin heeft op 16 november 1900 nog geschreven: Hoorde u dat ik ging trouwen? Het is niet waar. Ik ga naar Afrika, naar de krokodillen. Olga Knipper dacht daar blijkbaar anders over, hoewel er in Tsjechovs ontkenning een element van scherts zit dat te denken geeft over de oprechtheid ervan. Na haar terugkeer uit Jalta, van wat misschien toch een beetje de echte wittebroodsweken zullen blijken te zijn, in augustus, had ze blijkbaar al aan Nemirovitsj verteld dat haar huwelijk met Tsjechov vaststond. Het lijkt dan ook aannemelijk dat geruchten van een ophanden zijnde echtverbintenis waarmee ze Tsjechov onder druk zet, vooral van haar, of uit haar kring, afkomstig zijn. Nemirovitsj laat in elk geval eind augustus aan Stanislavski weten dat hij van Olga Knipper heeft gehoord dat de twee zullen gaan trouwen, vooruitzicht dat hij aangenaam moet hebben gevonden. Het is per slot van rekening de manier om een schrijver aan je theatergezelschap te binden. En dan raakte hij op die manier ook nog zijn voormalige minnares kwijt. Dantsjenko's echtgenote overigens, door Tsjechov katje genoemd, was op haar beurt aanvankelijk erg op de schrijver gesteld, tot ze misschien een blauwtje bij hem liep, waarna hun verhouding altijd gespannen zou blijven. Hoe dan ook: de kwestie lijkt me eenvoudig samen te vatten. Olga Knipper wil per se trouwen, zeker nadat ze intiem is geworden met Tsjechov, sterker nog: het is misschien wel een voorwaarde geweest voor de intimiteit. Van Tsjechov hoefde dat huwelijk niet; alleen als het niet anders kon. Intiem worden wilde hij graag. Hij moet geweten hebben dat hij niet meer zo lang te leven had en Olga Knipper ook. Dat ze toch met hem wilde trouwen, kan natuurlijk betekenen dat ze erg veel van hem hield, wat ook een serieuze mogelijkheid is, want Tsjechov werd door velen aanbeden en hij was vermoedelijk Ruslands meest begeerde vrijgezel. Het kan ook zijn dat de rol van beroemde schrijversweduwe, die ze met zoveel verve zou vervullen, haar op het lijf geschreven was. Kortom: dat ze er zich voor - vergeeft u me - geknipt vond. Kijkt u naar de foto en oordeel zelf. Wie het weet, mag het zeggen. (Ik geef het eerlijk toe: ik wilde deze foto, die misschien tegelijkertijd ontstond met een eerdere foto, per se na dit stukje tekst hebben).

128 Olga Leonardovna Knipper (1868-1959), Moskou, 1900. ... maar daar lijk je meer op een kleine jodin, een zeer muzikaal persoontje, dat op het conservatorium zit maar tegelijkertijd, voor als de nood aan de man komt, tandheelkunde studeert en er een bruidegom in Mogilev op na houdt. Tsjechov in een brief aan Olga Knipper van 14 februari 1900. Foto: I.V. Troenov. Bron: Urban 1987 nr. 596

Olga Knipper, Moskou 1900

129 Op 11 december 1900 vertrekt Tsjechov uit Moskou naar het buitenland en op 12 december is hij in Wenen, waar hij in Hotel Bristol overnacht. Rayfield merkt op, enigszins tot mijn verrassing, dat Tsjechov er niet bij had stilgestaan dat de Europese kalender nu 13 dagen voorliep op de Russische, zodat hij op wat in Wenen eerste kerstdag is in de stad arriveert. Ik heb altijd gedacht dat die situatie ook al eerder in de negentiende eeuw bestond. Op 13 december vertrekt hij uit Wenen en de 14e komt Tsjechov aan in Nice, waar hij weer een kamer krijgt in hetzelfde Pension Russe als waar hij in 1897-98 verbleef. Hoe dan ook: van dit voorlaatste verblijf buiten Rusland bestaan er blijkbaar geen foto's, evenmin als van zijn eerste reis dus. Tsjechov schrijft nadat hij Olga al op de dag van aankomst uit Nice had geschreven, vandaar de volgende dag:

AAN O. L. KNIPPER

15 december de volgende dag 1900 [Nice]
Mijn lief, hoe vreemd het ook klinkt, het is net alsof ik van de maan gevallen ben. Het is warm, de zon schijnt volop, met mijn mantel aan is het warm, iedereen loopt in zomerkleding. De ramen van mijn kamer staan wagenwijd open, en mijn hart ook. Ik schrijf mijn stuk over en ik verbaas me erover hoe ik zoiets heb kunnen schrijven en waartoe. Ach, mijn lief hartje, waarom ben je niet hier? Je zou hier kunnen rondkijken, je ontspannen, de straatmuzikanten aanhoren die voortdurend de binnenplaats opkomen - en vooral: in de zon zitten.
Straks ga ik naar zee, ik ga er de kranten zitten lezen, en dan, weer naar huis, met het overschrijven beginnen, en morgen stuur ik Nemirovitsj al de derde akte, en overmorgen de vierde of allebei tegelijk. In de derde akte heb ik een paar dingen veranderd, en ook iets toegevoegd, maar heel weinig. Lieveling, stuur me een foto van je - wees lief en stuur hem. Er zijn veel vliegen hier.
Ik ontmoet veel Russen. Ze hebben iets geplets, net alsof er iets is wat ze teneerdrukt en ze zich schamen voor hun ledigheid. Die is ten hemel schreiend.
Ik omarm je stevig, kus je duizend maal. Ik wacht vol ongeduld op een brief, een lange brief. Ik buig zeer diep. Je Antoine.
Gisteren was ik bij de post, maar vond niks. Blijf gezond, mijn kind. Ik houd heel veel van je.

In Nice neemt hij weer contact op met mensen die hij van eerdere bezoeken kende, Joerasov bijvoorbeeld en Kovalevski. Tsjechov herziet in Nice dus zijn Drie zusters en brengt daarbij omvangrijke wijzigingen aan, vooral in de vierde akte. Hem is ter ore gekomen dat de autoriteiten zich zorgen maken over zijn stuk, omdat ze bang zijn dat de legerofficieren die erin optreden satirisch geportretteerd zullen worden, zoals dat vaak gebeurde. Tsjechov eist van Stanislavski dat dat niet gebeurt, omdat hij de officieren in de provincieplaats waar het stuk zich afspeelt als cultuurdragers beschouwt. Hij eist zelfs dat een bevriende kolonel aanwezig is bij de repetities om te zien of de gebruikte uniformen kloppen. Dat zal ook echt gebeuren, de man in kwestie zal tot woede van Stanislavski echt ingrijpen en Tsjechov krijgt later ook uit legerkringen te horen dat men daar aangenaam verrast is. Anderzijds, we moeten ook niet overdrijven, op 18 december 1900 wordt Drie zusters weliswaar door het censuurcomité goedgekeurd, maar een half jaar later al - in juli 1901 - wordt zijn Meeuw door hetzelfde comiteé voor uitvoering in volkstheaters verboden. In januari correspondeert hij vaak met acteurs die hem vragen stellen over hun rol. Bij Olga informeert hij voortdurend naar de vorderingen bij de repetities.

Masja, die met haar moeder voor de kerstvakantie in Jalta is, schrijft hem begin januari dat het weer prachtig is. Ze bedoelt misschien: wat doe je in 's hemelsnaam in Nice? Verder krijgt hij van Masja geen post, wat opvallend is. Als ze een keer vergeten is, een brief aan Marks te versturen met daarbij twee manuscripten, valt Tsjechov daar tegenover Olga erg hard over uit. Dat is geen nalatigheid, dat is een rotstreek. Masja heeft, zo schijnt het, even genoeg van haar broer. Ze blijkt vervolgens ook het volgende deel van Marks geld niet te hebben opgenomen, eveneens tot woede van Tsjechov. Ook broer Michail bekritiseert de schrijver, omdat hij zijn moeder alleen heeft gelaten in Jalta. Maar alleen is die niet, want bij Masja en Jevgenia in Jalta logeert ook Boenin die, met diens instemming, Tsjechovs werkkamer gebruikt. Als Masja op 12 januari terugkeert naar Moskou, blijft Boenin achter om op haar moeder te letten. Die is daar blij mee, want ze mag hem graag.

De première van Drie zusters vindt plaats op 31 januari, zonder dat Tsjechov op de hoogte is, want hij verveelt zich zo in Nice dat hij een paar dagen eerder, op 26 januari, samen met twee kennissen, Kovalevski en Korotnejev, naar Pisa is vertrokken. De telegrammen over het succes van de première komen niet bij hem terecht. En dat is misschien maar goed ook, want dat succes was bij de eerste voorstelling beperkt, al meent Rayfield dat de stilte na afloop bewees dat het publiek onder de indruk was. Uit Pisa, Florence en Rome stuurt hij brieven om te vragen of zijn stuk nog dit seizoen zal gaan lopen. Pas in Rome krijgt hij te horen wat er is gebeurd. Op 4 februari 1901 krijgt hij een rondleiding langs de oudheden daar, van een hoogleraar, Modestov. Op 6 februari bezoekt hij de Sint-Pieter. Een plan naar Napels te gaan wijst hij af. Als het in Rome begint te sneeuwen, keert hij naar huis terug. Urban vermeldt bij een foto van de haven van Sebastopol dat Tsjechov er op 11 of 12 februari 1901 aankwam uit Italië. Ook Simmons geeft per boot, wat me gezien de aankomstplaats in Rusland, Odessa namelijk of Sebastopol, het waarschijnlijkst lijkt. Anderzijds zou Napels, of een andere plaats aan de oostkust, dan als vertrekplaats misschien meer voor de hand hebben gelegen dan (bijvoorbeeld) Civitavecchia, de haven van Rome. Hoe dan ook: ik vermoed dat hij de boot nam naar Odessa of Sebastopol, om vandaar naar Jalta te gaan, zoals hij op 4 februari nog in een brief aan Olga Knipper oppert, via Napels, Korfoe en Constantinopel. Rayfield, die me de Europese verkeersmogelijkheden anno 1900 lijkt te overschatten schrijft: Tsjechov nam treinen van Rome naar Odessa. Ik vermoed dat hij dan via Moskou had moeten reizen. Anderzijds: op 20 februari (Europese datum: 7 februari) schrijft hij inderdaad aan Olga: Lief, over een paar uur reis ik naar het noorden, naar Rusland. Het is me hier te koud, het sneeuwt, zodat ik helemaal geen zin meer heb naar Napels te gaan. Zou er een directe lijn van Wenen naar Kiev of Odessa hebben bestaan? Af en toe ben ik een mierendingeser, ik geef het toe. Op 14 februari komt Tsjechov in elk geval in Jalta aan, begeleid nu door onder anderen Koeprin, die hij in Odessa is tegengekomen.

129 Anton Tsjechov, Jalta, 1901. Bron: Urban 1987 nr. 630

Tsjechov, Jalta 1900

130 Hij is nog maar net terug, of het loopt al weer storm met bezoek, Miroljoebov, Sredin, Altschuler. Dat Boenin bij hem thuis logeert, wist hij al. Die had hij al in december 1895 in Moskou leren kennen, en ik gaf al Boenins versie van hetgeen er toen was gebeurd. maar hij was nu in zijn afwezigheid uitgenodigd door Masja. Het valt iedereen op dat ze erg goed met hem overweg kan. De twee maken heel wat tripjes in de omgeving en het is niet ondenkbaar dat er bezig is een verhouding tussen hen te ontstaan. Ook Tsjechov zelf mag Boenin graag. En Tsjechovs moeder, die zoveel vrienden en kennissen, en trouwens ook het literaire werk van haar zoon, met enig ongemak bezag, is erg op Boenin gesteld. Na de terugkeer van Tsjechov verhuist die naar een hotel in Jalta, maar de twee schrijvers zien elkaar dagelijks. Ik ben zelf geneigd te denken dat Boenins herinneringen aan Tsjechov (in Berg en Wiebes 2002) de interessantste zijn van alles wat er in dat immense genre bestaat. Zeer aanbevolen. Het is toch opmerkelijk dat praktisch iedereen die iets met Tsjechov te maken heeft gehad, zijn herinneringen aan hem op papier heeft gezet, tot zelfs toevallige medetreinpassagiers en oud-leerlingen van zijn scholen rond Melichovo toe. Ik vermoed ook dat er tussen Boenin en Tsjechov een veel oprechter en liefdevoller verhouding bestond dan tussen Tsjechov en Gorki. Ik heb geen enkele foto kunnen vinden van Tsjechov en Boenin samen. Urban geeft er geen en ik vermoed dus dat hij niet bestaat. Boenin en Tsjechov hebben natuurlijk veel gemeen, merkt ook Simmons op. Boenin is een soort Tsjechov-discipel, zoals ook door Gorki werd opgemerkt, maar éen met minder talent, al won hij uiteindelijk (in 1933) de Nobelprijs voor de Literatuur en Tsjechov nooit. Gemiste kans trouwens. De lijst van gemiste winnaars der Nobelprijs is zeer lang, maar op nummer 2 lijkt me toch wel Tsjechov te staan, na Tolstoj dan uiteraard. Het comité had vanaf 1901 drie kansen. Zowel Boenin als Tsjechov bewondert ook nog Tolstoj en beiden hebben een hekel aan de zogenaamde decadente Russische school. Allebei boeren, schrijft Simmons. Erg fijnzinnige boeren dan, terwijl Boenin ook nog een boer van adel is. Boenin zal in 1920 vanuit Odessa emigreren en nooit meer in Rusland terugkeren.

Tussen Boenin en Gorki was er niet veel chemie. Boenin zelf schreef, veel later: De eigenaardige vriendschap die tussen Gorki en mij bestond - eigenaardig omdat we bijna twee decennia als grote vrienden werden beschouwd, terwijl we dat in werkelijkheid niet waren, begon in 1899 en eindigde in 1917. Gorki schrijft op 29 april 1899 aan Tsjechov over Boenins verhalen die hij net leest: Hier en daar lukt het hem heel aardig, maar merkt u dat hij u nabootst? De fantast is volgens mij geschreven onder directe invloed van u, maar dat werkt niet goed. U en Maupassant zijn niet na te bootsen. Maar deze Boenin heeft wel een heel fijnzinnig gevoel voor de natuur en observatievermogen. Mooi zijn zijn gedichten - ze zijn naïef en kinderlijk en moeten zeer in de smaak vallen bij kinderen. In september 1900 schrijft hij, weer aan Tsjechov: Weet u - Boenin heeft verstand. Hij voelt al het mooie heel fijn aan, en als hij oprecht is dan is het schitterend. Jammer dat zijn adellijke neurasthenie veel bederft. Als deze man geen talentvolle dingen gaat schrijven, dan zal hij fijnzinnige en intelligente dingen schrijven.

Nog in Frankrijk heeft Tsjechov een brief gekregen van zijn broer Michail (Misja), die met weinig plezier een baan had in Jaroslavl en zich daar verbannen voelde. Maar in december 1900 krijgt die een betrekking aangeboden van Soevorin. Daar werken inmiddels ook al Aleksandr en Ivan. En het is duidelijk dat Soevorin op die manier toch probeert Tsjechov weer aan zich te binden. Net als Gorki probeerde ook Soevorin Tsjechov ervan te overtuigen zijn contract met Marks te annuleren. Marks is daarvan ongetwijfeld op de hoogte geraakt en zal drastische tegenmaatregelen nemen. Door Tsjechovs complete werk gratis weg te geven aan geabonneerden namelijk. Michail wil in elk geval weten wat zijn broer van het aanbod vindt, al had hij dat wel kunnen raden en zal hij zich over diens ideeën op dat punt geen illusies hebben gemaakt. In een brief van 5 maart herhaalt Tsjechov het advies dat hij hier geeft en dan looft hij nadrukkelijk nog een keer Soevorins drukkerij, die in elk opzicht heel goed is. Mischa liet zich in een later stadium laatdunkend uit over Tsjechovs raadgevingen. De broers zijn in de laatste jaren steeds verder uit elkaar gegroeid. Pas in Jalta, een week na aankomst daar, reageert Tsjechov op de brief van Michail, die hij met de Franse naam aanspreekt. De in de brief genoemde Tisjinkin werkt 's avonds in Soevorins drukkerij, maar is overdag leraar op een gymnasium. In brieven aan Olga van 7 en 16 maart 1901 maakt Tsjechov, voor een man die per se vrijgezel wil blijven, gevaarlijke grapjes:

AAN M. P. TSJECHOV

22 februari 1901 [Jalta]
Beste Michel, ik ben net uit het buitenland terug en kan nu pas je brief beantwoorden. Dat je in Petersburg gaat wonen, is natuurlijk mooi en een hele verbetering, maar wat een baan bij Soevorin betreft, kan ik je niets met zekerheid zeggen, hoewel ik er heel lang over heb nagedacht. Uiteraard zou ik in jouw plaats de voorkeur geven aan een baan in de drukkerij en de krant links laten liggen. Novoje Vremja heeft op dit ogenblik een erg slechte reputatie, daar werken alleen maar zelfgenoegzame en tevreden lieden (behalve Aleksandr, die niets ziet), Soevorin is oneerlijk, verschrikkelijk oneerlijk, vooral tijdens die zogenaamde openhartige ogenblikken van hem, want dan bedoelt hij het misschien wel goed, maar garanderen dat hij een half uur later precies het tegenovergestelde doet kun je niet. Hoe het ook zij, het is geen eenvoudige zaak, God sta je bij, maar aan mijn adviezen zul je wel niet veel hebben. Wanneer je bij Soevorin werkt, vergeet dan geen moment dat het net zo gemakkelijk is weer bij hem te vertrekken en houd een overheidsbetrekking warm of een baan als advocaat. Bij Soevorin werkt er éen fatsoenlijk mens - dat is Tisjinkin, tenminste, dat was een fatsoenlijk mens. Zijn zoons, dwz die van Soevorin, dat zijn in elk opzicht nullen. Anna Ivanovna is ook kleinzielig geworden. Nastja en Borja zijn geloof ik wel geschikt. Kolomnin was ook een nette vent, maar die is kort geleden gestorven. Blijf gezond en bij de tijd. Schrijf me wat je doet en hoe het met je gaat. Olga Germanovna en de kinderen zullen het in Petersburg wel beter naar hun zin hebben dan in Jaroslavl. Schrijf me de details, als die er al zijn. Moeder gaat het goed. Je A. Tsjechov

AAN O. L. KNIPPER

7 maart 1901 [Jalta]
Ik heb een anonieme brief gekregen dat je in Petersburg tot over je oren op iemand verliefd bent geworden. Ik vermoedde zelf ook al heel lang zoiets, jij kleine jodin, vrekje. Van mij houd je zeker niet meer omdat ik geen zuinig mens ben en je heb gevraagd je om mijnentwille te ruïneren en éen twee telegrammen te sturen... Nou ja! Er zal wel niks aan te doen zijn, maar ik houd nog steeds van je, uit de macht der gewoonte; en zie je op wat voor papier ik je schrijf? Vrekje, waarom heb je me niet geschreven dat je die vier weken in Petersburg blijft en niet naar Moskou komt? Ik heb voortdurend op je gewacht en je niet geschreven, omdat ik meende dat je naar huis kwam.
Ik ben opgewekt en naar het schijnt gezond, hoewel ik hoest als een wilde. Ik werk in de tuin, waar de bomen al bloeien; het weer is prachtig, net zo prachtig als jouw brieven die nu uit het buitenland komen. De laatste - uit Napels. Ach, wat ben je geweldig, wat ben je pienter, mijn hartje. Ik lees elke brief drie keer - minstens. In elk geval... ik werk in de tuin, aan mijn bureau valt het werk me zwaar; ik heb geen zin wat te doen, lees drukproeven en ben blij dat zodoende de tijd verstrijkt. In Jalta ben ik zelden, ik heb er geen zin in, daar staat tegenover de dat de Jaltezers langdurig bij mij zitten, zodat ik elke keer een slecht humeur oploop en mezelf plechtig beloof dat ik er tussenuit ga, of ga trouwen, zodat mijn vrouw hen, dwz. de gasten, weg kan jagen. Zodra ik uit het gouvernement Jaroslavl de scheiding ontvang, trouw ik weer. Sta je me toe een aanzoek te doen?
Ik heb uit het buitenland parfum meegebracht, heel goede. Kom ze halen in de lijdensweek. Kom beslist, mijn lief, goed, heerlijk meisje. Als je niet komt, zou dat me zeer bedroeven en mijn bestaan vergiftigen. Ik ben al begonnen op je te wachten, ik tel de dagen en de uren. Het maakt me niets uit dat je op een ander verliefd bent en mij al bedrogen hebt, ik vergeef je, maar kom, alsjeblieft. Hoor je me, hond! Ik houd toch van je, het is maar dat je het weet, en het valt me al zwaar zonder je te leven. Als er bij jullie in het theater rond Pasen repetities of zo gepland staan, zeg dan tegen Nemirovitsj dat dat een gemene rotstreek is. [...]

AAN O. L. KNIPPER

16 maart 1901 [Jalta]
Mijn lief, wees gegroet! Naar Moskou kom ik zeker, maar of ik dit jaar naar Zweden ga, dat weet ik niet. Al dat gereis werkt danig op mijn zenuwen en met mijn gezondheid is het blijkbaar gesteld als met die van een grijsaard, zodat je, even terzijde, met mij geen echtgenoot krijgt, maar een grootvadertje. Ik graaf nu de hele dag in de tuin, het weer is prachtig, warm, alles staat in bloei, de vogels zingen, gasten heb ik niet, het is gewoonweg de hemel op aarde. De literatuur heb ik compleet opgegeven en als ik met je trouw, dan zal ik je bevelen het toneel te laten varen en dan gaan we samenleven als landgoedeigenaren. Wil je niet? Nou goed, speel dan nog maar een jaar of vijf, dan zien we verder. [...] Schrijf me, mijn hartje, je brieven bereiden me vreugde. Je bedriegt me, omdat je, zoals je schrijft, een mens en een vrouw bent, nou vooruit, bedrieg me, maar blijf zo'n goed, prachtig mens als je bent. Ik ben een oud mannetje, mij moet je wel bedriegen, dat begrijp ik best, en als ik jou dan per ongeluk ook eens bedrieg, dan vergeef jij me dat ook wel, want je weet best dat de ouderdom geen mens voor dwaasheden behoedt, nietwaar?
Zie je Avilova wel eens? Heb je vriendschap gesloten met Tsjoemina [een dichteres]? Je bent zeker stiekem begonnen novelles en romans te schrijven? Als ik dat hoor, dan vaarwel, dan laat ik me scheiden. [...} Hoewel ik de literatuur heb opgegegeven, schrijf ik soms uit de macht der gewoonte toch nog het een of ander. Op dit moment schrijf ik aan een verhaal met de titel De bisschop, een onderwerp dat al een jaar of vijftien door mijn hoofd speelt. Ik omarm je honderd maal, verraadster, ik kus je stevig. Schrijf, schrijf, vreugde van me, anders zal ik je zodra we getrouwd zijn afranselen. Je starets [letterlijk: oudere, ook: monnik] Antonius.

130 Ivan Aleksejevitsj Boenin (1870-1953). Bron: Urban 1987

Ivan Aleksejevitsj Boenin (1870-1953)

131 In Rusland is het ondertussen weer rumoerig. De komende revoluties beginnen zichtbaar te worden. Er zijn weer eens studentenonlusten, de staat grijpt hard in, een moordaanslag op Pobedonostsev mislukt, Tolstoj wordt geëxcommuniceerd en in Petersburg worden bij een demonstratie studenten gedood. Ook in het Kunsttheater leiden sommige passages in toneelstukken tot rumoer. De publieke ontvangst van Tsjechovs Drie zusters is enthousiast, maar de kritieken blijven negatief, iets waar het verzet van de grotendeels conservatieve kranten tegen alles wat modern is in tot uiting komt; en het Moskouse Kunsttheater wordt daar inmiddels sterk mee geassocieerd. Als zijn broer Misja overweegt een baan te nemen bij Novoje Vremja - ik vermeldde het al - waar Aleksandr ook werkt, raadt Tsjechov hem dat sterk af. Misja zal die raad in de wind slaan. Als hij Olga uitnodigt met Pasen naar Jalta te komen, krijgt hij een pittige brief van haar. Ze komt niet. Denk eens na, dan begrijp je wel waarom, schrijft ze, ongetwijfeld doelend op haar precaire positie als ongehuwde vrouw. Ze zal uiteindelijk toch verschijnen, op 30 maart, om tot 14 april te blijven.

131 Groepsfoto van het Moskouse literaire gezelschap dat zich Sreda noemde, Moskou 1902. Staand vanaf links: Stepan Skitalets (1869-1941) en Maksim Gorki (1868-1936); zittend Leonid Andrejev (1871-1919), de bas Fjodor Sjaljapin (1873-1938), Ivan Boenin (1870-1953), de stichter van de groep Nikolaj Telesjov (1867-1957) en Yevgeni Tsjirikov (1864-1932). De foto werd met de autogrammen van alle afgebeelden naar Tsjechov in Jalta gestuurd. Sreda betekent in het Russisch behalve woensdag (dag waarop de schrijvers elkaar ontmoetten) ook midden. Het tijdschrift was verbonden aan een coöperatieve uitgeverij, Znanie (Kennis). De schrijvers zouden Tsjechov verschillende keren proberen over te halen de uitbuiter Marks op te zeggen en te verhuizen naar hun uitgeverij. Maar Tsjechov nam aan dat zijn werk, nadat het in een oplage van 250.000 exemplaren gratis was weggeven, commercieel niet langer interessant was. Aldus Peter Urban. De groep bestond tussen 1899 en 1916. Ivan Boenin beschrijft trouwens in zijn Herinneringen aan Sjaljapin (1938) hoe deze foto ontstond na een rijkelijk met alcohol overgoten etentje in het Duitse restaurant Alpenrose in Moskou. Bron: Urban 1987

Schrijvers rond Sreda, 1902

132 Olga komt dus toch naar Jalta, maar als ze daarvandaan op 14 april 1901 terugkeert naar Moskou, schrijft ze dat ze een bittere smaak aan haar bezoek heeft overgehouden. Blijkbaar is ze niet tevreden met wat ze te horen heeft gekregen, is Tsjechov misschien nog steeds niet overtuigd en heeft hij over zijn huwelijk nog steeds aarzelingen. Op 22 april 1901 ten slotte schrijft hij haar een brief waarin hij belooft naar Moskou te komen om met haar te trouwen:

AAN O. L. KNIPPER

22 april 1901 [Jalta]
Mijn lieve, heerlijke Knipsjitsj, ik heb geen poging gedaan je te weerhouden, omdat ik het in Jalta afschuwelijk vind en omdat ik dacht dat ik je toch al binnenkort in vrijheid terug zou zien. Hoe het ook zij: je bent ten onrechte boos, mijn hartje. Ik heb geen stiekeme bedoelingen, ik zeg alleen wat ik denk.
Begin mei, in de eerste dagen, kom ik naar Moskou en dan zullen we ons, als het maar enigszins mogelijk is, laten trouwen en daarna naar de Wolga gaan, of we gaan eerst naar de Wolga en trouwen dan, wat je prettiger vindt. We nemen in Jaroslavl of in Rybinsk de stoomboot en varen naar Astrakan, vandaar naar Bakoe, van Bakoe naar Batoemi. Of wil je dat niet? Zo kan ook: de Dina langs naar Archangelsk, vandaar naar de Solovki-eilanden. We gaan waar je maar heen wilt. Daarna breng ik de hele winter of een groot deel ervan door in Moskou, met jou in éen huis. Als ik tenminste niet ziek word en gezond blijf. Dat gehoest van me ontneemt me alle energie, aan de toekomst denk ik nauwelijks en ik schrijf zonder plezier. Denk jij maar aan de toekomst, wees de baas in huis, wat je me zegt, dat doe ik, anders hebben we geen leven, maar krijgen we het met lepeltjes opgediend. [...]

AAN O. L. KNIPPER

26 april 1901 [Jalta]
Hond Olka. Ik kom in de eerste dagen van mei. Zodra je het telegram krijgt, begeef je je naar hotel Dresden en vraag je of kamer 45 vrij is, met andere woorden, huur het een of andere goedkope kamertje. [...] Als je je woord geeft, dat er in Moskou geen sterveling van ons huwelijk op de hoogte is voordat het gesloten is - dan trouwen we nog op de dag van mijn aankomst. Ik ben om de een of andere reden verschrikkelijk bang voor het huwelijk en de gelukwensen, de champagne, die je in je hand moet houden terwijl je er met een ongemakkelijk lachje bij staat. En uit de kerk niet naar huis, maar direct naar Zvenigorod. Of we trouwen in Zvenigorod. Denk er maar over na, hartje. Je bent naar ik heb vernomen een pienter kind. [...] Het weer in Jalta is miserabel. Heftige wind. De rozen staan in bloei, maar nog niet heel erg. [...] Bij mij is alles in orde, op een kleinigheid na - de gezondheid. [...]

AAN O. L. KNIPPER

2 mei 1901 [Jalta]
Mijn lieve hartje, ik heb in Foros [plaats aan de Krim, ivm bezoek bij een bevriend dirigent] alleen overnacht, heb me verveeld en ben ziek geworden. En uitgerekend vandaag is het koud, bewolkt. Ik zit in mijn werkkamer, ga niet naar buiten en houd me er, bij gebrek aan beter, uitsluitend mee bezig te denken en te hoesten. Wees niet boos vanwege zo'n gedrag, bestraf me niet met kwalijke gedachten. Spoedig, spoedig, zien we elkaar terug. Ik vertrek uit Jalta op vijf mei of op zijn laatst de tiende, afhankelijk van het weer. Dan varen we langs de Wolga, kortom, doen wat alles wat je maar wilt. Ik ben in je macht.
Als je ooit een keer met Visnjevski trouwt, dan niet uit liefde, maar uit berekening. Jij vindt hem een knappe kerel en je zult met hem trouwen. Hij rekent er blijbaar op dat je snel weduwe wordt, maar vertel hem, dat ik, om jullie te ergeren, in mijn testament laat opnemen dat je niet mag trouwen. [...]

Die nogal pijnlijke opmerking over Visnjevski was ingegeven door wat Olga hem had geschreven, namelijk dat hij, de weerzinwekkende Visjnevski dus, had gezworen dat Olga binnen een jaar of twee zijn vrouw zou zijn. Wat zeg je me daarvan? Op een avond, ergens in deze periode, is Boenin weer bij Tsjechov op bezoek en leest diens verhaal Goesev. Na de laatste zin zegt hij, mijmerend: Ik vraag me af of ik ooit de Indische oceaan zal zien. Zegt Tsjechov: Moet je horen, ik ga trouwen. Boenin schrijft dat hij over dat huwelijk nogal sombere ideeën had. Ik dacht: Tja, dit is echt zelfmoord - erger dan Sachalin. Vooral de verhouding met Masja zou problemen kunnen opleveren, vermoedde hij, terwijl hij ook wist dat Knippers achtergrond een heel andere was dan die van de Tsjechovs. Boenin kende Knipper ook goed. Maar ik hield natuurlijk mijn mond. De Indische Oceaan zou hij - dit terzijde - inderdaad te zien krijgen. Misschien is het toeval dat hij, net als Tsjechov, naar Ceylon ging.

Als Tsjechov in een volgende brief klaagt over zijn gezondheid, maakt Olga zich ten antwoord druk over de kwestie van de voor het huwelijk benodigde papieren, zo schrijft Simmons bijna venijnig. Veel biografen hebben moeite met Tsjechovs zo late, aarzelende huwelijk. Simmons' biografie is een meesterwerk, maar als je éen ding tegen hem kunt inbrengen, is het de manier waarop hij soms Tsjechovs vrouwen telijf gaat, in de eerste plaats natuurlijk Avilova, maar ook elk defect van Knipper merkt hij genadeloos op. Op 6 mei 1901 gaat Tsjechov naar Moskou en verblijft weer in hotel Dresden. Tegen vrienden en familieleden met wie hij correspondeert, zwijgt hij als het graf over zijn huwelijk. Hij heeft het druk met tal van zaken. Tegen Masja en Ivan die allebei ook in Moskou zijn, zegt hij er geen woord over. Op 17 mei gaat hij naar een specialist, V.A. Sjtsjoerovski en laat zich onderzoeken. Aan Masja, die inmiddels terug is naar Jalta, schrijft hij dat de arts hem een koemiskuur heeft voorgeschreven, of anders een verblijf in Zwitserland. Koemies (ook wel: kumys) is gefermenteerde melk van merries of kamelen, zoals die bereid werd door de Tataren. Het werd geacht goed te zijn voor tbc-patiënten. Tsjechov heeft een afkeer van dergelijke kuren, laat hij Masja weten. Als een terzijde, waarvan niet helemaal duidelijk is of het grappig bedoeld is of niet, schrijft hij ook nog dat hij zou kunnen trouwen, maar dat de documenten die ervoor nodig zijn in Jalta liggen. Dat is dus niet waar, want Olga heeft die kwestie al lang geregeld. Masja schrijft in een brief die eerder is verstuurd dan de zijne, dat hij erg wordt gemist in Jalta. De reactie op zijn terloopse opmerking zal hij nog krijgen.

AAN M. P. TSJECHOVA

zondag [20 mei 1901, Jalta]
[...] Ik was in elk geval bij dokter Sjtsjoerovski. Hij heeft een zwakke plek links en rechts vastgesteld, rechts een groot stuk onder het schouderblad, en hij heeft me opgedragen onmiddellijk een koemiskuur in het gouvernement Oefa te doen, of, als ik de koemis niet verdraag, naar Zwitserland te gaan. Die vervelende en ongemakkelijke koemiskuur duurt twee maanden. Ik weet niet wat ik moet doen, alleen gaan is vervelend en iemand meenemen zou egoïstisch zijn en dus ook onaangenaam. Ik zou willen trouwen maar heb de papieren niet bij me, die liggen in Jalta, in mijn bureau. Mijn arm doet geen pijn meer. [...]

132 Anton Tsjechov met Olga Knipper, Aznakajevo, 1901. Vandaag kwam Sredin langs met de foto bij zich die wij uit Aznakajevo hebben meegenomen, maar nu als vergroting; daar zien we er allebei oud en gerimpeld op uit. Tsjechov aan Olga Knipper op 6 november 1901. De tekst zou, als hij verwijst naar een ons bekende foto, misschien eerder op het hierbij gaande exemplaar betrekking kunnen hebben, dan op de volgende, die me tamelijk geslaagd lijkt. Bron: Urban 1987 nr. 642

Anton Tsjechov en Olga Knipper in Aznakajevo, 1901

133 Volgens Stanislavski laat Tsjechov door een vriend, soort dus, zo weten wij - Visnjevski namelijk, acteur, alsmede financiële man van het Kunsttheater, vader van het kind van de kokkin en aldus Olga: de weerzinwekkende Visjnevski - op 25 mei 1901 een maaltijd organiseren voor zijn kring en die van Olga. Op die dag trouwen de twee in een Moskouse kerk aan de Pliushchikhastraat, enkel in het bijzijn van de vier wettelijk vereiste getuigen, een broer en een oom - de militaire oom - van Olga en twee studenten. Ze eten nog bij Olga Knippers zus Anna, maar onmiddellijk aansluitend vertrekt hij samen met Olga voor zijn koemiskuur naar Aznakajevo, dat op zo'n 1500 kilometer ligt in de provincie Oefa, in de Oeral. Het gebied heet nu Oost-Tatarstan, in wat heden ten dage de autonome republiek Basjkirostan is. Het plaatsje waar Tsjechov verblijft, wordt in alle biografieën weliswaar Aksenovo genoemd, maar ik vermoed dat het nu Aznakajevo heet. En zo zal ik het maar noemen. Op weg erheen bezoekt het stel in Niznji Novgorod Gorki, die op dat moment onder huisarrest staat. Om het goed te maken wordt de stad in 1932 herdoopt als Gorki. En dat wordt in 1990 weer teruggedraaid. Na de visite, die ook een blijk van solidariteit is, reizen ze verder - voor een goed deel per boot, waarbij ze dus onderweg ook nog bijna een hele dag moeten wachten - naar Aznakajevo, waar ze een kamer in een sanatorium krijgen.

Tsjechov had - naar algemeen bekend - een diepe afkeer van formele gelegenheden, zeker als hij ook nog het risico liep toegesproken te worden. Wat Tsjechov ook verder van zijn huwelijk vond, hij behandelde het in elk geval nadrukkelijk als formaliteit. Zelfs een foto van de huwelijkssluiting is er niet. Olga Knipper kan dat allemaal weinig vreugde hebben bereid. Op die manier is er weinig plezier aan een beroemd schrijver te huwen. Zijn moeder stuurt hij een telegram: Lieve moeder, Ik vraag om uw zegen. Ik trouw. Alles blijft bij het oude. Ik ben op weg naar een koemiskuur. Adres: Aznakajevo, Samaro-Zlatoestovskaja. Gezondheid beter. Anton. Ook de maaltijdgasten, die op zijn aanwezigheid hadden gerekend, krijgen een telegram. De tekst ervan heb ik helaas niet kunnen achterhalen. Ze gaan in verwarring uiteen. Visjnevski, weerzinwekkend of niet, zou nog wel vaker hand- en spandiensten verlenen aan het echtpaar.

133 Anton Tsjechov met Olga Knipper, Aznakajevo, eind mei 1901. Dit is de enige foto die ik van Tsjechov ken, waarop hij onmiskenbaar glimlacht, bovendien een beetje als de kat die net de kanarie opheeft. Mijn commentaar. Bron: Urban 1987 nr. 641

Anton Tsjechov en Olga Knipper, Aznakajevo, 1901

134 Van zijn moeder krijgt Tsjechov per telegram de gevraagde zegen. Masja laat hem - ik vermoed op de 22e - weten dat ze tegen zijn huwelijk is. Rayfield geeft als enige een deel uit de brief in kwestie, die ik hierbij als eerste document geef. De kern ervan lijkt min of meer te zijn: Wie van je houdt, kan dat ook doen zonder met je te trouwen. Olga Knipper, die naar ik vermoed niet op de hoogte is geweest van die brief, schrijft zelf op de ochtend van de 25e mei, de dag van het huwelijk dus, een brief aan Masja, waarin ze haar vertelt dat ze met Anton gaat trouwen. Dat is het tweede document dat ik geef. Onderweg naar Aznakajevo moet het verse echtpaar een dag lang wachten op een boot, in Pjany Bor, en Olga maakt van die gelegenheid gebruik om Masja te schrijven wat er de dag van de plechtigheid is gebeurd. Dat is het derde document. Het is Rayfield die deze drie stukken geeft, en ik vertaal dus uit het Engels. Het lijkt me in alle drie de gevallen om fragmenten van grotere gehelen te gaan. Ik vraag me bovendien af of het bij de talrijke puntjes gaat om weglatingen. Wat betreft het certificaat waarvan in het derde stuk sprake is en dat enkel met enige moeite, blijkbaar tijdens de trouwdienst nota bene, verkregen kon worden: door als Lutherse met een orthodoxe Rus te trouwen, riskeerde Olga uit haar kerk gezet te worden. En daar werd ze op attent gemaakt. En ten slotte schrijft Tsjechov zelf aan Masja een reactie op haar weigering zijn huwelijk te accepteren, waarvan ik dus een deel als eerste document gaf. De eerste zin van Tsjechovs brief lijkt daarop te wijzen. In de brief legt hij hij omstandig uit dat er niets zal veranderen. In juli zal hij weer in Jalta zijn, waar hij dan blijft tot oktober, waarna hij naar Moskou zal gaan tot december, om de winter in Jalta door te brengen, precies zoals hij gewend was te doen. Hij en Olga zullen apart leven, een toestand waar ik al aan gewend ben. Hij nodigt haar zelfs uit hen te bezoeken en met hen een reis te maken. Dat zal Masja wijselijk weigeren. De brief, die ik hierbij als vierde document geef, zal Masja altijd achterhouden. Pas in 1951, zes jaar voor haar dood, levert ze hem in met het verzoek die niet te publiceren. Voor de aardigheid voeg ik er nog aan toe een brief van Tsjechov aan zijn (oudere) broer Aleksandr van een wat later datum, vooral omdat ik de toon zo fijn laconiek vind: Ik ben per slot van rekening, in zekere zin, getrouwd. Dat is het vijfde stukje. En ten slotte: na een maand heeft Tsjechov genoeg van zijn kuur, die er twee had moeten duren, want hij verveelt zich mateloos in Aznakajevo. De omstandigheden zijn zeer primitief. Tsjechov keert wel 8 pond zwaarder terug naar Jalta.

(1) Laat me nu zeggen wat ik vind van je huwelijk. Persoonlijk vind ik die hele huwelijksceremonie afschuwelijk. En je hebt die extra zorgen niet nodig, als iemand van je houdt en je niet in de steek laat, is er geen sprake van een offer... Je binden kun je je altijd nog. Vertel dat maar aan [die schat doorgehaald] dat Knippermens. Zorg eerst maar dat je beter wordt. Denk in godsnaam niet dat ik spreek uit eigenbelang. Je bent altijd de dierbaarste mens voor me geweest, die het dichtst bij me staat... Jij hebt me zelf geleerd geen vooroordelen te koesteren. Mijn God, wat zal het moeilijk zijn om twee hele maanden zonder je te leven, en nog in Jalta ook... Als je niet snel op deze brief antwoordt, kwets je me. Mijn groet aan 'haar.'
(2) Vandaag trouwen we en vertrekken we naar Aznakajevo, in de provincie Oefa, voor de koemis. Anton voelt zich goed, is vriendelijk en zachtmoedig. Alleen Volodja [Olga's broer] en oom Sasja (op Antons verzoek) en twee studenten zullen getuigen zijn in de kerk. Ik heb gisteren vanwege de hele kwestie een drama doorstaan met mijn moeder, en geruzie, ik slaap 's nachts niet, ik heb barstende koppijn. Ik ben enorm bedroefd en gekwetst, Masja, dat jij hier vandaag niet bent. Ik zou me heel anders voelen, ik ben helemaal alleen, er is niemand om mee te praten. Vergeet me niet, Masjesjka, houd van me, wij tweeën moeten altijd samen blijven ... mijn groeten aan je moeder. Zeg haar dat ik erg verdrietig zal zijn als ze huilt of overstuur is vanwege Antons huwelijk.
(3) Om half negen ging ik naar de tandarts om een kies af te laten maken... Om twee uur lunchte ik, deed een witte jurk aan en ging naar Anton. Ik heb het uitgevochten met mijn moeder.... Ikzelf wist tot op het laatste moment niet op welke dag we zouden trouwen. De bruiloft was heel vreemd. Er was geen mens in de kerk te bekennen, er stonden wachters bij de deur. Tegen 5 uur arriveerde ik met Anton, de getuigen zaten op een bank in de tuin... Ik kon nauwelijks staan met mijn hoofdpijn en op een gegeven moment wist ik niet of ik in huilen of in lachen moest uitbarsten. Weet je, ik voelde me zo vreemd toen de priester naar me toe kwam en Anton me weg leidde... Het huwelijk werd aan de Pliushchikhastraat gesloten door dezelfde priester die jouw vader begroef. Mij werd alleen gevraagd om een certificaat dat ik ongehuwd was en dat ik bij mijn kerk moest halen... Ik was helemaal overstuur omdat Vania er niet was... Vania wist dat we gingen trouwen, Anton was met de priester bij hem geweest... Toen ik terugkwam uit de kerk konden de bedienden zich niet inhouden, gingen in de rij staan om me te feliciteren en begonnen te huilen, maar ik beheerste me op nobele wijze. Ze pakten mijn spullen en dat zwijn van een Natasja stelde me weer teleur... ze vergat mijn zijden bh mee te nemen en mijn met batist geborduurde blouse. Om acht uur 's avonds gingen we naar het station, alleen de familie zwaaide ons uit, kalm, bescheiden.

AAN M. P. TSJECHOVA

4 juni [Aznakajevo]
(4) Lieve Masja, de brief waarin je me afraadt te trouwen, is me gisteren uit Moskou nagestuurd. Ik weet niet of ik een vergissing begaan heb of niet, maar getrouwd ben ik vooral omdat ik ten eerste over de veertig jaar oud ben, ten tweede omdat Olga uit een goede familie komt en omdat ik, ten derde, als het nodig mocht zijn, me onmiddellijk weer van haar kan laten scheiden, alsof ik nooit getrouwd ben geweest; ze is een zelfstandig mens en leeft van haar eigen middelen. Belangrijk is verder de overweging dat er door dit huwelijk ook maar niet het minste verandert in de manier van leven van degenen om me heen. Alles, absoluut alles blijft zoals het was en ik zal net als voorheen in Jalta blijven wonen.
Je wens naar ons toe te komen in het gouvernement Oefa heeft me zeer verheugd. Als je echt besloten hebt hierheen te komen, dan zou dat prachtig zijn. Kom in de eerste dagen van juli; we wonen hier, drinken koemis en reizen dan gezamenlijk de Wolga af naar Novorosjisk en vandaar naar Jalta. De handigste route hierheen is over Moskou, Nizjni en Samara. Het is langer, maar het scheelt over het geheel éen, twee of misschien zelfs drie dagen. Toen ik Knipsjits vertelde dat je kwam, was ze erg blij. Vandaag is ze naar Oefa gegaan om inkopen te doen. Het is hier een beetje vervelend, maar de koemis smaakt goed, het is heet en het eten is niet slecht. Over een paar dagen gaan we vissen.
Ik stuur je een cheque van 500 roebel. Als het teveel geld is en je het niet thuis wilt houden, breng dan maar een deel naar de staatsbank, op jouw naam. Hoe je dat doet, vertelt Sinani je wel. Als je komt, neem dan 100 roebel plus het reisgeld mee; ik heb geld en ik geef je wel voor de terugreis.
Het adres voor telegrammen: Aznakajevo Tsjechov. Als je besluit te komen, telegrafeer dan éen woord: kom. [...] De koemis bederft mijn maag niet. Blijkbaar verdraag ik het goed. Een hartelijke groet aan moedertje. [...] Dus, blijf gezond en rustig. Schrijf vaker alsjeblieft. Je Anton.

AAN Al. P. TSJECHOV

21 juni [Aznakajevo]
(5) Vader, leg me eens uit waarom je niet schrijft? Ben je boos?
Ik ben op dit moment bezig met een koemiskuur, mijn adres (tot de 10de juli): Aznakajevo, gouv. Oefa. Na de tiende als voorheen, dwz. Jalta
Ik ben schuldig voor je: ik heb niet om je toestemming en je zegen gevraagd. Ik ben per slot van rekening, in zekere zin, getrouwd.
Blijf gezond en schrijf alsjeblieft. Waar hangt Misja tegenwoordig uit en als hij in Petersburg is, wat doet hij er? Zeg hem dat hij me moet schrijven.
Groet de familie. Je koemisbroer Antoine.
NB: We zitten hier per slot van rekening niet in Engeland.

134 Anton Tsjechov, Aznakajevo, 1901. Ik vermoed dat het rijtuig voor het sanatorium staat. Tsjechov klaagt over de primitieve inrichting. Zou het Olga zijn die voor het rechterraam in het midden staat te kijken? Bron: Urban 1987 nr. 643

Tsjechov, Aznakajevo, 1901

135 Eenmaal terug in Jalta, wordt hij ook weer direct geplaagd door bezoek. Dat Boenin onmiddellijk overkomt uit Odesssa, waar hij woont, vindt Tsjechov niet erg, maar ook tal van anderen leggen een visite af om hem te feliciteren met zijn huwelijk. Olga neemt direct de zorg op zich voor haar man, wiens rommelige bestaan ze bekritiseert. Ze probeert hem zover te krijgen regelmatiger te leven en ze houdt strenger de hand aan zijn dieet. Artsen waren de mening toegedaan dat het vooral Tsjechovs neiging was voortdurend op reis te gaan die zijn gezondheid schaadde. Ook Altschuler geloofde dat als Tsjechovs eens gewoon aan de Krim bleef, het veel beter met hem zou gaan. Maar het ligt ook voor de hand dat Olga's bemoeienis zo nu en dan leidt tot enige frictie met Masja en haar moeder, die hem tot dan toe in alles zijn zin gaven. De onderlinge verhoudingen zijn soms gespannen. Nadat Olga op 20 augustus is teruggekeerd naar Moskou, schrijft ze dat ze vreest dat Masja haar nooit zal accepteren. Diezelfde zomer geeft hij haar een brief mee die aan Masja is gericht en die ze haar pas na zijn dood mag geven. Het blijkt zijn testament te zijn. Het zal inderdaad tot Tsjechovs dood in Olga's bezit blijven. Ik vind het bij alle karigheid waar het de bewoordingen betreft een ontroerend, maar ook karakteristiek Tsjechov-epistel.

AAN M. P. TSJECHOVA

[Jalta, 3 augustus 1901]
Lieve Masja, ik vermaak aan jou voor levenslang gebruik mijn huis in Jalta, het geld en de inkomsten van mijn toneelwerk, aan mijn vrouw Olga Leonardovna het huis in Hoerzoef en 5000 roebel. Mijn onroerend goed kun je als je wilt verkopen. Geef onze broer Aleksandr 3000, Ivan 5000 en Michail 3000, Aleksej Dolsjenko 1000 en Jelena Tsjechova (Lele) als ze gaat trouwen 1000. Na jouw dood en die van moeder komt alles wat er is, met uitzondering van de inkomsten uit mijn toneelwerk, ten goede aan de gemeente Taganrog om gebruikt te worden voor volksonderwijs, de inkomsten uit het toneel zijn dan voor Ivan, en na de dood van Ivan voor de gemeente Taganrog voor hetzelfde doel van volksonderwijs. Ik heb de boeren van Melichovo 100 roebel beloofd - voor de bekostiging van de weg; beloofd heb ik eveneens aan Gavriil Aleksevitsj Chartsjenko (Charkov, Moskalevka, eigen huis) de gymnasiumopleiding voor zijn dochter te betalen, tot ze wordt vrijgesteld van schoolgeld. Help de armen. Zorg voor moeder. Leef in vrede. Anton Tsjechov.
3 augustus 1901

Zodoende kreeg Masja het leeuwendeel van de erfenis en al hield hij daarbij misschien ook enigszins rekening met de inkomsten die Olga al had van het theater, het is toch opmerkelijk dat haar erfdeel welbeschouwd gering is. Ik vraag me ook af wat er precies van terecht is gekomen, want bij die toneelrechten moet het om een zeer aanzienlijk bedrag zijn gegaan. Alleen al in het seizoen 1901-1902 verdiende Tsjechov er 8000 roebel aan en kreeg hij nog eens 1000 voor uitvoeringen in de provincie. Wat me eveneens verbaast is dat er niet wordt gesproken over de rechten van zijn proza. Ik begrijp dat het contract van Marks liep tot 1919. En ook daarbij moet het toch gaan om veel geld zijn gegaan. Tsjechov was, zoals het een groot kunstenaar betaamt, geen held in financiële kwesties en op dat punt was Olga Knipper veel praktischer. Hij vraagt haar 800 roebel op te nemen en die te lenen aan zijn neef Dolsjenko, zoals hij wel vaker deed aan vrienden en bekenden, wetende trouwens dat hij die nooit terug zou krijgen en klaagt de volgende dag in een brief aan haar dat hij niet begrijpt waar zijn geld blijft.

135 Anton Tsjechov, Jalta, 1901. Foto: L.V. Sredin. Bron: Urban 1987 nr. 644

Tsjechov, Jalta 1901

136 Nadat Olga op 20 augustus 1901 is vertrokken, zonder de zegen van moeder Tsjechov te hebben ontvangen, gaat Masja vier dagen later dezelfde weg, hetgeen op zijn minst een zeker ongemak lijkt te verraden. Samen reizen doen ze niet. Olga wordt weggebracht door Tsjechov en in de trein huilt ze. Uit Moskou schrijft ze aan Masja: Voel je je beter nu ik wegben? Tsjechov blijft achter en corrigeert drukproeven voor de Marks-uitgave. Hij schrijft aan éen van zijn laatste verhalen, De bisschop. Hij zal er nog lang aan blijven werken. Ivan Boenin verschijnt weer eens. Uit Moskou laat Olga weten dat Lika Mizinova bij het Kunsttheater heeft gesolliciteerd en auditie gedaan met de rol van Elena uit Oom Wanja, die Knipper zelf had gespeeld. Olga Knipper is op de hoogte van wat Lika voor Tsjechov heeft betekend. Rayfield merkt op dat Knipper en Nemirovitsj, die de auditie afnemen, haar vernederen. Die twee hadden eerder een verhouding gehad. Voordat Tsjechov verscheen, werd Nemirovitsj algemeen als huwelijkspretendent beschouwd, Olga had een verhouding met hem en Tsjechov zelf lijkt hem soms als rivaal te zien. Olga schrijft: Lika Mizinova probeerde me te imiteren, maar alles wat ze las was compleet rommel (onder ons gezegd) en eerlijk gezegd vond ik het zielig voor haar. Ze werd met algemene stemmen afgewezen. Sanin stelde voor dat ze een hoedenwinkel begon. Vertel Masja maar van Lika. Misschien kan ze een rol als figurant krijgen. Niets gruwelijker dan de wraak van een vrouw. Het gezelschap zal Lika later aannemen als onbezoldigd secretaris, vermoedelijk op aandrang van de Tsjechovs. Lika was per slot van rekening een vriendin van Masja. Simmons geeft overigens een heel wat genuanceerdere versie van de gebeurtenissen en meldt dat Lika een jaar later, in 1902, met dezelfde Sanin trouwt die haar aanried een hoedenwinkel te beginnen, echtverbintenis trouwens waar Tsjechov geen enkel heil in zag. De twee zullen later nog een keer bij Masja verblijven, in Jalta. A.A. Sanin heette in werkelijkheid Aleksandr Schönberg (1869-1956), was ooit officier en werd acteur en regisseur en medewerker van Stanislavski. Rayfield vermeldt nog dat Tsjechov het mis had over Lika's huwelijk. Ze zou Schoenberg trouw blijven en hem verplegen toen hij psychotisch werd. Zelf zou ze in 1937 in Parijs aan kanker sterven.

Ondertussen woont ook Tolstoj aan de Krim, in Gaspra, op 10 kilometer van Jalta. Hij is ernstig ziek en er stond in het dorp al een priester klaar om als hij overleed, te kunnen melden dat hij op zijn sterfbed zijn ketterse opvattingen had laten varen, precies overigens zoals dat zou gebeuren toen Tolstoj in Astapovo echt stierf, al zou het ook daar niet lukken. Tsjechov gaat bij hem op bezoek en Tolstojs gezelschap valt het op hoe slecht Tsjechov eraan toe is. Tolstoj zal altijd op Tsjechov gesteld zijn. Wat een ontzettend aardige man, zegt hij bij een later bezoek tegen Gorki, op een moment dat Tsjechov zelf in de tuin loopt met zijn jongste dochter, Aleksandra Lvovna, wat een lieve, prachtige man. Hij is bescheiden en rustig als een meisje. Hij loopt zelfs als een meisje. Bij een ander bezoek vraagt hij aan Tsjechov: Ben je toen je jong was veel naar de hoeren geweest? En als Tsjechov iets onverstaanbaars terug mompelt, zegt hij: Nou, ik wel hoor.

136 Anton Tsjechov op bezoek bij Leo Tolstoj in Gaspra aan de Krim, 12 september 1901. Gaspra ligt op 10 kilometer van Jalta. Tolstoj verbleef er op het landgoed van gravin Panina. Tsjechov bezocht Tolstoj verschillende keren toen die wegens ziekte aan de Krim verbleef. Nadat hij hem eerst op 12 september al had bezocht, ging hij opnieuw op 5 november 1901, weer in zijn eentje, om vervolgens op 14 november nog een keer een bezoek af te leggen in gezelschap van Konstantin Balmont en Maxim Gorki. Die laatste had in november een huisje op loopafstand van Gaspra had gehuurd, in Oleïz. Er bestaat eveneens een foto van het hele gezelschap op de veranda, met Sofia tussen Tolstoj en Tsjechov in, die werd gemaakt door Sergejenko. Die vervaardigde ook nog een fotomontage van Tolstoj en Tsjechov. Foto: Sofia Tolstoj. Bron: Urban 1987 nr. 653

Tsjechov op bezoek bij Leo Tolstoj in Gaspra aan de Krim, 12 september 1901

137 Hoewel het besluit wellicht werd ingegeven door het belang dat de beiden hadden bij een goede verhouding met respectievelijk broer en echtgenoot, kan de verstandhouding tussen Masja en Olga ook weer niet zo slecht geweest zijn, want de twee huren in Moskou samen een groot appartement, waar Tsjechov en zijn moeder ook kunnen verblijven als dat nodig is. Visjnevski woont trouwens in hetzelfde gebouw. Anderzijds: ze zien elkaar nauwelijks, want Masja werkt overdag op een meisjesschool - voor 40 roebel per maand, terwijl, zo voegt Rayfield daar in een voetnoot aan toe, zij en haar moeder maandelijks stiekem nog eens 35 kregen van Soevorin - en Knipper maakt vaak erg lange dagen. Masja bezoekt overigens samen met Aleksandra Khotiáintseva (1865-1942) een schildersatelier, waar ze een portret maakt van Sinani's zoon Abraham, die zelfmoord heeft gepleegd. Hun huishouden wordt gerund door dienstbodes. Ondanks de belofte van een regelmatiger leven komt Tsjechov drie weken na het vertrek van zijn vrouw - nadat hij, schrijft Rayfield, haar verjaardag op 9 september heeft genegeerd - op 17 september 1901 in Moskou aan, om er aanwezig te zijn bij de première van zijn Drie zusters, dat nu de tweede jaargang ingaat, zij het dat de eerste, van 1900-1901, slechts een halve was. Aleksandr komt bij hem langs uit Petersburg, als hij voor Soevorin op weg is naar de Krim. Rayfield schrijft: Hij verborg zijn gezuip tot hij op afstand was.

Eigenlijk was dit het eerste jaar dat het Kunsttheater geen echte première had van een stuk van Tsjechov, zodat ze terug moesten vallen op oud werk. Een stuk van Ibsen kreeg slechte recensies, met een eigen stuk van Nemirovitsj ging het ook mis en een geplande reprise van Ivanov werd toch van het programma gehaald. Hij is bij verschillende repetities van zijn Drie zusters aanwezig en heeft heel wat kritiek. Stanislavski liet achter het doek bij aanvang een aantal acteurs het geroekoekoe van duiven nadoen, iets wat Tsjechov (uiteraard) onmiddellijk verbood. Het portret van de vader van de drie zusters, generaal Prozorov, dat aan de muur hangt, laat hij weghalen, omdat het teveel op dat van een Japanse generaal lijkt. Met de rol van Andrej (gespeeld door Loezkji) is hij ontevreden. Stanislavski schrijft in zijn Herinneringen dat al die ingrepen de voorstelling geen goed deden, maar de ontvangst door het publiek is razend enthousiast, misschien ook enigszins omdat Tsjechov zelf aanwezig was. Olga ziet hij nauwelijks, want het Kunsttheater stelde hoge eisen aan de acteurs. Repetities duurden vaak zes uur. De verhouding tussen Olga en Tsjechov is uitstekend. Ze noemt hem inmiddels haar Russische Maupassant. Als het eind oktober weer minder gaat met zijn gezondheid, besluit hij terug te keren naar Jalta. Hij vertrekt 26 oktober 1901. Hij leert er een paar schrijvers kennen uit de groep rond Sreda, Andrejev en Telesjov, maar ontmoet ook de dichter Konstantin Balmont (1867-1942) weer, die hij eerder al, in 1895, in gezelschap van Boenin was tegengekomen. De omstandigheden waaronder hij in Jalta leeft, zijn soms misschien grimmiger dan wij voor mogelijk zouden houden. Ook op Melichovo was het soms al erg koud, verwarming of niet. En dat lijkt aan de Krim net zo. Er staat in die derde brief, letterlijk: hoewel de thermometer 12 graden warmte aanwijst. Dat zou 's winters standaard het geval zijn.

AAN O. L. KNIPPER

6 november 1901 [Jalta]
Nou, vreugde van me, gisteren was ik bij Tolstoj. Ik trof hem aan terwijl hij in bed lag. Hij heeft zich een beetje gestoten en is bedlegerig. Met zijn gezondheid gaat het beter, want het zijn nog maar de warme dagen van eind oktober, maar de winter is in zicht, al heel dichtbij. Hij was duidelijk blij me te zien. En mij deed het deze keer om de een of andere reden ook veel plezier hem te ontmoeten. Hij heeft een aangename, goedmoedige gelaatsuitdrukking, ook al is het die van een oude man, preciezer, van een grijsaard, hij luistert met plezier naar je en praat graag. De Krim bevalt hem nog steeds.
Vandaag was Balmont bij me. Hij kan nu niet naar Moskou [Balmont was verbannen, net als Gorki], het is hem niet toegestaan, anders was hij in december wel verschenen en had je hem kunnen helpen kaarten te krijgen voor alle stukken die in juliie theater worden gespeeld. Hij ia een aardige kerel en trouwens: ik ken hem al lang en beschouw hem als een vriend, en hij mij ook.
Hoe gaat het met je, vreugde van me, mijn zonnetje? Vandaag kwam Sredin langs met de foto bij zich die wij uit Aznakajevo hebben meegenomen, maar nu als vergroting; daar zien we er allebei oud en gerimpeld op uit.
[...]

AAN O. L. KNIPPER

17 november [Jalta, 1901]
Lief echtgenootje van me, de geruchten over Tolstojs dood die tot jullie doorgedrongen zijn, over zijn ziekte en zelfs over zijn dood, hebben echt geen enkele grond. Zijn gezondheidstoestand was en is onveranderd, en zijn dood is volgens mij nog ver weg. Hij is weliswaar zwak en ziet er wel teer uit, maar er is geen enkel symptoom dat bedreigend is, geen éen, behalve zijn ouderdom dan... Geloof er niets van. Als er, wat God moge verhoeden, iets gebeurt, dan laat ik het weten via een telegram. En dan zal ik het daarin over "grootvadertje" hebben, anders kon het wel eens niet aankomen. [ongetwijfeld een verwijzing naar de censuur]. A.M. [Gorki] is hier ook, het gaat goed met hem. Hij overnacht bij mij, en is daar ook aangemeld. [...] Ik ben gezond, Moskou is me verbazingwekkend goed bekomen. Ik weet niet of het aan jou ligt, of aan Moskou, maar ik hoest weinig. [...]

AAN O. L. KNIPPER

24 november 1901 [Jalta]
[...] Buiten sneeuwt en regent het. Ik heb koude handen, in mijn werkkamer is het donker en kil, het schrijven valt me zwaar, mijn vingers willen op de een of andere manier niet gehoorzamen, hoewel de thermometer 12 graden aanwijst. En zo zal het de hele winter blijven. Dat wil zeggen tot eind april.
Gorki is in Oleïz gaan wonen, hij was bij me. Blijkbaar verveelt hij zich. Hij zou graag aan zijn stuk werken, maar het is hier niet. Nemirovitsj stuurt het niet.
Hier in Jalta zijn de Drie zusters uitgevoerd, weerzinwekkend. De officieren droegen politie-uniformen, Masja was schor. Uitverkocht huis, maar het publiek was erg negatief.
In Roesskaja Mysl scheldt Potapenko in een novelle [De weg naar roem] op het Kunsttheater.
Dus, vraag om vakantie niet alleen voor Sebastopol, maar ook voor Jalta. Liefje, let daarop. Ik smeek je. Nemirovitsj is een egoïst en nog een heel grote ook; hij heeft je de 20ste laten komem, terwijl er niets te doen was, en nu kun je de feestdagen rondlummelen zonder iets te doen - en ik breek met het theater. Ik schrijf er niks meer voor.
[...] Laten we naar Italië gaan, hond! Kom op, laten we gaan. Laten we gaan zolang we geld hebben, want over twee of drie jaar kunnen we toch niet meer weg.
Ik omarm je, mijn vrouw. Slaap goed, moge God je beschermen. Je Ant.

137 Anton Tsjechov met naast hem zijn moeder, achter haar zijn zus Masja en achter Tsjechov Olga Knipper. Ik vermoed dat de foto dateert uit 1901. Dat glimlachje van Knipper met die kleine tandjes oogt niet heel overtuigend. Het is amusant te zien hoe veel Tsjechov-biografen stelling nemen in de strijd over Knipper. Is ze de uitgekookte vrouw die op het laatste moment Tsjechov heeft weten te veroveren, eigenlijk zonder dat hij dat echt wilde, of was het grote liefde? De tandjes en de dunne lippen daargelaten, houd ik me op de vlakte. Tsjechov zelf denkt aan iets anders. Bron: Urban 1987 nr. 664

Anton en Masja Tsjechov, de moeder en Olga Knipper

138 Gorki mag nu ook aan de Krim wonen vanwege zijn gezondheid, maar niet in Jalta. Desondanks blijft hij na aankomst in november een week bij Tsjechov logeren, waarbij er de hele dag een politie-agent voor de deur staat. Als Gorki vertrekt, wordt Tsjechov vanaf het politiebureau gebeld met de vraag waar Gorki heen is. Hij lijkt nog steeds op hem gesteld, al vindt hij de boerenkiel die hij altijd draagt gemaniënereerd. Op 17 november 1901 schrijft hij aan Olga: Er is maar éen ding van hem, of beter aan hem, dat niet klopt - dat is zijn boerenkiel. Daar kan ik maar niet aan wennen, net zo min als aan het livrei van een kamerheer. Tsjechov bezoekt Tolstoj weer, op 14 november, nu samen met Balmont en Gorki, die vlakbij Gaspra een huis heeft gehuurd, in Oleïz. Daarmee zijn de drie groten van de Russische literatuur van dat moment bijeen (al zijn het er natuurlijk maar twee echt). Op 5 december bezoekt hij Gorki in zijn huis in Oleïz. Aan Olga schrijft hij de dag erna: Zijn huis staat op een mooie plek, aan het strand, maar binnen - ijdelheid der ijdelheden, kinderen, oude vrouwen, geen omgeving voor een schrijver. Op 7 december schrijft hij haar nog: Ik heb zojuist met Tolstoj getelefoneerd. Ik heb het slot van 'Het drietal' gelezen. Dat is iets ongelofelijk onbeschaafds. Als Gorki het niet geschreven had, zou niemand het lezen. Het drietal was een novelle van Gorki uit 1900.

138 Anton Tsjechov met Aleksej Maksimovitsj Pesjkov (1868-1936), beter bekend als Maksim Gorki. Jalta, 5 mei 1900. Foto: L.V. Sredin. De foto moet genomen zijn tijdens het bezoek van het Kunsttheater aan Jalta, een jaar eerder dus dan de periode waarvan hier sprake is. Bron: Urban 1987 nr. 520

Anton Tsjechov en Maxim Gorki, 5 mei 1900

139 Het is wellicht verrassend te horen dat Tsjechov een kind van Olga wil, want te oordelen naar de briefwisseling wordt daarnaar gestreefd. Als Tsjechov twee weken terug is in Jalta, begin november, laat ze hem weten dat er weer geen klein halfduitsertje zal verschijnen. Ze houdt nu voor Tsjechov zorgvuldig haar periodes bij. Het is Simmons die opmerkt dat Knipper in haar brieven soms wat filosofischer opmerkingen maakt, klaagt over haar gebrek aan culturele achtergrond, dat ze veel te weinig leest, misschien met de bedoeling commentaar van Tsjechov uit te lokken, maar die negeert dat soort opmerkingen. Als ze eens wat prijst, een boek of een toneelstuk, is Tsjechov het standaard met haar oneens. Terwijl hij tegen het einde van het jaar zijn Bisschop afschrijft, gaat het slechter met zijn gezondheid. Altschuler, die een medisch congres heeft in Moskou, blijft ervoor thuis, zo ernstig vindt hij de situatie. Gorki komt weer even langs, in gezelschap van de politie. Daarna komt Boenin. Op 18 december komt ook Masja. Tsjechov smeekt Olga naar Jalta te komen met kerst, want hoe krijgen ze anders ooit een kind. Maar ze komt niet, want ze heeft het te druk met het theater. Kerst is er traditiegetrouw hoogtij. Tsjechov is er blijkbaar echt slecht aan toe, want Masja laat dat aan Olga in Moskou weten. Die maakt daar kennis met heel wat oude favorieten van de schrijver, niet altijd tot haar vreugde.

AAN O. L. KNIPPER

20 januari 1902 [Jalta]
Hartje van me, wat dom van je, wat een domoortje ben je toch. Waar erger je je nu zo aan? Je schrijft dat alles opgeblazen is, dat je een complete nul bent, dat je brieven op mijn zenuwen werken, je voelt met ontzetting dat het leven je benauwt, enz. Wat een onzin! Ik heb je enkel en alleen niets over mijn volgende stuk geschreven, niet omdat ik geen verrtrouwen in jou heb, maar geen vertrouwen in het stuk. Het is me nog maar net voor de geest verschenen, net als het eerste daglicht, en ik weet zelf nog niet wat het wordt, wat er uiteindelijk van komt en het is elke dag nog anders. Als we elkaar gezien hadden, had ik er wat over verteld, maar erover schrijven kun je niet, omdat je dan niets zinnigs te melden zou hebben en alleen maar allerlei onzin zou uitkramen, zodat het onderwerp me tegen zou gaan staan. Je dreigt in je brief dat je me niets meer zult vragen, dat je je er niet meer mee zult bemoeien; maar hoezo dan, hartje? Nee, je bent een goed mens en je zult wel bijdraaien als je merkt hoeveel ik van je houd, hoe na je me staat en hoe ik zonder jou niet meer kan leven, domoortje! Wees niet zo teneergeslagen, houd daar eens mee op. Lach eens. Mij is het toegestaan gedeprimeerd te zijn, want ik verblijf in een woestijn, ik heb niks te doen, zie geen mens, ben bijna elke week ziek, maar jij? Jouw bestaan is ondanks alles op de een of andere manier gevuld. [...] Op 17 januari, mijn naamdag, was ik in een pestbui, omdat ik ziek was en de telefoon maar bleef gaan, om felicitatietelegrammen door te geven. Zelfs jij en Masja hebben me niet gespaard en stuurden er éen. Trouwens, wanneer is jouw Geburtstag? [...] In elk geval, mijn eega, mijn heerlijke, goede, gouden vrouwtje, God behoede je, blijf gezond en vrolijk, denk tenminste 's avonds aan je man, als je gaat slapen. Het belangrijkste - wees niet zo somber. Je man is toch geen dronkenlap, geen verkwister, geen ruziezoeker, ik ben waar het mijn gedrag betreft een echte Duitse echtgenoot; ik draag zelfs warme onderbroeken ... Ik omarm je honderdeneen keer en kus je eindeloos, mijn vrouw. Je Antoine.
Je schrijft: wat je ook aanraakt, overal zijn er muren. Waar heb je gestoten?
Kort daarop tekent Olga Knipper een contract van drie jaar met het Kunsttheater. De man die het theater mede financierde, Savva Morozov (1852-1905), zakenman en kunstsponsor, geeft er aandelen van uit en vraagt een aantal acteurs die te kopen voor 3000 roebel. Knipper doet dat en probeert Tsjechov daar ook toe over te halen, maar die vindt dat hij dat als schrijver eigenlijk niet kan doen. Bovendien heeft hij kritiek op het feit dat sommige acteurs die kans niet krijgen. Tsjechov moet vervolgens Stanislavski gerust stellen dat hij het Kunsttheater desondanks zeer toegenegen is. Maar Sanin en de algemeen als zeer getalenteerd beschouwde Meyerhold wordt niets gevraagd; ze verlaten binnen een jaar het theater en Sanin loopt over naar het Petersburgse Alexandrinski, al is het denkbaar dat daarbij ook artistieke opvattingen een rol speelden, zo schrijft de precieze Simmons weer. En dat is ook echt zo, want binnen het Kunsttheater staat er al een tijdje een stammenstrijd op het punt van uitbreken, waarbij Gorki's komst naar ik vermoed geen onbelangrijke rol speelt, maar misschien ook gewoon de roerige stemming in Rusland en aan de Moskouse universiteit. Een groep, onder wie nota bene de rijkaard Morozov, wilde vooral maatschappelijk betrokken toneel, een andere, met Nemirovitsj, een wat artistieker theater. Maar Meyerhold en Sanin waren beiden ook joods, ik zeg het er maar even bij, en Morozov was trouwens een oudgelovige, want zowel Simmons als Rayfield zwijgt daarover. Ik vermoed dat dat ook een rol heeft gespeeld. Tsjechov koopt uiteindelijk toch zijn aandeel en financieel hoeft hij daar geen spijt van te hebben, zo blijkt al gauw. Maar de manier waarop zint hem dus niets en hij lijkt het vooral te doen uit solidariteit. Soevorin biedt Olga trouwens 1000 roebel per maand, maar ze zwicht niet. Knipper zit vast aan het Kunsttheater. Ze verdient nu 3000 roebel per jaar.

AAN O. L. KNIPPER

10 februari [Jalta, 1902]
[...] Nemirovitsj heb ik geschreven dat het theater als naamloze vennootschap een goede zaak is, maar dat de statuten geen jota waard zijn. Waarom zijn Stachovitsj en ik aandeelhouders, en Meyerhold, Sanin en Rajevskaja niet. Het zijn hier niet de namen die er toe doen, maar de regels. Je moet vastleggen dat iedereen aandeelhouder wordt, die minstens drie of vijf jaar meegewerkt heeft, of iedereen wiens salaris zo en zo hoog is. Ik herhaal: het zijn niet de namen die ertoe doen, maar de regels, anders gaat het helemaal mis.[...]
Pas op 22 februari 1902 komt Olga in Jalta aan. Ze brengen er getweeën vijf dagen door, want er is verder niemand. Daarna gaat ze naar Sint-Petersburg om op te treden. Op de weg erheen is ze flink ziek en een medereiziger denkt dat ze in verwachting is. Dat zal een juiste diagnose blijken. Eenmaal in Petersburg voor een gastoptreden van het Kunsttheater krijgt ze enthousiaste kritieken in Novoje Vremja, maar de auteur ervan is Misja Tsjechov, wat Olga enigszins in verlegenheid brengt. Misja, die Tsjechovs advies niet voor Soevorin te gaan werken dus in de wind heeft geslagen, heeft overigens een grondige hekel aan Olga. Als hij een keer in haar kleedkamer komt, zit ze daar met Nemirovitsj en wordt hij naar zijn idee onheus bejegend. Maar ik vermoed dat er ook tussen Tsjechov zelf en Misja een zekere verwijdering heeft plaatsgevonden. Het is Ivan die in het testament meer krijgt dan de andere broers. In een stuk van Gorki, waarbij Knipper veel trappen op en af moet, in het Nederlands door Marko Fondse vertaald als Kleine luiden, stort ze in. De artsen bevrijden haar dezelfde nacht van een embryo van anderhalve maand. De volgende dag, op 31 maart 1902, brengt ze Tsjechov op de hoogte. Tsjechov, die zelf genoeg ervaring had als arts, moet daar zeer over verbaasd geweest zijn. Olga had vijf weken eerder zeven nachten met hem doorgebracht, aan het einde van haar cyclus bovendien. Rayfield, die veel aandacht aan de kwestie besteedt, meent dat wat er is gebeurd veel meer leek op een ectopische zwangerschap en die kan starten tussen 8 en 12 weken na bevruchting. Een ectopische zwangerschap is er éen met een abnormale ligging. En als dat klopte, schrijft Rayfield, moet de bevruchting hebben plaatsgevonden over een afstand van meer dan 1000 kilometer. Met andere woorden: dan had Knipper het bed met een ander gedeeld. Is op de vorige foto te zien dat Knipper in verwachting is? Anderzijds is bekend dat de miskraam het begin is van een tamelijk moeizame periode voor Olga, waarin ze langdurig ziek zal zijn, zodat er misschien ook iets anders aan de hand is.

139 Anton Tsjechov Jalta, 1901. Ook op deze foto is goed te zien hoe sterk Tsjechov is afgevallen. Bron: Urban 1987 nr. 665

Tsjechov, Jalta, 1901

140 Als Olga in februari nog gezond en wel in Jalta is, hoort Tsjechov dat Gorki, net als eerder hijzelf, is gekozen tot lid van de Academie van Wetenschappen, afdeling literatuur, met negen tegen drie stemmen. Tsjechov zal verbaasd geweest zijn, want zelf had hij Gorki niet voorgedragen, aldus de schrijver in een brief. Bekend is ook wie hij wel voordroeg. De voorzitter van het commissie is trouwens een neef van de tsaar. Maar als die hoort wat zijn familielid heeft bekokstoofd, verklaart hij de verkiezing ongeldig. De commissie meldt twee weken later dat ze niet op de hoogte was van Gorki's strafblad en verklaart op 10 maart 1902 Gorki's verkiezing ongeldig. Er ontstaat een nationaal schandaal. Koeprin legt onmiddellijk zijn functie neer en vraagt Tsjechov dat ook te doen. Na lang aarzelen - want hij heeft een hekel aan dat soort gebaren - doet Tsjechov hetzelfde, maar pas zes maanden later. Eerder al weigert Tolstoj een door Korolenko geredigeerde protestbrief te ondertekenen. Tsjechov geeft in een brief van 19 april 1902 weer hoe Tolstoj reageert wanneer hij er tegen hem over wil beginnen. Tolstoj zei: Ik beschouw me niet als lid van de Academie - en [hij] verdiepte zich in zijn boek. Tsjechov schrijft pas in augustus 1902 een beleefde brief, waaraan hij bovendien geen enkele ruchtbaarheid geeft. Als tal van schrijvers in de lente op de Krim aankomen, is de kwestie het belangrijkste onderwerp van gesprek. Een democratie is het tsaristisch bewind bepaald niet, maar wie zijn Russische geschiedenis een beetje kent, moet bij zichzelf wel noteren hoe groot het verschil is met de rode opvolgers, want onder dat bewind zou zoiets nooit gebeurd zijn; en als het gebeurd was zou zelfs Tsjechov het vermoedelijk niet hebben gewaagd een brief te sturen, hoe beleefd ook.

Olga komt na haar miskraam uit Petersburg verzwakt naar Jalta. Ze arriveert op 14 april op een brancard. De sfeer is blijkbaar niet geweldig, want Masja en haar moeder verwijten Olga dat haar afgebroken zwangerschap het gevolg is van haar leefwijze. En dan hebben ze niet eens Rayfield gelezen. Tussen alles door telegrafeert Tsjechov op 7 mei ook nog naar Parijs om toestemming te geven voor de vertaling van 4 van zijn verhalen voor de La Revue Blanche, een links Parijs kunsttijdschrijft. Hoe dan ook: gezien Olga's nog wankele gezondheid is het nauwelijks te verklaren dat Tsjechov en Olga al op 25 mei naar Moskou vertrekken. Het is overigens de laatste keer dat ze dat traject samen afleggen. Eerder al had Olga een nieuwe woning gehuurd, aan Neglinni Proezd, op de hoek van Zvonarksi pereulok, huis Gonetskaja. Daar moet Olga direct weer het bed houden, terwijl de theatervisite toestroomt. Op 1 juni, de nacht voor Pinksteren, is het plotseling crisis, als Olga middenin de nacht erg veel pijn heeft en voortdurend moet overgeven. Visjnevski weet een arts te regelen. Het wordt Strauch, een Moskouse gynaecoloog. Die adviseert een nieuwe operatie. De diagnose is peronitis, buikvliesontsteking. Dat moet Tsjechov bekend zijn voorgekomen. Maar hij beschouwt het ook als een geruststelling dat ze nu weten wat er aan de hand is. Aan een collega-arts schrijft hij dat de kwestie het gevolg is van een vrouwenkwaal. Ondertussen is ook Visnjevsi ziek geworden. Als zijn zus Tsjechov vraagt met Olga terug te keren naar Jalta, om haar daar te verplegen, laat Tsjechov - nogal kortaf - weten dat dat hij in elk geval tijdens de zomer niet meer naar Jalta gaat en dat hij de winter in het buitenland zal doorbrengen. Op 6 juni vraagt hij Masja om hem zijn spuugbakje, zijn hemdkragen en een lijstje met namen uit zijn bureau op te sturen, blijkbaar met het oog op het verblijf later in de zomer in Ljoebimovka, waar hij van plan is aan het werk te gaan. Dat lijstje is de eerste verwijzing naar Tsjechovs laatste toneelstuk, zijn Kersentuin dus. Olga noch Tsjechov wil dus terug naar Jalta. Blijkbaar is Olga het laatste verblijf erg slecht bevallen, maar haar gezondheidssituatie is er ook niet naar, al gaat het kort daarop wel beter met haar en blijkt een operatie niet nodig.

Zodra Olga's toestand het mogelijk maakt, vertrekt Tsjechov op 17 juni 1902 samen met Savva Morozov naar diens landgoed in Perm. Het kost alleen al vier dagen om er te komen, waarbij de route deels dezelfde is als tijdens zijn huwelijksreis. Hij komt dus de 21e aan, om weer op de 28e te vertrekken. Op 2 juli is hij weer in Moskou. Olga blijft achter, verpleegd door Visnjevski, de man die eerder Tsjechovs afscheidsdiner organiseerde bij zijn huwelijk (waar hij vervolgens niet verscheen). Ik vind dat verblijf in Perm en het moment waarop het plaats vindt, erg verrassend. Tsjechov had een hekel aan het soort rijkaard dat Morozov was. En dat hij eerder ook laten blijken, toen Levitan er verbleef, buiten Moskou, en nog later in Nice, toen Morozov daar ook verscheen. Ook de weinige correspondentie tussen de twee verraadt nauwelijks hartelijkheid. Ik vermoed dat Tsjechov noch in Jalta wilde zijn, waar Olga onheus was behandeld, noch bij Olga in Moskou. Dan maar Perm. En daar is het net zo erg als hij al had vermoed. Het valt hem op dat het met de fabrieksarbeiders beroerd is gesteld, ondanks alle mooie, soms zeer linkse woorden van Morozov.

140 Anton Tsjechov Jalta, 1901. Foto: Ivanitsjki. Bron: Urban 1987 nr. 670

Tsjechov, Jalta 1901

141 Op 2 juli 1902 is Tsjechov terug in Moskou. Stanislavski, die zelf met zijn vrouw in Franzensbad verblijft - nu Františkovy Lázně in Tsjechië - had Tsjechov en Olga uitgenodigd op het zomerverblijf van zijn moeder, buiten Moskou, in Ljoebimovka, aan de river de Kliazma, ten noordoosten van Moskou. Het is ruim, comfortabel en het ligt prachtig. Viznjevksi gaat mee. Olga is nog herstellende. Er wordt gewandeld en gevist en bezoek wordt buiten de deur gehouden. Tsjechov lijkt het er oprecht naar zijn zin te hebben. Aan de Stanislavski's schrijft hij:

AAN K. S. STANISLAVSKI

18 juli 1902 [Ljoebimovka]
Beste Konstantin Sergejevitsj, vandaag kwam dokter Strauch naar Ljoebimovka en vond dat alles er prima uitzag. Hij verbood Olga maar éen ding - over slechte wegen te rijden, meer in het algemeen te veel beweging, maar deelname aan de repetities heeft hij haar, tot mijn grote genoegen, zonder beperkingen toegestaan; ze zou al op 10 augustus weer met haar werk in het theater kunnen beginnen. Naar Jalta te gaan heeft hij haar verboden. Ik ga daar alleen heen, in augustus, om weer half september terug te keren en dan tot december in Moskou te blijven.
In Ljoebimovka heb ik het enorm naar mijn zin. April en mei waren heel zwaar, maar nu word ik, om al het doorstane leed goed te maken, met gelukzaligheid overstroomd, want de rust, gezondheid, warmte en het plezier zijn zo groot dat ik me erover verbaas. Het weer is prachtig, de rivier is mooi en in het huis krijgen we te eten en slapen we als vorsten. Ik dank je duizendmaal, uit het diepste van mijn hart. Ik heb al heel lang niet meer zo'n zomer doorgebracht. Ik ga dagelijks vissen, soms wel vijf keer op éen dag, ze bijten goed (gisteren aten we vissoep van baars) en het is zo heerlijk om aan de waterkant te zitten dat ik er niet over uit kan. In éen woord: het is allemaal prachtig. Alleen éen ding is minder goed: ik ben lui en doe niks. Aan het stuk [De kersentuin] ben ik nog niet begonnen, ik denk er nog over na. Het wordt vermoedelijk pas eind augustus dat ik eraan begin. Olga laat u hartelijk groeten. Visjnevski eveneens. Groet u Maria Petrovna en de kinderen van me. Blijf gezond en opgewekt, verzamel kracht en energie. Ik druk u de hand. Uw A. Tsjechov
Tsjechov slaapt veel in Ljoebimovka en denkt na over een nieuw toneelstuk, zijn Kersentuin, waarvan hij zich door Masja een blad heeft laten opsturen uit Jalta. Olga wordt gezond verklaard en mag twee weken later weer aan het werk. Tsjechov zelf besluit dan naar Jalta te gaan, terwijl hij weet dat Olga nog niet mag reizen. Die is bepaald niet ingenomen met het idee en het heeft vervolgens duidelijk tot ergernis geleid, zoals misschien eerder ook al zijn verblijf in Perm. Ik vermoed ook dat we hier moeten denken aan wat Tsjechov op 23 maart 1895 schreef aan Soevorin: Ik beloof een geweldige echtgenoot te zijn, maar geef me een vrouw die niet, als de maan, elke dag weer aan mijn hemel verschijnt. En inmiddels verscheen Olga al een maand lang elke dag aan zijn hemel. Maar die laat het er, vrouw dat ze is, niet bij zitten. Ze geeft Tsjechov een brief mee voor Masja. Die heeft in Jalta ook geen gelukkige tijd achter de rug. Ze is in Moskou met Boenin uit geweest en daarna in Jalta, maar die, net gescheiden van zijn eerste vrouw, heeft blijkbaar een aantal avonturen, waarbij Masja maar éen van de kandidaten is. En een niet-adellijk exemplaar bovendien. Als Masja Olga's brief leest, blijkt dat ze haar ervan verdenkt dat ze haar broer heeft gevraagd alleen te komen. Olga vermoedt een soort complot en voelt zich buiten gesloten. Rayfield meent dat Masja de brief in kwestie heeft vernietigd. Tsjechov berispt haar er in elk geval om en zegt dat haar klachten ongegrond zijn, terwijl hij er zich tegelijk voor moet excuseren dat hij weet wat er in de brief staat. Als hij in een latere brief uitlegt dat hij eigenlijk is weggegaan omdat hij weer bloed opgaf, verwijt ze hem dat hij dingen voor haar achterhoudt. Van Masja ontbreken alle brieven uit deze periode. De kwestie is de eerste serieuze ruzie van het stel. Het leidt tot een bijzonder moeizame, weken durende briefwisseling, waaruit ik een aantal exemplaren hier deels of geheel geef. Tsjechov schrijft na aankomt in Jalta aan Olga, die nog op het landgoed van de Stanislavski's verblijft, in Ljoebimovka. In augustus schrijft hij ook nog een brief aan de president van de Academie van Wetenschappen, A. N. Vezelovski. Een kopie ervan stuurt hij naar Korolenko.

AAN O. L. KNIPPER

17 augustus [Jalta, 1902]
Eindelijk ben ik thuis, mijn hartje. De reis is goed verlopen, het was rustig, alhoewel erg stoffig. Op de boot ontmoette ik veel bekenden, de zee was kalm. Thuis was men erg blij met mijn komst, heeft naar jou gevraagd en ergerde zich erover dat je niet meegekomen was. Maar toen ik Masja jouw brief gegeven had en toen ze hem gelezen had, viel er een stilte en werd moeder verdrietig. Vandaag hebben ze me de brief te lezen gegeven en ik was nogal ontsteld. Waarom die verwijten aan Masja? Ik zweer je, op mijn erewoord, toen moeder en Masja mij naar Jalta uitnodigden, was dat niet alleen voor mij bedoeld, maar ook voor jou. Je brief is heel, heel onrechtvaardig, maar wat geschreven is kun je met geen geweld meer ongedaan maken; die blijft geschreven. Ik herhaal het nog eens: ik zweer je dat moeder en Masja ons samen hebben uitgenodigd - en nooit mij alleen en ze hebben zich bovendien tegenover jou altijd vriendelijk en hartelijk gedragen. Ik kom gauw terug naar Moskou, hier blijf ik niet, hoewel het nu erg mooi is. Het stuk zal ik niet schrijven.
Gisteravond, toen ik hier helemaal met stof bedekt aankwam, heb ik me lang gewassen, zoals je me had gezegd, nek, oren, borst. Ik heb mijn jacquet aangedaan en mijn witte vest. Nu lees ik de kranten die zich hier hebben opgehoopt. Daar kan ik drie dagen mee toe.
Moeder smeekt me een stuk grond in de omgeving van Moskou te kopen. Maar ik reageer niet, want de sfeer is beroerd, ik wacht tot morgen.
Ik kus en omarm je, blijf gezond, pas op jezelf. Groet Elizabeta Vasilsjeva [Stanislavski's moeder] Schrijf vaak. Je Ant.

AAN A.N. VEZELOVSKI

25 augustus 1902, Jalta
Uwe keizerlijke hoogheid. In december van het afgelopen jaar ontving ik de mededeling dat A.M. Pesjkov [Maksim Gorki] was benoemd tot erelid van de Academie van Wetenschappen; ik aarzelde dan ook niet A.M. Pesjkov, die zich toentertijd aan de Krim bevond, op te zoeken om hem als eerste het bericht van zijn benoeming over te brengen en hem daarmee te feliciteren. Enige tijd later werd in de kranten medegedeeld dat, in acht genomen het feit dat Pesjkov volgens artikel 1035 onder verdenking stond, zijn benoeming ongeldig werd verklaard; waarbij er overigens op werd gewezen dat deze mededeling uitging van de Academie van Wetenschappen, waar ik zelf erelid van ben, zodat die mededeling mede namens mij werd gedaan. Ik heb naar nu blijkt zowel mijn gelukwensen overgebracht, als de benoeming ongeldig verklaard - deze tegenstijdigheden kon ik voor mijzelf niet met elkaar verenigen. Kennisneming van artikel 1035 verschafte mij geen opheldering. Derhalve ben ik na rijp beraad tot een moeilijke en bedroevende conclusie gekomen, namelijk u het verzoek te doen mij te ontheffen van mijn erelidmaatschap.

AAN O. L. KNIPPER

27 augustus [Jalta, 1902]
Mijn hartje, mijn stekelbaars, na lang wachten heb ik eindelijk weer een brief van je gekregen. Ik leef stilletjes wat voor me uit, ga de stad niet in, converseer met mijn bezoekers en schrijf soms een beetje. Het stuk zal ik dit jaar niet schrijven, mijn hoofd staat er niet naar en als ik iets voor het toneel zou schrijven, zou het een komedie worden, iets in éen akte.
Je brief heeft Masja niet aan mij gegeven, ik vond hem op tafel van moeder, heb hem automatisch gepakt en gelezen - en begreep toen pas waarom Masja opeens zo geërgerd was. De brief is verschrikkelijk grof en voor alles onrechtvaardig; natuurlijk heb ik de stemming begrepen waarin je verkeerde toen je hem schreef, die snap ik wel. Maar ook je brief daarna is op de een of andere manier raar, en ik begrijp werkelijk niet wat er met je aan de hand is en wat er in je hoofd omgaat, hartje. Je schrijft: en het was vreemd jou in het zuiden uit te nodigen terwijl ze wisten dat ik ziek was. Daaruit wordt duidelijk de wens mij niet als een zieke te beschouwen... Wie heeft die wens geuit? Wanneer ben ik in het zuiden uitgenodigd? Ik heb je toch gezworen dat ze mij alleen, zonder jou, nog nooit hebben uitgenodigd. Zo gaat het niet, hartje, je moet ervoor waken onrechtvaardig te zijn. Je moet waar het om eerlijkheid gaat zuiver zijn, volkomen zuiver, eens te meer waar je een goede, heel goede vrouw bent en dat moet kunnen begrijpen. Hartje, vergeef me deze opmerkingen, ik zal het nooit meer doen, want ik ben er bang voor... [...]
Uit je brief komt me koelte tegemoet en desondanks dring ik je mijn tederheden op en denk eindeloos aan je. Ik kus je een miljard keer, omarm je. Schrijf me vaker, mijn hartje, vaker dan éen keer per vijf dagen. Ik ben per slot van rekening je man. Verlaat me niet zo snel, zonder dat we geleefd hebben zoals het hoort, zonder een jongetje of een meisje te hebben voortgebracht. Daarna kun je doen wat je wilt. Ik kus je nog éen keer. Je A.

AAN O. L. KNIPPER

29 augustus [Jalta, 1902]
Mijn lieve eega, actrice, mijn hond, wees gegroet! Je wilt antwoord op vragen die je in je eerdere brief stelde. Nou, hier dan. Ja, de bezoekers deprimeren me nu al. Gisteren bijvoorbeeld kwamen ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat - soms zo maar, soms voor zaken. Je schrijft dat al ik er in werkelijkheid blij mee ben, dat ik koketteer als ik zeg dat het me woedend maakt. Ik weet niet of ik koketteer, maar werken kan ik niet en de gesprekken, vooral met onbekenden, putten me uit. Je schrijft: ik ben blij dat het je in Jalta zo bevalt en dat je het naar je zin hebt. Wie heeft je geschreven dat ik het hier zo naar mijn zin heb? Waarom wil je weten wat Altschuler heeft gezegd? Die is vaak bij me. Hij wilde me ausculteren, stond erop, maar ik heb geweigerd. Mijn stemming? Heel goed. Mijn gezondheid? Gisteren was die ellendig, ik heb Hoeniadi [Hoeniadi Janos, bitterwater, laxeermiddel] ingenomen en nu is het in orde. Meestal hoest ik hier meer dan in het noorden. De reis heb ik goed doorstaan, het was alleen heet en stoffig. Word jij oud en grijs? Dat komt door je slechte karakter, omdat je je man niet genoeg waardeert en niet genoeg van hem houdt. Ik slaap zoals gewoonlijk, dat wil zeggen heel goed, beter hoeft niet. [...] Het is heet. Ik drink als een gek Narzan. [een mineraalwater, waarvan we weten dat Tsjechov het eigenlijk niet lustte, maar waarvan Olga wilde dat hij het dronk] Ik pak mijn hond bij de staart, zwaai er een paar keer mee in het rond, aai haar en liefkoos haar dan. Blijf gezond, mijn kind, moge de schepper je behoeden. Als je Gorki tijdens de repetities [van Nachtasyl] ziet, feliciteer hem dan - en zeg - maar alleen tegen hem - dat ik geen lid van de Academie meer ben en dat ik een verklaring heb gestuurd. Maar echt alleen tegen hem en verder tegen niemand. [...]

AAN O. L. KNIPPER

1 september [Jalta, 1902]
Mijn lief, mijn beste, daar kreeg ik al weer zo'n merkwaardige brief van je. En weer overlaad je me met alle mogelijke verwijten. Wie heeft je gezegd dat ik niet meer terugkom naar Moskou, dat ik voorgoed ben weggegaan en deze herfst niet meer terugkom? Ik heb je toch geschreven, in helder en goed Russisch, dat ik beslist in september terugkom en dat we dan tot december samen zullen wonen. Heb ik dat niet geschreven dan? Je beticht me van onoprechtheid en ondertussen vergeet je alles wat ik je zeg en schrijf. Je schrijft dat je zit te trillen terwijl je mijn brieven leest en dat het tijd wordt dat we uit elkaar gaan, dat er blijkbaar iets is wat je niet goed begrijpt... Ik krijg de indruk, hartje, dat aan deze warboel geen van ons tweeën schuldig is, maar iemand anders, met wie je hebt gesproken. Iemand heeft je argwanend gemaakt jegens hetgeen ik schrijf, jegens mijn drijfveren, alles komt je verdacht voor - en daartegen kan ik me niet verweren, echt niet. En jou op andere gedachten brengen en je van mening doen veranderen, dat kan ik evenmin, want dat is zinloos. Jij schrijft dat ik in staat zou zijn met je te leven en al die tijd mijn mond niet open te doen, dat ik je alleen maar nodig heb als een aangenaam soort vrouw, terwijl jijzelf, als mens, me vreemd bent en eenzaam blijft .. Lief, dierbaar hartje van me, je bent toch mijn vrouw, begrijp dat toch! Je bent het wezen dat me het dierbaarst is en het naast staat, ik hield en houd nog steeds eindeloos van je, en dan krabbel jij iets bij elkaar als aangenaam vrouwengezelschap, die me vreemd is en eenzaam blijft... Nou ja, God moge je bijstaan, wat je wilt...
Met mijn gezondheid gaat het beter, maar ik hoest als een wilde. Het regent niet, het is heet. Masja gaat de vierde [september] weg, en is de 6e in Moskou. Je schrijft dat ik Masja je brieven laat lezen; bedankt voor het vertrouwen. À propos, Masja treft echt geen blaam, daarvan hoop ik je vroeg of laat te overtuigen. [...] Tot weerziens, blijf gezond en vrolijk. Schrijf me beslist elke dag. Ik kus je, popje en omarm je. Je A.

Pas in september sluiten Olga Knipper en Tsjechov weer vrede. Dat neemt niet weg dat hij niet, zoals beloofd, in die maand, maar pas in oktober naar Moskou gaat, terwijl hij van plan is aansluitend naar het buitenland te vertrekken, waarbij het met regelmaat over Nervi heeft (in Italië dus). En ook niet dat hij op 9 september weer haar verjaardag vergeet, zoals hij dat het jaar ervoor had gedaan, terwijl hij er toch nog zo naar had geïnformeerd. Een paar dagen eerder al is Masja naar Moskou gereisd om zich bij haar schoonzus te voegen en weer aan het werk te gaan. Olga zoekt ondertussen naar een geschikte plek buiten Moskou om samen te wonen, maar veel zal daarvan niet terecht komen. Tsjechov herziet, voordat hij toch weer naar Moskou gaat, in de gauwigheid zijn Over de schadelijkheid van tabak en stuurt het naar Marks voor de verzamelde uitgave. Aan Stanislavski laat hij weten dat hij voor meer geen energie heeft. Op 18 september schrijft hij Olga: Vandaag ben ik bedroefd. Zola is gestorven. Dat kwam onverwachts en op de een of andere manier ook ongelegen. Als schrijver bewonderde ik hem niet, maar vanaf het moment dat in de laatste jaren de Dreyfusaffaire zoveel opzien baarde, ben ik hem hogelijk gaan waarderen. Van de familieleden hoort hij maar weinig meer in deze tijd. Wel komt Soevorin plotseling een keer op bezoek. Opmerkelijk genoeg gaat Tsjechov uit zichzelf naar een plaatselijke journalist, omdat hij een kritisch artikel vreest. Hij legt de man bijvoorbaat uit dat er ook genoeg redenen zijn om Soevorin te prijzen, zeker waar het om culturele zaken gaat. Als hij op 14 oktober 1902 in Moskou aankomt, heeft hij zijn op éen na laatste verhaal bij zich: De bisschop. Hij zal er nog lang aan blijven tobben, terwijl hij het in oorsprong deels vermoedelijk nog had liggen. Het schrijven van verhalen kost hem steeds meer moeite. Hij zal hierna alleen nog Verloofd schrijven. Masja gaat vanuit Moskou naar Petersburg en de moeder doet dat vanuit Jalta. Blijkbaar vindt ze het geen goed idee met iedereen samen in Moskou te zijn. Tsjechov zelf vertrekt op 12 oktober 1902 naar Moskou

141 Anton Tsjechov in de tuin bij zijn huis in Aoetka, 1902. Bron: Urban 1987 nr. 633

Tsjechov in de tuin bij zijn huis in Aoetka, 1902

142 Tsjechov is op 15 oktober 1902 in Moskou, eigenlijk een maand later dan hij van plan was geweest. Daar zoekt hij een masseur op. Blijkbaar heeft de tbc nu zijn beendergestel aangetast. Een maand lang verblijft hij bij Olga, nog steeds aan Neglinni Proezd, zonder veel buiten te komen uit angst voor een verkoudheid. Boenin komt langs, en later verschijnen ook Gorki, Soevorin, en Mensjikov. Wel bezoekt hij al gauw het nieuwe gebouw van het Kunsttheater, het oude Liazonov-theater, dat door Morozov voor 300.000 roebel was gekocht, inmiddels door Schechtel was omgebouwd, waarna die het aan de naamloze vennootschap verhuurde voor 30.000 per jaar. Tsjechov is erover te spreken, zonder goedkope, al te zeer in het oog springende luxe, zo schrijft hij. Wel is zowel Meyerhold als Sanin inmiddels verdwenen. Meyerhold was al in februari naar Sebastopol gegaan, Sanin naar het Aleksandratheater in Petersburg (het huidige Mariinski). Olga spoort hem aan aan zijn toneelstuk te schrijven voor het seizoen 1902-1903 van het Kunsttheater, zijn Kersentuin, maar erg lukken doet het niet. Tsjechovs creatieve drang is de laatste jaren sterk afgenomen, dat is duidelijk. Hij levert met regelmaat commentaar op essays die over hem geschreven worden, bijna altijd negatief. Als Marks hem een stuk stuurt van ene Ettinger, getiteld Gedachten en ideeën van Anton P. Tsjechov, dat bedoeld is om te worden opgenomen in zijn tijdschrijft, Niva, en trouwens tegelijkertijd aandringt op een ooit beloofd verhaal van Tsjechov, maakt hij weinig omhaal. Marks op zijn beurt zal nog geen drie maanden later Tsjechovs complete werk cadeau doen aan de 250.000 abonnees van zijn tijdschrift. Maar het lijkt geen toeval dat Marks het onmiddellijk na de ontvangst van Tsjechovs brief laat weten, op 29 oktober namelijk.

AAN A. F. MARKS

23 oktober [Moskou, 1902]
Geachte Adolf Fejedorovitsj, ik heb er niets op tegen als u aankondigt dat er in het jaar 1903 in Niva een verhaal van mij gepubliceerd zal worden, want ik zal graag aan uw tijdschrift meewerken en zal u het verhaal beslist sturen, als mijn ziekte me dat niet onmogelijk maakt.
Wat dhr. Ettinger betreft, zijn Overpeinzingen en ideeën zijn absoluut infantiel, het is zelfs niet mogelijk het er serieus over te hebben. Bovendien zijn die overpeinzingen en ideeën niet die van mij, maar van mijn helden, en als het een of andere personage in een verhaal of stuk van me zegt, dat men moet moorden en stelen, betekent dat nog niet dat dhr. Ettinger het recht heeft mij te beschouwen als een verkondiger van moord en diefstal. Het manuscript van dhr. Ettinger stuur ik u terug. Staat u me toe, u al het goede te wensen en hoogachtend te verblijven, de u toegewijde A. Tsjechov
Op 27 november 1902 al keert Tsjechov alleen terug naar Jalta, om daar vijf tamelijk eenzame maanden door te brengen. Zijn verblijf in Moskou heeft zodoende erg kort geduurd en ik vermoed dat Tsjechov vond dat hij er niet onderuit kon om Olga op die manier gerust te stellen, al is het de vraag of dat gelukt was. Hij schrijft haar nu zelfs onderweg op de terugreis, uit Toela, een briefje. In het Middellandse Zee gebied heerst er cholera en Odessa wordt een quarantainehaven, zodat het zeeverkeer beperkt is. De winter in het buitenland doorbrengen wordt zo onmogelijk, iets wat hij blijbaar in gedachten had. In Moskou is Gorki 's nieuwe stuk, Nachtasiel, een schandaalsucces. Visnjevski, vriend van Tsjechov en accountant van het theater, heeft het over 75.000 roebel inkomsten. Maar er wordt ook steeds duidelijker zichtbaar dat er bezig is een scheuring te ontstaan in het Kunsttheater. Sanin was - ik schreef het al - weg naar Petersburg, Meyerhold naar Sebastopol en binnen het theater wil éen groep linkse revolutionaire kunst: Savva Timofejevitsj Morozov (1862-1905), zelf miljonair nota bene en de door Knipper zo vaak gesmade Andrejeva, terwijl een andere groep (Olga Knipper en Nemirovitsj-Dantsjenko) literair theater willen, zoals dat van Tsjechov dus. In Petersburg, waar zijn eigen Meeuw door het (keizerlijke) Aleksandrinski weer in het programma is opgenomen, heeft zijn stuk voor het eerst ook succes. Een zeer lovende recensie ervan wordt geschreven door Sergej Pavlovitsj Djagilev (1872-1929), de man van het latere Ballets Russes, die hij een paar maanden eerder in Moskou had leren kennen. Als Olga zich in de cultuur wil storten, maakt Tsjechov bezwaar.

AAN O. L. KNIPPER

17 december [Jalta, 1902]
Actrice van me, wees gegroet. Je laatste twee brieven staan in mineur: in de ene is er molanchelie, in de andere hoofdpijn. Je moet niet naar de voordracht van Ignatov gaan. Ignatov is een ongetalenteerde, conservatieve man, ook al denkt hijzelf dat hij een kritisch en liberaal mens is. Het theater bevordert de passiviteit! En de schilderkunst dan? En de poëzie? De toeschouwer die die naar een schilderij kijkt, of degene die een roman leest, kan toch net zo min van zijn sympathie of tegenzin blijk geven tegenover hetgeen hij ziet of leest? Leve het licht, weg met de duisternis! Dat is toch gewoon bekrompen gehuichel van iedereen die achterblijft, van degenen die niet over smaak beschikken, van de zwakken. Bazjenov is een charlatan, ik ken hem al lang, en Boborikin is een verbitterde oude man. Als je niet naar de Kring wilt en naar de Telesjovs, doe het dan gewoon niet, hartje. Telesjov is een aardige man, maar hij heeft de geest van een koopman en een conservatief, je verveelt je bij hem; in het algemeen valt er bij al diegenen die iets met literatuur te maken hebben, weinig te beleven, een enkele uitzondering daargelaten. Hoe achterhaald en hoe oud al die Moskouse literaten, de jonge zowel als de oude, geworden zijn, zul je pas inzien zodra de houding van die heren tegenover de kettterijen van het Kunsttheater aan het licht is gekomen, over een jaar of twee, drie. [...]

AAN A. S. SOEVORIN

22 december [Jalta, 1902]
Ik ben niet helemaal gezond, met wie ziek is, is het hier trouwens toch beroerd gesteld; het is al heel slecht weer hier in Jalta, gewoon afschuwelijk. Of het regent, of er staat hevige wind en sinds ik weer in Jalta ben, heeft de zon hier nog maar éen dag geschenen. Vandaag kwam het bericht: Gorki's Nachtasiel daverend succes, werd geweldig gespeeld. Ik kom maar zelden in het Kunsttheater, maar ik geloof dat u de rol van Stanislavski als regisseur overdrijft. Het is een heel gewoon gezelschap en er wordt heel normaal gewerkt, zoals overal, maar de spelers zijn intelligente, heel behoorlijke mensen; ze lopen weliswaar niet over van talent, maar ze doen moeite, hebben liefde voor de zaak en ze leren hun rollen. Als er veel is wat geen succes heeft, komt dat doordat het stuk niet deugt, of doordat het de spelers ontbreekt aan energie. Daar heeft Stanislavski echt niets mee te maken. U schrijft dat hij alle talenten van het podium jaagt, maar sinds het theater bestaat, is er toch geen enkel ook maar enigszins getalenteerd mens vertrokken?
U schrijft: beste kerel, waarom bent u weggekropen in een kringetje van acteurs en neo-schrijvers? Verstopt heb ik me in Jalta, in dat ellendige provinciestadje en dat is mijn hele ongeluk. [...]
Kort voort kerst komt Masja naar Jalta, om twee weken later weer te vertrekken. Met Tsjechovs gezondheid is het weer mis. In december deelt hij mee dat hij weer aan een verhaal schrijft: Ik schrijf aan een verhaal, maar het wordt zo verschrikkelijk dat ik zelfs Leonid Andrejev in mijn zak steek. Leonid Andrejev (1871-1919) was een toen beroemd en als zeer pessimistisch bekend staand schrijver. Tsjechovs verhaal in kwestie was vermoedelijk, zo vermeldt Urban, zijn onvoltooid gebleven Brief. Er resteert alleen fragment van, dat (uiteraard) nooit in het Nederlands is vertaald. Tegelijkertijd belooft hij eind december Miroljoebov binnenkort zijn Verloofde op te sturen, ook al een verhaal waaraan hij lang heeft getobd. Maar hij zal het pas in februari afhebben.

142 Anton Tsjechov in de werkkamer van huis in Aoetka, 1903. Foto: Aleksandr Ivanovitsj Koeprin (1870-1938). Aan de muur boven hem hangt een foto van zijn moeder. Bron: Urban 1987 nr. 672

Tsjechov in de werkkamer van zijn huis in Aoetka, 1903

143 Vrienden die Tsjechov zien in de winter van 1902 op 1903 zijn ontzet over zijn fysieke aftakeling. Het komt me voor dat dat op de foto's die zijn genomen tijdens de laatste levensjaren ook te zien is. Hij valt enorm af, zijn gezicht is asgrauw en hij wordt grijs. Hij is bij het minste of geringste moe en zijn hart is duidelijk zwakker geworden. Verder dan zijn tuin komt hij meestal niet meer. Als hij na maanden weer eens naar Jalta kan, vindt hij dat in een brief aan Olga het opmerken waard. In zijn omgeving zijn er veel die beseffen dat hij het niet lang meer maakt. In de brieven die hij met Olga wisselt, neemt zijn medische behandeling een steeds belangrijker plaats in, iets waar hij zich wel eens zorgen over maakt. Krijg je geen genoeg van mijn medisch geschrijf? vraagt hij dan. Maar Olga tobt er juist over dat ze, terwijl het zo slecht met hem gaat, niet bij hem is. Hij schrijft: Ik wist dat ik trouwde met een actrice. Vrienden bezoeken hem 's winters: Gorki, Boenin, Koeprin, Miroljoebov, Fjodorov. Als er eens voorzichtige kritiek wordt geuit op zijn huwelijk, verdedigt hij Olga met hand en tand. Ik kon toch niet eisen dat ze het toneel opgaf. Wat moet ze hier in Jalta? In de vroege lente mag hij weer naar buiten en gaat het ook wat beter met hem. Vaak zit hij alleen maar in de tuin op de bank waar hij zo op is gesteld. Het is geen toeval dat bijna alle late foto's in die tuin zijn genomen, want verder kwam hij nauwelijks nog. Hij voelt zich in Jalta een gevangene, een balling: mijn warm Siberië.

Toch maakt hij voortdurend reisplannen. Het idee in de buurt van Moskou een stuk grond te kopen of een huis te huren, om er met Olga te verblijven en daarna met haar in juni naar Zwitersland te gaan, komt met regelmaat ter sprake. Olga zal er nog naar op zoek gaan en hem op de hoogte houden van de resultaten. Er komt uiteindelijk niets van. Maar in maart heeft hij een longontsteking en diarree. Een probleem is ook dat de artsen het niet eens zijn over de behandeling. Terwijl in Moskou Ostroemov Tsjechof het advies gaf het noorden als verblijfplaats te kiezen, verbiedt Altschuler hem te reizen en raadt hem in Jalta te blijven. Hij smeekt Olga te komen, maar die moet voor een gastoptreden van het Kunsttheater naar Petersburg. Het schrijven valt hem steeds moeilijker. Hij werkt nog steeds aan zijn Verloofde, maar, schrijft hij, verder dan vijf zes regels per dag kom ik niet. Ook al vindt Simmons het een meesterwerk, het lijkt me dat de zo moeizame ontstaansgeschiedenis enigszins aan het verhaal is af te lezen. Hij heeft het af op 27 februari 1903 en doet er dan nog twee maanden over om de drukproeven in te leveren. Ongewoon is ook dat hij de drukproeven aan anderen laat lezen, zo aan Gorki. Blijkbaar is hij zelf niet overtuigd van de kwaliteit. En wat betreft het toneelstuk, schrijft hij aan Olga, nou ja, ik heb papier op tafel gelegd en er de titel op geschreven. Maar helemaal waar is dat vermoedelijk niet. Want al in de herfst van 1902 heeft hij er blijkbaar aantekeningen voor gemaakt. En het ligt voor de hand te denken dat hij het zinloos vond het er met Olga over te hebben, zolang hij niet echt gevorderd was, temeer daar hij wist dat Olga vermoedelijk iedereen in Moskou op de hoogte hield.

Hij lijkt nu dus echt begonnen aan zijn Kersentuin. De titel daarvoor had hij al, sinds hij aan het begin van het jaar had gehoord dat de koper van zijn Melichovo de kersenbomen had omgehakt. Als Olga hoort dat hij overweegt om het stuk, op een moment dat het nog niet eens bestaat, aan Petersburg te geven en éen van de rollen te laten doen door Kommissarsjevskaja, die hem in de zomer van 1902 nog had opgezocht en hem nu in januari 1903 een brief heeft geschreven met het verzoek zijn nieuwe stuk in Petersburg te mogen spelen, is ze in alle staten. Maar Tsjechov had het stuk alleen aangeboden als het Kunsttheater het niet zelf in Petersburg zou uitvoeren en hij was daar in zijn brief aan Kommissarsjevskaja open over geweest. Hij wilde eigenlijk van Olga weten of het Kunsttheater van plan was het in Petersburg uit te voeren. Ze zal een tijdlang niet op de vraag reageren, misschien omdat ze het antwoord zelf niet wist. Als vrienden hem Zwitserland aanraden, dat veel geschikter zou zijn dan de Krim, is Olga eventueel bereid met Pasen met hem daarheen te gaan. Ondertussen overweegt Olga met Masja naar een ander appartement te verhuizen, aan Petrovska. Tsjechov schrijft dat een paar trappen hem niets uitmaken. Daar zal hij nog anders over gaan denken.

AAN O. L. KNIPPER

23 februari [Jalta, 1903]
Lieve hond, als er bij Korovin [in Moskou, aan Petrovka] voor mij ook een kamer is, dwz. eentje waarin ik me kan verstoppen zonder iemand in de weg te lopen en waar ik kan werken, neem dan het huis van Korovin. Als het appartement op een hogere verdieping ligt, is dat niet erg, of in elk geval niet heel erg; dan beklim ik de trap op mijn gemak, zonder haast.
Ik schrijf je niets over de verhalen waaraan ik werk [een restant ervan is alleen als fragment over] omdat er niets nieuws of interessants aan is. Je schrijft het op, je leest het over en je ziet dat het allemaal al eens gedaan is, dat het al oud is, heel oud. Eigenlijk heb ik iets nieuws nodig, iets fris.
Ik heb geen grote kamer nodig, maar wel éen die warm is en waar ik niks van de Malkiels [bekenden van de Tsjechovs] hoor als ik niks van ze wil horen wil en waar ik evenmin hoeft te luisteren naar Visjnevski die borsjt eet.
Het is koel geworden. Ik ben een beetje ziek, hartje. Ik heb de hele nacht gehoest. Hoe is met de gezondheid van Misja's dochter?
Dus, mijn vrouwke, ik zegen je. De paspoorten regel jij, als ik het doe, levert dat alleen ergernis op. Tegen de jonge dames die voor hun studie naar het buitenland willen, zou ik het volgende willen zeggen. 1) Beëindig eerst je studie in Rusland, ga dan naar het buitenland, om je te verbeteren als je je aan de wetenschap wilt wijden; onze onderwijsinstellingen voor vrouwen, zoals de medische afdelingen, zijn uitstekend 2) spreek je vreemde talen? 3) de joden gaan noodgedwongen naar het buitenland om er te studeren, omdat ze onderdrukt worden, maar waarom gaan jullie?
Iemand zou die meisjes toch verstand moeten inpraten. Heel veel gaan alleen maar naar het buitenland omdat ze niet voor een studie geschikt zijn.
Schrijf me, vrouwke, geneer je niet. Je kunt me toch alles schrijven wat je wilt, want je bent mijn vrouw, mijn eega.
Ik krab aan je rug. Ik benijd je, beest! je bent in bad geweest. Je A.
Tot ieders verbazing en tot Gorki's woede zet Soevorins theater in Petersburg zijn Nachtasiel op het programma; in ruil daarvoor krijgt het Moskouse Kunsttheater zijn gebouw in Petersburg te leen voor een aantal voorstellingen. Ook Tsjechov is erdoor verbaasd, maar hij verdient er, vanwege het door hem gekochte aandeel, wel 3000 roebel aan en krijgt nog eens 2000 voor de voorstellingen in de provincie. Ik vind de brief die hij aan de acteur en regisseur Soembatov-Joezjin schrijft over Gorki bijzonder interessant. Tsjechov heeft op sommige zaken een scherpe kijk. Joezjin had laten weten dat hij Gorki's Kleine Luiden niks vond, maar enthousiast was over diens Nachtasiel. In allebei de gevallen ging het om toneelstukken.

AAN A. I. SOEMBATOV-JOEZJIN

26 februari 1903 [Jalta]
Beste Aleksandr Ivanovitjs, ik dank je voor je brief. Ik ben het met je eens dat het moeilijk oordelen is over Gorki, want je moet je eerst een weg zien te banen door alles wat er over hem geschreven en gezegd is. Zijn toneelstuk Nachtasiel heb ik niet gezien en ik ken het niet goed genoeg, maar alleen sommige verhalen al, zoals Mijn Reisgenoot of Tsjelkasj volstaan wat mij betreft om hem voor een niet al te onbeduidende schrijver te houden. Foma Gordejev en Het drietal zijn niet te lezen, dat is rommel, en zijn Kleine luiden is volgens mij gymnasiastenproza, maar Gorki's verdienste is niet zozeer dat hij wordt bewonderd, als dat hij domweg als eerste in Rusland en zelfs ter wereld vol verachting en afschuw van de bourgeoisie repte en dat precies op een moment deed dat de samenleving rijp was voor zo'n protest. Zowel van een christelijk als van een economisch standpunt bezien en eigenlijk vanuit elk standpunt, is de bourgeoisie [letterlijk: het kleinburgerdom] een groot kwaad en ze heeft, net als een dam in de rivier, alleen de stilstand gediend, en daar verschijnen opeens die Bosjaki (zij die op bastschoenen lopen, m.a.w: landlopers, zwervers). Ze zijn weliswaar niet erg elegant, ze zijn weliswaar dronken, maar ze zijn toch een betrouwbaar middel, in elk geval hebben ze zich als zodanig bewezen, en de dam heeft, al is hij niet doorbroken, toch een immens en gevaarlijk lek opgelopen. Ik weet niet of je me begrijpt. Naar mijn idee komt er een tijd dat Gorki's werk vergeten is, maar hijzelf helemaal niet, nog in geen duizend jaar. Zo denk ik erover, of zo lijkt het me in elk geval, maar misschien vergis ik me.
Ben je op dit moment in Moskou? Ben je niet naar Nice en Monte Carlo gegaan? Ik denk nog vaak aan onze jonge jaren, toen we naast elkaar roulette zaten te spelen. En ook Potapenko. Overigens kreeg ik van Potapenko een brief, die komische gast wil een tijdschrift gaan uitgeven. Ik druk je stevig de hand, blijf gezond en helder. Je A. Tsjechov

AAN O. L. KNIPPER

27 februari [Jalta, 1903]
Wees gegroet, actrice. Het weer is droefgeestig en donker, maar ik loop toch rond in de tuin en knip de rozen bij; ik zit net even, ik ben een beetje moe. Het is warm en aangenaam. Over het stuk [De kersentuin] schrijf ik je uitgebreider rond 10 maart, of het eind maart nu klaar is of niet. Ik ben Zwitserland niet vergeten, ik denk eraan, omdat ik ernaar verlang zo spoedig mogelijk weer samen te zijn. Mijn gezondheid is in orde.
Over de Steunpilaren [Henrik Ibsens stuk van 1877: Steunpilaren der samenleving] heb ik nog niets in de kranten gelezen, ik weet niets, maar naar je telegram te oordelen ben je niet helemaal tevreden. Als dat klopt, kan ik maar éen ding zeggen: heb er lak aan, hartje. Het is vastentijd, het is tijd om uit te rusten, te leven, en jullie zijn nog steeds op van de zenuwen, spant je enorm in, al weet niemand waarom. Het enige positieve is dat Visnjevski nog eens duizend roebel naar de bank kan brengen, maar wat doet die duizend er in 's hemelsnaam nog toe?
Ik herinner me dat toen het Kunsttheater begon, het de bedoeling was er geen acht op te slaan hoe hoog de inkomsten waren; Nemirovitsj zei, dat als een stuk het Theater beviel (niet het publiek, maat het Theater zelf) ze het 30-40 keer zouden spelen, ook als dat maar 20 roebel op een avond binnen bracht.
En nu mag ik dus een stuk schrijven en me de hele tijd afvragen of het, als het geen 1600 of 1580 roebel opbrengt, wel opgevoerd gaat worden, of alleen met tegenzin. [...]
Het is begin maart 1903. Tsjechov heeft inmiddels een longontsteking opgelopen en Altschuler verbiedt hem naar Moskou te gaan. Half maart laat hij weten dat hij goed vordert, maar twee weken later schrijft hij dat hij het stuk in Moskou wil afmaken omdat het in Jalta niet lukt. Aan Olga moet hij verschillende keren vragen om het nieuwe adres aan Petrovka. Door sommige biografen wordt daar wel wat achter gezocht. Sommigen menen dat Knipper Tsjechovs post - om wat voor reden ook - liever in het Kunsttheater ontving. Op 22 april vertrekt hij uit Jalta en op 24 april komt hij aan in Moskou, een dag nadat Olga terug is gekomen uit Petersburg. Het is er nog erg koud en de vijf trappen naar het appartement kosten hem grote moeite.

AAN A. S. SOEVORIN

25 april 1903 [Moskou]
Moskou, Petrovka, Huis Korovin
Wees zo goed en laat me weten:
1) wanneer u in Moskou bent of er op doorreis langskomt?
2) waarom Novoje Vremja de detailhandel is verboden?
In de winter was ik ziek; ik had pleuritis, hoestte. Nu is alles in orde, afgezien van de astma dan. De mijnen hebben een woning gehuurd op de derde etage, en de trappen ervan te beklimmen is voor mij een ware martelgang.
Aan Anna Ivanovna, Nastja en Borja de groeten. Blijf gezond en monter. Uw A. Tsjechov

In zijn essay over De kersentuin citeert Minkine de veelvuldige correspondentie over het nieuwe adres, aan Petrovka, dat zich in naam op de derde etage bevond, maar op wat tegenwoordig qua hoogte als een vijfde zou worden beschouwd. De zoon van de schrijver Vladimir Giljarovski (1855-1935) memoreert in zijn herinneringen hoe zijn vader, die bij Tsjechov op bezoek ging, hem een keer halverwege aantrof omdat hij niet verder kon. Tsjechov schrijft aan een vriend, Ivan Beloussov (1863-1930) dat hij hem graag zou uitnodigen, maar dat hij het niet aandurft hem de 25 trappen te laten bestijgen. Olga Knipper mocht dan wel tobben over de gezondheid van haar man, de keus voor het appartement was niet erg gelukkig. Minkine is niet dol op Knipper. Eigenlijk ken ik bijna niemand die dat wel is. Minkine citeert de brief waarin Tsjechov in november 1903 aan iemand anders schrijft dat hij sinds twee of drie jaar getrouwd is. Minkine schrijft dat een dergelijke opmerking begrijpelijk zou zijn van iemand die 30 huwelijk achter de rug heeft, maar niet van Tsjechov, wiens huwelijk zo recent was.

143 Anton Tsjechov, Moskou, 1904. Foto: A. E. Ovsjarenko. Bron: Urban 1987 nr. 679

Anton Tsjechov, Moskou 1904

144 Eind april 1903 wordt Tsjechov dus weer opgenomen in het Moskouse circuit. Hij stuurt boeken naar Taganrog, wordt gevraagd de redactie op zich te nemen van de literaire afdeling van Roesskaja Mysl en zegt erover na te zullen denken, wordt uitgenodigd bij de rechtbank te verschijnen na een klacht over Olga's hond Snap, die onder een rijtuig is gekomen, en krijgt van Tolstoj een foto met opdracht en een lijst met 30 verhalen die hij de beste van Tsjechov vindt, 15 eerste- en 15 tweederangs. Geen van beide groepen bevat ook maar éen van de beroemde verhalen, al deed het me erg veel deugd er éen op aan te treffen dat niet veel mensen zullen kennen, maar dat mij zeer bevalt (namelijk Een weerloze vrouw, zoals het bij Timmer nog heette). Tolstoj had de verhalen in een speciale uitgave voor hemzelf laten bundelen. Gorki en zijn vrienden proberen weer om Tsjechov zover te krijgen dat hij zijn contract bij Marks betwist. Ze hebben een advocaat in de arm genomen. Naar hun zeggen heeft Marks inmiddels 200.000 roebel aan Tsjechov verdiend. Maar Tsjechov blijft er sceptisch over, ook omdat hij gewoon vindt dat een contract een contract is. Uiteindelijk laat hij zich toch overhalen, want zijn financiële toestand is weer penibel aan het worden. Hij gaat er op 13 mei zelfs voor naar Petersburg om met Marks te praten. Die biedt hem 5000 aan voor zijn medische kosten, maar dat weigert Tsjechov. De 100 kilo met uitgaven van Marks neemt hij aan, ongetwijfeld voor Taganrog. Op 15 mei is hij weer terug in Moskou. Masja is bijna op hetzelfde moment naar Jalta gegaan.

In verband met plannen naar het buitenland te reizen, raadpleegt hij op 24 mei Ostroemov, de arts van de kliniek waar Tsjechov zes jaar eerder, in februari 1897, werd opgenomen. Toen was Ostroemov niet aanwezig geweest. Die is nu erg negatief over zijn fysieke conditie, maar gelooft niet in Jalta en hij raadt hem aan 's winters gewoon in de buurt van Moskou te blijven, advies dat Tsjechov uiteraard goed uitkomt. Altschuler, Tsjechovs arts in Jalta, beschouwt het als een doodvonnis, schrijft Simmons. Via Olga komt hij eind mei terecht op het landgoed van Maria Fjodorovna Jakoentsjikova, die familie is van de schatrijke Mamontovs. Het ligt vlak buiten Moskou, aan de rivier de Nara, en aan de spoorlijn naar Briansk, bij Naro-Fominskoje. Ze hebben er een apart huis waar ze met tien man terecht zouden kunnen. Van daaruit zoeken ze naar een huis dat ze voor de winter kunnen huren. Op weg naar het buitenhuis van Jakoentsjikova verbleven Tsjechov en Olga Knipper trouwens eerst een paar dagen dagen op het landgoed van V.A. Maklakov, bij Voskresensk, advocaat en doemalid, die Tsjechov in Jalta heeft leren kennen en die hem ook in de meidagen van 1903 met regelmaat in Moskou bezocht. In Naro-Fominsko neemt hij nu ook de uitnodiging van Roesskaja Mysl aan, wat welbeschouwd ook verrassend is. Ik vermoed dat het bewijst dat hij inmiddels van mening was dat er van schrijven weinig meer zou komen. Als benodigde achtergrond voor zijn Kersentuin leest hij veel, ook allerlei illegale geschriften, waar hij Soevorin voor moet inschakelen, die het allemaal keurig opstuurt. De Tsaristische autoriteiten zijn duidelijk van een ander kaliber dan de latere, communistische. Over de stukken erin is hij slecht te spreken, ook over de subversieve geschriften van Gorki, die hij zodoende ook in handen krijgt.

AAN M. P. TSJECHOVA

24 mei [Moskou, 1903]
Lieve Masja, ik ben nog steeds in Moskou. Vandaag was ik bij professor Ostroemov, die me lang geausculteerd heeft, beklopt, bevoeld, en ten langen leste is gebleken dat mijn rechterlong slecht is, dat ik een longverwijding heb (een emfyseem), een darmcatarrh enz... Hij heeft 5 recepten voor me uitgeschreven en boven alles - hij heeft me verboden de winter in Jalta door te brengen, omdat hij vindt dat de winters in Jalta in het algemeen toch beroerd zijn en droeg me op de winter ergens op het platteland in de omgeving van Moskou door te brengen. Probeer daar maar eens wijs uit te worden. Hoe het ook zij, nu moet ik dus een toevluchtsoord voor de winter zien te vinden. De Jakoentsjikova's boden me wat aan, Telesjov biedt aan een huis te bouwen, Sitin biedt aan... naar het buitenland ga ik niet, ik blijf in de omgeving van Moskou en ga een tijdje bij de Jakoentsjikova's logeren, aan de Nara, waar ik morgen heen vertrek. Mijn adres: Naro, Briansker lijn. Voor telegrammen volstaat Naro, Tsjechov. Olga was er al eens en het beviel haar. [...]
Ostroemov was blij toen ik kwam, kuste me, maar toch was hij net een grove popenzoon. Hij tutoyeerde me voortdurend, net als Zemboelatov. Het is hier prachtig weer.
Hoewel Olga het er erg naar haar zin heeft in Naro-Fominsk, is Tsjechov uiteindelijk erg negatief over de rijkaards bij wie ze verblijven. Hij besluit, zo laat hij Masja weten, in augustus terug te keren naar Jalta. Voor de wintermaanden zal hij dan weer naar Moskou gaan. Maar tot augustus houdt hij het blijkbaar niet uit, want al op 7 juli keert hij samen met Olga terug naar Jalta, direct van zijn tijdelijk verblijf, zonder nog naar Moskou terug te keren. Hij komt er op 9 juli 1903 aan.

144 Anton Tsjechov, Aoetka, 1904. Op de voorgrond éen van zijn twee vaste kraanvogels. De andere was al in december 1900 vertrokken. Foto: A. E. Ovsjarenko. Bron: Urban 1987 nr. 696

Tsjechov, Aoetka, 1904

145 De zomer van 1903 is inderdaad schitterender dan de vorige in Jalta, zoals Masja, ongetwijfeld in een poging hem over te halen terug te komen, had gezegd. Het huisje in Hoerzoef, dat hij van plan was te verkopen, iets wat hij in de brief aan Masja van 24 mei 1903 waar ik hiervoor uit citeerde had gezegd, komt nu goed van pas. Bezoek is er bovendien nauwelijks. Toch is er ook al weer snel ongenoegen tussen Olga en Tsjechovs moeder en zus. Bovendien beginnen de manuscripten voor Roesskaja Mysl binnen te stromen. Hij heeft er enorm veel werk aan en als de hoofdredacteur, Goltsev, hem als beloning 200 roebel biedt, slaat hij dat af. Met Taganrogs viering van zijn 25-jarige auteurschap is hij, zoals te verwachten, evenmin blij. Maar het grootste karwei dat hem bezig houdt, is zijn Kersentuin. Nadat hij al het seizoen van 1902-1903 heeft gemist, zal hij het eind 1903 af moeten hebben, wil het nog opgevoerd kunnen worden in het seizoen 1903-1904. Alle betrokkenen oefenen druk op hem uit. Oorspronkelijk was hij van plan het stuk aan Olga mee te geven als die op 19 september naar Moskou terugkeert. Tsjechov had al zijn eerdere toneelwerk makkelijk en snel geschreven. Maar dit keer lukt het niet, want hij levert een ware strijd met zijn steeds verder aftakelende constitutie. Half september schrijft Tsjechov een brief aan de vrouw van Stanislavski (die in werkelijkheid Aleksejev heette), de actrice Maria Petrovna Lilina (1866-1943), door Tsjechov tegen intimi altijd betiteld als katje.

AAN M. P. LILINA

15 september 1903 [Jalta]
Lieve Maria Petrovna, gelooft u niemand, geen mens heeft mijn stuk nog gelezen; voor u heb ik geen femelaarster geschreven, maar een heel aardig jong meisje [de rol van Varja], waarmee u naar ik hoop tevreden zult zijn. Ik had het stuk zowat voltooid, toen ik 8-10 dagen geleden ziek werd, begon te hoesten, me slecht begon te voelen, kortom, hetzelfde gedoe van vorig jaar weer begon. Nu, dat wil zeggen vandaag, is het weer warm geworden, lijkt het met mijn gezondheid beter te gaan, maar schrijven kan ik nog niet, want ik heb hoofdpijn. Olga brengt het stuk niet mee en ik stuur alle vier de bedrijven zodra ik me er weer de hele dag aan kan zetten. Het is geen drama geworden, maar een komedie, her en der zelfs een farce en ik vrees dat ik er van Vladimir-Ivanovitsj [Nemirovitsj-Dantsjenko] van langs zal krijgen. Konstantin-Sergejevitsj [Stanislavski] heeft een grote rol. Maar bij elkaar zijn er maar weinig rollen.
Voor het begin van het seizoen kan ik niet komen, want ik blijf tot november in Jalta. Olga, die deze zomer steviger en sterker is geworden, komt waarschijnlijk as. zondag naar Moskou. Ik blijf hier en zal niet verzuimen van die gelegenheid gebruik te maken. Als schrijver moet ik nu eenmaal zoveel mogelijk vrouwen zien, moet hen bestuderen en kan zodoende helaas geen trouw echtgenoot zijn. En aangezien ik die vrouwen in eerste instantie voor het Kunsttheater bestudeer, zou het naar mijn idee mijn vrouw een hoger gage moeten betalen of haar een pensioen moeten verstrekken. U hebt in uw brief geen adres gegeven, en stuur mijn brief naar Kamergersky Pereulok [adres van het Kunsttheater]. Daar bent u vermoedelijk bezig met repetities en en zult u hem zodoende wel snel krijgen. [...] Ik kus u de handjes. Uw A. Tsjechov
Op 26 september heeft hij een eerste versie af. En bescheiden als hij is, schrijft hij desondanks aan Olga dat hij iets heel nieuws en bijzonders heeft gemaakt. Hij heeft het dus over een komedie, zelfs een farce, maar éen met levende mensen. Hij begint direct met herschrijven, terwijl iedereen in Moskou zich zorgen maakt. Op 12 oktober 1903 is hij tevreden. Hij wacht in spanning op de reacties uit Moskou. Aan te nemen valt dat hij heeft beseft dat De kersentuin het laatste is wat hij schrijft. Nemirovitsj schrijft ten slotte een zeer enthousiast telegram van 180 woorden. Maar enige kritiek heeft hij ook, op een zekere zwaarheid in de tweede akte en de veelvuldige tranen die er worden gehuild. Stanislavski's telegram, twee dagen later, is lyrisch. Hij schrijft dat het geen farce is, of een komedie, maar een tragedie. Met name over die opmerking zal hij nog flink tobben. Van Gorki krijgt hij een bod van 1500 roebel per drukvel voor publicatie in een almanak van de uitgeverij, Znanie (Kennis). Voor De kersentuin zal dat neerkomen op 4500 roebel. Het contractuele probeem met Marks wordt opgelost door het stuk uit te geven voor een liefdadig genootschap, en de opbrengst ten goede te laten komen aan behoeftige medische studenten in Petersburg. In mei 1904 zal blijken dat Znanie zo lang heeft getreuzeld met de uitgave in de almanak, dat Marks met zijn eigen uitgave ervan sneller is, maar juist op een moment dat Tsjechov net zijn geld van Znanie heeft gekregen. Nog in Badenweiler, kort voor zijn dood, zal Tsjechov naar een oplossing voor het probleem zoeken. Als er, eerder al, een samenvatting van het stuk verschijnt in de pers, is die zo verknoeid dat Tsjechov er woedend over is. Ook over de rolverdeling en het tijdstip van uitvoeren krijgt hij niets te horen. Vooral die rolverdeling vreest hij zeer. Dat wordt uiteindelijk allemaal recht gezet. De repetities beginnen op 10 november 1903, de rolverdeling is naar zijn zin. Om de kaartjes voor een openbare lezing in Moskou van het stuk wordt letterlijk gevochten. Studenten demonstreren omdat ze naar hun mening zijn gediscrimineerd bij de kaartverkoop. Hij wil dolgraag naar Moskou, maar afgesproken is dat Olga hem vraagt. Het weer in Moskou is slecht en het duurt lang voor hij mag. Hij moet eerst nog zijn moeder naar Ivan in Moskou sturen. In een brief aan Olga schrijft hij op 21 november 1903: Naar Moskou, naar Moskou! Dat wordt niet gezegd door drie zusters, maar door éen echtgenoot!

145 Anton Tsjechov met zijn twee honden Snap en Sjarik, Aoetka. Bron: Urban 1987 nr. 697

Anton Tsjechov, Aoetka  1904

146 Tsjechov vertrekt uit Jalta op 2 december 1903 en komt op 4 december in Moskou aan. Daar slaat hij zowat zijn tent op in het gebouw van het Kunsttheater aan Kamergerski pereulok. 's Middags is hij aanwezig bij repetities, 's avonds woont hij voorstellingen bij van de stukken die hij nog niet heeft gezien, Ibsens Steunpilaren der samenleving en Shakespeares Julius Caesar. Bij de mensen van Roesskaja Mysl excuseert hij zich dat hij het te druk heeft om er te verschijnen, want sinds oktober 1903 zit hij officieel in de redactie. Voor wat betreft zijn Kersentuin heeft Tsjechov, zo blijkt spoedig - aldus Simmons - meer reden Stanislavski te vrezen dan de censuur. Stanislavski van zijn kant schrijft aan een vriendin dat er niets meer bloeit in de Kersentuin nadat Tsjechov eenmaal is verschenen. De schrijver bewondert weliswaar de inventiviteit der regisseur bij het ensceneren, maar hij verfoeit zijn naturalistische eigenaardigheden. Op een gegeven moment doet hij de intonatie van éen der acteurs na en zegt, zo luid dat de regisseur het kan horen: Wat een heerlijke rust. Wat geweldig! We horen geen vogels, geen honden, geen koekoek, geen uil, geen klokken, geen sleebellen, geen krekels. Maar hij kort op Stanislavski's verzoek wel het slot van de tweede akte in. Het belangrijkste verschil van mening ligt daar echter in dat Tsjechov zijn stuk weer eens als komedie beschouwt, terwijl Stanislavski spreekt van een tragedie, die gaat over de vervlogen dromen van een plattelandsklasse, die wordt vermalen tussen economische druk en commerciële vulgariteit. Simmons schrijft dat tijdgenoten blijkbaar geen andere schrijver konden zien dan die der weemoed en melancholie, van de chroniqeur van een voorgoed verloren tijdperk. Uiteindelijk is Tsjechov zeer pessimistisch over het lot van zijn stuk. Ik snap het niet. Of het stuk deugt niet, of de acteurs begrijpen me niet, schrijft hij vier dagen voor de première op 17 januari 1903, niet helemaal toevallig zijn 44ste verjaardag.

Gezegd zij ook dat het inderdaad niet meevalt het stuk op te vatten als een komedie. Maar Alexander Minkine wijdde aan de kwestie en aan een paar andere zaken mbt. de Kersentuin een belangrijk en zeer lezenswaard essay (Minkine 2014). In het vermakelijke stuk wijst hij erop dat al degenen die de Kersentuin op het toneel brachten, daaronder zeer veel gerenommeerde regisseurs, éen ding over het hoofd hebben gezien en bepaald geen kleinigheid. Lopachin heeft niet alleen 90.000 roebel betaald voor het landgoed, maar ook de schulden afgelost, waarmee hij de familie eigenlijk het complete aankoopbedrag cadeau doet (in huidige termen ongeveer drie miljoen dollar), zodat ze als ze willen een nieuw landgoed kunnen kopen. In de huidige vertaling van Van Oorschot (Bloemen/Wiebes) staat vertaald Ik bood negentig boven de hypotheek, en ik had hem. Ranajevskaja is daar niet dankbaar voor, omdat ze geld van minder belang acht dan het verlies van het landgoed, maar nobel van Lopachin is het wel. En het welbevinden van de familie is ermee verzekerd. Voor Minkine is Lopachin - net als Tsjechov de nakomeling van een lijfeigene - de hoofdpersoon, die per se gespeeld moest worden, zo vond de schrijver, door Stanislavski zelf, die van huis uit, als Alexejev (zoals hij eigenlijk heette), ook koopman was.

Die heeft weinig vertrouwen in de goede afloop van de toneeluitvoering, maar hij hoopt dat het publiek in elk geval mededogen zal hebben met iemand die jarig is, terwijl bovendien zijn 25-jarig schrijverschap wordt gevierd, al is dat - zo rekent de auteur zelf in brieven aan vrienden voor - een jaar te vroeg, want zijn debuut in Strekoza vond plaats in maart 1880. Als Stanislavski een erg duur geschenk heeft gekocht, doet Tsjechov daar kritisch over. Wanneer de regisseur vraagt, wat hij dan had willen hebben, zegt hij: een hengel. Tsjechov is nog niet dood, kortom. Ondertussen doen Gorki en zijn vrienden een laatste poging Tsjechovs contract bij Marks te herzien, waarbij aan de uitgever een brief wordt gericht die is ondertekend door de finefleur van de Russische cultuur, waarbij ook nog eens wordt gewezen op Tsjechovs deplorabele fysieke toestand. Als hij er weet van krijgt, verbiedt hij het initiatief, al geeft hij toe dat hij financieel weer in moeilijkheden zit. Tsjechov was bij de première niet aanwezig, omdat hij wel wist wat er te gebeuren stond en dat de gelegenheid zou worden aangegrepen om hem eens in Moskou zelf te vieren, in plaats van in de provincie. Na een briefje van Nemirovitsj verschijnt Tsjechov toch aan het eind van de tweede akte.

Wat er na het stuk in het volgepakte theater volgt is een uitbundige en zeer luidruchtige demonstratie van bewondering, zij het vooral voor de schrijver, die op dat moment vermoedelijk de geliefdste van Rusland is. Toespraken, cadeaus en een zeer tengere, bleke, zichtbaar vermoeide en ongelukkig glimlachende Tsjechov op het podium, precies zoals hij in zijn brieven zulke gelegenheden zo vaak met enige afschuw had beschreven. Alleen het glas in zijn hand ontbrak. Tijdens de talrijke toespraken roept er iemand uit het publiek tegen Tsjechov: ga zitten! Maar er is geen stoel op het podium te bekennen, zodat hij moet blijven staan, iets wat zichtbaar moeite kost. Wie zou er niet bij geweest willen zijn? Ik zou er een fortuin voor betalen als het kon. Nemirovitsj' toespraak is de indrukwekkendste, schrijft Simmons, vanwege de oprechtheid en het vuur waarmee hij spreekt: Onze gelukwensen mogen u dan hebben vermoeid, maar uit éen ding moet u troost putten: wat u hier ziet, is slechts een klein deel van de grenzeloze bewondering die het hele beschaafde Rusland u toedraagt. En zo is het ongetwijfeld ook geweest. Het beschaafde Rusland. Maar Stanislavski schrijft tevens dat er zeer velen waren die de gelegenheid beschouwden als het publieke afscheid van iemand aan wie je kon zien dat hij spoedig zou sterven. Want achteraf erkennen praktisch alle betrokkenen dat de voorstelling zelf maar een zeer matig succes had geboekt en dat de toejuichingen aan de schrijver en zijn werk waren gericht. Met de kaartverkoop gaat het in de volgende dagen helemaal niet goed. De Russisch-Japanse oorlog is een paar dagen eerder uitgebroken en op 27 januari 1904 gaat bij Port Arthur tot ieders verbijstering een deel van de Russische vloot ten onder. Moskou is niet in de stemming voor toneel.

In de maand tussen de première van zijn Kersentuin - op 17 januari - en zijn vertrek naar Jalta op 15 februari 1904 brengt hij nog wat correcties aan in zijn stuk, terwijl hij ook nog een voorstelling van zijn Oom Wanja bijwoont. Kort voordat hij vertrekt, bekijkt hij nog een landgoed buiten Moskou, in Tsaritsino. Over de aanschaf ervan is er tussen Olga en Tsjechov in de correspondentie een paar maanden lang discussie, maar de schrijver vindt het te duur en Olga blijkbaar te oud en ongeriefelijk. Het zal er niet van komen. Op 15 februari 1904 neemt Tsjechov de trein terug naar de Krim. In zijn huis is het zo koud, dat hij er zijn jas moet aanhouden. Ook de enige overgebleven kraanvogel is naar het zuiden vertrokken. Het eerste wat hij doet is, zoals aan het begin van elk jaar, zijn post op orde brengen en archiveren. Bij Olga klaagt hij: Mijn bed is hard en koud, buiten is het nul graden, verveling, naar lente ruikt het zelfs niet. In maart verschijnt Aleksandr, voor het eerst sinds lang. Die heeft met zijn gezin een huisje in de buurt en drinkt niet, in elk geval zo lang het duurt, schrijft Tsjechov. Kort daarop komt ook Masja. Pas begin april wordt tijdens een Petersburgs gastoptreden van het Kunsttheater ook daar zijn Kersentuin gespeeld. Soevorin schrijft in zijn dagboek dat hij het dodelijk vervelend vindt. De recensies, ook in Novoje Vremja zijn negatief, maar het publiek is enthousiast. Half april is iedereen weer weg uit Jalta en blijft Tsjechov alleen achter. Hij gebruikt inmiddels opium en morfine en krijgt van Altshuler ook heroïne. Op 26 april 1904 laat hij Olga per telegram weten dat hij een treinkaartje heeft gekocht: Kaarten gekocht. Kom maandag aan. Laat kiezen vullen. Maag speelt op. Kus je. Groet, oom Wanja.

Voor die tijd gaat het in de brieven nog een paar weken lang vooral over Tsjechovs toneelwerk. Nu hij het stuk heeft gezien, is hij negatief over regie, over sommige acteurs, onder wie Stanislavski zelf, en trouwens ook over de affiches, waarop zijn stuk nog steeds wordt aangekondigd als een drama. Ik kan het niet helpen dat ik het tragisch vind te zien hoe een geweldige verhalenschrijver als Tsjechov zich zo kan verliezen in een kunstvorm waarin de menselijke ijdelheid die hijzelf zo verfoeit, zo'n grote rol speelt. Toneel! Ik geef toe: het is een privé-overweging. Maar het lijkt mee een feit dat in een genre als het toneel, maar het geldt ook voor de hedendaagse film, onvermijdelijk andere factoren dan de tekst van de auteur een rol gaan spelen. En het is naïef te denken, zoals de anderszins zo realistische Tsjechov doet, dat je daar greep op houdt. Van schrijven is geen sprake meer. Tsjechov doet in het jaar 1904 na zijn Kersentuin niet veel meer dan overleven. Op een nieuw stuk wordt uiteraard niet meer aangedrongen. Op verzoeken om verhalen reageert hij beleefd, maar afhoudend. Het enige wat hij nog schrijft zijn brieven. Vlak voordat hij op 1 mei 1904 voor het allerlaatst terug reist naar Moskou, krijgt hij de correctiebladen toegezonden van de almanak van Znanie, met daarin dus zijn Kersentuin. Eerder al heeft hij - via zijn brieven aan Olga - over de vertraging waarmee die arriveren geklaagd, want omdat Marks het stuk niet kan uitgeven voordat het bij Znanie is gepubliceerd, betekent het dat er geen goede versie van in druk bestaat. Ook zelf beschikte hij zodoende niet over een exemplaar. In dat van het Kunsttheater, zo merkt hij zelf ergens op, was zo veelvuldig geknoeid dat de tekst af en toe nauwelijks nog leesbaar was. Tsjechov vond dat hij door het ontbreken van een boekversie geld verloor en daar had hij ongetwijfeld gelijk in. Want als gezelschappen niet over een tekst beschikten, konden ze het stuk ook niet spelen. Dat gebeurt trouwens toch, met veel succes ook nog, zoals hem soms uit de provincie wordt vermeld. Want - zo annoteert de precieze Urban - Nemirovitsj had zelf een netversie laten maken en die naar Marks gestuurd en dus niet alleen naar Marks. Ik vermoed dat Tsjechov dat niet wist. Op 18 maart 1904 krijgt hij van de uitgever 2500 roebel voor zijn toneelstuk. De vertraging van de versie bij Znanie was te wijten aan het feit dat de almanak zo omvangrijk was geworden dat hij in 2 delen moest worden uitgegeven. Nu corrigeert hij de vellen en stuurt ook een exemplaar naar Marks. Die zal hem als hij al in Moskou is, op 7 mei, de drukproeven sturen. Het gevolg is uiteindelijk dat de beide versies praktisch tegelijkertijd verschijnen en Znanie zodoende vermoedelijk een gevoelig verlies lijdt. Tsjechov voelt zich schuldig, want hij heeft zijn geld van Znanie, te weten 4500 roebel, al binnen en dat heeft hij nodig voor zijn reis naar het buitenland. Over die 4500 is hij - terecht naar het me voorkomt - verbaasd. Want bij zijn Kersentuin ging het om twee drukvellen, niet om drie. En ik vermoed zodoende dat Tsjechov hier enigszins gesubsidieerd werd, door mensen die wel wisten dat het slecht met hem was gesteld en die dus ook nog wisten dat ze hun almanak niet meer kwijt zouden raken. Tsjechov is desondanks woedend op Marks, al vraag ik me in dit geval af of de schuld niet eerder bij de uitgevers van de almanak lag.

146 Anton Tsjechov Jalta, 18 april 1904. Dit is de laatste foto van Tsjechov tijdens zijn leven. Foto: S. Linden. Bron: Urban 1987 nr. 699

Tsjechov, Jalta, 18 april 1904.

147 Zonder ironisch te willen doen: sterven is een vervelende zaak en ik ben ervan overtuigd dat Tsjechov daarbij het liefst zo weinig mogelijk ophef wilde veroorzaken. In het buitenland sterven, in gezelschap van Olga Knipper, dat moet hem de minst onaantrekkelijke mogelijkheid hebben geleken. Hij was er zich van bewust dat de opiaten die hij inmiddels kreeg, het einde aankondigden. En hij wist vermoedelijk ook dat hij gewoon aan hartzwakte zou gaan sterven. Anderzijds: ik vermoed ook dat het sneller is gegaan dan hij zelf had gedacht, want nog een paar dagen voor zijn dood in Badenweiler maakt hij reisplannen. Hoe dan ook: op 3 mei 1904 komt hij uit Jalta in Moskou aan, in het nieuwe appartement aan Leontijev-pereleuk, nu met lift. Tsjechov was sceptisch over liften. Altijd als ik er éen wil nemen, is hij kapot, zo schrijft hij aan Olga. In Moskou sneeuwt en hagelt het nog. Hij is er zo beroerd aan toe dat hij direct het bed moet houden. Olga laat een Duitse arts roepen, Taube. Die heeft haar zelf eerder behandeld voor haar buikvliesontsteking en Tsjechov was over hem te spreken geweest. Taube echter wil dat hij zo snel mogelijk naar Duitsland gaat (vermoedelijk na daarover met Olga overlegd te hebben). Tsjechov vraagt om het beloofde geld van de uitgeverij Znanie (Kennis) voor zijn Kersentuin en krijgt 4500 roebel. Het honorarium van Marks had hij al gekregen. Hij wil direct weg, maar is zo ziek dat het niet lukt. Meer dan een paar uur buiten het bed lukt nauwelijks, al is het weer half mei al beter. Ook Olga staat er nu op dat Tsjechov Duitse artsen raadpleegt, tot woede van Masja. Want die vreest - terecht naar zal blijken - dat ze haar broer dan niet meer terugziet. De twee hebben een daverende ruzie. Half mei neemt Masja afscheid van haar broer en gaat terug naar Jalta. Ze zal hem inderdaad niet meer levend onder ogen krijgen. Op 22 mei schrijft hij aan de met hem bevriende Sredin in Jalta:

AAN L. V. SREDIN

22 mei Moskou, Leontjevski Pereulok, Huis Katyk [1904]
Beste Leonid Valentinovitsj, ik was nog maar ternauwernood in Moskou of ik moest in bed kruipen en daar lig ik nu nog. Ik heb een zware darmcatarrh en pleuritis. Gelukkig ben ik in handen van een goede arts, een zekere Taube, een Duitser, die me onverwijld koffie en eieren verbood en me op dieet heeft gezet, zodat mijn maag nu weer zowat in orde is. Op 21 juni ga ik naar het buitenland, op voorschrift van Taube, naar het Zwarte Woud, waar ik door de een of andere Duitser behandeld zal worden. In Moskou is het mooi weer, maar naar buiten ga ik niet. Ik lig in bed. Misschien mag ik morgen met Olga een wandeling maken. Mijn adres in het buitenland zal ik u nog sturen, maar schrijf me, zolang ik nog in Moskou ben. Groeten aan Sofja Petrovna, Zinosjka en Anatoli, het beste gewenst. Mijn vrouw is bij haar zieke man - ze is een juweel, zo'n verpleegster heb ik nog nooit gezien. Is het toch een goed idee geweest om te trouwen, een heel goed idee, want anders had ik niet geweten wat ik moest. Ik druk u stevig de hand en groet u hartelijk. Blijf monter en gezond. Uw A. Tsjechov

AAN M. P. TSJECHOVA

31 mei [Moskou, 1904]
Lieve Masja, stel je voor: vandaag heb ik voor het eerst schoenen en mantel aangetrokken, want tot nu toe heb ik de hele tijd in bed gelegen of liep ik rond in ochtendjas en op pantoffels, maar nu ben ik voor het eerst weer de straat op gegaan. Er is iets heel raars met me gebeurd; ik had een maagcatarrh en toen kon ik opeens niet meer slapen vanwege een trekkende pijn in armen en benen; het was een kwelling niet te kunnen slapen en ik dacht zelfs dat ik ruggemergdegeneratie [leucomyelitis chronica] had. En dat allemaal vanwege het slechte weer, vanwege sneeuw en regen. Nu, vandaag gaat het wel weer. Op drie juni gaan we naar het buitenland. Schrijf me daar als je geld nodig hebt voor het huishouden. Adres: Badenweiler, De heer Anton Tsjechov. [...]

Op 22 mei koopt Olga twee treinkaartjes voor 3 juni naar Berlijn en Badenweiler. Daar praktiseert een arts die bevriend is met Taube, Schwoerer. Olga kent diens Russische vrouw uit haar schooltijd. Eén van de weinige ex-vriendinnen die nog tot Tsjechov in Moskou weet door te dringen, is Olga Koendasova. Wat er gebeurt, is onduidelijk, maar het is blijkbaar zo schokkend, schrijft Rayfield, dat ze nooit zal zeggen wat er precies is gebeurd. Simmons vermeldt dat eveneens, maar noemt net als Urban ook nog ander bezoek. Hij beschrijft hoe Telesjov, als die verschijnt en hoort hoe slecht het met hem gaat, alleen een briefje achterlaat, waarna Tsjechov hem terug laat roepen. Telesjov is diep geschokt als hij hem ziet. Tsjechov zegt tegen hem: Morgen vertrek ik. Vaarwel. Ik ga weg om te sterven. Telesjov zelf beschrijft het in zijn (door Urban geciteerde) herinneringen iets anders:

Hij steekt me zijn zwakke, wasachtige hand toe, die verschrikkelijk was om aan te zien, kijkt me aan met die liefdevolle, maar niet meer lachende ogen en zegt: "Morgen ga ik. Vaarwel. Ik ga weg om te sterven." Hij gebruikte niet dat woord, maar een ander, gruwelijker dan 'sterven', en dat ik hier niet wil herhalen.

Zou Tsjechov kreperen hebben gezegd? Olga geeft Tsjechov injecties met morfine. Hij maakt nog een rit door Moskou, blijkbaar om afscheid van de stad te nemen. Op 3 juni 1904 vertrekken de twee naar Berlijn. Daar komen ze aan op 5 juni; ze worden opgewacht door de broer van Olga en bezoeken er nog de vrouw van Gorki. Hij leert de correspondent voor Duitsland van Sobolevski's Roesskije Vedomosti (Russisch Nieuwsblad) kennen, G.B. Iollos, die hem in het vervolg met regelmaat zal bijstaan. Iollos, joods, maar van Griekse afkomst, zal later, in maart 1907, als doema-lid slachtoffer worden van een moordaanslag. Iollos schrijft zelf aan Sobolevski: Tsjechovs dagen zijn geteld, hij is uitgemergeld... hij hoest, is kortademig, heeft verhoging en kan geen trap meer beklimmen. Tsjechov en Olga verblijven in het Savoy, niet hetzelfde als het huidige naar ik aanneem. Een Berlijnse specialist, Ewald, komt bij hem langs. Die onderzoekt hem kort, haalt zijn schouders op en verlaat de kamer. Ewald was blijkbaar ontzet door het idee een stervende door Europa te slepen, maar een erg subtiele reactie is het niet. Het zegt wel iets over Rayfield wanneer hij in zijn biografie schrijft dat Tsjechov tijdens zijn Berlijnse verblijf in een opmonterend bedoeld uitje de dierentuin bezoekt. Grappig hoor. Ook Hingley begrijpt trouwens dierentuin. Simmons (en uiteraard ook Urban) begrijpen Tiergarten beter, zoals de twee naar mijn idee heel wat meer beter begrijpen.

AAN M. P. TSJECHOVA

zondag 6 juni 1904 [Berlijn]
Lieve Masja, ik schrijf je uit Berlijn, waar ik al 24 uur ben. In Moskou was het na je vertrek erg koud geworden, het sneeuwde en waarschijnlijk heb ik daarbij een verkoudheid opgelopen, ik kreeg een trekkende pijn in armen en benen, heb 's nachts niet geslapen, ben heel erg afgevallen, heb morfine gespoten, legio medicijnen genomen en denk met enige dankbaarheid alleen terug aan de heroïne die Altschuler me ooit voorschreef. Voor mijn vertrek ben ik weer enigszins aangesterkt, heb weer eetlust gekregen, heb arsenicum gespoten, enz. en ben ten slotte donderdag naar het buitenland gegaan, heel mager, met heel magere, dunne beentjes. De reis was prettig en comfortabel. Hier in Berlijn hebben we een gezellige kamer in het beste hotel genomen, ik verblijf hier met veel plezier en ik heb in lange tijd niet zo goed en met zo'n eetlust gegeten als hier. Het brood is geweldig, ik kan er geen genoeg van krijgen, de koffie is voortreffelijk, om maar te zwijgen van de middagmaaltijden. Wie nog nooit in het buitenland is geweest, heeft geen idee wat goed brood is. Er is hier geen fatsoenlijke thee (we hebben die van onszelf), geen Zakuska [kleine gerechten voor bij de drank], daar tegenover staat dat al het andere voortreffelijk is en zelfs goedkoper dan bij ons. Ik ben al uitgegeten en we hebben vandaag zelfs een heel eind gereden door Tiergarten, hoewel het koel was. Nou ja, zeg aan mama en aan iedereen die geïnteresseerd is, dat ik gezond word en al gezond ben, dat mijn benen geen pijn meer doen, dat ik geen diarree meer heb, aankom, de hele dag weer op de been ben en niet meer lig. Morgen verschijnt er hier een prominente arts en darmspecialist, professor Ewald. Dr. Taube heeft hem over me ingelicht. Gisteren heb ik heerlijk bier gedronken.
Is Vanja [Tsjechovs broer Ivan] in Jalta? Twee dagen voordat ik uit Moskou vertrok, was hij bij me in Moskou en daarna was hij verdwenen en heb ik hem niet meer gezien. En ik moet toegeven, ik heb me er de hele reis zorgen over gemaakt waar hij uithangt en waarom hij er zo plotseling tussenuit was gegaan. Schrijf me alsjeblieft wat er aan de hand is.
Overmorgen vertrekken we naar Badenweiler. Het adres zal ik je sturen. Schrijf of je geld hebt of dat ik je een cheque moet sturen. Berlijn bevalt me zeer, hoewel het hier tamelijk koel is. Ik lees de Duitse kranten. De geruchten dat er in de kranten hier zo op de Russen wordt gescholden, zijn overdreven. [...] Je A. Tsjechov. We zijn vergeten de ochtendjas mee te nemen.

Twee dagen later, op 8 of 9 juni gaat het paar naar Badenweiler, waar het de intrek neemt in het beste hotel, Römerbaden, dat nog steeds bestaat en waar, aldus NRC-journalist Michiel Krielaars nog in 2004, naast de ingang een bordje hangt met die mededeling, tot Krielaars begrijpelijke irritatie. Want na twee dagen, op 11 of 12 juni (Russische datering), verzoekt de eigenaar, de hotelier Joner, Tsjechov te vertrekken. Zijn gehoest hindert de gasten. Gemiste kans, lijkt me. Het was in Badenweiler officiële politiek tbc-patiënten, vaak herkenbaar aan hun spuugbakje, in het Duits naar de kleur ervan Blaue Heinrich genoemd, door te verwijzen naar het sanatorium in Oberweiler, om de gezonde gasten niet al te zeer af te schrikken. Ook in Jalta was de hotelbranche - we weten het van Tsjechov zelf - niet gesteld op tbc-patiënten. Tsjechov moest heel wat vrienden en bekenden met die mededeling teleurstellen, als ze hem vroegen of hij voor hun tuberculeuze familelid een plek kon vinden. Knipper en Tsjechov zoeken vervolgens hun heil in een klein pension aan de rand van het dorp, Villa Frederieke - dat tegenwoordig Eckerlin heet - en ook al een plaquette naast de deur heeft. In elk geval staat het echtpaar er op 20 juni nog ingeschreven. Vermoedelijk hebben ze er een week verbleven. De arts die hem er bezoekt is Schwoerer, die met een Russische is getrouwd, Jelena Zjivago. Olga kende haar uit haar schooltijd. De adviezen wijken in niets af van wat Tsjechov in Rusland te horen kreeg. Aan de rust en de stilte kan hij slecht wennen. Op 16 juni schrijft hij aan Masja:

Binnen en buiten hoor je geen geluid, alleen om 7 uur 's avonds wordt er in het park muziek gespeeld, luid, maar onbegaafd. Er valt geen greintje talent te bespeuren, in helemaal niets een greintje smaak, maar daar tegenover staan orde en eerlijkheid in overvloed. Ons Russische bestaan heeft veel meer talent, om maar te zwijgen van het Italiaanse of het Franse.

147 De arts die in Badenweiler bij Tsjechov was toen die stierf, Dr. Josef Schwoerer (1869-?), met zijn Russische echtgenote Elizabeta Vasiljevna Zjivago (1873-?). De foto werd in 1899 genomen in Moskou. Bron: Urban 1987 nr. 709

Dr. Josef Schwoerer (1869-?), met zijn Russische echtgenote Elizabeta Vasiljevna Zjivago (1873-?), Moskou, 1899

148 De Villa Frederieke bevalt zo slecht - blijkbaar vooral het eten - dat de twee verhuizen. Op 21 of 22 juni (nog steeds Russische datering) komt het echtpaar dus terecht in Hotel Sommer, dat heden ten dage Parktherme heet. Het zal de laatste etappe blijken te zijn. Het hotel bevalt hem goed. Hij zit graag op het balkon en kijkt er naar de bezoekers van het postkantoor aan de overkant, waarvan anno 2018 geen spoor meer bestaat. Bijgaand Tsjechovs laatste brief, die dateert van 28 juni 1904, maar wat volgens de westelijke kalender 11 juli was. Tsjechov stierf vier dagen later.

AAN M. P. TSJECHOVA

28 juni 1904 [Badenweiler]
Er is hier een verschrikkelijke hitte ingetreden, die me overvallen heeft, want ik heb alleen winterkleding bij me, ik stik zowat en droom ervan er hier vandoor te gaan. Maar waarheen? Ik wilde naar Italië, naar Como, maar daar is ook iedereen voor de hitte op de vlucht geslagen. Overal in Zuid-Europa is het heet. Ik zou van Triest per schip naar Odessa willen gaan, maar ik weet niet of dat nu, in juni-juli, mogelijk is. Kan George [zoon van broer Ivan] informeren welke lijnen er varen? Comfortabele? Meren ze lang aan, is het eten goed, dat soort dingen. Voor mij zou dat een geweldig tochtje zijn, als de boot tenminste goed is en niet al te beroerd. George zou me een grote dienst bewijzen als hij me op mijn kosten een telegram zou sturen, met de volgende tekst: Badenweiler, Tchechow. Bien. 16. Vendredi. Dat wil zeggen: bien het schip is goed, 16 het aantal reisdagen, vendredi dag van vertrek uit Triest. Dat is uiterard alleen het schema van het telegram en als het schip op donderdag vertrekt, dan hoeft hij geen vendredi meer te schrijven.
Als het een beetje warm is, vind ik dat niet zo erg; ik krijg een flanellen pak. Maar om met de trein te gaan, ben ik eerlijk gezegd een beetje bang. In treincoupés is het om te stikken, vooral met mijn astma, die bij het minste of geringste erger wordt. Bovendien rijden er tussen Wenen en Odessa geen slaapwagens, zodat je dan weinig rust hebt. En met de trein zou ik bovendien eerder thuis zijn dan nodig is, want ik ben nog niet genoeg hersteld.
Het is om af te pikken zo heet. Ik zou het liefst alles uitdoen. Ik weet niet wat ik moet beginnen. Olga is naar Freiburg gegaan om een flanellen pak voor me te bestellen, want hier in Badenweiler zijn er geen kleermakers of schoenmakers. Voor de maat heeft ze mijn pak meegenomen dat ik bij Duchard heb laten maken.
Het eten is hier heel lekker, maar niet zo goed voor me, want ik heb voortdurend last van mijn maag. De boter hier verdraag ik niet. Blijkbaar is mijn maag hopeloos bedorven en herstellen kan ik dat vermoedelijk alleen door te vasten, dus gewoon door niets te eten - meer zit er niet op. En tegen de astma is de enige remedie - niet bewegen.
Geen enkele behoorlijk geklede Duitse vrouw, een smakeloosheid waar je bedroefd van wordt.
Nou, blijf gezond en vrolijk, groet mama, Vanja, George, grootmoeder en alle anderen. Schrijf. Ik kus je en druk je de hand. Je A.

148 Badenweiler, Ernst-Eisenlohr-Straße 6. Hotel Parktherme. Foto: 25 januari 2018

Badenweiler, Hotel Parktherme, voorheen: Hotel Sommer

149 De opmerking over die zo smakeloos geklede Duitse vrouwen had Tsjechov in zijn brieven uit Duitsland al een aantal keren gemaakt. Daar staat tegenover dat hij veel andere zaken prijst, de netheid, de organisatie, de voorzieningen. Aan een Berlijnse bank schrijft hij op 29 juni een verzoek om gelden in het vervolg over te maken op naam van zijn vrouw. Als Olga vraagt waarom, zegt hij: Voor het geval. Op vrijdag 1 juli gaat het eerst beter, en daarna plotseling veel slechter. Om half een 's nachts, vraagt hij om een dokter, iets wat nooit eerder is gebeurd. Hij begint te ijlen. Ze legt ijs op zijn hart. Zo in het holst van de nacht, alleen met Tsjechov op een hotelkamer, weet ze niet wat ze moet, want ze wil hem niet alleen laten uit angst dat hij in haar afwezigheid sterft. Ze herinnert zich twee Russische studenten, die ze eerder op de dag heeft gesproken en maakt éen van hen wakker. Ze vraagt hem een dokter te halen. Ich sterbe, zegt Tsjechov als die anderhalf uur later, om twee uur 's nachts verschijnt. Tsjechov sprak maar weinig Duits, zegt Olga Knipper in haar herinneringen. De arts Schwoerer is in het gezelschap van éen van de studenten in kwestie, Leo Rabeneck. Die zal later ook beschrijven wat er is gebeurd. Leo Rabeneck (†1972, in het Duits geschreven als: Rabenek) zou, tot hij émigré werd, contact met Olga Knipper houden en zou haar, toen ze in 1937 in Parijs optrad, nog tegenkomen in een bistro, waar ze deed alsof ze hem niet herkende, omdat ze werd bewaakt door geheim agenten, aldus in zijn in 1959 in een Parijs émigré-tijdschrift gepubliceerde herinneringen, waarvan de Duitse vertaling deels op de site staat van het Duitse Tsjechov-gezelschap. Schwoerer geeft Tsjechov een kamferinjectie. Zowel de Duitse als de Russische traditie wil blijkbaar dat als een arts aan het doodsbed van een collega staat, die de stervende champagne aanbiedt. Iemand die zijn hele leven heeft gepoogd anderen te redden, mag wel champagne drinken als hij sterft, zo lijkt de gedachte. Mooi. Schwoerer voelt Tsjechovs pols en bestelt een fles. Hij drinkt van de champagne en zegt tegen Olga in het Russisch: Champagne heb ik lang niet meer gedronken. Hij draait zich om op zijn linkerzijde. Tsjechov sterft kort daarna. Een paar minuten later springt met een knal de kurk van de champagnefles, schrijft Olga. Zou het echt? Het valt niet mee de kurk van een geopende fles champagne terug in de hals te krijgen, zo lijkt me. Anderzijds: waarom zou ze zoiets verzinnen? Misschien was het geen echte champagne. Het is in elk geval de vroege ochtend van 2 juli 1904 - volgens de in Rusland gebruikte Juliaanse kalender - en 15 juli volgens de in het westen gebruikelijke Gregoriaanse kalender. De arts vertrekt en Olga blijft alleen achter.

Tsjechovs lichaam ligt nog een tijd op de hotelkamer. Schwoerer en zijn vrouw en de twee Russische studenten doen wat ze kunnen om Olga te helpen. Iollos komt over uit Berlijn om Olga bij te staan. Het lichaam wordt nog opgebaard in de St. Mariakapel. Duitse bronnen (uit Badenweiler) vermelden dat Tsjechovs stoffelijk overschot daar in een wasmand heen werd vervoerd, wat minstens zo opmerkelijk is als de latere, voor oesters bestemde koelwagon. De Russische consul komt over uit Baden. Telegrammen met het bericht van Tsjechovs sterven worden verstuurd. In Russische kranten werd het verloop van Tsjechovs ziekte nauwlettend gevolgd en ook zijn dood wordt al snel bericht, ook aan de Krim. Janet Malcolm geeft in haar Reading Checkhov (Malcolm 2004) een hele rij weergaves wat er in Badenweiler is gebeurd. Olga had gedacht Tsjechov te begraven in Duitsland, maar daartegen ontstaat zoveel verzet dat ze zich bedenkt. Soevorin stuurt een telegram, waarin hij verklaart alle kosten te betalen voor het repatriëren van Tsjechovs stoffelijk overschot. Michail laat weten dat hij wil dat Tsjechov wordt begraven op Novodevitsji. Diplomaten op de ambassade in Berlijn moeten zorgen voor een speciale wagon en daarvoor contact opnemen met 14 Duitse spoorwegdistricten. Dat doen ze.

149 Anton Tsjechov op zijn sterfbed in Hotel Sommer, Badenweiler. 2 juli 1904. Bron: Urban 1987 nr. 714

Tsjechov op zijn sterfbed in Hotel Sommer, Badenweiler. 2 juli 1904

150 Overigens werd op wens van Olga Knipper door de Russische gezant aan het hof van Baden, Dmitri von Eichler, in 1908 een bronzen borstbeeld van Tsjechov overhandigd en in hetzelfde jaar ingewijd. Dat was het allereerste voor Tsjechov opgerichte monument. Ironie van het lot - wasmand, oesters - de 40 kilo zware buste werd in 1918 in de laatste oorlogsmaanden omgesmolten. Ter memorie van de plek bevindt er zich nu een bronzen plaquette, direct terzijde van het huidige borstbeeld. Pas in 1963 werd er ter vervanging daarvan in het Kurpark een gedenksteen onthuld, met als tekst: Dem gutigen Menschen und Arzt, dem grossen Schriftsteller Anton P. Tsjechow. En - om een en ander te completeren - in 1992 kreeg Badenweiler een bronzen buste cadeau uit Sachalin, vervaardigd door Vladimir Tsjebotarjov. Geschonken werd ze - ik vermeldde het allemaal al - door de directeur van het Tsjechovmuseum op Sachalin, Georgi Miromanov. Die nieuwe buste werd op het oude voetstuk gezet, dat wel.

150 Badenweiler, Kurpark, onder de Belvedere, plaquette ter herdenking van de locatie waar het eerste borstbeeld van Tsjechov stond. Foto: 25 januari 2018

Badenweiler, Kurpark, Plaquette

151 Badenweiler, Kurpark, onder de Belvedere: Vladimir Tsjebotarjov: borstbeeld Tsjechov. Schenker, die het zelf bracht uit Siberië, van Sachalin, met een vrachtwagen: Georgi Miromanov. Foto: 25 januari 2018

Badenweiler, Vladimir Tsjebotarjov: borstbeeld Tsjechov

152 De in de akte vermelde datum van overlijden, 15 juli 1904, volgt, zo schrijft Urban - misschien op licht geïrriteerde toon - de in het westen gebruikte Gregoriaanse kalender, terwijl Tsjechov zelf als hij in West-Europa verbleef, de Juliaanse hanteerde. Waarna Urban over zijn fotobiografie, waar deze akte uit komt, schrijft: Dateringen in deze uitgave volgen principieel de door Tsjechov gebruikte kalender. Ik geloof niet dat er waar ter wereld ook, een boek over Tsjechov bestaat van een dergelijke gedetailleerdheid en precisie. Ik vraag me af of het in Rusland is uitgegeven. Als er op deze pagina fouten te vinden zijn, en dat zal beslist het geval zijn, dan ligt het niet aan hem.

152 Overlijdensakte van Anton Tsjechov. Bron: Urban 1987 nr 715

Overlijdensakte van Anton Tsjechov, 2 juli (15 juli) 1904

153 Op de ochtend van 7 juli komt Tsjechovs lichaam aan in Petersburg. Daar wacht een minister, zij het niet op Tsjechov, maar op het stoffelijk overschot van een generaal die ook is overleden, Obroetsjov. Verder zijn er maar weinig mensen. Soevorin staat er ook. Hij rent - zo zegt een getuige later - naar Olga als die uitstapt en stort ineen, zodat hij op zijn knieën voor haar terecht komt. Er moet een stoel voor hem gehaald worden. Daarna regelt hij een korte dienst op het perron, onderdak voor Olga en een koelwagon voor Tsjechovs lichaam dat verder moet naar Moskou. Het wordt er éen die normaliter wordt gebruikt voor het vervoer van oesters. Alom wordt opgemerkt dat Tsjechov zelf over die vondst van het toeval tevreden zou zijn geweest. Soevorin stuurt Aleksandr naar Moskou, want hij wil de brieven hebben die hij Tsjechov heeft gestuurd. Als Aleksandr zonder succes terugkeert naar Petersburg, ontmoet hij onderweg, zo schrijft Rayfield, het lichaam van zijn broer dat op weg is naar Moskou. Zodoende mist hij diens begrafenis.

153 De begrafenis van Anton Tsjechov. Een foto uit de krant Iskri van 9/18 juli 1904. Bron: Urban 1987 nr. 720

Moskou, 1904, Begrafenis van Tsjechov

154 Op 9 juli (Russische datering) begeleiden zo'n 4000 mensen Tsjechov recht van het Nicolaasstation (nu Leningradskaja) naar Novodevitsji. Het verkeer wordt stilgelegd. Studenten vormen over de hele lengte een cordon. Olga leunt daarbij op Nemirovitsj' arm. De familie uit Jalta is net op tijd om zich halverwege bij de stoet aan te sluiten. Dat kost nog enige moeite, want de studenten die het rijtuig begeleiden, herkennen Masja en de anderen niet. De optocht houdt stil voor de redactielokalen van Roesskaja Mysl en voor de kliniek waar Tsjechov ooit werd opgenomen. Op het kerkhof ontstaat chaos, omdat iedereen de kist wil zien zakken. Gorki levert op de taferelen die hij er aanschouwt in een brief aan zijn vrouw nog cynisch commentaar en zal die later in zijn memoires citeren. Ik vermoed dat Tsjechov zelf, die het land had aan elke officiële aangelegenheid, het niet erg vond afwezig te zijn. Er wordt door de menigte gezongen: Vetsjnaja pamjat: Eeuwige nagedachtenis. Er worden naar beweerd meer dan 100 kransen gelegd.

154 De begrafenis van Anton Tsjechov. Foto's uit de krant Iskri van 9/18 juli 1904. Bron: Urban 1987 nrs. 716, 718 en 719

Moskou, 1904, begrafenis van Anton Tsjechov

Moskou, 1904, begrafenis van Anton Tsjechov

Moskou, 1904, begrafenis van Anton Tsjechov

155 Tsjechov ligt nu op het kloosterkerkhof van Novodevitsji, het Jongemaagdenklooster, waar eerder al zijn eigen vader begraven was. Hij ligt er in éen omheinde ruimte, dichtbij de muur die midden over het kerkhof loopt, met links naast hem zijn vrouw, Olga Leonardovda Knipper, die pas in 1959 stierf, twee jaar na Masja, en links daar weer naast zijn al in 1898 overleden vader. In 1908 werd op Tsjechovs graf het monument gezet van Leonid Brailovsky (1867-1937) en Fyodor Schechtel (1859-1926) dat er nu nog staat. Ik kan het niet helpen dat ik er een zekere onrechtvaardigheid in waarneem dat Masja hier niet ook ligt. Die werd in 1957 begraven op het gemeentelijk kerkhof van Jalta, overigens naast haar in 1919 overleden moeder.

155 Graf Anton Tsjechov, Novodevitsji, Perceel 2, Graf nummer 180. Moskou. Zie hier voor meer foto's van Tsjechovs graf. Foto: zondag 12 augustus 2012

Graf Anton Tsjechov, Moskou, Novodevitsji

156 Tsjechovs grafsteen. De tekst luidt, weinig verrassend: Anton Pavlovitsj/ Tsjechov/geboren 17 januari 1860/gestorven 15 juli 1904. Ik vermoed dat Tsjechov het niet anders had gewild. Geen fanfare.

156 Graf Anton Tsjechov, Novodevitsji, Perceel 2, Graf nummer 180. Tsjechovs grafsteen. Moskou. Foto: zondag 12 augustus 2012

Moskou, Novodevitsji, Tsjechovs grafsteen

157 In 1933 werd het graf op verzoek van Olga Knipper verplaatst naar de zuidelijke muur van het kloosterkerkhof. Zijzelf werd in 1959 naast haar man begraven. Of bij die gelegenheid ook Tsjechovs vader er werd herbegraven, of dat hij daar al lag en dat juist de reden van de verplaatsing was, heb ik niet kunnen achterhalen. Feit is dat links naast Olga Knipper nu Pavel Jegovoritsj Tsjechov (1825-1898) ligt. Mocht u er een keer willen gaan kijken: Metrohalte Sportyvnja. Er staat op de route naar klooster en kerkhof een bloemenkraam. 150 roebel per roos. Kilometertje lopen. Anton Tsjechov ligt er in ysjastok (perceel, afdeling) 2, graf nummer 180, niet zo heel ver van bijvoorbeeld de een paar rijen verderop begraven Boelgakov (ysjastok 2, graf nummer 1) en twee rijen voorbij Gogol, (ysjastok 2, nummer 38). Hier vindt u - met dank aan Wikipedia Commons- de belangrijkste namenlijst met de bijbehorende codes van Novodevitsjy en hier de andere. Pisatelj (schrijvers/dichters) hebben de codering groen en staan zo op de plattegrond aangegeven.

157 Van rechts naar links: graf Anton Tsjechov, echtgenote Olga Leonardovna Knipper en vader Pavel Jegovoritsj Tsjechov. Novodevitsji, Perceel 2, Graf nummer 180. Moskou. Foto: zondag 12 augustus 2012

Graf Tsjechov, Novodevitsji, Moskou.

ADDENDA

TSJECHOVS HUIS IN MOSKOU

158 In 1886 betrekt Tsjechov een ander huis in Moskou, aan een relatief deftige straat, Sadovaja-Koedrinskaja, niet ver van het centrum. Het huis was eigendom van een collega-arts, Ja. A. Kornejev (1845-1921). De huur was 650 roebel. Sadovaja betekent zoiets als Tuinstraat. Koedrinskaja is van Koedrino en dat is de wijk waar de straat lag. Het is nu de buitenste (en grootste) van de twee rondwegen door Moskou. Heden ten dage is hij tien banen breed en geasfalteerd. Om het bedrag te kunnen voldoen moet Tsjechov zijn horloge verpanden en zelfs de Turkse gouden munt die hij altijd als een soort talisman bij zich droeg. Het huis is nu een museum. Tsjechov zelf sprak van een ladenkast. Eerder al toonde ik een foto van Sadovaja Koedrinskaja rond 1880 en een tekening van het huis van Tsjechovs broer Michail. Niet zo heel veel verderop, aan Bolsjaja Sadovaja nummer 10, bevindt zich het huis waar ooit Boelgakov woonde en dat nu een hem gewijd museum is.

158 Anton Tsjechov Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

Moskou, Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6, Tsjechovhuis

159 Dit is de plaquette aan de muur van het huis: Hier leefde (woonde) vanaf het jaar 1886 tot en met 1890 de grote Russische schrijver Anton Pavlovitsj Tsjechov. De plaquette werd opgehangen in 1954, ongetwijfeld ter herdenking van zijn dood 50 jaar eerder. Lopasnja, het plaatsje waar Tsjechov de trein naar Moskou nam toen hij op Melichivo woonde, werd in het hetzelfde jaar omgedoopt in Tsjechov.

159 Anton Tsjechov Plaquette aan de muur van Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

160 Dit is de ingang tot het museum, achter het hek aan de rechterzijde van het huis. Ik meen me te herinneren dat je twee keer 200 roebel betaalt, éen keer voor toegang, en éen keer om te mogen fotograferen. Net als in het huis van Tolstoj in Moskou, vond ik de meeste dames die het hier voor het zeggen hadden onaangenaam. Hebt u wel betaald om te mogen fotograferen? Mag ik dan uw kaartje zien? Niet meer dan drie foto's per kamer! Erg op je je gemak voel je je dan toch niet. Ik zag er foto's die ik niet kende, wat waar het Tsjechov betreft, niet zo vaak gebeurt. Eén van de vriendelijker dames wilde me wel uitleggen wie ik zag, maar ze sprak geen Engels. En ik geen Russisch. Lastig. In Boelgakovs huis, dat niet zo ver van dat van Tsjechovs afligt, ging het heel wat ontspannener toe. De Russen zijn overigens meesters in het construeren van schamele entrees.

160 Anton Tsjechov Ingang Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

161 Woonkamer Tsjechovhuis, Moskou. Sadovaja-Koedrinskaya Ulitsa 6. Aan begeleidende teksten in andere talen wordt niet gedaan. Ik had wel de indruk dat alle andere bezoekers Russen waren, sommigen van hen erg jong, iets wat me in Melichovo ook al opviel.

161 Anton Tsjechov De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

162 De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Zelf vond ik de talrijke foto's het interessantste deel van het huis. Schrijvershuizen vallen vaak tegen, zo heb ik de indruk.

162 Anton Tsjechov De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaya Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

163 Het bureau van de schrijver. Zou het waar zijn? Krielaars meldt in zijn Brilletje van Tsjechov dat praktisch alles in Melichovo imitatie is, omdat alle echte exemplaren op Jalta en in Moskou staan. Nou, dat zullen we dan maar geloven.

163 Anton Tsjechov De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

164 De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Ongetwijfeld flink opgeleukt. Hoe zou het er echt hebben uitgezien? En waar is het aquarium?

164 Anton Tsjechov De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Sadovaja-Koedrinskaja Ulitsa 6. Foto: augustus 2012

MELICHOVO

165 Melichovo ligt op zo'n 80 kilometer ten zuiden van Moskou. Het landgoed is vanuit de hoofdstad gemakkelijk per trein te bereiken. Vanaf Station Koersk in Moskou gaat er met regelmaat een trein naar het plaatsje waar Tsjechov zelf gewoontegetrouw ooit de trein nam en dat toen Lopasnja heette, maar sinds 1954 Tsjechov wordt genoemd. De trein vertrok in mijn geval (augustus 2012) van perron 2, spoor 3. De reis duurt zo'n twee uur. Het treinretourtje kostte een krats, al moet u bij de aanschaf ervan niet op hulp rekenen van de informatiebalie. De kassa's voor de provinciale lijnen bevinden zich op de benedenverdieping van Koersk. In Tsjechov dient men een taxi te nemen, want het landgoed ligt zo'n 15 kilometer buiten de stad. Ik betaalde 300 roebel. Er rijdt overigens ook een bus, maar ik had geen zin te wachten. Het is verstandig direct af te spreken hoe laat je je weer laat ophalen, want bij het landgoed zelf zijn er geen taxi's te bekennen en het ligt afgelegen. De taxichauffeur die me ophaalde, was een andere dan die me bracht. Hij bood me aan me met de taxi naar Moskou te rijden voor 500 roebel. Ik heb het niet gedaan, want ik vond het te leuk om eens op eigen gelegenheid door het land te reizen. Soort. Per trein reizen is in Rusland een interessante ervaring, al is het alleen al omdat er vanaf je vertrek een stoet met verkopers van van alles en nog wat op gang komt die geen einde neemt. Maar het zegt wel iets over de prijsverschillen tussen Moskou en het Russische platteland. Een taxi van mijn hotel in Moskou naar het vliegveld kostte me 2000 roebel, wat echt een belachelijke toeristenprijs is, zo heb ik door iemand laten verzekeren die er meer verstand van had. Het ging dan wel om een Mercedes van Hotel Metropole, kan ik te mijner verdediging aanvoeren. Zoals gewoonlijk in Rusland betaal je in musea apart voor fotograferen en bezoek en zijn de prijzen voor buitenlandse bezoekers hoger dan voor Russische. Naar ik meen ging het om 300 roebel in totaal. Het complex betreden doe je via een soort portiershuis, waar je ook je toegang betaalt en waar er wat souvenirs worden verkocht. Bij de ingang van het complex is een standbeeld van Tsjechov neergezet en er is een soort theaterzaal gebouwd, die hier zichtbaar is. Daar pal achter ligt wat Tsjechov zijn ziekenhuis noemde, omdat hij er zijn patiënten behandelde.

165 Anton Tsjechov Melichovo. Theaterzaal met ervoor een standbeeld van Tsjechov. Foto: augustus 2012

166 Ik vond Melichovo aangenamer dan Tsjechovs huis in Moskou. Het personeel was vriendelijk en deed veel moeite. Er was aardig wat bezoek, zo viel me op. Hierbij uw dienaar. Omdat ik er alleen was, viel er soms niet aan te ontsnappen. Ljoedmilla - zo heette ze - heeft me met regelmaat fotografisch bijgestaan, of ik wilde of niet. En op de foto moest ik zelf ook, heel wat vaker dan de twee keer die u hier te zien krijgt. Die houding was haar idee. Ik was tegen. (Sukkel!)

166 Anton Tsjechov, Melichovo. Standbeeld van Tsjechov. Foto: augustus 2012

Melichovo, Standbeeld Tsjechov

167 Het lijkt soms alsof er maar twee soorten Russen bestaan, botte hurken, en uiterst vriendelijke en behulpzame mensen, waarbij ongetwijfeld een rol speelt dat je toerist bent en de taal niet spreekt, iets waar ik maar moeizaam aan kan wennen. Ik bezocht in Moskou Dom Kniggi, de grootste boekhandel aldaar, omdat ik voor mijn (Russisch sprekende en lezende) broer een catalogus van het werk van Repin wilde hebben. De dame aan de informatiebalie stak de handen omhoog en wilde niet eens luisteren. Daar staat tegenover dat ik een andere winkel een dvd wilde hebben van de Russische tv-serie naar Boelgakovs Meester en Margarita, wederom voor mijn broer. Het assortiment was immens. Twee meisjes zijn (letterlijk) 30 minuten bezig geweest, totdat ik me dood schaamde. Maar ze vonden hem. (We moeten hem hebben. Ik verstond er geen woord van, maar begreep de zin heel goed). Dit was mijn tijdelijke assistente op Melichovo, Ljoedmilla. Engels sprak ze nauwelijks, wat de conversatie bij de rondleiding aanzienlijk bemoeilijkte. Maar ze deed erg veel moeite. Nou vooruit dan.

167 Anton Tsjechov Melichovo. Ljoedmilla. Foto: augustus 2012

Melichovo, Ljoedmila

168 Dit is de vroegere ingang, maar nu de achterzijde. Er bevindt zich nu een flink grasveld, waar banken staan. Blijkbaar vinden er nu en dan voorstellingen plaats.

168 Anton Tsjechov, Melichovo. De woonkamer van Tsjechovs huis in Moskou. Foto: augustus 2012

169 De vroegere voorzijde, met een aantal banken. Waar in ons vaderland bij een locatie als deze onmiddellijk een horecagelegenheid zou worden gesitueerd, om zoveel mogelijk geld uit de bezoekers te slaan, is dat in Melichovo niet het geval. Tegenover de ingang van het landgoed, op een zo goed als verborgen plek, bevond er zich een soort schuur, waar je wat water kon kopen (of wodka natuurlijk).

169 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

170 Nog éen keer dan: uw dienaar. Ik legde het al uit. Het personeel van Melichovo was bijzonder vriendelijk en omdat ik er alleen was, viel er niet aan te ontsnappen. Ljoedmilla - zo heette ze - heeft me met regelmaat fotografisch bijgestaan. En op de foto moest ik zelf ook, heel wat vaker dan u hier te zien krijgt.

170 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

171 Michiel Krielaars krijgt, aldus zijn Brilletje van Tsjechov, van de gids die hem in Melichovo rondleidt, ene Gallina, te horen dat praktisch alles wat hij er ziet, imitatie is, omdat de originelen zich in Taganrog en Moskou bevinden. Ik vermeld het maar even. Ik wantrouw überhaupt alle schrijvershuizen.

171 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

172 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

173 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

174 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

175 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

176 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

177 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

178 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

179 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

180 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

181 Anton Tsjechov,Melichovo. Foto: augustus 2012

182 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

183 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

184 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

185 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

186 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

187 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

188 Anton Tsjechov Foto: augustus 2012

189 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

190 Met een klein beetje moeite had Tsjechov echt uit zijn raam kunnen vissen.

190 Anton Tsjechov, Melichovo. Foto: augustus 2012

TSJECHOVS GRAF IN MOSKOU

191 Tsjechov ligt begraven op het kloosterkerkhof van Novodevitsji, dat twintig minuten lopen afligt van de metrohalte Sportivnja. Ik werd op de terugweg, terwijl ik fotografeerde, onderaan de roltrap, bijna aangevlogen door de dame die zich daar, zoals op alle Moskouse metrostations, in een soort hokje bevindt. Terroristenvrees, vermoed ik.

191 Moskou, Metrohalte Sportivnja. Foto: augustus 2012

192 Dit is Novodevitsji, het Jongemaagdenklooster. De atheïst die Tsjechov was, hield van kerkklokken, kloosters en religieuze manifestaties. Ondanks alles een echte Rus. De ingang van het klooster zelf is hier net ter rechterzijde zichtbaar; voor de ingang van het kerkhof dient u de kloostermuur links te volgen. Vijfhonderd meter.

192 Moskou, Novodevitsji. Graf Anton Tsjechov. Foto: augustus 2012

193 Voor wie geen Russisch beheerst en op zichzelf is aangewezen, is het nog niet zo eenvoudig Tsjechovs graf te vinden. Het kerkhof is erg groot. Die tussenmuur die rechts op de hierbij gaande foto zichtbaar is, is de belangrijkste aanwijzing, maar dat wist ik toen nog niet. Ik werd bijgestaan door een stel sympathieke Iraniërs, die zelf vooral het graf van Tolstoj wilden bezoeken - ik, geschrokken: die ligt hier niet - dat van Aleksej Tolstoj namelijk, hoewel te onzent vooral beschouwd als een tweederangs sociaal-realistisch auteur, in Iran blijkbaar zeer populair. Tsjechov ligt er in éen omheinde ruimte, vanaf de grote ingang gezien even ter rechterzijde van de lange muur die midden over het kerkhof loopt (dus), met links naast hem zijn vrouw, Olga Leonardovda Knipper, die pas in 1959 stierf, twee jaar na Masja, en links daar weer naast zijn al in 1898 overleden vader.

193 Moskou, Novodevitsji, Graf Anton Tsjechov. Foto: augustus 2012

194 Moskou, Novodevitsji. Graf Anton Tsjechov. Foto: augustus 2012

195 In 1908 werd op Tsjechovs graf het monument gezet van L. M. Brailovski dat er nu nog staat.

195 Moskou, Novodevitsji. Grafmonument Tsjechov door L.M. Brailovski. Foto: augustus 2012

196 Dit is de grafsteen van Olga Leonardovna Knipper

196 Moskou, Novodevitsji. Grafsteen Olga Leonardovna Knipper (1868-1959). Foto: augustus 2012

197 Dit is aan de linkerzijde de grafsteen van Tsjechovs vader.

197 Moskou, Novodevitsji. Grafsteen Tsjechovs vader: Pavel Jegovoritsj Tsjechov (1825-1898). Foto: augustus 2012

198 Tsjechovs graf wordt druk bezocht. Ik was er twee keer en allebei de keren verschenen er, voordat ik er was, of erna, andere mensen. Op de twee vrouwen hier moest ik wachten tot ze uitgebeden waren. Helaas begaven deze dames zich wel onmiddellijk naar een volgend graf. Beroepsbidsters misschien.

198 Moskou, Novodevitsji. Graf Anton Tsjechov. Foto: augustus 2012

TSJECHOV IN BADENWEILER

199 Tsjechovs stierf in een Zuid-Duits kuuroord, Badenweiler, in wat toen hotel Sommer heette, en tegenwoordig Parktherme. Uit het eerste hotel waar hij verbleef, toen het beste van de stad, Römerbaden - het bestaat nog steeds - werd hij weggestuurd, omdat zijn gehoest de gasten hinderde. Uit het tweede, Villa Frederike (nu Eckerlin) vertrok hij uit eigener beweging, omdat het eten hem niet beviel. Hotel Sommer was zijn derde en laatste etappe in Badenweiler. Tsjechov stierf in de zeer vroege ochtend van 2 juli 1904 - volgens de in Rusland gebruikte Juliaanse kalender - en op 15 juli volgens de in het westen gebruikelijke Gregoriaanse kalender, in het gezelschap van een collega-arts, Schwoerer, die hem een glas champagne inschonk, van een student, Leo Rabeneck en van zijn vrouw, Olga Knipper.

199 Badenweiler, Ernst-Eisenlohr-Strasse 6. Hotel Parktherme, voorheen: Hotel Sommer. Foto's: donderdag 25 januari 2018

Badenweiler, hotel Parktherme (voorheen: Hotel Sommer)

200 Even verderop bevindt zich een klein aan Tsjechov gewijd museum, de zogenaamde Tsjechovsalon. Toen ik het eind januari 2018 bezocht, was er geen personeel en er waren trouwens ook geen bezoekers, zoals heel Badenweiler een uitgestorven indruk maakte. Heerlijk. Maar het museumpje oogt zeer verzorgd. Er wordt vooral fotomateriaal en documentatie tentoongesteld. Ik vermeldde het allemaal al eerder, in mijn inleiding, zie hier voor de website van het Duitse Tsjechovgenootschap, en hier voor informatie over de toegangstijden. Op de site (van het Duitse Tsjechov-genootschap) is ook te vinden het belangwekkende (Duitstalige) artikel van de man die, net als de Duitse arts Schwoerer en Olga Knipper, bij Tsjechov aanwezig was toen die stierf, de op dat moment jonge Russische student L.L. Rabeneck († 1972).

200 Badenweiler, Ernst-Eisenlohr-Straße 4. Tsjechovsalon. Foto's: donderdag 25 januari 2018

Badenweiler, Tsjechovsalon

Badenweiler, Tsjechovsalon

201 Het is natuurlijk wel enigszins ironisch dat het stadje dat de stervende Tsjechov eigenlijk liever niet wilde, nu geld poogt te verdienen aan de dode. Want Badenweiler leeft van het toerisme en ongetwijfeld dient het Tsjechovmuseum dat doel. Overigens is het goed op te merken - ik schreef het allemaal al - dat de tbc-patiënten ook op Jalta niet erg gewild waren. Dat neemt niet weg dat Badenweiler posthuum wel echt zijn best heeft gedaan. Het kleine museum oogt zeer verzorgd en is duidelijk georganiseerd door iemand met veel kennis van zaken. Het stadje heeft ook Russische connecties en in het museum kunt u vier mensen zien en horen spreken over Tsjechov, daaronder ook twee Russen. In Badenweiler vinden met enige regelmaat conferenties plaats over de schrijver. Wiedergutmachung, zullen we maar zeggen. Maar netjes gebeurt het allemaal dus wel, op hoogst Duitse wijze, zou zelfs Tsjechov hebben erkend.

201 Badenweiler, Ernst-Eisenlohr-Strasse 4. Tsjechovsalon. Foto's: donderdag 25 januari 2018

Badenweiler, Tsjechovsalon

Badenweiler, Tsjechovsalon

Badenweiler, Tsjechovsalon

202 En dan bevindt zich in het zogenaamde Kurpark ook nog een borstbeeld van Tsjechov. Dat park is nog best groot en flink geaccidenteerd, zoals heel Badenweiler, en als u alleen in dat beeld geïnteresseerd bent, kunt u het park het best betreden aan de zijde van het centrum, helemaal aan het eind van de hoofdstraat, waar aan een groot plein een immense, bijzonder onaantrekkelijke betonnen monster-constructie ligt met een vijver ervoor. Vanachter dat complex lopen paden omhoog, in de richting van de Belvedere, pal waaronder het beeld staat, met erbij ook een plaquette die de plaats markeert waar zich het vorige exemplaar bevond, dat aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd omgesmolten en dat nog door Olga Knipper werd ingewijd. Het voetstuk van het huidige diende ook het eerste borstbeeld.

202 Badenweiler, Kurpark. Zeer spraarzame bewegwijzering naar, en het borstbeeld van Tsjechov. Het lijkt helaas niet erg. Maker: Vladimir Tsjebotarjov. Schenker, die het zelf bracht uit Siberië, van Sachalin, met een vrachtwagen: Georgi Miromanov. We hebben het hier wel over echte bewonderaars. Foto's: donderdag 25 januari 2018

Badenweiler, Kurpark, Bewegwijzering naar borstbeeld Tsjechov

Badenweiler, Kurpark, Borstbeeld Tsjechov

Badenweiler, Kurpark, Borstbeeld Tsjechov

Badenweiler, Kurpark, plaquette bij borstbeeld Tsjechov

OVER TSJECHOV

1 TSJECHOV UITGEVEN

Zouden er mensen zijn die echt denken dat het woord Verzamelde in de titel van de Van Oorschot-editie moet worden opgevat als Volledige? Ik hoop van niet. Hoewel de Russische bibliotheek als geheel een fraai project is, ik blij ben met het bestaan ervan en in de loop der jaren dan ook alle delen heb aangeschaft, ook die van de tweede editie met de nieuwe vertaling van Tsjechov, kan ik de uitgaves als zodanig niet altijd bewonderen. Met name in de oorspronkelijke reeks is er van verantwoording en annotatie nauwelijks sprake. Zelfs zo belangrijke delen als Tolstojs Oorlog en vrede en Anna Karenina bevatten geen enkele opmerking over en verantwoording van de gebruikte editie. Zuiver uitgavetechnisch is het allemaal bijzonder primitief. Tegelijkertijd valt er soms een zekere aarzeling te bespeuren. Van Poesjkin heeft het blijkbaar even geduurd voordat besloten werd een tweede, en daarna ook een derde deel uit te geven. Wat hoort er verder nog wel bij, en wat niet? Boelgakov wel, maar natuurlijk bij lange na niet compleet, en Boenin ook en Achmatova - tweetalig zelfs - maar Tsvetajeva en Majakovski niet, al lijken bandje en typografie wel in die richting te wijzen en Pasternak al helemaal niet. Wat zou erop tegen zijn al die niet of nauwelijks meer verkrijgbare Russen, van wie het werk in Nederland danig verspreid is geraakt, eens onder te brengen in de Russische bibliotheek: met nieuwe uitgaves van Paustovsky, van Herzen, maar ook van al die twintigste-eeuwers, van Zamjatin, Ilf, Babel, Mandelstam, Sjklovski en Yevgenia Ginzburg, van wie de prachtige memoires op dit moment in het Nederlands niet eens te krijgen zijn. En dan gelijk ook maar Solshenitsyn, Sologoeb en Grossman, nou ja, en nog zo wat. Waarom heeft het trouwens zo lang geduurd voordat Leven en lot in Nederland werd vertaald? In Amerika gebeurde het al in 1989. Boelgakovs prachtige Witte Garde moest vreemd genoeg wachten tot het in 1994 werd opgenomen in deel 1 van de Russische Bibliotheek, maar in de VS (alweer) werd het vertaald in 1971. Ik kocht de Fontana–pocket in 1973.

Maar ik wil het hier eigenlijk alleen over Tsjechov hebben. Dat de editie überhaupt bestaat, is natuurlijk volkomen terecht. Ooit klaagde Poesjkinvertaler Hans Boland in een onbegrijpelijk stukje in Trouw: met het vertalen van zoveel Tsjechov-verhalen werd de schrijver geen dienst bewezen. En dan vooral omdat Tsjechov Rusland eigenlijk haatte. Wat precies het verband was tussen het éen en het ander werd me niet duidelijk. Feit blijft natuurlijk dat van een schrijver als Tsjechov - maar eigenlijk van elke andere zeer grote schrijver - elke snipper het waard is vertaald te worden, al is het alleen maar omwille van een beter begrip van diens werk voor wie de oorspronkelijke taal niet kan lezen, en al helemaal als het om Russisch gaat. Ik zou maar wat graag ook een echt complete editie van Boelgakov zien. In een land als Frankrijk wordt het als een vanzelfsprekendheid beschouwd een volledige uitgave te vervaardigen van elke eigen auteur die de moeite van het lezen waard is en in andere landen om ons heen is het niet anders. Boland zelf heeft een (prachtige) complete Poesjkinuitgave op zijn naam staan. Te vrezen valt helaas dat we het met de Van Oorschot-editie zullen moeten blijven doen. Wat betreft Timmers oude en de nieuwe van Eekman, Prins en Stoffel: qua keus van de verhalen zitten de grootste verschillen uiteraard in de eerste delen. Het oude deel 1 in de vertaling van Timmers bevatte 110 verhalen uit de periode van 1882 tot 1886 in 670 pagina's, het nieuwe 70 verhalen uit de jaren 1880-1885 in 564 pagina's. Dat zijn dus 40 verhalen, en bijna 100 pagina's minder. In het nieuwe eerste deel zitten wel 11 verhalen die niet in het oude eerste deel voorkwamen, terwijl er 10 verhalen in werden opgenomen uit het oude deel 2. Het belangrijkste nieuwe verhaal is natuurlijk het eerder ontbrekende, 180 bladzijdes tellende Drama op de jacht. Het oude deel 2 bevatte in 654 pagina's 75 verhalen uit de jaren 1886 en 1887, het nieuwe deel 2 bevat in 570 pagina's 91 verhalen uit de jaren 1885 en 1886. Dat is een winst van 26 verhalen. Het oude deel 3 telde in 608 bladzijdes 24 verhalen uit de jaren 1887 tot 891, het nieuwe deel 3 bevat in 598 pagina's 75 verhalen uit de periode 1887-1888. De oude uitgave bevatte geen enkele vorm van toelichting, de nieuwe Tsjechov-vertaling is op dat punt een verbetering, want ze bevat in elk geval wat annotatie, heeft in een slotwoord een korte biografie voor de periode waaruit de verhalen stammen, en steeds een verantwoording, dat alles in bij elkaar zo'n 15 pagina's per deel. Het belangrijkste ontbrekende verhaal is Lichtjes (uit 1892), naar mijn idee één van Tsjechovs mooiste. Ik vind het onbegrijpelijk dat het is verdwenen. Van sommige bekende verhalen is de titel veranderd, blijkbaar ook al om die te moderniseren. Tsjechovs aan Garsjin gewijde verhaal, door Timmer nog - terecht - vertaald met De toeval, werd, merkwaardig genoeg: Zielepijn, het Huis met de loggia werd Het huis met de Mezzanine, zijn Man in het foedraal werd Een man in een etui en In dienstaangelegenheden werd Uit hoofde van hun functie en heette bij Urban gewoon Op dienstreis. Zelf vond ik die aanpassingen soms nogal gewild en niet altijd gelukkig.

Samengevat zien de twee uitgaves er dan zo uit (A = oude editie, B = nieuwe editie). De nieuwe uitgave telt 20 verhalen en 475 pagina's minder dan de oude. Die 475 pagina's minder zijn ongetwijfeld niet alleen te wijten aan de ontbrekende verhalen, maar ook aan Timmers wijdlopiger stijl.

  1A 2A 3A 4A 5A  
BLADZIJDES 670 654 608 654 783 3396
VERHALEN 110 75 24 25 71 305

  1B 2B 3B 4B 5B  
BLADZIJDES 564 570 598 600 589 2921
VERHALEN 70 91 75 21 28 285

  1880 1881 1882 1883 1884 1885 1886 1887 1888 1889 1890 1891
A 2 1 4 43 23 45 69 56 9 2 2 3
B 1 0 6 29 24 43 58 51 8 2 3 2
  1892 1893 1894 1895 1896 1897 1898 1899 1900 1901 1902 1903
A 10 2 7 6 2 4 7 4 1 0 2 1
B 7 2 7 6 2 4 6 4 2 0 1 1

De sinds 2005 verschenen uitgave gaat, zo schrijft Aai Prins in een slotwoord, terug op de editie die door Tsjechov zelf in 1899 met zijn laatste uitgever, Marx ("ik ben Marxist geworden", schrijft Tsjechov gnuivend) overeen is gekomen, en telt ook nog 27 daar niet in opgenomen verhalen. Tegelijkertijd echter zijn er dus veel meer verhalen uit de oude uitgave verdwenen. Tsjechov beschrijft in zijn brieven de wijze waarop de Marx-editie is ontstaan, en wat hij er daar over zegt, is meer dan genoeg aanleiding die uitgave niet als een nec plus ultra te beschouwen. De 75.000 roebel die hij kreeg, waarvan 20.000 contant, vormde een bescheiden bedrag, en dat wist hijzelf ook. En hij besefte ook dat hij over alles wat in die uitgave verscheen, èn over alles wat hij nog zou schrijven, voorgoed de rechten kwijt was. Hij was ziek, moet zich hebben afgevraagd hoe lang hij nog te leven had en zag zich genoodzaakt in hoog tempo al zijn oude werk door te nemen. Hij moest daarvoor van vrienden de betreffende bundels, tijdschriften en wat dies meer zij lenen, omdat hij ze zelf niet had en geen manuscripten bewaarde, kiezen wat hij de moeite waard vond, en ook nog de teksten opschonen.

Het belangrijkste doel van de huidige, tweede Tsjechov-uitgave lijkt dan ook het Nederlands aantrekkelijker te maken voor een nieuwe generatie lezers. En zeker was Timmers in de eerste uitgave niet bang het Nederlands een archaïsche, en soms ook wat wijdlopiger toon te geven dan bij Tsjechov zelf het geval is, maar de moderniseringen kan ik ook niet altijd als geslaagd beschouwen. Super! Voor de latere delen van de reeks geldt natuurlijk - éen belangrijke uitzondering daargelaten - dat de verhalen in kwestie domweg alle verhalen zijn, maar met name voor de eerste drie is dat niet het geval, terwijl ook het deel met de brieven wel eens uitgebreid zou mogen worden, ook al moet dan worden opgemerkt dat de Nederlandse editie bij de meeste andere West-Europese - afgezien dus die van Urban - gunstig afsteekt. Het is geenszins de bedoeling laatdunkend te doen over de niet geringe inspanningen die vertalers en uitgever hebben gedaan, maar waarom beschouwen zij een uitgave zoals de delen van de Russische bibliotheek niet eens als een eerbetoon, eentje waarbij je geen rekening houdt met de gemiddelde lezer. Dat het kan, bewijst de Diogenes-uitgave. Het valt aan te nemen dat de belangstelling van de gemiddelde Duitse Tsjechov-lezer niet veel verder gaat dan die van de Nederlandse. Wie wil, kan de verhalen lezen, zonder verdere bagage, maar wie daar prijs op stelt, krijgt in elk geval de middelen om zijn verder gaande nieuwsgierigheid te bevredigen. In Nederland wordt iedereen ertoe veroordeeld een gemiddelde lezer te blijven. En dat is jammer. Dat neemt niet weg dat ik mijn hoed voor de vertalers afneem, want liefdewerk blijft het, terwijl oud papier nooit ver weg is.

En omdat we het over vergelijken hebben, voor wie geïnteresseerd is: ik heb voor de aardigheid in een apart stuk bij elkaar gezet de eerste zes pagina's of zo van twee Tsjechov-vertalingen, die van Charles B. Timmers uit 1955 en die van Tom Eekman uit 2008, van Tsjechovs verhaal Een vervelende geschiedenis, dat van 1889 dateert. Alleen voor die pagina's al gebruikt Eekman ruim 500 woorden minder.

Anton Tsjechov, Verzamelde Werken, deel 5. 21 verhalen 1896-1903. Met nog 50 verhalen uit de jaren tussen 1880 en 1887, 799 pagina's. Vertaald uit het Russisch door Charles B. Timmer. Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1967. Eerste druk 1957. Ietwat verfomfaaid. Dat komt ervan. Gekocht op 18 september 1975 voor fl 37.50

Tsjechov, Verzamelde Werken, deel 5

Anton Tsjechov, Verzamelde Werken, deel 5. 28 verhalen 1895-1903. 634 pagina's. Vertaald uit het Russisch door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel. Amsterdam, G.A. van Oorschot, eerste druk, januari 2010 Gekocht op 20 oktober 2010 voor € 39

Anton Tsjechov, Verzamelde Werken, deel 5

2 TSJECHOV BEGRIJPEN

In mei 1988 liep ik in Oost-Berlijn, vlakbij Alexanderplatz, aan wat ook in 2018 nog steeds de Karl-Marx-Allee heet, de gelijknamige boekhandel binnen, zoals ik nu eenmaal altijd en overal boekhandels binnenloop, en - waar ik was voorbereid op de Verzamelde Werken van de buiten op het straatnaambordje aanwezige prediker van het socialisme, alsmede die van Lenin, Luxemburg en Bebel, die er ook inderdaad in haast militaire slagorde in de schappen stonden opgesteld - trof ik er tot mijn verrassing ook een mij onbekende editie aan de van de brieven van Tsjechov, van de Zwitserse, Duitstalige uitgeverij Diogenes. Het ging om 5 delen, met in totaal ongeveer een derde van de correspondentie. De Van Oorschot-uitgave bevat ruwweg een tiende. Kosten voor de reeks 57 D-Mark. Dat waren, even voor de goede orde, de door mij regulier gewisselde Oostmarken die je, als je oppaste, overal op straat voor 9 tegen 1 kon krijgen, en die anderhalf jaar later, hoewel ze niets meer waard waren, op galante wijze, 1 tegen 1, in een honderden miljarden kostende operatie, werden geaccepteerd door de nog West-Duits genoemde regering. Ik voelde me, terwijl ik voor de kassa stond, wel schuldig, en ik was verbaasd dat een, naar wat ik aanneem toch flink gesubsidieerde westerse editie, bedoeld voor de boeren en arbeiders, zomaar door een doorgewinterde westerse kapitalist kon worden meegenomen. Ik was er dan ook op voorbereid dat de aanschaf me door de ambtenaar achter de kassa alsnog zou worden verboden. Maar ik had het mis. Ik wist het toen niet, maar de boekhandel had, ook in het westen, een uitstekende reputatie. Ik nam trouwens nog iets mee, vanuit het dubieuze idee wellicht op die manier mijn marxistisch-leninistische politieke correctheid te bewijzen: LTI, van Victor Klemperer, al had ik dat vermoedelijk ook in het westen kunnen kopen. De eerste reeks van Klemperers Dagboeken zou zo'n 10 jaar later, toen die aan het licht kwam, veel opzien baren. Het idee Tsjechov in het Duits aan te schaffen, was wat mij betreft revolutionair. Maar in dit geval werd dat gerechtvaardigd door het feit dat een soortgelijke uitgave in het Nederlands niet beschikbaar was.

De editie in kwestie was ook mijn kennismaking met Peter Urban (1941-2013), die voor dezelfde uitgeverij, Diogenes, een enorme Tsjechov-uitgave verzorgde, van een kwaliteit en een omvang waar de 7-delige uitgave van de Russische bibliotheek niet aan kan tippen. Het bijzondere eraan is vooral de wetenschappelijke opzet, de uitgebreide annotatie en de verregaande compleetheid. Afgezien dus van de 5 delen brieven gaat het om meer dan 30 delen, waarvan het verhalende werk er 11 beslaat (en het toneel trouwens 8). Ook die heb ik in de loop der jaren aangeschaft, inclusief alles wat Urban verder òver Tsjechov heeft laten verschijnen. Zijn Čechov-Chronik (1981) een van dag tot dag gemaakte datumlijst met de plaatsen waar Tsjechov verbleef, dan een waardevolle bundel met een groot aantal essays over Tsjechov van tijdgenoten en andere 20e-eeuwse schrijvers (Über Čechov, 1988), en een fotobiografie (Anton Čechov, Sein Leben in Bildern, 1987). Die werd nota bene onlangs, in december 2016, in Nederland uitgegeven in een vertaling van Anne Stoffels. Die Č (de C met een háček) in Urbans schrijfwijze van Tsjechovs naam, is wel een blijk van diens eigenwijsheid, want de letter komt niet in het Russisch voor. Van een vriend kreeg ik, al lang geleden, een map met zo'n 50 foto's, grotendeels zwart-wit, maar ook met een aantal in kleur van Melichovo, het ten zuiden van Moskou gelegen landgoed dat Tsjechov in 1892 kocht, en van diens verblijfplaatsen op Jalta. De map werd blijkbaar uitgegeven ter gelegenheid van een uitvoering van Drie zusters, door de Schaubühne am Lehniner Platz, aan de Kurfürstendamm, in februari 1984. Urban werkte eraan mee. Geleidelijk heb ik daarnaast een aantal biografieën en – zullen we maar zeggen – egodocumenten gekocht, met als eerste Ernest J. Simmons biografie van 1962 (University of Chicago Press), naar mijn idee nog steeds de beste. Op Amazon zag ik dat hij in 2011 is heruitgegeven, voor veel geld. Toen ik bij Janet Malcolm (Reading Checkov, Random House, 2002) las dat zij dat ook vond, deed me dat deugd, al kon haar boekje me verder niet erg bekoren. Maar ik was minstens zo verbaasd te lezen dat ze Troyats biografie (Flammarion, 1984) zonder commentaar liet passeren, want die plagieert deels op soms onbeschaamde wijze Simmons. Raymond Carver gebruikte Troyats biografie trouwens ook, voor zijn beroemde Errand (in de bundel Elephant, 1988), over Tsjechovs dood. Van Siegfried Melchinger kocht ik zijn (Duitse) biografische essay, Anton Tsjechow (1968). En dan zijn er uiteraard Pritchetts liefdevolle biografie (Penguin, 1988), de al even zachtmoedige biografische schets van Natalia Ginzburg (Einaudi, 1989), de zo Britse biografie van Hingley (Oxford University Press, 1976), van Rayfield (Harper Collins, 1997) en een bundel met essays van Russische tijdgenoten, en een selectie uit de brieven, van Andrei Turkov (University of Arkansas Press, 1998). Rayfields biografie, de laatste belangrijke die verschenen is, vond ik een wat zielloos boek. En hoewel ik op deze pagina weinig aandacht besteed aan Tsjechovs toneel, vond ik het boekje van Minkine, Une âme douce (Éditions des Syrthes, 2014) bijzonder aardig. En ten slotte zijn er uiteraard Rondom Tsjechov (1988) van Michael Tsjechov, een van de vier broers van de schrijver, de Herinneringen van Lydia Avilova (Methuen, 1989), die zegt (of suggereert) zijn minnares geweest te zijn, en de afzonderlijk uitgegeven briefwisseling tussen Tsjechov en Olga Knipper, Dear writer, Dear actress (Ecco Press, 1996). Praktisch al die brieven waren al door Urban opgenomen in zijn brieven-uitgave. Ik ben me er overigens van bewust dat er nog veel meer over Tsjechov geschreven is, maar alla.

Peter Urban (1941-2013), Anton Čechov, Sein Leben in Bildern. Zürich, Diogenes Verlag, 1987. Gebonden, 351 pagina's met 728 foto's. Gekocht op 29 januari 1990 bij Die Weisse Rose voor fl. 161. ISBN: 3-257-01756-1

Peter Urban (1941-2013), Anton Čechov, Sein Leben in Bildern

Dat Tsjechov in die boekhandel aan de Karl-Marx-Allee stond, zo realiseerde ik me, was op zich niet verbazingwekkend. Tsjechov is ten tijde van de Sovjet-Unie ook altijd uitgegeven, zij het dan soms met wat kritische, maar gezien de verdere bewondering gratuit klinkende kanttekeningen. Tsjechov was dan wel de kleinzoon van een lijfeigene, had het hart op de goede plek, en fungeerde voor de verwesterde, anti-tsaristische liberalen aan het eind van de negentiende eeuw (maar niet voor de slavofielen) dan wel als het soort dissident dat later onder de post-Stalinperiode zou opduiken, het was voor iedereen die een beetje kon lezen ook duidelijk dat hij niet zo simpelweg viel terug te brengen tot iemand met specifieke politieke overtuigingen, terwijl hij heel wat verkeerde vrienden had (zo de krantenuitgever Soevorin) en ook nog een beetje een koelak was. Ilya Ehrenburg erkent zoiets in zijn uit 1961 daterende essay (over het herlezen van Tsjechov): Tsjechov hield er geen welomschreven politieke opvattingen op na, en ik heb niet de bedoeling hem marxistische opvattingen toe te schrijven. Opmerkelijk is het essay echter alleen omdat er voor het eerst iets in wordt gezegd, wat daarvoor niet gezegd kon worden, maar wat iedereen al lang wist. Inmiddels wordt Tolstoj door de huidige Sovjetautoriteiten kritischer bejegend dan Tsjechov. Tsjechovs sterfjaar zou in 2004 uitgebreid worden herdacht.

Iemand als Paustovski is van de halfhartigheid waarmee schrijvende lezers Tsjechov tegemoet traden, een typerend voorbeeld. Hij was een fervent Tsjechov-bewonderaar. In deel 1 van zijn memoires, Verre jaren, vermeldt hij hoe geschokt hij is, als hij in 1904, nog op het gymnasium in Kiev, hoort van de dood van de schrijver. Iemand uit zijn vriendenkring gaat naar de begrafenis in Moskou, en krijgt een groot boeket veldbloemen mee. In het laatste hoofdstuk van het vierde deel, De tijd van de grote verwachtingen, beschrijft hij, hoe hij eind 1921 - nadat hij een paar dagen door Sebastopol heeft gedwaald, waar de mensen op straat van honger kreperen - ten slotte scheep gaat naar de Krim. Daar stapt hij 's avonds in het donker in Jalta van boord, tegen ieders advies in, want er wordt nog geschoten en veilig is het niet, en begint er in het duister aan een gevaarlijke dwaaltocht, om bij toeval voor de deur van Tsjechovs voormalige huis in Aoetka terecht te komen, waar hij eerder, zo vermeldt hij, in 1906, ook al was geweest. Hij barst er in tranen uit als hij de plaquette aan de muur ziet met Tsjechovs naam.

Ik begreep niet en begrijp nog altijd niet waarom ik juist richting Aoetka was gegaan, de kant uit van dit huis. Ik begreep het niet maar natuurlijk leek het me dat ik er bewust heen was gegaan, dat ik het gezocht had, en dat iets belangrijks mij bewoog en mij hierheen had gevoerd.

De reden is wel duidelijk. Na de gruwelen waar hij in de voorafgaande tijd getuige van is geweest, kan een beetje menselijkheid geen kwaad.

En plotseling overviel me een gevoel van een nabij en onherroepelijk geluk. Waarom weet ik niet. Misschien door dit heel zuivere sneeuwlicht dat leek op de verre straling van een prachtig land, door het lang in mijn onderbewustzijn verdrongen en onuitgesproken besef dat ik een zoon van Rusland, van Tsjechov was. Hij had zijn land op vele wijzen lief gehad, onder andere ook als de schuchtere bruid in zijn laatste verhaal. Hij geloofde er vast in dat zijn land onvermijdelijk op weg was naar gerechtigheid, schoonheid en geluk.

Eerlijk gezegd wantrouw ik het verhaal enigszins. Sommige dingen zijn te mooi om waar te zijn. En die gerechtigheid, schoonheid en geluk, nou ja. Dat alles neemt niet weg dat hij in deel 2, Begin van een onbekend tijdperk, schrijft:

De intelligentsia – deze grootse Russische intelligentsia, het troetelkind van Poesjkin, Herzen, Tolstoj en Tsjechov – was in haar overgrote meerderheid het spoor bijster. Het kwam onomstotelijk vast te staan dat zij weliswaar hoge geestelijke waarden wist te scheppen, maar op een enkele uitzondering na machteloos stond nu het erom ging een nieuw staatsbestel te scheppen. (…). De verwarde, haast irreële toestand van het land mocht niet langer voort blijven duren. Als de natie wilde blijven voortbestaan, dan moest het doel duidelijk voor ogen staan en met vereende krachten de koe bij de horens worden gevat. Het bleek dat er, wilde men gerechtigheid en vrijheid vast verankeren, hard gebeuld en zelfs onbarmhartig gehandeld moest worden. Het werd ook duidelijk dat deze dingen niet spontaan vorm aannamen bij klank van cimbalen en het enthousiaste geroep van de burgerij.
Dat waren de eerste lessen van de revolutie. Dat was de eerste confrontatie van de Russische intelligentsia met de idealen ervan. Het was een bittere kelk. En hij ging aan niemand voorbij. De sterken dronken hem uit en bleven solidair met het volk, de zwakken ontaardden of gingen ten onder.

Ja, u hebt gelijk. Dat Nederlands is wel een beetje knullig. Ik weet niet in hoeverre Paustovsky's Russisch knullig was, want dat kan ik niet lezen, maar de vertaling van Wim Hartog klinkt niet overal even meesterlijk. Soms lijkt ze trouwens veel beter, en dan met name in de uitbundige natuurdelen. Vanzelfsprekend ergert het me bovenmatig dat Paustovski hier twee van mijn helden tegelijk bekladt, Tsjechov, maar ook Herzen. Paustovski heeft er een handje van om de soms hardvochtige beschrijvingen van hetgeen hij meemaakt, te laten volgen door idyllische natuurtaferelen die de afdronk uit bovengenoemde kelk dienen te verzoeten. En de door mij geciteerde passage met Paustovsky's duistere wandeling naar Aoetka functioneert als zodanig na de gruwelen van Sebastopol. Anderzijds hebben soortgelijke opvattingen als de zijne lang stand gehouden. Ik herinner me heel wat Russische verfilmingen naar Tsjechovs verhalen uit de jaren '70 en '80, die, hoewel ze een duidelijke Sovjet-draai hadden gekregen, wanneer ze eens op de Nederlandse televisie werden getoond, door de toenmalige kunstbewakers alhier zeer werden geprezen, terwijl ik me bijna per definitie ergerde aan de sociale strekking die erin was verstopt en die de verhalen vaak een onechte toon gaf, inderdaad, zoals een valse noot klinkt in het concert. Maar die filmrecensenten slaagden er blijkbaar niet in die noot te horen, omdat zijzelf Tsjechov ook begrepen als een held der, al dan niet marxistisch getoonzette, vooruitgang.

Maar Tsjechov had al jong geleerd, aan de Moskouse keukentafel, toen hij nog met Tsjechonte ondertekende, dat strekkingen en boodschappen een verhaal geen goed doen. Ofschoon hij er zich aanvankelijk zelf niet altijd aan houdt, kan zijn advies aan Boenin: Schrap het begin en het eind, als zodanig worden opgevat. En om de Russische intelligentsia het troetelkind van Tsjechov te noemen, lijkt me evenzeer onjuist. Wie dat wil, kan tientallen plaatsen uit zijn correspondentie aanwijzen, waar hij zich negatief over die intelligentsia uitlaat. Ik zal ze u besparen. In zijn verhalen is Tsjechov de schrijver van de menselijke staat, eerder dan van het menselijk tekort, die toont, noteert, en weergeeft. En juist omdat hij, niet enkel weigert toe te geven aan de drang naar een moraal, maar die neiging geheel negeert, zelfs uitsluit - omdat zelfs de delen die nog als boodschap zouden kunnen worden opgevat, door iets wat erop volgt vaak in een ironisch of dubieus licht komen te staan - terwijl hij zijn personages schildert vanuit een zeker begrip, zonder als standpunt het heelal te kiezen, met het soort warmte dat hem zo eigen is, en tegelijk door die over te dragen aan zijn personages, een trek waarin hij verschilt van bijvoorbeeld de veel genadelozer (en Franse) De Maupassant, krijg je als lezer ten slotte begrip voor de tragiek waarmee zijn mensen moeten leven. De personages in kwestie worden nooit getypeerd naar hun stand, of hun milieu. Hun tekortkomingen zijn hun eigen tekortkomingen en de stand of het milieu vormt er wel de achtergrond van, die er onverbrekelijk mee is verbonden, maar niet de oorzaak. Zie de mens, dat lijkt de enige boodschap. En zie ons Rusland. Want ook dat is onmiskenbaar. Hoogstens kun je na lezing van Tsjechov begrijpen waarom de Russische intelligentsia er niet in slaagde weerstand te bieden aan de overval der rode gardes. Maar ook daar heb je Tsjechov niet voor nodig. De min of meer stilzwijgende kritiek op het bewind der tsaren, die gelegen was in elke schildering van het Rusland der eind negentiende eeuw, en die zo moeilijk te censureren viel - ook al deden de censoren wat ze konden - bereidde de weg voor voor heel anderen, die in totale gewetenloosheid diezelfde intelligentsia zouden vernietigen, of op de vlucht zouden doen slaan. De zeldzame keren dat Tsjechov wel een bedoeling heeft, is in de verhalen waarmee hij – stilzwijgend – de strijd aangaat met Tolstojs dwaze ideeën. Het bewijst dat Tsjechov niet zo bescheiden is als vaak wordt gezegd. Hij was overtuigd van zijn grote talent. Wie anders zou de moed hebben gehad in een verhaal met Tolstoj de polemiek te zoeken? Tjechov bewonderde - en hoe kon het anders - Tolstoj de schrijver, en omgekeerd was hetzelfde het geval. Maar verder ging die bewondering niet. En dan is er uiteraard een aantal verhalen waarin Tsjechov de Rus van zijn eigen tijd laat zien hoe wreed het lot is van dieren, kinderen, en boeren. Maar zelfs die verhalen zijn alleen huns ondanks een sociale aanklacht. Tsjechov las Zola met plezier, maar een groot schrijver vond hij hem niet. En het is begrijpelijk waarom. Want er zijn bij Tsjechov heel wat verhalen waarin diezelfde kinderen, boeren, en ambtenaren, maar ook zijn mede-intellectuelen, minstens zo wreed of dom zijn. Ook de brieven die hij schrijft uit Melichovo getuigen van zijn sceptische kijk op de door een deel der Russische intellectuele elite zo bewonderde boeren.

Dwaas zijn Paustovsky's opmerkingen omdat ze er vanuit gaan dat een schrijver een agenda zou moeten hebben, met sociale standpunten en politieke overtuigingen. In dat opzicht paste Tolstoj beter in de marxistische literaire opvattingen dan Tsjechov. Van Tolstoj kun je vanuit die optiek zeggen dat hij dwaalde, maar Tsjechov zocht niet eens. Voor Paustovsky, die er zelf, noodgedwongen en zichtbaar met weinig enthousiasme, zo'n agenda op na hield, was de misvatting begrijpelijk, maar, nog opgegroeid onder de tsaren, en op ouderwetse wijze opgeleid, had hij niet alleen beter kunnen weten: hij wist wel beter. Zijn kritiek is een buiging naar de autoriteiten, voor wie hij heel wat meer reden had bang te zijn, dan Tsjechov, of de beroepsballing Herzen, ooit noodzakelijk hadden gevonden voor die van hen.

Konstantin Paustovskij (1892-1968), Verre jaren, herin-neringen aan het tsaristische Rusland. Eerste deel van een reeks van zes. Vertaald door Wim Hartog. Privé-domein nummer 16. Amsterdam, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1983. Eerste druk 1970. Paperback, 332 pagina's. Gekocht op 14 april 1980 voor fl. 40.30 bij Allert de Lange. ISBN: 90 295 33390

Konstantin Paustovskij (1892-1968), Verre jaren

Niet alleen is er vanuit Marxistisch standpunt altijd milde kritiek geweest op Tsjechov en hebben die opvattingen bovendien geleid tot een lezing van Tsjechov, waaraan ook heel wat westerse literaire autoriteiten zich als fellow-travelers conformeerden door hem te zien als een strijder in dienst van de vooruitgang, hem is merkwaardig genoeg ook vaak het tegenovergestelde verweten, namelijk dat hij zwartgallig is en aartspessimistisch. Zo herinner ik me een stuk van ene mevrouw Mizee over Tsjechov, ter gelegenheid van het verschijnen van de nieuwe vertaling van deel 4 van Van Oorschots Russische bibliotheek. In het stuk van bijna een pagina, grotendeels bestaand uit geestig bedoelde dialoog, verschenen in wat volgens mij een bijlage of zo was van NRC-Handelsblad, beschrijft de mevrouw de tragikomische totstandkoming van haar artikel dat een recensie had moeten worden. En tragikomisch was het, omdat Tsjechov haar zo bleek te vervelen. Uit het artikel bleek naar ik meen dat de lezing van deel 4 haar kennismaking met Tsjechov vormde. Wat dan precies de reden was dat uitgerekend zij dan die taak had opgedragen gekregen, is één van de raadselen van een type waarmee de regelmatige lezer van de culturele bijlage van NRC wel vaker moet worstelen. Ik herinner me een stuk over Casanova, geschreven door iemand die in de eerste zin meldde dat hij nog nooit iets van Casanova had gelezen. Hoe dan ook, een vriend van Mizee bewonderde Tsjechov wel, omdat hij zo somber was. Over Tsjechov zelf viel verder nauwelijks een woord. Hermans en Van het Reve hielden ook niet van Tsjechov, schrijft Mizee, doelend op Gerard, naar ik aanneem. Tolstoj, die verslond ze. Dat schrijft ze tenminste. En ze citeert hem instemmend. Tolstoj had namelijk gezegd dat Tsjechov een aardige man was, maar dat het hem ontbrak hem aan een levensopvatting. En ze noemde nog een bezwaar: aan het eind van de verhalen zijn de mensen even ver als aan het begin, en de lezer ook. Ik citeer uit het hoofd. In haar artikel noemt ze het derde verhaal, waar ze zich, zo schrijft ze, diagonaalsgewijs doorheen heeft gewerkt. Zo vervelend vond ze het dus. Ik vond dat wel jammer. Want dat verhaal is uitgerekend Een vervelende geschiedenis, en dat is (naar mijn bescheiden mening) (maar ook die van Thomas Mann) een van de allermooiste verhalen van Tsjechov. Het stukje heeft me in elk geval bevreemd. Wat zouden de vertalers ervan hebben gevonden, denk je dan. Waarom heeft mevrouw Mizee in 's hemelsnaam de opdracht gekregen? En waarom heeft ze die geaccepteerd? Tsjechov zelf zou trouwens voor zo'n stuk geen anderhalve pagina nodig hebben gehad. Hij zou het niet willen hebben schrijven. Pieter Steinz voegde aan het artikel een kort stukje toe, dat min of meer als een soort excuus bedoeld leek, zo had ik de indruk.
Het verwijt van zwartgalligheid en pessimisme heb ik nooit begrepen. Tsjechov was in de dagelijkse omgang gevreesd vanwege zijn scherpe tong. Zijn standpunten zijn vaak die van de westerse, mede door de verlichting gevormde denker, die zelfs, zonder dat hij het soms weet, naar ik vermoed, gedachten verwoordt die door diezelfde denkers eerder werden geformuleerd. Ver voordat de stervende hoogleraar in Een vervelende geschiedenis geen zinnig antwoord heeft op de vraag die zijn wanhopige pleegdochter hem stelt: Om Godswil, zeg me gauw, nu meteen: wat moet ik doen? Zeg het: wat moet ik doen? zegt hij bij zichzelf:

Ik ben helaas geen filosoof en geen theoloog. Ik ben me er goed van bewust dat ik niet langer dan een half jaar te leven heb; je zou denken dat mij nu vooral de kwesties moesten bezighouden als het duister na de dood en de visioenen die mijn doodsslaap zullen bezoeken. Maar om wat voor reden dan ook wil mijn ziel niets van die kwesties weten, al erkent mijn verstand ten volle het belang ervan. Net als twintig, dertig jaar geleden interesseert mij ook nu mijn dood nadert uitsluitend de wetenschap. Wanneer ik mijn laatste adem uitblaas zal ik toch geloven dat wetenschap het voornaamste, het mooiste en noodzakelijkste in een mensenleven is, dat zij altijd de hoogste uiting van liefde was en zal blijven, en dat alleen door haar de mens de natuur en zichzelf zal overwinnen. Dat geloof is misschien naïef en onjuist gefundeerd, maar ik kan het niet helpen dat ik zo geloof en niet anders; dat geloof in mezelf onderdrukken kan ik niet.

Aan zijn uitgever, Soevorin, met wie hij over de kwestie Dreyfus een conflict kreeg, schrijft hij, wanneer hij het over Tolstoj heeft, en hij klinkt als Diderot ruim een eeuw eerder:

Enig nadenken en een beetje rechtvaardigheidsgevoel zeggen me dat er meer liefde voor de medemens aanwezig is in de uitvinding der elektriciteit en stoom, dan in kuisheid en onthouding van het genot van het eten van vlees.

En welzeker is dat een sneer in de richting van zijn oudere collega, die hij anderszins zo bewonderde. En net als die verlichtingsdenkers is hij somber gestemd over de mogelijkheden der progressie. Nergens zegt Tsjechov: il faut cultiver son jardin, maar hij leefde er wel naar, waarbij hij bovendien over de grenzen van die tuin ruimhartige opvattingen heeft. Hij ging ondanks de tuberculose waaraan hij leed de cholera te lijf op zijn landgoed Melichovo, liet er in de omgeving scholen bouwen en vertrok toch naar Sachalin, omdat hij vond dat het moest. En hij deed dat alles op bijna berustende wijze. Want ongetwijfeld besefte hij wel wat van dat alles de vrucht zou zijn. Zijn houding is een verwijt aan zijn mede-intellectuelen, die hij zo vaak afschildert als overtolligen: Leef naar wat je gelooft, in plaats van na kortstondig enthousiasme de strijd op te geven. En dat is ook de reden waarom wie Tsjechov leest, niet op een boodschap hoeft te hopen. Niet alleen is dat een levensvisie, het is er één die (meestentijds) heel wat effectiever was dan die van Tolstoj, en dat wist Tsjechov heel goed. En het is dan ook pijnlijk, dat moderne lezers, die geen idee hebben waar ze over schrijven, in zo'n kwestie ook nog de kant van Tolstoj kiezen, en Tsjechov verwijten dat hij geen levensvisie heeft. Een schrijver naar zijn eigen waarde schatten, en niet naar die van een ander, is ook een talent. En wilt u per se een boodschap? Lees Zaal 6. Daar hebt u Tsjechov op zijn bitterst en zijn boost.

Peter Urban (1941-2013), Čechov Briefe 1901-1904. Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban. Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk. ISBN: 3-257-01585-2 (Gebonden, 493 pagina's). Vijfde en laatste deel. Gekocht op 12 mei 1988 in Oost-Berlijn, in de Karl-Marx-Buchhandlung aan Karl-Marx-Allee - die in februari 2008 voorgoed de deuren sloot - vijf delen voor 57 Ostmarken. Urbans editie geeft ongeveer een derde van Tsjechovs briefwisseling en levert alle vertaalde brieven in complete versies. Met index van de in de brieven vermelde verhalen, met een 100 pagina lang personenregister van al Tsjechovs correspondenten, hun korte biografie en de betreffende totaalaantallen brieven en de ervan opgenomen nummers. Samen met de fotobiografie en de Tsjechov-kroniek misschien wel Urbans belangrijkste uitgave over Tsjechov.

Peter Urban (1941-2013), Čechov Briefe, 1901-1904, Herausgegegeb und übersetzt von Peter Urban. Zürich, Diogenes Verlag, 1979

TSJECHOV VERGELIJKEN

Tsjechov is bij al zijn eenvoud blijkbaar dus maar moeilijk te begrijpen. Thomas Mann heb ik altijd bewonderd en Flaubert net zo, zij het vooral vanwege diens correspondentie. Al ver voordat ik Peter de Mendelssohns onaf gebleven biografie las over Mann, en later die van Klaus Harpprecht, wist ik, niet alleen dat daar iemand schreef die homoseksueel moest zijn, maar ook dat er, wel net als bij Flaubert, onder die tot in de puntjes verzorgde stijl iemand schuilging die moeite had te voelen. Mijn liefde voor Mann is gebaseerd op iets wat maar lastig aan buitenstaanders valt uit te leggen: natuurlijk op die altijd glinsterende stijl, de voortdurend vloeiende ironie, maar toch vooral op de wijze waarop Mann in zijn beste werk verhaal weet te combineren met persoonlijke gedachtenwereld, zonder dat het een het ander verstoort; en dan heb ik het dus niet over Doktor Faustus, die kolossale laatste vergissing. Tegelijkertijd bespeur ik de kou die vaak uit de romans en de verhalen waait: Lotte in Weimar is slechts een roman, en een goede, maar de overtuigingskracht waarmee Goethe er gestalte in krijgt, en tussen neus en lippen door een laatste restje tijd vrijmaakt voor zijn grote liefde van weleer, bewijst een inlevingsvermogen dat, of de zaak zich nu zo heeft toegedragen of niet, wel gebaseerd moest zijn op een grote affiniteit met het mensentype zoals Mann zich Goethe voorstelde. Goethe was een groot schrijver, vond Mann, en hijzelf was dat ook en dus moest Goethe wel zijn zoals Mann. Maar het allereerste wat ikzelf ooit van Goethe had gelezen - zijn Italienische Reise uiteraard - gaf me direct het idee dat Goethe in het dagelijks leven aardiger was dan Mann, en minder moeite had om te voelen. Ik vreesde dat Mann aan zijn grote voorganger vooral zijn eigen trekken had toegekend. Dat dacht ik ook al voordat ik Harpprecht had gelezen.

Misschien is er niet alleen verband tussen de manier waarop iemand schrijft en waarop hij liefheeft, maar schrijft hij ook zoals hij leeft, en zelfs zoals hij sterft. Over Tsjechov, een zwak lichtje in een onmetelijk ver verwijderde uithoek van zijn universum, schreef Mann dat hij pas laat in zijn leven onder de indruk raakte van diens verhalen. Te oordelen naar de schaarse verwijzingen in zijn dagboeken was die indruk trouwens niet groot. Tsjechov was te bescheiden, voegde hij eraan toe, als verklaring lijkt het wel. Die bescheidenheid wordt vaak aangevoerd, ten onrechte uiteraard. Mann begreep misschien slecht de discrepantie tussen kwaliteit en pretenties, of het verbaasde hem dat Tsjechov zo'n lage dunk had van het kunstenaarsgenie dat hij zelfs niet de behoefte voelde de diepte ervan te peilen. Bescheidenheid was een gebrek waar Mann geen last van had. Toen Tsjechov in Badenweiler stierf, zei hij: Ich sterbe. Daarna dronk hij champagne. Nathalie Sarraute schreef dat Tsjechov het Duitse werkwoord gebruikte omdat het helder en definitief was. Dat lijkt me een idioot idee. Tsjechov sprak slechts een weinig Duits, maar hij was een voorkomend mens; hij verkeerde in het gezelschap van een arts, die alleen Duits sprak en hem bovendien na stond als collega en zijn vrouw, die Russisch en Duits sprak, omdat ze van Duitse afkomst was. Niet alleen was Tsjechov hoffelijk tot op het laatst, hij deed een feitelijke mededeling en bleef met de karigheid van haar bewoording geheel in stijl. Tsjechov had al te veel stervenden gezien om niet te weten dat het met hem afgelopen was. En het zinnetje is van dat simpele feit de constatering. Afgezien daarvan waren het dus niet Tsjechovs laatste woorden. Hij kreeg van de arts nog een glas champagne aangereikt, zoals dat blijkbaar onder artsen een bestaande traditie was, en zei: Champagne heb ik lang niet meer gedronken. De Tsjechov die het leven vierde, vierde, zo leek het onbedoeld, ook zijn dood. Knipper meldde later dat Tsjechov dat in het Russisch zei. Mann stierf trouwens nadat hij om zijn bril had gevraagd, in de hoop misschien dat de kunst nog één keer de natuur zou overwinnen en licht zou brengen in de duisternis. Daarvoor zei hij tegen zijn lievelingsdochter, die bij hem op bezoek was: Ich kann mich auf Besuch jetzt nicht einlassen - ich bin sehr schwach.

En net als Maugham tegenover Maupassant (zie hierna), heb ik hier wel wat goed te maken jegens Mann. Want het in zijn voorlaatste levensjaar (1954) verschenen essay over Tsjechov is van een ongewone warmte en bewondering doortrokken. De dagboeken van Thomas Mann uit deze periode, juni-juli 1954, verraden hoe slecht hij er mentaal aan toe is. Daarvan is in zijn Versuch über Tsjechow niets te merken. Het lijkt erop alsof Mann pas op dat moment Tsjechov ontdekt. Hij krijgt van BBC Radio 3 de opdracht ter gelegenheid van Tsjechovs vijftigste sterfdag een stuk te schrijven, dat tegelijkertijd geplaatst zal worden in het (toen Oost-Duitse) tijdschrift Sinn und Form. In 1956 zal het essay worden herdrukt in Manns Nachlese, Prosa 1951-1966, bij Fischer. Uit alles blijkt dat hij Tsjechov nauwelijks kent, en zich eerst moet inlezen. En daar ontstaat een bewondering die hij tot op dat moment niet had gevoeld. Als een meesterwerk noemt hij het verhaal dat door die onbenullige mevrouw Mizee in haar stuk voor NRC werd bekritiseerd, Een vervelende geschiedenis. Met recht.

Ook de Maupassant heb ik altijd bewonderd, en Tsjechov zelf deed dat ook. De twee zijn natuurlijk vaak vergeleken. Somerset Maugham doet het onder andere in een stukje uit 1946. Hij schrijft, en ik vertaal uit het Duits (want het artikel is opgenomen in de bundel van Urban, Über Čechow, en de Engelse versie heb ik niet):

Hij is met Tsjechov vergeleken, maar, naar men aan mag nemen, alleen door degenen die geen van beiden gelezen hebben. Guy de Maupassant is een handige verhalenverteller, effectief op zijn beste momenten – waarnaar elke schrijver nu eenmaal het recht heeft beoordeeld te worden – maar zonder werkelijke relatie met het leven. Zijn bekendere verhalen zijn van belang, zolang men ze leest, maar ze zijn kunstmatig en verdragen het zodoende niet dat je erover nadenkt. De mensen zijn toneelfiguren, en hun tragedie ontstaat enkel daaruit dat ze zich eerder gedragen als poppen, dan als menselijke wezens. De levensinstelling die hun achtergrond vormt, is bedompt en ongewoon. Guy de Maupassant heeft de ziel van een weldoorvoede, kleine handelsreiziger: zijn tranen en zijn lach smaken naar de zakenruimte van een provinciehotel. Hij is de zoon van Monsieur Homais. Bij Tsjechov daarentegen heeft men helemaal niet het idee dat men verhalen leest. Bij hem geen ten toneel gevoerde handigheid, en men zou denken dat, ervan afgezien dan dat niemand het doet, iedereen ze kon schrijven. De auteur heeft een gevoelsbeweging, en hij is ertoe in staat die zo in woorden te vatten, dat men ze zelf doorstaat. Men wordt zijn medewerker. Men kan op Tsjechovs verhalen niet de clichématige formulering “slice of life” toepassen, want een schijfje is een afgesneden stuk, en dat is nou juist niet de indruk die men overhoudt als men hem leest: het is een scene, die men waarneemt, en waarna je weet dat ze zo verder gaat, hoewel je er slechts een deel van waarneemt.

Overigens vind ik wel dat Maugham Maupassant onrecht doet. Wie de Pleiade-delen met al zijn verhalen heeft gelezen, weet dat ook Maupassant tot meer in staat is dan alleen vertellershandigheid. Tsjechov bewonderde Maupassant niet voor niets. Maar één ander ding blijft waar: de afstand die De Maupassant in acht neemt jegens zijn personages, is veel groter dan die van Tsjechov tegenover de zijne, al geldt dat misschien in mindere mate voor zijn toneel, waar er nu eenmaal geen proza ter verzachting is. Het was Gorki die ooit iets soortgelijks opmerkte. Tsjechovs toneel, ik schreef het elders al, doet me denken aan de symfonieën van Rachmaninof: je zit steeds te wachten op de piano. Het bijzondere van Tsjechov is de menselijkheid waarmee hij zijn personages tekent, zonder oordeel, zonder hardvochtigheid. En als er wat te lachen valt, wat vaak het geval is, is die lach een andere dan bij De Maupassant. En dan doet Maugham De Maupassant nog meer onrecht. Want die is natuurlijk niet de zoon van Homais, maar eerder de neef van Flaubert. En dat bedoel ik niet als woordspeling, hoewel het zuiver technisch ook niet helemaal juist is. Even voor de goede orde, en voor wie het niet weet: De Maupassants moeder Laure le Poittevin was de zus van Alfred le Poittevin, en dat was de jong gestorven hartsvriend van Flaubert, die haar altijd zeer na zou blijven staan. In 1867 stuurde ze haar zoon naar hem toe en vanaf dat moment zou hij als een soort pleegvader fungeren. Flaubert, door Maupassant in de correspondentie soms Mon maître genoemd (maar ook wel soeur clitoris, met de toevoeging: je me touche quand je pense à toi), heeft de belangrijkste kwaliteit van zijn leermeester niet eens hoeven overnemen, want die had hij van nature: zijn distantie, zijn koelheid, zijn cerebraliteit, net zozeer als Tsjechov van nature over de weemoed en warmte van vadertje Rusland beschikte.

Maugham, van wie ik vind – en dat is wel enigszins tragisch – dat hij meer met Maupassant gemeen heeft dan met Tsjechov – schrijft, in een slotzinnetje: In het hierboven gestelde was ik tegenover Maupassant op grove wijze oneerlijk. La Maison Tellier volstaat om dat te bewijzen. Zelf zou ik Tellier niet hebben gekozen om die vaststelling te adstrueren, maar vooruit, de bedoeling is duidelijk. En verder heeft hij gelijk. Wat Tsjechov zo groot maakt, is zijn menselijkheid.

Peter Urban (1941-2013), Čechov Chronik, Daten zu Leben und Werk, Zusammengestellt von Peter Urban. Zürich, Diogenes Verlag, 1981, 1e druk ISBN: 3-257-01585-2 (Gebonden, 466 pagina's). Gekocht op 29 januari 1990 bij Die Weisse Rose voor fl. 56.35. ISBN: 3-257-01607-7 Na de fotobiografie en de brieveneditie misschien wel Urbans belangrijkste uitgave over Tsjechov. Van dag tot dag data- en plaatslijst, complete lijst met in de uitgave Marks opgenomen teksten, lijst met vertalingen tijdens Tsjechovs leven, een uitgebreide bibliografie met literatuur over Tsjechov, een index met alle verhalen en de betreffende verwijzingen ernaar in de brieven, een personenregister en een tijdschriftenregister. Naar mij voorkomt een voor elke biograaf onmisbare uitgave.

Peter Urban (1941-2013), Čechov Chronik, Daten zu Leben und Werk, Zusammengestellt von Peter Urban. Zürich, Diogenes Verlag, 1981

SIMMONS HOOFDSTUK 1

Ik zal hier wat zaken neerzetten die indirect met Tsjechov te maken hebben. Om te beginnen hier het eerste hoofdstuk van een Tsjechov-biografie die ik - ik schreef het al - zeer bewonder en nog steeds de beste vind van de talrijke die er toch inmiddels zijn verschenen, namelijk die van Ernest J. Simmons. Het boek was lange tijd onverkrijgbaar en dat vond ik onbegrijpelijk, zo schreef ik ooit in de tegenwoordige tijd. Maar het is inmiddels opnieuw uitgegeven, zij het voor een forse prijs, voor 69 dollar namelijk. Simmons boek is ongewoon compleet, zeer ter zake kundig en ook nog erg goed geschreven. Het werd her en der op onbeschaamde wijze geplagieerd door Henri Troyat. Die dacht blijkbaar: er is in Frankrijk toch niemand die Engels leest. Het is naar mijn idee het enige boek waarin ik een Tsjechov tot leven zie komen zoals ik die meen te herkennen. Ik heb ervan afgezien dit hoofdstuk te vertalen. Mocht u denken: wat begint dat ouderwets, die biografie, even doorlezen. Dat alles neemt niet weg dat u ook Rayfields biografie zult moeten lezen, die nu eenmaal gebruik heeft kunnen maken van veel recente bronnen. Rayfield schetst een wat cynischer (maar ook realistischer) beeld van Tsjechov.

CHAPTER I

"TEA, SUGAR, COFFEE,
AND OTHER GROCERIES"

“I'VE GOT TO GO OFF on business; so you, Antosha, mind the store, and see that all goes well there.” The full-bearded face of Pavel Yegorovich Chekhov was stern. He wore his thick winter coat and high leather boots.
Nine-year-old Antosha - the future writer - looked up at his father from a Latin grammar which he had been studying by candlelight. Tears came to his eyes and he began to blink hard.
"It's cold in the store," he murmured, "and I' ve been shivering ever since I got out of school."
"Never mind. Dress warm and it will be all right."
"But I've got a lot of lessons for tomorrow."
"Study them in the store," ordered his father, a rising note of irritation in his voice. "Get going, and see that you take care of everything. Hurry! Don't dawdle!"
In vexation Antosha threw down his pen, snapped the grammar shut, pulled on his padded school overcoat and tattered boots, and followed his father out into the growing darkness of a bitter winter's evening.
It was only a short distance from the Chekhov house to the grocery store. As the proprietor and son entered, two red-nosed Ukrainian peas­ant boys, condemned to the wretched servitude of apprenticeship, ceased stamping their feet and swinging their hands, blue with the cold, and came to respectful attention.
"Sit behind the counter," the father directed Antosha. Then crossing himself several times before the ikon, he departed.
Still sniffling, Antosha pulled up a case of Kazan soap for a seat and opened his Latin grammar to continue writing out his exercises. He stuck his pen in the inkwell and the point scraped on ice. There was little difference between the temperature in the unheated store and outdoors. In disgust Antosha gave up all thought of homework. He knew that his father would not return for about three hours. Sticking his hands in the sleeves of his coat, and hunching from the cold, like the two apprentices, he worried over the low mark he would receive in Latin the next day and the reprimand this would provoke from his teacher and father.
"Thus Antosha served his time in the store which he hated," remarks Chekhov 's oldest brother Alexander, from whose reminiscences this account is taken. 1 "There he learned his school lessons with difficulty or failed to learn them; and there he endured the winter cold and grew numb like a prisoner shut up in four walls, when he ought to have been spending his golden school days at play."
The wares in father Chekhov 's lowly place of business in provincial Taganrog resembled those in an old-fashioned general store in rural New England. Along with groceries, one could buy kerosene, lamps, wicks, sandals, herring, cheap penknives, tobacco, yarn, nails, pomade, and various nostrums for common ills. And if one wished, one could get drunk on vodka there, for spirits were sold in a separate but connected part of the store. Filthy debris on the floor, torn soiled oilcloth on the counters, and in summer swarms of flies settled everywhere. An unpleasant melange of odors emanated from the exposed goods: the sugar smelled of kerosene, the coffee of herring. Brazen rats prowled about the stock. One drowned in a vat of mineral oil, and the humorless but religious-minded father Chekhov paid a priest to reconsecrate the oil, which somehow failed to convince amused customers that prayer had cleansed the defiled commodity.
Old-timers and hangers-on, attracted more by the liquor than by the groceries, made a kind of club of the store. Warmed by vodka in the cold winter nights, they kept the wearied shopkeeper up till one in the morning while they swapped dirty stories, always leeringly admonishing; “But you, Antosha - Don't listen. You're still too young.”
Tending store, which was ordinarily open from five in the morning to eleven at night, was a regular assignment for the three older Chekhov boys. Sometime their mother would gently remonstrate with her husband when she thought that little Antosha was being put upon. 1 Chekhov's sister and brother, Mariya and Mikhail, question the truthfulness in part of Alexander's reminiscences, which are quite critical of their father's behavior, but the evidence of Chekhov himself tends to support their veracity.

He ’s got to get used to it," Pavel Yegorovich would answer. "I work. Let him work. Children must help their father."
“But he's been sitting in the store all week. At least let him take Sunday off to rest.”
"Instead of resting, he fools around with street urchins. If one of the children isn 't in the store, the apprentices will snitch candy, and the next thing will be money. You yourself know that without one of us there the business will go to pieces."
This line of argument usually silenced the mother. Like her husband, she was convinced that the apprentices were little thieves. Certainly provocation was there in abundance. The apprentices, brothers ten and twelve years old, led a miserable existence. They had to work five years without pay and received only the barest essentials in food and clothing. And among the tricks of the trade they learned from their master was how to cheat customers through short weight and measurement. This acceptable form of thievery, so contrary to the precepts of honesty and uprightness which God-fearing father Chekhov lavished on his children, puzzled and hurt the sensitive Antosha. He brought the problem to his mother, but she assured him of his father 's probity. As for Pavel Yegorovich, he had no doubt about his honesty. Religion and conscience were one thing, trade was another, and he never mixed them. This familiar kind of compromise with integrity began to bother Antosha and it intensified his dislike of working in the grocery store.
The father's brand of integrity also included a form of tyranny not uncommon in the patriarchal circles of Russian lower-class families in those days. The cuffings and whippings which he dealt out to the apprentices induced a nervous trembling in Antosha, who could barely restrain his tears at the spectacle of any human suffering. Nor did Pavel Yegorovich spare the rod with his own children. To his wife 's protests he would answer with complete sincerity: "I was brought up in this manner and, as you can see, I 'm none the worse for it." The memory of these whippings haunted Chekhov even as a grown man and he could never forgive his father the humiliation and indignity he endured.
When Antosha had finished his third year at school, fear of his father 's anger kept him and his brother Alexander tied down to tending a grocery stand near the railway station. They worked day and night throughout the whole summer vacation at this subsidiary ven­ture, only one of several that failed. In this family, which had to watch every kopeck, the children were schooled to the necessity of being helpful. But the excessive demands of their father, which were rooted in lack of imaginative comprehension of a child 's normal needs and urges, often made their existence a peculiarly joyless one. "You can 't run about because you 'll wear out your shoes," he would counter An­tosha 's complaint at the long hours in the store. "It is bad to fool around with playmates. God knows what they 'll teach you. In the shop, at least, you 'll be a help to your father." Or when Antosha insisted that he could not get any homework done in the store because of the cold, the customers, and the requirement of entering every sale in the huge ledger, or because of the noisy interruptions of vodka-drinking hangers-on, Pavel Yegorovich attributed all this to his laziness and day­dreaming: "Why, I find time to read over two sections from the Psalter every day and you are unable to learn a single lesson!"
The moment Antosha lived for, during his store-minding, was when his father entered to relieve him. The youngster would respectfully ask if he might go because he had lessons to do. "Have you read the Catechism?" "I've read a little of it." "Then go. But watch out, learn your essons, and don't play around, or ... " Antosha would slowly exit, walk contemplatively out of sight of the store windows, and then suddenly fly off in high spirits like a bird just released from a cage.
Memories of these endless hours of servitude in his father's grocery store always remained with Chekhov. They not only imaginatively informed the unhappy lives of the children of his tales, but they also helped to inspire his pathetic judgment of those years: "There was no childhood in my childhood."

* * *

In his determination to rise above the bondage into which he had been born, Checkhov 's father never rid himself of his serf heritage of harshness and acquisitiveness. Very few of Russia 's foremost writers emerged from this kind of environment. The familiar pattern was the secure, cultured, and often idyllic gentry background that produced Pushkin, Turgenev, and Tolstoy. Genius, of course, could be distilled from the lowly beginnings and adversities of the Chekhov family, but the struggle left its scars on the developing personality and creative imagination. Squeezing the slave out drop by drop, as Chekhov ex­pressed it, was the endless battle of his life.
Grandfather Yegor Mikhailovich Chekhov, coming from a long line of serfs in the Voronezh Province, began this process of self-emancipa­tion. Shrewd, driving, and thrifty, he was transferred from work in the fields to his master 's sugar-beet factory, where he soon became foreman. He learned to read and write and saw to it that his three sons acquired this much education. In 1841, at the age of forty-two, after years of saving, he realized the dream of his life - he bought his freedom and that of his wife and sons for thirty-five hundred roubles, a veritable fortune in the eyes of a peasant in those days, yet this sum was not large enough to include his only daughter in the deal. However, his owner, Count A. D. Chertkov - father of the future disciple and literary exec­utor of Leo Tolstoy - "generously" threw in the girl.
Once free, Grandfather Chekhov lost no time in thrusting his sons out into the world to make good the liberty he had bought for them. Though a stern father to his children, he was determined to get them established in life on a social level higher than that from which they sprang. And he set them an example by his own energy in business affairs, which finally won for him the responsible position of steward of the large estate, near Taganrog, belonging to the son of the famous hero of the 1812 war, Ataman M. I. Platov.
To this southern Russian town of Taganrog on the Azov Sea Grand­father Chekhov, in 1844, sent his nineteen-year-old son Pavel Yegoro­vich, after he had served an apprenticeship for three years in Rostov, to work in the counting house of the merchant I. E. Kobylin. The oldest son, Mikhail Yegorovich, was sent as an apprentice to a bookbinder in Kaluga; and the youngest, Mitrofan Yegorovich, to a merchant in Rostov.
Taganrog first won general notice in 1825 as the place where the colorful Emperor Alexander I mysteriously died; it is now much more celebrated among Russians as the birthplace of Chekhov. When that writer 's father went there to live, this thriving port of some thirty thou­sand inhabitants represented a strange mixture of Russian and Euro­pean cultures. A large part of the population was foreign - mostly Greeks, some Italians and Germans, and a few English. And they con­trolled the economic life of Taganrog through their export-import firms, such as Valyano, Skarmang, Kondyanaki, Missuri, and SfaeIlo. Here too the Greeks predominated, as wealthy grain merchants and ship-owners whose shady business operations not infrequently fell afoul of the law. To a considerable extent these foreign millionaires also legislated the cultural life of the town and under their auspices it took on an incongruous European glitter. They were the patrons of the local theater; they supported a fine symphony orchestra to play in the public garden; and they lavished flowers and money on the prima donnas they im­ported to sing Italian opera. Even their marble tombs were commis­sioned from the best sculptors of Italy. Thoroughbred horses harnessed to carriages of foreign manufacture carried their wives, dressed in the latest European fashion, to elaborate dinner parties, and in the clubs their husbands gambled for stakes running into thousands of roubles.
This veneer of foreign culture and social finery contrasted sharply with the external appearance of Taganrog and the old-fashioned patri­archal way of life of the bulk of the Russian population, who lived a hand-to-mouth existence as workers, stevedores, petty shopkeepers, and clerks. In spring, mud, almost ankle-deep in places, covered all but the main streets, and in the summer they were a tangled mass of weeds, burdock, and uncut grass. At night people went about with lanterns, for only the two principal thoroughfares were illuminated and these in­adequately. Town authorities regarded with insufferable complacency the kidnaping of pretty young girls, who were whisked off the streets into carriages, destined for Turkish harems. Any day one might see stray dogs barbarously clubbed to death at the bazaar, convicts pun­ished on a scaffold in a public square or harnessed like horses to carts, dragging sacks of flour and grits from the warehouse to their prison. Every Saturday an attendant, with a large twig broom on his shoulders, roamed the streets shouting: "To the bath! To the bath! To the public bath-house!"
Among the Russians in Taganrog the initial social status of young Pavel Yegorovich working away in Kobylin 's counting house was a lowly one. Long hours, fawning servility to anyone a rung higher on the ladder, and occasional blows were his lot in return for a pittance of pay. In the formation of the narrow, unattractive side of his nature, this grim experience completed anything his stern father had left undone. However, if the struggle for security hardened him, an impractical and artistic side, never fully realized, endowed Pavel Yegorovich with softer, more human traits that found expression in a love for art. As a boy he had learned from the village deacon to read music and to sing; another village deacon taught him to play the violin; and he himself cultivated a small talent as a painter. In some respects, his aggravating religiosity was simply a manifestation of his devotion to the beauty of the ritual and of his passion for sacred music - which he later participated in professionally.
Not until Pavel Yegorovich had worked for ten years did he feel that he was sufficiently established to risk matrimony. Through his brother Mitrofan, who had recently come from Rostov to open a small grocery store in Taganrog, he met his friend Ivan Morozov. This led to an intro­duction to Ivan 's family - his widowed mother, and her two daughters, Evgeniya and Fedosiya. The Morozovs, of serf origin, had come from Vladimir Province. The family had prospered until the father, a tex­tile salesman, suddenly died from cholera on one of his business trips. The widow, with her son and two daughters, settled in Taganrog. Pavel Yegorovich courted the nineteen-year-old Evgeniya Yakovlevna Moro­zova, and married her on October 29,1854.
Their life together began inauspiciously, for to save money they lived with the Morozovs. Soon the Crimean War stifled the trade of the seaport, and Taganrog itself was bombarded by the Anglo-French fleet. The pregnant Evgeniya Yakovlevna fled the town to a suburb, where she gave birth to her first child, Alexander (Sasha), only ten months after her marriage. After they returned to the town, the young couple moved to a little house which Pavel Yegorovich 's father had acquired. As time passed, however, the cherished hope of Pavel Yegorovich - to rid himself of the slavery of Kobylin 's and start a business of his own ­grew closer to realization. He had been scraping and saving for years; by 1857 he felt that he could wait no longer - he opened his first grocery store.
A new dignity came with the new business. Pavel Yegorovich was at last a proprietor, his own master. A touch of the Micawber in his nature inspired illusions of grandeur and he began to refer to himself as a ‘merchant’ and to his little shop of cheap groceries as a ‘commercial enterprise.’ But the meager profits were paced by his rapidly growing family. A second son, Nikolai, appeared a year after Pavel Yegorovich went into business. The couple had to move in 1859, for Pavel 's brother Mitrofan had also married and now exercised his claim on their father 's little house. On January 17, 1860, 2 a third son, Anton Pavlovich Chekhov (Antosha), was born. A larger house had to be taken the next year

2 Though this is the date entered on Chekhov's birth certificate, he once told 1. A. Bunin that the deacon officiating at his baptism had mistakenly dated his birth a day late, and in at least two of his letters he refers to January 16 as his birthday. However this may be, January 17 was accepted by Chekhov, his family, and friends as the day of his birth.

when the mother gave birth to Ivan. Then the family moved again, for a fifth child, a daughter Mariya (Masha), was born in 1863 and another son, Mikhail (Misha), less than two years later.
If six children in ten years kept father Chekhov in a continual state of worry as the provider, they sorely tried the stamina and fortitude of his young wife (a seventh child, born in 1869, died two years later). But she was a devoted mother and a careful and thrifty housekeeper. Her love for her husband remained despite his overbearing behavior, the traditional serf attitude in marriage that somehow clung to Pavel Yegorovich and which is perhaps best summed up in the peasant prov­erb: Beat your wife as you beat your old sheepskin coat. It was op­pressive and horrible to remember, Chekhov wrote his brother Alex­ander years later, how their father 's despotism and lies ruined their mother 's youth and spoiled their own childhood. The children never forgot the terrible scenes at the dinner table provoked by some trifle such as oversalted soup, when he would furiously berate their mother and call her a fool. Only too often was she forced by his tyranny or unwise judgments into the position of protector of the children. Then she would softly and tearfully plead with him in their defense. Chekhov recalled with pain how his father would smilingly bow and scrape be­fore customers while selling them cheese the smell of which nauseated him, or the fawning petitions for favors that he would write to wealthy citizens of the town.
Both mother and father, however, shared a consuming ambition to help their children advance in the world and enjoy the better things of life which circumstances had denied to their parents. Their father never wearied of trying to impart to them his own love of music and art, and there is perhaps more truth than cliché in the nice perception of Chekhov 's maturity concerning himself and his brothers: "We get our talent from our father and our soul from our mother."
With the passing of years it was not Pavel Yegorovich 's success in business but his assumed dignity and sense of social responsibility that won for him the respected position he yearned for in Taganrog. He was finally designated as a merchant in the second guild, held an honorary position connected with the police, and at one time accepted membership in a town trade deputation. An indefatigable reader of newspapers, which he carefully collected, filed, and bound, he studiously prepared himself to discuss all manner of political and civic affairs with his associates. Dressed in a high silk hat and wearing an immaculately starched white linen shirt, he never failed to attend the town official ceremonies and celebrations. Though he began to be regarded as a man of substance, his actual material position was far from that. And now, with the expanding needs of his large family, and with living costs rising, he was faced with the serious problem of educating his children - which he dimly recognized as an essential status-forming necessity.

***

"Well, here I am," Alexander recalls his father arguing with his mother. "I work in my store from morn to night and, according to my reckoning, the losses mount every year. Is that the way things go with Valyano or Skarmang? A fellow sits warmly and quietly in his office there, writes and clicks away at the abacus, and without straining him­self receives a thousand roubles a year in cash. We must send the chil­dren to the Greek school"
"But wouldn't it be better to send them to the Taganrog school?" his wife gently inquires.
"The Lord take it - the Taganrog school! What good is it? There 's Yefremov 's son; he 's finished the fifth year and learned Latin, and what does he get out of it? He sits on his father 's neck or goes about the town doing nothing .... "
Pavel Yegorovich had been listening to the Greek hangers-on in his grocery store, and especially to Vuchina, teacher of the parish school of the local Greek church, who had a personal monetary interest in urging that the Chekhov boys attend his school. The picture was an enticing one. A bright young Russian with a good knowledge of Mod­ern Greek could qualify for an excellent job in the office of one of the Greek export-import firms. And if he were smart enough, there was no telling where he might go from there. Pavel Yegorovich had no experi­ence with foreign languages and was naïve in the matter of educational programs. But his imagination willingly nurtured a vision of his sons earning a salary of a thousand roubles or more through the simple expediency of learning Modern Greek. Only the tuition of twenty-five roubles a year stood in the way. A customer 's unexpected payment of a large grocery bill solved this problem. The father's mind was made up. Against the advice of his wife and certain family friends, he selected Antosha and Nikolai to enter the Greek parish school.
Actually, this educational institution was a kind of prison camp for the tough youngsters of Greek sailors, craftsmen, and petty grain brokers who wished to keep their children off the streets and away from the docks, where they raided discharged cargo in search of nuts, grapes, and oranges. The school building consisted of a single room accom­modating about seventy boys ranging in ages from six to twenty. Five rows of dirty, variously carved and initialed benches symbolically repre­sented the school 's five classes. A sixth bench in front was for beginners. Modern Greek, syntax, some history, and a bit of arithmetic were the only subjects offered. Vuchina, amiable and sadistic by turns, taught all five classes, although he sometimes had the aid of a part-time assistant.
Alexander relates that terror gripped Antosha when he and his brother entered the school for the first time and the tall, bearded teacher directed them to the preparatory bench. Antosha was only seven and Nikolai two years older. When Vuchina disappeared for a moment in his little office at the back of the room, a big boy leaned over, grabbed Antosha by the hair, and pushed his nose painfully into the bench. The teacher reappeared and handed the brothers two little Greek alphabet books, ordering them to obtain twenty-five kopecks for each from their father. He pronounced a few letters from the alphabet, told them to learn the rest, and sauntered back to his office, on the way banging together the heads of two boys he had caught whispering.
The Chekhov brothers were bewildered at hearing Greek all around them and having their questions answered in this language. When they were unable to run through the alphabet the next day, Vuchina scolded and then paid no more attention to them. He instructed each of the five classes in turn, mostly through oral recitation of set pieces which the pupils learned by heart. Punishment was frequent and for the slight­est infraction - blows of a ruler on the hand or head, kneeling on rock salt for lengthy periods, or being locked up in the schoolroom till evening without dinner.

From nine in the morning to three in the afternoon Antosha and Nikolai sat with folded hands at their beginners’ bench. Apart from occasional shoves and kicks by the older boys, no one took any notice of them. After several weeks the part-time assistant was assigned to help them with Greek, but before any tangible progress was made, he had to leave for his other job. No doubt the brothers, detesting the teachers, the language, and the alien surroundings, quietly sabotaged the meager instruction accorded them. Though they did not dare to complain to their father, they poured their hearts out to their mother about the im­possibility of learning Greek. Yet when Pavel Yegorovich visited the school to check up on the progress of his sons, Vuchina genially assured him that the youngsters were doing remarkably well. The elated father contentedly began to reckon how long it would be before Nikolai would be a clerk in the Valyano firm and Antosha in the office of Skarmang. Not until the Christmas vacation did he learn the sad truth. Before some Greek guests he proudly ordered the boys to display their knowl­edge of the language. Neither could read more than a word or two.
"You've gone to school for an entire half year and have still not begun to read!" exploded Pavel Yegorovich.
"No one in school shows us how to do it," the brothers answered simultaneously.
Since he had already paid the full tuition, and perhaps because he still had hopes, Pavel Yegorovich insisted that the brothers finish out the year. At the conclusion of it, when he ascertained that his sons had made little further progress in solving the mysteries of Greek, he de­cided to follow his wife 's counsel and enter Antosha in the preparatory class of the Taganrog School for Boys.
This institution was one of those typical provincial gymnasiums, which were the backbone of the Russian educational system. Their graduates received certain privileges, such as belonging to the beginning rank in the traditional table of fourteen ranks established by Peter the Great, exemption from military service, and the right to apply for ad­mission to a university. Several hundred students attended the Taganrog institution, which offered the usual eight years of instruction con­centrated on Greek and Latin, but Church Slavonic and Russian, German, religion, geography, mathematics, and history were also taught.
Antosha entered the preparatory class in August 1868, at the age of eight, and was promoted to the first regular class the following year. Kept back twice for failures in certain subjects in the third and fifth grades, he did not finish until June 1879. Although not a brilliant student - he graduated eleventh, with about a B-minus average, in a class of twenty-three - his performance might easily have risen above this level under more ideal home conditions of study. The official ‘certificate of matriculation’ issued at the time of his graduation suggests worthy character traits rather than intellectual achievement: “ ... in general his behavior was excellent, his punctuality in attendance, in the preparation of lessons, and also in the fulfillment of written work was extremely good, his diligence very good, and his curiosity in all subjects was uniform ...”
School experiences often constitute a memorable chapter, either glorious or unfortunate, in the formative years of genius, but Chekhov 's eleven years in the Taganrog School for Boys seem to represent merely the accomplishment of an allotted task. He obviously made no pro­found impression on the school or the school on him. Nor does there appear to have been any particular residue of sentiment in later years, only a passing recollection, in a letter, of the terror he endured at the anticipation of being called upon when he did not know his lessons. The teachers were an undistinguished lot living in an atmosphere of spying and being spied upon, for the director laid down rules to guide their deportment both within the school and outside it. And peepholes in the classroom doors enabled an inspector to keep the pupils' be­havior under surveillance. The Russian democratic movement was at its peak at the end of the Sixties, and reactionary government officials re­garded students as the very stuff out of which revolutionists were made. The Latin teacher, according to the school 's historian, “took upon himself the duty of searching out political suspects among the young peo­ple, and since he possessed a talent for understanding a student, he nearly always guessed correctly and pursued the matter mercilessly.” In Kovalenko 's condemnation of the snooping, pathologically suspicious teacher Belikov in The Man in a Shell, Chekhov is perhaps recalling all that he cared to remember of his Taganrog school and instructors: “|I don't understand how you can tolerate that informer, that nasty mug. Ugh! How can you live here? The air you breathe is vile and stifling! Are you pedagogues, teachers? No, you are wretched function­aries and your temple of learning is a police station, and it has the smell of one." Only the priest, E. P. Pokrovsky, the teacher of jurisprudence and religious history, won any popularity among the students. They admired his originality and intellectual independence that would lead him to discourse eloquently on Shakespeare, Goethe, or Pushkin in his course on religious history. An occasional visitor to the Chekhov house­hold, he did not hesitate to tell the parents that, apart from Alexander, there was nothing exceptional about the abilities of their children. To­ward the end of his schooling Antosha seems to have cultivated the acquaintance of a few of his teachers and of the director, E. P. Reit­linger, who once presented him with a ticket for a violin concert.
Nothing noteworthy happened in Antosha 's school life until his seventh year, when L. F. Volkenstein was expelled for slapping the face of another student who had offensively called him a ‘yid.’ At Antosha 's urging Volkenstein 's whole class petitioned the director to remove the expulsion under the threat of their refusing to attend classes, and the administration, awed by this show of unanimity, complied.
In his early years, when little Antosha was plumpish in appearance with a pale, round face, dimpled cheeks, large brown eyes, and close-cropped hair, his demeanor puzzled both his teachers and comrades. An element of shyness and reserve mingled with happy spontaneity and bubbling inventiveness. The unchildlike gravity and posture of  ‘good little boy’ which impressed adults blurred the image of an essentially fun-loving nature. He enjoyed telling his schoolmates amusing stories which he had culled from his reading. "In the advanced classes" - runs one of the very few comments on Chekhov from his teachers - "he revealed a definite character trait in the sharp, neat words with which he hit off this or that pedagogue or schoolfellow. Now and again he would come up with some witty undertaking, but he himself always remained apart from it. His comrades, however, would seize upon the idea and it became the source of fun and laughter."
Many household chores and interminable hours in the grocery store no doubt played their part in Chekhov 's undistinguished scholarly record and perhaps also in his meager participation in school activities and friendships (for a brief period he wrote for the school magazine). Schoolwork was heavy and there was little time available in which to do it well. In addition, his father, apparently still dubious about the earning power of a liberal arts education, insisted that the thirteen-­year-old boy supplement it by enrolling in the tailoring class of the district industrial school. For in the record books of this institution are several relevant entries, such as: “To the student Chekhov (Anton) materials for pants to be made by him.” The pants, it appears, were duly finished and destined for brother Nikolai who, in the fashion of the day, had insisted that the legs be made as narrow as possible. The young tailor complied so well that Nikolai had great difficulty getting into these "macaroni pants," as Antosha nicknamed them.
Apart from tending shop, however, the chores that cut most heavily into Antosha 's time during his school years were churchgoing and the choir which his father organized. This enterprise of Pavel Yegorovich 's was an outgrowth of both his religious zeal and his love for music, and he was prepared, if need be, to whip his sons into the happiness which he so much enjoyed. He never missed vespers or early and late mass on Sundays, and on religious holidays he spent almost the whole day in church and compelled the family to follow his example. After losing a position as assistant director in a church choir because he insisted on prolonging the musical part of the service, he decided to form his own~ choir. He gathered together a group of singing enthusiasts, mostly blacksmiths, and rehearsed frequently and doggedly from ten to mid­night in a large room adjoining his grocery store. Pavel Yegorovich soon realized that his blacksmiths' deep voices, which sounded like the clang­ing of the anvils they worked on in the daytime, required an infusion of fresher and lighter tones. Children were the obvious answer. Alexander and Nikolai were assigned first and second soprano parts, and, for some odd reason, little Antosha became the alto. They all sat on soapboxes around a table. Pavel Yegorovich would take out his violin and the rehearsal would begin. Though the sheet music lay before them, this was a mere formality, for not a single one of the blacksmiths could read a note. They sang "by ear" and memorized the words.
Through his ecclesiastical connections Pavel Yegorovich obtained church jobs for this strange choir of brawny blacksmiths and reluctant children, and they sang together for several years for nothing or a few roubles. To labor on behalf of the Lord is never harmful, he told the miserable youngsters, and in this good work he sincerely believed that he was earning a place in paradise for himself. All the same the brothers, and especially Antosha, dreaded every Sunday and holy day. Their father was stern, correct, and demanding in this labor of love. If they were to sing in the early morning, he aroused them at two or three o'clock and out they would go, no matter what the weather. After their return from mass they drank tea and then Pavel Yegorovich would simulate a church service at home. Swinging a lighted censer, he first perfumed the room, then gathered the family before the ikon for prayers, and finally directed religious singing by all present. Soon the bells for the late mass would sound and again they would all set out for church.
On rare occasions, their sister Masha recalls, the brothers would endeavor to derive a modicum of fun from these onerous religious duties. Once Father had already left for early mass, expecting the others to follow immediately. Antosha, however, refused to get out of bed, despite his mother 's pleas and the threat of his father 's anger. Fearful that they would be late, she finally hustled off with the rest of the family. On the way to church they met Antosha corning from the op­posite direction. He had been in bed fully dressed all the time, and had dashed off the moment she was out of sight, contriving by short cuts to seem to be coming from church. On this same occasion Nikolai, who had been assigned to the tower to ring the church bells, greeted his mother 's approach with that deafening crescendo which was prop­erly reserved solely for the priest's approach. For this prank he caught it from his father.
Homework, play, and sleep were all sacrificed to choir rehearsals, per­formances, and incessant church attendance. Recollecting these trials in later years, Chekhov wrote with some bitterness: "I was brought up in religion and received a religious education; I sang in the choir, read from the Apostles and the Psalms in church, attended regularly at matins, and was compelled to assist at the altar and ring the bells. And what is the result? I remember my childhood as a pretty gloomy affair, and I 'm not a bit religious now. When my two brothers and I, stand­ing in the middle of the church, sang the trio 'May My Prayer Be Exalted,' or 'The Archangel 's Voice,' everyone looked at us with emotion and envied our parents - but at that moment we felt like little convicts." (March 9,1892.)

Ernest J. Simmons, Checkov, a biography. Chicago/Londen, The University of Chicago Press, 1970. 1e druk 1962. ISBN: 0-226-75805-2. Paperback, 669 pagina's. Gekocht op 5 april 1975 voor fl. 16.50. Amerikaanse prijs $ 3.95

Ernest J. Simmons, Checkov, a Biography

VERANTWOORDING:

Nee, dit is allemaal nog lang niet af. Mezelf kennende is het de vraag of het dat ooit komt. Ik ben van plan aan de biografische delen nog een aantal brieven toe te voegen. De na de biografie volgende artikelen zijn nog incompleet. Ook al zet ik de werkzaamheden nu een tijdje stil: wordt vervolgd. Beschouwt u dit maar als een kladversie. Ik zal hier op termijn ook de lijst plaatsen van alle verhalen zoals die in de twee Tsjechov-vertalingen van de Russische Bibliotheek zijn verschenen. Het mooiste zou het natuurlijk zijn als het ontstaanstijdstip van al die verhalen in de biografie is opgenomen. We doen gewoon alsof we het eeuwige leven hebben. Hoewel ik nooit iemand om toestemming heb gevraagd voor het gebruik van al het hierbij gaande materiaal en het dus wat vreemd is de auteurs ervan daarvoor te bedanken, ben ik sommigen toch erg veel verschuldigd. Ik heb echt een omvangrijke hoeveelheid literatuur gebruikt, maar sommige auteurs heb ik wel zeer nadrukkelijk geplunderd. Het is natuurlijk vreemd te moeten vaststellen dat de Tsjechov-biografie uit 1962 van Ernest J. Simmons (1903-1972) na zoveel jaren nog steeds onovertroffen is, maar naar mijn idee is dat zo. Simmons was hoogleraar aan Columbia University en aan Cornell. Het is verbazingwekkend hoe precies en hoe veelomvattend zijn boek is. Rayfields veel latere biografie legt het er in alle opzichten tegen af, ook al levert hij soms materiaal waar Simmons nu eenmaal niet over kon beschikken. Simmons opvallend liefdevolle biografie is de uitgebreidste die er is. Het (Duitstalige) werk over Tsjechov van Peter Urban (Berlijn, 1941) is al even breed. De door hem voor Diogenes gemaakte fotobiografie, die trouwens in december 2015 ook in het Nederlands werd vertaald, maakt op intelligente wijze gebruik van de eveneens door hem vervaardigde uitgebreide vijfdelige brievenuitgave. Beide uitgaves zijn wonderen van wetenschappelijke nauwgezetheid. Ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die meer van Tsjechov wisten dan Urban, die inmiddels (in 2013) is overleden. Ook als het gaat om de vertalingen van de verhalen, steekt onze Russische Bibliotheek maar bleekjes af bij het werk dat hij heeft verzet. En waarom ik dit allemaal doe? Laten we maar zeggen dat mijn liefde voor Tsjechov het gebruikelijke overstijgt. Meer zit er niet achter.

Noot bij de bibliografie van januari 2011: In de bibliografie heb ik er, om het zoeken te vergemakkelijken, voor gekozen de Nederlandse Tsjechov-uitgaves te betitelen naar hun vertalers. Hetzelfde geldt voor vertalingen van Boenin en Gorki. De eerste reeks van de Tsjechov-vertalingen van Russische bibliotheek staat dus onder Timmer, behalve deel 7 met de brieven dat van Eekman was. De tweede reeks Tsjechov-uitgaves van de Russische Bibliotheek vindt u onder éen van de drie vertalers ervan, Tom Eekman, al is daar het toneel weer een uitzondering, want dat werd vertaald door Bloemen en Wiebes. Voor Engelstalige en Duitstalige uitgaves heb ik de schrijfwijze aangehouden die in die talen voor Tsjechov gebruikelijk is, al is het wel jammer dat uitgerekend Urban zo eigenwijs is Tsjechov te schrijven als Čechov. Al Urbans uitgaves mbt. Tsjechov heb ik onder zijn, Urbans naam dus, gezet. Noot van september 2012: ik heb na een bezoek aan Moskou en Melichovo in de zomer van 2012 wat foto's toegevoegd. Noot van maart 2016: Ik heb een aantal brieven en foto's toegevoegd en de hoofdtekst her en der uitgebreid. Noot van februari 2018: ik heb het stuk over Badenweiler toegevoegd. [©Henk Verveer, Amsterdam]


BIBLIOGRAFIE:

Ambler 1972
Ambler, E.
Russian Journalism and Politics
The career of Alexei S. Soevorin
Detroit, Wayne State University Press, 1972
ISBN: 0-8143-1461-9 (Gebonden)

Avilova 1989
Avilova, L.
Checkov in my life
A love story
Translated with an introduction by David Magarshack
With drawings by Lynton Lamb
Londen, Methuen Drama, 1989
ISBN: 0-413-62120-0 (Gebonden)

Avilova 2004
Avilova, L.
Tsjechow, meine Liebe
Erinnerungen
Herausgegegeben und aus dem Russisch übersetzt von Ruth Wyneken
Berlijn, Edition Ebersbach, 2004, Deutsche erstausgabe
ISBN: 3-934703-70-4 (Gebonden)

Bartlett 2011
Bartlett, R.
Tolstoy
A Russian Life
Boston/New York, Houghton Mifflin Harcourt, 2011
ISBN: 978-0-15-101438-5 (Gebonden)

Benedetti 1997
Benedetti, J.
Dear writer, dear actress
The love letters of Anton Checkov and Olga Knipper
Edited and translated by Jean Benedetti
New Yersey, The Ecco Press, 1996
ISBN: 0-88001-550-0 (Gebonden, Engelstalig, 292 pagina's)

Berg en Wiebes 2002
Boenin, I. A.
Verzamelde Werken 4
Brieven, Vervloekte dagen, Herinneringen, De schaduw van de vogel, Gedichten
Vertaling: Margriet Berg en Marja Wiebes
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2002, 1e druk
ISBN: 90-282-0878-X

Bloemen/Wiebes 2013
Bloemen, Y. en Wiebes, M.
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken VI
Toneel
Vertaling: Yolanda Bloemen en Marja Wiebes
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2013, eerste druk
ISBN: 9789028242692 (Gebonden, 1236 pagina 's)

Checkhov 2010
Checkhov, M.
Anton Checkhov
A brothers memoir
Translated by Eugene Alper
New York, Palgrave Macmillan, 2010; eerste druk: 1933
ISBN: 978-0-230-61883-1 (Gebonden, Engelstalig, 238 pagina's)
[Amerikaanse uitgave van Tsjechov 1988, beter geannoteerd dan de Nederlandse editie]

Eekman 1955-1
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken 7
Notities en brieven
Vertaald en van aantekeningen voorzien door Tom Eekman
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1979, eerste druk 1955

Eekman 2005-1
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken Deel 1
Verhalen 1880-1885, Drama op de jacht
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Aai Prins
Amsterdam, G.A. van Oorschot, januari 2005
ISBN: 90 282 40411 (Gebonden)

Eekman 2005-2
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken Deel II
Verhalen 1885-1886
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Anne Stoffel
Amsterdam, G.A. van Oorschot, mei 2005
ISBN: 90 282 4042x (Gebonden)

Eekman 2006
Tsjechov
Verzamelde Werken Deel III
Verhalen 1887-1888
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Aai Prins
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2010; 1e druk 2006 (Gebonden)
ISBN: 978 90 282 40438

Eekman 2008
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken Deel IV
Verhalen 1889-1894
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Aai Prins
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2008
ISBN: 978 90 282 40445 (Gebonden)

Eekman 2010
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken Deel V
Verhalen 1895-1903
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Aai Prins
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2008
ISBN: 978 90 282 40452 (Gebonden)

Hahn 1979
Hahn, B.
Chekhov
A study of the major stories and plays
Cambridge/Londen/New York, Cambridge University Press, 1979
ISBN: 0-521-29670-6 (Paperback)

Hingley 1976
Hingley, R.
A new life of Checkhov
Londen/Toronto/Melbourne, Oxford University Press, 1976
ISBN: 0 19 211729 7 (Gebonden, Engelstalig, 358 pagina’s)

Krielaars 2014
Krielaars, M.
Het brilletje van Tsjechov
Reizen door Rusland
Amsterdam/Antwerpen, Uitgeverij Atlas Contact, 2014
ISBN: 978 90 450 2486 8 (Paperback, 415 pagina's)

Novevla 2010
L.I. Novleva
Isaak Levitan (1860-1900)
Catalogus uitgegeven bij de gelijknamige tentoonstelling,
ter herdenking van het 150ste geboortejaar van Iaak Levitan in:
Moskou, Tretjakovgalerij, van 14 oktober 2010 - 20 maart 2011
Moskou, Ajaks-Press, 2010 (Gebonden, Russischtalig, 355 pagina's)

Malcolm 2004
Malcolm, J.
Reading Checkhov
A critical journey
Translated with an introduction by David Magarshack
Londen, Granta Books, 2004
ISBN: 1-86207-635-9 (Paperback)

Minkine 2014
Minkine, A.
Une âme douce
Tchekhov revisité
Oorspronkelijke titel: Nejnaïa doucha
Vertaald uit het Russisch door Luba Jurgenson
Genève, Éditions des Syrthes, 2014
ISBN : 9 782940 523047 (Paperback, Franstalig, 263 pagina’ s)

Pritchett 1988
Pritchett, V.S.
Checkhov
A biography
Londen, Penguin Books, 1990, 1e druk 1988
ISBN: 0-14-012385-7 (Paperback)

Rayfield 1997
Rayfield, D.
Anton Chekhov
A life
Londen, Harper Collins, 1997
ISBN: 0-00-255503-4 (Gebonden, 674 pagina's)

Schaubühne 1984
Fotomap nav een uitvoering van Drie Zusters
door de Schaubühne am Lehniner Platz Berlijn

Portraits, Melichovo Jalta Texte
met medewerking van Peter Urban
Zürich, Verlag Hans Rudolf Stauffacher A.G., 1984

Sekirin 2011
Sekirin P.
Memories of Checkov
Accounts of the writer from his family, friends and contemporaries
Edited and Translated by Peter Sekirin
Foreword by Alan Twigg
Jefferson (North Carolina/Londen), Mc Farland & Company, 2011, 1e druk
ISBN: 978-0-7864-5871-4 (Paperback)

Simmons 1970
Simmons, E.J.
Checkov
A Biography
Chicago/Londen, The university of Chicago Press, 1970, 1e druk 1962.
ISBN: 0-226-75805-2 (Paperback)

Stoffel 2000
Stoffel, A.
Brieven Tsjechov-Gorki
[alle 54 brieven van Gorki aan Tsjechov en 39 van Tsjechov aan Gorki] Vertaling: Anne Stoffel Amsterdam, Hoogland & Van Klaveren, 2000.
Kappelmanreeks
ISBN: 90 76347 10 7 (Paperback, 187 pagina's)

Timmer 1953
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel 1
Verhalen 1882-1886
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1965, 3e oplage

Timmer 1954
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel II
Verhalen 1886-1887
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1962, 3e oplage

Timmer 1955
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel III
Verhalen 1887-1891
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1962, 3e oplage

Timmer 1956
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel VI
Toneel
Amsterdam, G.A. van Oorschot, zj.

Timmer 1957
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel IV
Verhalen 1887-1891
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1967

Timmer 1958
Timmer, Charles B.
Anton P. Tsjechow
Verzamelde Werken Deel V
Verhalen 1880-1903
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1967

Tsjechov 1988
Michail Tsjechov
Rondom Tsjechov
Vertaald en van een nawoord voorzien door Tom Eekman
Amsterdam, Arbeiderspers, 1988, Serie Privédomein nr. 146|
Eerste druk oorspronkelijke Russische uitgave 1933
ISBN: 90-295-4887/8 (Paperback)

Troyat 1970
Troyat, H.
Tchekhov
Parijs, Flammarion, 1984
ISBN: 2-08-064676-1 (Paperback)

Turkov 1995
Turkov A.
Anton Chekhov and his times
Compiled and with an introduction by Andrei Turkov
Translated from the Russian by Cynthia Carlile (reminiscences) and Sharon McKee (Letters)
Eerste druk: Moscow Progress Publishers, 1990
Faeyetteville, University of Arkansas Press, 1995
ISBN: 1-55728-390-7 (Paperback)

Urban 1976-1
Urban, P.
Anton Čechov
Ein unbedeutender Mensch
Erzählungen 1883-1885
Aus dem Russischen von Gerhard Dick, Wolf Düwel und Ada Knipper
Herausgegeben und mit Anmerkungen von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1976
ISBN: 3 257 20261 X (Paperback)

Urban 1976-2
Urban, P.
Anton Čechov
Gespäch eines Betrunkenen mit einem nüchternen Teufel
Erzählungen 1886
Aus dem Russischen von Gerhard Dick, Wolf Düwel und Ada Knipper
Herausgegeben und mit Anmerkungen von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1976
ISBN: 3 257 20262 8 (Paperback)

Urban 1976-3
Urban, P.
Anton Čechov
Flattergeist
Erzählungen 1888-1892
Aus dem Russischen von Gerhard Dick, Ada Knipper und Hertha von Schulz
Herausgegeben und mit Anmerkungen von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1976
ISBN: 3 257 20264 4 (Paperback)

Urban 1979-1
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1877-1889
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01581-X (Gebonden)

Urban 1979-2
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1889-1892
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01582-8 (Gebonden)

Urban 1979-3
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1892-1897
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01583-6 (Gebonden)

Urban 1979-4
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1892-1897
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01583-6 (Gebonden)

Urban 1979-5
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1897-1901
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01584-4 (Gebonden)

Urban 1979-6
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1901-1904
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01585-2 (Gebonden)

Urban 1981
Urban, P.
Anton Čechov
Čechov Chronik
Daten zu Leben und Werk
Zusammengestellt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1981, 1e druk
ISBN: 3-257-01585-2 (Gebonden)

Urban 1987
Urban, P.
Anton Čechov
Sein Leben in Bildern
Zürich, Diogenes Verlag, 1987
ISBN: 3-257-01756-1 (Gebonden)

Urban 1988
Urban, P.
Über Čechov
Herausgegeben von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1987
ISBN: 3-257-21244-5 (Paperback)

Urban 2001-1
Urban, P.
Anton Čechov
Das Leben in Fragen und Ausrufen
Humoresken und satiren 1880-1884
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 2001
ISBN: 3 257 06267 2 (Gebonden)

Urban 2001-2
Urban, P.
Anton Čechov
Aus der erinnerungen eines Idealisten
Humoresken und satiren 1885-1892
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 2001
ISBN: 3 257 06268 0 (Gebonden)

Urban 2002-1
Urban, P.
Anton Čechov
Er und Sie
Frühe Erzählungen 1880-1885
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 2002
ISBN: 3 257 06321 0 (Gebonden)

Urban 2002-2
Urban, P.
Anton Čechov
Ende Gut
Frühe Erzählungen 1886-1887
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 2002
ISBN: 3 257 06322 9 (Gebonden)

Yarmolinsky 1973
Yarmolinsky, A.
Letters of Anton Chekhov
Selected and edited by Avrahm Yarmolinsky
New York, The Viking Press, 1973
ISBN: 670-42596-6 (Gebonden)

Zilverschoon 2011
Zilverschoon, G.C.
A.P. Tsjechov
Duizend-en-één-verschrikkingen
De eerstelingen uit de jaren 1880 en 1881
Zutphen, Papieren tijger, 2011 (paperback)
ISBN: 978 90 6728 264 2


FOTO'S BANNER

van links naar rechts:
1 Anton Tsjechov, Taganrog, 1874
2 Anton Tsjechov, Moskou, 1882
3 Anton Tsjechov, Feodosija 1888
4 Anton Tsjechov, Sint Petersburg 1889
5 Anton Tsjechov, Moskou, 1893
6 Anton Tsjechov, Jalta 1894
7 Anton Tsjechov, Jalta 1898
8 Anton Tsjechov, Jalta 1900
9 Anton Tsjechov, Jalta, 1904

TERUG NAAR BOVEN