BOELGAKOV: EEN MEESTER UIT RUSLAND

1 KIEV: 1891-1918

01-02 Michaíl Afanás'jevitsj Boelgákov, kortweg Michail Boelgakov, wordt geboren op 15 mei (3 mei oude stijl) 1891 in Kiev, in wat toen nog het Russische keizerrijk was, maar nu Oekraïne heet. De naam Boelgakov dient, voor wie daaraan hecht, te worden uitgesproken met de klemtoon op de tweede lettergreep. In het Engels wordt gespeld: Bulgakov, in het Duits Bulgakow, in het Frans: Boulgakov. Michail is de oudste van zeven kinderen en na hem komen vier zussen en twee broers: Vera (1892), Nadezjda (1893), Varvara (1895), Nikolaj (1898), Ivan (1900) en Elena (1902). De aan de rivier de Dnjepr gelegen stad Kiev telt op dat moment zo 'n 300.000 inwoners. Het huis waar Boelgakov tussen 1906 en 1919 woont, op Andriivs'ky Uzviz (dwz. Andrejevski-helling) nummer 13, is sinds 1991 het Boelgakovmuseum. Beide grootvaders van de schrijver zijn priester in de orthodox Russische kerk, de vader Afanasji Ivanovitsj werkt, tot hij in 1907 sterft, als hoogleraar aan de Theologische Hogeschool in Kiev en geeft daar klassieke geschiedenis, terwijl zijn onderzoeksterrein bestaat uit West-Europese godsdiensten. Boelgakovs moeder, Varvara Mikhailovna, is tot aan haar huwelijk eveneens werkzaam in het onderwijs en zal daar na de dood van haar man opnieuw de kost verdienen. In 1912 is ze penningmeesteres van het Froebelgenootschap in Kiev. Boelgakovs twee ooms van moederszijde zijn arts, net als de vriend van de familie met wie Boelgakovs moeder na de dood van haar man hertrouwt, Ivan Pavlovitsj Voskresenski. Ik had, zo schreef ik eind 2015 al weer - dit terzijde - toen ik jaren daarvoor, in 2011, voor de titel van deze pagina koos, nooit gedacht dat die nog eens verkeerd zou kunnen worden opgevat. Maar ik laat hem toch staan.

01 Moeder Varvara Michailovna Boelgakova, 1914.
02 Vader Afanassi Ivanovitsj Boelgakov, 1906. Bron: Schoeller 1996

Moeder Varvara Michailovna Boelgakova, 1914 Vader Afanassi Ivanovitsj Boelgakov, 1906

03 Over de politieke opvattingen van het gezin Boelgakov verschilden aanvankelijk de meningen. Pre-glasnost geschriften leken, zoals te verwachten, de rode sympathieën van het gezin te overdrijven, terwijl de post-glasnost-teksten wellicht in omgekeerde richting zondigen, maar vermoedelijk toch heel wat dichter bij de waarheid zitten. Lesley Milne - aan wie ik veel van wat hier geschreven wordt ontleen – schrijft dat de karakterisering van Boelgakov als extreem chauvinistische monarchist, zoals die wordt gedaan in een naar haar zeggen zorgvuldig gedocumenteerde (Russische) biografie uit 1987, weliswaar afkomstig is uit de mond van een anarchist, voor wie een soortgelijke typering in die periode voor praktisch alle andere groeperingen kon gelden, omdat behalve socialisten, anarchisten en de zogenaamde cadetten (leden van de Constitutioneel Democratische Partij) nu eenmaal iedereen monarchist was, maar dat nu wel degelijk is komen vast te staan dat Boelgakov niet bij toeval bij de Witten terecht kwam. Daar lagen duidelijk zijn sympathieën. Zeer vroege, in het westen pas in de jaren '80 voor het eerst gepubliceerde journalistieke geschriften, daterend uit Boelgakovs tijd in Kiev en in de Kaukasus wijzen daar onmiskenbaar op. Dat wil bepaald niet zeggen dat hij een hartstochtelijk verdediger van de tsaren was, want in een burgeroorlog heb je het niet altijd voor het zeggen bij wie je je uiteindelijk aansluit. Boelgakovs twee broers kozen eveneens voor de Witten en vluchtten vervolgens naar het buitenland waar ze, zoals veel andere emigrés, in Parijs terecht kwamen. Hij zou ze nooit meer terugzien. Uit de inmiddels in Rusland gepubliceerde memoires van Boelgakovs zus Nadezjda komt desondanks een opvallend modern gezin naar voren. En als de familie-omstandigheden van de Toerbins in Boelgakovs roman De Witte Garde autobiografisch zijn, zoals vaak wordt aangenomen, wijst dat in dezelfde richting.

03 Moeder Varvara Michailovna Boelgakova links achter de tafel, met Michail rechts van haar, achter de samovar, 17 jaar oud, en verder zussen en andere familieleden. 1908. Bron: Schoeller 1996

Moeder Warwara Michailovna Bulgakova met Michail rechts van haar

04 Boelgakovs vader koopt in 1900 een stuk land in het dorp Boetsja, op 30 kilometer van Kiev en hij bouwt er een datsja met vijf kamers en twee veranda's, die vanaf 1902 door het gezin wordt gebruikt. Het huis zal in de winter van 1919, tijdens de burgeroorlog, in vlammen opgaan. De kinderen draven er, tot verbazing der buren, blootsvoets rond en de vader legt er, met hulp van de zoons, een tuin aan met paden, bloembedden, en een groentetuin. Na zijn dood in 1907 aan een niersclerose (dezelfde kwaal waar Michail aan zal sterven: nierkanker) zorgen collega's voor een behoorlijk pensioen, dat gebaseerd is op 30 jaar dienst, terwijl Afanasji in werkelijkheid maar 22 jaar heeft gewerkt. Zijn salaris heeft nooit veel voorgesteld en hij hield er, zoals vaker in Rusland toen en nu, allerlei bijbaantjes op na, eerst tot 1893 als docent aan de Kievse meisjesschool, daarna tot aan zijn dood als censor van in Kiev gepubliceerde Frans-, Engels- en Duitstalige boeken. De Theologische Hogeschool in Kiev heeft in die jaren een progressieve reputatie, maar Boelgakovs vader heet er een man met gematigde opvattingen te zijn. Anderzijds bestaat er een flinke ideologische kloof tussen de Hogeschool en de praktijk der dorpspopes, zodat de kinderen van de Boelgakovs door de laatsten als zeer vrijzinnig worden beschouwd.

04 Nieuwjaarsfeest 1909-1910, met links Michail Boelgakov als moor. Bron: Schoeller 1996

Nieuwjaarsfeest 1909-1910, met Boelgakov links als moor

05 Michail bezoekt vanaf 1903 het Eerste Kievse gymnasium en behaalt er zijn diploma in mei 1909. De één jaar jongere Konstantin Paustovski, die dezelfde school bezoekt, beschrijft in zijn Verre Jaren (het eerste deel van zijn memoires Geschiedenis van een Leven (Povest o Zhizni), in Rusland gepubliceerd in 1945, in Nederland in 1970 en met een herziene uitgave in 2018, zijn kennismaking met Boelgakov. Hij legt uit dat er op het gymnasium twee afdelingen bestonden, de eerste, die als aristocratisch gold, en de tweede, die als democratisch werd bestempeld. Ik citeer maar een flink stuk, want Paustovski 's beschrijving is ook verder, zo komt me voor, illustratief voor het gymnasium en het nog tsaristische Rusland waar Boelgakov zijn opleiding kreeg. De vertaling is van Wim Hartog. Ook waar ik elders Paustovski citeer, zal ik daarvoor de vertaling van Hartog gebruiken.

05 Michail Boelgakov als zeventienjarig gymnasiast, 1908. Bron: Schoeller 1996

Boelgakov als zeventienjarig gymnasiast, 1908

06 In de eerste zaten voornamelijk ezelskoppen, zoontjes van generaals, grootgrondbezitters, hoge ambtenaren en financiers. In mijn afdeling, de tweede, zaten de kinderen van intellectuelen, kleine ambtenaartjes, joden en Polen. Deze verdeling was duidelijk bewust gedaan op bevel van hogerhand.  De beide afdelingen stonden voortdurend op vijandige voet met elkaar, iets wat zich uitte in wederzijds minachting. Maar eens per jaar, in de herfst, vond de traditionele veldslag plaats tussen beide afdelingen van alle klassen. Alleen de laagste en de hoogste klas deden niet mee. De laatsten voelden zich al volwassen, studenten eigenlijk al en vechten was beneden hun stand. Er is ook wel eens een jaar zonder veldslag geweest.
De dag van de slag veranderde van jaar tot jaar. Dat was om onze waakzame superieuren om de tuin te leiden. Maar aan bepaalde symptomen merkten dezen toch dat de gewichtige dag voor de deur stond, werden zenuwachtig en probeerden op allerlei slinkse manieren de slag te voorkomen: nu eens kreeg de verdachte klas meteen na het eerste uur zo maar vrij, dan weer gingen er twee, drie klassen naar het museum of de uitgangen van de tuin waar het gevecht in de regel plaatsvond, werden plotseling afgesloten.
Maar al deze listen waren tevergeefs. De slag brak los op de vastgestelde dag, altijd tijdens de grote pauze. Een paar gymnasiasten kregen "vrijstelling". Dat waren de zieken, de zwakken en ook de jongens die niet alleen afschuw hadden van geweld maar van iedere vorm van ruziezoeken. Ze werden maar al te graag vrijgesteld, want ze zouden toch maar in de weg hebben gelopen. Om deze reden hoefde ik ook niet mee te doen. Als de vrijgestelden tijdens de slag maar geen riem omhadden, dan werd er volgens de ijzeren wetten van de gymnasium­oorlog geen vinger naar hen uitgestoken. Over het algemeen gaven ze er trouwens de voorkeur aan uit de tuin te blijven en de slag door het raam van hun klas gade te slaan, vanwaar zij nog een beter uitzicht ook hadden.
Na een plotseling ingevallen onheilspellende stilte binnen in het gymnasium begon de slag. De gangen waren in minder dan geen tijd leeg. Alle gymnasiasten stormden de tuin in. Dan klonk er een dof dreigend gebrul dat inspecteur Bodjanski deed verbleken en een kruis slaan. Door de stofwolken, opgeworpen door de in slagorde tegen elkaar oprukkende strijders, floten honderden kastanjes als kartetsvuur. Alle wakers, Kazimir, Maxim Koudijs en nog een paar anderen draafden in looppas de tuin in. De geschrokken opzieners gingen er om het hardst achteraan. In de gangen klonken de opgewonden stemmen van de leraren. Inspecteur Bodjanski schoot onder het lopen in zijn uniformjas en drukte zijn pet met de kokarde in zijn ogen. Ook hij maakte dat hij snel op het strijdtoneel aankwam.
Tijdens een van deze herfstslagen kwam kanunnik Olendski ijlings achter inspecteur Bodjanski aan de tuin in. Wij klommen op de vensterbanken. Wij wilden zien hoe Olendski zijn kruis zou heffen en de strijdenden tot verzoening manen zou. Maar in plaats daarvan stroopte Olendski de mouwen van zijn soutane op, greep een stelletje vechtersbazen in hun lurven, rukte ze uit elkaar en smeet ze ieder een kant op. Hij was hier bijzonder handig in. De jongens stuiterden als ballen door de lucht. Blijkbaar moest Olendski aan zijn jonge jaren denken. Puffend kwam de priester in de leraarskamer terug. Naar zijn verhitte stralende gezicht te oordelen had het deelnemen aan de knokpartij, weliswaar in de rol van vredestichter, hem bijzonder goed gedaan.
Zodra de strijd losbrandde, werden alle nooduitgangen naar de tuin opengezet. Dit was een krijgslist. Zo konden de wakers en de opzichters wanneer zij de vechtersbazen van elkaar scheidden hen door deze deuren naar binnen werken. 't Is zover in het Eerste Gymnasium!' brulden de straatjochies aan de andere kant van het hek. Bij het raam viel nauwelijks op te maken wat er beneden precies aan de hand was. Stof vloog op, takken kraakten. Er klonk geschreeuw en dof getrappel alsof in de tuin kuddes wilde olifanten stampend op elkaar instormden. Dan schalde een jubelende triomfkreet door de holle gangen die aanzwol tot orkaansterkte - dat betekende dat de tweede afdeling de zegepraal had behaald en de eerste het hazenpad had gekozen. Voor zover ik mij herinneren kan, heeft de eerste afdeling de overwinning nooit in de wacht gesleept.
In de voorste gelederen van de overwinnaars vocht bijna altijd een jongen met een brutale wipneus, de latere schrijver Michail Boelgakov. Hij stortte zich in het heetst van de strijd. De zege schreed met hem mee en vlocht zijn warrige haren in een gouden krans op zijn hoofd. De ezelskoppen uit de eerste afdeling waren allemaal als de dood voor Boelgakov en probeerden hem zwart te maken. Na de slag deden geruchten de ronde dat hij buiten de regels om was gegaan door met de metalen gesp van zijn riem te slaan. Maar niemand geloofde deze vuige lasterpraat, zelfs inspecteur Bodjanski niet. (…)
Boelgakov was ouder dan ik en ik zat in een andere klas, maar ik herinner me nog goed zijn levendigheid, zijn meedogenloos scherpe tong die iedereen vreesde en de kracht en nadrukkelijkheid die besloten lag in elk van zijn woorden, zelfs het meest onbeduidende.  Boelgakov zat altijd vol invallen, grapjes en mystificaties. Hij zag kans de tot de draad versleten gymnasiumsleur te veranderen in een wereld met onwaarschijnlijke voorvallen en personages. Zelfs zo'n kleurloos mannetje als de opziener die wij de 'Spon' noemden, nam zodra hij onder de ban van Boelgakovs speelse invallen en verzinsels kwam, de proporties aan van een Sobakevitsj of een Tartarin (personages uit Gogols Dode zielen). Hij begon dan een geheimzinnig tweede leven te leiden, niet langer als de onbenullige Spon met zijn gezwollen drankneus maar als de held van koddige en monstrueuze gebeurtenissen. Met zijn verzinsels verschoof Boelgakov de volkomen reële, omringende wereld naar het uiterste randje van een overdreven bijna fantastisch universum.
Wij ontmoetten elkaar na het gymnasium pas weer in 1924 toen hij al schrijver was. Hij was Kiev trouw gebleven. In zijn toneelstuk De dagen der Toerbins herkende ik de hal van ons gymnasium en ook de waker Maxim Koudijs, een rechtschapen, ietwat opdringerig oud mannetje. Achter de coulissen van het theater ruisten de door de herfst gekleurde kastanjebomen van Kiev. Een paar jongens die later bekende literatoren, toneelspelers en dramaturgen zijn geworden, zaten vrijwel gelijk met mij op het gymnasium. Kiev was altijd al een stad geweest waar men warm liep voor het toneel. Was het louter toeval dat er op ons gymnasium in betrekkelijk korte tijd zoveel mensen gevormd werden die in de literatuur en de kunst een rol zouden gaan spelen? Ik geloof van niet. (Niet voor niets zei Soebotsj als wij 'toevallig' te laat kwamen: 'In het leven is niets toeval, behalve de dood.' Als hij deze uitspraak had gedaan, gaf Soebotsj de laatkomer een vijf min voor gedrag.)
Natuurlijk was het geen toeval. Maar de oorzaken van dit verschijnsel zijn zo talrijk en zo moeilijk te bepalen dat wij ons hier uit gemakzucht niet in willen verdiepen en maar liever geloven dat alles volgens een gelukkig toeval verliep. Daarbij vergeten wij onze leraren die ons de liefde voor cultuur bijbrachten en de prachtige theaters van Kiev, ons enthousiasme voor poëzie en filosofie en het feit dat in de tijd toen wij op school zaten, de schrijvers Tsjechov en Tolstoj, de schilders Serov en Levitan, de componist Skrjabin en de grote tragedie­speelster Komissarzjevskaja nog leefden. Wij vergeten de revolutie van 1905, de studentenbijeenkomsten waar wij gymnasiasten stiekem naar binnen slopen, de discussies van de volwassenen en de revolutionaire gloed die van oudsher over Kiev lag. Wij vergeten dat wij de werken van Plechanov en Tsjernysjevski verslonden, net als de op ruw grauw papier gedrukte brochures met de leuzen: Proletariërs aller landen verenigt u! of Land en Vrijheid. Wij lazen Herzen en Kropotkin, het Communistisch manifest en de romans van de revolutionair Kravtsjinski. Zeer in trek waren bij ons de artikelen in de krant Kijevskaja Mysl die met 'Homo Novus' waren ondertekend. Pas veel later kwam ik aan de weet dat dit het pseudoniem was van Loenatsjarski. Al lazen wij dan maar raak, toch wierp het vruchten af. Wij vergeten de beroemde Idzikovski-bibliotheek op de Kresjtsjatik, de symfonieconcerten, de parken van Kiev, de herfst van Kiev met zijn knerpende bladerpracht, het plechtige en edele Latijn dat ons al die schooljaren door vergezelde. Wij vergeten de Dnjepr, de zachte nevelige winters, de rijke en tedere Oekraïne die Kiev met een krans van boekweitvelden, strodaken en bijenstallen omringde. Het is moeilijk te bepalen welke invloed al deze onderling zo verschillende dingen op ons jonge gemoed uitgeoefend hebben. Dat het invloed gehad heeft, is zeker en daardoor namen onze gedachten en gevoelens een bijzondere, poëtische vorm aan.

06 De Amerikaanse uitgave van de eerste drie delen van Paustovski's Geschiedenis van een leven: The story of a life, New York, Pantheon Books (Random House), 1964, eerste druk.

Paustovsky, Story of a life, 1964

07 Boelgakovs moeder, een energieke en moderne vrouw, is dus vanaf haar zevenendertigste weduwe met zeven kinderen, terwijl er al gauw nog drie bijkomen, twee neefs en een nicht namelijk, die in Kiev school gaan en door familie aan haar worden toevertrouwd, omdat ze de naam heeft een voortreffelijk opvoedster te zijn. De man met wie ze hertrouwt, Ivan Pavlovitsj Voskresenski, komt openlijk voor zijn atheïsme uit, zonder daar verder veel drukte over te maken. Boelgakov zou altijd een positief beeld van zijn vader schetsen, hem bewonderen en als een ethisch model beschouwen. Als oudste zoon erft hij zijn vaders studeerkamer. Hij is goed bevriend met éen van de neefs die bij hen inwoont, Konstantin, misschien zo oppert Curtis, omdat zijn twee broers zoveel jonger waren, zeven en negen jaar.

07 Moeder Varvara Michailovna Boelgakova met de dochters Varvara en Jelena bij het graf van haar man. 1913. Bron: Schoeller 1996

Moeder Warwara Michailovna Bulgakova bij het graf van haar man, 1913

08 Varvara Mikhailovna wordt door de memoires-schrijvende dochter geciteerd met de woorden: Ik kan jullie geen bruidsschat of kapitaal meegeven. Maar ik kan jullie wel het enige kapitaal geven waarover ik beschik, en dat is onderwijs. De kinderen wordt aangemoedigd te lezen, en zijn in hun voorkeuren volkomen vrij. Milne vermeldt dat, als de dochters op de leeftijd zijn gekomen dat ze vrijers krijgen, ze tegen hun bewonderaars zeggen dat die hun kunnen schrijven naar het huisadres, want moeder leest onze brieven niet. Vele jaren later, in 1962 nog, herinnert Boelgakovs zus Nadja zich, in een aan Konstantin Paustovski geschreven brief, hoe sterk de onderlinge hechtheid van het gezin was en hoe groot de rol van de leden ervan was bij elkaars opvoeding. De kinderen geven zelf al gauw bijlessen, zodoende het gezinsinkomen en hun zakgeld aanvullend. Ze zijn gek op het nog moderne tennis en kunnen het zich permitteren hun eigen spullen aan te schaffen. Michail schrijft satirische gedichten over familiegebeurtenissen, kleine scetches en tekent karikaturen.

08 Michail Boelgakov als student, 1913. Bron: Schoeller 1996.

Michail Boelgakov als student, 1913

09 Nadja vertelt ook dat Michail al rond 1912 een aantal verhaaltjes geschreven had en zelfs een operaatje. De vader speelt viool, de moeder piano, zus Varvara studeert piano op het conservatorium, de broers Nikolaj en Ivan zitten in het schoolorkest, en ook de andere kinderen bespelen een muziekinstrument of zingen in een koor. Michail zelf moet een behoorlijk pianist geweest zijn, getuige het feit dat hij voor zijn verjaardag in 1914 de bladmuziek van Liszts vijfde rapsodie krijgt, en in 1935 muziek van Wagner. Ook vrienden die in Kiev over de vloer komen, doen aan muziek, zodat er bij de Boelgakovs thuis altijd wel wordt gespeeld. Als één van de jongens thuiskomt met een trombone, wordt die onverwijld naar school teruggestuurd. Een trombone ging te ver. Terecht. De stad Kiev beschikt over een uitbundig cultureel leven, met een aantal voortreffelijke theaters, en Michail is gek op opera. Zus Vera bewaart zijn kaartjes, en vermeldt dat hij 41 keer Gounods Faust bezocht. Ook als we zo her en der wat aftrekken vanwege de vermoede heiligenverering die nu eenmaal na de dood van een auteur ontstaat, dan nog blijft er genoeg culturele activiteit over.

09 Het gezin op de datsja in Boetsja, 1913. Achterste rij links: Michail Boelgakov. Voorste rij, tweede van links, met blik omlaag: Tatjana Lappa, met wie hij in april 1913 trouwde. Bron: Schoeller 1996

Het gezin  op de datsja in Boetsja, 1913

10 In 1909 schrijft Boelgakov zich in aan de medische faculteit van de Universiteit van Kiev. Twee ooms, broers van zijn moeder, waren arts, net zoals haar tweede man dat was, de latere stiefvader, op wie Boelgakov ook al zeer gesteld raakte. Hij studeert af in 1916. Bekend is dat hij in 1912 zakt voor het toelatingsexamen voor het volgende jaar en het over moet doen. Debet daaraan is wellicht dat hij op dat moment een bijbaantje heeft als treinconducteur op allerlei lokale lijnen. Het geld dat hij verdient, besteedt hij aan het bezoeken van het op zo'n 1000 kilometer van Kiev gelegen Saratov, waar Tatjana Nikolajevna Lappa (1892-1982) woont, die op 25 april 1913 zijn eerste vrouw zal worden en die hij Tasja noemt.

10 Tatjana Nikolajevna Lappa (1892-1982). Ca. 1913. Bron: Mjagkov 2006

Tatjana Nikolajevna Lappa (1892-1982)

11 Hij had haar in 1908 leren kennen toen ze met familie op bezoek was in Kiev. De één jaar jongere dochter van een tsaristisch ambtenaar deed haar gymnasium in Saratov, en stapte daarna over naar de Hogeschool voor vrouwen in Kiev. Na het huwelijk verhuist het paar naar een kamer op de Rejterskastraat. 's Zomers verblijft het op de datsja van de familie Boelgakov in Boetsja. Daar zou Michail voor het eerst cocaïne hebben gebruikt. Misschien is de morfineverslaving een paar jaar later minder toevallig dan wel eens wordt beweerd. In 1924 zal hij van haar scheiden. Ze zal overigens hertrouwen en pas sterven in 1982, in Toeapse, aan de Zwarte Zeekust. De Eerste Wereldoorlog maakt, zoals dat overal in Europa gebeurt, een abrupt einde aan een zo op het oog tamelijk idyllische en onbezorgde jeugd. Gewonden verschenen in de straten, colonnes troepen marcheerden naar het station om vandaar naar het front te gaan en de Duitsers naderden de stad, schrijft Milne. In 1914 werkt Boelgakov al direct een tijdje in het lazaret van Saratov, dat mede is ingericht op initiatief van Tatjana's moeder. Boelgakov zal zich zijn jeugd in Kiev altijd herinneren als een gouden tijd: Maar dat waren legendarische tijden, die tijden dat er in de parken van 's lands mooiste stad een zorgeloze jonge generatie leefde. In het hart van die generatie was de zekerheid geboren dat het hele verdere leven voort zou glijden bij witte bloesem, rustig, kalm, met schemering en zonsopkomst, de Dnjepr, de Kreschnatik, met zonnige straten in de zomer, en met 's winters sneeuw, niet koud, of hard, maar met grote, strelende vlokken.... Maar het liep heel anders af. De legendarische tijd brak af, en opeens trad dreigend de oorlog binnen.

11 Tatjana Nikolajevna Lappa (1892-1982) als achttienjarige, in 1914, schrijft Schoeller. Hij vermeldt echter ook dat ze éen jaar jonger is dan Boelgakov, wat lijkt te kloppen. Als de foto inderdaad dateert uit 1914 is ze hier dus 22, en niet 18. Een Russische fotobiografie (Mjagkov 2006) geeft als jaartal voor deze foto 1916. Dat lijkt me waarschijnlijker. Ze was hoe dan ook de eerste van Boelgakovs drie vrouwen. Karel van het Reve schrijft in een artikel uit september 1984 over haar: Zij was, naar de foto's te oordelen, de interessantste van de drie. Bij de familie en bij de biografen valt zij niet zo geweldig in de smaak omdat zij niet meer dan middelbare school had en zich van huis uit niet in literaire, academische of artistieke kringen bewoog. Zij hielp de jonge arts Boelgakov met veel moeite van een morfineverslaving af. Of ze de interessantste was, vind ik maar moeilijk vast te stellen, maar de mooiste was ze veruit. Opmerkelijk vind ik het dat de twee eerste echtgenotes Boelgakov na de scheiding onvoorwaardelijk toegedaan bleven en dat ze hem blijkbaar in vrede heen lieten gaan, terwijl de man met wie zijn derde vrouw voor hem was getrouwd en bij wie ze twee kinderen had, haar de vrijheid gaf hem te verlaten. Margarita. Boelgakov had blijkbaar veel krediet. Bron: Schoeller 1996

Tatjana Lappa, 1914

12 Boelgakov studeert af in 1916, neemt dienst als Rode Kruisvrijwilliger en werkt als zodanig in militaire ziekenhuizen aan het zuidwestelijk front, waar hij zijn eerste medische ervaring opdoet. Hij komt in april 1916 terecht in Kamenets-Podolsk en kort daarna in Tsjernivitsi, waar de jonge arts als chirurg werkzaam is en zijn vrouw als verpleegster. Tatjana vertelt in een gesprek met Leonid Parschin (Zeugnisse vom äusseren Leben, Berlijn, 1991) hoe ze eraan wende benen te moeten vasthouden die geamputeerd werden vanwege gangreen.

12 Michail Boelgakov als student, 1915. Misschien maakt talent hoogmoedig, maar een zekere eigendunk lijkt Boelgakov niet vreemd. Het portret dat Valentin Katajev van hem schildert in Meine Diamantenkrone is misschien niet zo ver bezijden de waarheid. Die monocle, die komt nog wel. Bron: Schoeller 1996.

Michail Boelgakov, 1915

13 In september 1916 wordt Boelgakov officieel gemobiliseerd en aangesteld als hoofdarts in zemstvo-ziekenhuizen (streekziekenhuizen) in de achterhoede, eerst in het afgelegen Nikol'skoje, en daarna tot februari 1918 in de stad Vjazma, beide in de provincie Smolensk, waar hij opnieuw samen met zijn vrouw verblijft. In Nikol'skoje raakt hij verslaafd aan morfine, nadat hij bij een trachotomie geïnfecteerd is geraakt door een wond leeg te zuigen, zo gaat althans het verhaal. De overplaatsing naar Vjazma geschiedt vanwege zijn verslaving. Daar wordt hij uiteindelijk om gezondheidsredenen ontslagen, om via Moskou terug reizen naar het inmiddels door de Duitsers bezette Kiev. In Moskou probeert hij zijn demobilisatie te regelen, maar dat lukt niet. Die toestemming krijgt hij pas in februari 1918.

13 Michail Boelgakov als arts in opleiding het lazaret van Saratov, rechterrand, midden, augustus 1914. Bron: Schoeller 1996.

Michail Boelgakov als arts in het lazaret van Saratov, 1914

14 Wat hij tussen 1916 en 1919 meemaakt, vormt de basis voor negen verhalen die tussen augustus 1925 en december 1927 worden gepubliceerd, het eerste in het tijdschrift Rode Panorama (Krasnaya Panorama), alle andere in een tijdschrift voor medici, Medische arbeider (Meditsinski Rabotnik). Pas in 1963 worden de verhalen in Rusland uitgegeven onder de titel Aantekeningen van een jonge arts (Zapiski yunogo vracha). Zeven van de negen verhalen uit de bundel worden in 1994 opgenomen in het eerste deel van Boelgakovs Verzamelde Werken bij Van Oorschot, onder dezelfde titel. Het achtste, Morfine, is daarachter als op zichzelf staand verhaal gepubliceerd. Het zou, in december 1927, het laatste verhaal zijn dat in de Sovjet-Unie van Boelgakov verscheen. Eén verhaal werd blijkbaar niet vertaald. Opmerkelijk is het dat er in geen van de verhalen zelfs maar een verwijzing te vinden is naar de op dat moment al aan de gang zijnde burgeroorlog. Aangenomen wordt dat de publicatie in een tijdschrift voor medici geen toeval is, omdat Boelgakov op die manier aan de censuur ontsnapt, in een periode (1925-27) dat zulke verhalen die ongetwijfeld nooit zouden hebben overleefd.

14 Egyptische duisternis, in het tijdschrift Meditsinski Rabotnik (Medische arbeider), nr, 27, 1926. Het verhaal staat als vijfde van Aantekeningen van een jonge arts in Boelgakov, Verzamelde Werken deel I, bij Van Oorschot

Egyptische duisternis, in het tijdschrift Meditsinsky Rabotnik

15 Als Boelgakov in februari 1919 terugkeert in Kiev, is de revolutie dus al begonnen. Kort voor zijn terugkeer waren munitiedepots in de stad geëxplodeerd en was de Duitse bevelhebber, Eichenhorn, vermoord. Beide gebeurtenissen worden in De witte Garde beschreven als voorbodes van naderend onheil. Het vijf jaar later geschreven boek, waarvan eind 1924 alleen het eerste deel werd uitgegeven in het tijdschrift Rossija omdat het blad kort daarna verboden werd, was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een trilogie en het speelt zich af in de periode voor kerstmis 1918. De naam van het gezin ontleent Boelgakov aan die van zijn grootmoeder: Toerbin. Het huis van het gezin ligt in de roman onderaan de Alejevskihelling, maar het nummer is 13. De stad is zojuist bezet geweest, al weer verlaten door de Duitse troepen en die van de Oekraïense hetman Skoropadski en net ingenomen door de Oekraïense Nationalisten van Petljura. Door de enorme toevloed van vluchtelingen is de bevolking van de stad bijna verdubbeld. Nicolaas II had een jaar eerder, in maart 1917, afstand gedaan van de troon ten gunste van zijn broer, die zelf een dag later plaatsmaakte voor een voorlopige regering, die daarmee voornamelijk in handen kwam van de liberaal-democratische kadetten. Met de burgerlijke vrijheden die ze onmiddellijk afriepen, terwijl de oorlog nog gaande was, bezegelden ze hun eigen ondergang, acht maanden later. Boelgakov gaat weer wonen in het ouderlijk huis op de Andrejevski-helling, want zijn moeder is ingetrokken bij haar tweede man, ook omdat die relatie voor de oudste zoon blijkbaar problematisch is.

15 Michail Boelgakov, 1916. De foto komt uit een Russische fotobiografie en de kwaliteit van zowel foto's als papier is - nog geheel in Sovjetstijl - bijzonder matig. Wel heb ik hem aangeschaft in het Moskouse Boelgakovhuis. Dat maakt weer wat goed. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, 1916

16 Hij begint een privépraktijk voor geslachtsziekten en blijft in Kiev tot de herfst van 1919, samen met zijn vrouw. De rest van de familie verblijft tijdens de zomer op de datsja bij Boetsja, maar die brandt in de winter daarop af. De stad zou in die jaren met regelmaat overgaan in de handen van andere troepen, want er waren de Oekraïense nationalisten onder Petjloera, er was de anarchist Machno, er waren de Witten onder Denikin, de Witten onder Wrangel, en er waren aanvankelijk natuurlijk de Duitsers. Boelgakov zelf meende dat er sprake was van 14 machtswisselingen en dat hij er bij 10 daarvan zelf aanwezig was. De Nationalisten riepen in november 1917 de Oekraïense Nationalistische Republiek uit en sloten in februari 1918 een apart vredesverdrag met de Duitsers in Brest-Litovsk. De Witten hadden die vredesregeling geaccepteerd, in de hoop zo steun te krijgen van de Oekraïners tegen de Bolsjewieken. Twee broers van Boelgakov, Nikolaj en Ivan, nemen dienst in het Witte vrijwilligersleger en hij hoort pas in maart 1922 dat ze allebei de burgeroorlog hebben overleefd, geëmigreerd zijn en in Parijs zitten. De ene werkt er als arts, de andere verdient op klassieke wijze de kost als balalaikaspeler en taxichauffeur. Voor de moeder komt het bericht van de tweede overlevende zoon Ivan te laat, want zij overleed een maand eerder aan tyfus, in februari 1922. Een stamboom als deze, met broers in het Witte leger, zou in de jaren '30 voor heel wat Russen fataal blijken, maar niet voor Boelgakov. Zelf wordt hij begin februari 1919 gerecruteerd door de troepen van de hetman Petjloera, maar hij weet daaraan te ontkomen en houdt zich een tijdlang schuil in de bossen rond Kiev, nu om te ontsnappen aan de dienst onder de Bolsjewieken. Op 12 september 1919 wordt hij gemobiliseerd onder de Witte troepen en als arts naar Vladikavka gestuurd.

16 Andrejevskihelling, anno 1969. Met benedenaan het huis van de Toerbins, op nummer 13, nu het Boelgakovmuseum. Foto: 1969. Bron: Schoeller 1996

Andrejevskihelling, anno 1969

17 Al in de zomer en de herfst van 1918 werkt hij aan wat zijn Verhalen over de Burgeroorlog zullen worden. Zijn verhaal, De rode kroon (Krasnaya Korona), gepubliceerd in 1922, gaat over een man die er niet in slaagt zijn jongere broer ervan te weerhouden dienst te nemen in het Witte leger. In de in 1922 begonnen roman De witte Garde komt hetzelfde thema aan de orde. Samen met vier andere verhalen die zich afspelen tegen de achtergrond van de burgeroorlog werd De rode kroon in het eerste deel van Boelgakovs Verzamelde Werken bij Van Oorschot uitgebracht onder de titel: Verhalen uit de burgeroorlog. Eén ervan (Ik heb een moord gepleegd) is eigenlijk een reportage uit een lang na Boelgakovs dood samengestelde bundel met schetsen. Van zijn roman De witte garde zou dus in Rusland ten tijde van Boelgakovs leven enkel een deel worden gepubliceerd in een tijdschrijft, Rossija, maar een completere versie ervan zou wel verschijnen in Riga, Letland, en trouwens in 1929 ook in Parijs, in een Russische exil-uitgave. Dat is best opmerkelijk, want het toneelstuk dat was gebaseerd op de latere roman, of misschien op een eerder toneelstuk, zou in Stalins Rusland zeer populair worden. De Nederlandse vertaling van de roman verscheen pas in 1994, in hetzelfde eerste deel van de Verzamelde Werken bij Van Oorschot. Dat was overigens meer dan twintig jaar na tal van buitenlandse edities. Het toneelstuk is bij mijn weten nooit vertaald. Nederland gidsland.

17 Boekuitgave van De witte garde, bij de uitgeverij Literatuur in Riga, 1927. Bron: Schoeller 1996

Boekuitgave van De witte garde, 1927

2 KAUKASUS 1918-1921

18 In december 1918 neemt Boelgakov, aldus Tatjana Lappa, zijn eerste vrouw, deel aan de verdediging van de stad tegen Oekraïense nationalistische troepen en keert, als dat op een fiasco uitloopt, terug naar huis. Hij wordt vervolgens door diezelfde troepen ingelijfd, zoals dat artsen tijdens de revolutie wel vaker overkomt (en zoals het ook Zhivago in Pasternaks roman gebeurt) en weet blijkbaar te ontsnappen, zij het niet dan nadat hij getuige is geweest van de moord op een jood. Die scène is blijkbaar zo traumatisch dat hij herhaaldelijk in zijn werk zal opduiken. In september 1919, of misschien al eerder, want de bronnen spreken elkaar hier tegen, wordt hij opnieuw gemobiliseerd, maar nu door de Witten onder Denikin. Die posteren hem in de Kaukasus, in Grozny (nu Tsjetsjenië), waar zijn vrouw zich een maand later bij hem voegt. Hij moet er voor de gewonden zorgen, maar zonder ziekenhuis. Wanneer hij in 1924 zijn vrouw verlaat (de gelegenheid opluisterend met een fles champagne), laat hij haar beloven nooit te spreken over zijn witte verleden. Ze houdt zich ook aan die belofte en heeft altijd beweerd dat Boelgakovs dienst gedwongen was. Maar Milne merkt op dat er zich in Boelgakovs nalatenschap een document bevond, dat doet vermoeden dat zijn aanwezigheid temidden van de Witten minder toevallig was dan hij deed voorkomen. Er bevond zich namelijk een knipsel tussen uit een door de Witten uitgegeven krant in Grozny, gedateerd 13 (26) november 1919, en getiteld Toekomstperspectief, ondertekend met de letters M.B. Milne merkt net als Curtis op dat het de eerste verschijning in druk is van de schrijver. Maar dat zal, zo blijkt, niet juist zijn.

18 Vladikavkaz (Kaukasus), Arbeidersgroep van het cultuurfront. Tweede rij derde van links, met pet, Michail Boelgakov. Tatjana Lappa: derde van links op de laatste (bovenste) rij, met muts en sjaal. Foto uit 1920 of 1921. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov en Tatjana Lappa in Vladikavka, 1920-1921

19 Milne en Curtis drukken het stuk allebei compleet af. Milne schrijft dat wat opvalt niet zozeer het virulente anti-bolsjewisme is, maar het tweederangs literaire karakter ervan. En het komt me voor dat ze gelijk heeft, want het is een bijzonder onhandig stukje proza, waarvan de voornaamste klacht lijkt dat, terwijl de schrijver zijn wereld verwoest heeft zien worden en heeft moeten vechten, anderen, in het westen, voortleven in welvaart, lezen, schrijven, onderzoek doen en boeken drukken. Het is de filosofie van een verliezer, schrijft Milne. Schoeller merkt over het stuk en de afwijkende stijl ervan op dat het misschien voor propaganda-doeleinden werd gebruikt. Het kan. Maar er is voor een beschaafd mens anno 1920 in Zuid-Rusland meer dan genoeg reden om zich een verliezer te voelen. Wat er vooral uit lijkt te spreken is de woede van iemand die zijn wereld ineen ziet storten, terwijl hij machteloos moet toezien hoe hem een elementaire vorm van beschaving voorgoed wordt afgenomen. Laf zou Boelgakov nooit zijn, bang zeker, maar niet laf.

In 1992 echter, na het verschijnen dus van de eerste druk van Milne's boek, dook een ander stuk op, dat ook van de hand van Boelgakov is, werd gepubliceerd in drie delen, in september 1919 verscheen in het Kievse blad De Echo en was getiteld De Sovjet-inquisitie, uit de aantekeningen van een verslaggever. De artikelen doen uitgebreid verslag van de gruwelen die in Kiev door de Tsjeka (voorloper van de GPOe, NKVD, MVD, KGB en nu dus FSB) werden aangericht en waarbij veel meer dan de door de Sovjets officieel genoemde 800 à 900 slachtoffers vielen. Talrijke gevallen worden individueel gedocumenteerd, waarbij wordt ingegaan op de martel- en executiemethodes. De schrijver maakt ook onderscheid tussen de diverse moordende instanties, Tsjeka-mensen, militairen en Soviet-functionarissen en vermeldt dat er Chinezen en Letten bij de moordpartijen betrokken zijn, die per hoofd betaald worden. Dat Boelgakov er alle reden toe had dit deel van zijn verleden te verzwijgen en er in zijn vroege werk dat zich in deze jaren afspeelt, een andere draai aan te geven, spreekt vanzelf. Het pleit ook voor zijn literaire integriteit dat die draai niet zo groot is. Desondanks is het waarschijnlijk dat de Sovjet-autoriteiten van zijn witte verleden op de hoogte geweest zijn of in elk geval vermoedens hebben gekoesterd. En dat zou kunnen verklaren waarom Boelgakov, in tegenstelling tot zoveel anderen, nooit toestemming kreeg een buitenlandse reis te maken of te emigreren, iets waartoe hij verschillende keren verzoeken indiende. Hij werd niet betrouwbaar geacht.

19 Michail Boelgakov Begin jaren '20. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, Begin jaren '20

20 Als de Witten zich terugtrekken uit Grozny, heeft Boelgakov tyfus en blijft hij achter. Was dat niet gebeurd, dan zou hij vermoedelijk ook geëmigreerd zijn, zoals zijn broers en veel andere Witten. Wel geeft de verschijning van de Bolsjewieken, de begeleidende chaos en de machtswisseling en de vlucht van zovele bestuurders, hem de gelegenheid zijn medische opleiding verder verborgen te houden. Vermoedelijk is hij bang opnieuw geronseld te worden. Hij zou vervolgens nooit meer praktizeren. Eind mei 1921 reist Boelgakov in zijn eentje via Bakoe naar Tiflis, laat daar zijn vrouw komen en reist samen met haar naar Batoem, waar het stel twee maanden verblijft, om te proberen per schip naar Constantinopel te komen. Daar leert hij Osip Mandelstam kennen. In de zomer stuurt hij zijn vrouw naar Moskou en hij vraagt haar op zijn zus Nadja te passen. Als ze een half jaar niets van hem hoort, zo luidt het consigne, moet ze al zijn manuscripten vernietigen. Als hij erin slaagt weg te komen, zegt hij, zal hij ook proberen om haar te laten emigreren. Maar het lukt hem niet het land te verlaten en eind september is hij in Moskou, bij de vrouw die vermoedelijk had gedacht hem nooit meer terug te zien.

Voor en tijdens die poging tot vertrek verblijft hij dus, tot september 1921, in de Kaukasus, eerst kort in Vladikavdaz, nadat de stad is overgenomen door de Bolsjewieken, en daarna, vanaf juni in Tiflis en Batoem, terwijl hij er ondertussen zint op een manier om er vandoor te gaan. Hij werkt er voor het onderdepartement voor de kunst en schrijft feuilletons en recensies in kranten en tijdschriften. Hij vervaardigt er voor het plaatselijk toneel vijf stukken, waaronder een salonkomedie getiteld Vrijers van klei (Glinyanye zhenikhi), waar de leden van de plaatselijke repertoirecommissie erg om moeten lachten, maar die ze vervolgens toch voor uitvoering afkeuren. De tijd heeft andere behoeftes dan een salonkomedie. Twee andere stukken worden wel uitgevoerd. Eén van de in Vladikavkaz geschreven stukken heet De gebroeders Toerbin en dat zal wel een voorstadium zijn geweest van de roman die later De Witte Garde zal worden en misschien wel van het latere toneelstuk dat op de roman is gebaseerd. Overigens speelt dat stuk zich af ten tijde van de revolutie van 1905. Boelgakov zelf dateert zijn schrijverscarrière van 15 februari 1920, de dag dat hij besluit om zijn beroep van arts op te geven.

20 Affiche voor De gebroeders Toerbin: Bratya Turbiny. Vladikavka, 1921. Bron: Mjagkov 2006

Affiche voor De gebroeders Toerbin

21 Een collega van hem in Vladikavkaz, Joeri Slezkin, schrijft een roman (Het meisje uit de bergen (Devushka s gor), gepubliceerd in 1925, waarin één van de personages is gebaseerd op Boelgakov. Onze auteur wordt geportretteerd als een stiekemerd, die heimelijk een roman schrijft en verzwijgt dat hij arts is. Dat kan dus aardig kloppen. Boelgakov zal later trouwens de dienst retourneren in Zwarte Sneeuw, waar de ongetalenteerde, jaloerse en achterbakse schrijver Likospastov is gebaseerd op Slezkin. In Zwarte Sneeuw, zoals Boelgakovs Theaterroman te onzent merkwaardigerwijs heet, ziet de schrijver van een roman zijn personages tot leven komen en zet het verhaal om in een toneelstuk. De roman is een zeer geestige weergave van de theaterwereld. Een aantal van de stukjes die Boelgakov in deze tijd schrijft, is later gepubliceerd onder de titel Notities op manchetten (Zapiski na manzhetakh) en de juistheid van erin beschreven feiten en gebeurtenissen, wordt door stukken in plaatselijke kranten bevestigd. In Notities op manchetten komt voor het eerst de opmerking voor: "Wat is geschreven, kan niet worden vernietigd." In De meester en Margarita zal dat worden: manuscripten branden niet. Dezelfde Slezkin illustreert in een stuk voor een krant in Petrograd (zoals Sint-Petersburg toen heette, voordat het Leningrad werd) de achterlijkheid van Vladikavkaz, door mee te delen dat de plaatselijke auteurs nog allemaal in de greep zijn van het futuristisch verzet tegen Poesjkin, Molière en Gogol. Hij vermeldt dat als de jonge schrijver Boelgakov de verdediging van Poesjkin op zich neemt, hij in een plaatselijk blad, De communist, wordt uitgemaakt voor contrarevolutionair. Ook toen al dus. Want de drie zijn precies favoriete schrijvers van Boelgakov. Die spreekt weliswaar laatdunkend over zijn literaire activiteiten in de Kaukasus, maar hij stuurt toch drie van zijn daar geschreven stukken naar Moskou, daaronder het stuk getiteld De gebroeders Toerbin (Brat'ya Turbiny), in de hoop ze aangenomen en uitgevoerd te krijgen. Dat zal niet gebeuren.

20 Michail Boelgakov Begin jaren '20. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, begin jaren '20

3 MOSKOU 1921-1928

22 In september 1921 reist Boelgakov, misschien op advies van Osip Mandelstam en met enige tegenzin - zo mogen we toch aannemen gezien zijn mislukte emigratieplannen - via Kiev naar Moskou. Zijn eega had wellicht niet gedacht hem terug te zien. Kort na zijn aankomst betrekt het paar éen der zeven kamers van woning nummer 50, op de vierde verdieping, van Bolsjaja Sadovaja nummer 10. Het echtpaar zal er wonen tot de scheiding, in april 1924. Juist in de laatste maanden zal Boelgakov een rustiger appartement op de vijfde verdieping bemachtigen, op nummer 34, dat dan vooral om zijn vrouw in een wat aangenamere omgeving achter te laten, want zelf trekt hij kort daarop in bij zijn tweede vrouw. Een belangrijk deel van De Meester en Margarita zal zich in het huis afspelen en zodoende bevinden er zich - geheel in stijl - op Bolsjaja Sadovaja nummer 10 sinds 2003 twee concurrerende Boelgakov-museums. Zie daarvoor de voortreffelijke en sympathieke site van Jan Vanhellemont, die in zijn geheel aan De Meester en Margarita (en Boelgakov) is gewijd. Als het echtpaar in 1921 nummer 50 wil betrekken, weigert de bewonerscommune de nieuwe huurders, omdat ze geen geld hebben; er is, naar verluidt, een brief nodig van Lenins vrouw, Krupskaja, om de leden van mening te doen veranderen. Schoeller schrijft: Het huis met de lawaaierige en ruziezoekende huurders duikt in het werk van de schrijver verschillende keren op. In het verhaal De arbeiderscommune in het Elpithuis uit de bundel Diaboliade, gaat het vijf verdiepingen hoge, muisgrijze reuzenhuis met zijn honderdzeventig vensters in een infernale vuurstorm ten onder. Later wordt het het belangrijkste toneel van de roman De meester en Margarita, en na de publicatie daarvan een pelgrimsoord voor de Moskouse underground-scene.

22 Moskou, Bolsjaja Sadovaja nummer 10. Boelgakov kwam er met zijn eerste vrouw te wonen in 1921. Op de muur is een plaquette aangebracht: in dit huis woonde tussen 1921 en 1924 Michail Afanesejevitsj Boelgakov, schrijver van De meester en Margarita. In het huis zelf, dat door een poort bereikbaar is, bevinden zich twee (!) Boelgakovmusea. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Moskou, Bolsjaja Sadovaja nummer 10

23 Even voor de goede orde, mocht u denken: hè? Het door Schoeller genoemde verhaal uit de bundel Diaboliade – Huis nr. 13, arbeiderscommune, (Dom no. 13, El'pit) is niet in het Nederlands vertaald. Het werd door Boelgakov blijkbaar onmiddellijk na aankomst in Moskou geschreven, want het was al eerder apart gepubliceerd, in 1922, in Het rode dagblad voor iedereen (Krasny zhurnal dlya vsekh, nr. 2), zoals trouwens ook de vier andere verhalen uit de bundel eerder elders uitkwamen.

23 Moskou, Bolsjaja Sadovaja nummer 10. Dit dubieuze tweetal staat voor de trap die toegang geeft tot Boelgakovs voormalige appartement. U herkent ongetwijfeld de scene. Het zijn Azazello, als Kornejev, en de kater Behemoth, vermomd als burger, blijkbaar tijdens hun bezoek aan het Schrijvershuis, te oordelen naar de primus in de hand van Azazello. Er zijn maar weinig boeken waar de officiële literatuur zo zwaar wordt getroffen als in De meester en Margarita. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Moskou, Bolsjaja Sadovaja nummer 10, Azazello en de kater Behemoth

24 Boelgakov ontwikkelt op kamer nummer 50 een koortsachtige activiteit. Hij schrijft er zijn Aantekeningen van een jonge arts, zijn Notities op manchetten, en schrijft en publiceert talloze schetsen, reportages en feuilletons en dat alles onder evenzovele pseudoniemen, zodat er vermoedelijk nog heel wat te ontdekken valt. Er is zojuist een aanvang gemaakt met de Nieuwe Economische Politiek (NEP), de Sovjet-Unie bestaat sinds kort en de onderwerpen zijn daarop afgestemd: nieuwe rijken, bureaucratie, inflatie, zwarte handel, het moderne theater, de woningnood en de armoede van de massa. Met dat soort proza schaart hij zich in de rangen van andere satirische auteurs, als Gogol uiteraard, maar ook als de tijdgenoten Zamjatin, Ilf, Zostsjenko en Petrov. In Rusland zijn inmiddels 130 stukken bijeengebracht in twee bundels: (Ik heb een moord gepleegd en De sprekende hond), maar niet in het Nederlands, al is het verhaal Ik heb een moord gepleegd zelf beland in deel 1 bij Van Oorschot, als laatste verhaal uit de burgeroorlog. De boodschap van de stukken is altijd dezelfde: de revolutie heeft de mensen niet veranderd, en dat zal ook niet gebeuren. Dat bijna de helft van de tot nu toe ontdekte stukken zich afspelen op, of in de buurt van stations, is niet toevallig, want veel ervan werden geschreven voor het tijdschrift van de spoorwegvakbond Goedok (De Sirene), waar Ilf, Petrov en Oljesja trouwens ook zelf aan meewerken en op de redactie waarvan Boelgakov Paustovski weer ontmoette. Aan een pointe ontbreekt het meestal, omdat de stukken zelf door hun dialoog, het excentrieke karakter, of de herkenbare afkeer van wat erin wordt beschreven, zichtbaar maken wat de bedoeling is. Zelf betitelt hij zijn werk als 'dwangarbeid', want ondertussen schrijft hij aan De Witte Garde.

24 Moskou, Bolsjaja Sadovaja nummer 10. Boelgakovhuis. Dit is éen van de kamers in het Boelgakovhuis, met schrijfmachine. Zou het de echte zijn? Ik geloof er niets van. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Bolsjaja Sadovaja 10. Boelgakovhuis

25 Als op 1 februari 1922 zijn moeder in Kiev aan vlektyfus sterft, heeft hij geen geld om de begrafenis bij te wonen. Inmiddels heeft hij op een feestje Ljubov Beloserskaja (1898-1987) leren kennen, in een periode dat zijn eigen huwelijk blijkbaar al jarenlang in crisis verkeert. Beloserskaja was tijdens de burgeroorlog geëmigreerd en via Constantinopel in Parijs terecht gekomen. Later maakte ze deel uit van de redactie van Alexis Tolstojs Berlijnse emigré-tijdschrift Nakanune (Dageraad, of: Vooravond). Ze trouwt met een journalist, keert naar Moskou terug, maar laat zich daar van hem scheiden. Boelgakov zelf scheidt in april 1924 van zijn eerste vrouw en trouwt een jaar later met Beloserskaja. Ze heeft overal in de literaire wereld connecties, is sociaal zeer actief en maakt van haar huis en nu dat van de schrijver, het middelpunt van veel festiviteiten. Ze verschafte Boelgakov al eerder een connectie met Tolstojs tijdschrift Nakanune. Heel wat van zijn stukken uit Aantekeningen op Manchetten, door hemzelf "lange satirische en humoristische feuilletons" genoemd, komen er tussen 1922 en 1924 in terecht. Andersom belanden veel van de verhalen over de wereld der émigrés die hij hoort van Beloserskaja in Boelgakovs latere toneelstuk Vlucht.

25 Ljubov Beloserskaja (1898-1987). Jaren '20. Bron: Schoeller 1996

Ljubov Beloserskaja (1898-1987)

26 Valentin Petrovitsjk Katajev (1897-1986) werkte net als Boelgakov voor het satirische tijdschrift Goedok (De sirene). Zijn broer Jevgeni was onder pseudoniem de Petrov-helft van het schrijversduo Ilf en Petrov. Valentin Katajev beschrijft onze auteur als Blauwoog in Mijn diamanten kroon (in het Duits vertaald als Meine Diamantenkrone, Berlijn 1982):

Als mijn geheugen me niet bedriegt, had hij inderdaad blauwe ogen in een mager, goed gesneden, maar niet altijd goed geschoren gezicht, was hij een niet meer zo jonge, blonde man met een zelfbewust, ironisch en soms zelfs hoogmoedige uitdrukking, die hem iets toneelmatigs, en nu en dan zelfs iets listigs gaf. (…) Hij maakte op de een of andere manier een provinciale indruk. Wij zouden ons niet verbaasd hebben hem op een goeie dag in een bont gekleurd vest en slobkousen met stoffen bovendeel te zien verschijnen. Ook mocht hij graag beleren – hij had iets van een mentor. Zo ontstond de indruk dat hij als enige over de hoogste waarheden beschikte, niet alleen in de kunst, maar ook die van het gehele menselijk bestaan. Hij behoorde tot het nogal vaak voorkomende mensentype dat nooit aan iets twijfelt en naar onwankelbare, voor eens en altijd vastgelegde voorschriften leeft. Zijn morele bijbel omvatte zonder voorbehoud alle geboden van het Oude en Nieuwe testament. Later bleek dat dat allemaal een masker was van een ambitieuze, enthousiaste en gemakkelijk te kwetsen kunstenaar, waarachter onzichtbare hartstochten tekeer gingen. Maar, zoals gezegd, ondanks zijn intelligentie en zijn grote begaafdheid, die we toen al vermoedden, was hij enigszins provinciaal. Misschien maakte Tsjechov, toen hij uit Taganrog naar Moskou kwam, ook een provinciale indruk. Later, toen Blauwoog beroemd geworden was, en een tijdlang ook rijk, raakten onze vermoedens met betrekking tot zijn provincialisme bewaarheid: hij droèg een strikje, een gekleurd vest, slobkousen met stoffen bovendeel en klemde op een goeie dag, wat ons ongelofelijk leek, een monocle in zijn oog.

Even voor het perspectief: ook over Katajev ging het gerucht dat hij zich ooit bij de Witten had aangesloten, maar hij was een trouw partijganger en zou zijn werk zonder aarzelen in dienst van het regime stellen, al koos hij al gauw voor het politiek gezien wat veiliger genre van de kinderliteratuur.

26 Michail Boelgakov. Moskou, 1928. Met opdracht aan Ljubov Beloserskaja. Ook al probeer ik de foto's min of meer op chronologische volgorde te houden, hier lijkt Katajevs tekst me wel een uitzondering te rechtvaardigen. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, Moskou, 1928

27 Boelgakov schrijft inmiddels een dagboek, al spreekt hij zelf weer eens van aantekeningen. Hij houdt er zijn gezondheid in bij, de politieke roddels, geruchten en nieuwtjes, met de bedoeling ze later beter te kunnen begrijpen, zo schrijft hij, en doet verslag van de kunstenaarswereld om hem heen. Bij dat alles valt er geen woord van twijfel over zijn talent, want daar heeft hij blijkbaar het volste vertrouwen in. Van die dagboeken is niet veel meer over. Op 7 mei 1926 valt de GPOe, zoals de Tsjeka sinds 1922 heet, zijn woning binnen en neemt drie cahiers met dagboeken in beslag, vooral overigens omdat ze op zoek zijn naar bewijzen tegen de uitgever van het literaire tijdschrift Rusland (Rossiya), Lezjnev. Pas in 1929 krijgt Boelgakov ze na veel moeite en met hulp van Maksim Gorki terug en verbrandt ze onmiddellijk, uit angst dat ze alsnog tegen hem gebruikt worden. Wel blijven fragmentarische kopieën achter in de archieven van de GPOe, zodat, schrijft Schoeller, de geheime dienst als bewaarder optreedt van Boelgakovs aantekeningen. Niet voor het laatst. Wanneer Boelgakov gaat samenwonen met zijn derde vrouw houdt die, vanaf 1 september 1933, op de uitdrukkelijke wens van haar man de dagboeken verder bij en ze zal dat tot zijn dood in 1940 doen. Diens manuscripten branden – even terzijde – in 1929 niet voor het eerst, want toen Boelgakov in 1923 al de door hem in de Kaukasus geschreven stukken herlas, vernietigde hij die onmiddellijk, in de hoop dat er nergens een exemplaar meer van bestond. Vergeefs. Eén ervan, De zoons van de mullah (Synov'ya mully) overleefde het in een kopie en werd in 1960 ontdekt. Behalve de dagboeken nemen de ambtenaren trouwens ook het manuscript van Hondehart mee. Daar zouden ze toch smakelijk om gelachen moeten hebben.

27 Michail Boelgakov en Ljubov Beloserskaja, ca. 1926. Bron: Mjagkov 2006

Michail Boelgakov en Ljubov Beloserskaja, 1926

28 De enige noemenswaardige boekpublicatie ten tijde van Boelgakovs leven is de bundel Diaboliade, waarvan het titelverhaal is opgenomen in deel 2 van de Van Oorschoteditie. Hij kwam in juli 1925 uit bij de uitgeverij Nedra (Dieptes) als een goedmakertje voor de weigering van De Witte Garde. De bundel werd al kort daarop in beslag genomen, om in april 1926 met toestemming opnieuw te verschijnen. De bundel had 7 verhalen moeten bevatten, waarvan er uiteindelijk vijf echt in werden gepubliceerd: (1) Diaboliade (D'yavoliada), (2) De eieren der Ramppspoed (Rokovye yaytsa), (3) Huis nr. 13, arbeiderscommune, (Dom no. 13, El'pit), (4) Een Chinese geschiedenis (Kitayskaya Istoriya), met de ondertitel zes taferelen in plaats van een verhaal, en (5) De avonturen van Tsjitsjikov (Pokhozhdeniya Chichikova). Het langste verhaal van de zeven oorspronkelijke ontbrak, namelijk Hondehart. De publicatie ervan werd verboden door Kamenev, de Moskouse partijleider, die het een venijnig pamflet tegen de eigen tijd noemde. Ik vermeld het maar even: Kamenev werd in 1936 geëxecuteerd. Het door hem verboden verhaal verscheen pas in de Sovjet-Unie in 1987, in een tijdschrift, één jaar voor Kamenevs rehabilitatie dus. Dat soort dingen vind ik grappig. De ene rehabilitatie is de andere niet. Al in 1968 werd Hondehart in Duitsland uitgegeven. Er werd ook nog een ander verhaal uit de bundel verwijderd, vermoedelijk met toestemming van Boelgakov. De nummers 3 en 5 verschenen om mij onduidelijke redenen niet in het Nederlands.

28 Eerste druk Diaboliaden, uitgeverij Nedra, 1925. Bron: Schoeller 1996

Eerste druk Diaboliaden, uitgeverij Nedra, 1925

29 Alle verhalen waren dus eerder gepubliceerd, tussen 1922 en 1925: Diaboliade en De eieren der Rampspoed in de delen 4 en 6 van de literaire almanak Dieptes (Nedra), respectievelijk begin 1924 en maart 1925, Huis nummer 13 in Het Rode dagblad voor iedereen (Krasny zhurnal dlya vsekh, nr. 2, 1922), Een Chinese geschiedenis (Kitayskaya Istoriya) in 1923, in het geïllustreerde supplement van De Waarheid van Petrograd, in Sint-Petersburg dus (Petrogradskaya Pravda), en De avonturen van Tsjitsjikov in het Berlijnse Nakanune, al in september 1922. Diaboliade bevatte behalve Hondehart nog een verhaal dat niet zou worden opgenomen (Het vuur van de Khans, Kkanskiy ogon), misschien omdat het, zo schrijft Milne, net als Huis nr. 13 ook eindigt met een brand. Het werd in 1924 in een tijdschrift gepubliceerd. Jevgeni Zamjatin schaarde zich, zo schrijft Milne, met zijn positieve recensie van het verhaal Diaboliade, toen het in 1924 in de almanak Nedra verscheen, in een zeer exclusief gezelschap, namelijk dat van de zonderlingen die een prijzende recensie wijdden aan werk van Boelgakov tijdens zijn leven. En dat terwijl Zamjatin ook meldt dat hij het verhaal op de een of andere manier wel wat lichtgewicht vindt, oordeel dat me juist lijkt. Boelgakov hield de kritiek nauwkeurig bij, en telde in 1930 3 positieve en 298 negatieve recensies.

29 Eerste pagina van het manuscript van Hondehart, met correcties van Boelgakov. Met opmerking in het handschrift van de hoofdredacteur van het tijdschrift Nedra, Angarski: Mag niet gedrukt worden. 1925. Bron: Schoeller 1996

Eerste pagina van het manuscript van Hondehart

30 Van de vijf verhalen is De eieren der ramppspoed, zoals het in Nederland heet, misschien het bekendst. Blijkbaar werd het als een minder groot risico voor de censuur gezien dan Hondehart. In dat verhaal immers blijkt de hondmens Sjarik, die wordt afgeschilderd als een proleet van het zuiverste water, al direct geschikt om op te klimmen in de partijrangen. De strekking van de Eieren kan veel algemener worden opgevat. Het verhaal heet eigenlijk De Noodlottige Eieren, waarbij de Russische titel ook nog eens een ordinaire woordspeling bevat op de andere en gemakkelijk te raden betekenis van het woord eieren, terwijl de naam van de voorzitter van de collectieve boerderij - die Rokk heet, met dubbel k - met één k in het Russisch ook noodlot betekent. Vandaar dus de Nederlandse vertaling met het dubbel-gepeede Rampp. De titel Rokovye yaytsa kan behalve als noodlottige eieren, zodoende ook als De kloten van Rok worden opgevat. Milne vermeldt dat De eieren al gauw problemen opriep en niet alleen vanwege de titel, maar ook omdat de straal - die van zoveel belang is in het verhaal, omdat hij de groei van levende organismes bespoedigt - rood gekleurd is, en bovendien omdat de verwisseling van de eieren tijdens het vervoer (geen kippen, maar reptielen) de reputatie van het Sovjet-transportsysteem schade berokkende. Grappig, vindt u niet? De manager is van alle tijden. Het verhaal zou later in 1925 nog een keer in verkorte vorm gepubliceerd worden in Rood Panorama (Krasnaya Panorama), onder de titel Levensstraal (luch zhizni). In het derde verhaal, het al genoemde Huis nr. 13, treedt overigens voor het eerst Anoesjka op, die later, in de Meester en Margarita nog de zonnebloemolie zal morsen. In het Muziektheater zag ik, in 1991 alweer, Tsjaikovski's opera Mazeppa waarin de held, in een enscenering van Richard Jones, zijn hoofd verliest onder een tram. Tja. En vele jaren later zag ik - twee keer inmiddels, zo schrijf ik anno 2018 - Raskatovs opera Hondenhart, in de fantasievolle en prachtige enscenering van Simon McBurney. Je zou het niet voor mogelijk hebben gehouden. Twee van de Diaboliade-verhalen zijn dus niet in het Nederlands vertaald. De Chinese geschiedenis wel, maar dat staat in Deel 1 van de Van Oorschot-uitgave, als onderdeel van de Verhalen over de Burgeroorlog. Het vijfde en laatste verhaal uit de bundel (dat niet in het Nederlands beschikbaar is), De avonturen van Tsjitsjikov, staat met die titel, vanwege de identieke naam van de hoofdpersoon met die van Dode Zielen, bewust in de traditie van Gogol, maar wel in die van zijn Revisor. In 1926 verschijnen nog twee andere kleine bundeltjes met proza van Boelgakov, Een verhandeling over de woningmarkt, van 30 pagina's, en Verhalen, van 60 bladzijden. Het gaat daarbij vooral om eerder gepubliceerd krantenwerk. Het feit dat het Moskouse Kunsttheater in 1926 om een toneelbewerking vraagt van Hondehart en hem er een contract voor geeft, bewijst dat het verbod door Kamenev geen uitgemaakte zaak was. Net als De eieren der Ramppspoed werd het blijkbaar lang niet door iedereen als anti-sovjet gezien. Maar het ging niet door. Pas in juni 1987 (alweer) zou die uitvoering echt plaatsvinden.

30 Michail Boelgakov, 1926. Bron: Mjagkov 2006

Michail Boelgakov, 1926

31 De ontstaansgeschiedenis van De Witte Garde is bijzonder ingewikkeld en Milne besteedt er een heel hoofdstuk aan (nummer 4) van ruim 25 pagina's, dat voor deze leek maar moeizaam te volgen is. Al in maart 1924 leest Boelgakov eruit voor en in april heeft hij een contract op zak voor publicatie in Rossyia. In het literaire supplement van het Berlijnse Nakanune wordt op 30 maart 1924 meegedeeld dat Boelgakov het eerste deel van zijn trilogie af heeft. Begin januari 1925 krijgt hij vast 300 roebel voor de tijdschriftpublicatie van de roman, waaraan hij sinds 1921 heeft gewerkt, De witte Garde, en waarvan zojuist een deel (van ongeveer een derde van de complete versie, de eerste dertien hoofdstukken) in het tijdschrift Rossiya is gepubliceerd. Kort daarop wordt het tijdschrift echter verboden door Volkscommissaris van Onderwijs, Voorlichting en Wetenschappen, Anatoli Loenatsjarski, zodat de twee volgende delen nooit zullen verschijnen. De uitgeverij Nedra weigert een boekuitgave uit angst voor problemen met de censuur en geeft om het goed te maken dus de Diaboliade uit, zodat uiteindelijk alleen in het Letse Riga en in Parijs, overigens incomplete, drukken van De Witte Garde verschijnen, beide in 1927. Het gaat daarbij om een nogal afwijkende versie van die wij kennen, want het slot van het boek bezorgde Boelgakov blijkbaar problemen, iets wat hem naar mijn idee vaker overkomt. Nog in juni 1925 probeert Leznjev, de uitgever van Rossiya, hem dat te ontfutselen en de schrijver geeft het in dezelfde maand nog af. Maar het tijdschrift wordt dus verboden en Leznjev een jaar later verbannen naar Estland. In 1927 verschijnt in Riga een pirateneditie met een slot dat gebaseerd lijkt op het toneelstuk. In 1927 zal Boelgakov, die inmiddels contact heeft met een andere uitgeverij, Krug, die nauw verbonden was met Gorki, aan het werk gaan voor een herziene versie van De Witte Garde. Die zal in 1929 in Parijs worden uitgegeven. Die is duidelijk van veel later dan de eerste, en lijkt veel meer op onze versie.

31 Michail Boelgakov na de première van De dagen der Toerbins, 1926. Bron: Schoeller 1996

Boelgakov na de première van De dagen der Toerbins, 1926

32 In april 1925 wordt Boelgakov door het Moskouse Kunsttheater desondanks gevraagd om een toneelbewerking van het boek. De brief waarmee hij wordt uitgenodigd vormt de opening van zijn Theaterroman. Een en ander bewijst wel hoe moeilijk het in deze jaren nog is om te bepalen of een roman of toneelstuk de censuur zal passeren. Het stuk heeft hij vermoedelijk al voor een deel liggen. In de Kaukasus had hij al iets dergelijks geschreven. Vier maanden later levert hij het in, maar er ontstaan onmiddellijk problemen. Loenatsjarski laat zich kritisch over het stuk uit, waarna het theater vraagt om wijzigingen. Daarmee treedt voor het eerst een proces in werking dat Boelgakov bij ondervinding nog goed zou leren kennen, namelijk te proberen een stuk zo te herschrijven dat de autoriteiten ermee akkoord gaan. Uiteindelijk vervaardigt hij drie versies, waarbij het stuk flink wordt omgegooid, ingekort, de teksten veranderd, de personages en het aantal aktes worden teruggebracht en ook de titel wordt veranderd. In juni 1926 vindt de generale repetitie plaats van de Dagen der Toerbins, waarna Glawrepertkom (mooi sovjetacroniem voor de censuurinstantie) opvoering wederom verbiedt, hetgeen tot nieuwe aanpassingen leidt. De première vindt plaats op 5 oktober 1926 en het blijkt een gedenkwaardige avond te worden.

32 Het Moskouse Kunsttheater in de jaren '30 van de twintigste eeuw. Bron: Schoeller 1996

Het Moskouse Kunsttheater, dertiger jaren

33 Het Moskouse Kunsttheater van Stanislavski en Nemirovitsj-Dantsjenko (Russisch: Московский Художественный театр, Moskovski choedozjestvenny teatr of MChAT) was een in Rusland en daarbuiten gerenommeerde instelling sinds Tsjechov er zijn stukken voor schreef, maar het had al jaren moeite zich aan de moderne tijd aan te passen. En één van de stukken die ertoe moesten dienen om het gezelschap opnieuw te positioneren, was dat van Boelgakov. De ophef was zodoende des te groter. Stalin zelf zou het stuk meer dan tien keer hebben bezocht, zo wordt altijd vermeld, hoewel ik er nog nooit een echt feitelijke bron van heb gezien en het precieze aantal keren dat wordt genoemd vaak verschilt, maar veel recensies waren vernietigend. In één ervan wordt de hoofdpersoon, Alexej Toerbin, als hondenzoon betiteld, en de auteur als iemand met een honds verleden. Het verhaal speelt zich geheel en al af in het milieu van de Witten, in wat duidelijk een bourgeoisgezin is.

33 Moskou, Kamergerski pereulok, Het Moskouse Kunsttheater. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Het Moskouse Kunsttheater, 2012

34 Drie weken later, op 28 oktober 1926, gaat in het net opgerichte Vachtangov-theater een ander stuk van Boelgakov in première, Sonja 's appartement, (Zoykina kvartira) een komedie in drie aktes die een satire vormt op de NEP-zwendelaars waaraan deze periode zo rijk is. In het stuk bemachtigt Sonja Pelz met haar kamermeisje ondanks de woningnood een huis met zeven kamers, dat bovendien op allerlei wijzen wordt misbruikt, overdag als kledingatelier, 's avonds als bordeel. De publiekssuccessen hebben tot gevolg dat Boelgakov zelf ook een nieuwe woning kan betrekken, aan de Bolsjaja Pirogovskaja, met studeerkamer. Hij houdt er een kat en een hond op na en zijn vrouw beschikt een tijdlang over een paard, dat ze berijdt in een manage. De woning vormt al gauw het middelpunt van kunstenaars, schrijvers en toneelspelers. Eind 1928 gaat in een ander theater in Moskou een derde stuk in première, Het Purpureiland. Het was in het programma naar achteren verschoven in verband met de tienjarige viering van de revolutie, maar het werd ten slotte toch opgevoerd. Hij begint direct aan een vierde stuk. Hij schrijft Vlucht (Beg, 1926-28) weer voor het Moskouse Kunsttheater, krijgt er een contract voor en houdt er zelfs, samen met zijn vrouw, een reis aan over naar de Kaukasus en naar het Georgische Tiflis. Het is, vermoed ik, op die reis dat hij Tsjechovs huis in Jalta bezoekt en in het gastenboek dat diens zus Masja er al op na houdt, schrijft: ik kom terug. Of dat is gebeurd, is me onbekend, maar van het toneelstuk komt het niet: de censuur grijpt in en verbiedt de opvoering. En dat betekent ook het voorlopige einde van Boelgakovs toneelcarrière, in elk geval voor zover het het publieke deel ervan betreft, want pas in 1936 zal, en dan nog maar voor tien uitvoeringen, dat vierde stuk, Vlucht, alsnog worden opgevoerd, acht jaar nadat hij het geschreven heeft.

34 Moskou, Kamergerski pereulok, Het Moskouse Kunsttheater. Affiche voor een toneelbewerking van De meester en Margarita. Boelgakov moest eens weten. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Affiche voor een toneelbewerking van De meester en Margarita, Moskou, Kunsttheater, 2012

35-36 Het is ergens in deze jaren dat de alom in Rusland aanwezige Paustovski Boelgakov wederom ontmoet, dit keer dus in Moskou en wel op de redactie van het tijdschrift Goedok. Hoewel Paustovski geen tijdstip noemt, vermoed ik dat het ergens rond 1925 gebeurt. In Paustovski's vorige hoofdstuk vindt de begrafenis van Lenin plaats (1924) en Boelgakov schrijft voor Goedok tussen 1923 en 1926. Nadat Paustovski in deel 1, Verre Jaren, dus een stuk aan Boelgakov heeft gewijd, doet hij dat hier opnieuw: in het laatste deel van zijn memoires, Deel 6, Het boek der omzwervingen (Arbeiderspers 1984, privédomein), dat uit de zestiger jaren dateert, besteedt hij hoofdstuk 6 aan hem, getiteld: Sneeuwmutsen. Het is te vinden op de pagina's 59-64, in de vertaling van Wim Hartog. Dat geef ik hier. Ik heb her en der de warrige alinea-indeling en de interpunctie aangepast. Paustovski 's memoires hebben grote verdiensten, maar ook bijzonder irritante trekken. In dit deel over Boelgakov is Stalin niet zo'n kwaaie peer. Paustovski is ook de man die beschrijft hoe hij, als hij in 1953 hoort dat Stalin is gestorven, wanhopig huilend langs een spoorlijn dwaalt.

35 Konstantin Paustovski, Memoires, Deel 1, Verre jaren, Ansterdam, Arbeiderspers, 1983, derde druk, privé-domein nr. 16
36 Konstantin Paustovski, Memoires, Deel 6, Boek der omzwervingen, Amsterdam, Arbeiderspers, 1983, derde druk, privé-domein nr. 103

Konstantin Paustovsky, Memoires, Deel 1, Verre jaren Konstantin Paustovsky, Memoires, Deel 6, Boek der omzwervingen

37 Op een keer toen het al tegen de lente liep, kreeg ik op een stille besneeuwde dag in Poesjkino bezoek van Boelgakov. Hij was toen bezig aan zijn roman De Witte garde en voor een van de hoofdstukken moest hij beslist enkele 'sneeuwmutsen' bekijken ­ die kleine hopen sneeuw die tijdens een lange winter ontstaan op daken, schuttingen en dikke boomtakken.
Hij zwierf de hele dag rond door Poesjkino waar dat jaar bijna niemand was en stond tijden naar van alles te kijken, diep weggedoken in zijn oude versleten pelsmantel – lang, mager en droevig, met aandachtige, grijze ogen.
'Prima!' zei hij. 'Precies wat ik nodig heb. Het is of heel de stilte van de winter in deze hopen verzameld is.'
'Een decadent!' zei Zoezenko over Boelgakov. 'Maar verduiveld begaafd naar het schijnt. Traint zichzelf nauwgezet.'
Wat hij daarmee wilde zeggen, begreep ik niet. Dan verklaarde hij al even onduidelijk en ongraag: 'Hij jaagt op indrukken. De slimmerik!'
Dat klopte eigenlijk wel. Boelgakov was, als je dat zo zeggen kan, belust op alles wat het leven rondom reliëf verschaft.
Alles wat van het alledaagse afweek, of het nu een mens, een bepaalde menselijke eigenschap, een verrassende handeling, een ongewone gedachte of een snel opgemerkt detail was (bijvoorbeeld kaarsvlammetjes op een toneel die helemaal haaks staan van de tocht), hij pikte het allemaal met het grootste gemak op en verwerkte het in zijn proza, stukjes of dagelijkse gesprekken. Misschien kon juist daarom ook niemand anders zulke scherpe bijnamen bedenken die iemand zo duidelijk 'bestempelden'. Hij viel hierdoor vooral op in de tijd dat we samen op het Eerste Kiever Gymnasium zaten.
'U heeft een venijnige blik en een boze tong,' zei inspecteur Bodjanskij af en toe diep bedroefd tegen hem. 'U mag dan wel uit een eerbiedwaardige professorenfamilie stammen maar u stevent regelrecht op een schandaal aan. Je moet er wel op komen! Vertrouw je een leerling aan de directeur van een gymnasium toe en deze zelfde directeur krijgt meteen de bijnaam 'Boterspaan' van hem! Wat een gebrek aan fatsoen! Wat een schande!' Ondertussen lachten Bodjanskij' s ogen.
De familie Boelgakov was in Kiev heel goed bekend: zij was enorm groot en vertakt en behoorde tot de intelligentsia. Er ging iets theatraals van uit, iets van Tsjechovs Drie Zusters. De Boelgakovs woonden tegenover de Andreaskerk, op de helling die omlaag liep naar de Podol, een schilderachtige, achterafgelegen buurt van Kiev. Als je in de buurt kwam, klonk er altijd wel een piano of zelfs het doordringend geluid van een waldhoorn en hoorde je jonge stemmen, gelach en geren, gediscussieer en gezang. Zulke hardwerkende families met hun grote tradities op cultureel gebied waren een sieraad van het provinciale leven, een soort bakermat voor het progressieve denken. Ik begrijp niet waarom er tot nu toe geen onderzoeker op het idee is gekomen om het leven van zulke families te reconstrueren en zo aan te tonen wat hun betekenis is geweest, al was het alleen maar voor Saratov, Kiev of Vologda of zo. Misschien, omdat het te moeilijk is? Dat zou niet alleen een waardevol, maar ook een spannend boek over de Russische cultuurgeschiedenis opleveren.
Na het gymnasium was ik Boelgakov helemaal uit het oog verloren en ik had hem op de redactie van de Goedok weer voor 't eerst ontmoet.
Tijdens die winter schreef Boelgakov zijn vlijmscherpe verhalen waarin de spot en het groteske een grote kracht bereikten. Ik herinner me de stomme verwondering die veroorzaakt werd door werken als Notities op manchetten, Eieren der rampspoed, Diabolade of De avonturen van Tsjitsjikov (Gedicht in twee paragrafen met proloog en epiloog). Het Moskous Kunsttheater stelde Boelgakov voor om een toneelbewerking te maken van zijn roman De Witte Garde. Hij stemde toe. Zo ontstond De dagen van de Toerbins. Dit schitterende stuk kende een lange lijdensweg met tal van complicaties en verboden, maar won het uiteindelijk toch, dank zij het talent van de auteur en de dramatische kracht. Bij de enscenering deden zich talrijke groteske, haast onwaarschijnhjke incidenten voor. Het Hoffmanneske begeleidde Boelgakov zijn hele leven. Niet voor niets was Gogol de lievelingsschrijver van Boelgakov. Niet die bureaucratisch uitgelegde Gogol die wij van de schoolbanken kennen, maar de ongebreidelde fantast die zijn lezers nu eens door zijn enthousiasme schrik aanjoeg, dan weer door zijn sardonisch gelach of door zijn wilde verbeeldingskracht het bloed in de aderen deed stollen. Gogol wekt de indruk altijd achter zijn lezers en zijn helden te staan en met zijn ogen in hun rug te boren. En allen kijken om, bang voor zijn priemende blik. Met opluchting bemerkt men dan echter plotseling in zijn ogen tranen van vreugde over zoiets moois als de blinkende Italiaanse hemel boven Rome of de wilde roffel van een Russische troika boven de met gras begroeide steppe.
Boelgakov was een eigenaardig en moeilijk lot beschoren. Het Moskous Kunsttheater speelde alleen zijn oude stukken. Zijn nieuwe stuk Molière werd na zeven voorstellingen verboden. Zijn proza werd niet langer gedrukt. Hij leed er erg onder, tobde er over, hield het ten slotte niet meer uit en schreef Stalin een brief die vervuld was van de waardigheid van de Russische schrijver. Hij drong aan op het unieke en heilige recht van de schrijver - het recht gedrukt te worden en zo met zijn volk te kunnen communiceren en het met al zijn krachten te dienen. Hij kreeg geen antwoord.
Boelgakov werd vreselijk neerslachtig. Hij kon de schrijver in zich niet onderdrukken en ook niet zijn ideeën zomaar te grabbel gooien. Voor een schrijver bestaat er geen erger straf dan niet te kunnen communiceren.  Beroofd van de mogelijkheid gedrukt te worden, bedacht hij heel bijzondere verhalen, droevig en vrolijk tegelijk, voor de mensen uit zijn onmiddellijke omgeving. Hij vertelde ze thuis onder het thee drinken. Helaas is slechts een klein gedeelte van deze verhalen bewaard gebleven. De meeste zijn vergeten of, om een ouderwetse uitdrukking te gebruiken, 'in de Lethe verzonken'. Als kind al had ik een heel duidelijke voorstelling van deze Lethe - een trage, onderaardse stroom met zwart water, waarin dingen en mensen, zelfs stemmen van mensen, heel langzaam maar reddeloos wegzonken alsof ze wegstierven. Ik herinner me een van deze verhalen.
Boelgakov schrijft zogenaamd elke dag een lange en raadselachtige brief aan Stalin die hij ondertekent met 'Tarzan'. Stalin is iedere keer weer verbaasd en zelfs een beetje geschrokken. Nieuwsgierig als alle mensen, draagt hij Beria op de auteur van deze brieven zo snel mogelijk op te sporen en naar hem toe te sturen. Stalin maakt zich kwaad: 't Stikt in je organisatie van de dagdieven maar iemand te pakken krijgen, dat lukt jullie niet.'
Ten slotte werd Boelgakov gevonden en naar het Kremlin gebracht. Stalin kijkt hem aandachtig en eigenlijk niet onwelwillend aan, steekt zijn pijp aan en vraagt doodgemoedereerd: 'Bent u de schrijver van deze brieven?'
'Hoezo, Jozef Vissarionovitsj?' vraagt Boelgakov ongerust. 'Nou zomaar. U schrijft interessant.
'Dan bent u dus Boelgakov?'
'Ja, dat ben ik, Jozef Vissarionovitsj.'
'Vanwaar die verstelde broek en kapotte schoenen? Fraai is 't niet. Helemaal niet fraai.'
'Ja, wat wilt u ... 't Is nu eenmaal geen vetpot, Jozef Vissarionovitsj.'
Stalin keert zich om naar de Volkscommissaris van de Bevoorrading: 'Wat zit je daar te kijken? Kun je die man niet aankleden? Jatten is op jouw afdeling geen kunst, maar een schrijver aankleden, ho maar! Waarom word je zo bleek? Bang geworden? Aankleden die hap! Helemaal in het gabardine! En jij - wat zit jij daar te zitten en aan je snor te draaien? Tsjonge, wat een laarzen heb jij aan! Meteen uittrekken en aan die man geven! Jou moet ook alles gezegd worden, zelf kom je nergens op. Van top tot teen in het nieuw gestoken, begon Boelgakov bij het Kremlin in en uit te lopen; tussen Stalin en hem komt een onverwachte vriendschap tot stand.
In zijn momenten van melancholie stort Stalin zijn hart uit bij Boelgakov: 'Begrijp je, Misja, dan roepen ze allemaal geniaal, geniaal! Maar ondertussen heb je niet eens iemand om een glas cognac mee te drinken!'
Zo modelleerde Boelgakov trek voor trek, stukje bij beetje het personage van Stalin. En zijn talent is zo machtig en zonder kwade bijbedoelingen dat dit personage menselijk en in zekere mate elfs sympathiek overkomt. Onwillekeurig vergeet je dat Boelgakov het heeft over degene die hem zoveel leed heeft aangedaan.
Op een dag komt Boelgakov moe en mistroostig bij Stalin. 'Ga zitten, Misja! Waarom ben je zo treurig. Wat is er?' 'Nou, ik heb een toneelstuk geschreven.'
'Maar dan moet je juist vrolijk zijn, als je een heel toneelstuk afhebt! Waarom ben je dan zo treurig?'
'De theaters willen het niet opvoeren, Jozef Vissarionovitsj.'
'Waar zou je het graag gespeeld zien worden?'
'Nou, in het Moskous Kunsttheater natuurlijk, Jozef Vissarionovitsj.'
'Wat een toestand in die theaters! Maak je niet dik, Misja! Ga zitten!'
Stalin neemt de hoorn van de telefoon.
'Juffrouw! Hé, juffrouw! Het Moskous Kunsttheater graag!'
'Ja, het Moskous Kunsttheater! Met wie? De directeur? Luistert u eens even, hier is Stalin aan de lijn. Hallo! Hoort u mij?' Stalin begint boos te worden en in de hoorn te briesen.
'Wat zitten er toch een idioten op het Volkscommissariaat van het Communicatiewezen! Altijd een kink in de kabel. Juffrouw, verbindt u mij nog eens met het Moskous Kunsttheater! Ja, nog eens, of is mijn Russisch niet duidelijk genoeg! Met wie? Het Moskous Kunsttheater? Nu moet u eens even luisteren en niet meteen weer ophangen! Hier is Stalin aan de lijn. Niet ophangen! Waar is de directeur? Wat? Is hij dood? Heeft hij net een beroerte gehad? Nou zeg, waar de mensen zich al niet druk om maken!'

37 Michail Boelgakov, 1926. Bron: Mjagkov 2006

Michail Boelgakov, 1926

4 MOSKOU 1928-1940

38 Een natuurlijke dood is in de Sovjet-Unie van de jaren '30 geen vanzelfsprekendheid. Dat velen van degenen tot wie Boelgakov zich in deze tijd richt met weer een smeekschrift niet in bed zullen sterven en hijzelf wel, zou je dan ook als een hogere vorm van rechtvaardigheid kunnen beschouwen, één van het soort bovendien waar Boelgakov zelf in hoge mate op was gesteld. In Rusland is de politieke situatie aan het eind van de twintiger jaren geleidelijk onaangenamer geworden. Waar er tot halverwege de jaren twintig soms nog ruimte bestaat voor andere stemmen en er publieke strijd wordt geleverd over de interpretatie van de eigen geschiedenis, gaat die mogelijkheid met de groeiende macht van Stalin en de nadering van diens terreur in de jaren dertig in toenemende mate verloren. Die ontwikkeling valt goed af te lezen aan Boelgakovs geschiedenis.

38 Van links naar rechts: Genrich Yagoda (1891-1938), Michail Kalinin (1875-1946), Jozef Stalin (1878-1953), Vjatsjeslav Molotov (1890-1986), Andrej Vysjinksi (1883-1954) en Lavrenti Beria (1899-1953). Een gezelschap massamoordenaars van formaat. De toevoeging van formaat is hier niet pleonastisch. Alleen Jagoda en Beria zouden hun straf niet ontlopen. Foto: Simon Sebag Montefiore, Court of the Red Tsar.

Stalin en consorten

39 Begin 1928 dient Boelgakov voor het eerst een verzoek in om een buitenlandse reis te maken. Buitenlandse reizen zijn op dat moment nog denkbaar. De medewerkers aan het Moskouse Kunsttheater bijvoorbeeld krijgen er nog ruimschoots de kans toe, ook al is Boelgakov te omstreden om zomaar een medewerker te zijn. Zelfs emigratieverzoeken worden nog wel eens ingewilligd. Zamjatin bijvoorbeeld mag in 1931 vertrekken. Omgekeerd komen er ook nog wel eens mensen uit de emigratie terug, zo Alexis Tolstoj, al is dat gezien diens proletarische statuur minder verrassend. Ook Boelgakovs eigen tweede vrouw was naar de Sovjet-Unie teruggekeerd. Boelgakov motiveert zijn verzoek met de wens contact op te nemen met mensen die zich wederrechtelijk zijn Dagen der Toerbins hebben toegeëigend – hij noemt Sachar Kaganski - en om in Parijs met het Théâtre des Mathurins te onderhandelen over een geplande enscenering ervan. Hij wil bovendien dat zijn vrouw – hij bedoelt nog zijn tweede, Ljubov Beloserskaja - meegaat om als tolk te kunnen dienen, want zelf spreekt hij geen Duits. Langer dan twee maanden zal de reis niet duren, deelt hij mee. Het verzoek wordt geweigerd. Maar dat is nog niet het ergste. Want afgezien daarvan wordt hem in deze periode elke mogelijkheid tot publiceren ontnomen. Zijn toneelstukken verdwijnen van het speelplan en als dat bekend wordt, blijkt het eveneens onmogelijk nog langer proza te publiceren.

Al sinds het begin van de jaren twintig is er in allerlei schrijversorganisatie een strijd gaande tussen 'burgerlijke' en 'proletarische' auteurs, en hoewel Lenin zich geringschattend uitlaat over de min of meer partijloze schrijvers, die hij 'meelopers' noemt, bestaat er toch nog een zekere verscheidenheid. Er zijn in beeldende kunst en literatuur allerlei groepen actief: Serapionsbroeders, Symbolisten, Futuristen, Constructivisten en wat dies meer zij. In 1925 ontstaat de Russische Vereniging van Proletarische Auteurs (RAPP), die het idee van een voor iedereen open literatuur bestrijdt en die via haar tijdschrift Oktober tekeer gaat, niet alleen tegen burgerlijke auteurs als Ehrenburg, Pilnjak, Achmatova en Boelgakov dus, maar ook tegen pro-revolutionaire schrijvers als Gorki en Majakovski. De laatste zal zich kort voor zijn zelfmoord in 1930 nog bij Rapp aanmelden. Het gevecht zal uiteindelijk in het voordeel van de rode hardliners beslist worden. De voorzitter van Rapp is een onverzoenlijke vijand van Boelgakov, namelijk Leopold Averbach, die zelf in 1939 geëxecuteerd zal worden. Dan zal Rapp al niet meer bestaan, want die organisatie wordt in 1932 vervangen door de Bond van Sovjetschrijvers, die vervolgens het 'Socialistisch Realisme tot dogma zal verklaren. Hoe dan ook: Boelgakov wordt aan het eind van de jaren '20 verweten contra-revolutionaire activiteiten te bedrijven, er wordt gesproken van Boelgakovisme en in de pers is er een hetze tegen hem aan de gang. In 1927 wordt Voronski, afkomstig uit de kring rond Lenin en iemand die de burgerlijke auteurs nog verdedigt en over hun tegenstanders spreekt als 'rode ikoonschilders', uit de partij gezet. Ook hij zal geëxecuteerd worden, in 1937. Vanaf 1928 heeft Stalin het in zijn eentje voor het zeggen. Die laat begin 1929 nog weten dat hij, als het de discussie over literatuur betreft, meer hecht aan ouderwetse categorieën als 'klasse' en 'revolutionair' en 'anti-revolutionair', dan aan links en rechts, waar de Rapp-aanhangers de literatuur in verdelen en dat er dan van geval tot geval geoordeeld moet worden. Maar veel schrijvers hebben dan al geen aanmoediging meer nodig om in het vervolg de grootste voorzichtigheid te betrachten.

39 Dit is éen van de belangwekkendere boeken over Stalin die ik ken (Londen, Tauris, 2003). De vader van de tweelingbroers Roy en Zhores Medvedev (Tiflis, 1925) was een slachtoffer van Stalins Gulag. Hij was hoogleraar aan de Militaire Academie en werd ervan beschuldigd een volgeling van Boekarin te zijn. Hij stierf in Kolyma in 1941. De historicus Roy was met zijn К суду истории (1969), in het Engels vertaald als Let history judge (1971) éen van de eersten die een studie wijdde aan de Stalinterreur. Hij werd er voor uit de partij gezet. Zijn broer, de bioloog Zhores, kwam vanwege zijn kritische schrijfsels tijdelijk terecht in een inrichting voor psychiatrische patiënten. Stalin was gevoelig voor de kwaliteit van de voor hem gedane portretten, die altijd op foto's waren gebaseerd. Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt op de van hem gemaakte portretten alles wat naar zijn Georgische herkomst verwijst, zo schrijft Zhores Medvedev. Dit op de boekomslag afgebeelde exemplaar werd door hem afgekeurd. Roy Medvedev rept van een Aziatisch portret. Ook die Aziatische (lees: Mongoolse) discussie staat in een lange Russische traditie, met overigens niet altijd even vrolijke trekjes.

Portret Stalin

40 Boelgakov schrijft inmiddels wederom aan een toneelstuk, Molière, dat oorspronkelijk Het kabaal der schijnheiligen heet (wel in het Duits beschikbaar, maar niet in het Nederlands), en dat in oktober 1931 een b-vergunning krijgt, dat wil zeggen dat het in heel de Sovjet-Unie mag worden uitgevoerd. Daaraan voorafgaand heeft hij al een serie scènes uit toneelstukken van Molière verzameld en die verweven met de plot van Le Bourgeois Gentilhomme. Deze, wat Milne noemt Variaties op een thema van Molière heeft hij af in november 1932. Het stuk, De onnozele Jourdain, (Poloumnyy Zhurden) zal niet worden uitgevoerd en pas in 1965 in Rusland gepubliceerd worden. De keus voor de Franse toneelschrijver is niet toevallig. Eerder al, in de Kaukasus, was Molière één van degenen die door de Futuristen aldaar werd aangevallen. In 1929 wordt Majakovski een nieuwe Molière genoemd. Milne schrijft: Boelgakovs stuk bevatte een verborgen polemiek: ik zal jullie een Molière geven! Het stuk lijkt vooral bedoeld om, via Molière, te laten zien hoe Boelgakov zelf lijdt onder de haat en nijd van zijn collega-schrijvers die hem zwart maken bij de koning, in casu Stalin. Bovendien is het onderwerp historisch en geeft hem dat de gelegenheid de censuur te ontlopen. Daartoe verandert hij de oorspronkelijke titel, die wel erg weinig aan duidelijkheid te wensen overlaat. Desondanks krijgt hij in maart 1932 van het Leningradse Bolsjoi, waar hij het heeft aangeboden, te horen dat het is geweigerd. Zes jaar later, op 2 februari 1936, zal het stuk toch op het toneel komen, in Moskou, met veel succes, en nog onder de oorspronkelijke titel ook, zij het dat het dan na zeven voorstellingen en na een vernietigend stuk in de Pravda, onmiddellijk weer verboden wordt. Een paar dagen later wordt ook de geplande première van een ander stuk geschrapt: Ivan Vasiljevitsj. In hetzelfde jaar bezoekt hij met zijn vrouw de Krim. Tegelijkertijd werkt hij ook aan een biografische roman over Molière: Het leven van de heer Molière (Zhizn'gospodina de Mol'era), dat dan op verzoek van Gorki, die het boek wil onderbrengen in een reeks over historische personages. Op 5 maart 1933 biedt Boelgakov het manuscript aan bij de uitgever. Nog geen maand later krijgt hij te horen dat het geweigerd is. In 1962 zal de roman alsnog gepubliceerd worden, in de reeks waarvoor hij oorspronkelijk bedoeld was. Samen met de Aantekeningen van een jonge arts zal het in de Sovjet-Unie weer het eerste zijn wat er van Boelgakov na zijn dood wordt gepubliceerd. In Nederland werd hij, na eerder al apart te zijn uitgebracht, opgenomen in deel 2 van De Verzamelde Werken.

40 Michail Boelgakov, december 1928. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, 1928

41 In een brief aan zijn broer Nikolaj, die in Parijs woont, neemt Boelgakov geen blad voor de mond, terwijl hij toch kan vermoeden dat zijn post ook door anderen wordt gelezen. Mijn ondergang is slechts een kwestie van tijd, schrijft hij, als er tenminste geen wonder gebeurt. Maar wonderen gebeuren zelden. In juli 1929 richt hij zich per brief tot Maksim Gorki, tot - in naam tenminste - president Kalinin en tot Stalin zelf. Op zakelijke wijze geeft hij een overzicht van hetgeen er in de laatste paar jaar over hem is geschreven en wat hij heeft moeten doorstaan vanwege zijn literaire werk en vraagt hij ten slotte hem dan maar uit te wijzen. Begin september 1929 probeert hij het opnieuw, nu bij een jeugdvriend van Stalin en diens eerste vrouw, de secretaris van het Centraal Comité, de Georgiër Jenoekidze, en schrijft dezelfde dag opnieuw aan Gorki tot wie hij zich – blijkbaar in zijn opwinding, richt alsof het een regeringsambtenaar is, wat overigens niet zover bezijden de waarheid is, vooralsnog tenminste: Waarom een schrijver in zijn land vasthouden als zijn werken er geen bestaansrecht hebben? Ik verzoek om de humane beslissing mij te laten reizen. Jenoekidze zal zelf in 1937 vermoord worden. Op 28 maart 1930 richt Boelgakov zich in een brief tot 7 leden van de regering, onder wie Stalin, Molotov, Kaganovitsj, Jagoda en Bubnov, met drie waarvan het ook weer slecht zal aflopen. Hij verzoekt om te mogen emigreren. Financiële problemen zijn er ook nog. In het contract met betrekking tot Vlucht is de clausule opgenomen dat hij het voorschot van 1000 roebel terug moet betalen als het stuk niet wordt opgevoerd. Dat geld heeft hij niet. In één van de brieven schrijft hij: Al mijn werk heeft toekomst. Dat lijkt me een terechte vaststelling, want het is opvallend hoe fris en tijdloos veel werk van Boelgakov is.

41 Michail Boelgakov, begin jaren '30 twintigste eeuw. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, begin jaren '30

42 Op 14 april 1930 pleegt Majakovski zelfmoord. 14 april is in oude stijl 1 april, en velen vermoeden aanvankelijk dat het om een 1-aprilgrap gaat. Hoewel de twee elkaar vijandig gezind zijn, is Boelgakov toch geschokt. Ze hebben praktisch tegelijkertijd furore gemaakt, zij het dat Majakovski wordt toegejuicht en Boelgakov vooral verguisd. En nu blijkt plotseling dat ze toch iets gemeenschappelijk hadden: depressies. Eveneens op 14 april belt Joeri Oljesja voor de grap Boelgakov en doet alsof hij Stalin is. Het is algemeen bekend dat Boelgakov zijn brieven geschreven heeft. Als vier dagen later, op 18 april 1930, Stalin dus echt belt en de schrijver uit een middagdutje wekt, is die danig in de war. Stalin vraagt of Boelgakov echt het land wil verlaten. Die antwoordt dat hij er niet van overtuigd is of een schrijver buiten zijn eigen land kan overleven. Stalin zegt: We hebben je brief ontvangen. Mijn kameraden en ik hebben hem gelezen. Je zult een welwillend antwoord krijgen. Het gesprek wordt besloten met de wederzijdse wens elkaar eens te ontmoeten. Daar moeten we tijd voor zien te vinden, zegt Stalin.

42 Van links: Valentin Katajev (1897-1986), Michail Boelgakov en Joeri Oljesja (1899-1960) bij de begrafenis van Majakovski, op 17 april 1930. Bron: Schoeller 1996

Begrafenis Makajovski, 17 april 1930

43 Maar dat gebeurt natuurlijk niet en een antwoord krijgt Boelgakov evenmin. Het directe gevolg ervan is wel dat hij wordt aangesteld als assistent-regisseur bij het Moskouse Kunsttheater. Milne merkt wat cynisch op dat, hoewel vaak wordt gezegd dat Stalins telefoontje Boelgakov zijn creatieve bestaan teruggeeft - verleidelijke constatering gezien het feit dat het gesprek plaatsvindt op Goede Vrijdag - het in feite alleen maar dient als vrijgeleide voor de jaren dertig, in een periode immers waarin steeds meer anderen sneuvelen. In Grossmans Leven en Lot, zo voeg ik daar maar aan toe, heeft het telefoontje van Stalin heel wat meer effect, maar daar is Strum een kernfysicus en geen schrijver. Pasternak, die vier jaar later ook werd gebeld, om zijn mening over Mandelstam te geven, overleeft het ook. Laat die wolkenridder maar met rust, schreef Stalin. Toen Pasternak tijdens het gesprek behoedzaam reageerde (echt vrienden zijn we niet, integendeel eerder) zei Stalin: Wij Bolsjewieken laten onze kameraden nooit vallen, of woorden van gelijke strekking. Hij had ook kunnen zeggen: Wij vermoorden ze gewoon, allemaal. Met Mandelstam gaat het ook mis, want die had een vervelend gedicht geschreven: het zogenaamde epigram tegen Stalin, die daarin de hooglander in het Kremlin wordt genoemd, de bergman met de vette vingers als wormen en de kakkerlakkensnor. Babel, die de verkeerde vrienden had (Jezhov, Jagoda) en bovendien met Jezhovs vrouw sliep, wordt in 1940 vermoord. Meyerhold kort daarna. Boelgakov zelf meende lange tijd dat het telefoontje het antwoord was waarop hij had gehoopt en van de weeromstuit dachten veel anderen dat misschien ook – want niet iedereen werd door Stalin gebeld. Sinds die datum zou Boelgakov dan ook door velen als een expert worden beschouwd waar het om brieven naar Stalin ging. Anderen zouden hem in de toekomst raadplegen, zo Stanislavski en Achmatova. Die bezocht Boelgakov begin juni 1934, in de hoop iets te kunnen doen voor Mandelstam, die net verbannen was. Als een vriend Boelgakov in 1937 vraagt of hij er geen spijt heeft dat hij tegen Stalin niet heeft volgehouden te willen emigreren, antwoordt die: Ik had moeten zeggen: U zegt dat schrijvers stom worden in vreemde landen. Maar als ik dan toch stom word, maakt het dan uit waar? (Mne ne vse li ravno, gde byt' nemym?)

43 Michail Boelgakov, Begin jaren '30. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, begin jaren '30

44 Degene die hem in 1930 heeft geholpen de zeven brieven bij de regeringsleiders te bezorgen, is Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970), die van haar meisjesnaam Nyurenberg heet. Boelgakov leert haar kennen begin 1929. Ze is twee jaar jonger dan hij, de vrouw van een generaal van het Rode Leger (maar tevens voormalig tsaristisch officier) en het paar heeft al twee kinderen. De echtgenoot, Sjilovski, heeft de legerzuiveringen aan het eind van de dertiger jaren blijkbaar overleefd, want hij stierf in 1952. Jelena zal overlijden in 1970. De generaal eist in ruil voor zijn hulp de belofte dat de twee elkaar niet meer zullen zien; blijkbaar meent hij daar reden toe te hebben. Boelgakov belooft het. Maar in september 1932 schrijft hij hem alsnog een brief en pleit er bij Sjilovski toch voor dat hij zijn vrouw vrijlaat. Die stemt toe. De dochter blijft bij de vader, de zoon gaat met de moeder mee. Ook Boelgakovs tweede vrouw stemt toe in een scheiding. Vervolgens trouwt Boelgakov in oktober 1932 voor de derde keer.

44 Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970). Bijschrift deels onleesbaar. Zie ik: Mon repos/3.10.38? Bron: Schoeller 1996

Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970)

45 Het paar betrekt met het zoontje van Jelena, Sergej, een huis bij de Patriarchenvijver, in de Nastsjokinskisteeg, in een huis dat alleen voor schrijvers is bedoeld en waar ook Mandelstam woont. De huwelijksreis gaat naar Leningrad. Een jaar later, in de zomer van 1933, als hij weer met haar in Leningrad is, begint hij eigenlijk pas echt aan De Meester en Margarita, nadat hij een eerste versie al heeft vernietigd. Jelena Sergejevna zal Margarita zijn en de rest van haar leven de belangen van Boelgakov te vuur en te zwaard verdedigen, zoals trouwens ook Boelgakovs eerste en tweede vrouw zouden doen.

45 Moskou, Patriarsji Proedi: Patriarchvijvers. Aan de overzijde het restaurant Pavilion dat zich daar blijkbaar pas sinds maart 2011 bevindt. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Moskou, Patriarchvijver

46 Boelgakovs Meester en Margarita opent natuurlijk aan de Patriarchvijvers, waarvan er in het echt overigens maar éen bestaat. De arme Berlioz krijgt er te horen dat hij zijn hoofd gaat verliezen. Het was een pagina op de voortreffelijke site van Jan Vanhellemont, die geheel is gewijd aan De meester en Margarita en aan Boelgakov, die me er, vlak voordat ik zelf naar Moskou ging, op attent maakte dat er aan de vijver een bord verschenen was van een Boelgakov-bewonderaar. Ik kon het niet laten. Nadat ik in het aan de vijver gelegen restaurant Pavilion had gegeten, zonder dat me overigens op het menu iets opviel wat met Boelgakov te maken had - maar misschien heb ik slecht opgelet - ben ik naar het bord teruggelopen, waar net een jongen bezig was foto's te maken. Zodoende: uw dienaar, voor eens dan maar.

46 Moskou, Patriarsji Proedi: Patriarchvijvers. Op het bord staat: Verboden met vreemdelingen te spreken. En dat is natuurlijk ook de titel van het eerste hoofdstuk van Boelgakovs Meester en Margarita. Foto: woensdag 8 augustus 2012

Moskou, Patriarsji Proedi, augustus 2012

47 In mei 1931, juni 1934 en februari 1938 zal Boelgakov nog brieven aan Stalin schrijven, de eerste twee met de vraag om een visum, de derde met het verzoek een collega uit de verbanning terug te laten keren. Hij zou noch antwoord krijgen, noch visum. De collega zou verbannen blijven. Op 24 april 1935 woont Boelgakov overigens een bal bij van de Amerikaanse ambassadeur Bullitt in het Spasohuis, het paleis waar de Amerikaanse ambassade is gevestigd. Dat gebeurt ter gelegenheid van het jaarlijkse lentefestival. Bullitt maakt er een grootscheepse affaire van. Er zijn 400 gasten aanwezig, onder wie tal van ministers, hoge Sovjetfunctionarissen en militairen (maar niet Stalin zelf): Litvinov, Vorosjilov, Kaganovitsj, Boekarin, Radek, Toechajevski, en Boedjonni. Nog meer terechtgestelden, formulering die hier passender is dan normaal. Aan het eind wordt de beer, die ook aanwezig is, dronken gevoerd door Karl Radek, terwijl de honderd zebravinken die door de dierentuin geleverd zijn, worden vrijgelaten en overal in het rond vliegen. Sommigen menen dat Boelgakov het feest zal hergebruiken als Vollemaansbal voor zijn Meester. Zelf vermoed ik dat hij daarvoor het bal niet nodig had. De huidige Amerikaanse ambassadeur in de Sovjet-Unie, Beyrle, deed het 75 jaar later, in 2010, nog eens dunnetjes over.

47 Michail Boelgakov, 1935. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov, 1935

48 In de jaren dertig lijdt Boelgakov aan depressies en angstaanvallen en daarin zal hij bepaald niet de enige geweest zijn, maar hij werkt even hard als altijd. In 1933 wordt vriend en toneelschrijver Nikolaj Erdman gearresteerd en verbannen, in mei 1934 gebeurt dat met Mandelstam, die in hetzelfde huis woont als de Boelgakovs. De schrijver begrijpt inmiddels wel dat hij voorzichtig moet zijn met de grapjes die hij in zijn werk maakt. En dat is in deze jaren enigszins te merken, zo komt me voor. Hij schrijft aan een toneelbewerking van Tolstojs Oorlog en vrede, begint aan een toneelstuk getiteld Adam en Eva, dat is gebaseerd op een soortgelijke driehoeksverhouding als Boelgakov zelf heeft met zijn nog aanstaande en haar man, aan een stuk getiteld Gelukzaligheid (Blazhenstvo), en dat zelf weer is gebaseerd op eerder geschreven, maar vernietigd werk. Gelukzaligheid speelt zich af in 2222 en gaat over een uitvinder die er door de voorzitter van de bewonerscommune van wordt verdacht een machine te bouwen om de Sovjetmacht te ontvluchten. Dat gebeurt ook, maar de uitvinder komt terug, met een vrouw uit de toekomst, Aurora, die wil weten hoe het gevaar smaakt en daarom voor het heden kiest. Beiden geven ze zich aan het eind vol vertrouwen over aan de Sovjetpolitie. Jaja. Het stuk is eind 1934 klaar. In april 1935 leest hij het voor, maar het wordt weinig enthousiast onthaald. Wel komt in de eerste en de vierde akte ervan Ivan de Verschrikkelijke op het toneel, op wiens verschijning heel wat vrolijker wordt gereageerd dan op de rest van het stuk. Het gevolg is dus Ivan Vasiljewitsj. Daarin ontwerpt de ingenieur Timofejev een tijdmachine, waarmee twee moderne Moskovieten in de zestiende eeuw terechtkomen aan het hof van Ivan de Verschrikkelijke, terwijl die zelf in de Moskouse flat belandt van Timofejev. Milne noemt het stuk uitzonderlijk grappig. Het wordt (alweer) niet opgevoerd. De eerste publicatie buiten Rusland vindt plaats in 1964, daarna gebeurt het pas in Rusland, in 1966. Er wordt in 1971 een volgens Milne bijzonder geestige film van gemaakt: Ivan Vasiljewitsj verandert van beroep (Ivan Vasil'evitsj menyaet professiyu). Bij dat alles schrijft hij ook nog filmscenario's naar Gogols Revisor en Dode Zielen en werkt hij voor het Bolsjoi in Leningrad aan vier opera-libretti. Er komt allemaal niets van terecht, want geen enkel stuk komt op het podium en de films worden niet gemaakt.

48 Michail Boelgakov en zijn derde vrouw, Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970), 1935. Bron: Mjagkov 2006

Boelgakov en zijn derde vrouw, Jelena Sergejevna Sjilovskaja, 1935

49 In februari 1936 worden er zeven voorstellingen van zijn Molière gegeven. Na een vernietigend stuk in Pravda komt er geen achtste meer. In 1936 begint hij ook aan Zwarte Sneeuw, zijn Theaterroman dus. Eind twintiger jaren had hij al een aanloop ertoe verbrand, net als overigens een vroege versie van zijn Meester en Margarita. Het manuscript zoals we dat nu kennen, heeft zelfs geen naam, zodat die, toen het in 1965 in Novy Mir (De Nieuwe Wereld) werd uitgegeven, bedacht moest worden. Het werd letterlijk: Theatrale romance, in Nederland verschenen als Zwarte sneeuw, een Theaterroman, Arbeiderspers 1972 (Teatral'nyy roman). Er bestaat maar één handschrift van en het lijkt een in één keer geschreven improvisatie, aldus Milne. Ik vraag het me af. Het bij vlagen zeer geestige verhaal wekt de indruk een woedende reactie te zijn op Boelgakovs talrijke fiasco's met het Moskouse Kunsttheater en het vormt ook een afrekening met de esthetische opvattingen van Stanislavski (in de gedaante van Ivan Vasiljevits). Toen ik de onaffe roman voor het eerst las, was ik er nogal door teleurgesteld, maar na herlezing ben ik van mening veranderd. Het lijkt me éen van de beste vijf boeken van Boelgakov: De meester, Witte Garde, Hondehart, Eieren, Theaterroman. Laat mij ook eens.

49 Konstantin Stanislavski (1863-1938) en Vladimir Nemirovitsj Dansjenko, 1928. Het bezoek van de schrijver Maksudov in Zwarte Sneeuw aan de oude patriarch (Ivan Vasiljevits) van het theater dat zijn stuk zal gaan opvoeren, is bijzonder grappig. Bron: Schoeller 1996

Stanislavski en Nemirovitsj Dansjenko, 1928

50 In 1936 begint hij, nadat er een prijsvraag voor is uitgeschreven waarbij er aan de winnaar 100.000 roebel wordt uitgeloofd, zelfs aan een geschiedenis van de Sovjet-Unie voor de middelbare school. Onder het materiaal dat Boelgakov ervoor verzamelt, is een biografie van Stalins leven en dan met name van het vroege deel ervan, dat zich afspeelde in Batoem tussen 1898 en 1904. Dat leidt tot zijn toneelstuk over Stalin, Batoem. Hij begint eraan in september 1938. Het Kunsttheater is enthousiast over het idee en Boelgakov maakt er gebruik van om een betere woning af te dwingen. De bedoeling is het stuk uit te voeren op de zestigste verjaardag van de dictator, op 21 december 1939. Het is af in juni 1939. De reactie erop is typerend voor wat er in de Sovjet-Unie gaande is. Er is niemand die er zich negatief over durft uit te laten en het stuk drijft vanzelf omhoog. Het passeert alle censuurorganen en in augustus 1939 gaat een groep leden van het Kunsttheater, met daaronder Boelgakov, zelfs op weg naar Batoem om er ideeën voor de enscenering op te doen. Maar halverwege de trip komt er op één van de stations een telegram binnen: de voorstelling gaat niet door en iedereen moet terug naar Moskou. Geluiden van boven zijn negatief. Stalin vindt het onjuist als literair personage behandeld te worden en hij is de mening toegedaan dat Boelgakov probeert door middel van het stuk een positievere relatie met hem te bewerkstelligen, iets wat Boelgakov zou ontkennen. Zelf ben ik geneigd te denken dat Stalin er niet dol op was dat zijn vroege jaren in beeld werden gebracht. Daar had hij genoeg reden toe en wie de Stalinbiografieën van Sebag Montefiore of de recentere van Stephen Kotkin (2 delen tot nu toe) heeft gelezen, zo schrijf ik in de zomer van 2018, weet wel waarom. Inmiddels hebben Duitsland en Rusland getweeën Polen overvallen. Boelgakovs stuk (dat ik niet ken) is, zo schrijft Milne, lange tijd beschouwd als een pijnlijk onderdeel van zijn oeuvre, maar ze meent dat het voor Stalin nog niet onderdanig genoeg was, terwijl ze spreekt van een intellectueel gezien respectabel stuk.

50 Michail Boelgakov en zijn derde vrouw, Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970) aan de Krim, 1936. Bron: Schoeller 1996

Boelgakov en zijn derde vrouw, Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970) aan de Krim, 1936

51 Tussen dit alles door werkt Boelgakov al vanaf de eind jaren twintig aan, zoals hij het noemt, een roman over Christus en de duivel. Daarvan heeft hij eind 1934 al een ruwe versie liggen. In november 1937 geeft hij zijn roman de huidige allitererende titel. Tussen mei en juni 1938 ontstaat er een tweede complete redactie, die wordt uitgetypt door Olga Boksjanskaja, zus van Jelena en secretaresse van Nemirovitjs-Dansjenko. Maar tevreden is hij nog niet. Nadat hij bezig is geweest met een toneelbewerking van Don Quichote en met zijn Batoem, hervat hij het werk eraan. Het is het laatste wat hij doet en als hij sterft, is het niet af. Dat is uiteraard De Meester en Margarita, Boelgakovs bekendste en beste boek en naar mijn idee één van de grootste romans van de twintigste eeuw, die bovendien van een enorme originaliteit is. En dat schrijf ik terwijl het slot me maar niet kan bekoren. Het boek combineert alle kwaliteiten van Boelgakov, zonder last te hebben van de zwakheden die hij soms ook demonstreert. Het is een sensatie als de roman in 1966-67 in de november - en januari-afleveringen van het tijdschrift Moskwa wordt gepubliceerd. Over De Meester en Margarita is op internet zoveel te vinden en er is ook daarbuiten zoveel over geschreven dat het me niet zinnig lijkt dat hier opnieuw te doen. Milnes laatste hoofdstuk 10 van 30 pagina's is er bijvoorbeeld compleet aan gewijd.

51 Michail Boelgakov en zijn derde vrouw, Jelena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970). 1936. Bron: Schoeller 1996

Michail Boelgakov en Jelena Sergejevna Sjilovskaja

52 Op de avond van de veertiende augustus 1939 keren de Boelgakovs na hun halverwege stopgezette reis naar Batoem terug dus in hun woning. Ze waren zelfs bang geweest onderweg gearresteerd te worden. Dat was Meyerhold in juni al gebeurd. Die zou in 1940 worden vermoord, net als Babel. Boelgakov heeft al een tijdje last van zware hoofdpijn en zijn ogen doen pijn. Een maand later reizen de twee nog naar Leningrad, maar moeten na vier dagen terugkeren. Kort daarvoor heeft hij even buiten Moskou een sanatorium bezocht en te horen gekregen dat hij niersclerose heeft, net als ooit zijn vader, die daaraan was gestorven. Boelgakov, die toch nog steeds ook arts is, weet dat het met hem gebeurd is. Hij merkt dat hij langzamerhand blind wordt. Januari 1940 gaat het iets beter en kan hij verder gaan met het dicteren van de correcties van zijn manuscript. Daarna gaat het weer mis. Hij is praktisch blind. Op sommige van de laatste foto's, genomen in de winter van 1939-40, draagt hij een zonnebril. Naar een ziekenhuis gaat hij niet, want hij wil thuis sterven.

52 Michail Boelgakov in de winter van 1939. Bron: Schoeller 1996

Boelgakov in de winter van 1939

53 Op 6 maart 1940, vier dagen voor Boelgakovs dood, schrijft Jelena Sergejevna in haar dagboek:

Ik zei toevallig tegen hem (want ik vermoedde dat hij daaraan dacht) – ik beloof je op mijn woord van eer dat ik je roman zal uittypen, dat het me zal lukken, en dat je gepubliceerd zult worden. En hij luisterde aandachtig en leek me te begrijpen en zei: Bekend te zijn, bekend te zijn (Chtoby znali…. Chtoby znali!)

Op 10 maart 1940 schrijft Jelena in haar dagboek: 16.39. Mischa is dood. Boelgakov wordt begraven op het kerkhof van het Novodevitsji-klooster, niet ver van Tsjechov en van Gogol, van wiens steen het graniet stamt dat voor zijn gedenksteen wordt gebruikt. Dat laatste zou Boelgakov deugd hebben gedaan.

53 Graf van Boelgakov en zijn vrouw Jelena Sergejevna. Novidevitsji, Moskou. Foto: zondag 12 augustus 2012

Graf Boelgakov, Novidevitsji

54 De toneelschrijver Sergej Jermolinksi, die een deel van het huis bewoont, vertelt later dat hij nog dezelfde dag, of de volgende, dat weet hij niet meer, werd gebeld. Het blijkt het secretariaat van Stalin te zijn.

Een stem vroeg: Is het waar dat kameraad Boelgakov gestorven is?
Ja, die is gestorven.
Degene die met me sprak, legde de hoorn neer.

54 Graf van Boelgakov en zijn vrouw Jelena Sergejevna. Novidevitsji, Moskou. Foto: zondag 12 augustus 2012

Graf van Boelgakov. Novidevitsji, Moskou

KAREL VAN HET REVE:
BOELGAKOVS VIERDE VROUW

IN: VERZAMELD WERK 5, P. 990-995
UIT: NRC HANDELSBLAD, 14 SEPTEMBER 1984

De beroemde Russische schrijver Michail Boelgakov, geboren in 1891 en gestorven in 1940 - hij stierf in zijn eigen bed - heeft drie vrouwen gehad. Met de eerste, Tatjana Lappa ('Tasja') was hij getrouwd van 1913 tot 1924. Zij was, naar de foto's te oordelen, de interessantste van de drie. Bij de familie en bij de biografen valt zij niet zo geweldig in de smaak omdat zij niet meer dan middelbare school had en zich van huis uit niet in literaire, academische of artistieke kringen bewoog. Zij hielp de jonge arts Boelgakov met veel moeite van een morfineverslaving af. De tweede, Ljoebov Belo­zerskaja, was ontwikkelder, kende Frans, was in het buitenland geweest. Hun huwelijk duurde van 1924 tot 1932, toen hij trouwde met Jelena Neurenberg, die ook Frans kende - een zeer aantrekkelijke en levendige vrouw, goed in het geven van partijtjes, en met veel talent voor het aflopen en ompraten van redacties en uitgeverijen. Zij was een groot bewonderaarster van de schrijver Boelgakov. Hun huwelijk duurde tot zijn dood. Zij bevorderde Boelgakovs revival na 1956, toen de overheid (heel langzaam en mondjesmaat) zijn werk weer liet drukken. Al die tijd - geen geringe prestatie, vooral in de jaren 1948-1953 - bewaarde Jelena zijn manuscripten, waaronder De meester en Margarita. Zij wist dat boek buiten de samizdat te houden en te bewerkstelligen dat het door de censuur kwam.
Zo'n twintig jaar na zijn dood kreeg Boelgakov er, bij wijze van spreken, een vierde vrouw bij in de persoon van Ellendea Proffer, een Amerikaanse geleerde die op Boelgakov gepromoveerd is, dingen van hem heeft vertaald, en samen met haar man in hun uitgeverij Ardis in Ann Arbor bezig is aan de uitgave in het Russisch van Boelgakovs verzameld werk. In haar eigen uitgeverij heeft zij zojuist een boek van 670 bladzijden gepubliceerd, dat Bulgakov. Life and Work heet en zo duur is (fl. 155,25) dat wie niet gefortuneerd is het alleen in eigendom kan verwerven door het te recenseren.

Mochten er onder de lezers van CS mensen zijn die nooit iets van Boelgakov hebben gelezen, dan wacht hen een aangename verrassing. Het is moeilijk zich een lezer voor te stellen die helemaal niet door Boelgakov gegrepen wordt. Een combinatie van lichtzinnigheid en hartstocht die nooit flauw of zwaar op de hand wordt en vrij is van iedere denkbare pretentie. Een waanzinnige inventiviteit, waarbij Hoffmann en Gogol kinderen lijken en Nabokov een opzettelijke knutselaar. In een tijd waarin alles samenspande om goede literatuur te verstikken wist hij steeds weer iets gepubliceerd of op de planken te krijgen. Met diezelfde charme verovert hij iedere lezer. Zijn Russisch is zeer direct en eenvoudig en elegant. Wie Russisch leest heeft eerlang zijn hele oeuvre ter beschikking in de nu lopende Ardis-uitgave. Verder is veel van hem in het Engels vertaald. En wie alleen Nederlands kan lezen - als de middenschool­tendens zich doorzet zal de gemiddelde Nederlandse intellectueel, net als zijn Amerikaanse en Russische collega, alleen nog maar boeken in zijn moedertaal kunnen lezen, alles vanwege de 'gelijke verdeling van kennis' of, om het in de onsterfelijke woorden van ik meen Marcus Bakker te zeggen: 'omdat Jantje te dom is om te leren wordt het leren aan Pietje verboden' - wie, zeg ik, alleen maar Nederlands kan lezen heeft ook al een vrij aardige keuze uit Boelgakovs werk tot zijn beschikking.
Hij kon eigenlijk alles. Hij maakte beroemde toneelstukken zoals de Dagen der Toerbins, waar ik in Moskou twee verschillende opvoeringen van gezien heb. Stalin schijnt het stuk nog veel vaker te hebben gezien. Het stuk toont de ondergang van alles wat goed en fatsoenlijk en verdraagzaam was in het Rusland van vóór 1917. Het publiek ziet dat met smartelijke ontroering. Stalin zag het met leedvermaak. Het stuk heeft trouwens nog iets heel moois: het speelt in 1918-1919, midden in een revolutie die volgens de officiële boekjes alles te maken had met arbeiders, boeren en revolutionairen. Welnu, er komt in dat stuk geen enkele arbeider, geen enkele boer en geen enkele revolutionair voor - een weldadige verademing voor een publiek dat nu al meer dan zestig jaar met die drie bevolkingsgroepen om de oren geslagen wordt.
Maar naast zulke drama's schreef Boelgakov dolkomische kluchten zoals het prachtige Ivan Vasiljevitsj, met Ivan de Verschrikkelijke in de hoofdrol, en 'realistische' reportages over zijn ervaringen als arts in de Russische 'diepe provincie' (iets van de sneeuw en de isolatie van die doktersverhalen vind je later terug in Dokter Zhivago). Ook maakte hij sciencefictionachtige fantastische verhalen, zoals de al in de jaren dertig in Nederlandse vertaling verschenen Noodlottige eieren, en niet te vergeten Hondehart. Hij heeft een reguliere biografie geschreven, Het Ieven van de heer Molière, romans zoals de beroemde Witte Garde. Hij heeft zelfs voorbereidingen getroffen om mee te dingen naar een prijs, uitgeloofd voor wie een voor de scholen geschikt geschiedenisboek schreef. Hij maakte toneelbewerkingen van boeken zoals de Dode zielen, Oorlog en vrede, Don Quichot, schreef libretti voor opera's, maakte zelfs toneelbewerkingen van toneelstukken, en speelde zelf zeer goed toneel.
Wat de lezer van Proffers boek treft is de geweldige activiteit die hij bij dit alles ontplooide. Voor ik het las had ik een beeld van Boelgakovs leven dat misschien wel meer lezers van hem hebben: aanvankelijk succes met romans, verhalen, toneel. Daarna, tussen 1930 en 1940, verbod, verguizing, net niet gearresteerd, dood. Uit dit boek blijkt dat er niet zoveel verschil is geweest tussen 1920-1930 en 1930-1940: een reusachtige productie, waarvan steeds weer een groot deel niet werd geaccepteerd of werd verboden. En iedere keer als er iets niet doorging of verboden werd, begon hij weer aan iets anders. Hij heeft zelfs een stuk over Stalin geschreven, Batoem geheten, dat trouwens ook verboden werd. Met grote verbittering hield Boelgakov een plakboek bij van alles wat over hem geschreven werd. Maar telkens was er wel weer ergens een toneelgezelschap, een filmmaatschappij, een uitgeverij, een tijdschrift dat iets van hem hebben wou en bereid was een onterugvorderbaar voorschot te geven op iets dat maar één kans op de tien maakte door de censuur te komen.
Extra treurig bij dit alles was natuurlijk dat hij niet alleen te maken had met een overheid die goede dingen verbood, maar ook met luidruchtige denuncianten, die zelf niet schrijven konden en die de overheid aanspoorden Boelgakovs werk te verbieden omdat zijn boeken van geen belang waren voor de arbeidersklasse.
Hij was geen aanhanger van het communistische regime, noch van de marxistische wereldbeschouwing. Hij kwam uit een nette intellectuele familie. Zijn vader was hoogleraar theologie in Kiev. De sympathie voor socialisme en revolutie die je vóór 1917 zeer veel in intellectuele Russische kringen aantreft, schijnt bij de familie Boelgakov ontbroken te hebben, zodat hij ook geen moeite had zich bij het nieuwe regime aan te passen: het bevatte voor hem niets aantrekkelijks. Stalin was, lijkt het, voor Boelgakov wat Lodewijk XVI voor Molière was: iemand van wie het afhing of zijn stukken gespeeld werden of niet, en die dus moest worden overgehaald - niet iemand met wie men enig politiek of literair meningsverschil heeft.
Het boek van Ellendea Proffer maakt dit alles duidelijk. Het 'life'-gedeelte is mijns inziens beter dan de 'work'-hoofdstukken. De geschiedenis van ieder werk wordt uitvoerig en precies en leesbaar beschreven, maar de auteur heeft schoolgegaan. Men studeert nu eenmaal niet straffeloos letteren: ieder werk van Boelgakov wordt in dit boek 'geanalyseerd&rsquo'. Proffer legt ons uitvoerig uit welk 'karakter' de personen in zijn boeken en toneelstukken hebben, zodat je de indruk krijgt dat Boelgakov bij het ten tonele voeren van zijn figuren een aantal hoogst belangrijke mededelingen over hen achtergehouden heeft - in welke leemte nu door Proffer voorzien wordt. Zo vertelt zij ons dat de Noodlottige eieren en Hondehart stoelen op de Faust-idee: de mens mag zich niet in de plaats van God stellen, want dan gaat het mis.
Natuurlijk laten zich dit soort kalenderwijsheden aan deze verhalen illustreren. Maar lezen we daarom die verhalen? Was die wijsheid ons niet al zeer lang bekend? Is het niet een heel flauw, kinderachtig werk dat Proffer hier verricht? Je kunt immers via "analyse" en trouwens nog veel makkelijker, sneller en zekerder zonder "analyse", uit het werk van Boelgakov een groot aantal dingen halen die van dezelfde orde van interessantheid zijn als dat Faust-motief: chirurgen verrichten vaak operaties, 's winters is het koud, bij een burgeroorlog ben je je leven niet zeker, als de overheid zich met het repertoire bemoeit, is het moeilijk een goed stuk gespeeld te krijgen, bange mensen hebben soms de neiging te gaan lopen als het gevaarlijk wordt, en nog veel meer.
Proffer kan zich helemaal niet voorstellen dat je over een schrijver zou kunnen schrijven zonder zijn werk te "analyseren". Zij doet mij denken aan een Amerikaanse vriend, een oude socioloog die zich erover verbaasde dat je in sommige Europese landen geen whisky sour kon krijgen - hij beschouwde dat kennelijk als een algemeen menselijke drank. Zo constateert Proffer niet zonder ontsteltenis dat Boelgakovs boek over Molière absolutely no analysis of Molière's works bevat. Ook merkt zij op: There seems to be no serious side to Ivan Vasilievitch. Nee, inderdaad. Boelgakov wilde denk ik een goede klucht schrijven, en dat is nu eenmaal een veel serieuzer werk dan het illustreren van kalenderwijsheden.

Wat dat soort dingen betreft zijn geloof ik Engelse biografen beter: zij bespreken de werken wel, maar doen dat op een menselijke manier, zoals Evelyn Waughs biograaf Sykes of Orwells biograaf Crick.
Overigens moet ten gunste van Proffer gezegd worden dat zij bij de "analyseren" een prijzenswaardige redelijkheid en matiging betracht. Zij is vrij van de academische gewoonte om een op zichzelf redelijke en begrijpelijke tekst te doorspekken met moeilijke Griekse woorden uit de rubriek Increase your word-power van de Reader's Digest. Ik stuitte maar op één zo 'n Mieke Bal-woord: autonomasia, dat ik, omdat ik de Digest niet lees, niet ken, en waar ik vergeefs naar gezocht heb in mijn Webster en mijn Shorter Oxford Dictionary.
Verdienstelijk is ook dat Proffer de "Weense kwakzalver" overal buiten de deur heeft weten te houden, zodat de lezer gespaard blijft voor verdrongen homoseksualiteit (blijkend, uiteraard, uit die drie vrouwen), vaderbinding aan Stalin (die immers net als Boelgakovs vader een theologische opleiding genoot) en dergelijke.
De omstandigheden waaronder Boelgakov schreef en de tijd waarin hij leefde zijn, voor zover ik dat beoordelen kan, nuchter en zonder overdrijving naar de ene kant of naar de andere kant weergegeven. Ik vond maar één ding dat niet klopte: Proffer denkt dat Boelgakov het grafologisch rapport dat vorst Dolgoroekov tot auteur verklaart van de anonieme "diploma 's" die tot het duel en de dood van Poesjkin hebben geleid, niet gekend heeft toen hij zijn stuk De laatste dagen schreef. Maar dat rapport verscheen al in 1928. De uitgave van 1936 waar Proffer over schrijft is een herdruk. Ook heeft ze het een paar keer over de gecensureerde versie van De Meester en Margarita in het maandblad Moskwa van december 1966 en januari 1967. Inderdaad meende destijds iedereen dat de in Moskwa ontbrekende stukken op aanraden van de censuur (de censuur in Rusland verbiedt niet, maar adviseert) verwijderd waren, en men putte zich uit in verklaringen voor het ontbreken van aller­lei onschuldig lijkende passages. In 1968, in Moskou, vertelde mij Arkadi Belinkov (die in een commissie zat die zich met Boelgakovs nalatenschap bezighield) dat het geen kwestie van censuur geweest was: de redacteur van Moskwa kwam ruimte tekort - hij wilde met alle geweld een lang stuk van zichzelf erin hebben - en zette dus het mes in Boelgakov. Proffer kent dat verhaal blijkbaar niet.

Ellendea Proffer, Bulgakov: Life and Work, Ann Arbor, Ardis, 1984
NRC Handelsblad, 14 september 1984


VERANTWOORDING

donderdag 24 februari 2011
Vanaf het moment dat ik in 1973 min of meer bij toeval Boelgakovs Meester en Margarita kocht, in de uitverkoop nota bene, heb ik gepoogd alles van hem te pakken te krijgen waar ik de hand op kon leggen. In die pre-internettijden betekende dat genoegen nemen met wat je in je boekhandel vond. In hetzelfde jaar schafte ik nog Hondehart aan, De eieren der Rampp-spoed, Zwarte sneeuw, Het leven van de heer Molière en The White Guard (Fontana, 1971). En dat was het, want meer verscheen er niet. Heden ten dage bestaat er de in de jaren '90 uitgegeven driedelige Van Oorschot-uitgave, nogal pretentieus getiteld Verzamelde Werken. Want ze mag dan wel verzameld zijn, compleet is ze bij lange na niet. In andere talen is er inmiddels veel meer uitgegeven. Boelgakov lijkt over de grens populairder dan bij ons, al zag ik in 2010 (ps: met een reprise in april 2017) in het Amsterdamse Muziektheater een opera naar Hondehart. Maar ja, die was van een Rus, Raskatov. Aardige opera trouwens. In Rusland is Boelgakov natuurlijk pas echt geliefd. Praktisch alles wat hij heeft geschreven, is er inmiddels uitgegeven. En dan werd er voor de heffe des volks ook nog een twintigtigdelige televisieserie gemaakt naar De Meester en Margarita. Wie wil, kan er op YouTube stukken van zien, zonder ondertiteling uiteraard. Het heeft me altijd verbaasd dat Hollywood Boelgakov nog niet heeft ontdekt: hoezo droomfabriek? De combinatie lijkt me erg voor de hand te liggen en ik ben ervan overtuigd dat het een keer gaat gebeuren. Ik vind zijn humor ook bij uitstek filmisch. Lees de scène eens waarin Margarita tekeer gaat in het dramlithuis, in het appartement van de criticus Latoenski. Het is al met al onvoorstelbaar dat er mensen zijn die niet van Boelgakov houden, maar ze zijn er toch. Sneu volk. Een anderszins zeer belezen collega, maar wel een ernstig mens, zei ooit: "Ik houd niet van science fiction." Sindsdien neem ik hem, waar het om literatuur gaat, niet serieus meer. Want Boelgakov is natuurlijk een van de volbloed-genieën der literatuur en zijn satire is iets heel anders dan SF. Wat voor een lezer zo nu en dan een hindernis zou kunnen zijn, is een gebrek aan kennis van het Rusland in de jaren 30, want ook al lijkt ze me niet per se een noodzaak, het leesplezier wordt er wel door verhoogd. Terzijde: Boelgakov had het zelf kunnen bedenken, maar hij is, net als Pasternak, één van de Russische auteurs die door Stalin zelf werd gebeld. Dat was dus schrikken. Het gesprek dat volgde, had een hoog surreëel karakter en zou in een Diaboliade niet hebben misstaan. Wie zou er weerstand kunnen bieden aan De Meester en Margarita? Daarna zit er nog maar één ding op: de rest ook lezen.
Om een handje te helpen, bied ik hierbij wat proza aan dat behulpzaam zou kunnen zijn, uiteraard aan de hand van mensen die er meer verstand van hebben dan ik. Lesley Milne, voor wier kritische studie wel een beetje geldt wat Karel van het Reve schrijft over Ellendea Proffer, namelijk dat ze school heeft gegaan, en dus lang niet altijd even leesbaar is, schrijft toch ook met veel liefde over hem, en haar boek is rijk aan feiten. Jammer genoeg verweeft ze de biografie heel erg met Boelgakovs werk, wat anderzijds wel begrijpelijk is. Wie over Boelgakov schrijft, heeft bijna geen keus, en ik doe het zelf ook. Maar ik heb gepoogd maat te houden. Verreweg het grootste deel van Milnes boek is een literair-kritische studie, met alle onaangename kanten van dien. Dat betekent ook dat je het biografisch materiaal overal uit het boek vandaan moet sprokkelen, en dat het schaarser wordt naarmate je vordert, terwijl de lezer geleidelijk geïrriteerd raakt door de interpretatieve overmacht die Proffer demonstreert. Het boek lijkt eerder te bestaan uit een aantal essays over Boelgakovs werk. Wat me in aanmerking leek te komen, heb ik er dus maar uit gevist, voor wie er in geïnteresseerd is. Veel behulpzamer op dat punt was de voortreffelijke catalogus van Wilfried Schoeller, wie ik veel dank verschuldigd ben. Zijn boek is bovendien van recenter datum dan de studie van Milne, uit 1996 namelijk. De foto's die ik nog zal plaatsen, zijn er eveneens uit afkomstig. Verder heb ik er naar eigen goeddunken uit geput, samengevat, en soms geciteerd, maar dat laatste altijd tussen aanhalingstekens, als u begrijpt wat ik bedoel. Datzelfde geldt voor andere bronnen, zoals Paustovski. Als bijlage zal ik ook de 10 pagina lange brief geven die Boelgakov op 28 maart 1930 aan de Sovjet-autoriteiten schreef. Die moet ik nog wel even vertalen, uit het Engels, want het Russisch beheers ik helaas niet.
Na de biografie geef ik nog het stuk dat de onovertroffen Karel van het Reve in 1984 over Boelgakov schreef voor NRC, en dat nu ook is opgenomen in deel 5 van Van het Reves Verzameld Werk. En waar ik hier overal naar hartelust copyrights schend: Van het Reves stuk verscheen ook in NRC, al heb ik de tekst uit het Verzameld Werk. Ik ben ervan overtuigd dat hij me zonder aarzelen toestemming voor publicatie zou hebben gegeven, zeker in het geval van Boelgakov.


LITERATUUR

Boelgakov 1994-1
Boelgakov, M.A.
Verzamelde Werken I
Aantekeningen van een jonge arts, Morfine, De witte garde, Verhalen over de burgeroorlog
Vertaling: Aai Prins
Russische Bibliotheek
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1994, eerste druk

Boelgakov 1994-2
Boelgakov, M.A.
Verzamelde Werken II
Diaboliade, De eieren der Rampp-spoed, Hondehart, Het leven van de heer Molière, Zwarte sneeuw
Vertaling: Marko Fondse, Aai Prins
Russische Bibliotheek
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1994, eerste druk

Boelgakov 1994-3
Boelgakov, M.A.
Verzamelde Werken III
Vertaling: Marko Fondse en Aai Prins
De meester en Margarita
Vertaling: Aai Prins en Marko Fondse
Russische Bibliotheek
Amsterdam, G.A. van Oorschot, 1994, eerste druk

Bulgakov 1973
Bulgakov, M.
The White guard
Vertaling: Michael Glenny; epiloog: Viktor Nekrasov
Londen/Glasgow, Fontana Collins/Mc Graw Hill, 1973
[zonder ISBN, Engelstalig, Paperback, 288 pagina's]

Bulgakov 2013
Bulgakov, M.
Diaries and selected letters
Vertaald door Roger Cockrell
Londen, Alma Books, 2013
ISBN: 978-1-84749-303-3 (Gebonden, Engelstalig, 276 pagina's)

Bulgakowa 2006
Bulgakowa, J.
Margarita und der Meister
Tagebücher, Erinnerungen
Uit het Russisch vertaald door Antje Leetz en Ottokar Nürnberg
München, Random House/BTB, 2006, eerste Duitstalige uitgave Volk und Welt 1993
[Gebaseerd op het voor het eerst in Moskou uitgegeven Kniznaja palata, door Lidia Janovskaja en Viktor Lossev]
ISBN: 10-3-442-73595-5 (Paperback, Duitstalig, 590 pagina's)

Curtis 1991
Curtis, J.A.E.
Manuscripts don 't burn
Mikhail Bulgakov, a life in letters and diaries
Londen, Bloomsbury, 2012, 1e druk: 1991
ISBN: 978-1-4088-3121-2

Mjagkov 2006
Mjagkov, B.C.,Sokolov, B.E. en Gorpenko, I.Ja.
M.A. Boelgakov
Fotobiografie met foto's uit de collecties van Ellis Lak, B.C. Mjagkov, B.V. Sokolov, I.Ja. Gorpenko
en uit particuliere collecties van: E.A. Zemskaja, M.B. Sjaposjnikov, A.A. Zadikian, N.G. Kolibanova, A. P. Kontsjakovski M.B. Zolotarev en van de erfgenamen van M.A. Boelgakov
Moskou, Staatsliteratuurmusea, 2006 (Russischtalig)
ISBN: 5-902152-15-1

Milne 1990
Milne, L.
Mikhail Bulgakov
A critical biography
Cambridge, Cambridge University Press, 2009 [digitale herdruk]
1e druk 1990
ISBN: 978-0521-12246-7

Schoeller 1996
Schoeller, W. F.
Bulgakow
Bilder und Dokumente
Begleitbuch zur ausstellung
Michail Bulgakow, Manuskripte brennen nicht
Berlin, Verlag Volk und Welt, 1996
ISBN: 3-353-01049-1

Paustovski 1970-1
Paustovski, K.
Verre jaren
Herinneringen aan het tsaristisch Rusland 1
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, 1970; 3e druk 1983

Paustovski 1970-2
Paustovski, K.
Boek der omzwervingen
Herinneringen aan het tsaristisch Rusland 6
Vertaling Wim Hartog
Amsterdam, Arbeiderspers, 1970; 3e druk 1983

Sora 1991
Sora, D. di en Negarville, L.
Mosca, la città del Maestro
con i diari inediti, una guida dei luoghi bulgakoviani
Rome, Robin Edizioni, 2001; eerste druk: 1991. Libri bianchi nr. 11