NEGENTIENDE-EEUWERS AAN DE AMSTEL


IMPRESSIONISTEN IN DE HERMITAGE

vrijdag 22 juni 2012
Waarom de keuze voor titels van tentoonstellingen zo vaak een ongelukkige hand verraadt, dat zou je wel eens willen weten. Ik vermoed dat degenen die belang hebben bij een voorspoedige kaartverkoop er verantwoordelijk voor zijn. Want tja, hoe gaat zoiets? Je werkt aan zo 'n tentoonstelling, aan de catalogus en besteedt daar al je tijd aan, en meer. Zaakje af, god zij geprezen, vraagt er iemand: en hoe gaan we het noemen? Impressionisten, zegt dan een manager. Zo zal het wel gekomen zijn. De werkelijkheid is ook te ingewikkeld voor zo 'n beleidsmens. Voordat ik aan het zeuren sla, toch maar de mededeling dat de tentoonstelling aardig is, er heel wat mooi werk hangt, terwijl de catalogus zelfs voortreffelijk is, beter dan de tentoonstelling zelf, eerlijk gezegd. De Hermitage doet veel moeite voor zijn publiek. Daar kunnen sommige musea een voorbeeld aan nemen. Maarre, heel veel impressionisme zult u er niet aantreffen. Wees maar blij. Gaat u zelf kijken, zou ik zeggen. U hebt nog een half jaar de tijd, tot 13 januari 2013. Als u 's ochtends een beetje op tijd komt, is het nog rustig. Wat zegt u? Deventer? Dat is uw eigen schuld. Met een museumjaarkaart mag u er gratis in en anders betaalt u € 12.50. Betaalde moet ik zeggen, sinds oktober 2012, want nu Van Gogh is gearriveerd, betaalt u € 17.50, wat niet mis is als u niet voor Van Gogh komt. En daarover klagen heeft geen zin.

Deel voorzijde catalogus. Kostenevich, A. (ed.) Impressionisme; sensatie en inspiratie; favorieten uit de Hermitage. Amsterdam, Museumshop Hermitage, 2012. ISBN: 978 90 78653 318 (NL) (paperback) ISBN: 978 78653 325 (EN) (paperback) € 29.50

Tentoonstellingscatalogus

TENTOONSTELLING

01 Het scheelde maar weinig of deze tentoonstelling had Barbizon in de Hermitage kunnen heten: Boudin (1), Corot (4), Daubigny (3), Diaz de la Pena (2), Dupré (2), Millet (1) en Rousseau (1). 16 doeken in totaal. Dit is natuurlijk Camille Corot (1796-1875). Het schilderij is uit het latere deel van zijn carrière, ergens tussen 1865 en 1870. Het heeft de grijze, ietwat wazige atmosfeer die typerend is voor veel werk uit deze tijd, en waarvan zoveel doeken een titel droegen met het woord Souvenir: herinnering. Italië door noordelijke nevels, schreef een criticus. Ik memoreerde elders al dat sommige Parijse stoffenwinkels Gris Corot verkochten. Se non è vero... Aleksandr Babin vermeldt in het bij het schilderij gaande artikeltje dat Corot er zelf nog een repliek van maakte. Dat hopen we dan maar, dat Corot het zelf deed, bedoel ik. Corot is éen van de meest vervalste schilders uit de geschiedenis. In de collectie van de Moskouer Tretjakov, uit welks verzameling het schilderij kwam, heette dit Ochtend.

Het kan nauwelijks verwondering wekken dat op deze tentoonstelling veel aandacht wordt besteed aan de schilders van Barbizon, of mensen uit de omgeving van de groep. Over de verhouding van de diverse schilders rond de impressionisten met Corot heb ik elders genoeg geschreven. Corot en zijn generatiegenoten, leerlingen vaak van Pierre-Henri de Valenciennes, of van diens leerlingen, zoals Bertin of Michallon, gingen allemaal naar Italië, en raakten er daar aan gewend buiten te werken, gewoonte die ze voortzetten nadat ze terugkwamen in Frankrijk. Dat deden ze al gauw in het Bos van Fontainebleau. Die eerste generatie koos nog voor het daar gelegen Chailly (eigenlijk Chailly-en-Bière), om de eenvoudige reden dat er zich een paar herbergen bevonden en de postweg erlangs liep. Ook over Fontainebleau heb ik elders genoeg gezegd. De tweede generatie, die van de schilders na Corot, zou niet meer naar Italië gaan, maar naar Fontainebleau togen ze wel, ook al kozen ze dus voor het gehucht Barbizon, dat de naam verleende aan de school. Monet kwam al op zeer jonge leeftijd terecht in Fontainebleau, nog in gezelschap van de zoon van een logé van de familie, Beguin-Billecocq, om er pas weer terug te keren terwijl hij nog op de Académie Suisse verbleef, met Pasen 1863, wanneer hij bijvoorbeeld zijn Weg van Chailly schildert. Monet verscheen als lid van een derde generatie echter in het gezelschap van honderden anderen, want Fontainebleau stond aan het begin van de zestiger jaren op het hoogtepunt van zijn faam, en hij ging weer naar Chailly, zoals de eerste generatie ooit had gedaan. Het valt op dat het werk van Barbizon dat op deze tentoonstelling hangt, allemaal van tamelijk late datum is. Ik vermoed dat de Russische verzamelaars er laat bij waren, later dan veel Nederlanders, van wie er sommigen nu eenmaal zelf in Barbizon werkten, zoals Jongkind.

01 Jean-Baptiste Camille Corot (1797-1875) [Paysanne gardant sa vache à la lisière d'un bois] Boerin die haar koe hoedt aan de rand van een bos, 1865-1870. Olieverf op linnen, 47.5 x 35 cm. Gesigneerd rechtsonder: Corot. Sint Petersburg, Hermitage. Bron: Catalogus Tentoonstelling. Nr. 17

Corot, Boerin die haar koe hoedt, ca. 1865

02 In Frankrijk vormden De Valenciennes ideeën een bevrijding van de classicistische voorschriften, iets wat Nederlandse schilders in de zeventiende eeuw niet nodig hadden. Wel bleef het landschap laag aangeschreven staan in de Franse genrehiërarchie. Bovendien was het buiten gemaakte doek niet het einddoel van de kunstenaar. De laatste stap in het creatieve proces was het herscheppen van het in de natuur ontstane werk. De Valenciennes sprak van ressouvenir: het zich weer in de herinnering halen, en dat wilde zeggen: herscheppen, wat dan gebeurde in het atelier. Ook de schilders van Barbizon werkten buiten, maar maakten hun doeken binnen af. Dat neemt niet weg dat Barbizon een belangrijke stap was in de ontwikkeling naar een ander soort schilderkunst.

Zoals het Naturalisme in de literatuur eerder een bevrijding is van het juk der traditie, met niet zo heel veel echt grote literatuur, terwijl de stroming voorgoed de grenzen van het mogelijke verlegt, zo lijkt ook het Impressionisme me veel meer een stijl dan dat ze in het werk van individuele kunstenaars tot grootse daden leidt. Ik ben me er overigens van bewust dat die boodschap weinig populair zal zijn, want de stroming is nog zeer in de mode. Maar toch. Waar het Naturalisme in de literatuur vooral het persoonlijke eigendom is van Zola, en verder maar weinig grote boeken heeft voorgebracht, terwijl de vruchten ervan nog decennialang zichtbaar zullen zijn in het werk van vele schrijvers die met het Naturalisme nauwelijks meer geassocieerd worden, zo lijkt me iets soortgelijks het geval voor de impressionisten. Want wie van degenen die nu impressionist worden genoemd, zijn dat eigenlijk? Monet en Sisley misschien, Pisarro tot het begin van de jaren ’80, Renoir misschien in dezelfde periode. En hoeveel Monet kunt u eigenlijk bij elkaar verdragen? Maar tegelijkertijd zie je de stijlverschijnselen ervan overal terug: de primaire kleuren, de ongeverniste doeken, de lossere toets en de veel vrijere onderwerpskeus die de klassieke genrehiërarchie omver werpt. Het is de anti-, of non-academische benadering die hen onderscheidt van de officiële, door de Salon goedgekeurde schilderkunst.

En dit is natuurlijk de man die als aartsvader van het Impressionisme wordt beschouwd, Monet. Enkel een oog, maar wat voor een oog! hoor ik hier te schrijven. In 1876 verbleef Monet, die op dat moment zelf nog net in Argenteuil woonde, bij Ernest Hoschedé, in Montgeron, op diens landgoed Rottembourg, aan de Yerres, in Seine et Oise, ten zuiden van Parijs. Caillebottes vader bezat daar trouwens ook een landgoed en de schilderende zoon werkte er tot hij in 1879 verhuisde naar de Bld Haussmann in Parijs. Zie bijvoorbeeld De Yerres bij regen en Park bij het landhuis van de Caillebottes. Ernest Hoschedé (1837-1891) had van zijn vader een goedlopende stoffenhandel geërfd en zijn vrouw, Alice Raingo, van Belgische afkomst, was eveneens in goeden doen dankzij een erfenis. Het landgoed Rottembourg behoorde tot haar erfdeel. Hoschedé was een vroege verzamelaar van Monet, en de eerste bezitter van het beroemde Impression soleil levant, dat nu in Marmottan hangt. Hij verzamelde nog veel meer en leefde bovendien op zeer grote voet. Hij zou alles wat hij had tot op de laatste cent opmaken aan zijn kunstverzameling, met als gevolg dat hij in 1874 werd gedwongen het familiebedrijf te verlaten, waarna hij zich tot de journalistiek bekeerde. Terwijl Monet in de herfst van 1876 op Rottembourg verbleef, was Hoschedé in Parijs druk in de weer zijn financiën te redden. Ten slotte werd zijn verzameling geveild en bracht dramatisch slechte prijzen op. Monet had vermoedelijk al vanaf 1875 een verhouding met Alice Raingo, op een moment dus dat hij nog getrouwd was met Camille Doncieux, die in 1879 sterft aan baarmoederhalskanker. Pas als Ernest Hoschedé in 1892 overlijdt, zal Monet met Alice Raingo trouwen. Dit doek maakt deel uit van een serie als decoratie bedoelde doeken voor Hoschedés landgoed. Kostenevitsj meldt in het bij het schilderij gaande essay dat Monet het binnen maakte. Het hing op de derde impressionistische tentoonstelling, die van 1877 aan de rue Le Peletier.

02 Claude Monet (1840-1926), [L' étang à Montgeron] De vijver in Montgeron, 1876. Olieverf op linnen, 174 x 194 cm. Monogram rechtsonder: Cl. M. T. Sint Petersburg, Hermitage. Bron: Wildenstein 2010

Monet, De vijver in Montgeron, 1876

03 En juist op het moment dat die Salon een bredere aandacht begint te trekken onder een steeds beter geschoold publiek, dat ermee kennis kon maken via de eerste proeven van grafische reproductie, wordt de Salon, dat door de Academie van Beeldende Kunst georganiseerd evenement, in 1863 een jaarlijkse tentoonstelling, in plaats van een tweejaarlijkse. Er ontstaat onmiddellijk rumoer als erg veel werk wordt geweigerd en de keizer een Salon van geweigerden toestaat. En daar is Manet de kop van jut. En dan vooral omdat hij met zijn Le Bain, nu Déjeuner sur l'Herbe, een klassiek thema schildert in een stijl die zich daarmee niet laat rijmen. Wat voor de landschapsschilders was toegestaan, was Manet verboden. Ruim tien jaar later wekt Caillebotte de verbazing van de kritici – en niet te vergeten van zijn eigen collega 's – door de zaak andersom aan te pakken en zijn Parketschavers te schilderen in academische stijl.

Naast de ruwweg 20 werken van Barbizon, is er ook van de academische schilderkunst in de Hermitage genoeg te zien: geen Stevens, of Tissot, geen Gleyre of Delaroche, geen Bonnat, maar wel Bouguereau (1), Cabanel (1), Carolus-Duran (1) en Gérôme (2). Maar ook veel mindere goden: Boulanger (1), Chaplin (1), Compte-Calix (2), Benjamin Constant (1), Fromentin (1), Grandjean (1), Heilbuth (1), Laurens (2), de Neuville (2), Roybet (1) en Scheffer (1). In totaal: 19.

De man die zich in 1894 fel verzet tegen de acceptatie van een legaat van Caillebotte door het Luxembourg – verhaal dat in de Hermitage-catalogus uitgebreid wordt gedaan – namelijk Jean-Léon Gérôme, maakt werk dat de ergernis opwekte van de academici, waartoe hijzelf behoorde en werd ervan beschuldigd de historieschildering te verlagen tot “peinture de genre.” Tien jaar later is de Salon zelf in de war. Als Gérôme in 1874, hoogtij-jaar van het Impressionisme, de gouden medaille krijgt voor zijn Éminence Grise, onstaat er schandaal omdat die prijs niet bedoeld was voor genrestukken. Gérôme schenkt uit woede de prijs aan zijn leerlingen. Op dit schilderij grijpt Gérôme terug naar eerdere succesformules. Hoewel het onderwerp uit de klassieke geschiedenis komt, is de aanpak die van een genre-schilder, reden waarom ook de eigen academische collega's ontzet waren over Gérômes benadering. Dat Baudelaire in verband met Gérôme sprak over geschiedenis op pantoffels, dat Degas een voorloper van dit schilderij als pornografie bestempelde, dat zal Gérôme weinig hebben uitgemaakt, maar ook een deel van de officiële kritiek was hem vijandig gezind. Nadat aan het begin van de jaren '70 het virus van het impressionisme zover om zich heen heeft gegrepen dat zelfs Manet soms buiten schildert (maar niet Degas), is er vijf jaar later onder de collega's al kritiek hoorbaar als Monet aan zijn eerste grote series begint, raakt Pisarro in de ban van de nog jonge Seurat en zoekt ook Renoir naar nieuwe wegen. Algemeen begint er ook onder de schilders kritiek te ontstaan op het faciele karakter van zoveel impressionistisch genoemd werk. Al vanaf het begin is er onenigheid onder de schilders zelf over het etiket dat ze krijgen opgeplakt. Degas probeert Caillebotte aan zijn kant te krijgen en nodigt Stevens uit voor de eerste tentoonstelling van 1874. Die weigert.

03 Jean-Léon Gérôme (1824-1904) [Vente d'une esclave à Rome] Verkoop van een slavin in Rome, 1884. Olieverf op linnen, 92 x 74 cm. Gesigneerd linksonder: J.L. Gérôme. Sint Petersburg, Hermitage. Bron: Catalogus Tentoonstelling nr. 44

Jean-Léon Gérôme, Verkoop van een slavin in Rome, 1884

04 Feit is dat die titel van de tentoonstelling in de Hermitage aan de Amstel, die bovendien voorzien lijkt van maar liefst twee ondertitels (sensatie & inspiratie, en: favorieten uit de Hermitage) de bezoeker enigszins op het verkeerde been zet. In het voorwoord bij de catalogus schrijft de directeur van de Amsterdamse Hermitage, Cathelijne Broers – terecht – dat in deze tentoonstelling de context van het impressionisme centraal staat. En dat betekent vooral dat het aandeel der impressionisten zelf in deze tentoonstelling niet zo heel groot is en bovendien nogal grillig van kwaliteit, omdat de geëxposeerde werken nu eenmaal alle uit de Petersburgse Hermitage afkomstig zijn en je geen ijzer met handen kunt breken. De bezoeker zal er geen Caillebotte aantreffen, éen Degas - een tekening - éen Manet (ook al een tekening), maar wel 5 Monets, 3 Cezannes, 3 Gauguins, 4 Renoirs, 1 Pisarro en 2 Sisleys. Hierbij natuurlijk Cezanne, met werk uit de tijd dat hij in de buurt van Créteil werkt, aan de Marne. Het huis was ooit blijkbaar in bezit van de kunsthandelaar Durand-Ruel, zo vermeldt Aleksandr Babin in het bijgaande artikel. Er bestaan van hetzelfde tafereel meer versies, en ook nog een aquarel. Zelf vind ik het opmerkelijk hoe Cezanne, wiens werk uit de late jaren '60 en begin jaren '70 zo'n woest ongecontroleerde, welhaast amateuristische indruk maakt, er uiteindelijk in slaagt dit te schilderen. Overigens verraste de in de catalogus gegeven datering van dit doek me enigszins. Heden ten dage wordt het werk dat Cezanne rond de Marne maakte, een paar jaar later gedateerd, meestal rond 1894. Ik heb me daar op mijn pagina over Cezanne aan gehouden. Daar begin ik mijn overzicht van het werk dat Cezanne er schilderde met zijn Verbrande molen. Het mooiste werk op de Hermitage-tentoonstelling is naar mijn idee niet dat van Monet, maar van Cezanne, van wie er ook een stilleven hangt (1879/80) en zijn Roker van ca. 1890, die sterk lijkt op een andere versie, nu in Mannheim.

04 Paul Cezanne (1839-1906) [Les bords de la Marne] Oever van de Marne, 1888-1890 (maar zie voor de datering bijgaande tekst). Olieverf op linnen, 65.5 x 81.3 cm. Sint Petersburg, Hermitage. Bron: Catalogus Tentoonstelling nr. 8

Cezanne, Oever van de Marne, ca. 1888

05 Voor een tentoonstelling, getiteld Impressionisme, is het zodoende toch merkwaardig dat er van de 80 geëxposeerde schilderijen in totaal zo'n 20 afkomstig zijn van de impressionisten, of van mensen uit hun omgeving, al kun je Cezanne daar welbeschouwd nauwelijks toe rekenen, en is het werk dat er van Gauguin hangt, afkomstig uit zijn periode in de Stille Zuidzee en heeft ook dat met het impressionisme weinig van doen. Dat alles wil niet zeggen dat u nu maar thuis moet blijven, want al met al is dit best een aardige tentoonstelling. Per slot van rekening moet u, om Monets Vrouw in een tuin te zien, normaliter naar Sint Petersburg. Wel vind ik de catalogus heel wat bevredigender dan de tentoonstelling, al hebben de makers ook daar veel moeite voor gedaan. Tussen de schilderijen door hangen her en der affiches, die de indruk wekken van krantenpagina's, met soms wel erg pakkende koppen - RATTEN OP HET MENU - in verband met de periode van de Parijse Commune. Zo nu en dan is er een tekstblok, over Barbizon, over de Salon, over een schilder. Er is een groot overzichtstableau met alle Parijse locaties van de impressionistische schilders (dat niet in de catalogus werd opgenomen). Maar al met al wekt de expositie wel een enigszins bijeengeraapte indruk. Maar ook de drie Renoirs die er hangen zijn erg mooi. Kostenevitsj, die het artikel schrijft bij dit schilderij, gaat er vanuit dat het model hetzelfde is als op Renoirs beroemde Slapende meisje met de kat. U weet wel, dat meisje met het aan éen kant over de schouder afgezakte bloesje in de rode fauteuil. Ik vermoed dat hij gelijk heeft, maar - ik wijdde er al een stukje aan - traditiegetrouw wordt aangenomen dat het gaat om de dochter van de restauranthouder Fournaise, Alphonsine.

05 Pierre-Auguste Renoir (1841-1919) [Jeune femme à l' éventail] Jonge vrouw met waaier, 1880. Olieverf op linnen, 65 x 50 cm. Gesigneerd rechtsboven: Renoir. Sint Petersburg, Hermitage. Voor een complete bespreking zie hier op mijn aan Renoir gewijde pagina. Bron: Catalogus tentoonstelling nr. 71

Renoir, Jonge vrouw met waaier, 1880

06 Hoe kom ik hier nou weer bij? Ik zou u natuurlijk nog even Carolus-Durans mooie Portret van vorstin Anna Obolenskaja moeten laten zien - vooruit dan - of Manets tekening van Mevrouw Guillemet, vrouw die ook aanwezig is op Manets Wintertuin (Dans la serre), of desnoods Degas' tekening van zijn Danseresje dat haar spitzen vastmaakt, maar ik dacht: kom, die kent u allemaal al. Maar is deze niet schattig? En nog geestig ook? Dit is Dagnan-Bouverets In het Louvre. Overmoedig is ze wel, ons in rococo uitgevoerde schilderesje in galakledij. Want wat kopieert ze hier, op een waaier nota bene? Inderdaad, een detail blijkbaar van Watteaus prachtige Bedevaart naar het eiland van Cythera (Pèlerinage à l'île de Cythère), dat op de tweede verdieping van Sully in het Louvre hangt.

06 Pascal Adolphe Jean Dagnan-Bouveret (1852-1929) [Au Louvre/Jeune femme/aquarelliste au Louvre], In het Louvre, of: Jonge vrouw, of: Aquarelliste in het Louvre, 1881. Olieverf op hout. 35.5 x 30.5 cm. Sint-Petersburg, Hermitage. Bron: Catalogus tentoonstelling nr. 21.

Dagnan-Bouveret, In het Louvre, 1881

CATALOGUS

07 De catalogus is uitstekend, veel beter dan gemiddeld in Nederland gebruikelijk is. Na een inleidend essay van Albert Kostenevitsj (Kostenevich, schrijft de catalogus) van vijftien pagina’s volgen de tachtig nummers van de tentoonstelling, alfabetisch op naam van de kunstenaar, elk op tenminste de tegenover liggende pagina begeleid door een essay dat ook al informatiever is dan gemiddeld en dat van elk doek de achtergrond schetst. Bij feitelijke vermeldingen wordt in de tekst direct de bron vermeld (in een ander lettertype en afwijkende kleur), terwijl van citaten ook het Franse origineel wordt gegeven. De vier bij de essays betrokken auteurs lijken me allemaal Russen, zodat het bij alle artikelen om vertalingen gaat. Naar mijn idee zijn die niet altijd even soepel trouwens. Kostenevitsj is werkzaam voor de Petersburgse Hermitage en dat geldt ook voor Michail Dedinkin. Beiden waren ook al betrokken bij de eerdere, erg mooie en zeer verzorgde tentoonstelling met modernisten in de Amsterdamse Hermitage. De twee andere auteurs zijn Jelena Kartsjova en Aleksandr Babin, naar ik vermoed eveneens werkzaam voor het Petersburgse museum. In een aparte catalogusbijlage (B) worden de 80 doeken en hun makers beschreven: originele titel, maten, medium en beknopte biografie van de kunstenaar. Als sympathiek extraatje zijn toegevoegd de negen Van Goghs die in het bezit zijn van de Petersburgse Hermitage, en die niet op de Amsterdamse tentoonstelling aanwezig zijn. Kostenevitsj schrijft:

De Hermitage bezit slechts negen werken van Van Gogh, maar zonder valse bescheidenheid kunnen we deze selectie plaatsen bij ’s werelds beste verza-melingen van deze kunstenaar. De schilderijen verlaten het museum nooit, onder andere vanwege hun kwetsbaarheid. Desondanks is het gerecht-vaardigd de meesterwerken op te nemen in de catalogus van een tentoonstelling van impressio-nisten uit de Hermitage, in het geboorteland van de grote kunstenaar.

Die negen worden grondig beschreven en ingeleid (op naar ik vermoed per ongeluk afwisselend geel en grijs papier), en gereproduceerd in een verder op geel papier afgedrukte bijlage van zo’n 35 pagina’s. Nederlanders kunnen wel zeuren over de arme Russische homo's, maar deze Russen valt niets te verwijten. Het lijkt RMN wel. Goed hoor.

07 Charles Émile Auguste Carolus-Duran (1837-1917) [Portrait de la princesse A.A. Obolenskaja] Portret van vorstin Anna Obolenskaja, 1889. Olieverf op linnen, 120 x 77.5 cm. Gesigneerd en gedateerd rechtsboven: Carolus-Duran/ Paris 1887. Sint Petersburg, Hermitage. Bron: Catalogus tentoonstelling nr. 5

Carolus-Duran (1837-1917), Portret van vorstin Anna Obolenskaja, 1887

Kostenevich, A. (ed.)
Impressionisme
Sensatie & inspiratie
Favorieten uit de Hermitage

Amsterdam, Museumshop Hermitage, 2012
ISBN: 978 90 78653 318 (NL) (paperback)
ISBN: 978 78653 325 (EN) (paperback)
€ 29.50

Wildenstein, D.
Monet
Or the triumph of Impressionism
Keulen, Taschen, 2010
ISB: 978-3-8365-2321-9