Laat me eens wat recyclen. Altijd maar alles nieuw maken is vervelend. Dit is de inleiding bij Multatuli die de vijfdeklasssers op de school waar ik werk al een aantal jaren uitgedeeld krijgen, in een overigens nog steeds uitdijende versie. Per slot van rekening is er altijd ruimte voor verbetering en aanvulling. Het lijkt me dat het stuk ook op zichzelf staand goed kan dienen als een handzaam overzicht van Multatuli's leven, werk en invloed. Anderzijds, zo moet ik daar anno april 2016 aan toevoegen, begint dit stuk langzamerhand een eigen leven te leiden.

EDUARD DOUWES DEKKER

Multatuli (1820-1887) is misschien de belangrijkste, maar toch zeker de interessantste Nederlandse schrijver van de negentiende eeuw. Louis Couperus (1863-1923) beschouwen we voor het gemak dan maar even als 20e-eeuwer. Minder interessant is die als persoon zeker. Afgezien daarvan is Couperus een totaal ander soort schrijver. Om Multatuli, zoals Dekker zichzelf ging noemen, beter te doen begrijpen, is het noodzakelijk zijn biografie veel uitgebreider te geven dan we gewoon zijn bij andere auteurs. Het is bovendien een aardig verhaal. Waar je bij Couperus eigenlijk nauwelijks of geen biografische kennis nodig hebt om zijn boeken te lezen, zijn bij Douwes Dekker leven en werk een merkwaardig en ingewikkeld vervlochten geheel. Zo is zijn Max Havelaar sterk autobiografisch, net als zijn Woutertje Pieterse en worden ook zijn Ideeën pas begrijpelijk als je wat weet van Dekkers rumoerige leven. De vele conflicten waarin Dekker verzeild raakt, zijn een gevolg van zijn schrijverij en de opvattingen die hij daarin verkondigt, maar zeker ook van zijn ongemakkelijke persoonlijke geaardheid.

01 AMSTERDAM

01 Eduard Douwes Dekker wordt op 2 maart 1820 geboren aan de Korsjespoortsteeg in Amsterdam. Het huis herbergt tegenwoordig het Multatulimuseum. De ouders zijn van Friese afkomst. De vader, Engel Douwesz. Dekker, is kapitein op de grote vaart en is dus zelden thuis, en dan nog kortstondig. De moeder, Sytske Eeltje Klein, is een nogal ziekelijke, emotionele vrouw. Beide ouders zijn doopsgezind. Dekker is als hij wordt geboren het vierde kind van het echtpaar, al zijn dan nog maar drie van over. Er zijn Catharina (1809-1849), Pieter (1812-1861), Antje - die haar geboorte maar 12 dagen overleeft, en Jan (1818-1864). Na Eduard wordt in 1823 nog geboren Willem (1823-1840), die verdrinkt nadat hij over boord is geslagen. Eduard zal dus, als hij in 1887 sterft, het laatst overlevende kind zijn.

In 1846 trouwt hij - ik loop kort op de zaken vooruit - Everdine Huberte van Wijnbergen (1829-1874), bijgenaamd Tine. Die schenkt hem twee kinderen, Pieter Jan Constant Eduard, roepnaam Edu (1854-1930) en Elisabeth Agnes Everdine, genaamd Nonnie (1857-1933). In 1875 trouwt Dekker met Mimi Hamminck Schepel (1839-1930). Uit dat huwelijk zijn er geen kinderen. In Duitsland zal hij een jongen adopteren, Wouter Bernhold (1896-1945). Die komt terecht in Nederlands-Indië. Wouter Bernhold sterft naar zeggen van Hermans na in augustus 1945 in Lawang door republikeinse Indonesiërs te zijn mishandeld, wat enigszins ironisch mag worden genoemd.

01 Geboorteakte van Eduard Dekker (1820-1887), daterend van 3 maart 1820. Document in U.B Amsterdam. Bron: Hermans 1987 p. 14

 Geboorteakte van Eudard Dekker, 3 maart 1820

02 In 1829 slaagt de vader erin voor 3250 gulden het huis te kopen aan de Haarlemmerdijk (nummer 28) dat hij reeds als huurder bewoont. In 1832 gaat Dekker naar de dan nog bij de Munt gelegen Latijnse school, wat gezien zijn afkomst een eervolle zaak is. Het gymnasium, dat tegenwoordig Barlaeus heet en aan de Weteringschans ligt, maar toen nog aan het Singel lag, telde op dat moment 100 gymnasiasten. Douwes Dekker is er dan ook tamelijk trots op dat hij daarbij hoort. In maart 1832 schrijft hij er zich in als Eduard Douwes Dekker, zichzelf daarmee een deftige dubbele naam verschaffend, hoewel hij dus eigenlijk gewoon Dekker heette. Als hij in 1875 voor de tweede keer trouwt, wordt die naam gewoon in zijn huwelijksakte vermeld, al staat erachter: zich noemende en schrijvende Douwes Dekker. Het is de bedoeling van de ouders dat hij dominee zal worden. Jaren daarna zal hij vermelden dat hij al op zijn twaalfde een drama schrijft in Alexandrijnen. Dat neemt niet weg dat hij op school weinig uitvoert. In zijn Ideeën vermeldt hij dat kinderen op die leeftijd altijd distrait zijn. Als zijn vader in 1835 bij zijn terugkeer de slechte cijfers van zoonlief ziet, haalt hij hem van school. Het zal voor Douwes Dekker altijd een traumatische ervaring blijven.

02 Album Discipulorum Scholasticum van de Latijnse School, met eigenhandige inschrijving van Eduard [zie pijl rechtermarge], 1832. Bron: Hermans 1987 p.20

Inschrijving Latijnse School

03 In een klap wordt hij van elitescholier loopjongen zonder salaris op een handelskantoor van een firma in textielimport. Zo komt Eduard dan toch terecht bij de stand die geld heeft en op een gracht woont - maar als ondergeschikte, wat met vernederingen gepaard gaat die hij nooit vergeten zal, schrijft Hermans in zijn De raadselachtige Multatuli. Dat duurt tot 1838. In september van dat jaar vertrekt hij, op zijn achttiende dus, onverwachts en om nog steeds niet helemaal opgehelderde redenen naar Indië. Later zal er geroddeld worden dat Eduard een rijksdaalder uit de kas van de textielimporteurs heeft gehaald om een vriend te helpen. Het is ook denkbaar dat de vader, die net terug was van een reis naar Nederlands-Indië, op de hoogte is van het grote aantal vacatures in het koloniale ambtenarenapparaat aldaar. Dekker vertrekt aan boord van het schip van zijn vader, de Dorothea, dat ook nog een andere zoon aan boord heeft, Jan, maar dan wel als stuurman met een gage van 70 gulden. Eduard gaat als lichtmatroos, tegen een gage van 18 gulden. Hij monstert na een reis van drieëneenhalve maand af in Batavia.

03 Buste van Multatuli, van Roberto Ersanilli (1879-1959). In 1929 door het bestuur van het Multatulimuseum geschonken aan de op dat moment 90-jarige Mimi Hamminck-Schepel-Dekker (1839-1930). Bron: Waterschoot 2008

Buste van Multatuli, Ersanilli

02 INDIË VOOR LEBAK

04 Op 4 februari 1839 wordt Douwes Dekker benoemd als volontair op de Rekenkamer in Batavia (het huidige Jakarta). Diploma's had hij er niet voor nodig. Pas een paar jaar later ontstond er in Delft een opleiding voor koloniale ambtenaren. Dekkers Max Havelaar zou er na verloop van tijd nog een veel gelezen boek worden. In 1839 moet hij alleen een paspoort overleggen en een akte van borgtocht, iets waarvoor de vader vermoedelijk zorgt. Al na een paar weken wordt hij tot klerk benoemd, tegen 80 gulden in de maand, waarop zijn vader nog eens hetzelfde bedrag toelegt. In de begintijd woont hij in bij zijn directe superieur, Goorengel, zelf secretaris. In april 1840 gaat zijn traktement naar 125 gulden; de chef van de rekenkamer, Rulofs, is duidelijk ingenomen met onze jongeman. Zijn superieur laat in 1840 nog in een rapport aan de algemeen-secretaris weten dat Dekker zich heeft onderscheiden door bijzondere vlijt en  werkzaamheid. Dekker zelf dacht daar anders over: hij zal later schrijven dat hij een rommeltje van zijn werkzaamheden bij de Rekenkamer maakte. Desondanks volgt er opnieuw bevordering; het traktement gaat naar 220 gulden. Voor een jongeman is dat niet slecht. Maar hij geeft dan ook flink uit, leidt een vrolijk leventje, en wordt voortdurend geplaagd door geldgebrek, iets wat in later jaren een patroon zal worden. Hij wordt verliefd op de dochter van een rijke planter, Caroline Versteegh. Of ze heel erg dol op onze toekomstige auteur is, valt te betwijfelen. Nadat ze hem in een eerdere brief heeft laten weten dat haar vader zulke onaangename berigten over hem te horen had gekregen, en hij haar heeft gevraagd waar het dan precies om gaat, schrijft ze: vooreerst schijnt gij uwe onverschilligheid omtrent geld al te zeer getoond te hebben, vooral met biljart spelen, uwe beurs schijnt zeer ruim om 's wekelijks f 100 gulden te kunnen verspelen. Verder hebt gij klappen uitgedeeld: meer zal ik er maar niet over zeggen. W.F. Hermans, die een deel van deze passage ook citeert, voegt daar aan toe: Later in zijn leven hadden sommige meisjes geen papa die hun veto uitspraken en deden andere niet wat hun papa wilde. Of Caroline gelukkiger is geworden dan die anderen, weten we niet. Om haar te trouwen, moet Dekker katholiek worden, wat in augustus 1841 ook gebeurt. De latere vrijdenker doet er niet moeilijk over. Als hij veel later in Duitsland zijn dood voorvoelt en op zoek gaat naar een begraafplaats, ontdekt hij dat hij daarvoor als christelijk ingeschreven moet staan in een kerkregister. Joods worden blijkt niet te kunnen. Dan besluit hij tot crematie. Hoe dan ook, het mag geen verwondering wekken: hij krijgt ruzie met Carolines vader, met als gevolg dat een verloving op de lange baan wordt geschoven. Hij krijgt genoeg van zijn betrekking en van Batavia.

In 1842 zijn er aan de westkust van Sumatra vacatures voor bestuursambtenaren. Sumatra is geen ideale plek. Een goed deel ervan is op dat moment nog niet eens veroverd. Het gebiedsdeel werd vaker gebruikt om lastige klanten te lozen. Er wonen veel Atjehers. Hij vraagt meteen plaatsing aan. Enkele weken later al wordt hij benoemd tot controleur tweede klas. Het betekent wel weer een promotie met een traktementsverhoging, van 2640 naar 3300 gulden per jaar. In Batavia laat hij schulden achter ten bedrage van 1000 gulden, voor die tijd een aanzienlijke som gelds. Die wordt in de vorm van een maandelijks bedrag van zijn salaris afgehouden. Daartoe heeft hij vlak voor zijn overplaatsing een verzoek ingediend bij de Gouverneur Generaal, de hoogste bestuurder, hierna G.G. te noemen. Kort voor zijn vertrek vraagt hij Versteeg sr. om de hand van diens dochter. Het is duidelijk een wanhoopsdaad. Vader weigert, om verschil van karakter. Als Dekker naar Padang vertrekt, weet hij nog niet eens het ergste: Caroline heeft direct weer verkering, nu met een 39-jarige magazijnmeester bij de genie. Via Padang, dat hij blijkbaar zwemmend bereikt, want op de rede lijdt hij schipbreuk, reist hij op bevel van de gouverneur daar, kolonel Michiels, naar Aijer Bangies, dat tussen Padang en Natal ligt. Het is in Aijer Bangies dat de resident hem naar Natal stuurt, eigenlijk tegen de zin van Michiels, die zijn twijfels heeft over Dekker. Die vermoedde misschien weer te maken te hebben met een ambtenaar die op de vlucht was voor de financiële nood, zo schrijft Van der Meulen. Het plaatsje, gelegen aan de gelijknamige rivier, moet een flinke teleurstelling voor Dekker zijn geweest. Het blijkt een verwaarloosde troep, met een fort dat zowat op instorten staat en drie andere Nederlanders. Het plaatsje was pas tien jaar eerder door de Engelsen aan de Nederlanders overgedragen. De administratie is een chaos. Het klimaat is ondraaglijk. Hij woont er al spoedig samen met wat in Indië een njai heet; ze is de dochter van het hoofd van de Atjehse soekoe in Natal, en dertien jaar oud. Aangenomen mag worden dat het niet de eerste keer is dat Dekker zoiets overkomt. Kort na zijn aankomst leest hij in de krant dat Caroline is getrouwd. Dekker heeft in Natal al snel de reputatie van een buitenissig mens. Sommigen noemen hem de excentrieke lord. In 1843 boekt hij een wissel van bijna 9000 gulden, die hij heeft uitgeschreven voor de Nederlandsche Handelsmaatschappij, in voor maar 6825 gulden in. Er is een verschil van ruim 2100 gulden. Over de precieze betekenis daarvan is heel wat afgeruzied door Multatulianen en Multatuli-haters.

04 Eduard Douwes Dekker (1820-1887). Vroeg portret van Multatuli, ca. 1842, schrijft Waterschoot, zonder nadere toelichting of bronvermelding. Gezien de datering zou het portret kunnen zijn ontstaan in Batavia, in de periode dat het misging met Dekkers verhouding met Caroline Versteegh, maar voor zijn vertrek naar Sumatra in september van dat jaar. Bron foto: Waterschoot 2008.

Eduard Douwes Dekker, ca. 1842

05 In juli 1843 wordt hij ontslagen als controleur te Natal en ter beschikking gesteld van de resident van Padang, de belangrijkste stad op Sumatra, waar hij eerder al zwemmend was gearriveerd. Dekkers voormalige ondergeschikten in Natal, met wie hij slecht overweg kon, maken een lijst op met kastekorten voor een totaal van ruim 6000 gulden. In januari 1844 wordt hij geschorst wegens financiële malversaties. Daarbij gaat het alleen nog om de kwestie met de wissel en dus een tekort van 2106 gulden. De latere zaak Lebak, waar de Max Havelaar op is gebaseerd, is dus niet Dekkers eerste schandaal. Terwijl hij wacht in Padang, vecht hij nog een duel uit met een vriend, aan wiens njai hij blijkbaar een oogje heeft gewaagd. Ondertussen is hij er beroerd aan toe, woont met zijn eigen minnares in een inlands huisje en leeft op de pof. Dat meisje was de dertienjarige, vermoedelijk Atjehse Si Oepi Keteh, die in de Max Havelaar alleen maar luistert naar de fabel van de Japanse Steenhouwer, maar die, naar later zeggen van Mimi Hamminck Schepel - Dekkers tweede vrouw - al in Natal bij hem woonde en daarna ook met hem meetrok naar Padang. Dekker noemde haar Clio, een van de Griekse muzen. Si Oepi Keteh is zijn eerste vrouw geweest, citeert Van der Meulen Mimi, iets wat Du Perron ook al deed. Van der Meulen vermeldt nog dat Mimi, toen ze haar mans brieven begon uit te geven, er een haarlok van het meisje tussen vond en een briefje met Clio in de hand van Dekker en die van het meisje. Hoe dan ook: Dekker is bijna een jaar lang aan lager wal. De rest van zijn leven zal Padang voor Dekker synoniem zijn met het dieptepunt in zijn bestaan. Ondertussen wordt, zonder dat hij het weet, zijn zaak in de Raad van Indië behandeld. Die beoordeelt de kwestie als heel wat minder ernstig dan Dekkers directe superieuren in Natal. In Batavia is men wel wat gewend. Wegens gebreken in de bewijsvoering acht de Raad van Justitie zich ten slotte niet tot oordelen bevoegd.

Ergens eind september 1844 vertrekt Dekker met de brik Orestes uit Padang naar Batavia. Daar verwelkomen vrienden en bekenden hem. Ze beschouwen hem eerder als een slachtoffer van de beruchte, chaotische toestanden op Sumatra en de daar heersende resident, die een ware reputatie heeft waar het gaat om zijn personeelsbeleid, dan als iemand die malversaties heeft gepleegd. In Batavia verblijft hij in een goedkoop inlands bamboehuisje. Al snel stapelen de schulden zich opnieuw op. Dekkers vroegere chef van de rekenkamer, Rulofs (over wie Dekker typerend genoeg - en met weinig mensenkennis - oordeelt als een dienstklopper) doet voor hem een goed woordje bij de G.G. Een vriend haalt hem over de schuld die resteert van de wissel te erkennen, maar tegelijkertijd om betaling van achterstallig traktement te vragen. Dekker, die herhaaldelijk heeft gedreigd ontslag te nemen, kiest eieren voor zijn geld, ook al zal het hem veel moeite hebben gekost zijn trots in te slikken. Er volgt een deugdzame periode. Dekker schrijft in deze jaren al met regelmaat en publiceert in de Javasche Courant een braaf en zwaar religieus getint nieuwjaarsgedicht van het soort waar het Nederlands-Indisch gouvernement zo dol op is.

Via een bekende bij wie hij in augustus 1845 logeert, Willem van der Hucht, leert hij diens achternicht en pleegdochter kennen, freule Everdine van Wijnbergen (1829-1874), genaamd Eefje, die samen met twee zussen, Sophie en Henriëtte, naar Indië is gekomen.

05 Guillaume Louis Jacques van der Hucht (1812-1874), ook wel: Willem van der Hucht, de man via wie Dekker Everdine Wijnbergen (1829-1874) zou leren kennen. Onder zijn eigen naam krijgt hij een klein optreden in Haasses Heren van de thee. Bron foto: Waterschoot 2008 p. 40

Willem van der Hucht (1812-1874)

06 Dekker haalde de drie in Batavia voor Van der Hucht van de boot. Everdine is een half jaar ouder dan hij, heeft in Nederland in armoede geleefd bij allerlei familieleden, een gebrekkige opleiding genoten en is derhalve naar Indië vertrokken. Haar titel is overigens niet geregistreerd en dus omstreden. Veel meer dan proberen snel te trouwen zit er niet op. Dekker zelf zal haar lange tijd Eefje noemen. In september 1845 komt de beschikking voor Dekker af van de G.G. Hij krijgt zijn achterstallige traktement, met aftrek, en heeft zodoende ook weer uitzicht op herplaatsing. Maar met zijn carrière gaat het niet langer bergopwaarts, wat misschien niet helemaal verwonderlijk is. Voor drie maanden wordt hij benoemd in de residentie Krawang, om daar de administratie van een dronken assistent-resident op orde te brengen. Hij voelt zich beledigd en wil alweer ontslag nemen, maar laat zich door vrienden overhalen. In de briefwisseling die hij met Everdine heeft vanaf zijn standplaats bekent hij haar dat hij nog wel eens een andere romance heeft ook. Ze zal nog heel wat anderen moeten dulden. Ondertussen brengt hij zijn werk tot een goed einde. Op eigen initiatief keert hij terug naar Batavia, iets wat in ambtelijke kringen hoogst ongebruikelijk is. Everdines voogd, de al genoemde Van der Hucht, maakt inmiddels bezwaar tegen haar eventuele huwelijk met Dekker, zonder dat officieel aan te tekenen. Dekkers financiële positie is allesbehalve florissant. Bij de bruiloft op 10 april 1846 in Tjiandjoer zijn geen familieleden van Tine aanwezig. Twee van zijn vrienden zijn getuige. De ambtenaar van de burgerlijke stand die de huwelijksakte tekent, is Carel Pieter Brest van Kempen.

06 Everdine Huberte van Wijnbergen, bijgenaamd Tine (1829-1874). Foto ongedateerd. Hermans schrijft in zijn Raadselachtige Multatuli: Oudst bekende foto van Tine, 1862. Bron foto: Waterschoot 2008

Everdine Huberte van Wijnbergen, bijgenaamd Tine (1829-1874)

07 Na overleg met een nieuwe G.G., Rochussen, van wie hij meer begrip voor zijn situatie verwacht en een betere aanstelling, keert hij teleurgesteld terug naar zijn post in Krawang, als vervangend-assistent-resident, voor de duur nu van zes maanden. Hij koopt voor zijn vertrek van Everdines voogd Van der Hucht een paard en belooft de 450 gulden spoedig te betalen, maar doet dat niet. De voogd schrijft een wissel op hem uit. Al spoedig barst hij weer van de schulden. Uiteindelijk wordt zijn huwelijk in april 1846 gesloten. Een maand later krijgt hij een nieuwe vaste aanstelling: hij mag gewoon commies worden (en verliest dus zijn oude rang van controleur tweede klas) in een afgelegen residentie op Java, Poerworedjo, tegen een traktement van 200 gulden per maand. Hij is wederom woedend, dreigt weer met ontslag, maar gaat dan toch op weg. Bagelen, waar Poerworedjo toe behoorde, was een welvarend gebied. Het werd, zo schrijft van der Meulen, zeer geschikt geacht als tijdelijke zetel voor de regering in geval van nood. Nog in de jaren '70 van de vorige eeuw stonden de gebouwen waar Dekker werkte, op de zogenaamde aloen-aloen, er nog geheel intact. Hij is er twee jaar werkzaam, tot oktober 1848, steeds in de hoop op wat beters. Zijn superieur, de resident Von Schmidt, is tevreden over hem en rapporteert herhaaldelijk dienaangaande.

07 Poerworedjo, aloen-aloen (stadsplein) met het residentskantoor, zoals in 1971 gefotografeerd door Garmt Stuiveling. Bron: Van der Meulen 2002 p. 235

Poerworedjo, aloen-aloen met het residentskantoor, 1971

08 Dan valt hem een opvallende promotie ten deel; hij wordt benoemd tot secretaris, tevens vendumeester, (dwz. veilingmeester) van de residentie Menado, een belangrijk gewest. Er wordt daar heel wat afgeveild en Dekker krijgt over alles een vast percentage. Als gewestelijk secretaris is zijn ambt zelfs hoger dan dat van controleur tweede klas, wat hij was op Natal. Afgezien daarvan verkrijgt hij ook nog het zogenaamde radikaal, een soort bevoegdheidsverklaring tot de hogere ambtelijke rangen. Zijn salaris wordt in een klap verdubbeld, naar 400 gulden per maand. Hij doet er zijn werk consciëntieus en koopt na enige tijd voor 3000 gulden een verlaten cacaoplantage buiten Menado, waar hij gaat wonen. Zijn inkomsten voor het jaar 1851 bedragen 7000 gulden. In een opwelling koopt hij op de slavenmarkt een hele familie vrij. Hij stuurt nu geld aan tantes van Everdine. Ook aan een armlastige broer in Den Helder doet hij 300 gulden toekomen. In Menado gestrande walvisvaartkapiteins onderhoudt hij maandenlang op eigen kosten. Met zijn huwelijk gaat het goed. Hij begint Everdine in brieven een enkele keer Tine te noemen, hoewel het meestal nog Eefje is. Onder die naam zal ze haar opwachting maken in de Max Havelaar. Hij biecht haar eerlijk de avontuurtjes op die hij af en toe onderweg heeft. Zijn superieur in Menado is bijzonder tevreden over hem en doet daar in een brief vol lof ook verslag van aan de G.G. Dekker gaat weer schrijven. Hij heeft er al vaker over gedacht daar een carrière van te maken. Hij produceert brieven van veertig pagina's, die eigenlijk een soort fragmentarisch dagboek vormen, in de stiekeme hoop misschien dat de vriend aan wie ze gericht zijn, de Haarlemse uitgever Kruseman, er iets in ziet voor publicatie. Maar het nogal revolutionaire, atheïstische karakter ervan is voor de brave Kruseman geen aanmoediging daartoe over te gaan. In een van de stukken komt overigens de zin voor: ik heb veel geleden. Maar ja, dat zal Dekker nogal eens zeggen. Multatuli betekent: ik heb veel geleden.

Ondertussen wordt hij in oktober 1851 benoemd tot assistent-resident op Ambon, wat alweer een fraaie promotie is. Hij krijgt er 100 gulden salaris bij. Ambon (of: Amboina) is het centrum van het gouvernement der Molukken, met een groot aantal eilanden, waar ook delen van Celebes en Nieuw-Guinea toe werden gerekend. Het huis waar hij woonde, was misschien het eerdere verblijf van François Valentijn, die een beroemd vijfdelig werk over Oost-Indië had geschreven. Dekker beschikte zelf over een exemplaar. Op Ambon fungeert hij zowat als resident. Hij krijgt te maken met epidemische uitbraken van koortsen en met branden die blijkbaar worden gesticht door opstandelingen. Misschien wordt hijzelf ook slachtoffer van die koortsen, want hij wordt ziek en wanneer er een Nederlands schip arriveert dat onderweg is naar Batavia, vaart hij, alweer op eigen initiatief, mee terug. Het verzoekschrift te dien einde krijgt de G.G. pas achteraf. Met hetzelfde schip gaat hij op verlof naar Nederland. Daarvoor heeft hij toestemming gevraagd en gekregen. Het was Du Perron die in 1937 en 1938 veel documenten rond Multatuli uit zijn periode in Menado en Amboina boven water haalde, op een moment dat de archieven nog intact waren. Du Perron zou ze publiceren in zijn Multatuli, Tweede Pleidooi van 1938. Dekkers huis in Ambon werd in 1944 bij een Amerikaans bombardement verwoest.

08 Ambon, woonhuis van Douwes Dekker en Tine. Bron: Waterschoot 2008

Ambon, woonhuis van Douwes Dekker en Tine

03 EUROPA

09 Van der Meulen memoreert dat Dekker in de tien jaar nadat hij op 22-jarige leeftijd vanuit Batavia was vertrokken naar Sumatra, een bewogen leven heeft geleid en afgezien van op Borneo, in alle Indische gebiedsdelen heeft gewoond. Als hij na 13 jaar in 1852 voor het eerst naar Nederland terugkeert, heeft hij verbleven in Natal en Padang op Sumatra, in Batavia, Buitenzorg, Parakan Salak, Poerwakarta, en Poerworedjo op Java, in Menado op Celebes en in Amboina op de Molukken. Onderweg naar Nederland legt het schip waarmee hij reist aan bij Sint-Helena, verblijfplaats van de door Dekker zo bewonderde Napoleon, wiens verbanning naar het eiland toen aanzienlijk recenter was dan nu. Napoleon was er dertig jaar eerder gestorven. Dekker bezocht er samen met Tine, tijdens een zeer duur betaald tripje, het keizerlijke verblijf, Longwood, dat nog enkel een bouwval bleek.

Eerste kerstdag 1852 loopt hij binnen in Hellevoetsluis. Tine en Dekker verblijven het grootste deel van de tijd in Amsterdam, in het Doelenhotel, al logeerden ze ook wel bij familie van Tine. Dekker is echter vaak alleen onderweg. Een tijdlang jaagt hij achter erfenissen aan waar Tine nog recht op zou hebben, maar er komt niets van terecht. Blijkbaar belandt hij zo ook in Gorkum, waar hij lid wordt van de vrijmetselaars, inschrijving die later wordt bevestigd in de Amsterdamse kamer. In Leiden is hij aanwezig bij de studentenviering van de Dies Natalis en logeert er bij - de op dat moment nog enkel student filosofie - Johannes Bosboom, die hij later in Den Haag tijdens zijn menage à trois opnieuw zal ontmoeten, dan als schilder. Het studentenleven bij Minerva bevalt Dekker zeer. In Amsterdam leert hij zijn dan nog 11-jarige nichtje Sietse Abrahams kennen, dochter van zijn zus Catharina en haar man Cornelisz Abrahams. Later zal hij nog een verhouding met haar krijgen. Hij fêteert er alle kinderen van het burgerweeshuis, iets wat hij zich ooit in Indië had voorgenomen. Half juli 1853 is zijn geld weer op. Van de tantes van Tine, die hij ooit 1000 gulden heeft gestuurd, leent hij nu al hun spaargeld, 3000 gulden. De familie zal er hem nog lang voor achtervolgen. Van zijn broer Pieter, die hij ooit 300 gulden had gestuurd, leent hij er 1300, onder het twijfelachtige voorwendsel dat hij op korte termijn een som geld uit Indië verwachtte, zo schrijft Van der Meulen. Twee maanden later vraagt hij de minister om toestemming om op reis te gaan, vanwege zijn gezondheid. Waar hij precies is geweest, is niet helemaal duidelijk. Om tot rust te komen gaat hij in in elk geval in zijn eentje naar Spa, toen een bekende bad- en casinoplaats. Tine is hoogzwanger en blijft in Amsterdam. In het Belgische kuuroord voelt hij zich temidden van het mondaine gezelschap zeer thuis en verspeelt er in een paar weken al zijn geld. Als hij thuiskomt, ligt er een brief van zijn broer, die ongerust vraagt hoe het zit met zijn uitgeleende geld. Dekker vraagt en krijgt drie maanden voorschot op zijn salaris, 675 gulden. In november 1854 krijgt hij nog een keer toestemming voor een buitenlandse reis. Over de eerdere reis wordt slechts vermoed dat hij niet verder is gekomen dan Spa, maar van de tweede weten we het zeker. Hij verblijft in Wiesbaden, nog een casinoplaats. Ondertussen doktert hij aan een waterdicht roulettesysteem dat hij door anderen in Spa heeft zien gebruiken. Hij reist tussen de diverse casino­plaatsen heen en weer, maar zijn systeem blijkt niet onfeilbaar. Tine is eerder al, op 1 januari 1854, bevallen van een zoontje, Edu. Als hij is uitgereisd, laat hij aan broer Pieter weten dat hij een toernee door nagenoeg heel Europa heeft gemaakt. Na zijn Duitse reis verzoekt hij weer om een voorschot en uitstel van vertrek. Pahud weigert aanvankelijk, maar geeft ten slotte toch toe. Maar uitstel van vertrek krijgt hij niet meer. De meeste biografen zijn het er wel over eens: in tegenstelling tot Tine wilde Dekker eigenlijk niet meer terug naar Indïe en was hij van plan in Europa te blijven. Wat voor iemand die het lot van de arme Javaan nog zo hoog in het vaandel zal dragen, toch verbazing wekt. Nu moet hij er toch aan geloven. Op 20 mei 1855 gaat hij terug naar Indië. De schulden zijn, zo meent Hermans, inmiddels opgelopen tot torenhoge bedragen. Het zou om ongeveer 35.000 gulden zijn gegaan. Hermans schrijft anno 1986 ter completering: Een kilo brood kostte in die tijd f 0.10, een dominee te Den Helder verdiende f 500 per jaar. Van der Meulen acht de schatting van 35.000 gulden overdreven, maar erkent ook dat Dekkers schulden zeer aanzienlijk geweest moeten zijn.

09 Oudst bekende foto van Douwes Dekker, zo schrijft Van der Meulen in zijn biografie. Van de foto die pas tevoorschijn kwam na Dekkers dood, is het origineel verloren gegaan. Mimi Hamminck Schepel schreef achterop de foto dat hij in oktober 1853 gemaakt werd in Emmerik, aan Tine werd toegestuurd en door haar gebarsten ontvangen. Hermans is er (in zijn Raadelachtige Multatuli) stellig van overtuigd dat het hier niet gaat om Douwes Dekker. De foto is volgens hem geen daguerrotype, maar een amphitypie. De foto zou volgens hem qua techniek en stijl niet uit deze tijd kunnen dateren. Hermans wijdde in 1978 een artikel aan de kwestie en geeft nog vier andere portretten, bij wie het evenmin om Dekker gaat. Paul van 't Veer gebruikte de foto nog voor de omslag van zijn boek over Dekker. Ik ben geneigd Hermans gelijk te geven, gewoon vanwege de gelijkenis, maar wil u de foto niet onthouden. Zie hier voor een vergelijking met een ander (maar frontaal) portret van 10 jaar later, dat zeker van Dekker is. Bron: Van der Meulen, 2002, p. 286

Eduard Douwes Dekker? 1853

04 LEBAK

10 Dekker was inmiddels 35 jaar oud. Van eind mei tot september 1855 reisde hij met vrouw en zeer jong kind aan boord van het fregatschip India om de Kaap de Goede Hoop heen naar Batavia. Daar verblijft het gezin een tijdlang. Broer Jan heeft inmiddels een tabakplantage op midden-Java. Pas in januari 1856, een half jaar na zijn aankomst in Indië, wordt Dekker benoemd tot assistent-resident te Lebak, in Bantam op Java. De nieuwe G.G., Duymaer van Twist, die Dekker inmiddels persoonlijk heeft leren kennen en weet dat hij hart heeft voor de inlander, stuurt hem er met opzet heen. Dat beweerde hij tenminste veel later zelf en nogal wat biografen geloven dat. Hermans doet dat niet en meent dat Dekker Duymaer in werkelijkheid nauwelijks kende. Anderzijds lijkt Dekker zelf wel echt van Duymaers welwillendheid overtuigd te zijn geweest, zodat hij reden denkt te hebben om aan te nemen dat Duymaer hem zal steunen als hij maatregelen neemt. Lebak is een arm probleemgebied. Van der Meulen hecht in zijn biografie wel geloof aan de relatie van Dekker met Duymaer, maar voegt eraan toe dat er misschien een reden is waarom daar zo weinig over bekend is, namelijk omdat veel documenten uit de archieven in deze periode gaan over - wederom - een tekort dat Dekker had opgelopen tijdens zijn bestuursperiode in Menado. Daarbij ging het om 3000 gulden. En dan had hij ook nog voorschotten op zijn salaris van 2000 gulden opgenomen. En terwijl Dekker dus meende in elk geval aan zijn Europese schuldeisers te zijn ontsnapt, krijgt hij nu last van een nieuwe, de hardnekkigste van allemaal, schrijft Van der Meulen, namelijk de Nederlands-Indische overheid.

10 Albertus Jacobus Duymaer van Twist (1809-1887). Bron: Waterschoot 2008

Albertus Jacobus Duymaer van Twist (1809-1887)

11 Wat later de kwestie Lebak is gaan heten, is in details zo ingewikkeld dat het geen zin heeft die hier compleet uit de doeken te doen. Tal van onderdelen ervan zijn omstreden. Ik ben niet van zins gedetailleerd aandacht aan de zaak te besteden. Overigens is het ook goed direct vast te stellen dat Dekker niet meer dan drie maanden op Lebak zou verblijven. Meer tijd neemt de hele kwestie Lebak dus niet in beslag. Al direct na aankomst bemerkt Dekker dat er sprake is van talrijke misstanden, waarvan vooral de gewone inlandse bevolking het slachtoffer is. Die wordt uitgebuit door de eigen (dus inlandse) hoofden, die onder de omstandigheden en volgens de adat (de traditionele inlandse wetgeving) weinig anders kunnen: ze zijn aan hun stand verplicht een vorstelijke huishouding te voeren en voor complete families te zorgen, maar krijgen van de Nederlandse overheid te weinig geld. Het gevolg is dat de regenten hun inlandse onderdanen veelvuldig voor zich laten werken (herendiensten laten verrichten) en ze waar nodig kaal plukken. Diezelfde onderdanen moeten dan ook nog eens aan hun verplichtingen jegens de Nederlandse overheid voldoen (vastgelegd in o.a. het cultuurstelsel).

11 Rangkasbetoeng, Lebak, ambtswoning van de familie Douwes Dekker. Het huis bestaat niet meer. Bron: Waterschoot 2008

Rangkasbetoeng, Lebak, ambtswoning van de familie Douwes Dekker

12 De resident van Bantam en dus Dekkers directe superieur, is Brest van Kempen. Al kort na zijn aankomst gaat Dekker ertoe over Brest te verzoeken om de inlandse regent, een lid van hoge Javaanse adel, te laten verwijderen. Daarbij weigert hij precieze opening van zaken te geven, vermoedelijk op goede gronden. Hij is bang dat de regent getuigen zal laten verdwijnen. Brest geeft aan het verzoek geen gehoor. Hij is een ervaren ambtenaar, die zich geschoffeerd voelt door Dekkers heethoofdige aanpak. Dekker op zijn beurt beschouwt Brest als een slappeling. Hij gaat ervan uit dat hij van de G.G. zijn gelijk wel zal krijgen. Maar dat gebeurt niet. De Raad van Indië stelt de G.G. voor Dekker eervol te ontheffen van het assistent-residentschap van Lebak, als zijnde daarvoor ongeschikt. Het is met name Hermans, die er de nadruk op legt, dat Dekker dus niet wordt ontslagen, iets wat bijvoorbeeld Rob Nieuwenhuys altijd zou volhouden. Hermans schrijft, in de bijlagen van zijn biografie: en verder werd er niets voorgesteld, al werd er misschien nog wel meer gesuggereerd. Rob Nieuwenhuys is bovendien de mening toegedaan dat Dekkers problemen voortkomen uit het feit dat hij niets van de adat snapte, iets waar Hermans het ook al niet mee eens is. Welnu: de G.G. geeft Dekker een berisping, maar plaatst hem over naar Nghawie, een heel wat aangenamer plaats dan het armoedige Lebak. Vooral vanwege die berisping vraagt Dekker zijn ontslag aan, dat hem op 4 april 1856 wordt verleend. Maar het is dus goed te beseffen dat er pas sprake is van ontslag als Dekker daar zelf om vraagt. Van der Meulen beschouwt dat in zijn biografie van 2002 als vanzelfsprekend. Voortschrijdend inzicht. Het is tot slot wellicht nog nuttig te vermelden, dat tijdens het bestuur van één van Dekkers opvolgers in Lebak de door Dekker aangeklaagde regent twee jaar later inderdaad van zijn positie wordt verwijderd, vanwege soortgelijke klachten.

12 Carel Pieter Brest van Kempen (1815-1865). Brest van Kempen stond in de Max Havelaar model voor Slijmering. Bron: Waterschoot 2008

Carel Pieter Brest van Kempen (1815-1865)

13 Het is een fataal moment. De rest van zijn leven zal Dekker erop uit zijn eerherstel te krijgen voor wat hij beschouwt als een hem aangedaan onrecht. Hier vindt de Max Havelaar zijn oorsprong. Nu vangt in verschillende etappes een lange zwerftocht aan. Eerst trekt hij door Java, waarbij hij min of meer gedwongen is gebruik te maken van de gastvrijheid van - uitgerekend - Brest van Kempen, omdat de afstand van Lebak naar Batavia te groot was om in éen keer te overbruggen. Hij arriveert op 30 april 1856 in de stad en neemt blijkens de Java-Bode zijn intrek in Hotel Rotterdam, dat kort erna Hôtel des Indes zal gaan heten. In de Max Havelaar wordt hem een audiëntie bij de GG, Duymaer van Twist, tot drie keer toe geweigerd, de laatste keer met de toevoeging dat die de volgende dag terug zal keren naar Nederland. Dat gebeurde in werkelijkheid op 24 mei 1856. Maar wat Douwes Dekker tijdens dat laatste jaar in Indië echt heeft gedaan, is raadselachtig. Vermoedelijk heeft hij geprobeerd tijdelijk werk te vinden. Zo is er in brieven sprake van in Bandoeng een rijstpelmolen te kopen of te huren, maar als die plannen niet doorgaan en Tine ook nog zwanger blijkt, geraakt hij echt in nood. In november 1856 is hij met vrouw en kind, kort na een verblijf in Bandoeng, bij zijn broer Jan, die in Rembang een tabaksplantage had. Van der Meulen, die nauwkeurig de opgaven van vertrek en aankomst in de Indische kranten heeft nagevlooid, slaagt er niet in Dekkers gang te reconstrueren. Hij neemt aan dat Dekker ruzie heeft gekregen met zijn broer, omdat die hem niet als compagnon wilde, zodat Dekker praktisch op staande voet weer uit Rembang naar Soerabaja is vertrokken. Daar ontmoette hij in het voorjaar van 1857 nog Sicco Roorda van Eysinga (1825-1887), met wie hij langdurig bevriend zou blijven.

13 Sicco Roorda van Eysinga (1825-1887), die, zo schrijft Van Straaten, in 1864 uit Nederlands-Indië werd verbannen en sindsdien als freelance journalist een schrale boterham moest verdienen. Ook hij zou langdurig vechten voor eerherstel. Dekker zou met hem bevriend blijven. Bron: Van Straaten 1995 p 366

Sicco Roorda van Eysinga

14 Van der Meulen wijst erop dat deze schijnbare entr'acte tussen Lebak en zijn terugkeer naar Nederland toch een belangrijke periode is voor Dekker, omdat hij via zijn pelmolen, de plantage van zijn broer en via Roorda, plotseling met de wereld der vrije arbeid kennis maakt. Dat was in Indië een relatief nieuw verschijnsel dat vooral in de suiker en de tabak een rol zou gaan spelen. Bijna overal in het land regeerde het cultuurstelsel, waarbij de inlanders gedwongen werkzaamheden verrichtten voor de staat. Vrije arbeid betekende dat onafhankelijke ondernemers zelf werknemers konden inhuren, gewoon zoals wij dat nu kennen. Dekker zal er in 1862 over publiceren: Over vryen arbeid. Dan zal hij uitleggen dat hij het cultuurstelsel verafschuwt, maar het uit landsbelang noodzakelijk acht, terwijl hij zich tegen de vrije arbeid keert. Daarmee vervreemdt hij de liberalen van zich, nadat hij dat door zijn felle kritiek op het cultuurstelsel eerder heeft gedaan met de conservatieven. In februari 1857 komt de Rekenkamer Dekker op het spoor en eist van hem meer dan 3000 gulden, zijnde het kastekort uit Menado, met nog wat kleinere zaken. In Soerabaja blijken zich ook familieleden te bevinden van Tine, die misschien ook wel wat van hem willen, want tijdens zijn Nederlandse verlof had Dekker van twee van Tines tantes 3000 gulden geleend. Willem van der Hucht bijvoorbeeld reisde in dezelfde periode terug naar Nederland en Dekker heeft misschien zijn best gedaan hem te ontlopen. Voor zijn hoge schulden aan de Rekenkamer staan twee bekenden van Dekker borg, onder wie Roorda, want anders had hij niet mogen vertrekken. De tweede man die borg staat, zal later nog protest aantekenen, omdat hij plotseling wordt aangeslagen voor de hoge schulden van Dekker. Tegen Roorda had Dekker opgemerkt dat die zich over het geld geen zorgen hoefde te maken, omdat hij als miljonair zou terugkeren, aldus veel later Roorda zelf, in 1871. Zo vaart Dekker in april 1857 naar Europa, terwijl de zwangere Tine met Edu in Soerabaja achterblijft, waar ze financiële steun krijgt van Dekkers broer Jan. Als die op zijn beurt in februari 1858 naar Nederland gaat, verhuist ze naar Jans tabaksplantage.

Van der Meulen schrijft over de verhouding tussen dfe twee broers: De betrekkingen tussen Jan en Eduard zijn altijd bijzonder wisselvallig geweest. Opvliegend en onvoorspelbaar moeten ze beiden geweest zijn; wat dat betreft leek Jan meer op Eduard dan op Pieter, de dominee. We zagen de broers na felle disputen snikkend in elkaars armen vallen - en dit was typerend voor hun verstandhouding. Woedend was Dekker met zijn vrouw na twee of drie dagen van de Rembangse tabaksplantage vertrokken, en toch was het naar alle waarschijnlijkheid Jan die zowel van Tine en de kinderen als van Eduard de dure terugreis betaalde, waarbij de laatste ook nog flink wat handgeld meekreeg. De deuken die hun vriendschap had opgelopen verhinderden niet dat ze met elkaar in contact bleven. Jan was net als Eduard vrijmetselaar. Het was vooral Jans vrouw die moeite zou hebben met Dekker. Als die in 1859 een keer Pieter tegen het lijf loopt, breekt ze uitbundig de staf over haar zwager.

14 Eduards oudere en al even temperamentvolle broer, Jan Douwes Dekker (1816-1864), die voor heel wat van de door de Eduard gemaakte kosten zou opdraaien. Hij speelde trouwens ook een bemiddelende rol bij de publicatie van de Max Havelaar. Bron: Waterschoot 2008 p. 59

Jan Douwes Dekker, 1816-1864

15 Op de passagierslijst van in deze periode vertrekkende schepen komt Dekkers naam merkwaardig genoeg niet voor. Pas maanden na zijn aankomst in Europa hoort hij dat Tine is bevallen van zijn tweede kind, een dochtertje Elisabeth, later Nonnie genoemd. Die werd geboren op 1 juni 1857. Dekker reist per zogenaamde overlandmail, wat betekende dat hij in plaats van om de Kaap te varen, over land door Egypte van Suez naar Cairo reisde. Van der Meulen is het die erop wijst dat er van Dekkers vele, en soms toch tamelijk avontuurlijke gereis, maar weinig in zijn geschriften terecht is gekomen. Hij komt aan in Marseille, reist verder naar Nizza (nu Nice) en Genua, zwerft weer terug door Zuid-Frankrijk, waarbij er her en der wel een romance valt te melden, niet steeds van even verheffende aard. Met een meisje dat hij uit een bordeel heeft vrijgekocht, Eugénie geheten, reist hij naar Straatsburg en uiteindelijk naar Brussel. De meeste details van die reis kennen we alleen via Mimi, die dat verhaal later heeft gedaan.

15 Pieter Jan Constant Eduard, roepnaam Edu (1854-1930) en Elisabeth Agnes Everdine, genaamd Nonnie (1857-1933) Douwes Dekker (1820-1887). Pruilend, op het geërgerde af, zou ik zeggen. Bron foto: Hermans 1986 p. 139

Edu en Nonnie Douwes Dekker

05 MAX HAVELAAR

16 In Brussel vindt hij, zo wordt traditiegetrouw beweerd, eind 1857 een baantje bij L’indépendance Belge, een liberale, dus vooruitstrevende krant, alsmede een hotelkamertje in het hartje van de stad, aan de Rue de la Montagne. Het hotel, dat aldus Mimi eerder een soort bierkroeg was, heette Au Prince Belge. Voor dat baantje bij die krant is er maar éen (onbetrouwbare) getuige. Van der Meulen schrijft: Eigenlijk is over deze periode maar éen ding echt zeker: Dekkers aanwezigheid, in januari 1858, in Brussel. Zo gaat het met veel legendes. In een brief aan Duymaer van Twist, op wie hij nog steeds hoop heeft gevestigd, schrijft hij dat hij van zins is zich in Brussel aan letterkundigen arbeid te wijden. Begin 1858 maakt hij het pak papier open dat hij heeft meegenomen uit Indië. Daar zitten bijvoorbeeld kopieën in van de administratie op Lebak. Financieel is hij er beroerd aan toe. Hij kan zich nog geen winterjas permitteren. De prostituee die hij heeft meegenomen uit Frankrijk en die inmiddels elders in Brussel woont, laat soms tersluiks wat geld achter. Een keer bezoekt Dekker in Den Haag Duymaer van Twist, die inmiddels Gouverneur Generaal af is en kamerlid is geworden, met een verzoek om een baantje. Het gaat om een functie als tolk Frans in het Japanse Nagasaki, aldus Dekker zelf in zijn verslag van die gebeurtenissen in Idee 950. Tijdens het gesprek leent Dekker 50 gulden van Duymaer. Die zal veel later, in 1882, nog zeggen dat Dekker had verteld op weg naar Den Haag zijn beurs te hebben verloren. Duymaer schrijft dat pas als in het Algemeen Handelsblad in dat jaar het bericht is verschenen dat hij Dekker geld heeft aangeboden en dat die het had aangenomen.

In het najaar vertrekt hij plotseling toch naar Duitsland. Blijkbaar heeft hij aan geld weten te komen. Vanaf 1 oktober 1858 woont hij een paar maanden lang in Kassel, in het beste hotel van de stad, Zum König von Preussen. Hij schrijft zich in als rentenier uit Brussel. De stad had en heeft een artistieke reputatie. In het hotel komt blijkbaar de Kasselse kunstenaarsvereniging bijeen. Hij leert er zodoende een schilder kennen, ene Katzenstein. En de oorzaak van zijn zich steeds rekkende aanwezigheid is de relatie met de verloofde van de schilder in kwestie, Ottilie Coss, die zelf de dochter is van een Kasselse fabrikant. Ze zou hem hebben geholpen met een Duits gedicht in de Max Havelaar. Dekker zal haar veel later nog een keer bezoeken, samen met Mimi dan. Die heeft trouwens altijd beweerd dat Dekker in Kassel het Maleise lied van Saidjah en Adinda heeft geschreven, iets wat Van der Meulen voor denkbaar houdt. Bekend is immers ook dat Dekker zijn Ottilie wat Maleise woorden leert. Van der Meulen schrijft: Als Dekker het lied inderdaad in Kassel heeft gemaakt, dan is dit een belangrijk argument voor de stelling dat de Havelaar rond die tijd en die plaats in Dekkers gedachten vorm begon te krijgen. Begin 1859 vertrekt hij, met achterlating van een groot aantal onbetaalde rekeningen, schrijft Van der Meulen, waaronder die van het hotel, iets wat Dekker met regelmaat overkomt. In Den Haag doet hij iets soortgelijks en de hotelier, die passend genoeg Zuur heet, achtervolgt hem jarenlang met de rekeningen. In Nederland en België zijn er tal van andere schuldeisers.

16 Ottilie Coss (1837-1870), dochter van een wapenfabrikant, volgens Van der Meulen, van een rijtuigfabrikant volgens Hermans, verloofde van een schilder. Ze raakte in Kassel bevriend met Dekker. Bron: Waterschoot 2008 p. 64

Ottilie Coss (1837-1870)

17 In het voorjaar van 1859 arriveert Tine in Europa met de twee kinderen. Van der Meulen schrijft: typerend voor hun leefwijze is dat zij, hoewel praktisch bankroet, de baboe had meegenomen. Maar misschien is het typerender voor de tijd en de klasse waartoe Tine behoorde, dan voor Tine zelf. Ze ontmoeten elkaar in Luik en het gezin verblijft kortstondig in een boerenherberg in Visé. Daar veroorzaakt de baboe in sarong zoveel ophef dat de burgemeester het stel verzoekt te vertrekken. Het valt Dekker op dat zijn vrouw oud is geworden en zo slank als vroeger is ze ook niet meer. Met het huwelijk is het niet geweldig gesteld. Dekker moet eraan wennen dat hij zijn vrijheid kwijt is. Zijn vrouw en kinderen trekken in bij vrienden in Maastricht, die het zelf ook niet breed hebben. Daarbij ging het om een bekende uit Padang, de oud-officier De Chateleux, vrijmetselaar overigens, net als Dekker. Nog even verblijven ze gevieren in Antwerpen, waar Tine geboren was. Het is dan 20 augustus 1859. De reden voor de keus voor Antwerpen was vermoedelijk de bootverbinding met Nederland, op een moment dat de Moerdijkbrug nog niet bestond en al het verkeer met Nederland via Antwerpen verliep. Tine vertrekt met baboe en twee kinderen naar den Haag, waar haar zus Henriëtte woont met haar (schatrijke) man Van Heeckeren. Ze heeft geen geld voor de overtocht en op advies van Dekker vertelt ze de kapitein van het schip dat ze haar beurs heeft verloren. En zo gaat het. Ze schrijft uit Nederland een brief aan Dekker, waarin ze doorgeeft dat de Van Heeckerens - door wie ze met 20 gulden op straat is gezet omdat ze haar man niet wil opgeven - vinden dat Dekker maar matroos of hofmeester moet worden om wat geld te verdienen. Van der Meulen gelooft dat die brief bij Dekker de gal heeft doen overlopen en hem er uiteindelijk toe gebracht heeft de Max Havelaar te schrijven. Tines zus en haar man herinneren zich maar al te goed de 3000 gulden die Dekker van een paar tantes heeft geleend. Van der Meulen verwijst in dat verband naar de scene in de Max Havelaar waar Droogstoppel Sjaalman bezoekt op zijn armelijke kamertje, hem niet thuis treft en de aan Sjaalmans vrouw gerichte brief op zijn bureautje leest van een familielid, dat woedend over hem tekeer gaat, dat ze van haar man moet scheiden, omdat hij haar honger laat lijden en schulden heeft. Nu blijft Dekker in Antwerpen achter, dit keer niet in het beste hotel van de stad. Begin september keert hij terug naar zijn Brusselse hotel, Au Prince Belge. Hij wordt er naar eigen zeggen hartelijk onthaald.

17 Everdine Huberte van Wijnbergen, bijgenaamd Tine (1829-1874). Foto ongedateerd. Ik vermoed dat hij van halverwege de jaren '60 is. Bron foto: Hermans 1987 p. 132

Everdine Huberte van Wijnbergen, bijgenaamd Tine (1829-1874)

18 Dekker beschikte op dat moment nog over een toneelstuk dat hij in 1844 had voltooid, De eerloze. Vanuit Brussel richt hij zich tot de Amsterdamse vrijmetselaarsloge, waarin hij in 1854 was opgenomen, om het ergens onderdak te brengen, met de mededeling dat Van Lennep er ooit wel wat in had gezien. De al genoemde, in Maastricht woonachtige oud-officier de Chateleux, vriend uit Padang, had het in een eerder stadium aan de Nederlandse schrijver opgestuurd. En die was er inderdaad positief over geweest. Nu krijgt Dekker antwoord van een voormalig tweedekamerlid, Van Hasselt, die toezegt te zullen bemiddelen. Hij stuurt hem zijn stuk toe en schrijft: Mag ik u verzoeken te willen bedingen dat ik op Affiches etc. Multatuli heet? Blijkbaar vreesde hij voor zijn reputatie door zijn schrijverscarrière met een komedie te beginnen. De titel van zijn stuk verandert hij in: De bruid daarboven. Het stuk gaat uiteindelijk op 1 oktober 1859 naar de directeur van de Amsterdamse Staddschouwburg, op dat moment nog Groote Schouwburg geheten. Maar ondertussen werkt hij aan zijn Max Havelaar. Op 22 september 1859 laat hij aan Tine weten dat hij hard werkt aan iets groots. Op 28 september schrijft hij al dat hij ervan overtuigd is dat het ding opgang zal maken. Op 13 oktober is het af, een maand nadat hij eraan begonnen is. Vervolgens schrijft hij de hele tekst op gelinieerd papier in het net. Dat exemplaar laat hij inbinden. Hij krijgt er kramp van in zijn vingers en moet zelfs een oogarts bezoeken. Slapen doet hij in die week nauwelijks. Af is alles op 5 november 1859. Van der Meulen gelooft dat Dekker niet, in tegenstelling tot wat zo vaak wordt beweerd, delen heeft gebruikt die hij al had liggen. Hij meent dat Dekker alles ter plekke heeft geschreven. Uit Dekkers eigen woorden aan Tine lijkt dat in elk geval op te maken. Van der Meulen schrijft: Waarom zouden we daaraan twijfelen? Nou, ik zou zeggen, gewoon, omdat het erg veel is om in een maand op papier te zetten. Er is nog een teer punt. In brieven aan Van Hasselt, die hem inmiddels heeft geholpen met zijn toneelstuk, deelt Dekker mee dat hij ook aan iets anders schrijft en dat het over de koloniale kwestie gaat. Van Hasselt, blijkbaar ongerust, laat dat - zeer confidentieel, schrijft Van der Meulen - op zijn beurt weten aan Rochussen, Minister van Koloniën. Want hij is bang voor de gevolgen van een boek over de koloniale kwestie. Van Hasselt dringt er bij Rochussen op aan iets te doen aan Dekkers problematische financiële situatie, zijn broodgebrek, want hij is de mening toegedaan dat Dekker daarom een boek schrijft. Dekker heeft geen idee en stuurt het handschrijft van zijn Havelaar naar Brummen, waar zijn broer Jan sinds eind juni 1859 woont op wat Hermans het buitengoed De Buthe noemt, en waar ook Tine op dat moment verblijft. Jan prijst zijn boek, wat Dekker verrast. Broer Jan stuurt het manuscript ten slotte naar Van Hasselt.

18 Eduard Douwes Dekker (1820-1887), 1862. Hermans schrijft in zijn Raadselachtige Multatuli: Het z.g. Sjaalmanportret, dat in werkelijkheid een modieus gekleed heer weergeeft; in 1862 vervaardigd door Löwenstamm. Bron foto: Waterschoot 2008.

Eduard Douwes Dekker, ca. 1862

19 Aan Van Hasselt vraagt Dekker ondertussen of hij met het manuscript opnieuw naar Van Lennep wil gaan. De auteur zelf noemt hij wat hij geschreven heeft overigens geen roman. 't Is eene geschiedenis. 't Is eene memorie van grieven, 't is eene aanklagt, 't is eene sommatie, zo schrijft hij later aan Van Lennep, als die in zijn boek gaat schrappen. Want het is de zelf uitgeschreven netversie die hij, via zijn broer en Van Hasselt, opstuurt naar Jacob van Lennep met de vraag of die er wat in ziet en of hij het wil laten uitgeven. Van Lennep is op dat moment 57 jaar oud en een succesvol schrijver, al moet zijn beroemdste (en nu ten onrechte vergeten) boek nog verschijnen: Klaasje Zevenster, boek waar ikzelf best een lans voor zou willen breken. Dekker had tijdens zijn Nederlandse verlof met plezier Ferdinand Huyck gelezen. Willem Frederik Hermans noemt Van Lennep trouwens een geroutineerd amateur-schrijver van de derde rang. Volgens mij was hij gewoon boos om diens straat en kade in Amsterdam. Hermans kreeg alleen een steegje bij het Oosterdok, wel langs de bibliotheek (en trouwens ook Mediamarkt). Nee hoor, grapje. Van Lennep is, behalve schrijver, ook nog conservatief kamerlid en rijksadvocaat, die zelf ook een zoon in de Oost heeft. Hij werd beschouwd als een zeer verlicht denker, iets wat, zo schrijft Van der Meulen, toen nog best samen kon gaan met het lidmaatschap van een conservatieve partij. Marita Mathijsen zou - ergens in de loop van 2015, zo was de bedoeling - een biografie laten verschijnen van Van Lennep. Maar inmiddels, zo schrijven we in 2017, is haar dat nog steeds niet gelukt. Daarin zullen naar we mogen aannemen in elk geval de delen over diens verhouding met Dekker ongetwijfeld onder een vergrootglas terecht komen. Hoe dan ook, Van Lennep ziet er dus wel wat in, al brengt hij tal van wijzigingen aan. In 1860 raakt de netversie van het manuscript trouwens zoek. Toen Dekker in 1874 een herziene, ongekuiste uitgave wilde laten verschijnen, had hij dus niet de beschikking over de versie die hij aan Van Lennep had opgestuurd; hij kon toen niet alle ingrepen van Van Lennep ongedaan maken. Pas in 1881 verscheen er een herziene editie van Multatuli waar hij wel tevreden over was.

19 Jacob van Lennep (1802-1868) rijksadvocaat, lid van de Tweede Kamer, maar vooral succesvol en niet onverdienstelijk auteur. Na enig aarzelen neem ik toch maar aan dat het om een prent naar een foto gaat. Ik vermoed dat hij uit Van Lenneps latere levensjaren dateert.

Jacob van Lennep

20 Van der Meulen citeert van Lenneps reactie aan Van Hasselt: In weêrwil dat ik het zeer druk had, in weêrwil der inspanning welke de bleeke inkt, de kleine letters, de donkere lucht en de toenemende verzwakking van mijn gezicht mij noodzaakten in 't werk te stellen, heb ik het boek verslonden. Van Hasselt op zijn beurt stuurt een afschrift van die brief naar Dekker, die er uiteraard trots op is en delen eruit weer citeert voor Tine. Maar Van Hasselt heeft ook nog een andere brief gekregen van Van Lennep, waarin die zijn zorgen uit over Dekkers boek. En Van Lennep op zijn beurt heeft er nog een brief over geschreven aan Rochussen. Die schrijft: De persoon in kwestie is mij sedert 1846 bekend. Hij heeft veel verplichtingen aan mij, maar dat is geen reden om dankbaar te zijn. Hij is knap, maar excentriek. Is hij braaf? Ik stel thans een onderzoek naar hem in. Valt dit gunstig uit, dan zal ik een poging doen om hem te helpen. Van Lennep zelf had de publicatie van het boek het liefst voorkomen, door Dekker in ruil daarvoor een goeie baan in Indië aan te bieden, maar hij was bang dat Dekker daarmee niet akkoord zou gaan. Van der Meulen schrijft: Dubbel spel? Zonder twijfel, maar al wist Douwes Dekker niet wat er achter zijn rug om besproken werd, zelf stelde hij zich evenmin bijzonder principieel op. Ook hij was zonder meer bereid zijn boek te zien als ruilmiddel; ook hij wilde wel van publicatie afzien als daar iets tegenover stond. En wat hij wilde was niet mis. 1 resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen. 2 Herstel van diensttijd voor 't pensioen. 3 een ruim voorschot. 3 Ned. Leeuw. Van der Meulen voegt daar nog aan toe: Verheffend is dit lijstje voor de latere lezer niet, het minst van al zijn gehengel naar een lintje (...) Rochussens onderzoek viel wat ongelukkig uit, want de man die hij ervoor raadpleegde was uitgerekend Willem van der Hucht. Die ging naar Brussel, trof Dekker daar niet meer aan, volgde hem naar Amsterdam, en bood hem in een logement aan de Munt een goeie baan aan in West-Indië als hij ervan afzag zijn boek te publiceren. Dat voorstel wees hij af. In Oost-Indië kon hij naar zijn idee nuttig wezen, maar niet in de West. Via broer Jan laat hij Rochussen weten dat hij met maar éen functie genoegen neemt, lid van de Raad van Indië. Dat zat er niet in, en dus werd de Max Havelaar uitgegeven. Aldus allemaal Van der Meulen. Hermans schrijft over dezelfde kwestie: Zijn brieven zijn helaas menigmaal misbruikt om aan te tonen, dat Multatuli lak had aan de 'zaak van de Javaan', dat hij het boek alleen maar schreef in de hoop er de regering mee onder druk te zetten, het dan te verkwanselen voor een hoge functie. De brieven wekken deze indruk soms wel, maar het is billijk er rekening mee te houden wie degene was voor wie ze bestemd waren. Dekker was ondertussen op 22 november 1859 in zijn eentje uit Brussel naar Amsterdam vertrokken en vond, na bij de Munt in een logement te hebben gewoond en terwijl vrouw en kinderen nog bij broer Jan verbleven, een kamer aan wat toen de Botermarkt heette, en nu het Rembrandtplein. Hij woonde er in het huis van Mordechai Jesserun Lobo, die daar een tweedehandsboekhandel dreef. Behalve Dekker woonde er ook, zo bleek, een mooie zestienjarige fotografe. Ik vind die kamer vuil, het huis niet fatsoenlijk, en over 't geheel komt het me nogal ondeftig voor. (VW X, 299)

20 Eduard Douwes Dekker (1820-1887), 1864. Portret van Multatuli door C. Mitkiewicz, Brussel. Bron foto: Hermans 1987 p. 136

Multatuli, 1864

21 Anderen dan Vermeulen geloven dat een aantal delen van de Max Havelaar reeds in allerlei vormen bestond. Sommigen menen bijvoorbeeld dat alleen de Droogstoppelgedeeltes nieuw zijn. Dankzij de medewerking dus van Van Hasselt, broer Jan en Jacob van Lennep, verschijnt in juli 1860 Max Havelaar of de Koffijveilingen der nederlandsche Handelsmaatschappij door Multatuli. Het pseudoniem heeft hij vermoedelijk uit de brieven van Horatius; hij wilde het al eerder gebruiken voor een toneelstuk waar hij aan werkte. Dekkers broer Jan had aanvankelijk als uitgever blijkbaar voorgesteld Günst, ook de uitgever van het vrijdenkerstijdschrijft De Dageraad, waar Dekker later mee in contact zou komen. Maar daar zag van Lennep blijkbaar niet veel in. Hij kwam met De Ruyter, een Amsterdams uitgever, die al werk van Van Lennep zelf had gepubliceerd. In januari 1860 vroeg Van Lennep Dekker het kopijrecht over te maken, dat hij immers nodig had om een contract met uitgever De Ruyter te sluiten. Ik neem aan dat het ging om wat wij auteursrecht noemen. Dekker stuurde die van zegels voorziene verklaring op aan Van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan. Van Lennep schreef eronder: Waarde vijfhonderd gulden en droeg het kopijrecht over aan De Ruyter. Er stonden nog acht andere artikelen in het contract tussen Van Lennep en De Ruyter, waarin oa. beperkingen waren opgenomen mbt. vertalingen, en over de verdeling van de winst. Van der Meulen schrijft: Over de schrijver werd verder niet gerept. Wel ontving deze vanaf dat moment als een voorschot van februari tot en met juni maandelijks tweehonderd gulden. Een dergelijke opzet van een contract was in Nederland op dat moment gebruikelijk, zo voeg ik daar zelf maar aan toe. Hermans suggereert dat Van Lennep met behulp van wat niet meer dan een kattenbelletje was, er op slinkse wijze in slaagde Dekkers auteursrecht te verkrijgen. Van der Meulen schrijft: Op 23 januari 1860 vroeg Van Lennep Dekker, zo neutraal mogelijk, hem het kopijrecht over te maken. Dat zo neutraal mogelijk is suggestief. Ik vind het bijzonder moeilijk de waarde van die handeling te bepalen. Beiden lijken iets onoirbaars te suggereren, terwijl ik daar niet zeker van ben, eens temeer daar auteurs in de negentiende eeuw in Nederland echt nog als oud vuil werden behandeld. Hermans is er ook niet op uit Van Lennep ergens van te beschuldigen, anders dan van het voorkomen van al te veel publiciteit. Het was niet Van Lenneps bedoeling Dekker financieel te schaden, schrijft hij, en dat vermoed ik ook. Dertig jaar later kreeg Van Eeden een krats voor zijn Kleine Johannes en was alle rechten erop kwijt, ook toen het boek in talloze landen werd vertaald. De kwestie is natuurlijk van veel belang, want Dekker zou er twee processen over verliezen.

21 Max Havelaar of de koffijveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, oorspronkelijke kartonnen band, uitgegeven in mei 1860

Max Havelaar, eerste druk, 1860

22 Van Lennep maakt zelf het boek persklaar. Hij brengt tal van taalkundige verbeteringen aan, voegt een hoofdstukindeling toe en geeft voor de minder geoefende lezer aan welke delen van Stern zijn. Hoewel hij in oorsprong het slot waarin Dekker zich richt tot Willem III had willen weglaten, gebeurt dat niet. Hij weigert, zoals hij zegt, de staart van zijn paradijs-vogel te knippen. Wel worden bestaande plaats- en eigennamen vervangen door puntjes. Ook jaartallen worden vervangen door de eerste drie cijfers, of zelfs enkel twee. De kritische vragen die Frits aan de dominee stelt, zijn verdwenen. Dekker lijkt er, als hij het merkt, begrip voor te hebben. Durfde De R. die niet drukken? Er is trouwens niet veel aan verloren. Hermans somt die vragen met sadistisch genoegen op. Dekker zelf dankt zowel Van Lennep als de uitgever voor hun inspanningen en is tevreden met het uiterlijk. Het boek, dat op 14 mei 1860 verschijnt, kost 4 gulden, wat erg duur is. Het weekloon van een arbeider in die tijd, schrijft Hermans. De oplage bestaat uit 1300 exemplaren, bijna het drievoudige van een normaal debuut. Die hoge prijs was desondanks duidelijk bedoeld om een al te grote volkstoeloop te vermijden. Als Dekker in 1875 zijn auteursrecht terugkrijgt, via een nieuwe uitgever, Funke, zijn er van de Max Havelaar 6000 exemplaren verkocht. Spectaculair veel is dat allesbehalve.

22 Eduard Douwes Dekker (1820-1887), Fotoportret door Séverin uit 1864. Bron: Hermans 1987 p. 119

Douwes Dekker, 1864

23 Hoewel het vaak vergeten wordt, is Max Havelaar niet Dekkers debuut, want in november 1859 verscheen al in het vrijdenkerstijdschrift De Dageraad een korte Geloofsbelijdenis, ook onder pseudoniem. Er zullen maar weinig mensen geweest zijn die het hebben gelezen. Dekkers ruim een half jaar later verschenen roman oogst in elk geval een groot literair succes en baart veel opzien, al valt de verkoop dus tegen. Het is voor het eerst dat er in Nederland iets doordringt van de onmenselijke omstandigheden waaronder velen in Indië leven. Het verhaal van Saïdjah en Adinda roert velen in Nederland tot tranen toe. Sommige zinsneden (een kampong waar het Nederlandse leger net langs was geweest en die dus in brand stond), doen het Nederlandse christelijke gemoed wel erg veel pijn. In het boek wordt erop gezinspeeld dat Nederlandse soldaten inlandse meisjes verkrachten. Vanaf dat moment staat de koloniale kwestie weliswaar hoog op de politieke agenda, maar van het eerherstel, dat zo duidelijk de bedoeling is van het boek, komt niets terecht. Met Van Lennep krijgt hij ruzie over de uitgave. Zoals gezegd had Dekker in een brief het auteursrecht van de Max Havelaar aan hem afgestaan. Na verloop van tijd verschijnt er een Engelse en een Franse vertaling, later ook een (heel slechte) Duitse en een Spaanse. Ook buiten Nederland baart het boek veel opzien en wordt het druk besproken, vooral in Engeland, eveneens een koloniale mogendheid. Dekker dringt er, als het succes zichtbaar wordt, bij Van Lennep op aan een goedkope uitgave te verzorgen, maar die weigert. Van Lennep blijft van mening dat de massa niet rijp is voor de Max Havelaar. Dat leidt tot twee processen over het eigendomsrecht van het manuscript, die Dekker allebei verliest. Zijn Max Havelaar is hij kwijt. Het is de eerste publieke rel waar hij bij betrokken is. Kort daarna worden er naar aanleiding van het boek in de kamer vragen gesteld over de Indische kwestie. Overigens staat Van Lennep ook na het proces een deel van de met de Max Havelaar verdiende gelden af aan Dekker. Het resterende deel is trouwens voor de uitgever, en niet voor Van Lennep.

23 Eduard Douwes Dekker (1820-1887). Fotoportret door Boussaud en Valadon, detail. Brussel, ca. 1864. Bron: Hermans 1987 p. 182

24 Een paar jaar lang probeert Dekker zich weer te laten benoemen in Indië. Wereldvreemd als hij in sommige opzichten is, hoopt hij zelfs op de functie van Gouverneur-Generaal. Maar met zijn politieke opvattingen past hij niet bij de liberalen onder de door hem zo verfoeide Thorbecke, en evenmin bij de conservatieven. Plannen om zich in de kamer te laten kiezen, mislukken tot twee keer toe. De liberalen erkennen de door Dekker beschreven Indische misstanden en pleiten voor afschaffing van het zogenaamde cultuurstelsel. Dat hield in dat inlanders verplicht waren te werken in dienst van het gouvernement en geen andere bron van inkomsten mochten hebben. De liberalen pleiten voor de zogenaamde vrije arbeid: inlanders mochten, behalve hun verplichte dienst, ook voor eigen rekening verbouwen. Dekker is bang dat het idee van de vrije arbeid het einde zal betekenen van Indië als Nederlandse kolonie. Daarmee schaart hij zich tot verbazing van vele medestanders aan de zijde van de conservatieven. Tegelijkertijd eist hij een fatsoenlijker behandeling van de inlanders, waarmee hij de kant kiest van de liberalen. Zijn Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië (1862) wordt zodoende van twee kanten aangevallen. Eveneens in 1862 leert hij Mimi Hamminck Schepel kennen. Ze schrijft hem een brief zonder afzender. De Ideeën werden steeds in afleveringen gepubliceerd en pas daarna gebundeld. Op de omslag van een van die afleveringen stond temidden van andere van Dekker afkomstige boodschappen te lezen: Ik verzoek dringend dat de schrijfster van een brief uit Den Haag mij haar adres opgeeft.

24 Maria Hamminck-Schepel (1839-1930), bijgenaamd Mimi, minnares en vanaf 1875 Dekkers tweede vrouw

Mimi Hamminck-Schepel

06 TINE EN MIMI

25 Terwijl Dekker - voor vrienden Dek - in Amsterdam verblijft, woont Tine het grootste deel van de tijd met de kinderen in Brussel. Hoewel Dekker haar als hij kan geld stuurt, zit ze altijd in financiële nood. In 1866 vertrekt Tine met de kinderen, Edu en Nonnie, in arrenmoede naar Italië, aanvankelijk naar Padua, vlakbij Venetië, waar ze een vriendin heeft wonen. In Brussel blijven er aanzienlijke schulden achter. Tine voorziet verder in haar onderhoud door Frans te geven. Dekker raakt in een Amsterdams cabaret (Frascati, in de Nes) in een handgemeen verwikkeld met een paar toeschouwers, meldt zich de dag erna op het politiebureau, moet naar zijn zin te lang wachten en vertrekt. Hij wordt bij verstek veroordeeld. Hij gaat naar Duitsland, waar hij eerst in Mainz en daarna in Keulen samenwoont met de al genoemde Mimi Hamminck Schepel (1839-1930). Ten slotte gaan ze naar Wiesbaden, waar ze met een kleine onderbreking langdurig zullen wonen. Busken-Huet, de criticus en voormalig redacteur van De Gids (en ex-predikant), bezorgt hem een baantje als correspondent van de Opregte Haarlemsche Courant. Hij mag alleen berichten overnemen en samenvatten uit Duitse dagbladen en niet zijn eigen mening geven. Om dat laatste toch te kunnen doen, bedenkt hij zelf de naam van een dagblad, Mainzer Beobachter. Die speelt vanaf dat moment een tamelijk prominente rol in de Haarlemse krant. Als de uitgevers, de firma Enschedé en Zonen, achter Dekkers list komen, vergeven ze het hem maar.

25 Conrad Busken-Huet (1826-1886), bekendst Nederlands literair criticus, bezorgde Dekker een baan bij de Opregte Haarlemsche Courant

Conrad Busken-Huet (1826-1886)

26 Dankzij een erfenis van Mimi kan hij zich - naar blijkt kortstondig - in Den Haag vestigen. Hij laat nu ook Tine uit Italië overkomen, zodat hij er een voor Nederlandse begrippen opzienbarende ménage à trois op na houdt. Ondertussen raakt hij ook nog eens buitengewoon gesteld op een nichtje, Sietske Abrahams. De broer van het nichtje, Theo Abrahamsz, zal nog in 1890 als wraakactie een naar boek publiceren: Eduard Douwes Dekker (Multatuli), Eene ziektegeschiedenis. Het ménage a trois in Den Haag mislukt faliekant. Dekkers uitgever Ablaing van der Giessen, bij wie Dekker en Tine een tijdje hadden gewoond, spreekt later van een zigeunerbende. In 1870 vertrekken Tine en de kinderen (als Dekker en Mimi even in Duitsland zijn om een roulettesysteem te proberen) plotsklaps en zonder achterlating van bericht weer naar Italië. Wat er wel in Den Haag achterblijft, zijn wederom aanzienlijke schulden. Op weg van Den Haag naar Italië passeren Tine en de kinderen Mainz, waar Dekker op dat moment verblijft. Zoon Edu zal later schrijven dat hij zijn moeder in een kajuit opsluit, om te voorkomen dat ze in Mainz van de boot stapt. In Italië gaat Tine weer lesgeven. Potgieter, een vriend van Huet, stuurt haar met regelmaat wat geld, dat overigens grotendeels door Multatuli-bewonderaars onder leiding van Van Vloten bijeen is gebracht. Tine overlijdt uiteindelijk onverwachts in 1874 in Venetië.

26 Pieter Jan Constant Eduard Douwes Dekker (1854-1930). Zoon Edu dus, ruim twintig jaar oud, rond 1877, zo schrijft Hermans. De foto werd gemaakt in Den Haag. Hermans 1987 p. 204

Edu Douwes Dekker, 1877

27 Graf van Tine op begraafplaats San Michele in Venetië. Het graf werd in 2002 met behulp van ingezameld geld gerestaureerd.

Graf Tine op San Michele in Venetië

28 Edu zal kortstondig terugkeren bij zijn vader, maar wordt zowat aan de deur geweigerd en zal weer met ruzie vertrekken: hij houdt er, zo klaagt Dekker, een minnares op na. En dat is niet fatsoenlijk. In april 1875 hertrouwt Dekker met Mimi Hamminck Schepel, vooral omdat hij zich anders niet in Nederland kan vertonen en hij toch aanwezig wil zijn bij de première van Vorstenschool. Dat wordt op het toneel gebracht door een nieuw Rotterdams gezelschap. Vanaf dat moment groeit zijn populariteit. Eén van de bij het toneelgezelschap betrokken acteurs, Haspels, zal later op kundige wijze Dekkers lezingentournees door Nederland organiseren.

28 Eduard Douwes Dekker (1820-1887), Fotoportret door Wegner en Mottu, 1875. Bron: Hermans 1987 p. 173

Eduard douwes Dekker, 1875

29 Eduard Douwes Dekker (1820-1887), Fotoportret door Wegner en Mottu, 1875. Bron: Hermans 1987 p. 173

Eduard Douwes Dekker, 1875

07 POST-HAVELAAR

30 In 1861 verschijnt Minnebrieven, in 1862 Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië. Eveneens in 1862 begint hij aan zijn Ideeën; tot 1877 verschijnen er 7 bundels. De gedachte al zijn invallen, vertellingen, geschiedenissen en herinneringen te bundelen en van een nummer te voorzien, komt blijkbaar bij hem op terwijl hij Over Vrijen arbeid schrijft: Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen, zo richt hij zich tot zijn uitgever, van een werk dat ik zoeven bedacht heb. Ik zal u elke week een vel druks leveren. Ja, als ik 'n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbind my voorlopig tot het schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus - als ik geen goede kamer heb - voor een half jaar. En iets verder: Ik zal in dat schryven trachten naar waarheid. Dit is myn program. Dit is myn enige program. Of zijn uitgever met die inval erg blij was, valt te betwijfelen. Per slot van rekening had Dekker zojuist een zekere naam gevestigd met een roman. Hoe dan ook, Multatuli zal de rest van zijn schrijverscarrière praktisch vullen met de bundels Ideeën. Daarin komt ten slotte ook het verhaal van Woutertje Pieterse tot stand, dat hoewel het onaf blijft, er na zijn dood wordt uitgehaald en gepresenteerd als een op zichzelf staande roman. In 1871 verschijnt Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten en in 1873 Millioenen-studieën. In het kader daarvan schrijft hij, om te laten zien dat het kunstenaarsgenie ook praktisch kan zijn en rijk kan worden, brieven aan 59 regeringen overal ter wereld. En of ze er niets in zien de keerzijde van treinbiljetten te gebruiken voor reclame? Er zijn er zes die reageren, alle negatief. Rijk wordt hij niet. In deel 4 van de Ideeën (1873) staat het toneelstuk Vorstenschool, dat later ook apart zal worden uitgegeven en ten slotte met veel succes zal worden opgevoerd. In 1877 komt met de verschijning van de zevende bundel Ideeën een eind aan zijn actieve loopbaan als auteur. Multatuli's schrijverscarrière beslaat dus in totaal 17 jaar, van zijn veertigste tot zijn zevenenvijftigste.

30 Maria Hamminck-Schepel (1839-1930), bijgenaamd Mimi, minnares en vanaf 1875 Dekkers tweede vrouw

Mimi Hamminck-Schepel

31 Van belang voor de jaren na de Max Havelaar is de breuk in 1869 met zijn eerste uitgever, Ablaing van der Giessen, en het feit dat Dekker ten slotte een nieuwe uitgever krijgt, Funke, die stukje bij beetje de rechten op het grootste deel van Multatuli’s werk opkoopt, waaronder ook die op de Max Havelaar. Funke is niet alleen een fatsoenlijk en integer mens, die Multatuli met respect behandelt en zijn werk goed uitgeeft, hij is ook een handig zakenman. Daarbij moet worden aangetekend dat Nederlandse schrijvers in de negentiende eeuw, vergeleken bij hun Franse en Engelse collega's bijvoorbeeld, bepaald krenterig behandeld worden. Zo ontvangt Dekker per blad (ongeveer tien pagina's tekst) 40 gulden. Erger was nog dat de schrijver, zoals in Nederland veelal gebruikelijk, met de verkoop van zijn kopij alle verdere rechten afstond, zodat hij geen royalty's kreeg over de verkoop van bijv. herdrukken, laat staan vertalingen.

31 George Lodewijk Funke (1836-1885), laatste en enige serieuze uitgever van Dekker

George Lodewijk Funke (1836-1885)

32 Collega-schrijfster, actrice, feministe avant la lettre Mina Kruseman (latere aartsvijandin) zou er bij Dekker op aandringen enkel eenmalig gebruik van de kopij toe te staan, iets wat bijvoorbeeld ook Huet deed, maar Dekker vond dat niet eerlijk: verkocht is verkocht. Mina Krusemans aanpak veroordeelt hij als Amerikaans. Wel betaalt Funke ruimhartig voor de correctie van eerdere uitgaves. Als Funke zich in 1880 alleen met zijn krant gaat bezighouden (Het Nieuws van de Dag, dat pas in 1997 ter ziele ging), verkoopt hij zijn fonds aan het net opgerichte Elseviers, waarvan hijzelf voor 1/5 deel eigenaar wordt. Voor het werk van Multatuli krijgt hij 20.000 gulden. Hij geeft Dekker een jaarlijkse lijfrente van 500 gulden. Zelf heeft Dekker al het genootschap Tandem opgericht. Tandem heeft niks met een fiets te maken. Het is het eerste woord van een Latijnse spreuk: tandem bona causa triumphat: eindelijk zegeviert de goede zaak. Bewonderaars leveren een bijdrage aan de pensionering van Havelaar, zoals Dekker het noemt. Er is een aantal secties, elk met een voorzitter, die de bijdragen inzamelt en naar Wiesbaden stuurt.

32 Wilhelmina Jacoba Paulina Rudolphina Kruseman (1839-1922), genaamd Mina. Actrice, vertolkster van Louise in Vorstenschool, daarna vijandin

Mina Kruseman (1839-1922)

33 Elisabeth Agnes Everdine Douwes Dekker, bijgenaamd Nonnie (1857-1933), ca. 1877. Bron: Waterschoot 2008

Elisabeth Agnes Everdine Douwes Dekker, bijgenaamd Nonnie (1857-1933)

08 LAATSTE JAREN

34 De laatste tien jaar leeft Dekker vrij van financiële zorgen. Zurcher, een Nederlands romanschrijver en schilder, getrouwd met een veel oudere, maar zeer rijke vrouw, leent hem renteloos 14.000 gulden, waarmee Dekker een huis kan kopen bij Nieder-Ingelheim, ten zuiden van Mainz, met een prachtig uitzicht over de Rijn. Heel wat gasten die hem bezoeken merken op dat het Haus auf der Steig (zoals Ingelheimers het noemen) de schrijver en zijn boeken typeert. Het ligt geïsoleerd, je moet er flink voor klimmen en het biedt een prachtig uitzicht over het omliggende gebied. Overigens wordt 3000 gulden van de 14.000 besteed aan de verbouwing. Zo is er, vermeldt Dekker losjes, geen plee aanwezig. Zonder het Zurcher te zeggen betaalt hij voor het huis veel minder dan 11.000 gulden. Voor een deel van de koopsom lost hij jaarlijks een schuld af van de vorige eigenaar aan een derde partij, zodat hij een flink deel van de gift in zijn zak steekt. Wat hij ermee doet, mag God weten, want al snel verklaart hij weer in financiële moeilijkheden te zitten. Van Robbers, de man van Elseviers, krijgt hij een voorschot van 2000 gulden in ruil voor de belofte de Wouter-geschiedenis (Woutertje Pieterse dus) af te maken in een nieuwe, achtste bundel Ideeën. Later blijkt dat Funke (immers mede-eigenaar van Elseviers) Robbers heeft bewerkt, en zelf borg staat voor een deel van het voorschot. Maar van het schrijven komt het niet, en na zijn dood eist Elseviers van Mimi het geld terug. Ze bedenkt een list.

34 Ingelheim am Rein, Haus auf der Steig, Het huis waar Dekker met met Mimi woonde, nu Hotel Multatuli.

Haus auf der Steig

35 Van 1878 tot 1881 houdt Dekker elk jaar, beginnend in januari, een lezingentournee door Nederland en is dan een paar maanden avond aan avond bezig in alle hoeken en gaten der provincie. Een beetje pijnlijk is dat wel, want één van zijn meest geciteerde uitspraken is: publiek, ik veracht u met groote innigheid. In de kranten wordt hij daar nu met regelmaat aan herinnerd. Zodra hij uit steden en dorpen is vertrokken, staan de bladen vol met polemieken van voor- en tegenstanders. In zijn brieven schrijft hij aan iedereen die het lezen wil dat hij zijn voordrachten afschuwelijk vindt (ik haat dien publiekerigheid) en alleen voor het geld op pad gaat, maar in werkelijkheid geniet hij van de belangstelling en voelt zich tijdens zijn gereis door Nederland gezonder dan in de rest van het jaar. Per tournee strijkt hij zo'n 3000 gulden op. Toehoorders betalen fl 1.50, het equivalent van wat nu toch al gauw 15 euro is.
Het tij is inmiddels dan ook gekeerd. De Max Havelaar is een klassieker geworden. Funke vermeldt in 1880 dat er tot dan toe 13.000 exemplaren van verkocht zijn. Van de eerste bundel Ideeën zijn dat er zo'n 6000, van de zevende en laatste 2000, en van Vorstenschool 6000. Omdat Vorstenschool al was opgenomen in de vierde bundel Ideeën (verkocht 4000) is het totaal voor Multatuli's toneelstuk opvallend hoog: in 1880 al 10.000. Ongetwijfeld vindt dat mede zijn oorzaak in de grote publiciteit waarmee de talrijke voorstellingen gepaard gingen. Voor de 19e eeuw, voor Nederland, en voor een moeilijke schrijver als Multatuli, zijn het in elk geval aanzienlijke aantallen. Als hij lezingen houdt, stroomt het publiek toe, zelfs in Alkmaar, waar hij maar één keer optreedt. Te vermoeden valt, dat de toeloop niet alleen is gebaseerd op de kwaliteit der voordracht. Zo houdt hij in het derde jaar bijna voortdurend hetzelfde verhaal. Velen willen Multatuli zien. Hij is een beroemdheid geworden en beschikt over een grote schare fans; vooral onder jongeren. Ook bij vrouwen is Multatuli opvallend populair. Die geven daarmee misschien gehoor aan zijn met nadrukkelijke regelmaat gedane vermelding dat zijn lezingen juist voor dat deel der mensheid bijzonder geschikt zijn. Als hij begin 1880 een lezing houdt in Schiedam zit op de voorste rij trouwens dominee François Haverschmidt (Piet Paaltjens dus).

35 Jacob Marinus Haspels (1829-1897), de man die Dekkers lucratieve lezingentoernees door Nederland organiseerde

Jacob Marinus Haspels (1829-1897)

36 Zijn uitgever Funke wijst hem er tevergeefs op dat hij er beter aan zou doen te schrijven, in plaats van rond te trekken en het publiek met malle fratsen te vermaken. Maar van schrijven voor de pers komt niks meer. Het walgt hem, zegt hij. En hij meent het. Wel verzorgt hij nog wat herdrukken. Hij verbouwt inmiddels ook druiven, is lid van de Nederlandse Schaakvereniging en houdt zich bezig met correspondentieschaak. Soms heeft hij vijf partijen tegelijk lopen. Verder wijdt hij zich aan de opvoeding van een in 1878 geadopteerd (Duits) jongetje, Wouter geheten, dat hij zelf onderwijst. De contacten met de kinderen uit zijn eerste huwelijk, Edu en Nonnie, heeft hij verbroken. Hij heeft het druk met andere dingen. Hij krijgt van een vriend een broedmachine, en beschikt in een ommezien over 76 kuikens. Hij experimenteert met insecticiden voor zijn rozen, en klaagt dat de knoppen die hij heeft besproeid niet uitkomen. 's Zomers en met kerst heeft hij voortdurend logés. En hij voert natuurlijk een uitgebreide correspondentie met vrienden en bewonderaars. Regelmatig stuurt hij brieven die in huidige druk dertig of veertig pagina's beslaan. Veel van zijn correspondentie is hoogst vermakelijk en  minstens zo amusant als zijn literaire werk. Steker: het is literair werk, want hij kan het schrijven toch niet laten. Tal van brieven behoren tot het beste wat er in de Nederlandse literatuur bestaat. Wel is de toon van zijn geschrijf in de latere jaren in toenemende mate obsessief te noemen en bitter. Hij voelt zich verraden en te kort gedaan. Van alles wat hij wilde, heeft hij niets bereikt. Van literatuur moet hij niks meer hebben. Hij weigert lid te worden van de net opgerichte Nederlandse schrijversvereniging. Als reactie schrijft hij: Het aanmoedigen van zog. ‘belletrie’ komt me niet wenschelyk voor. Hij klaagt over zijn aamborstigheyd, de astma dus, die steeds erger wordt en waar hij uiteindelijk ook aan zal sterven.

In de jaren zestig was er al eens geprobeerd om Dekker financieel te helpen. Daarbij was de al genoemde Van Vloten betrokken, een der moderne dominees die Dekker zo zou gaan verafschuwen. Toen had dat geleid tot een ruzie van formaat tussen de schrijver en zijn would-be weldoeners, uitgevochten in de kranten. Met Van Vloten zou het nooit meer goed komen en met veel anderen ook niet. Het geld dat erbij was opgehaald, zou voor een goed deel gestolen zijn door een vriend van Dekker, baron Plettenberg. Vreemd genoeg zijn die twee ook daarna goed bevriend gebleven. En het geeft te denken dat een Amsterdams hoogleraar in 1880 beweert zeker te weten dat Plettenberg het geld wel degelijk aan Multatuli had afgestaan. In 1882 proberen medestanders het opnieuw. Dan wordt het zogenaamde Huldeblijk georganiseerd, waarbij de Nederlandse progressieve elite, maar ook heel wat gewone mensen, in totaal zo'n 20.000 gulden voor hem bijeenbrengen, naar huidige koopkracht gemeten ongeveer vier ton. Overigens is hijzelf op de achtergrond via de organisatoren (Van der Goes en Paap, beiden later ook betrokken bij De Nieuwe Gids), een van de drijvende krachten. Hij klaagt van tevoren: Zeker is 't dat het meer zal gelyken op 'n ouwemannig pensioentje dan op 'n schitterend huldeblyk. En hij klaagt achteraf: het bijeengebrachte bedrag is veel te laag. Het is niet schitterend genoeg. Als de organisatoren hem het geld in de vorm van een lijfrente ter hand willen stellen, protesteert hij. Hij wil het contant. Het wordt ten slotte half om half. Met sommige van de organisatoren, onder wie jarenlange trouwe vrienden en medestrijders, verbreekt hij de correspondentie. Tot aan zijn dood zal hij over het huldeblijk klagen. Het heeft hem geknakt, schrijft hij.

36 Johannes van Vloten (1818-1883): Onkruid onder de tarwe

Johannes van Vloten (1818-1883)

37 Als in 1885 zijn vroegere uitgever Funke overlijdt, gaat Dekker naar Amsterdam voor diens begrafenis. Het is de laatste keer dat hij Nederland bezoekt. Funkes dood is een zware klap voor hem, want hij vereert de bijna twintig jaar jongere uitgever meer dan wie ook en houdt veel van hem. Bewonderaars blijven ook daarna naar Nieder-Ingelheim komen, zoals Domela Nieuwenhuis, de dominee die anarchist-socialist wordt en in 1886 gevangenisstraf krijgt vanwege majesteitsschennis in een artikel in Recht voor allen, het socialistisch tijdschrift. In 1886 verschijnt nog Van Eeden, als hij van zijn huwelijksreis terugkeert naar Nederland. Dat is enigszins pikant, want de nog jonge Tachtiger is getrouwd met een dochter van de door Dekker gehate Van Vloten. Dekker vertelt aan Van Eeden dat hij zeer is ingenomen met De kleine Johannes en het aan zijn pleegzoontje Wouter heeft voorgelezen. Huet, die kort daarop overlijdt, en aan wie Dekker inmiddels ook een hekel heeft, publiceert nog in 1885 een lovend portret van Multatuli. Er zijn ook andere tekenen van een groeiende populariteit. In 1883 wordt er in Amsterdam-West een straat naar hem vernoemd, niet ver van de twee Van Lennep­kades dus, en de Van Lennepstraat. Een sigarenmaker, vermoedelijk Justus van Maurik (die ook al een bijdrage had geleverd aan het Huldeblijk), wil Multatuli's portret op een kist sigaren afbeelden. Dekker, zelf een groot sigarenroker, weigert. Jammer.

37 Frederik van Eeden (1860-1932) en Martha van Vloten (1857-1943). Op de terugtocht van hun huwelijksreis naar Italië bezochten de twee Multatuli en werden hartelijk ontvangen. Dekker had aan zijn pleegzoontje Wouter net de Kleine Johannes voorgelezen. Martha van Vloten is de dochter van de moderne dominee Van Vloten, auteur van Onkruid onder de Tarwe. De drie zusjes van Vloten hadden een voorkeur voor kunstenaars. De twee andere, Betsy en Kitty, trouwden met respectievelijk schilder Willem Witsen en dichter Albert Verwey.

rederik van Eeden en Martha van Vloten

38 Eduard Douwes Dekker sterft aan een longemfyseem op zaterdag 19 februari 1887. Het bericht van zijn dood gaat enigszins ten onder in het rumoer, waarmee uitgerekend op deze dag in het vaderland een groot Oranjefeest wordt gevierd, en wel vanwege de 70ste verjaardag van Koning Willem III. Dat is inderdaad de man tot wie Multatuli zich (tevergeefs) richt aan het eind van de Max Havelaar. Douwes Dekker wordt gecremeerd in het Duitse Gotha; hij is de eerste Nederlander die ervoor kiest zijn stoffelijke resten te laten verbranden, al heeft het in zijn geval ook praktische redenen. In het land waar hij niet wilde leven, wilde hij zeker niet begraven worden en in Ingelheim mag een begrafenis niet plaatsvinden zonder kerkelijk ritueel. Bij de crematie zijn alleen Mimi aanwezig, een jarenlange vriend, de broer van Mimi, en twee jonge, uit Middelburg overgekomen bewonderaars. Eén van hen is Wibaut, later bekend geworden als wethouder in Amsterdam en inmiddels, net als Dekker, voorzien van een straatnaam aldaar. Journalisten of andere belangstellenden zijn er niet. Wel verschijnen er tientallen herdenkingsartikelen. Mimi, die aanvankelijk klaagt dat het haar zo'n verdriet doet dat het huis in Ingelheim door een ander zal worden bewoond dan door haar genie, verhuist naar Amsterdam. In januari 1888 koopt ze (wederom met behulp van Zurcher) het huis uit de openbare boedelverkoop die er in Ingelheim wordt gehouden ten bate van de erfgenamen, van Mimi zelf dus en van Eduard en Nonnie. Mimi heeft duidelijk het financiële geweten van haar overleden man. Ze betaalt 8250 gulden, verdeelt dat bedrag onder de drie erfgenamen en verkoopt het huis een half jaar later voor 14.000 gulden. Ze vindt het heel erg, schrijft ze weer.

38 De urn waarin de as van Multatuli werd bewaard, totdat die werd bijgezet in het monument op begraafplaats Driehuis-Westerveld, staat nu in het Multatulimuseum

Urn van Multatuli

39 Om de schuld aan Elseviers te delgen, verzorgt Mimi een uitgave met een bloemlezing uit de Ideeën, en dan met name de Wouter-delen, iets wat Dekker zelf altijd had geweigerd. Dat is het huidige Woutertje Pieterse (1890), dat dus door Dekker zelf nooit als roman bedoeld is geweest. Een paar jaar later sluit ze ook een contract voor eerst zes, en daarna nog eens vier delen met brieven van Multatuli. Ze woont in die tijd samen met Willem Paap, die is betrokken bij de uitgave van de Nieuwe Gids, het tijdschrift van de Tachtigers, maar die ook een groot Multatuli-aanhanger was. Van veel door Mimi uitgegeven teksten blijken achteraf de autografen spoorloos verdwenen.

39 Mimi Hamminck-Schepel-Dekker op latere leeftijd

Dekkers weduwe op latere leeftijd

40 Ik schreef het al: Tine overlijdt in 1874 in Venetië, waar ze ook begraven ligt. Haar graf op het niet-katholieke deel van de begraafplaats op San Michele (aan de noordkant van de stad) is inmiddels gerestaureerd. Willem Frederik Hermans was er ooit en luidde in 1984 de noodklok over de staat ervan omdat hij bang was dat het geruimd zou worden. Het Multatuligenootschap heeft uiteindelijk in 2002 het beheer over het graf op zich genomen. Zie bijv. het artikel van de voormalige conservator van het Multatulimuseum, Jos van Waterschoot, op DBNL Mimi overlijdt ten slotte in 1930 in Den Haag, Edu in hetzelfde jaar in Nice. Nonnie sterft in 1933 op Capri, waar ze ook begraven ligt. Douwes Dekkers vroegere woonhuis in het huidige Ingelheim am Rhein, aan de Mainzer Strasse 255, is tegenwoordig Landhotel Multatuli. Voor pakweg 75 euro heb je er een tweepersoons, en vanuit het restaurant (niet voor niets panoramarestaurant geheten) heb je een prachtig uitzicht over de Rijn. Willem Frederik Hermans (alweer) besteedde een aardig verhaal aan zijn zoektocht naar het hotel (in zijn Sadistisch Universum). Multatuli's geboortehuis aan de Korsjespoortsteeg, tussen Singel en Herengracht, is heden ten dage - ik schreef het al - het Multatulimuseum. Kort na zijn dood werd er al een gedenksteen op aangebracht. Helaas bleek achteraf de geboortedatum onjuist, ook al scheelde het maar één dag. De huidige conservator van het museum is Klaartje Groot. Er vlakbij, aan de Prins Hendrikkade 12, bevindt zich trouwens ook al een Hotel Multatuli: a truly friendly and comfortable hotel. Dat truly maakt me pas echt wantrouwig. En het kan niet op: want is er ook nog een soort rondvaartboot voor feesten en partijen die Multatuli heet, een twintig meter lang schip van Rederij de Nederlanden, aldus Het Parool, dat erover publiceerde. Douwes Dekker kreeg in Amsterdam éen beeld. Niet ver bij Multatuli's geboortehuis vandaan bevindt zich, op de Torensluis over het Singel, het fraaie borstbeeld van Multatuli van Hans Bayens (bijgenaamd de literaire donderwolk). Als je op het terras van Café Ter Kuile zit, of dat van Café Zeezicht, heb je er een mooi uitzicht op. En dan is uitgeverij Van Oorschot er in 1995 met de grootste moeite is in geslaagd de laatste hand te leggen aan de uitgave van de Verzamelde brieven en documenten, die bestaat uit de delen 8 tot en met 25 van het Verzameld Werk. Toen is plechtig het laatste deel (en natuurlijk ook de rest van het pak van Sjaalman) aan (toen nog) prins Willem Alexander aangeboden.

40 Het bureau dat Dekker in 1875 kreeg van vrienden en bewonderaars ter gelegenheid van de première van Vorstenschool. Het bureau staat nu in het Multatulimuseum.

Dekkers bureau

09 PERSOONLIJKHEID

41 Voor we kijken naar Dekkers invloed en betekenis, is het misschien een goed idee even apart aandacht te besteden aan zijn reeds genoemde ongemakkelijke geaardheid. Veel tijdgenoten die hem niet kenden, meenden dat hij het als ‘vrijdenker’ met de goede zeden wel niet zo nauw zou nemen. Daar droegen de geruchten over zijn huwelijksleven en zijn scandaleuze financiële bestaan uiteraard het een en ander toe bij. Ook uit zijn Indische tijd dateren er heel wat bizarre verhalen die op zijn minst een aanwijzing zijn voor een zekere excentriciteit. Toch zijn veel mensen, als ze hem in levenden lijve ontmoeten, verrast door zijn werkelijke verschijning en gedrag. Hij hecht aan goede manieren, is attent en immer correct gekleed. Alcohol gebruikt hij niet; hij drinkt alleen thee. Hij is tegenover vreemden nooit formeel (uit angst arrogant gevonden te worden) en moedigt iedereen die hij aardig vindt al gauw aan Dek tegen hem te zeggen. Als na een voordracht een keer een onbekende aanhanger zijn opwachting maakt om hem te complimenteren en het gesprek opent met een welgemeend ‘godverdomme’, zet Dekker de man onmiddellijk de deur uit. Vloeken getuigt niet van fatsoen. Ook tegenstanders die hem ontmoeten, vinden hem tot hun verrassing sympathiek. Uit zijn brieven komt vaak een hartveroverend mens tevoorschijn. In zijn publieke carrière echter krijgt Dekker desondanks met erg veel mensen ruzie. De rij is eindeloos. Hij is niet alleen aardig, hij is ook een lichtgeraakt en argwanend mens. Bij zijn leven heeft hij nauwelijks vijanden gehad die niet in een eerder stadium vrienden zijn geweest. Het valt dan ook niet mee een juist oordeel te vormen van iemand die uit idealistische overwegingen een riante baan opgeeft, een stervende teringpatiënt bij zich in huis neemt, arme oude vrouwtjes helpt, en knappe jonge meisjes, soms gul is op het absurde af, en een geweldig gevoel voor humor heeft, maar die ook hoogmoedig kan zijn, vooral op intellectueel terrein, een flinke portie eigendunk heeft, die lastig is, die voortdurend met zichzelf als martelaar te koop loopt, en altijd klaagt. Tot in het door hem gekozen pseudoniem toe is de neiging tot zelf-dramatisering zichtbaar. Zijn relatie met zijn eigen zoon Edu is zo getroebleerd is dat hij, als er in 1880 in den Haag bij een geruchtmakende ontvoering een dertienjarige jongen wordt vermoord, Edu op grond van de alom in de kranten gepubliceerde facsimile (fotokopie) van de ontvoeringsbrief aanwijst als de moordenaar. Hij reist zelfs naar Den Haag om aangifte te doen. De echte dader is inmiddels gepakt en Edu blijkt al lang in Padua te zitten.

Sietske Abrahamsz (het nichtje met wie Dekker kortstondig wat had) schrijft over Dekker nog in 1889 aan Edu: Zelfvergoding was een groot zwak van hem. Bij uitzondering mochten vreemden of hem dierbare personen in sommige gunstige stemmingen van andere opinie zijn, doch dat zijn Edu tegen hem is opgestaan, dit is een doodsteek geweest voor zijne genegenheid. Wie van Multatuli de (overigens prachtig geschreven) Ideeën leest die hij wijdt aan de positie van de vrouw (de nummers 181 tot 208), is onwillekeurig geneigd te denken aan Tine en haar tamelijk treurige dood in Venetië. Het is vooral dat laatste, het feit dat de auteur van de Max Havelaar, volgens eigen zeggen een toonbeeld van integriteit, samenleeft met een andere vrouw dan de Tine, die op grond van het boek zo ongeveer tot nationaal monument is uitgeroepen, dat bij buitenstaanders kwaad bloed zet.

41 Amsterdam, Multatulimuseum. Dekkers reiskoffer.

Dekkers reiskoffer

10 INVLOED EN BETEKENIS

42 Het is merkwaardig - of misschien juist niet - dat een bespreking van het werk van Multatuli bijna altijd leidt tot een bespreking van Multatuli zelf, van zijn persoonlijke kwaliteiten en gebreken. Zijn reputatie is er één die de geesten scheidt in Multatuli-haters en Multatulianen. De verguizers vinden hem een naar mens en dus een slecht schrijver, de aanhangers achten hem hoog als belangwekkend figuur en auteur van formaat. Zowel Du Perron - de schrijver van het tijdschrift Forum - als W.F. Hermans - die (eenmaal wat ouder) van Forum niets moest hebben - schreef een boek over hem.

Het probleem is dat Multatuli zelf verantwoordelijk is voor het misverstand. Keer op keer deelt hij mee dat hij geen schrijver is in de gewone zin van het woord. Hij wil niet horen dat hij zo mooi schrijft. Hij streeft alleen naar waarheid. Velen hebben hem aan zijn woord gehouden en hem ook als mens beoordeeld. Een hardnekkig eigentijds tegenstander als Van Vloten besteedt een heel boek aan Multatuli's opvattingen en het contrast met zijn privéleven (1875, Onkruid onder de tarwe). Mina Kruseman, de vrouw die verantwoordelijk is voor het op het toneel brengen van Vorstenschool en er de hoofdrol in speelde - volgens Dekker en vele anderen zonder een greintje talent - publiceert een (zorgvuldig geredigeerde) uitgave van o.a. haar correspondentie met Dekker (1877, Mijn leven) en plaatst hem daarmee in een kwaad daglicht.

Er is dan ook praktisch geen terrein, of Multatuli heeft er (vaak eigenwijze) opvattingen over. De kern van het probleem is echter dat al de verschillende waarheden die Multatuli met graagte verkondigt, zo moeilijk te plaatsen zijn. Op allerlei terreinen van die waarheid maakt hij het mede- en tegenstanders moeilijk, door standpunten in te nemen die slecht bij elkaar lijken te passen, en samen bij geen enkele partij. Hij weet dat zelf overigens heel goed. Op 5 maart 1885 schrijft hij: Ik heb niet de minste kans begrepen te worden, zoolang de publieke opinie aan den leiband loopt van de partyschappen, zoolang men niet begrypt dat ‘n oordeel juist wezen kan, ofschoon ‘t niet past in zeker program. Ik leg me toe op “vryzinnigheid”, d.i. ik leg me bij elke kwestie de vraag voor: “wat is hier waarheid?” en tracht die naar m’n beste weten te beantwoorden, zonder eerst te onderzoeken of ik door m’n slotsom rechts, links of in ‘t midden kom te staan. Zoolang nu de krankzinnige kinderachtigheid van dat partywezen heersende is, heb ik geen kans op byval, en daarom zwyg ik liever dan te spreken.

Bij zijn veronachtzaming van het partywezen gaat het om drie terreinen: moraal en religie, politiek en literatuur.

1 Op religieus en moreel terrein. Hij is een atheïst, maar zijn oprechte afkeer van het christendom (die geloovery, schrijft hij) is zodanig geformuleerd, dat veel christenen hem desondanks alleen kunnen bewonderen. Het streven naar genot acht hij het hoogste menselijke doel. Wij zouden misschien zeggen: geluk. Traditie, geloof en zeden staan dat streven nog te vaak in de weg. In een geordende samenleving heeft iedereen het recht zijn geluk te verwezenlijken, mits hij daarbij geen schade toebrengt aan anderen. De morele standaard die daarbij geldt voor het menselijk gedrag is zeker zo strikt als de Tien Geboden en lijkt er sprekend op. Multatuli is dan ook een moralist van het zuiverste water, en in die zin zelfs een typisch Nederlands verschijnsel. De literatuur hier te lande heeft traditiegetrouw een belangrijke morele component. Bovendien ontleent hij op heel wat plaatsen in zijn werk stijl en woordkeus aan de bijbel en klinkt dan haast als Jezus zelf. Wat Dekker de christenen verwijt, is dat ze zich niet gedragen naar hun evangelie, dat heel wat onderdelen daarvan, als je ze letterlijk neemt, idioot zijn, en dat gelovigen met hun opvattingen de vooruitgang remmen (een woord waar hij niet van hield). Heel wat vooruitstrevende christenen waren (en zijn) dat met hem eens; alleen zagen (zien) ze er geen reden in om derhalve God maar af te schaffen. Haverschmidt is niet de enige dominee die, zittend op de eerste rij, naar zijn voordracht luistert. Dekkers correspondenten zijn soms streng gelovig, katholiek en protestant. Het is dit punt, waar zijn tegenstanders altijd Multatuli's eigen leven erbij slepen; en dat is - zoals je inmiddels wel zult hebben begrepen - niet geheel van smetten vrij.

2 Op het gebied van de politiek. Hij noemt zich vrijdenker, is erelid van de vereniging De Dageraad, een gezelschap van progressieve wereldverbeteraars, maar hij gelooft niet in het ondertussen sterk opkomende socialisme. Dekkers opvattingen over economie getuigen van opvallend veel gezond verstand en klinken vaak heel modern. Hij spreekt laatdunkend van ‘Karel Marx’en schrijft: Den zoogenaamden stryd tussen kapitaal en arbeid erken ik niet. Als Mimi in 1886 in het Amsterdams Vondelpark een bijeenkomst bijwoont van socialisten, waar Domela Nieuwenhuis een toespraak houdt, krijgt de vrouw van Multatuli een daverend applaus van het natuurlijk vooruitstrevende publiek. Een berichtje van die gebeurtenis verschijnt in allerlei kranten. Vanuit Nieder-Ingelheim plaatst Dekker direct een advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad (12 november 1886) met de volgende tekst: Om misverstanden uit den weg te ruimen, verklaar ik dat de meeningen der sociaal-democraten over de middelen der verbetering van den treurigen toestand waarin ‘t grootst gedeelte der bevolking van Europa verkeert, my voorkomen in hoofdzaak onjuist te zyn. Dat die advertentie juist verschijnt op het moment dat Domela wordt vervolgd (en veroordeeld) voor majesteitsschennis, voelt de Multatuli-bewonderaar Domela als verraad. Ook over de veroordeling uit Dekker zich niet.

Dekker moet van democratie niks hebben, maar als het dan moet - en hij weet dat er niks aan te doen is - dan moet iedereen maar stemrecht hebben. Hij schrijft: Van algemeen stemrecht verwacht ik niets goeds. Toch ben ik ervoor. Wel zeker! Die heele stemmery is ‘t recht van den sterksten met overslaan van vechten. ‘t Is dus logisch dat iedereen meestemt, ook tuchthuisboeven en krankzinnigen. Neen, zegt men, die zyn onbevoegd. Ei, en 99/100 van de anderen dan, die toevallig niet opgesloten zitten? Nog heel lang zal een aanzienlijk deel der Nederlandse intellectuelen het moeilijk hebben met de democratie en in dat opzicht is Dekker bepaald geen uitzondering.

Hij is tegen de bestaande onderwijswetgeving. Hij schrijft: Vryheid van onderwys’ behoort de leus te zijn, en ouders behooren ‘t recht te hebben, hun kinderen te laten onderwyzen door wien ze verkiezen. Over 40, 50 jaar zal men de tegenwoordige “Onderwys”wetten belachelijk en middeleeuwsch vinden.

Hij is zelfs tegen de algemeen gebruikte spelling en gebruikt een eigen variant die vaak veel dichter bij onze spelling zit dan de vorm die in zijn tijd werd gebruikt. Zijn opvattingen over etymologie zijn vaak belachelijk, dat wel. Hij is tegen de staat. Die moet alleen het hoognodige doen en de vrijheid van de burger zo weinig mogelijk inperken. Hij pleit dan ook voor de opheffing van allerlei wetgeving. Hij schrijft, en het klinkt heden ten dage vooruitziend: Een regering die jarenlang niets deed dan belemmering opheffen, ook zonder daarvoor iets in de plaats te stellen, zou zich zeer verdienstelyk hebben gemaakt. De vracht staatszotternyen die we van vorige geslachten overerfden, is geweldig zwaar.

3 Zijn literaire vrienden maakt hij het moeilijk doordat hij als schrijver van waarheden in toenemende mate een hekel heeft aan fictie. Hij prijst weliswaar de schrijfsels van vrienden als Vosmaer, maar veel meer dan beleefdheid was dat niet. Welbeschouwd is het feit dat hij ooit Van Eedens Kleine Johannes voorlas aan zijn pleegzoon de enige serieuze positieve recensie die hij ooit van een Nederlands auteur heeft gegeven. Literatuur als fictie noemt hij belletrie. Hij gaat tekeer zonder aanziens des persoons. Goethe (door hem consequent Göthe genoemd) vindt hij een leeghoofd, Dante een rijmelaar, Zola een vuilbek, Dickens een verhaaltjesmaker, Hugo een faiseur.

De invloed die Dekker met al zijn waarheden heeft gehad, valt nauwelijks te meten. Hoewel hij daar zelf sceptisch over was, is ze ongetwijfeld toch groot geweest. In zijn eentje was hij verantwoordelijk voor een ware lawine aan nieuwe ideeën, die hij in leesbare vorm over een groot publieke uitstortte en die vaak aanleiding was tot debat, publiek of anderszins. Net als de philosophes van de Verlichting maakte hij de geest rijp voor verandering. Tijdgenoten op allerlei gebied erkenden in hem de voorloper. Het Handelsblad (zeker geen fan) schreef: Hij heeft de kerken ontledigd en onze jongeren vervreemd van den godsdienst. In het Schoolblad (een tijdschrift voor onderwijzers) wordt tussen neus en lippen door over Multatuli opgemerkt: (...) dat de onderwijzers geen Nederlandsch schrijver zoo ijverig lezen als hem. En het kan natuurlijk toeval zijn, dat veel van wat hij schreef inmiddels behoort tot het algemeen geaccepteerd gedachtengoed - voor een deel is dat vermoedelijk ook zo - maar met de stem van het gezond verstand waarmee hij zo vaak spreekt, legt hij wel opvallend vaak de vinger op de zere plek.

Of Willem Alexander aan het hem uitgereikte Verzameld Werk veel plezier heeft beleefd, is de vraag. Ervan afgezien dat de toenmalige prins (en huidige koning) ons geen lezertje lijkt, zijn er überhaupt maar weinig mensen meer die zich in Multatuli verdiepen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zijn werk voor een groot publiek in het algemeen en voor scholieren in het bijzonder niet bijster geschikt is. Douwes Dekker ìs ook geen gewone schrijver. Zijn literaire debuut laat dat goed zien.
Er is veel geschreven over de ingewikkelde structuur van de Max Havelaar. Er zijn studies aan gewijd om uit te leggen waarom die is zoals ze is. Ze zou bijvoorbeeld zo romantisch zijn (in de literair-historische zin van het woord), met al die personages die zich achter andere personages verbergen. Maar door (andere) kenners is er op gewezen dat Dekker niet zo'n romanticus is. Hij is het misschien qua mentaliteit, maar veel van de dingen die hij denkt en vindt passen uitstekend in de Verlichting, sterker nog, ze kòmen uit de Verlichting, want Dekker was niet te beroerd om af en toe wat bij collega-auteurs te lenen. Daarbij ging het soms niet om kleinigheden. Nadat tijdens de Verlichting de slavernij een kwestie was geworden, later culminerend in Beecher Stowe’s zo sentimentele Uncle Toms Cabin, maakt Dekker tijdens de romantiek als eerste de koloniale zaak tot onderwerp van debat. Als zodanig is de Max Havelaar in elk geval een belangrijk boek. Tijdgenoten realiseerden zich dat ook. Maar het is de vraag of Dekker over de structuur ervan zo diep heeft nagedacht. Zoals gezegd lagen sommige stukken ervan vermoedelijk klaar voordat hij eraan begon. Want ook al gelooft Van der Meulen daar niet in, mij lijkt dat het waarschijnlijkst. Bovendien lijkt het niet in de aard van Douwes Dekker te liggen een roman als geheel te voorzien en op te bouwen. Niet voor niets heeft hij nooit meer een andere geschreven. Zijn (bijna) enige andere fictieve tekst (het toneelstuk Vorstenschool) gaat mank aan soortgelijke gebreken als de Max Havelaar. Dat Woutertje Pieterse in de Ideeën werd opgenomen, is geen toeval. Wie de uitgave leest zoals die door Mimi werd vervaardigd, moet zich door de ene uitweiding na de andere heen slaan, om ten slotte rond Halfweg in het niets te verzanden. De roman als fictie, als product van de verbeelding dus, had zijn belangstelling niet. Het is geen toeval dat de Max Havelaar autobiografisch is. Hij was Multatuli, hij wilde echt eerherstel, en tegelijk iets doen voor den armen Javaan. Douwes Dekker is dan ook helemaal geen romanschrijver; hij is het best op zijn gemak als hij voor de vuist weg kan schrijven over iets wat hem bezig houdt: in zijn Ideeën dus en in zijn brieven.
Aan die Ideeën nu heeft het grote publiek geen boodschap, en aan zijn brieven al helemaal niet. Welke gek leest er nou brieven? Voor de meeste mensen die hebben schoolgegaan, past Dekker in de rij éénwerk-schrijvers. Hij is de man van de Max Havelaar. En als ze het boek lezen, valt het ze stiekem meestal tegen. Leerlingen zeggen het ten minste nog hardop. Die schamen zich nergens voor. Voor een nog veel groter publiek is Max Havelaar tegenwoordig - o, ironie - enkel politiek correcte koffie. Dat is heel treurig. Want het noodlot wil dat op die manier één van Nederlands aantrekkelijkste schrijvers geleidelijk uit het zicht verdwijnt.

Het is ook wel een beetje zijn eigen schuld: sommige delen van de Ideeën, van Woutertje Pieterse, heel wat van zijn correspondentie, alsmede bepaalde stukken van de Max Havelaar zijn in de Nederlandse literatuur weliswaar ongeëvenaard, maar - en dat is natuurlijk een persoonlijke opinie van ondergetekende - Douwes Dekker lijkt niets te hebben geschreven dat als geheel voor hedendaagse lezers nog genietbaar is.

Op het eerste gezicht lijkt het dan ook geen wonder dat de Max Havelaar in 2010, 150 jaar na de verschijning, hertaald is, zoals dat dan heet. Die hertaling is naar mijn idee deels gebaseerd op een misvatting, namelijk dat Multatuli niet leesbaar is vanwege de taal. Maar Multatuli is nog steeds zeer leesbaar, en hij is een veel betere schrijver dan zijn goedbedoelende, maar ook wat (pardon) koddige hertaler. Het echte probleem is dat er in (bijvoorbeeld) de Max Havelaar zoveel delen zitten die het boek als geheel in de weg staan. De toespraak tot de hoofden van Lebak is wel fraai, maar hij is ook erg lang. En dat geldt ook voor de lijst van het pak van Sjaalman. Het geldt zelfs voor het zo beroemde Saidjah en Adinda. Dekker weet niet altijd de maat te houden die een verstandig romanschrijver hoort te betrachten om zijn lezer enigszins te ontzien. En dat probleem los je ook niet op met een hertaling. Vandaar ook dat de hertaler veel meer bewerker is, dan hertaler en dat de nieuwe versie 20.000 woorden minder telt dan de oorspronkelijke. En nee, die mag je niet op de lijst zetten. Worstel je maar door de echte heen. Met Woutertje is het misschien nog wel erger gesteld. De nu beschikbare Atheneum-uitgave (van 757 pagina's) is voor een gewone middelbare scholier praktisch onleesbaar. En ook dat is jammer, want er zitten heel wat prachtige stukken in.

Het is niet moeilijk om her en der vraagtekens te zetten bij Multatuli’s intellectuele eigendunk. Zo geniaal als Mimi dacht dat haar goeroe was, is hij niet. En ook aan zijn oorspronkelijkheid kun je met regelmaat twijfelen. Maar - en daarom doen we zoveel moeite - Douwes Dekker is in de eerste plaats gewoon Nederlands beste schrijver van de negentiende eeuw. Zelf zou hij dat compliment om twee redenen verfoeid hebben. Hij vond natuurlijk dat er in de negentiende eeuw helemaal geen Nederlandse schrijvers van formaat zijn, en dat het dus geen kunst was om uit te blinken, maar hij wilde bovendien niet als schrijver gezien worden. Als je hem zou willen vergelijken met een andere schrijver, zou Orwell misschien een goede kandidaat zijn. Ook Orwell was een geweldige essayist, maar een matige romanschrijver. Waar columnisten tegenwoordig alom aanwezig zijn en sneller verouderen dan ze kunnen schrijven, is het misschien een idee Douwes Dekker te beschouwen, niet als een soort super-columnist, want daarvoor heeft hij echt teveel in zijn mars, maar als iemand die er op een soortgelijke manier, maar dan zonder te verjaren, plezier in schept op literaire wijze over kwesties van algemeen belang te schrijven, en die dat beter doet dan alle anderen voor en na hem (W.F. Hermans op zijn beste momenten uitgezonderd misschien), die opbloeit bij elke polemiek, die weliswaar kinderachtig en kleinzielig kan wezen, die ontzettend kan zeuren, die niet te beroerd is om 107 grafschriften te schrijven op zijn aartsvijand Thorbecke (Wandlaar die me hier begraven ziet/Als t sterven een kunst was, dan lag ik hier niet - liberaal/als een aal - Onder dit steentje/Ligt 'n fenomeentje - De man die hier begraven leit, Stak uit in onuitstekendheid), maar die toch vooral ook onderhoudend en geestig is, en geestrijk en venijnig, die op geen enkele wijze door de tijd is ingehaald, die altijd en in elke periode modern is en die daarom nog steeds het plezier van het lezen meer dan waard is.

42 Korsjespoortsteeg 20, toentertijd nummer 10, waar Eduard Douwes Dekker werd geboren. Het huis is nu het Multatulimuseum. Ongedateerde foto.

Geboortehuis Multatuli Korstjespoortsteeg

11 BEKNOPTE BIBLIOGRAFIE

Bijgaande inleiding is grotendeels geschreven met behulp van de brieven uit de Volledige Werken: Multatuli, Volledig Werk, Amsterdam G.A. van Oorschot, 1976, deel 8, tot en met deel 25, 1995; en met gebruikmaking van een aantal ter zake doende biografieën: Du Perron, De Man van Lebak, Verzameld Werk III, Amsterdam, Contact, 1949 (1e druk 1937), Paul van 't Veer, Het leven van Multatuli, Amsterdam, Arbeiderspers, 1979 (onaf door de dood van Van 't Veer); W.F. Hermans De raadselachtige Multatuli, Amsterdam, Bezige Bij, tweede herziene druk 1986, Hans van Straten, Van blanke radje tot bedelman, Bas Lubberhuizen, 1995; Dirk van der Meulen, Multatuli, Leven en werk van Douwes Dekker, Nijmegen, Sun, 2002; praktisch is ook: Ter Laan, K., De Multatuli encyclopedie, Den Haag, SDU, 1995. Voor het het fotomateriaal heb ik naast Hermans' Raadselachtige Multatuli vooral gebruikt: Waterschoot, J. van, Multatuli, een iconografie, Hoogland en van Klaveren, 2008. Het boekje heeft verder niet veel om het lijf. Mocht u ergens mee willen beginnen: van de hier genoemde titels is Hermans' biografie misschien wel de aardigste: leesbaar, zeer feitelijk en fijn ironisch van toon. Alleen nog antiquarisch - voor pakweg 15 euro - verkrijgbaar, al zal hij toch op een geven moment wel gaan opduiken in de uitgave van Hermans' Verzameld Werk. Van der Meulens biografie is natuurlijk ook uitstekend, maar veel omvangrijker en trouwens ook wel een beetje braaf.

De netversie van de Max Havelaar dook pas weer op in 1910, in de nalatenschap van de uitgever De Ruyter, die het voor Van Lennep had uitgegeven. Het werd gekocht door het Multatulimuseum, en bevindt zich tegenwoordig in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. In 1949 verscheen er een editie van, uitgegeven door Garmt Stuiveling. Dat is de nulde editie, zogenoemd natuurlijk omdat hij eigenlijk de eerste uitgave had moeten zijn, en daaraan voorafging. In 1992 verscheen er een uitgave van Multatuli's editie van 1881, de zogenaamde editie Kets (naar de vrouw die de uitgave verzorgde, Annemarie Kets). En dat is de mevrouw die ooit de woede van W.F. Hermans over zich afriep. Eind 2007 verscheen een facsimile van het nethandschrift: Multatuli, Max Havelaar, het handschrift. Bas Lubberhuizen, 76+, 2007. Van Woutertje Pieterse verscheen in 2012 bij Atheneum een editie met een nawoord van Dirk van der Meulen. Nelleke Noordervliet schreef over Everdine van Wijnbergen een (zeer matige) roman: Tine, of De dalen waar het leven woont.

Bij de wat mij betreft nogal nikserige, sneue poging om de Max Havelaar voor jongeren geschikter te maken dan hij is, gaat het om: Multatuli, Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandse Handelsmaatschappij, hertaald en bewerkt door Gijsbert van Es, NRC boeken, 2010

En dan bent u voor 30 euro ook nog lid van het Multatuligenootschap. Daarvan komt 10 euro ten goede aan de Stichting Multatulihuis (officieel geheten: Stichting Multatuli Huis) voor de exploitatie van het museum. Kom op! Wat is nou 30 euro. Inmiddels bestaat er ook een zogenaamde Max Havelaar-academie. Het gaat daarbij gaat om een gezamenlijk intitiatief van de Stichting Max Havelaar (fair trade keurmerk) - gewoon koffieverkopers dus, vermoed ik - de Universiteit van Leiden en NRC-Next. De zogenaamde Academie bestaat uit een werkgroep van het al genoemde Multatuligenootschap, met de reeds genoemde hertaler, Gijsbert van Es, Chantal Keijsper van de universiteit van Leiden en de hierboven ook al genoemde Dik van der Meulen, de biograaf. In het kader daarvan bestaat er na een eerder intitatief dit jaar een toesprakentoernooi voor middelbare scholieren en studenten. De deelnemers dienen een (uiteraard vlammend genoemde) toespraak op video-formaat op You tube te zetten. En de opdracht: Je hebt drie minuten om ons ervan te overtuigen dat in de kantine van jouw school of studie voortaan alléén producten mogen worden verkocht met zowel eco- als fair trade-keurmerken. Ga je gang! De jury bestaat uit het soort notabelen van wie je mag verwachten dat ze er zich toe lenen, zo Winnie Sorgdrager en Rob Wijnberg. Natuurlijk is er ook een retorica-specialist bij. Ik begrijp best dat het Multatulimuseum in nood verkeert, maar had dat niet wat eleganter gekund? Wat zou Dekker daar nou van hebben gevonden? Hmmm. Die dronk thee.