INLEIDING

Amsterdam, zondag 2 januari 2010/12 januari 2016/28 januari 2018
Ik heb in de loop der jaren zowel aan Thomas Mann als aan Anton Tsjechov veel plezier beleefd en dan mag je wel een keer wat terugdoen. En zo sla ik twee vliegen – nou ja, twee adelaars - in één klap: bijgaand het essay dat Thomas Mann in 1954 schreef over Tsjechov: Versuch über Tschechow. De soms licht losbandige en her en der wellicht wat ongeduldige vertaling is van mezelf. Natuurlijk zou je zoiets op je dooie gemakje, al piekerend, wikkend en wegend, moeten doen, en niet in vliegende haast. Maar vergeeft u me, elders schreef ik het al: ik heb ook een baan. Als brontekst heb ik de versie gebruikt die de Tsjechov-kenner bij uitstek Peter Urban geeft in een (uiteraard Duitstalige) bundel, waarin hij een groot aantal stukken over Tsjechov heeft opgenomen: Über Čechov. Voor de vertaling van de Tsjechov-citaten heb ik de tweede Van Oorschot-editie gebruikt, maar ben daar naar eigen goeddunken soms van afgeweken. Mann zelf citeert Tsjechov ook naar believen, en hoewel hij soms de indruk wekt dat wat hij citeert één geheel vormt, is dat nu en dan niet zo, en plakt hij ver van elkaar verwijderde passages zonder dat te vermelden achter elkaar. Bovendien brengt hij in de door hem gekozen stukken ten opzichte van de door hem gebruikte vertalingen zelf nog stilistische wijzigingen aan, terwijl hij nu en dan ook parafraseert.

01 Op 17 oktober 1930 houdt Thomas Mann een toespraak in de Berlijnse Beethovenzaal, getiteld: Deutsche Ansprache. Eine Appel an die Vernunft. Een groep Nazi's onder Arnolt Bronnen poogt de bijeenkomst te verstoren. De groep wordt tot stilte gemaand door leden uit het publiek en ten slotte door de politie verdwijderd. De volgende dag staat bijgaande foto in een Nazikrant, waarop het lijkt alsof het publiek Mann de rug toekeert. Katia Mann is er woedend over. Bron: Kolbe 2001

Thomas Mann, 1930

De titels van de door Mann in zijn essay genoemde Tsjechov-verhalen zijn allemaal direct herkenbaar in het Nederlands: het door hem geprezen De dief zal wel Een misdadiger zijn (VW 2, p. 54), dan De dood van een ambtenaar (VW 1, p. 144) en De dikke en de dunne (VW 1, p. 217), uiteraard Zaal 6 (VW 4, p. 337), het indrukwekkende Een vervelende geschiedenis, (VW 4, p. 28) en Een Geval uit de praktijk (VW 5, p. 436). Zonder de titel te noemen, citeert hij over de rol van de kunstenaar, die een onzindelijk roofdier vermaakt en de status quo ondersteunt, en over de scholen en de ziekenhuizen die de slaverbij dienen uit Het huis met de Mezzanine (VW 5, p. 188), dat in de eerste Van Oorschot-uitgave nog Het huis met de loggia heette. Het late verhaal dat Mann De bruid noemt is Verloofd, dat inderdaad als Tsjechovs laatste verhaal te boek staat (VW 5, p. 570). Minder gemakkelijk te herkennen misschien is het door Mann genoemde verhaal De nietsnut. Dat is in de Nederlandse versie Mijn leven (VW 5, p. 206). Urban merkt op dat het onduidelijk is uit welke uitgave Mann de passages heeft die hij citeert uit Tsjechovs brieven, want de formulering ervan past bij geen enkele toen beschikbare Duitse vertaling. Urban waagt de veronderstelling dat Mann misschien Engelse uitgaves van de brieven heeft gebruikt.

02 Thomas Mann spreekt voor de Preusische Akademie der Künste, 1932. Broer Heinrich zit vierde van links in het publiek. Het laatste hoofdstuk van Kolbes boek over Manns Münchense tijd heet Die Austreibung. Bron: Kolbe 2001

Mijn democratische gezindheid is niet helemaal oprecht, ze is enkel een geërgerde reactie op het Duitse irrationalisme en hoogtevrees... en op het fascisme in het algemeen, dat ik al helemaal niet kan uitstaan. Het heeft het voor elkaar gekregen van mij een periodiek rondreizend spreker te maken.

Thomas Mann, 1932

1 MANN EN TSJECHOV

Ik geef hierbij ook, al samenvattend en citerend, de toelichtende opmerkingen van Peter Urbans Über Čechov, dat ik hierboven al noemde. Urban vermeldt dat Mann aanvankelijk Tsjechov niet goed kent. Wat hij wel kent, weten we ook. In Manns brieven uit het jaar 1898 lezen we dat hij de uitgaves van Uitgeverij Albert Langen (1869-1909) en de Tsjechov-vertalingen van zijn vriend, schrijver-vertaler-uitgever Korfiz Holm (1872-1942) bijhield, die de uitgeverij in kwestie leidde. Wat Mann schreef over Het duel werd pas veel later bekend, door de uitgave namelijk van de brieven (Thomas Mann, Briefe 1889-1936, uitgegeven door Erika Mann, Frankfurt am Main, S. Fischer Verlag, 1974). Urban citeert echter ook uitgebreid Peter de Mendelssohn, zij het niet uit diens geweldige, maar onaf gebleven biografie Der Zauberer en de Nagelaten hoofdstukken daarvan. De Mendelssohn schrijft over het Tsjechov-essay in zijn nawoord bij Leiden und Grösse der Meister, in de Frankfurter uitgave van het werk van Mann (Frankfurt am Main, S.Fischer Verlag, 1982) en ik citeer en vertaal uit Urban:
Tsjechov was, zoals al blijkt uit de eerste zin van het essay, een late ontdekking van Thomas Mann; het essay over Tsjechov, dat geschreven werd in zijn laatste levensjaar, vormt het laatste portret in een reeks van Russische meesters, en er zijn er heel wat die vinden dat het zijn warmste en aangrijpendste is, en tegelijkertijd zijn ernstigste en diepzinnigste. En zeker zal niemand achter de opgewekt-weemoedige schildering van de bescheidenste aller meesters de immens gedeprimeerde en ellendige zielstoestand vermoeden waarin Thomas Mann deze met honderden autobiografisch flonkerende lichtjes, en met honderden naar zichzelf voerende draadjes, op papier zette. Het dagboek van juli 1954 staat vol klachten over de betekenisloosheid van en de vertwijfeling over zijn ellendige bestaan, en over het gebrek aan waarde van zijn werk: "Zelfs tot het Tsjechov-artikel kan ik me niet zetten." Het moest een huldiging zijn ter gelegenheid van Tsjechovs vijftigste sterfdag, waarom BBC 3 Radio en het tijdschrift Sinn und Form hem hadden gevraagd, en hij moest zich eerst inlezen in de schrijver van wie hij naar eigen zeggen het belangrijkste werk helemaal niet kende. Hij beschikte over de door Johannes von Günther vertaalde Kleine romans van Tsjechov in een Oost-Berlijnse, nieuwe uitgave van 1952, met een nawoord van Armin G. Kuckhoff, waaraan hij veel informatie ontleende, en de Neue Meistererzählungen, vertaald door Reinhold Trautmann, in de uitgave van Dieterich, Leipzig, 1949, waarin hij in Een vervelende geschiedenis het antwoord aan de arme Katja aanstreepte, dat het hoofdmotief van zijn essay is – beide uitgaves relatief recent, en nog niet lang op zijn plank; lang geleden had hij wel eens een toneelstuk van Tsjechov zien uitvoeren, maar van de toneelschrijver is in het essay alleen aan het eind sprake. Hij is gefascineerd door de verhalenschrijver.
Toen Urban De Mendelssohn citeerde, in 1988, was Harpprechts Mann-biografie (van 1995) nog niet verschenen en daarom voeg ik hier maar het weinige toe wat die schrijft over Manns essay (pag. 2008-2009).
Het Oost-Berlijnse tijdschrift Sinn und Form, dat door de dichter Peter Huchel werd geleid, had hem om een essay over Tsjechov gevraagd. Hij kwam die opdracht ook met een zekere plichtsgetrouwe toewijding na.
Vervolgens vat Harpprecht het essay samen. Aansluitend op Manns opmerking dat Tsjechov Marx niet had bestudeerd, schrijft Harpprecht nog:
Dat klopte wel: Tsjechov had Marx niet bestudeerd, net zo min als Thomas Mann. Geen van beide interesseerde zich voor de profeet uit Trier. Hij bracht zijn werk aan het essay, dat niet het niveau bereikte van zijn Kleist-essay, ten einde, voor hij met Katja naar Engadin reed, voor het eerst in een comfortabele Amerikaanse Plymouth, die zij voor elfduizend frank had gekocht.

Harpprecht is dus niet zo heel positief over het Tsjechov-essay, en hoewel het niet aan mij is om kritisch te doen over Thomas Mann, ben ik het toch met hem eens. Manns bewondering voor Tsjechov klinkt beslist oprecht, het essay bevat een paar rake observaties, en interessant is het ook nog te zien hoe de Duitser in de Rus zichzelf terugvindt, maar de kijk die hij op Tsjechov heeft, lijkt me toch eenzijdig. Sterker nog, en ik vind het opmerkelijk dat Harpprecht er niets over zegt: in het essay zijn, zo lijkt me, wel degelijk sporen aanwezig van een beetje Marxisme, of van, zo u wilt, communisme, ook al staat wel vast dat Mann zich daar niet voor interesseerde, en dat hij er niet op uit was die te vinden. Ik doel nu niet op het citeren van Lenin en Gorki, al is het ironisch dat Mann uitgerekend Lenin citeert in verband met zaal 6. Want het valt ook op hoe Mann in zijn essay sommige personages uit de verhalen identificeert met Tsjechov zelf, en zo de nadruk legt op Tsjechov als idealist en wereldverbeteraar. Dat was precies de wijze waarop Tsjechov in de jaren vijftig door de marxistische literaire kritiek werd beschouwd en het komt me voor dat die opvatting te beperkt is. Mann veronachtzaamt, waar hij Tsjechov citeert, soms passages die strijdig lijken met zijn visie. Het lijkt me dat een kleine uitweiding hier dienstig is voor een beter begrip van Manns opvattingen toen hij het Tsjechov-essay schreef.

03 Thomas Mann als Tsjechisch staatsburger, 1936. Bron: Kurzke 1999

Thomas Mann, 1936

2 MANN EN HET COMMUNISME

Manns politieke opvattingen zijn altijd problematisch geweest, in elk geval voor wie, zoals ondergetekende, ervan uitgaat dat een schrijver die in zijn romans de menselijkheid zo hoog in het vaandel heeft, er ook wel soortgelijke, daar parallel aan lopende maatschappelijke opvattingen op na zal houden. Maar zo was het niet helemaal. In de periode tussen de Eerste Wereldoorlog (Betrachtungen eines Unpolitischen) en de Tweede Wereldoorlog kostte het Mann de grootste moeite tot het soort democratisch besef te geraken, dat hem er uiteindelijk toe zou doen besluiten te kiezen voor exil, en Duitsland te verlaten. Anderzijds is het gemakkelijk achteraf te oordelen, want tegelijkertijd valt op dat die ontwikkeling onderdeel vormt van een veel algemener, Europees patroon. Wie moesten er allemaal niet terugkomen op hun aanvankelijke bewondering voor Mussolini? De Russische revolutie en de chaos in de Weimar-republiek werkten heel wat Europeanen op de zenuwen. In Nederland hadden schrijvers als Ter Braak, du Perron en Marsman tijd nodig om zich tot de democratie te bekeren, en helemaal van harte zou het niet gebeuren, terwijl ze zodoende altijd dreigden in ander totalitair vaarwater te geraken, een verwijt dat de eerste twee in hun vaderland aan het eind van de jaren '30 met regelmaat te horen zouden krijgen. Hun groeiend besef van de waarde der democratische, en ook toen al kapitalistisch genoemde samenleving lijkt vooral voort te komen uit een instinct tot intellectueel zelfbehoud. Hoe ze zouden hebben gereageerd op wat er na de Tweede Wereldoorlog gebeurde, zullen we nooit weten, maar Mann had het op dat moment in elk geval moeilijk met het innemen van een standpunt tegenover de enige resterende totalitaire ideologie, die van Stalins Rusland. En helemaal onbegrijpelijk is dat evenmin. Daar komt bij dat Mann zijn lezerspubliek altijd zorgvuldig in het oog zou houden, en er bewust naar streefde sommige delen ervan niet van zich te vervreemden. Ik vermoed dat de houding die hij in deze jaren demonstreert, wordt weerspiegeld in de opvattingen van veel toenmalige – wat we nu noemen – linkse intellectuelen. Anderzijds pleit het niet voor zijn politieke betrokkenheid dat hij weigerde in te zien, dat wil zeggen: weigerde zich erin te verdiepen, hoe slecht het Stalin-regime in werkelijkheid was. Wie wilde, kon daar ook toen ruimschoots over geïnformeerd zijn. Heel wat anderen wàren daarover uitstekend geïnformeerd.

Ik vermoed dat Mann als schrijver over Tsjechov niet helemaal heeft kunnen ontsnappen aan de opvattingen van zijn tijd, van zijn vrienden en bekenden, van de wereld om hem heen, en van de gang door de geschiedenis die hij zelf had afgelegd, en waarin hij van een anti-democratische, sterk nationalistisch gezinde auteur was geëvolueerd tot wat hijzelf beschouwde als een onafhankelijk denker, die tussen de twee machtsblokken in stond, maar die een zekere sympathie voor de grondslag van de communistische filosofie - let wel, niet, of in elk geval veel minder voor de autoritaire vorm ervan - geleidelijk de gedaante heeft aangenomen van hetgeen mede zichtbaar is in het essay over Tsjechov. Waarbij komt dan dat de Duitser in de Rus de late versie van zichzelf meent te herkennen, wat al evenmin onbegrijpelijk is.

Het is misschien nuttig in vogelvlucht Manns persoonlijke geschiedenis te bezien vanaf het moment dat hij overweegt naar Europa terug te keren. Harpprechts omvangrijke biografie (van ruim 2000 pagina's) gaat uitgebreid in op Manns politieke opvattingen na de Tweede Wereldoorlog, en daaraan ontleen ik dit allemaal.

04 Thomas Mann in Princeton, 1939. Bron: Kurzke 1999

Thomas Mann in Princeton, 1939

Al vanaf het moment dat Mann het einde van de oorlog voorzag, begonnen zijn aarzelingen: moest hij, die toch een Duits auteur was, terugkeren naar Duitsland, en wat dan? Jegens de Amerikaanse samenleving zoals hij die had leren kennen, voelde hij in toenemende mate distantie. Maar van degenen die waren achtergebleven in Duitsland en die niet zoals hij voor de emigratie hadden gekozen, kreeg hij al direct aanvallen te verduren. Hij reageerde daar (begrijpelijkerwijs) kregelig op en retourneerde de verwijten. Sociaal-democratische exil-tijdschriften vielen Mann eveneens aan, erop wijzend dat er in Duitsland ook verzet was geweest en dat Mann vanuit Californië makkelijk praten had. Die heeft het naar aanleiding daarvan in brieven over sociaal-democratische nazi's. Met het anti-communisme dat in de jaren direct na de oorlog weer begint te spelen, heeft Mann het ook moeilijk. Hij vreest dat de Amerikanen erop uit zijn samen met Duitsland Rusland te lijf te gaan. Er waren trouwens ook genoeg Amerikanen die dat echt wilden. Broer Heinrich spreekt van Amerikaans fascisme. Tegelijkertijd constateert Thomas Mann nog vanuit Amerika dat er van een algemene schuldbekentenis van Duitse zijde, of zelfs maar een besef van wat er onder de Nazi's is aangericht, geen sprake lijkt, iets waar hij grote waarde aan hecht vanuit het idee dat er na de oorlog een soort nieuw begin moest worden gemaakt. Harpprecht heeft het over Manns geloof in een Stunde Null. Ook daarop krijgt hij kritiek. Iemand als André Gide verwijt Mann diens gestrengheid jegens Duitsland. Uiteindelijk ondertekent hij – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Einstein - een brief waarin een appel wordt gedaan op de geallieerde machten het door honger en economische chaos bedreigde Duitsland met behoedzaamheid te bejegenen. Tegen vrienden merkt hij op dat hij te bekend is om het niet te doen en dat zijn afwezigheid op de lijst een te duidelijk kritisch signaal zou zijn geweest. Van harte zet hij zijn handtekening niet. Eind 1945 legt hij voor BBC nog een keer uit waarom hij voorlopig niet naar Duitsland terugkeert, en doet dat in nogal hardvochtige bewoordingen. In 1947 krijgt hij het eredoctoraat aangeboden van de Universiteit van Bonn, dat hem onder de Nazi's in 1936 na zijn ausbürgerung was afgenomen en waarop hij indertijd met een zeer kritische open brief had gereageerd. Hij neemt het aan, maar onder stringente voorwaarden: berouw, erkenning van gemaakte fouten, van schuld. Hij koestert plannen voor een Europese tournee, waaronder een bezoek aan München, maar laat dat idee weer snel varen, want hij heeft nog steeds ernstige twijfels over de werkelijke gezindheid van de Duitsers. Als Churchill het idee oppert van een Verenigde Staten van Europa, meent Mann dat het idee vooral is gericht tegen de Sovjet-Unie. Harpprecht merkt op dat het bij Mann niet opkomt te beseffen dat de deling van Duitsland en het continent zelf vooral een kwestie is van de vestiging van de communistische macht in de door de Sovjets bezette zone. Een communistisch gevaar ziet Mann niet. Als hem door een Amerikaanse journalist wordt gevraagd of hij wellicht ook Duitsland zal bezoeken, zegt hij dat het hem geen goed idee lijkt beschermd door geallieerde bajonetten naar München of Bonn te gaan. Door een vertaalfout van een persagentschap komt dat heel anders terecht in Duitse kranten, namelijk als zou de universiteit van Bonn hem onder geallieerde druk een eredoctoraat hebben verleend. Dat leidt tot grote woede in Duitsland. Eind mei vliegt de dan nog net 71-jarige Mann met zijn gezin van Londen naar Zürich.

05 Thomas Mann, 1946. Bron: Kurzke 1999

Thomas Mann, 1946

Kort daarop neemt hij in een publieke verklaring afstand van de Amerikaanse communistenjacht die op dat moment gaande is. Maar het Marshallplan beschouwt hij als een vorm van Amerikaanse kolonisatie. Terwijl zijn Doktor Faustus met enthousiasme in Duitsland en Zwitserland wordt ontvangen, uit hij zich steeds kritischer over de Amerikaanse politiek. Wanneer in februari 1948 in Tsjechoslowakije twaalf ministers van de burgerlijke partijen aftreden uit protest tegen het in toenemende mate autoritaire karakter van het communistische bewind, schrijft Mann dat die machtsovername nodig was vanwege de fascistische Slowaken. De studentendemonstraties die plaatsvinden, noemt hij eveneens van fascistische aard. Zelf meent hij overigens, dat hij tegenover beide systemen dezelfde afstand behoudt, een houding die hij geleidelijk gaat betitelen als aequidistanz. Dat neemt niet weg dat hij de Koude Oorlog die inmiddels volop gaande is, vooral beschouwt als een zaak van het westen tegen het oosten. De blokkade van Berlijn verandert niets aan zijn standpunt, en commentaar op de geldhervorming die wordt doorgevoerd in oost en west, en die de beide Duitslanden zal scheiden, heeft hij evenmin. Eind 1948 tekent hij een nieuw contract met het vooralsnog in Wenen gevestigde Fischer, waarvan de Duitse belangen door Suhrkamp worden waargenomen. Die stellen voorlopig nog niet veel voor. Maar een Praagse uitgever maakt de eerste royalties voor zijn Faustus direct naar hem over, in dollars, wat hoogst uitzonderlijk is, want westerse schrijvers konden hun royalties normaliter komen ophalen in Moskou, of Warschau, of Oost-Berlijn, en ze daar opmaken, want wisselen was onmogelijk. Het verbaast hem niet. In Amerika wordt hij in toenemende mate beschouwd als fellow-traveler. In de Goethe-redevoering, die hij tijdens zijn toernee een aantal keren voordraagt, heeft hij aanvankelijk de zin opgenomen waarin hij meedeelt dat als Goethe nog had geleefd, die meer sympathie zou hebben gevoeld voor het Russische socialisme, dan voor het Amerikaanse liberalisme. Nadat Golo de zin bekritiseert, laat hij hem weg. Als na de zelfmoord van zijn zoon Klaus Thomas Mann hoort dat Weimar, de stad van de door hem zo bewonderde Goethe, van plan is hem het ereburgerschap te verlenen, stuurt hij zelfs een brief naar de Weimarse burgemeester om te vragen of het klopt. Dat blijkt het geval. In Weimar maakt men zich op voor een Goethe-viering, en er wordt overwogen Mann de zojuist tot stand gekomen Oost-Berlijnse Goetheprijs te geven, van 20.000 Mark. Hij gaat uiteindelijk, in juli 1949, eerst naar Kronberg, bij Frankfurt. Ik ken geen zones, zegt hij in een toespraak in Frankfurt, mijn bezoek geldt Duitsland zelf. Duitsland als geheel, en niet het bezet gebied. Als hij de Paulskerk verlaat, wordt er aan hem geroepen: Komm bald wieder! Maar helemaal achterlijk is hij niet. Terug in zijn hotel vraagt hij aan iemand: Hoeveel bloed zou er aan al die handen gekleefd hebben, die ik vandaag heb geschud? Hij gaat ook naar Stuttgart en München, en op de kritiek die hij in het westen steeds krijgt vanwege zijn daarna geplande bezoek aan Weimar, reageert hij geërgerd en ten slotte gelaten. In München is begin 1949 Manns huis teruggegeven, maar het verkeert in zwaar verwaarloosde staat. Hij gaat er niet heen. Uit München vertrekt hij naar Neurenberg, waar het hem opvalt hoeveel Spartaanser een maaltijd in het Londense Savoyhotel was, vergeleken bij wat hij hier, in het land der verliezers, krijgt voorgeschoteld. Hij overnacht in Bayreuth. In het hotel daar bladert hij terug in het gastenboek dat hij moet ondertekenen en stuit op de ganse fine fleur van Nazi-Duitsland. Golo, die hem hier zou ontmoeten, blijft weg. Die heeft er blijkbaar geen zin in zich bij de triomftocht van zijn vader aan te sluiten. Wel verschijnt een deputatie met (communistische) partij-beambten uit Oost-Berlijn, daaronder Gregor Gysi. Onder hun begeleiding vertrekt hij naar de boeren- en arbeidersstaat, al heet die nog niet zo, naar Weimar, waar hij als held wordt ontvangen, weliswaar nog steeds als zwaar bewaakte held, want Mann heeft dreigbrieven gekregen, maar toch... In de straten waait overal nog het Schwarz-Rot-Gold. Hij ergert zich enkel aan de vragen van West-Duitse journalisten. In een toespraak voegt hij spontaan een opmerking toe, waarin hij de autoriteiten bezweert vrijheid, recht en waardigheid niet uit het oog te verliezen. Met Tulpanov, het hoofd van de geheime dienst van de Russische militaire regering, die op zijn verzoek niet in uniform is verschenen, onderhoudt hij zich over de Russische literatuur. Harpprecht schrijft fijntjes dat Mann die al sinds de Eerste Wereldoorlog van stal haalt, elke keer als hij zijn goede relaties met de Russische revolutionaire regering wil beklemtonen. Tulpanov merkt nog op dat de volksdemocratie in de Russische zone nu wel is ingeslepen, en dat daarvoor niet veel bemoeienis van de bezettingsautoriteiten meer vereist is. De complete wereldpers is uitgerukt. Mann beseft dat zijn bezoek, al was dat niet de bedoeling, ook een politieke gebeurtenis is. Overigens vertrekt Mann na zijn Duitse reis uit Frankfurt per trein naar Nederland, vanwaar vrouw Katja, terwijl het echtpaar in het Amsterdamse Amstelhotel logeert, aan dochter Erika laat weten hoe blij ze zijn zich daar weer veilig en wel opgeborgen te weten. Hij schrijft later een reisverslag, waarin hij meldt dat hij in vorstelijke stijl reist. En zo is het ook. De twee hoofdstukken die Harpprecht eraan wijdt, zijn getiteld: Staatsiebezoek. Mann krijgt de indruk dat er in het oosten heel wat definitiever is afgerekend met de nazi's dan in het westen, en die opvatting is in die tijd heel wat algemener geaccepteerd dan nu, nu ze eerder een vrucht lijkt van bekwame PR. Maar nog in mijn jeugd in de jaren '60 en '70 kende ik heel wat Nederlanders die er net zo over dachten.

Het komt me voor dat de historische feiten een ondersteuning vormen voor Harpprechts opvatting dat Mann meer naar het oosten leunt, dan naar het westen. En ik geloof dat je dat ook in het essay over Tsjechov kunt zien. Ik vermoed zelfs dat er in het essay iets te zien valt van de neiging de Russische literatuur van stal te halen, zoals Harpprecht vermeldt, elke keer als hij hij zijn goede relaties met de Russische revolutionaire regering wilde beklemtonen.

06 Thomas Mann, 1947. Bron: Kurzke 1999

Thomas Mann, 1947

3 THOMAS MANN, ESSAY OVER TSJECHOV
VERSUCH ÜBER TSCHECHOW

Toen Anton Tsjechov in juli 1904 in Badenweiler aan longtuberculose stierf, was ik een jonge man, die net de literatuur had betreden met een paar verhalen en een roman, die veel dank verschuldigd waren aan de Russische vertelkunst van de negentiende eeuw. Vergeefs poog ik me nu te herinneren, welke indruk het bericht van de dood der vijftien jaar oudere Russische verhalenschrijver toen op me maakte. Er staat me niets bij. De melding, die uiteraard ook door de Duitse pers werd verspreid en becommentarieerd, moet me weinig hebben gedaan, en wat bij die gelegenheid over Tsjechov werd geschreven, kan er nauwelijks toe hebben bijgedragen me te gaan verdiepen in het besef van wie daar, te vroeg voor Rusland en de wereld, was heengegaan. Die overlijdensaankondigingen legden getuigenis af van dezelfde onwetendheid, waardoor mijn eigen houding tot het leven en werk van deze auteur werd bepaald, en op welk punt ik pas in de loop der jaren geleidelijk tot beter inzicht geraakte.
Wat waren daar de oorzaken van? In mijn geval zal de fascinatie van het grote werk, de lange adem, het in krachtig geduld volgehouden en voltooide epische monument hebben meegespeeld, de verafgoding van grote voltooiers als Balzac, Tolstoj, Wagner, over wie ik droomde hen op enigerlei wijze na te volgen. En Tsjechov was, net als Maupassant, die ik overigens veel beter kende, een man van de kleine vorm, van het korte verhaal, waarvoor niet het heldhaftige jaar na jaar, of decennia volhouden nodig was, maar de artistieke lichtvoetigheid, waarvoor steeds een paar dagen of weken volstonden. Ik koesterde daarvoor een zekere geringschatting, zonder me precies te realiseren, hoeveel innerlijke maat, dankzij het genie, het korte en precieze verkrijgt, en in wat voor een – misschien boven alles te bewonderen – beknoptheid de gehele volheid des levens past, zich zelfs tot epische rang verheft, ja, aan artistieke intensiteit het grootse, het reuzenwerk, dat onvermijdelijkerwijs soms moe wordt en aan verheven verveling ten prooi valt, overtreffen kan. Als ik dat in mijn latere leven beter begreep dan in mijn jeugd, dank ik dat voornamelijk aan de aandacht voor Tsjechovs, tot het sterkste en beste van Europa behorende, vertelkunst.
In het algemeen komt me voor dat Tsjechovs langdurige onderschatting in West-Europa en zelfs in Rusland te maken heeft met zijn uiterst nuchtere, kritische en twijfelende houding jegens zichzelf, de ontevredenheid waarmee hij naar zijn verdiensten keek, kortom met zijn bescheidenheid die er, hoe sympathiek ze ook is, niet toe bijdraagt dat de wereld je groot en hoog acht en waarmee hij die als het ware het slechte voorbeeld gaf. Want de opvatting die wij er over onszelf op na houden, is niet zonder invloed op het beeld dat de mensheid zich van ons vormt; ze verkleurt en vervalst het zo nu en dan. Die korteverhalenschrijver was te lang overtuigd van de beperktheid van zijn talent, van zijn artistieke gebrek aan waarde. Heel langzaam en heel moeizaam verwierf hij enig geloof in zichzelf – het geloof waaraan het ons niet kan ontbreken als anderen aan ons willen geloven -  en tot op het laatst vertoonde hij geen spoor van de literaire grand seigneur, en nog minder van de wijze en de profeet, zoals Tolstoj, die minzaam op hem neerkeek, en die in hem, volgens Gorki, "een prachtig, stil en bescheiden mens" zag.
Die lof van de zijde der gigantische onbescheidenheid, die nauwelijks onderdoet voor die van Wagner, heeft iets deprimerends. Tsjechov zou vermoedelijk met een stille, beleefd ironische glimlach hebben gereageerd; want beleefdheid, plichtsgetrouwe verering, alsmede ironie bepaalden toch zijn verhouding tot de reus van Jasnaja Poljana, en soms - natuurlijk niet in het persoonlijke verkeer met de heerszuchtige, maar in brieven aan derden - wordt de ironie openlijke rebellie. Na de terugkeer van zijn hellevaart, de opofferingsgezinde onderzoeksreis naar het verbanningseiland Sachalin, schrijft hij: "Wat een zuurpruim zou ik nu zijn, als ik tussen mijn vier muren was gebleven. Voor mijn reis leek bijvoorbeeld Tolstojs Kreutzersonate me een belangrijke gebeurtenis. Nu komt ze me komisch en onzinnig voor." Het keizerlijke – en bovendien kwestieuze profetendom – werkt op zijn zenuwen. "De duivel hale", zo schrijft hij, "de filosofie van de groten dezer wereld. Al die grote wijsgeren zijn even despotisch als generaals, en net zo onbeleefd, omdat ze van hun straffeloosheid overtuigd zijn." Dat heeft voornamelijk betrekking op Tolstojs afgeven op artsen als nutteloze schurken. Want Tsjechov was arts, en dat met hartstocht, een man van wetenschap, en het geloof daarin als kracht tot vooruitgang, die machtige, het hoofd en hart verlichtende tegenstander van de schandelijke stand van zaken, terwijl de Wijsheid van het "weersta het kwaad niet" en van "passief verzet", de verachting van cultuur en vooruitgang, die de grote zichzelf permitteerde, hem eigenlijk gewoon reactionair gebral leek.
Je ging, hoe groot je ook was, met belangrijke problemen niet om als een domkop, en dat is het wat hij Tolstoj verwijt. "Tolstojs moraal", schrijft hij, "doet me niks meer, en in het diepst van mijn hart ben ik hem niet welgezind. Ik heb boerenbloed in me, en mij kunnen zijn boerendeugden niet imponeren. Van jongsafaan heb ik in vooruitgang geloofd. Nuchter overleg en rechtvaardigheid zeggen me dat er in elektriciteit en stoom meer liefde voor de mens zit dan in kuisheid en in vasten."
Kortom, hij is een positivist – uit bescheidenheid: een eenvoudige, op geen enkele van de vrijbrieven der groten aanspraak makende dienaar van de genezende waarheid. Eén keer, naar aanleiding van Le Disciple van Bourget, spreekt hij zich heel duidelijk uit over die idealistische neerbuigendheid jegens het wetenschappelijke materialisme. "Zulke campagnes zijn me onbegrijpelijk. De mens de materialistische richting ontzeggen betekent hem het zoeken naar waarheid ontzeggen. Buiten de materie is er geen experiment, geen wetenschap, en dus geen waarheid."
Zijn langdurige twijfel aan zichzelf als kunstenaar reikt, als ik me niet vergis, boven zichzelf uit: ze krijgt vat op de kunst zelf, op de hele literatuur, waartegen het er alleen mee te leven tussen zijn vier wanden zich verzette. Het verkeer ermee leek hem aanvulling nodig te hebben, behoefde mannelijk-praktische, sociale bezigheid in de wereld, onder mensen, in het leven. De literatuur was, om zijn eigen woorden te gebruiken, zijn geliefde; de wetenschap echter, de geneeskunde, zijn wettige echtgenote, tegenover wie hij zich schuldig voelde vanwege de ontrouw die hij bedreef. Vandaar die moeizame, voor zijn reeds aangetaste gezondheid zo risicovolle reis naar Sachalin en zijn opzienbarende verslaggeving over de afschuwelijke toestanden daar, die ook echt tot enige hervormingen leidde. Vandaar zijn onvermoeibare bezigheden als plattelandsarts, die altijd plaats vonden naast zijn literaire arbeid, het bestuur van het ziekenhuis van Svenigorod bij Moskou, de strijd tegen de cholera die hij voerde in Melichowo, zijn kleine landgoed, waar hij de inrichting van nieuwe barakken doorzet, terwijl hij overigens afgeeft op het hoofd van de dorpsschool. Ondertussen groeit zijn roem als schrijver, maar hij beziet dat met scepsis, en met een slecht geweten. "Misleid ik de lezer niet", vraagt hij, "waar ik de belangrijkste vragen niet eens beantwoorden kan?"

Die zinsnede heeft me getroffen als geen andere, en ze vormde er de aanleiding toe om me diepgaander met Tsjechovs biografie bezig te houden. Ze is één van de roerendste en innemendste die ik ken. Hij kwam uit het Zuid-Russische Taganrog, aan de Zee van Azov, een gehucht, waar de vader, een bekrompen kleinburger, nog lijfeigene was geweest, een garen- en bandwinkel dreef, en vrouw en kinderen tiranniseerde. Overigens klungelde hij als iconenschilder, beproefde zonder scholing de viool, had een passie voor kerkmuziek en verzamelde een eigen koor, waarin zijn eigen kinderen moesten zingen. Vermoedelijk waren deze liefhebberijen er de oorzaak van dat nog tijdens Anton Pavlovich' schooltijd zijn winkel failliet ging, en hij voor zijn schuldeisers op de vlucht moest slaan naar Moskou. Maar er school in deze kwezelige kleinburger iets verborgen musisch, dat alleen in die ene nazaat op heldere wijze aan het licht zou treden. Per slot van rekening werd de ene broer "publicist", de andere schilder – een onaanzienlijke publicist, en een schilder die zijn talent, indien hij dat had, net als de andere in wodka verdronk; zwakke, krachteloze karakters, die de enige standvastige, tot leven en succes geroepene, vergeefs poogt te ondersteunen.
Eerst moeten de jongens vader bij de verkoop van zijn rommel helpen, boodschappen bezorgen, op vrije dagen al om drie uur 's morgens opstaan om zich bij het kerkgezang uit te sloven. Daarbij komt de school, het Taganrogse gymnasium, een godvergeten drilinstituut, dat van bovenaf krijgt opgelegd zowel docenten als leerlingen van welk eigen idee ook te weerhouden. Het leven is dwangarbeid, vervelend, benauwend, drukkend, leeg. Maar daar bestaat er bij die ene, de in het geheim uitverkorene, die Anton, een eigenaardig tegenwicht, een compenserende neiging tot vrolijkheid en spotternij, tot clownerie en tot geestige imitatie, die wordt gevoed door waarneming, en die wordt omgezet in satirische nabootsing. De jongen kan een simpele diaken, een ambtenaar, die zich op het bal aan een dansje waagt, de tandarts, de houding van de politiecommissaris in de kerk, zo belachelijk goed en levensecht nadoen, dat men zich erover verbaast en zegt: "Doe nog eens! Nee maar, hoe kan dat nou! Wij hebben het ook gezien, maar zo grappig als het bij die knaap is, was het niet, terwijl het toch zo grappig geweest moet zijn, omdat we allemaal lachen als hij het nadoet. Dat is iets nieuws voor ons, dat iemand zoiets flikt, en het natuurlijker nadoet dan het was. Ha, ha, ha, wat een onzin. Genoeg met die onbehoorlijke flauwekul, ventje. Maar hoe de politiecommissaris naar de kerk gaat, dat moet je nog een keer doen!"
Het is de primitieve, na-apende oorsprong der kunst die daar te voorschijn komt, het talent, de bedrieglijke lust en gave te amuseren, die ooit naar heel andere middelen zal grijpen, in andere vormen tevoorschijn zal komen, een verbond aangaat met de geest, moreel veredeld zal raken, uit het belachelijke in het schokkende zal geraken – maar die in de diepste betekenis van het woord nooit de zin voor het komische zal verliezen, en van de begaafde imitatie der politieman en de dansende beambte altijd veel zal behouden….
Vader moet dus zijn winkel sluiten en zich uit de voeten maken naar Moskou, terwijl de dan zestienjarige Anton Pavlovich nog drie jaar lang in Taganrog achterblijft, en aan de schoolbank plakt. Want als zijn liefste wens, geneeskunde te studeren, vervuld moet raken, dient het gymnasium afgemaakt te worden. Hij maakt het af, doet de hoogste drie klassen, terwijl hij in zijn levensonderhoud voorziet met een nietige studietoelage, en door slecht betaalde bijlessen te geven aan jongere leerlingen, hij behaalt zijn diploma en kan de ouders volgen naar Moskou, om daar de universiteit te bezoeken.
Maakt de aan de provinciale benauwenis ontvluchte het leven in de grote stad gelukkig? Krijgt hij nu ademruimte? Maar in die tijd kreeg geen mens in Rusland ademruimte. Het bestaan was verstikkend, bedompt, devoot, befoezeld en geïntimideerd door botte autoriteit, een gecommandeerd, gecensureerd, van staatswege afgesnauwd en onderworpen leven. Op het land woog het absolutistisch-conservatieve staatsbestel van Alexander III en zijn afschuwelijke Pobedonoszev – een ellendig bestel. En aan die ellende vielen ten slachtoffer letterlijk heel wat fijnzinnige, naar de frisse lucht der vrijheid snakkende naturen in Tsjechovs omgeving. Het lot van Gleb Uspenski, een behoorlijke schilder van het Russische boerenleven, was krankzinnigheid. Garsjin, wiens zwaarmoedige novelles Tsjechov hoog achtte, pleegde zelfmoord. Een zelfmoordpoging deed in vertwijfeling ook Levitan, de schilder, met wie Anton vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Wodka won onder intellectuelen zeer aan aantrekkingskracht. Men dronk – uit hopeloosheid. Tsjechovs beide broers dronken, en gleden snel af, al smeekte de jongste hen nog zo innig zich te beheersen. Nou ja, ze hadden misschien ook zonder Pobedonoszev gedronken, maar helaas konden ze zich onder anderen ook op de beste, goeie Paljmin beroepen, de dichter, ook een vriend van hun broer, die net zo dronk.
Anton Pavlovich dronk niet en werd ook niet zwaarmoedig en geestesziek. Ten eerste deed hij zijn geneeskundestudie, die zich onttrok aan de bemoeienis van de heer Pobedonoszev; en wat de algemene depressie betrof, daartegen verzette hij zich op dezelfde manier als hij dat ooit had gedaan tegen de Taganrogse woestenij: hij grapte, hij imiteerde de politieman, de domme diaken, de beambte op het bal, en dergelijke – niet meer in mime, maar schriftelijk: in de woning van zijn ouders die hij met hen deelde, en waar het lawaaierig en chaotisch toeging, zat hij te schrijven voor een paar komische blaadjes, die graag een beetje voorzichtig satire bedreven, met allerlei amusante dingetjes, heel kort, heel vluchtig bij elkaar gehaald, anekdotes, dialogen, tekeningetjes die kleinburgerlijke bruiloften karikaturiseerden, beschonken kooplieden, ruzieachtige echtgenotes of dergelijke ontspoorden, of een ontslagen, maar nog steeds tegen iedereen brullende onderofficier – en dat op zo'n manier dat, precies zoals thuis in Taganrog, de mensen riepen: "Nee maar, moet je zien. Hoe hij dat flikt. Doe het nog 's."
En hij deed het steeds weer, met onuitputttelijk opborrelende kleine alledagswaarnemingen en potsierlijke nabootsing, hoewel het een flinke last was voor een jonge man, de veeleisende geneeskundestudie aan dit publieke juk te paren. Want op enigerlei wijze moesten die stukjes toch gevormd en toegespitst worden, wat nu eenmaal intellectuele arbeid betekent, en veel, heel veel daarvan moest je afleveren, als die karige honoraria opgeteld niet alleen ter bestrijding van de kosten dienden, maar ook serieus een bijdrage moesten leveren aan het onderhoud van de ouders, van de jongere zus, want vader verdiende bijna niets. Op zijn negentiende was Anton de steun en toeverlaat van het gezin. Antoscha Tsjechonte noemde hij zich als komischebladenleverancier.
En nu gebeurt iets opmerkelijks, wat veelzeggend is en spreekt voor de geest en de eigenzinnigheid der literatuur en wat demonstreert, welke onverwachte gevolgen het kan hebben, wanneer men zich, al is het op nog zo praktische, marginale en schertsende wijze met haar inlaat. Die geest "klopt aan bij het geweten", – Antoscha Tsjechonte, de grappenmaker, zegt het zelf. In een brief beschrijft hij hoe hij in de ouderlijke woning, bij kindergeschreeuw, bij komen en gaan en speelklokgelui, het hardop voorlezen van zijn vader in een kamer ernaast, aan zijn onafgeschermde tafel zit, met voor zich zijn literaire werk, "dat genadeloos aan mijn geweten klopt." Dat was niet de bedoeling, aangezien ze alleen juk is en burgeramusement. Maar wat ik het opmerkelijke, veelzeggende, onverwachte noemde, is dit: dat er langzamerhand, zonder dat hij het echt wil en zich ervan bewust is wat er gebeurt, in zijn kleine geschrijf iets binnendringt, waarmee het in oorsprong helemaal niets te maken wilde hebben, iets, wat tegelijkertijd uit het geweten der literatuur stamt, en uit zijn persoonlijke geweten: iets wat weliswaar nog steeds grappig en amusant is, maar tegelijk ook iets bitters en treurigs, wat leven en maatschappij aanklaagt en bloot legt, iets kritisch, kortom: iets literairs. Want met het schrijven zelf, de vorm, de taal, hangt wat er binnendringt direct samen – de kritische droefenis en opstandigheid is immers het verlangen naar een betere werkelijkheid, naar een zuiverder, echter, edeler leven, naar een de geest welgevalliger samenleving, en dit verlangen krijgt vorm in de taal, in verplichting tot artistieke arbeid daaraan, een "genadeloze" verplichting, die onverbrekelijk hoort bij wat er binnendringt in Antoscha's vrije geschrijf. Vijftien jaar zullen voorbijgaan, en dan voert Gorki het woord over diezelfde Antoscha en oordeelt: "Als stilist is Tsjechov onovertroffen, en de toekomstige literatuurcriticus zal, als hij over de groei der Russische taal nadenkt, zeggen dat deze taal door Poesjkin, Toergenjev en Tsjechov is geschapen."
Dat werd gezegd in 1900. Nu schrijven we 1884/85. De vierentwintigjarige is afgestudeerd en gaat als assistent naar een ziekenhuis in Voskresensk, waar hij lijkschouwing pleegt op zelfmoordenaars en dergelijken, die onder verdachte omstandigheden zijn gestorven. Amusementsliteratuur bedrijft hij nog altijd, dat is een gewoonte geworden, en daarbij zijn een paar dingen langs gekomen, De dood van een beambte, De dikke en de dunne, Een delinquent, waarvan het schrijven hem buitengewoon plezier heeft gedaan en die misschien het merendeel van zijn lezers niet erg bevallen, omdat hun humor bitter smaakt, maar bij het lezen waarvan hier en daar de wenkbrauwen toch worden opgetrokken. Zo door D.V. Grigorovitsj. Wie kent Dimitri Vasiljevitsj Grigorovitsj? Ik niet. Ik had eerlijk gezegd, voordat ik me bezighield met Tsjechovs biografie, nooit van hem gehoord. En toch was hij toen een hoog geacht schrijver, een man van de grote literatuur, die met zijn romans uit het leven van lijfeigenen veel eer had ingelegd. Een brief van hem uit Petersburg komt aan bij de jonge dokter Tsjechov in Voskresensk bij Moskou, een heel ernstige brief, die misschien de roerendste, verbazingwekkendste, indrukwekkendste gebeurtenis in Tsjechovs leven is geweest. De beroemde, al oude man – hij was nog bevriend geweest met Belinski, later ook met Toergenjev en Dostojewski en stierf in 1889 – schrijft daarin: "U mijnheer, bezit een buitengewoon groot talent, daar naar mijn overtuiging ook voor het allerhoogste niet hoeft terug te schrikken. Het zou doodzonde zijn als u doorging uw krachten te verspillen aan literaire beuzelarijen. Ik voel de behoefte u te bezweren dat niet te doen, maar u op te maken voor werkelijk kunstzinnige ondernemingen." Dat leest Anton Pavlovich zwart op wit, en daaronder de grote naam. Hij was zo ondersteboven, in de war, geschokt als waarschijnlijk nooit tevoren in zijn leven. "Ik barstte bijna in tranen uit en voel hoe de brief diepe sporen in mijn ziel heeft achtergelaten. Ik ben als verdoofd. Ik ben niet in staat te beoordelen, of ik deze hoge beloning heb verdiend, of niet. Als ik een talent heb dat het waard is geacht te worden, dan biecht ik hier in alle eerlijkheid op, dat ik dat tot nu toe niet heb gedaan…. Er bestaan genoeg redenen om tegen jezelf onrechtvaardig, wantrouwig en hypochondrisch te zijn, tot nu toe heb ik me met mijn bezigheden volmaakt lichtzinnig, nalatig gedragen, en erger, ... Ik schreef en was er op alle mogelijke manieren op uit niet te putten uit de beelden en gestalten die me dierbaar zijn, en die ik, god weet waarom, aldus behoedde en zorgvuldig verborgen hield. Zo luidt het in de later bekend geworden dankbrief aan Grigorovitsj. Nadat hij hem geschreven had, ging hij voor de obductie van een geval van tyfus naar het streekziekenhuis – laten we zeggen: naar een geval van tyfus, waaraan kort daarop de vlektyfus herinnert van luitenant Klimov, een ziekenverhaal, geheel vanuit de geest van de patiënt, met volmaakt meesterschap verteld door Anton Tsjechov, die zich na de ontvangst van de brief niet langer Tsjechonte noemt.
Er was hem maar een korte tijd van leven gegund. Al bij de negentwintigjarige deden zich de eerste tekenen voor van tuberculose; en hij was arts, hij wist hoe laat het was en heeft zich zeker niet ingebeeld dat zijn levensdrang het zou schoppen tot het Tolstojse patriarchendom. Je vraagt je af of niet de wetenschap van de beperkte duur van zijn gastrol op aarde bijdroeg tot zijn karakteristieke, sceptische en zo uiterst innemende, zacht optredende bescheidenheid, die zijn intellectuele en artistieke geesteshouding bepalen – met daarbij inbegrepen het instinct om van die bescheidenheid een bijzondere kwaliteit te maken van zijn kunstenaarschap en haar tot een specifieke charme van zijn bestaan te verheffen.  Zo'n vijfentwintig jaar, dat was alles wat hem aan tijd was gegund voor zijn literaire ontplooiing, en waarachtig, die tijd heeft hij benut: pakweg 600 verhalen dragen zijn naam, waarvan er niet weinige de omvang van een 'long short story' hebben, en daar zijn meesterwerken onder, als Zaal 6, waarin een arts uit afschuw voor de domme en miserabele wereld der normalen zo bevriend raakt met een interessante gek, dat die wereld hem zelf voor gek verklaart en opsluit. De novelle, die in 1892 werd geschreven, zevenentachtig pagina's lang, is, hoewel ze elke vorm van aanklacht vermijdt, zo gruwelijk symbolisch voor de corrupte hopeloosheid van de toestanden in Rusland, van de degradatie van de mens onder het late despotisme, dat de jonge Lenin tegen zijn zus zei: "Toen ik gisteren dat verhaal had uitgelezen, werd ik direct onpasselijk. Ik kon niet meer op mijn kamer blijven, ik, stond op en ging naar buiten. Het was, alsof ik zelf opgesloten zat in zaal 6."
Maar wanneer er dan toch genoemd moet worden en geprezen, dan moet ik absoluut Een vervelende geschiedenis vermelden, het mij dierbaarste onder Tsjechovs verhalen, een buitengewoon fascinerend werk, dat in stille, treurige bijzonderheid in de literatuur nauwelijks zijn gelijke heeft, en alleen al daardoor verbaast dat dit, als vervelend aangekondigde, maar in werkelijkheid superieure verhaal door een jonge man van nog geen dertig jaar op volmaakt vormgegeven wijze in de mond word gelegd van een grijsaard – een wereldberoemd geleerde, generaal van rang, excellentie, die zich in zijn bekentenissen veelvuldig als zodanig betitelt – "Zijne Excellentie", zegt hij, met een ondertoon van, "Here God!" Want hoewel hij hoog staat in de officiële hiërarchie, staat hij geestelijk, zelfkritisch en kritisch in het algemeen, hoog genoeg om de roem en verering die men hem bewijst, dwaas te vinden en in het diepst van zijn ziel vertwijfeld te zijn, omdat hij er zich van bewust wordt dat het zijn leven, met al zijn verdiensten, aan een geestelijke kern, een algemeen idee ontbreekt, dat het in de grond een zinloos bestaan, het leven van een vertwijfelde was. "Elk gevoel," schrijft hij, "elke gedachte, leeft apart in me, en in al mijn oordelen over wetenschap, toneel, literatuur etc, zal zelfs de ervarenste analyticus niets vinden wat men een algemeen  idee, of de God van de levende mens noemt. En als dat ontbreekt, is er helemaal niets… Het is zodoende geen wonder dat de laatste maanden van mijn leven door gedachtes en gevoelens worden verduisterd, die een slaaf en een barbaar niet zouden misstaan, en dat ik nu onverschillig ben. Als er in de mens niets bestaat wat hoger en sterker is dan alle invloeden van buitenaf, dan volstaat een flinke verkoudheid om hem zijn evenwicht te laten verliezen, en heel zijn pessimisme of optimisme hebben samen met alle grote en kleine gedachtes van dien nog enkel betekenis als symptoom, en meer niet. Ik ben verslagen. Als dat zo is, is er geen reden meer om verder nog na te denken, geen meer om te praten. Ik ga zwijgend zitten afwachten wat er nog komt."
"And my ending is despair", die laatste woorden van Prospero schieten me steeds weer te binnen bij de bekentenissen van de oude, beroemde Nikolai Stepanovitsj, die zegt: "Ik houd nu eenmaal niet van de roem van mijn naam. Het lijkt me dat ze me bedrogen heeft." Anton Tsjechov was niet oud, maar jong, toen hij hem dit en andere dingen liet zeggen; maar hij zou niet lang leven, en misschien was dat het, wat hem ertoe in staat stelde op zo ongelooflijke, haast griezelige wijze, vooruit te lopen op de geestesgesteldheid van de ouderdom. Want hij heeft aan zijn oude, stervende geleerde veel vanzichzelf meegegeven, vooral dat "ik houd nu eenmaal niet van de roem van mijn naam." Want ook Tsjechov was niet gesteld op zijn groeiende roem, het was hem daarbij "om de een of andere reden bang te moede". Bedroog hij zijn lezers niet, door hen met zijn talent te verblinden, "terwijl hij op de belangrijkste vragen geen antwoord had?" Waarom schreef hij? Wat was zijn doel, zijn geloof, de "god van de mens op aarde?" Waar was het algemene idee van zijn leven en schrijven, "zonder welk niets bestaat." "Een bewust leven zonder een bepaalde levensbeschouwing" schreef hij aan een vriend, "is geen leven, maar een last en een verschrikking." Aan de beroemde geleerde vraagt zijn stiefdochter Katja, een mislukte toneelspeelster, het enige wezen waaraan hij nog waarde hecht, en waarvoor hij een oudemannenliefde koestert – vraagt ze hem in hoogste nood en radeloosheid: "Wat moet ik doen? Eén woordje maar, Nikolai Stepanovitsj, ik smeek u, wat moet ik doen?" En hij moet antwoorden: "Ik weet het niet. Naar eer en geweten, Katja, ik weet het niet." Daarop verlaat ze hem.
De vraag "wat te doen?" komt voortdurend en op bewust diffuse wijze in Tsjechovs verhalen voor; ze wordt bijna in het belachelijke getrokken door de wonderlijke en hulpeloze wijze waarop de personages zich met deze levensvraag bezighouden. Ik weet niet meer in welk verhaal het gebeurt [in Tsjechovs laatste verhaal, Verloofd, HV], maar ergens bij hem komt een dame binnen en verklaart: "Men moet het leven als door een prisma bekijken, dat wil zeggen, men moet het in zijn breking zien, en in simpele elementen verdelen, en elk daarvan moet je bestuderen." Van zulke banaliteiten wemelt het in zijn novellen en toneelstukken. Deels mogen ze wellicht simpelweg satirische weergave zijn van de oeverloze en doelloze Russische neiging tot filosoferen en discuteren, zoals dat ook bij ander auteurs het geval is. Maar bij Tsjechov hebben ze een heel specifieke achtergrond, een bijzondere, beklemmend komische, artistieke functie. Het ik-verhaal De nietsnut bijvoorbeeld (Mijn leven, VW 5, p. 206, HV) zit vol met zulke discussies. De ik-verteller, de nietsnut, die de spotnaam 'Klein Voordeel' draagt, is een tegen de bestaande maatschappelijke orde in opstand gekomen sociale idealist, die aan de noodzaak gelooft van fysieke arbied voor iedereen, die zijn eigen beschaafde sociale klasse verlaat en zich overgeeft aan een duister, zwaar en lelijk arbeidersbestaan, waarvan de rauwe werkelijkheid hem heel wat kwellende teleurstellingen bezorgt. Zijn traditiebewuste vader brengt hij vanwege zijn excentriciteit aan de rand van het graf en hij is er ook schuldig aan dat zijn zus op een dwaalspoor en in ellende geraakt. Iemand zegt tegen hem, ene dokter Blagovo, "Ik heb diep respect voor u, u bent een nobele ziel, een eerlijke idealist. Maar vindt u niet dat u, als u al die wilskracht om het leven zo radikaal te veranderen, al die inspanning en dat potentieel, op iets anders had gericht, bijvoorbeeld om mettertijd een groot geleerde of kunstenaar te worden, uw leven veel serieuzer en in elk opzicht vruchtbaarder zou zijn geweest?" Nee, antwoord de nietsnut, want het belangrijkste is dat de sterken de zwakken niet knechten, dat de minderheid voor de meerderheid geen parasiet wordt; het is noodzakelijk dat allen, sterken en zwakken, rijken en armen, in gelijke mate aan de strijd om het bestaan deelnemen, en daarbij is er geen beter nivellerend middel dan de algemene, voor ieder tot plicht verheven fysieke arbeid. "Maar gelooft u dan niet dat als iedereen, ook de voortreffelijkste mensen, de grootste denkers en geleerden, aan de strijd om het bestaan zouden deelnemen en hun tijd aan het hakken van grint of het verven van daken zouden besteden, dat een groot gevaar zou opleveren voor de vooruitgang?" Dat is een goede vraag, maar niet zo goed, of de gesprekspartner heeft er een beter, of in elk geval net zo goed antwoord op. En aangezien er al van vooruitgang  sprake is, krijgt men het over het doel ervan. Naar het idee van dokter Blagovo liggen die doelen en grenzen van de menselijke, wereldomvattende vooruitgang in de oneindigheid, en om die te beschouwen als iets wat wordt beperkt door tijdelijke inzichten, acht hij – beperkt.
Wat een redenering. Als de grenzen van de vooruitgang in het oneindige liggen, dan zijn die doelen onbegrensd. "Hoe kan men leven zonder te weten waarom men leeft?" Akkoord. Maar dit niet-weten is minder vervelend dan uw weten. Ik beklim een trap, die men vooruitgang, beschaving, cultuur noemt, ik klim steeds hoger, ik weet weliswaar niet precies waarheen die me voert, maar die grandioze trap alleen al maakt het leven levenswaard. U weet echter waarom u leeft: opdat u de ander niet tot slaaf maakt, opdat de kunstenaar en degene die zijn verf mengt, dezelfde maatijd eet. Maar dat is de de kleinburgerlijke, prozaïsche grauwe kant van het leven, en alleen daarvoor te leven, is weerzinwekkend. Aan dat grote onbekende moeten we denken, aan wat de mensheid in de toekomst te wachten staat …."
Blagovo spreekt met veel vuur – en tegelijkertijd kun je aan hem merken dat er een heel andere gedachte is die hem bezighoudt. "Uw zus komt zeker niet meer", zegt hij na een blik op de klok. "Ze zei gisteren dat ze vandaag bij u langs zou gaan." Hij is dus alleen gekomen om de zus te ontmoeten op wie hij verliefd is, en hij praat alleen maar in afwachting van het meisje. Door dit achter al zijn gepraat schuilgaande en op zijn gezicht te lezen motief, wordt alles wat hij zegt op ironische wijze en met een glimlach van zijn waarde ontdaan. Het radicaal het leven omgooien van de nietsnut wordt van zijn waarde ontdaan, of op zijn minst problematisch gemaakt door de vernederende teleurstellingen die hij al doende ondergaat, en de schuld die hij daarmee op zich laadt; het geredeneer van de bezoeker verliest zijn kracht doordat het zijn gewacht op het meisje dient. De realiteitszin waaraan de schrijver voor alles trouw dient te zijn, degradeert de ideeën en de meningen. Ze is van nature ironisch, en dat leidt er gemakkelijk toe dat een dichter die de waarheid boven alles stelt, het verwijt krijgt er geen opvattingen op na te houden, onverschilligheid is jegens goed en kwaad, en een gebrek aan idealen heeft. Tsjechov verdedigt zich tegen zulke verwijten. Hij vertrouwt erop, zegt hij, dat de lezer, de in het verhaal ontbrekende, onderdrukt subjectieve, dat wil zeggen, bekennende elementen der zedelijke stellingname, wel zelf aanvult. Maar vanwaar dan die angst, die afkeer van zijn roem, dat gevoel de lezer met zijn talent te bedriegen omdat hij op de belangrijkste vragen geen antwoord heeft? Vanwaar dan dat griezelige vermogen zich in te leven in die wanhopige grijsaard, die erkent dat het het in zijn leven aan een "idee" ontbreekt, "zonder welke het leven toch niets is," en die op de vraag van een radeloze "Wat moet ik doen?" gedwongen is te antwoorden: "Naar eer en geweten, ik weet het niet."
Als de levenswaarheid van nature ironisch is, is de kunst dan ook van nature waardeloos? Terwijl ze  toch zo werkzaam is! Ze is, om het zo te zeggen, de arbeid in de zuivere cultuur en in de hoogste vorm van abstractie, het toonbeeld van alle arbeid, de arbeid zelf en die an sich. Tsjechov hechtte meer waarde aan arbeid dan wie ook. Gorki zei over hem dat hij "niemand had gekend die zo diep de betekenis voelde van arbeid als basis voor de cultuur als Tsjechov." En inderdaad heeft hij onophoudelijk en overmoeibaar gewerkt, tegen zijn zwakke constitutie in, geen acht slaand op de krachtenverslindende aard van zijn ziekte, elke dag, tot aan het eind. Sterker nog: hij bedreef die heldhaftige arbeid onder de voortdurende twijfel aan de zin ervan, ondanks het schuldgevoel omdat het haar aan een centraal idee ontbrak, omdat hij op de vraag Wat te doen? geen antwoord had en alleen op onderhoudende wijze, door een simpele werkelijkheidsweergave van die vraag afleidde. "Wij beschrijven alleen het leven zoals het is," zei hij, "en verder zetten we geen stap." Of: "Zoals het ermee is gesteld, heeft het bestaan van de kunstenaar geen zin, en hoe begaafder hij is, des te individualistischer en onbegrijpelijker zijn rol wordt, omdat bewezen is dat hij werkt om een onzindelijk roofdier te amuseren, en daarmee de status quo ondersteunt." De status quo, dat wil zeggen de onmogelijke toestanden van de negentiger jaren in Rusland, waarmee Tsjechov leefde. Maar zijn woede, zijn twijfel aan de zin van zijn werk, zijn gevoel van individualiteit en het onbegrepene van zijn rol als kunstenaar zijn van alle tijden en niet verbonden met de Russische toestanden van toen. "Toestanden" betekent: er bestaan ten allen tijde die verschrikkelijke, jammerlijke kloof tussen waarheid en werkelijk demonstrerende toestanden, en ook tegenwoordig heeft Tsjechov broeders in het leed, die zich bij hun roem niet wel bevinden, omdat ze zich met "een verloren wereld" vergenoegen, zonder haar ook maar een spoor van een reddende waarheid te verschaffen" – zo heet dat dan – en die zich net zo goed als hij in de grijze held van Een vervelende geschiedenis kunnen verplaatsen, die op de vraag 'Wat moet ik doen?' het antwoord schuldig moeten blijven, die de zin van hun werk niet kunnen benoemen, en die toch tot het einde werken.
Er moet iets zijn met dit merkwaardige "toch", er moet een zin aan toe te wijzen zijn, en daarmee ook aan de arbeid. Ligt misschien juist daarin zelf, al lijkt ze nog zozeer op amusement, iets zedelijjks, dienends, sociaals, dat ten slotte naar die reddende waarheid voert, waar een radeloze wereld naar grijpt? Ik poogde eerder te spreken van de eigenzinnigheid der literatuur, van haar onverwachte gevolgen, en hoe haar geest ongewild en onverwachts in het gekrabbel van de jonge Tsjechov binnendrong, ze onwillekeurig moreel verhief. Dat proces loopt door zijn hele schrijversleven heen, het is daar voortdurend in terug te vinden. Een biograaf schrijft over hem: "In de ontwikkeling van Tsjechov lijkt het opmerkelijk hoe, in samenhang met zijn groeiend meesterschap van de vorm, een veranderende houding optreedt tegenover zijn tijd. Die bepaalt zijn stofkeuze, zijn karaktertekening en het handelingsverloop en wordt in alles zichtbaar, verheft zich uit de mond van zijn helden soms zelfs tot bewuste reflectie, die een haarfijn instinct en een precies onderscheidingsvermogen verraadt tussen dat wat spoedig aan het verleden zal worden prijsgegeven, en de naar de toekomst verwijzende aansporingen van een nieuwe tijd." Wat me in die opmerking interesseert is de vaststelling van een samenhang tussen de groei van een meesterschap in de vorm en de toename van de moreel-tijdkritische gevoeligheid, dat wil zeggen: het steeds sterker wordende gevoel voor het maatschappelijk veroordeelde en wegstervende en voor dat wat komen gaat, de samenhang dus tussen het esthetische en het ethische. Is het niet deze samenhang, die het werk aan de kunst haar waarde, haar zin, haar dienstbaarheid verleent, en die zowel Tsjechovs hoogachting voor arbeid in het algemeen, als zijn veroordeling van alle niets uitrichtende luiwammesen en parasieten verklaart, zijn steeds duidelijker verwerping van een leven dat, zoals hij het noemde, op "slavernij" is gebouwd?
Dat is een hard oordeel over de burgerlijk-kapitalistische maatschappij, die zich toch beroemt op haar humaniteit en die van slavernij niets weten wil. Maar onze verhalenverteller geeft blijk van een opvallend scherpe kijk op het problematische van de vooruitgang in het menselijke en de sociaal-morele verhoudingen na de vrijmaking van de boeren in zijn vaderland Rusland – verhoudingen die inmiddels een zekere algemene geldigheid hebben gekregen. "Naast het proces van de ontwikkeling van humanitaire ideeën", laat hij zijn nietsnut zeggen, "kan men dergelijke ideeën ook van een heel andere kant bekijken. De lijfeigenschap is afgeschaft, maar in plaats daarvan (hij kon ook zeggen: juist daardoor) "groeit het kapitalisme, en zelfs nu, terwijl de vrijheidslievende opvattingen in hoog aanzien staan, moet de meerderheid, zoals weleer, de minderheid voeden, kleden en verdedigen, terwijl ze zelf hongerig, naakt en weerloos blijft. Zo'n systeem valt heel goed te rijmen met willekeurige ideële stromingen, want ook de kunst der knechting wordt geleidelijk gecultiveerd. We ranselen de bedienden niet meer af, maar we verschaffen subtiele vormen aan de slavernij; we verstaan hoe dan ook de kunst ze in elk individueel geval te rechtvaardigen. We houden de humanitaire idealen in eer, maar als we zo aan het eind van de negentiende eeuw de mogelijkheid hadden op de arbeiders de onaangenaamste fysieke prestaties af te wentelen, dan deden we het, en voerden ter rechtvaardiging aan: als de besten van onze mensen, de grote denkers en geleerden hun kostbare tijd aan zulke zaken moesten besteden, dan zou de vooruitgang daar zeer onder lijden."
Dat is een voorbeeld van zijn manier om de draak te steken met de zelfgenoegzaamheid van de vooruitgangsburger. Als arts koestert hij een uitgesproken geringschatting voor de palliatieven, waarmee deze vooruitgangsburger de sociale kwalen behandelt. Het is heel grappig, hoe in de novelle Een geval uit de praktijk de gouvernante van een rijke fabrikant bij kaviaar en madeira de zegen der palliatieven breed uitmeet. "De arbeiders zijn buitengewoon tevreden over ons", zegt ze. "in onze fabriek zijn er elke winter toneelvoorstellingen; de arbeiders zelf spelen mee, daarna zijn er voordrachten met een toverlantaarn, er is een prachtige kantine en nog veel meer. De arbeiders zijn ons toegedaan, en toen ze hoorden dat het met mevrouw slechter ging, hebben ze een gebedsdienst aangevraagd. Ze zijn onbeschaafd, maar ze hebben ook gevoelens."
Maar degene van wiens praktijk verhaald wordt, hoofdarts Dr. Koroljov, die eigenlijk Anton Tsjechov heet, kan dan alleen maar het hoofd schudden. "Zo kijkend naar de fabriek en de barakken waar de arbeiders sliepen", zo heet het, "dacht hij opnieuw wat hij altijd dacht als hij de fabrieken zag. Er konden hier dan wel voorstellingen voor de arbeiders, en lichtbeelden, bedrijfsartsen en allerlei andere verbeteringen zijn, maar desondanks onderscheidden de arbeiders die hij vandaag onderweg van het station was tegengekomen, zich uiterlijk in niets van degenen die hij in zijn kinderjaren had gezien, toen die verbeteringen en voorstellingen in de fabriek er nog niet waren. Hij die als arts een helder oordeel had over chronisch lijden waarvan de achterliggende oorzaak onbegrijpelijk en ngeneeslijk was, bezag ook de de fabrieken als iets abnormaals, waarvan de herkomst evenmin viel vast te stellen en te verhelpen; en alle verbeteringen in het leven van de fabrieksarbeiders beschouwde hij dan wel niet als overbodig, maar hij vergeleek ze toch met het gekwakzalf bij ongeneeslijke ziektes." "Als je dan wilt genezen", hoor je hem zeggen, "dan niet de ziektes, maar de oorzaken ervan." "De ziekenhuizen, de scholen, de leeskabinetten en apotheken dienen onder de omstandigheden enkel de slavernij – daar hebt u mijn overtuiging." Bij welke overtuiging men niet mag vergeten dat Tsjechov zelf in zijn regio scholen en ziekenhuizen stichtte. Maar rust vond hij zo niet. De zin, waarin zijn denken, hoe langer hij leefde en schreef, samenviel, was deze: "De hoofdzaak is het leven te veranderen; al het overige is nutteloos."
Maar hoe moet dat gebeuren, aangezien de omstandigheden 'gegeven' zijn en alles zijn ongeneeslijke noodzakelijkheid heeft. Hoe te antwoorden op de vraag: "Wat te doen?" De verontrusting over deze vraag valt in Tsjechovs verhalen aan heel wat figuren ten deel. In het genoemde Geval uit de praktijk bedenkt hij de zinsnede van de "eervolle slapeloosheid." Daarin wordt, bij een intelligente, ongelukkige jonge vrouw, fabrikante en miljonaire, dokter Koroljov geroepen, omdat ze niet kan slapen en lijdt aan aanvallen van nervositeit. Ze zegt zelf: "Volgens mij ben ik niet ziek, maar maak ik me alleen zorgen en ben ik bang, omdat het zo moet zijn en niet anders kan." Hem is wel duidelijk wat men haar zou moeten zeggen, namelijk: "Geeft u zo snel mogelijk uw vijf fabrieken en uw miljoen op en zweer die duivel af." En het is hem al evenzeer duidelijk dat ze dat zelf ook denkt en er alleen op wacht dat iemand die ze vertrouwt dat bevestigt. Maar hoe het haar te zeggen? Men is er huiverig voor aan veroordeelden te vragen waarom ze veroordeeld zijn; net zo pijnlijk is het rijke mensen te vragen waarom ze zoveel geld nodig hebben, waarom ze hun rijkdom zo slecht gebruiken, waarom ze haar niet opgeven, zelfs dan niet als ze er hun vloek in zien; en wanneer men daarover een gesprek begint, loopt dat meestal op beschamende, pijnlijke en vervelende wijze af. Daarom antwoordt hij haar, openhartig, maar troostend: "U bent ontevreden over uw positie als fabriekseigenares en rijke erfgename. U gelooft niet aan haar rechtmatigheid en daarom slaapt u niet. Natuurlijk is dat beter dan als u wel tevreden was, goed sliep en dacht dat alles piekfijn in orde was. U lijdt aan eervolle slapeloosheid. Ze is hoe dan ook een goed teken. Feitelijk zou een gesprek als dit voor onze ouders ondenkbaar zijn geweest; zij praatten 's nachts niet, maar sliepen vast; wij echter, van onze generatie, slapen slecht, tobben, praten veel en proberen altijd te bepalen of we in ons recht staan of niet. Voor onze kinderen en kleinkinderen zal deze vraag, of ze in hun recht staan of niet, beantwoord zijn. Zij zullen dat beter zien dan wij. Het leven zal goed zijn over vijftig jaar….."
Zou het? Men moet wel inzien dat de mens een mislukt wezen is. Zijn geweten, dat des geestes is, zal wel nooit met zijn aard, zijn werkelijkheid, zijn maatschappelijke toestand in harmonie te brengen zijn, en altijd zal er sprake zijn van eervolle slapeloosheid bij die en gene, die om de een of andere duistere reden zich voor het lot en leven der mens verantwoordelijk voelt. En als er iemand was die daaraan leed, was het wel de kunstenaar Tsjechov, en al zijn schrijven kwam neer op eervolle slapeloosheid, waarin hij zocht naar het reddende antwoord op de vraag: "Wat moeten we doen?" De vraag was lastig, als hij al te beantwoorden viel. Maar één ding wist hij zeker: dat nietsdoen het slechtste is en dat men moet werken, omdat nietsdoen en laten werken uitbuiting en onderdrukking betekende. "Begrijpt u toch," zegt in het late verhaal De bruid ene Sasja, die net als Tsjechov tuberculeus is en gaat sterven, tegen Nadja, een meisje dat ook niet slapen kan: "begrijpt u toch, als uw moeder en grootmoeder niets uitvoeren, betekent het dat anderen voor hen werken, dat ze teren op het leven van hun naaste, en is dat fatsoenlijk, is dat niet kwalijk? Lieverd, schat, vertrek. Laat iedereen zien dat dit starre, grauwe, zondige leven u de keel uithangt. Laat het tenminste aan uzelf zien. Ik zweer u dat u er geen spijt van zult krijgen. U vertrekt. U zult gaan studeren en zich door het lot laten leiden. Zodra u uw leven omgooit, wordt alles anders. Het allerbelangrijkste is het, het leven om te gooien, de rest is bijzaak. Dus morgen vertrekken we?" En Nadja vertrekt echt. Ze verlaat haar gezin, haar onbenullige verloofde, geeft haar huwelijk op en vlucht. Het betekent de vlucht uit verbindingen der klasse, uit een als afstervend, onecht, en "zondig" ervaren levensvorm, die veelvuldig in Tsjechovs verhalen terugkeert, en het is dezelfde vlucht als die waartoe de grijsaard Tolstoj zich nog op het laatste moment opmaakt.
Als Nadja, de gevluchte verloofde, later een keer thuis terugkeert, komt het haar voor "alsof alles in de stad sinds jaar en dag oud en afgeleefd was en alleen nog maar wachtte op het einde of op het begin van iets nieuws en fris." Zo'n leven zou vroeg of laat aanbreken. "Er zou een tijd komen dat er van grootmoeders huis, waar alles zo was ingericht dat de vier bediendes niet anders konden leven dan in smerigheid, in één ruimte, een souterrain – geen spoor meer zou zijn overgebleven, dat het vergeten zou zijn en dat niemand er meer aan zou denken." De arme Sasja had het immers gezegd: "Van uw stad zal geen ene steen op de andere blijven, alles zal ondersteboven gaan, als door toverkracht zal alles anders worden. En hier zullen dan reusachtige, wonderschone huizen staan, heerlijke tuinen met fonteinen, en andere mensen zullen hier leven, en iedereen zal weten waarom hij leeft…" Dat is één der euforische toekomstvisioenen zoals die door de schrijver, die wel weet dat het leven een probleem zonder oplossing is, nu en dan aan zichzelf, of aan één van zijn personages worden toegestaan. Ze zijn van licht chaotische aard en zouden de indruk kunnen wekken van het gezweef van een koortslijder, zo bijvoorbeeld als hij over de misschien nabije tijd spreekt, "dat het leven licht en vreugdevol zal zijn als een stille zondagmorgen." De omtrekken van zijn sociaal volmaakte toekomstfantasie zijn vaag. Het is het beeld van een op arbeid gevestigde vereniging van waarheid en schoonheid. Maar zit er in die droom van "reusachtige, wonderschone huizen met heerlijke tuinen en fonteinen" die zich eens, in plaats van de afgeleefde, op hun eind wachtende stad verheffen zullen, niet iets van de socialistische opbouwdrang, waarmee het moderne Rusland bij alle afschuw, alle vijandigheid die het opwekt, toch het westen imponeert?
Tsjechov had niets met de arbeidersklasse, en Marx had hij ook niet bestudeerd. En hoewel een schrijver van de arbeid was, was hij niet, zoals Gorki, een arbeidersschrijver. Maar hij verwoordt de gevoelens van sociale woede die zijn volk om het hart sloegen, zoals in de geweldige, treurige zedenschildering van De boeren, waarbij tijdens een religieuze festiviteit van dorp naar dorp de icoon, "de levenbrengende" in processie rondgedragen wordt. Een reusachtige volksmenigte van mensen uit het dorp zelf en van elders trekt het beeld tegemoet, er was lawaai en stof, en allen strekken de armen naar haar uit, bekeken haar gretig, en zeiden huilend: "Bescherm ons, moedertje!" "Het was alof ze allemaal opeens begrepen dat er tusen hemel en aarde wel iets bestond, dat de rijken en machtigen nog niet alles nog niet alles hadden ingepikt, dat er nog bescherming bestond tegen belediging, slavernij, bittere, ondraaglijke nood en vreselijke wodka. Voorspraak, moedertje! Maar de gebedsdienst was nauwelijks ten einde, en de icoon weggedragen, of alles ging als vanouds zijn gang, en uit de herberg klonken rauwe, bedronken stemmen." Dat is allemaal heel erg Tsjechov, in zijn ontroering èn in zijn bitterheid daarover, dat alles doorgaat als vanouds, en het zou me niet verbazen, als op zulke taferelen de populariteit van de schrijver berust, die bij zijn dood en begrafenis in Moskou verrassenderwijs bleek te bestaan. Een regeringsgezind tijdschrift zag daarin aanleiding op te merken dat deze Anton Pavlovitsj Tsjechov blijkbaar ook tot de "stormvogels der revolutie" behoord had.
Maar hij zag er niet uit als een stormvogel, en ook niet als de tot genie geworden moezjik zoals Tolstoj of als Nietzsches bleke misdadiger. De foto's tonen een slanke man in de kledij van het einde van de negentiende eeuw, met bontkraag, pincenez aan een snoer, een spits baardje en gelijkmoedige, iets lijdende gelaatsttrekken van een vriendelijke melancholie. Zijn trekken drukken intelligente oplettendheid uit, bescheidenheid, scepsis en goedheid. Het is het gezicht, de houding van een mens, die geen ophef over zichzelf maakt. Van pretentie geen spoor. En als hij Tolstojs filosofie "despotisch" vond, en Dostojevski's werk "goed, maar onbescheiden, pretentieus," dan is het niet moeilijk te bedenken hoe grotesk hem het bombastische van diens leer moest lijken. Waar hij haar verbeeldt, kan dat een heel komische werking hebben. Het is decennia geleden dat ik in München een keer éen van zijn stukken zag, die zacht aantredende stukken die helemaal uit het gevoel zijn opgebouwd van het afstervende, onmogelijk gewordene, alleen nog maar fictief bestaande, het leven van de landbezittende klasse, en die alle dramatische knaleffecten vervangen door een ijzersterke, allerfijnste intensiteit van de lyrische stemming – een stemming van eind en van afscheid – dat ik een ervan dus, Oom Wanja, op het toneel zag. Daarin komt een seniele beoemdheid voor, de karikatuur van de held uit een Vervelende geschiedenis, een professor met emeritaat, een geheimraad, die over kunst schrijft, waarvan hij absoluut niets begrijpt, en verder het hele huis met zijn larmoyante oudemansmisère, zijn verwatenheid en zijn podagra tiranniseert – een van zijn eigenwaarde overtuigde nul. Tegen hem zegt een goede vrouw, terwijl ze hem ten afscheid kust: "Laat u weer eens een foto van u maken, Alexander Wladimirovitsj!" Mijn hele leven lang heb ik moeten lachen, zodra ik me dat "laat weer eens een foto van u maken", herinnerde, en het is Tsjechovs schuld, als ik soms bij die of gene denk: "Laat een foto van je maken!"
Welnu, hij heeft zichzelf laten fotograferen, als het niet anders kon, en de foto's zijn van een volmaakte pretentieloosheid. Ze getuigen niet van een wild bewogen innerlijk leven - het is, alsof deze man zelfs voor hartstocht te bescheiden was. In zijn levensloop wijst niets op een grote passie voor een vrouw, en zijn biografen hebben het idee dat hij, die toch uitstekend over de liefde wist te schrijven, zelf de roes der erotiek nooit heeft gekend. In Melichowo, op het platteland, werd een mooi, temperamentvol meisje, dat er vaak als bezoekster verbleef, hartstochtelijk op hem verliefd, en op een briefwisseling met haar ging hij ook in. Maar zijn liefdesbrieven waren naar verluidt op ironische toon gesteld, en gaven blijk gegeven van de angst voor diepere gevoelens, die misschien het gevolg was van zijn ziekte. De knappe Lydia Misinova heeft zelf toegegeven dat hij haar twee keer heeft versmaad – waarna ze met de (overigens getrouwde) Potapenko, een andere gast op Melichowo, genoegen nam. Maar als er dan met Tsjechov niets te beginnen viel – dan wist hij met de affaire wel wat te beginnen, en verwerkte de episode in zijn meest gespeelde stuk De meeuw.
Drie jaar voor zijn dood trouwde hij nog: het huwelijk kwam tot stand dankzij zijn gelukkige band met het Moskouse Kunsttheater en zijn vriendschap met Stanislavski, en de uitverkorene was de getalenteerde actrice Olga Knipper. Ook over brieven aan haar beschikken we, van zijn hand, en ook die zijn van een grote mate van omzichtigheid waar het gevoelens betreft, en ze blijven in het schalks-ironische.
De laatste jaren op de Krim, waar zijn longaandoening hem noopte te verblijven, in Jalta, waar het hele Kunsttheater hem bezocht om hem zijn stukken voor te spelen, waren door zijn huwelijk, zijn vriendschap met Gorki, en ook door de eervolle omgang met Leo Tolstoj, die tijdelijk voor zijn herstel op een kasteel bij Jalta verbleef, misschien de gelukkigste van zijn leven. Aan zijn benoeming tot erelid van de klasse van schone letteren van de Petersburgse Academie van Wetenschap beleefde de zieke en kinderlijke vreugde. Maar toen twee jaar later Gorki's benoeming vanwege diens radicale opvattingen door de regering werd geweigerd, legde hij – net als Korolenko – uit protest zijn erelidmaatschap neer. Zijn laatste novelle was De verloofde (1903), zijn laatste toneelstuk De kersentuin - scheppingen waarin iemand met grote zelfbeheersing het einde van zijn leven tegemoet ziet, die ook over zijn dood geen ophef maakt en nog aan de rand van het graf de hoop in leven houdt. Zijn levenswerk, dat afziet van epische monumentaliteit, omvat het hele weidse Rusland met zijn eeuwige natuur, zowel als de troosteloze onnatuur van zijn pre-revolutionaire sociale toestanden: "De brutaliteit en de gemakzucht der machtigen, de onwetendheid en de dierlijkheid der zwakken, daaromheen een onmogelijke armoede, benauwenis, ontaarding, drankzucht, huichelarij, leugenachtigheid…" Maar hoe dichterbij het einde komt, hoe roerender dat duistere beeld een innig licht doorstroomt van toekomstverwachting, hoe glanzender zijn liefdevolle schrijversblik zich richt op een toekomstige, trotse, vrije en bedrijvige gemeenschap, op "nieuwe, hoge en verstandige levensvormen, aan de vooravond waarvan we al staan, en die wij soms al vermoeden."
"Vaarwel, mijn lieve, lieve Sasja", zegt Nadia, de verloofde, tegen de dode, die haar gewonnen had voor een vlucht uit een vals bestaan. "En voor haar tekende zich een weids, uitgestrekt leven af, een leven, onbestemd nog en vol geheimen, dat haar vervoerde en lokte." Dat schreef ten langen leste een stervende, en wellicht is het enkel het geheim van de dood dat daar roept en lokt. Of willen we geloven dat het verlangen der schrijver het leven echt veranderen kan?

Ik wil zeggen dat ik deze regels met de grootst mogelijke sympathie heb geschreven. Dit schrijverschap heeft me veroverd. Zijn ironie over de roem, zijn twijfel aan de zin en waarde van zijn bezigheid, het ongeloof in zijn grootheid, dat alles bezit juist veel aan stille, bescheiden grootheid. "Ontevredenheid met zichzelf", heeft hij gezegd, "vormt de basis voor elk echt talent." In de volgende zin krijgt de bescheidenheid een positieve draai. "Wees blij met je ontevredenheid" verklaart hij, "ze bewijst dat je meer waard bent dan de zelfgenoegzamen – misschien zelfs groot." Aan de oprechtheid van de twijfel, aan de ontevredenheid, verandert het niets, en de arbeid, de trouwe, onvermoeibare arbeid tot aan het eind blijft, in het besef dat men op de allerlaatste vraag uiteindelijk toch geen antwoord heeft, met de wroeging dat men de lezer om de tuin leidt, een opmerkelijk en toch. Het is niet anders: men "vermaakt met verhalen een onvolmaakte wereld, zonder haar zelfs maar een spoor van een reddende waarheid te bieden." Men heeft, op de vraag van de arme Katja: "Wat moet ik doen?" enkel het antwoord: "Naar eer en geweten, ik weet het niet." En toch werkt men, vertelt verhalen en geeft vorm aan de waarheid in de duistere hoop, bijkans in het vertrouwen, dat waarheid en onderhoudende vorm de ziel bevrijden en de wereld kunnen voorbereiden op een beter, mooier, en de geest beter toegemeten leven.

07 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Moskou, 1904. Foto: E. Ovsjarenko. Bron: Urban 1987 nr. 679

Tsjechov, Moskou 1904

OVER: EEN VERVELENDE GESCHIEDENIS

12 januari 2016
Voor mijn plezier en wellicht het uwe voeg ik toe aan Thomas Manns Proeve over Tsjechov, zoals ik het misschien beter had kunnen vertalen - maar, foei, niet heb gedaan om de zoekmachines niet in de war te brengen - alles wat Tsjechov zelf in zijn correspondentie schrijft over het verhaal dat Mann zo bewondert (en ik ook), en dat in zijn essay een prominente rol speelt, namelijk Een vervelende geschiedenis. Tsjechov begon aan het verhaal te schrijven in de zomer van 1889, kort nadat hij een ander verhaal had voltooid, dat aanvankelijk De burgerman heette, maar dat wij in een aangepaste versie kennen als De letterkundeleraar (VW 4). In een brief aan Soevorin van 12 november 1889 vertelt hij nog over dat verhaal, dat hij het heel slecht met de hoofdpersoon - een jonge man die trouwt met de vrouw van zijn dromen en flink wat geld - wilde laten aflopen, maar dat hij het, nadat hij het had voorgelezen aan de gezinsleden en die hem hadden gesmeekt dat niet te doen, genade had getoond.

Het is niet gemakkelijk Een vervelende geschiedenis samen te vatten. Het is met met sommige verhalen van Tsjechov een beetje als met goede muziek: ze roept eerder een gevoel op dan dat ze een verhaal vertelt dat van a naar b gaat. Het was geloof ik Somerset Maugham die schreef dat Tsjechovs verhalen een slice of life zijn, maar enkel en alleen in die zin, dat de lezer het idee heeft dat hij getuige is van gebeurtenissen die ook buiten het verhaal om bestaan, die er al voor begonnen zijn en daarna gewoon door zullen gaan. Waar langere novelles als Zaal 6 en Het duel wel degelijk afgeronde gehelen zijn, geldt dat veel minder voor Een vervelende geschiedenis. Dat Tsjechov ondanks alle adviezen belang hechtte aan de riskante titel, terwijl hij er als een soort concessie een ondertitel aan toevoegde, Uit de aantekeningen van een oude man, is begrijpelijk. Het bijzondere aan het verhaal is misschien de ongewoon levendige verteltoon waarmee verslag wordt gedaan van een reeks ongemakkelijke dagelijksheden van een egocentrische oude man, de frisheid van het geschrevene en de scherpte en de efficiëntie waarmee eigenlijk maar een paar personages worden getekend, zodat het ruim een eeuw oude verhaal gisteren geschreven lijkt. Op een boodschap hoeft u niet te rekenen, tenzij u de artisticiteit van het verhaal zelf als troost wilt beschouwen. Aan het eind van dit stuk geef ik, min of meer naast elkaar, de eerste acht of zo pagina's uit de twee beschikbare vertalingen, die van Charles B. Timmer namelijk, die het verhaal in 1955 nog betitelde met Een trieste geschiedenis en ernaast die van Tom Eekman uit 2008, die er gewoon Een vervelende geschiedenis van maakt.

Het verhaal beschrijft hoe een in Rusland en Europa beroemd professor op leeftijd, wiens achternaam we niet eens te horen zullen krijgen, Nikolaj Stepanovitsj, terugkijkt op zijn leven, terwijl hij worstelt met de werkelijkheid van alledag. Hij is er zich van bewust dat hij niet lang meer te leven heeft en is een genadeloos waarnemer van andermans en eigen zwaktes. Zijn vakgebied is iets in de medische wetenschap. Hij schrijft een recept uit als zijn dochter een keer een hysterische aanval heeft en zijn vrouw neemt hem kwalijk dat hij er geen praktijk op na houdt. Meer zullen we er niet over horen. Van zijn gezin, bestaand uit vrouw, dochter en zoon, al zullen we die laatste niet te zien krijgen, is hij enigszins vervreemd geraakt, al lijken die dat zelf niet helemaal te beseffen. Hij slaapt slecht, tobt over zijn gezondheid, want hij is bang voor de dood en heeft last van depressies. Hij ergert zich als een student hem komt vragen om een onderwerp voor een dissertatie. De enige met wie hij nog overweg kan, is een jonge vrouw wier voogd hij is, Katja. De verhouding tussen de twee is ambivalent. Zij bewondert hem zeer en hij beziet haar met mededogen. Ze is mislukt als actrice en heeft uit een verhouding een onwettig kind overgehouden dat is gestorven. Hij moet van het toneel en literatuur weinig hebben. Ze heeft een aanbidder, zelf ook een oudere professor, die in naam komt voor Nikolaj Stepanovitsj, maar in feite voor Katja. De twee hebben overal kritiek op, laken alles en iedereen, tot afschuw van Nikolaj Stepanovitsj, die inziet dat de zwartgalligheid waar ze uit voortkomt een gevolg is van eerder geleden nederlagen. Nikolaj Stepanovitsj weet dus dat hij ernstig ziek is, maar geeft nog gewoon college, vooral omdat hij er zeer aan gehecht is, al kost het veel moeite. Met sommige van die eigenschappen komt de professor aardig in de buurt van Tsjechov zelf, gedistantieerd mens, medicus en tbc-lijder. Katja dringt er bij Nikolaj Stepanovitsj op aan dat hij zich laat behandelen en een kuur gaat doen. Hij weigert. De lezer bezoekt in zijn gezelschap de universiteit en wordt voorgesteld aan het personeel daar, dat op ironische toon wordt beschreven, net als de onderwijspraktijk. We zien hem temidden van zijn gezin en hoe hij vlucht naar de op zichzelf wonende Katja. Ook over zijn eigen beroemdheid doet de geridderde geheimraad ironisch. Hij heeft een hekel aan de man met wie zijn dochter wil trouwen, ene Gnekker. Zijn vrouw wil dat hij naar Charkov gaat om informatie over hem in te winnen. Aan het eind van het verhaal zal dat ook gebeuren. Per telegram krijgt hij daar te horen dat zijn dochter in het geheim is getrouwd, zodat hij voor niets naar Charkov is gegaan. Daar zoekt Katja hem nog op, in een laatste wanhopige poging van hem iets te horen. Ze blijkt een brief van Michail Fjodorovitsj bij zich te hebben, waarin de professor in een flits alleen een deel van een woord ziet, hartstoch. Blijkbaar heeft hij haar een huwelijksaanzoek gedaan en weet Katja niet wat ze moet. Eerlijk Katja, ik weet het niet. Ze neemt op koele wijze afscheid van hem. Vaarwel mijn schat! zijn de laatste woorden van Nikolaj Stepanovitsj. Maar een samenvatting als deze doet het verhaal bij lange na geen recht. Leest of herleest u zelf.

08 Titelblad van de eerste druk van Een vervelende geschiedenis (Uit de aantekeningen van een oude man), van Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), in de november-aflevering van 1889 van Severnij Vestnik (Bode van het noorden), Sint-Petersburg. Met door Tsjechov geschreven opdracht: aanbieding uit de literatuurwinkel van A.P. Tsjechov - voor Aleksej Sergejevitsj Kiseljev. Bron: Urban 1987 nr. 217

Titelblad Een vervelende geschiedenis

Aan Een vervelende geschiedenis begon Tsjechov in Jalta, half juli 1889. Ik geef hier alles wat Tsjechov in zijn briefwisseling over het verhaal opmerkt, waarbij het me opvalt dat hij eigenlijk nauwelijks van de ontvangst rept. Hij schrijft op 18 juli aan zijn zus, Masja:

Op Jalta kun je werken. Als de goede mensen er niet waren om er zich over te bekommeren of ik me verveelde, zou ik veel geschreven hebben.

Op 3 augustus 1889 schrijft hij aan Pletsjejev dat hij al éen drukvel afheeft, iets wat naar ik vermoed gelijk staat aan een flink aantal pagina's. Het complete verhaal telt er naar Tsjechovs eigen zeggen viereneenhalf en in de Van Oorschot-uitgave heeft het 57 pagina's. Op 29 augustus schrijft hij Leontjev-Sjeljov:

Ik schrijf op dit moment aan een kleine novelle, die het publiek niet voor december in druk zal zien. In de novelle heb ik me bij de weergave van een jong meisje deels aan de trekken van mijn lieve Jean bediend.

Even voor de goede orde: Tsjechov noemde de schrijver en dramaturg Leontjev, die in werkelijkheid Ivan Leontjevitsj Leontjev-Sjeljov (1856-1911) heette, Jean en trouwens ook wel Alva. Het is wel enigszins verrassend dat Tsjechov voor zijn beschrijving van Katja, want om haar gaat het volgens Urban, gebruik maakt van de trekken van een man, maar het lijkt vooral te gaan om Katja's hartstocht voor het toneel, karakteristiek waar ook Leontjev in ruime mate over beschikte. Op 13 september 1889 schrijft hij aan journalist, auteur en dramaturg Vladimir Aleksejevitsj Tichonov (1857-1914), die ook redacteur is van de tijdschriften Niva en Sever:

Ik heb een lange novelle beëindigd. Een zo zwaarwichtige zaak dat je er een mens mee kunt doodslaan. Zwaarwichtig niet wat betreft de kwantiteit van de vellen, maar de kwaliteit. Plomp en log. Het onderwerp dat ik aansnijd is nieuw.

Maar echt tevreden is Tsjechov blijkbaar niet, want op 7 september 1889 schrijft Tsjechov aan Anna Michailovna Evreinova (1844-1919), redactrice en uitgeefster van Severnij Vestnik (Bode van het noorden), dat hij het verhaal niet af heeft voor het oktobernummer en dat het daarom misschien een idee is het in tweeën te splitsen en te plaatsen in oktober en november. Ze antwoordt, naar Tsjechovs zeggen: Uw wil zal geschieden. We verschuiven. Nog voordat collega-schrijver en redacteur bij Severnij Vestnik Aleksej Nikolajevitsj Pletsjejev (1825-1893) het gelezen heeft, schrijft hij hem op 14 september 1889:

In mijn novelle zitten geen twee richtingen, maar vijftien; het is niet ondenkbaar dat u het rotzooi vindt. Het is ook echt rotzooi. Maar ik vlei me met de hoop dat u er twee, drie nieuwe mensen in zult herkennen, die interessant zijn voor elke intellectuele lezer. U zult er twee, drie nieuwe situaties in aantreffen. Ik vlei me verder met de hoop dat mijn rotzooi enige furore zal maken en in het vijandelijke kamp gescheld teweeg zal brengen. En zonder dat gescheld gaat het niet, want in onze tijd, de tijd van telegraaf, het theater van Goreva en de telefoon is gescheld de lijfelijke zuster van de reclame.

Op 18 september 1889 schrijft hij, wederom aan Leontjev-Sjeljov, die hij aanspreekt met Heer theatervriend:

Ik kwel mezelf met een novelle, maar aan de kwelling komt een eind. Over vier, vijf dagen gaat er een moeilijke, zwaarwichtige farce naar de drukkerij van Demakov in Piter. Het is geen novelle, maar een dissertatie. Ze zal alleen naar de smaak zijn van de liefhebbers der zwaarwichtige, vervelende lectuur en ik bega een fout door haar niet naar het Tijdschrift voor Artillerie te sturen.

Op 24 september 1889 kan hij het verhaal wegdoen. Hij komt terug op zijn eerdere verzoek het verhaal over de oktober- en novemberaflevering te verdelen. Hij schrijft dan aan Evreinova, van Severnij Vestnik:

Ik stuur u het verhaal Een vervelende geschiedenis (Uit de aantekeningen van een oude man). Het verhaal is inderdaad vervelend en het wordt op weinig kunstzinnige wijze verteld. Om aantekeningen van een oude man te schrijven moet je oud zijn, maar wat kan ik eraan doen dat ik nog jong ben? Aan mijn novelle of verhaal, om het even, voeg ik éen verzoek toe: 1 25 speciale drukken, 2 Stuurt u me de de drukproeven - absoluut. Een paar zaken zal ik in de proeven corrigeren; er is veel wat je in een manuscript ontsnapt dat pas aan het licht komt als je het gedrukt ziet. Ik houd de proeven niet langer dan een paar dagen. 3 Het zou beslist te wensen zijn dat het verhaal in éen aflevering verschijnt. Het in twee stukken te splitsen, zou betekenen dat het twee keer zo slecht wordt. De censuur zal het waarschijnlijk laten passeren. Als de censuur op de eerste pagina het woord ikonenwand schrapt, vervang het dan maar door iets passends. Nu wat betreft het honorarium. Geld heb ik op dit moment veel. Als het uw kantoor beter uitkomt mij het honorarium in termijnen te sturen en niet ineens, stel dan voor dat ze het in 4-5 termijnen verdelen en me maandelijks doen toekomen. Als ik nog schulden heb, dan laat u die vereffenen.

Het gebeurt maar zelden dat Eekman een brief geeft die niet bij Urban voorkomt, maar een enkele keer is dat zo. Niet alleen schrijft Tsjechov op 24 september 1889 een brief aan Evreinova, hij schrijft er ook éen aan Pletsjejev. Eekman geeft er enkel een fragment van, onder nummer 163. Tsjechov vraagt Pletsjejev zijn verhaal eens kritisch te bekijken.

Deze brief, beste Aleksej Nikolajewitsj, gaat tegelijk naar de post met het verhaal, waarachter ik eindelijk een punt gezet heb, zeggende: ga heen van mij, vervloekte, in het vuur van de onbenullige kritiek en de onverschilligheid der lezers! Het getob ermee begon me te vervelen. Het heet 'Een trieste geschiedenis' (uit de aantekeningen van een oude man). Het vervelendste erin zijn, zoals U zult zien, de lange redeneringen, die er helaas onmogelijk uit gegooid kunnen worden, want mijn held, die de notities schrijft, kan er niet buiten. Die redeneringen zijn fataal en onmisbaar, als het zware affuit van een kanon. Zij karakteriseren de held, zijn stemming en zijn verstoppertje-gespeel met zichzelf. Wilt U het doorlezen en mij er dan over schrijven? U ziet de tekortkomingen en leemten beter dan ik, want U hangt het verhaal nog niet de keel uit en U hebt zich er niet zo op doodgestaard als ik. [...]

Van al hetgeen Tsjechov over zijn verhaal schrijft, is de brief die hij op 30 september 1889 aan Pletsjejev stuurt, misschien het informatiefst. Pletsjejev had in een lange brief commentaar geleverd op Tsjechovs Een vervelende geschiedenis nadat hij het aan vrienden had voorgelezen. Die waren allemaal enthousiast over de toon van het verhaal en loofden de rake wijze waarop de professor en Katja getekend waren. Bedenkingen had hij alleen over de titel, waarmee Tsjechov het de kritici naar zijn idee gemakkelijk maakte, terwijl hij ook de onverschilligheid van de hoofdpersoon, professor Nikolaj Stepanovitsj, jegens Katja's liefdesgeschiedenis merkwaardig vond, net als diens onverschilligheid naar aanleiding van de honende opmerkingen van Michail Feodorovitsj over de wetenschap. Ten slotte vroeg hij zich af waarom Gnekker Liza zou willen trouwen, hoewel hij als avonturier kon weten dat ze niets van haar ouders te wachten had. Tsjechovs lange brief beslaat bij Urban als nummer 233 bijna twee pagina's en ik geeft het deel dat op het verhaal betrekking heeft:

Wees gegroet, beste Aleksej Nikolajevitsj. Enorm bedankt voor de brief en de aanwijzingen, waarvan ik ongetwijfeld gebruik ga maken als ik de correcties doe. Met u oneens ben ik het slechts in weinig opzichten. Zo zou bijv. de titel van de novelle niet veranderd moeten worden - de mestkarrenvoerders die naar uw idee over de Vervelende geschiedenis grapjes zullen maken, zijn zo geestrijk niet dat men ze hoeft te vrezen. En als iemand er eens een goeie grap over zou maken, doet het me deugd daarvoor de aanleiding verschaft te hebben. De professor kan over Katja's echtgenoot niets schrijven omdat hij hem niet kent en Katja over hem zwijgt; bovendien verhoudt mijn held - en dat is zijn voornaamste trek - zich veel te zorgeloos jegens het innerlijke leven van de mensen om hem heen en hij oreert, terwijl ze om hem heen huilen, dwalen, liegen, nog doodkalm over theater, over literatuur; als hij uit ander hout gesneden was, zouden Liza en Katja niet te gronde gaan.
Ja, dat deel over Katja's verleden is lang en vervelend geworden. Maar op een andere manier is het niet te doen. Als ik mijn best had gedaan en dat stuk interessanter had gemaakt, zou de novelle, zo moet u toegeven, twee keer zo lang geworden.
Wat de brief van Michail Fjodorovitsj betreft, met het stukje woord hartst.., dat komt niet uit de lucht vallen.
Een novelle heeft net als het toneel zijn eigen wetten. Zo zegt mijn intuïtie dat in de finale van een novelle of verhaal bij de lezer op kunstmatige wijze de indruk van de hele novelle moet worden geconcentreerd en dat zodoende bij hem, hoe vluchtig en schetsmatig ook, al diegenen in zijn herinnering moeten worden teruggeroepen van wie eerder sprake was. Misschien vergis ik me.
U maakt zich er zorgen over dat de kritici over me tekeer zullen gaan. Nou en? De schuldige moet lijden. Mijn professor scheldt ook op hen.

Op 13 oktober 1889 schrijft hij aan Aleksej Sergejevitsj Soevorin (1834-1912), uitgever van Novoe Vremja en zijn literair werk:

[...] Van de zomer heb ik niets gedaan, in de paar laatste maanden daarentegen meer dan je van een literaire walrus als ik ben zou verwachten. Ten eerste heb ik een novelle van viereneenhalf vel geschreven; ik heb me met opzet een opdracht gegeven die me boven de macht ging, ik heb er dag en nacht mee doorgebracht, veel zweet vergoten, ben bijna gek geworden van de inspanning - en het was tegelijkertijd een genoegen en strafwerk voor de zomerse ledigheid. Gedrukt wordt de novelle in de novemberaflevering van Severnij Vestnik. [...]

Opnieuw in een brief aan Soevorin schrijft hij over zijn verhaal, nu in een poging te voorkomen dat Soevorin er kritiek in leest op hemzelf. Die meende zich eerst al te herkennen in een personage uit Tsjechovs Woudduivel en vervolgens meende hij ook dat een deel van de kritiek van de oude professor in zijn Vervelende geschiedenis aan zijn adres was gericht. De professor geeft tal van bespiegelingen ten beste over allerlei onderwerpen, waarbij wel duidelijk is dat hij qua opvattingen in zekere zin een liberaal is. Op 17 oktober 1889 schrijft hij hem, en ik betwijfel ten zeerste of hij hier meent wat hij zegt:

[...] Als men u koffie serveert, moet u er geen bier in zien. Als ik u de gedachten van een professor voorspiegel, moet u me geloven en er geen opvattingen in zien van Tsjechov. Hartelijk dank. In de hele novelle is er maar éen gedachte waar ik me in kan vinden en die debiteert de schoonzoon van de professor, de schurk Gnekker: De ouwe is gek geworden. Al het andere is bedacht en verzonnen. [...]

Het laatste wat we over Een vervelende geschiedenis horen, komt wederom uit een brief aan Pletsjejev, van 21 oktober 1889.

[...] Bij de geneigdheid tot gelaster die zelfs bij fatsoenlijke mensen bestaat, is niets veilig voor obscene verdachtmakingen. Dat is mijn antwoord op uw vraag naar de onjuist begrepen verhouding tussen Katja en de professor. Als men dan al geen geloof meer hecht aan vriendschap, verering, aan de grenzenloze liefde zoals die bij mensen buiten de sfeer van het seksuele bestaat, dan had men mij tenminste geen slechte smaak moeten toedichten. Want als Katja op een halfdode oude man verliefd was geweest - dat moet u toegeven - dan zou dat seksuele perversie zijn geweest, een curiosum dat enkel de psychiater zou kunnen interesseren, en ook hem slechts als terloopse, ongeloofwaardige anecdote. Indien er uitsluitend die seksuele perversiteit was geweest, had het dan de moeite geloond een novelle te schrijven? Het weer in Moskou is miserabel, erger dan seksuele perversie. [...]

09 Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860-1904), Sint-Petersburg, 1889. Bron: Urban 1987 nr. 214

Tsjechov, Sint-Petersburg, 1889

TWEE VERTALINGEN

Er bestaan voor zover mij bekend twee vertalingen van het verhaal, die van de oude Van Oorschot-editie van Tsjechov, door Charles B. Timmer en de nieuwe van Tom Eekman. Ik zet hier de eerste paar pagina's van beide edities naast elkaar. Het lijkt me interessant voor wie eens wil vergelijken. Voor precies hetzelfde deel gebruikt Eekmans vertaling 2926 woorden, die van Timmer 3550.

EEN TRIESTE GESCHIEDENIS
Vertaling Charles B. Timmer, Amsterdam, Van Oorschot, 1955. Tsjechov, Verzamelde Werken III Verhalen 1887-1891, p. 322-328

Ergens in Rusland woont een verdienstelijke professor, Nikolaj Stepanowitsj zo-en-zo geheten, die de titel van geheimraad voert en geridderd is; hij bezit zoveel Russische en buitenlandse onder­scheidingen dat de studenten hem, als hij ze bij gelegenheid allen moet dragen, een ‘ikonenwand’ noemen. Onder zijn kennissen be­vinden zich mensen uit de hoogste kringen; er heeft zeker in de laatste 25-30 jaar in Rusland geen geleerde van naam geleefd, die hij niet persoonlijk van nabij zou hebben gekend. Nu heeft hij nie­mand meer om vriendschap mee te sluiten, maar wie een blik op zijn verleden werpt, zou zien dat de lange lijst van zijn vermaarde vrienden eindigt met namen als Pirogow, Kawelin en de dichter Nekrassow, die hem met hun meest oprechte en warme vriend­schap hebben vereerd. Hij is verbonden aan alle Russische en drie buitenlandse universiteiten. Enzovoorts, enzovoorts. Dat alles en nog veel meer, wat te berde zou kunnen worden gebracht, vormt de lading die gaat onder de vlag van mijn naam.
Mijn naam is populair. In Rusland kent iedereen hem die de kunst van lezen en schrijven verstaat en in het buitenland wordt hij voort­durend van de katheder genoemd met de toevoeging «de beroem­de» en «hoogvereerde ». Hij behoort tot het geringe aantal dier uit­verkoren namen, waarvan het misprijzend gebruik of een lichtvaardig noemen in pers of publiek wordt opgevat als een bewijs van slechte smaak. En zo moet het ook zijn. Immers, aan mijn naam is de voorstelling van een beroemd, hoog begaafd en zonder twijfel verdienstelijk man ten nauwste verbonden. Ik bezit de werklust en het uithoudingsvermogen van een kameel, dat is van belang, ik heb talent, hetgeen nog belangrijker is. Bovendien ben ik, nu we het daar toch over hebben, een welopgevoed, bescheiden en onkreuk­baar man. Ik heb nooit mijn neus in de literatuur of de politiek ge­stoken, heb nooit in disputen met domkoppen geprobeerd de lachers op mijn hand te krijgen en heb nooit tafelspeeches of grafreden gehouden ter ere van mijn collega' s… Kort en goed, er rust geen en­kele smet op mijn naam als geleerde en geen enkele blaam kan hem treffen. Het is een gelukkige naam.
De drager van die naam, dat wil zeggen ik, stelt een man voor van 62 jaar met een kaal hoofd, een kunstgebit en een ongeneeslijke tic douloureux. Zo schitterend en voortreffelijk als mijn reputatie is, zo onaanzienlijk en lelijk ben ik zelf. Mijn hoofd en handen beven van zwakte; mijn hals lijkt, zoals het bij een der heldinnen van Toergenew heet, op de hals van een contrabas, mijn borst is inge­vallen, ik heb smalle schouders. Onder het spreken, of als ik college geef, trekt mijn mond scheef; wanneer ik glimlach plooit zich mijn hele gezicht in oudemannetjesachtige rimpels. Nee, in dat jammer­lijke voorkomen van mij is niets imponerends te ontdekken; hoog­stens zou men kunnen zeggen dat, wanneer ik last heb van mijn aangezichtspijn en mijn gezicht dan zo'n eigenaardige uitdrukking krijgt, iedereen wel bij de aanblik daarvan op de meedogenloze, verpletterende gedachte moet komen: «Die man gaat vast gauw dood.»
Ik geef mijn colleges niet slechter dan vroeger; net als eertijds weet ik mijn gehoor twee uren lang te boeien. Mijn meeslepende verve, de literaire vorm van mijn voordracht en mijn gevoel voor humor verdoezelen bijna geheel en al de tekortkomingen van mijn stem, die dor, schril en zangerig klinkt als van een femelaar. Ik schrijf evenwel slecht. Dat partje van mijn hersens, dat het vermo­gen om te schrijven regelt, heeft geweigerd te functionneren. Mijn geheugen is verzwakt, er bestaat te weinig logisch verband tussen mijn gedachten en, als ik ze op papier ontvouw, komt het mij tel­kens voor dat ik het gevoel voor hun organische samenhang ver­loren heb: de zinsbouw is eentonig, de stijl pover en schuchter. Dikwijls schrijf ik iets anders neer dan ik van plan was geweest; wanneer ik aan het einde ben, herinner ik mij het begin niet meer. Ook schieten mij vaak de eenvoudigste woorden niet te binnen en het kost mij altijd heel wat krachtsinspanning om in een brief over­tollige zinsneden en onnodige tussenzinnen te vermijden - zowel het een als het andere legt er duidelijk getuigenis van af dat mijn geestelijke activiteit aan het aftakelen is. Opmerkelijk is het boven­dien dat, hoe eenvoudiger de brief is, des te meer ik erop zit te zwoegen. Schrijf ik een wetenschappelijk referaat, dan voel ik mij veel vrijer en intelligenter dan bij het schrijven van een felicitatie­brief of als ik een verslag moet maken van een voordracht. En daar komt nog iets bij: ik druk mij gemakkelijker uit in het Duits of Engels dan in het Russisch.
Wat mijn tegenwoordige levenswijze aangaat, moet ik in de eerste plaats wijzen op de slapeloosheid, waar ik de laatste tijd onder gebukt ga. Indien iemand mij zou vragen: wat is tegenwoordig het cardinale punt in je bestaan? zou ik antwoorden: slapeloosheid. Nog net als vroeger kleed ik mij ouder gewoonte precies om mid­dernacht uit en begeef mij ter ruste. Ik val spoedig in slaap, maar kort na enen word ik wakker en wel met een gewaarwording, of ik in het geheel niet heb geslapen. Dan zit er niets anders op dan uit mijn bed te kruipen en de lamp aan te steken. Eén uur, twee uren lang loop ik door mijn kamer te ijsberen en de reeds zo lang bekende platen en foto's te bekijken. Als mij dat heen en weer geloop gaat vervelen neem ik aan mijn bureau plaats. Zonder aan iets te denken blijf ik roerloos zitten en voel nergens verlangen naar; ligt er een boek voor mij dan trek ik het werktuiglijk naar mij toe en lees er zonder enige belangstelling in. Zo heb ik onlangs in één en­kele nacht machinaal een hele roman uitgelezen die de zonderlinge titel droeg: «Waar de zwaluw van gezongen heeft.» of ook wel dwing ik mezelf, om mijn hersens bezig te houden, tot duizend te tellen, of roep mij het gezicht van één mijner collega's voor de geest en tracht mij te herinneren: in welk jaar en onder welke om­standigheden heeft hij ook weer zijn hoogleraarschap aanvaard? Ik houd ervan naar allerhand geluiden te luisteren. Het ene ogenblik hoor ik twee kamers verder mijn dochter Liza snel iets in haar slaap brabbelen, dan loopt mijn vrouw met een kaars in haar hand de salon door en laat steevast een doosje lucifers vallen, even later kraakt het indrogende hout van de kast o[begint onverwachts de brander in de lamp te zoemen - en om de een of andere reden win­den al die geluiden mij op. 's Nachts niet te slapen betekent je ieder ogenblik rekenschap te geven van een abnormale toestand en daarom wacht ik vol onge· duld op de ochtend en het daglicht, wanneer ik het recht heb om wakker te zijn. Maar er gaan heel wat moeizaam doorworstelde uren voorbij, voordat buiten eindelijk de haan begint te kraaien. Dat is mijn eerste geluksverkondiger. Zodra hij heeft gekraaid weet ik dat over een uur beneden de concierge wakker zal worden en ontevreden kuchend om de een of andere boodschap de trap op komt stommelen. En daarna wordt de lucht buiten de ramen lang­zamerhand bleker, van de straat klinkt het geluid van stemmen op.
De dag breekt voor mij aan met het binnenkomen van mijn vrouw. Gekleed in een onderrok en met ongekamde haren komt zij mijn kamer in, maar zij heeft zich reeds gewassen en verspreidt de geur van een bloemen-lotion. Ze kijkt net, of zij bij toeval binnen is komen wippen en maakt iedere keer dezelfde opmerking:
- Neem me niet kwalijk, een ogenblikje maar... Heb je alweer niet geslapen?
Daarna draait zij de lamp uit, gaat bij de tafel zitten en begint te praten. Ik ben geen profeet, maar van te voren weet ik al, waar het over zal gaan. Het is iedere ochtend hetzelfde liedje. Gewoonlijk komt zij, na een aantal bezorgde informaties naar mijn gezondheid, plotseling met onze zoon op de proppen, die officier is en in War­schau ligt. Na de twintigste van iedere maand zenden wij hem vijf­tig roebel - en dat maakt in hoofdzaak de inhoud uit van ons gesprek.
- Natuurlijk valt het ons zwaar, zucht mijn vrouw, maar wij zijn wel verplicht hem te helpen tot hij definitief op zijn eigen benen kan staan. De jongen is daar in de vreemde, zijn tractement is ma­ger. .. Maar goed, als je wilt sturen we hem de komende maand niet vijftig, maar veertig roebel. Wat vind jij?
De dagelijkse ervaring had er mijn vrouw van kunnen overtuigen dat de uitgaven niet geringer worden door er steeds maar over te praten, maar mijn vrouw heeft niets met ervaringen op en brengt stipt iedere morgen ons officiertje ter sprake, en dat het brood god­dank wat goedkoper is geworden, de suiker evenwel twee kopeken duurder - en dat alles doet zij op een toon, of ze mij een nieuwtje komt brengen.
Ik luister toe, zeg werktuiglijk ja en amen op alles wat ze vertelt en waarschijnlijk onder invloed van de slapeloos doorgebrachte nacht gaan mij allerlei vreemde, zinloze gedachten door mijn hoofd. Ik kijk mijn vrouw aan en sta verbaasd als een kind. Onthutst vraag ik mij af: is het werkelijk waar dat die oude, zeer corpulente, logge vrouw met haar door allerlei muizenissen en door haar angst om het stukje brood afgestompte gezicht, met die door het voortdurend gepieker over schulden en geldgebrek dof geworden ogen,­ dat die vrouw, die alleen nog maar over uitgaven kan praten en slechts glimlacht, als iets goedkoper is geworden, eens, lang gele­den die slanke Warja is geweest, waar ik zo in vuur en vlam voor was geraakt wegens haar heldere, gezonde verstand, haar zuivere inborst, haar bekoorlijkheid en waar ik net als Othello voor Des­demona weg van was wegens haar «medeleven»  met mijn wetenschappelijke arbeid? Is het te geloven dat die vrouw dezelfde War­ja is die mij eens een zoon heeft geschonken?
Ik boor mijn blik in het gezicht van de onverzorgde, plompe oude vrouw, zoek er mijn Warja in terug, maar het enige, wat zij uit het verleden over heeft gehouden is haar bezorgdheid over mijn gezondheid en verder nog die gewoonte van haar mijn tractement «ons » tractement te noemen, mijn muts - «onze» muts. Het is pijn­lijk voor me naar haar te kijken en, om haar, al is het maar een beetje, te sussen, laat ik haar maar zeggen wat haar voor de mond komt en breng zelfs niets in het midden, als zij een onrechtvaardig oordeel over de mensen velt of mij er een verwijt van maakt, dat ik er geen praktijk op na houd en geen leerboeken uitgeef.
Ons tête-à-tête eindigt altijd op dezelfde manier. Opeens komt mijn vrouw vol ontsteltenis tot de ontdekking dat ik nog geen thee heb gehad.
- Wat zit ik hier toch te lanterfanten? zegt zij en zij komt over­eind. De samowar staal allang op tafel en ik zit hier nnar te bab­belen. Lieve hemel, wat ben ik toch vergeetachtig geworden!
Zij loopt vlug weg, maar blijft bij de deur staan met de woorden: - We zijn Jegor vijf maanden salaris schuldig. Weet je dat wel? Hoe vaak heb ik je al niet gezegd dat loon voor het personeel niet zo op te laten lopen! Het is veel gemakkelijker elke maand tien roebel te betalen dan opeens vijftig roebel tegelijk voor vijf maanden
Op de drempel blijft zij opnieuw staan om te zeggen:
- Met niemand heb ik zo te doen als met onze arme Liza. Het kind gaat op het Conservatorium, verkeert voortdurend in de be­tere kringen, maar loopt in God weet wat voor kleren rond. Dat bontjasje van haar, nee, ze schaamt zich gewoon er zich mee op straat te vertonen. Was ze nu nog gewoon maar de eerste de beste, dan nog tot daar en toe, maar nu weet iedereen immers, dat haar vader een beroemd professor is, een geheimraad nog wel!
En, na mij aldus mijn naam en positie te hebben ingewreven, gaat zij eindelijk heen. Zo neemt mijn dag een aanvang. Het verdere ver­loop is niet beter.
Terwijl ik mijn thee aan het drinken ben komt mijn Liza binnen met haar bont jasje aan, haar mutsje op en met haar muziek onder de arm, reeds geheel gereed om naar het Conservatorium te gaan. Zij is 22 jaar oud, maar ziet er jonger uit, is een aardige verschijning en lijkt wel een beetje op mijn vrouw, toen die jong was. Ze drukt een tedere kus op mijn slaap en op mijn hand en zegt:
- Goedemorgen, papa. Hoe gaat het met je?
Als kind was zij dol op roomijs en dikwijls moest ik met haar naar de lunchroom toe. Een ijsje was voor haar het summum van alle heerlijkheden. Als zij mij eens een pluimpje wilde geven placht ze te zeggen: «Jij bent mijn roomijs-papa ». Eén vinger had bij haar de naam «amandelijsje» gekregen, een andere heette roomijsje, een derde frambozenijsje enz. Als zij dan op mijn knieën klom om mij goedemorgen te wensen somde ik, terwijl ik haar vingertjes één voor één kuste op :
- Roomijsje ... amandelijsje ... citroenijsje ...
En nu nog kus ik wel eens ouder gewoonte Liza' s vingers terwijl ik mompel: «amandelijsje ... roomijsje ... citroenijsje ... » maar het lijkt nergens meer op. Ik ben zelf zo koud als een ijswafel en geneer me. Wanneer mijn dochter binnenkomt en met haar lippen mijn slaap aanraakt, gaat er een huivering door me heen, alsof ik door een bij was gestoken, dan glimlach ik als een boer die kiespijn heeft en wend mijn gezicht af. Sinds de tijd dat ik aan slapeloosheid ben gaan lijden steekt me als een spijker in mijn hersens de vraag: «Nu ziet mijn dochter toch zo vaak, hoe ik, een beroemd man van ge­vorderde leeftijd, eronder gebukt ga dat ik geld schuldig ben aan mijn huisknecht; zij ziet hoe dikwijls de zorgen over kleine schul­den mij ertoe brengen mijn werk in de steek te laten en urenlang piekerend in mijn kamer op en neer te lopen, maar waarom is ze dan nooit eens achter de rug van haar moeder om bij me gekomen om me toe te fluisteren: «Kijk eens, vader, hier heb je mijn horloge, mijn armbanden, mijn oorringen, mijn jurken…    breng dat allemaal naar de bank van lening, je hebt geld nodig…» ? Waarom is zij, ziende hoe ik en haar moeder uit valse schaamte onze armoe­de voor de mensen proberen te verbergen, niet bereid zich de luxe van die dure muziekstudies te ontzeggen? Ik zou haar horloge, haar armbanden of offers niet aannemen, God beware me, nee, daar gaat het me helemaal niet om.
Zo kom ik er toe ook aan mijn zoon, de officier in Warschau te gaan denken. Hij is een intelligente, eerlijke en degelijke kerel. Maar dat is niet genoeg voor mij. Ik stel me zo voor dat, als ik eens een oude vader had en als ik wist dat die ogenblikken te doorstaan had, waarin hij zich voor zijn armoede schamen moest, dat ik dan mijn officiersloopbaan aan een ander zou hebben overgedaan en mijzelf als arbeider was gaan verhuren. Al die gedachten over mijn kinderen vergiftigen mij. Waar zijn ze goed voor? Om tegen ge­wone mensen een wrok te koesteren, omdat ze geen helden zijn, dat kan alleen een benepen of verbitterd man. Maar genoeg daar­over.
Om kwart voor tien moet ik naar mijn lieve jongetjes toe om college te geven. Ik kleed mij aan en neem de route die mij nu al dertig jaren zo vertrouwd is en die zijn eigen geschiedenis voor mij heeft. Kijk, daar staat dat grote, grauwe huis met de apotheek; daar heeft eens een klein huisje gestaan met een café erin, in dat café heb ik mijn dissertatie ontworpen en daar heb ik mijn eerste liefdes­brief aan Warja geschreven. Dat deed ik met potlood op een vel papier met het hoofd «Historia morbi ». En daarginds hebben we het kruidenierswinkeltje; vroeger werd dat zaakje door een Jodenman gedreven, die mij op de pof sigaretten verkocht, daarna kwam het in handen van een dikke vrouw die met de studenten dweepte, om­dat «ze toch allemaal ergens een moeder hebben»; nu zit er een roodharige winkelier in, een man die zich nergens wat van aantrekt en uit een koperen ketel thee zit te drinken. En dan krijgen we de sombere, in jaren niet gerepareerde poort van de universiteit, dan de zich vervelende concierge in zijn jekker van schapenbont, de be­zem, de op een hoop geveegde sneeuw ... Op een groentje, dat uit de provincie komt in de idee dat de tempel der wetenschappen in­derdaad een tempel is, moet zo'n poort wel een funeste indruk ma­ken. Over het algemeen gesproken nemen in de geschiedenis van het Russische pessimisme verschijnselen als de bouwvalligheid der universiteitsgebouwen, de somberheid van de gangen, het roet op de muren, het gebrek aan licht, de trieste aanblik van de traptreden, kapstokken en banken een vooraanstaande plaats in onder de oorzaken, welke die geesteshouding helpen voorbereiden.... En daar hebben we dan onze universiteitstuin. Sinds de tijd dat ik student was is hij er, vind ik, niet beter en niet slechter op geworden. Ik houd niet van die tuin. Het zou veel beter zijn geweest als daar in ­plaats van die kwijnende lindebomen, die gele acacia en dat arm­tierige besnoeide seringenstruikje wat hoge pijnbomen en robuste eiken hadden gegroeid. De student, wiens moreel in het merendeel der gevallen door zijn omgeving wordt bepaald, dient ter plaatse waar hij studeert bij iedere stap die hij doet slechts hoge, sterke, be­vallige dingen te aanschouwen... De hemel moge hem behoeden voor al dat scharminkelige geboomte, die ingeslagen vensterruiten, grauwe muren en deuren die met flarden van zeildoek zijn bekleed.
Als ik mijn stoep nader gaat de deur wijd open en word ik ver­welkomd door mijn oude dienstmakker, leeftijd- en naamgenoot Nikolaj, de pedel. Hij laat me binnen, schraapt zijn keel en merkt op:
- Het vriest, Excellentie!
Of wel, als mijn pelsjas nat is heet het: - Het regent, Excellentie!
Daarna loopt hij snel voor mij uit en maakt onderweg alle deu­ren voor mij open. In mijn studeerkamer helpt hij mij vol zorg uit mijn pelsjas en vindt daarbij gelegenheid mij het een of andere nieuwtje uit het universiteitsleven te vertellen. Dank zij de intieme relatie die er tussen de pedels en concierges van alle universiteiten bestaat, was hij van alles op de hoogte, wat er aan de vier facultei­ten, op het bureau, in de werkkamer van de rector en in de biblio­theek voorviel. Wat die man al niet allemaal wist! Is het gesprek van de dag bijvoorbeeld het ontslag van de rector of van de deken van een der faculteiten, dan hoor ik hem in een praatje met de jonge universiteitsboden alle candidaten opsommen, waarbij hij ter plaat­se uitlegt, dat die-en-die geen ministeriële goedkeuring zal krijgen, dat die-en-die zelf zal weigeren en dan gaat hij uitweiden over de fantastische bijzonderheden van zekere confidentiële documenten die op het bureau zijn binnengekomen, over een geheime audiën­tie, die de minister zogenaamd aan de curator zou hebben toege­staan enz. Afgezien van die bijzonderheden blijkt hij het overigens bijna steeds bij het rechte eind te hebben. De karakterbeschrijvingen die hij van elk der candidaten geeft zijn origineel, maar ook die slaan de spijker op de kop. Indien u bijvoorbeeld uw licht op wilt steken, in welk jaar een bepaalde persoon zijn proefschrift heeft verdedigd, in functie is getreden, met pensioen is gegaan of gestorven is, kunt u de hulp inroepen van het enorme geheugen van die oudgediende en hij zal u niet alleen het jaar, de maand en de datum noemen, maar er nog talrijke bijzonderheden bij vertellen, die met de betreffende gebeurtenis in verband hebben gestaan. Zo'n ijzeren geheugen heeft alleen hij die zijn vak liefheeft.
Hij is de schatbewaarder der universitaire overleveringen. Van zijn voorgangers heeft hij als erfenis een massa legenden uit het uni­versiteitsleven overgenomen, heeft aan die rijke collectie veel van zijn eigen gedurende zijn diensttijd opgedane ervaringen toege­voegd en indien u er prijs op stelt, kan hij u menige lange ofkorte geschiedenis vertellen. Hij kan u verhalen ophangen over uitzon­derlijke knappe koppen, die letterlijk alles wisten, over wonderbaarlijk stoere werkers, die wekenlang niet sliepen, over de vele martelaars en slachtoffers van de wetenschap; het goede zegeviert bij hem altijd over het kwaad, de zwakke wint het van de sterke, de wijze van de domme, de bescheiden man van de hoovaardige, de jonge van de oude... U hoeft al die overleveringen en legenden niet voor klare munt aan te nemen, maar, indien u ze filtreert zal op het filter het residu overblijven, waar het om gaat: onze goede tradities en de namen dier werkelijke helden, die door iedereen geeerbiedigd worden.
In onze maatschappij is alle kennis omtrent de wereld der geleerden uitgeput met een aantal anecdoten over de buitengewone ver­strooidheid van oude professoren en met twee of drie gevleugelde gezegden die aan Gruber, mij of Baboechin worden toegeschreven. Dat is niet veel voor een beschaafde gemeenschap. Indien zij even­veel van de wetenschap, van de geleerden en studenten hield als Nikolaj, zouden er in haar letterkunde allang grote epische werken, sagen en levensbeschrijvingen aan te wijzen zijn, die zij helaas nu niet bezit.

EEN VERVELENDE GESCHIEDENIS Vertaling Tom Eekman, Amsterdam, Van Oorschot, 2008. Tsjechov, Verzamelde Werken IV Verhalen 1889-1894, p. 28-35

Er is in Rusland een hoogleraar van verdienste, Nikolaj Stepanovitsj zus-en-zo, geheimraad en geridderde; hij bezit zoveel Russische en buitenlandse onderscheidingen dat wanneer hij ze moet dragen, de studenten hem 'de iconostase' noemen. Hij heeft een uiterst aristocratische kennissenkring; al minstens vijfèntwintig, dertig jaar is er in Rusland geen beroemde geleerde die hij niet van nabij kent. Nu heeft hij niemand meer om bevriend mee te zijn, maar wat het verleden aangaat eindigt de lange lijst van zijn vermaarde vrienden met namen als Pirogov, Kavelin en de dichter Nekrasov: die hem hun meest oprechte en warme vriendschap geschonken hebben. Hij is verbonden aan alle Russische en drie buitenlandse universiteiten. Enzovoorts enzovoorts. Dit alles en nog veel meer wat gezegd zou kunnen worden vormt tezamen dat wat 'mijn naam' heet.
Die naam van mij is populair. In Rusland kent iedereen hem die geen analfabeet is, en in het buitenland wordt hij vanaf katheders uitgesproken met de toevoeging 'bekende' en 'geëerde'. Hij behoort tot die weinige gelukkige namen waarvan het afkammen of in het openbaar of in de pers ijdel vermelden een teken van slechte smaak geacht wordt. En zo moet het ook zijn. Nauw verbonden met mijn naam is immers de voorstelling van een beroemd, rijkbegaafd en ongetwijfeld nuttig mens. Ik ben werklustig en taai als een kameel, dat is belangrijk, en heb talent, en dat is nog belangrijker. Bovendien ben ik, mag ik wel zeggen, een welopgevoede, bescheiden en eerlijke figuur. Nooit heb ik mijn neus in de literatuur of in de politiek gestoken, populariteit nagestreefd in polemieken met uilskuikens of redevoeringen afgestoken aan diners of aan de graven van collega's... Kortom, op mijn naam als geleerde rust geen enkele smet en hij heeft niets te klagen. Het is een fortuinlijke naam.
De drager van die naam, ik dus, is een man van tweeënzestigjaar met een kaal hoofd, een kunstgebit en een ongeneeslijke tic. Zo stralend en fraai als mijn naam is, zo kleurloos en lelijk ben ik zelf. Mijn hoofd en mijn handen trillen van zwakte; mijn hals lijkt als bij een heldin van Toergenjev op de hals van een contrabas: ik heb een ingevallen borst en een smalle rug. Als ik spreek of college geef trekt mijn mond scheef; als ik glimlach wordt mijn hele gezicht overdekt met de rimpels van een wandelend lijk. Mijn zielige figuur heeft niets imposants; alleen als ik last heb van die tic krijg ik een speciale uitdrukking, die ongetwijfeld bij iedereen die naar me kijkt een grimmige, imposante gedachte oproept: die man gaat vast gauw dood.
Ik geef nog altijd niet slecht college; ik kan nog net als vroeger de aandacht van de studenten twee uur lang vasthouden. Mijn bezieling, het literaire peil van mijn uitleg en mijn humor verdoezelen bijna de tekortkomingen van mijn stem, die droog, schel en zangerig is als van een kwezel. Ik schrijf echter miserabel. Het hoekje van mijn hersens waar de kunst van het schrijven zetelt weigert nog langer dienst te doen. Mijn geheugen is achteruitgegaan, mijn gedachten missen voldoende samenhang en wanneer ik ze op papier uiteenzet komt het me telkens voor dat ik het gevoel voor hun organische verband kwijt ben, hun constructie is monotoon, de stijl armzalig en zonder durf. Ik schrijf vaak iets anders dan ik wil; als ik aan het eind ben, weet ik het begin niet meer. Vaak vergeet ik gewone woorden en het kost me altijd veel energie om me te hoeden voor overtollige frasen en onnodige tussenzinnen - wat allebei duidelijk op een verval van geestelijke vermogens wijst. En het is opmerkelijk: hoe eenvoudiger een tekst, des te kwellender mijn inspanning. Schrijf ik een wetenschappelijk referaat, dan voel ik me veel vrijer en intelligenter dan wanneer het een felicitatiebrief of een rapport is. En nog iets: ik vind het gemakkelijker Duits of Engels te schrijven dan Russisch.
Wat mijn huidige levenswijze betreft moet ik in de eerste plaats de slapeloosheid noemen waaraan ik de laatste tijd lijd. Als iemand mij zou vragen wat nu het voornaamste en kardinale aspect van mijn bestaan vormt, zou ik antwoorden: slapeloosheid. Net als vroeger kleed ik me uit gewoonte precies om middernacht uit en ga naar bed. Ik slaap vlug in, maar tussen één en twee uur word ik wakker, met een gevoel alsof ik nog helemaal niet geslapen heb. Ik moet dan opstaan en de lamp aansteken. Eén of twee uur lang loop ik op en neer door de kamer en kijk naar de overbekende schilderijen en foto's. Als dat ijsberen me verveelt, ga ik aan mijn bureau zitten. Daar zit ik dan onbeweeglijk, zonder aan iets te denken en zonder iets te wensen; als er een boek voor mijn neus ligt haal ik het machinaal naar me toe en lees er zonder enige belangstelling in. Zo heb ik, laatst in één nacht machinaal een hele roman met de vreemde titel 'Waarover de zwaluw zong' uitgelezen. Of ik dwing mezelf tot duizend te tellen, om mijn aandacht ergens op te concentreren; of ik haal me het gezicht van een van mijn collega's voor de geest en probeer me te herinneren in welk jaar en onder welke omstandigheden hij benoemd is. Ik luister graag naar geluiden. Nu eens hoor ik twee kamers van mij vandaan mijn dochter Liza iets brabbelen in haar slaap, dan weer loopt mijn vrouw met een kaars door de salon en laat steevast een doosje lucifers vallen, dan weer kraakt het uitgedroogde hout van een kast of begint de brander van een lamp onverwacht te snorren; en om een of andere reden winden al die geluiden me op.
's Nachts niet slapen, dat betekent elk ogenblik beseften dat je abnormaal bent - daarom wacht ik ongeduldig op de ochtend en de dag, wanneer ik hct recht heb niet te slapen. Veel martelende tijd verstrijkt voordat buiten de haan begint te kraaien. Dat is mijn eerste geluksbode. Zodra die kraait weet ik dat een uur later de portier beneden wakker wordt en, boos hoestend, voor het een of ander de trap op komt stommelen. Dan wordt dc lucht achter de ramen langzamerhand bleker, op straat gaan stemmen klinken...
Mijn dag begint met de komst van mijn vrouw. Ze loopt bij me binnen in haar onderrok, ongekamd maar al gewassen, geurend naar een bloemenluchtje en kijkend alsof ze per ongeluk binnenkomt, en iedere keer zegt ze hetzelfde: 'Neem me niet kwalijk, eventjes maar... heb je weer niet geslapen?'
Dan doet ze de lamp uit, gaat naast het bureau zitten en begint te praten. Ik ben geen profeet, maar ik weet van tevoren waarover het zal gaan. Elke ochtend hetzelfde. Gewoonlijk moet ze, na wat bezorgde vragen naar mijn gezondheid, ineens aan onze zoon denken die als officier in Warschau dient. Na de twintigste van elke maand sturen we hem vijftig roebel, en dat dient als hoofdthema van ons gesprek. 'Natuurlijk, het valt ons zwaar,' zucht mijn vrouw, 'maar zolang hij nog niet goed en wel op eigen benen staat zijn we verplicht hem te helpen. De jongen is in een vreemd land en zijn tractement is laag... Maar goed, als je wilt sturen we hem volgende maand geen vijftig, maar veertig roebel. Wat vind jij?'
Ik hoor haar aan, stem machinaal in, en waarschijnlijk omdat ik niet geslapen heb maken zich vreemde, nutteloze gedachten van me meester. Verwonderd als een kind kijk ik naar mijn vrouw. Ik vraag me verbaasd af is die oude, zeer gezette, plompe vrouw met die botte gelaatsuitdrukking van kleine zorgjes en angst om een snee brood, met die blik die dof is van voortdurende gedachten aan schulden en geldgebrek, die alleen maar kan praten over uitgaven en alleen maar kan glimlachen om een koopje - is die vrouw werkelijk eens diezelfde slanke Varja geweest die ik hartstochtelijk lief kreeg om haar goede, heldere verstand, haar zuivere ziel, haar schoonheid en, zoals Othello Desdemona lief kreeg om haar 'medeleven' met mijn wetenschap? Is dit werkelijk mijn vrouw Varja, die mij eens een zoon heeft geschonken? Ik tuur gespannen naar het gezicht van dat pafferige, plompe oudje, ik probeer mijn Varja in haar te zien, maar van het verleden rest niets dan haar angst om mijn gezondheid, en dan nog haar gewoonte om mijn salaris 'ons salaris' te noemen, mijn muts 'onze muts'. Het doet me pijn naar haar te kijken, en om haar tenminste een beetje te troosten laat ik haar zeggen wat ze maar wil, ik zwijg zelfs wanneer ze onbillijk over mensen oordeelt of me voor de voeten werpt dat ik geen praktijk houd en geen leerboeken uitgeef.
Ons gesprek eindigt altijd op dezelfde manier. Mijn vrouw komt plotseling tot de ontdekking dat ik nog geen thee heb gehad en schrikt op.
'Wat zit ik hier te zitten;' zegt ze en komt overeind. 'De samowar staat al lang op tafel, en ik zit hier maar te kletsen. Lieve hemel, wat ben ik vergeetachtig geworden!'
Ze loopt snel naar de deur en staat daar stil om te zeggen: 'We zijn Jegor vijf maanden loon schuldig. Weet je dat? Je hoort het loon voor je personeel niet zo op te laten lopen, hoe vaak heb ik dat niet gezegd! Het is veel makkelijker tien roebel per maand te betalen dan vijftig in vijf maanden!'
Op de drempel blijft ze weer staan en zegt: 'Ik heb met niemand zo te doen als met onze arme Liza. Het kind studeert op het conservatorium, is voortdurend in goed gezelschap, maar ze gaat allerbelabberdst gekleed. Dat bontjasje, ze schaamt zich gewoon om zich er op straat in te vertonen. Als ze nou uit een andere familie kwam, dan was het nog tot daar aan toe, maar iedereen weet dat haar vader een beroemde professor is, een geheimraad!'
Na mij zo verwijten om mijn naam en titel te hebben gemaakt gaat ze eindelijk weg. Zo begint mijn dag. Het verdere verloop is niet beter.
Terwijl ik theedrink komt mijn Liza bij me binnen, met haar bontjasje aan, haar muts op en muziek onder de arm, al helemaal klaar om naar het conservatorium te gaan. Ze is tweeëntwintig. Ze ziet er jonger uit, is knap en lijkt een beetje op mijn vrouw toen die jong was. Ze kust me teder op mijn slaap en mijn hand en zegt: 'Goeiemorgen, papa. Gaat het goed met je?' Als kind was ze dol op ijs en ik moest haar vaak meenemen naar de lunchroom. Ijs was voor haar de maatstaf van al het goede en scho¬ne. Als ze me een pluimpje wou geven zei ze: 'Je bent een roomijsje, papa!' Eén van haar vingertjes noemde ze pistache-ijsje, een ander roomijsje, een derde frambozenijsje enz. Als ze me 's morgens kwam begroeten zette ik haar gewoonlijk op mijn schoot, kuste haar vingertjes en zei: 'Roomijsje ... pistache-ijsje ... citroenijsje .. .'
Ook nu nog kus ik oudergewoonte Liza's vingers en mompel: 'Pistache... room... citroen... ' maar het is niet meer wat het was. Ik ben koud als een ijsje en ik schaam me. Als mijn dochter bij me binnenkomt en met haar lippen mijn slaap aanraakt huiver ik alsof een bij me steekt, ik glimlach gedwongen en wend mijn gezicht af. Sinds ik aan slapeloosheid lijd wordt mijn brein constant geplaagd door de vraag: mijn dochter ziet vaak hoe ik, oude, beroemde man, bloos van ellende omdat ik een lakei geld schuldig ben; ze ziet hoe de zorg over kleine schulden me dwingt mijn werk in de steek te laten en urenlang te ijsberen en te piekeren - maar waarom is zegeen enkele maal buiten haar moeder om bij me gekomen om me toe te fluisteren: 'Vader, hier is mijn horloge, hier zijn mijn armbanden, mijn oorbellen, mijn jurken... beleen dat allemaal, je hebt geld nodig .. ?' Waarom ziet zij, wetend hoe haar moeder en ik uit valse schaamte onze armoede voor de buitenwereld trachten te verbergen, niet af van de dure luxe van die muziekstudie? Ik zou geen horloge, geen armbanden en geen offers van haar accepteren, God beware me, daar gaat het me niet om.
Nu moet ik ook aan mijn zoon de Warschause officier denken. Dat is een intelligente, eerlijke en nuchtere kerel. Maar dat is voor mij niet genoeg. Ik geloof dat als ik een oude vader had en wist dat hij momenten had waarop hij zich voor zijn annoede schaamde, ik mijn officiersfunctie aan iemand anders zou overdoen en me als werkman zou verhuren. Dergelijke gedachten over mijn kinderen vergiftigen me. Waar dienen ze toe? Wrokgevoelens koesteren tegen gewone mensen omdat ze geen helden zijn, dat kan alleen een benepen of verbitterd iemand. Maar genoeg daarover.
Om kwart voor tien moet ik naar mijn lieve jongens om college te geven. Ik doe mijn jas aan en loop de weg die ik al dertigjaar ken en die voor mij zijn geschiedenis heeft. Daar is het grote grijze gebouw met de apotheek; vroeger stond daar een klein huisje waarin een bierhuis was gevestigd; in dat bierhuis heb ik mijn dissertatie overdacht en mijn eerste liefdesbrief aan Varja geschreven. In potlood, op een vel papier met de kop Historia Morbi. Daar is het kruidenierswinkeltje; vroeger werd het gedreven door een jodenman die me op de pof sigaretten verkocht, daarna door een dikke vrouw die de studenten graag mocht omdat 'ze allemaal een moeder hebben'; nu zit er een rossige koopman in, een heel onverschillige man die thee drinkt uit een koperen theepot. En daar is de sombere, in tijden niet gerepareerde universiteitspoort; de verveelde conciërge in zijn schapepeIs, de bezem, hopen sneeuw... Op een pas uit de provincie aangekomen jongen die zich verbeeldt dat een tempel der wetenschap werkelijk een tempel is, kan zo'n poort geen beste indruk maken. Al met al nemen in de geschiedenis van het Russische pessimisme de bouwvalligheid van de universiteitsgebouwen, de duisternis van de gangen, het roet op de muren, het gebrek aan licht en de sombere aanblik van de trappen, de kapstokken en banken een van de eerste plaatsen in onder de predisponerende oorzaken... Daar heb je ook onze tuin. Die is er sinds ik student was, geloof ik, niet beter en niet slechter op geworden. Ik houd er niet van. Het zou veel verstandiger geweest zijn als hier in plaats van die kwijnende linden, die gele acacia en die armetierige gesnoeide sering hoge pijnbomen en fraaie eiken groeiden. De student, wiens stemming meestal door de omgeving bepaald wordt, dient daar waar hij studeert bij elke stap slechts het hoge, krachtige en sierlijke voor zich te zien ... God behoede hem voor scharminkelige bomen, kapotte vensters, grauwe muren en met rafelig wasdoek beklede deuren.
Als ik naar mijn stoep toe loop, zwaait de deur open en word ik verwelkomd door mijn oude medewerker, leeftijd- en naamgenoot de portier Nikolaj. Hij laat me binnen, schraapt zijn keel en zegt: 'Het vriest aardig, excellentie!'
Ofwel, als mijn bontjas nat is: 'Regentje, excellentie!'
Daarop rent hij voor me uit en opent alle deuren op mijn weg. In mijn kamer ontdoet hij me zorgzaam van mijn bontjas en ziet kans me intussen een of ander universiteitsnieuwtje mee te delen. Dankzij de nauwe banden die tussen alle portiers en bewakers van de universiteit bestaan is hij bekend met alles wat zich afspeelt in de vier faculteiten, op het secretariaat, in het kabinet van de rector, in de bibliotheek. Wat die man al niet weet! Als bij ons bijvoorbeeld de pensionering van de rector of een decaan het gesprek van de dag is, hoor ik hem in gesprekken met jonge bewakers de nieuwe kandidaten noemen en meteen uitleggen dat die-en-die niet door de minister bekrachtigd zal worden, dat die-en-die zelf zal weigeren, waarna hij in fantastische details treedt over geheimzinnige papieren die op het secretariaat ontvangen zijn betreffende een geheim gesprek dat de minister met de curator gehad zou hebben en zo meer. Afgezien van deze details krijgt hij voor het overige bijna altijd gelijk. De karakterschetsen die hij van elk der kandidaten geeft zijn origineel, maar ook juist. Indien u moet weten in welk jaar iemand zijn dissertatie verdedigde, in dienst trad, met pensioen ging of gestorven is - roep dan het enorme geheugen van deze soldaat te hulp en hij zal niet alleen het jaar, de maand en de dag noemen, maar ook bijzonderheden vermelden waarmee deze of gene gebeurtenis gepaard ging. Zo'n geheugen heeft alleen iemand die door liefde gedreven wordt.
Hij is de bewaarder van universitaire overleveringen. Van de portiers die hem voorgingen heeft hij vele legenden uit het universitaire leven geërfd, aan die rijkdom heeft hij veel van zijn eigen, tijdens zijn dienstjaren opgedane ervaringen toegevoegd, en als u wilt zal hij u vele lange en korte verhalen vertellen. Hij kan vertellen over buitengewone wijzen die alles wisten, over buitengewone zwoegers die wekenlang niet sliepen, over talrijke martelaren en slachtoffers van de wetenschap; goed triomfeert bij hem over kwaad, de zwakke wint het altijd van de sterke, de wijze van de domme, de bescheidene van de trotse, de jonge van de oude... Het is niet noodzakelijk al die legenden en fabels voor zoete koek aan te nemen, maar zeeft u ze, dan zal op het filter achterblijven waar het om gaat: onze goede tradities en de namen van ware helden die door ieder erkend worden.
In onze samenleving is alle kennis van de wereld der geleerden uitgeput met anekdoten over de buitengewone verstrooidheid van oude profèssoren en twee, drie kwinkslagen die aan Gruber, Baboechin of aan mij worden toegeschreven. Voor een beschaafde samenleving is dat niet veel. Als die zoveel van wetenschap, geleerden en studenten hield als Nikolaj, zou haar literatuur al lang hele epen, sagen en vitae rijk zijn, die zij nu helaas ontbeert.

Alle leden van het gezin Mann liggen, op oudste zoon Klaus na, begraven in Kilchberg, even buiten Zürich, met - zuiver technisch gesproken - een mooi uitzicht over het meer beneden, en - behalve Golo - om de man heen aan wie ze tijdens hun leven zoveel dankten. Thomas Mann verhuisde in 1952 naar Erlenbach, in 1954 naar Kilchberg, beide in de buurt van Zürich. Klaus maakte in 1949 een eind aan zijn leven in Cannes, waar hij ook werd begraven, in aanwezigheid van enkel zijn broer Michael. Golo ligt weliswaar op hetzelfde kerkhof in Kilchberg, maar op zijn uitdrukkelijke wens niet bij de rest van het gezin.

10 Zwitserland, Kilchberg (even buiten Zürich). Graf van Thomas en Katia Mann, en van Erika, Monika, Elizabeth en Michael Mann. Foto: zondag 28 januari 2018

Kilchberg, Graf van Thomas Mann

11 Zwitserland, Kilchberg (even buiten Zürich). Graf van Golo Mann. Die wilde per se niet bij de andere familieleden, beter misschien, niet bij de vader, begraven worden. Foto: zondag 28 januari 2018

Kilchberg, Graf van Golo Mann

BRONVERMELDING

Eekman 1955-1
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken 7
Notities en brieven
Vertaald en van aantekeningen voorzien door Tom Eekman
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1979, eerste druk 1955

Eekman 2008
Tsjechov, A.P.
Verzamelde Werken IV
Verhalen 1889-1894
Vertaald door Tom Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord voorzien door Aai Prins
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 2008
ISBN: 978 90 282 40445 (Gebonden)

Harpprecht 1995
Harprecht, K.
Thomas Mann
Eine Biographie
Rowohlt, 1995
ISBN: 3 498 02873 1 (Gebonden,. Duitstalig, 2253 pagina's)

De Mendelssohn 1975
De Mendelssohn, P.
Der Zauberer
Das Leben des Deutschen Schriftstellers Thomas Mann
Erster Teil 1875-1918
Frankfurt am Main, S. Fischer Verlag, 1975
ISBN: 3 20 049402 4 (Gebonden, Duitstalig, 1185 pagina's)

De Mendelssohn 1992
De Mendelssohn, P.
Der Zauberer
Das Leben des Deutschen Schriftstellers Thomas Mann
Nachgelassene Kapittel, 1919 en 1933
Frankfurt am Main, S. Fischer Verlag, 1992
ISBN: 3-10-049405-9 (Gebonden, Duitstalig, 433 pagina's)

Kolbe 2001
Kolbe, J.
Thomas Mann in München 1894-1933
Heller Zauber
Tgv de tentoonstelling Heller Zauber, Thomas Mann in München 1894-1933
In de serie: Erkundigungen
München, Orbis Verlag, 2001
Originele uitgav Siedler Verlag, (Random House), Berlin, 1987
ISBN: 3-572-01301-1 (Gebonden, Duitstalig, 440 pagina's)

Kurzke 1999
Kurzke, H.
Thomas Mann
Das Leben als Kunstwerk
München, C.H. Beck, 1999
ISBN: 3 406 46489 0 (Gebonden, Duitstalig, 671 pagina's)

Urban 1979-2
Urban, P.
Anton Čechov
Briefe 1889-1892
Herausgegeben und übersetzt von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1979, 1e druk
ISBN: 3-257-01582-8 (Gebonden)

Urban 1988
Urban, P.
Über Čechov
Herausgegeben von Peter Urban
Zürich, Diogenes Verlag, 1987
ISBN: 3-257-21244-5 (Paperback)

De vertaling van Manns essay over Tsjechov en de inleiding erbij dateert van de winter van 2010 op 2011. De eerste twee foto's in de banner zijn ontleend aan het boek van Kolbe: de eerste is een ongedateerde foto uit genoemde uitgave (op pag. 418), de tweede is genomen op het moment dat Klaus Mann met de hem begeleidende fotograaf Tewskbury, op 9 mei 1945, zijn ouderlijk huis bezoekt (ibid, p.420-421). De jeep voor de deur is van hem. De twee kleurenfoto's zijn door mezelf gemaakt, begin augustus 2011. Het huis is inmiddels weer in min of meer oorspronkelijke staat hersteld. Ten slotte: Ik heb in juni 2013 een paar foto's toegevoegd, maar aan het stuk niets veranderd. Noot van januari 2016 Ik heb wat foto's toegevoegd en het stukje over Tsjechovs Vervelende geschiedenis. Noot van maart 2018 Ik heb de foto's met de graven van de Manns toegevoegd.