GÉRÔME IN ORSAY: PLAATJESMAKER

woensdag 17 november 2010
Misschien de interessantste van de hierbij besproken tentoonstellingen is die in het Parijse Musée d'Orsay (10 oktober 2010-23 januari 2011). Een beetje jammer is de keus voor die locatie wel, want ik vermoed dat ze ertoe zal leiden dat Gérôme minder aandacht krijgt dan hij verdient. Tentoonstellingen in Orsay hebben van nature last van de nabijheid der grote vaste collectie, waar de meeste bezoekers van het museum nu eenmaal op afkomen, en dat ook nog van heinde en ver. Velen zullen zich daartoe beperken, en als ze dat niet doen, bezoeken ze Gérôme nadat ze zich langs de vaste collectie hebben gesleept. Want de andere musea in Parijs moeten ook nog worden afgewerkt. En dan slaat de museale uitputting natuurlijk gauw toe. En wie slordig kijkt, denkt bij Gérôme misschien al snel: hmm, wegwezen. Gérôme verdient een apart bezoek, maar het ligt voor de hand te denken dat het vooral Parijzenaars (en Fransen) zullen zijn die zich die luxe kunnen permitteren. Misschien is dat wel een beetje de bedoeling, want de tentoonstelling heeft al plaatsgevonden in Los Angeles (Getty), en gaat nog naar Madrid (Thyssen-Bornemisza, 1 maart 2011-22 mei 2011). Ik vond het een beetje zonde om zo'n tentoonstelling tegelijkertijd te organiseren met die Monet-blockbuster in het Grand Palais. Het komt me voor dat een locatie als het Grand Palais zelf beter had gediend, maar jawel, ik begrijp het. Orsay is nu eenmaal het terrein van de academische negentiende-eeuwers. Desalniettemin blijft het een merkwaardige zaak dat de grote overzichtstentoonstellingen van de impressionisten, maar ook die van andere niet-academische tijdgenoten, sinds 1980 traditiegetrouw in het Grand Palais plaatsvinden, zoals ook die van Courbet, Corot en Daumier daar werden gehouden.

Tegelijkertijd is er, nadat Monet en consorten (wat welbeschouwd een dubieuze formulering is) een eeuw lang de kunstgeschiedenis hebben geregeerd, sprake van een zekere historische rechtvaardigheid, al spelen andere factoren dan kunstzinnige ongetwijfeld ook een rol. Eén van die kunstzinnige factoren is uiteraard de groeiende belangstelling voor strikt figuratieve schilderkunst, na de langdurige heerschappij der abstractie. Ik schreef het al: Monet in het Grand Palais, Oriëntalisten in Brussel, Naturalisten in Amsterdam. En dan ook nog Gérôme. Dat is alles bij elkaar een figuratieve renaissance van formaat, binnen welk gezelschap Monet inderdaad dienst doet als modernist. Het komt me echter voor dat Monet binnen zijn eigen gezelschap, ondanks alle pogingen het tegendeel te bewijzen, de conservatiefste is, en de minst moderne. Tegelijkertijd is er vanzelfsprekend de kunsthandel, en is er de markt, die er altijd belang bij heeft een teloor gegane schilder een nieuw leven te bezorgen en hogere prijzen. Opgemerkt moet nog worden dat Gérôme nooit helemaal uit zicht is geweest, iets waarop in de meer dan voortreffelijke, bij de tentoonstelling geleverde catalogus met nadruk wordt gewezen. En dat is dan vooral te danken aan de Amerikaan Gerald Ackerman, die een catalogue raisonnée van Gérôme's oeuvre samenstelde, eerder al betrokken was bij een aan Gérôme gewijde tentoonstelling in Dayton (Ohio), in 1972, en die ondanks zijn hoge leeftijd (82) ook voor de huidige tentoonstelling in Orsay werd geraadpleegd.
Zodoende is het niet ondenkbaar dat er bij de gemiddeld geïnteresseerde, en wellicht wat minder goed geïnformeerde, aangaande deze tentoonstelling een zeker wantrouwen ontstaat. Ik had – vreemde vergelijking misschien – bij Gérôme hetzelfde als ooit bij Fragonard. Wie hem beoordeelt op zijn bekendere werk, doet hem onrecht en miskent zijn kwaliteiten. Ik kende trouwens niet zoveel van Gérôme. Hoe dan ook, bij een belangrijk overzicht als dit is de Amerikaanse inbreng geen toeval. Daarover later. Ackerman haalde zijn graad in Berkeley (Ca), op geringe afstand van Hollywood, ik zeg het maar even. Overigens werden aan sommige delen van Gérôme's oeuvre eerder tentoonstellingen gewijd, onder andere in het Van Goghmuseum in 1996. Maar dit is de eerste serieuze overzichtstentoonstelling sinds zijn dood in 1904.

De catalogus bij de tentoonstelling is zoals gewoonlijk – en nee, laat u zich door de omslag niet misleiden - een juweel. Ze bevat een aantal essays, niet enkel aan het begin, maar ook tussen het catalogusdeel door, heeft aan het eind een chronologie van Gérôme's leven, een index op werken en één op eigennamen, een bibliografie, en een bloemlezing met teksten over Gérôme van tijdgenoten. Dat is allemaal vast onderdeel van de catalogi zoals ze worden uitgebracht door RMN. En dan is er natuurlijk de hoofdmoot, die wordt gevormd door een uitgebreide beschrijving van elk van de 193 catalogusnummers, bij elkaar ruwweg 330 pagina’s, even vanzelfsprekend met daarbij een afbeelding in kleuren van het nummer zelf, zonodig met details, met een bibliografie, maar ook met eventueel de afbeelding van verwante werken en studies in andere media. Daar komt de lezer alles over het betreffende werk te weten waarin hij maar geïnteresseerd zou kunnen zijn, inclusief de eventuele correspondentie erover van Gérôme zelf, van de ontstaansgeschiedenis, de expositie- en verkoophistorie, van de achtergrond, met een uitleg van alles wat niet op het eerste gezicht begrijpelijk is. De lezer ervan houdt er vooral één sentiment aan over: hij wordt heel, heel erg serieus genomen. En natuurlijk de bijkomende ergernis: waarom kan dit nooit in Nederland? Waarom worden Nederlandse lezers van catalogi zo vaak als zwakbegaafd beschouwd? Die vijftig euro is in elk geval geen cent teveel. Nou ja, één puntje van kritiek heb ik wel. De catalogus is alleen in paperback uitgegeven, en dat is volgens mij voor het eerst. Alle eerdere waren gebonden. En de uitgever is, ook voor het eerst niet RNM zelf, maar Skira, samen met Flammarion. Ik vond de lay-out en typografie met al die vetgedrukte koptitels licht ordinair. Maar mijn bewondering voor dit soort catalogi gaat zelfs zover, dat ik me heb afgevraagd: is het opzet? Want dat ordinaire past wel bij Gérôme. Zelfs de keuze voor de omslag, Gérôme's beroemde Pollice Verso (Duim omlaag, cat.nr. 71) oogt ordinair, een beetje als een filmposter. Amerikaans dus. Is het bedoeld als knipoog naar de film Gladiator? Als dat zo is, dan is die knipoog wel bedoeld om kopers en bezoekers te trekken. En of dat lukt, is de vraag.

01 Van Gérôme bestaan er genoeg foto's waarbij hij opzichtig en in vol ornaat als schilder poseert, maar deze, blijkbaar gemaakt tegen het einde van zijn carière, oogt tamelijk realistisch. De maker ervan is onbekend.

01 Jean-Léon Gérôme tekenend in zijn atelier, Foto, Anoniem, rond 1900, privé-collectie

Jean-Léon Gérôme in zijn  atelier, rond 1900

Jean-Léon Gérôme wordt geboren in 1824, in het Oost-Franse Vesoul (Haute-Saône), in Franche-Comté. Hij is dus ouder dan bijvoorbeeld Monet (1840), Manet (1832) en Degas (1834), wier paden hij overigens verschillende keren zou kruisen, maar ook van Bonnat (1833), met wie hij wel wat gemeen heeft (maar sommige dingen niet). Hij is zelf weer jonger dan bijvoorbeeld Gleyre (1806), en Vernet (1789), terwijl Jean-Antoine Gros zou sterven toen hij nog jong was (in 1835) en Gericault trouwens in het jaar van zijn geboorte. Als zodanig valt Gérôme precies tussen twee grote schildersgeneraties in. Terwijl Ingres nog doorwerkt tot in de zestiger jaren van de negentiende eeuw, hij als jongere les krijgt van een leerling van Ingres en van Gros, moet hij al snel de confrontatie aan met een groep schilders die werken vanuit een heel andere achtergrond, en met heel andere opvattingen. Van een gelijke strijd is daarbij aanvankelijk niet bepaald sprake. Afgezien daarvan is het vooral een strijd over de stijl, en niet over de thematiek. Hij blijkt, net als Degas en Ingres, al gauw een uitstekend tekenaar, iets wat ook op de Orsay-tentoonstelling goed te zien is. In de oorlog die Ingres decennia lang zou voeren met Delacroix, moet Gérôme een medestander zijn geweest van de classicist Ingres, maar – naar ik vermoed – iemand met wie die niet altijd even blij was. Zoals bekend heb je met sommige medestanders geen vijanden nodig.

In 1840 komt Gérôme terecht in het Parijse atelier van Delaroche (1797-1856), die dan op het hoogtepunt van zijn roem is en tussen 1832 en 1843 les geeft aan de Académie des Beaux Arts. Diens Supplice de Lady Jane Grey (De executie van Jane Grey, Londen, National Gallery) is naar ik vermoed tegenwoordig zijn bekendste schilderij. Het hing op de salon van 1833. De keus voor Delaroche, en later voor Charles Gleyre (1806-1874) zegt wel wat over Gérôme's interesses en voorkeuren. Het was het atelier van Gleyre waar Monet jaren later Bazille, Sisley en Renoir zou leren kennen. En toen Manets vader eiste dat zijn zoon, na diens mislukte marine-carrière, als hij dan toch perse kunstenaar wilde worden, naar de Academie ging, wist die Gleyre te vermijden, en koos hij Couture, want hij begreep wel dat hij anders weer klassiek gehelmde helden zou moeten schilderen. En daar hield Manet niet van. Gérôme daarentegen was gek op klassiek gehelmde helden: het zou zijn specialiteit worden. Ik vermoed dat bij dit alles ook de familie-achtergrond een rol speelt. Manet kwam uit een intellectueel, en toch al enigszins artistiek getint milieu, in Parijs bovendien. Gérôme's vader kwam uit de gegoede middenstand en was juwelier, in de Franse provincie, waar de klassieke deugden ongetwijfeld nog werden bezongen als vanouds. Als Gérôme's vader zoonlief in 1841 in Parijs bezoekt, is die dan ook zo tevreden dat hij hem 1200 francs jaarlijks toekent, waarmee zijn jongeling voorgoed van alle financiële ergernis is bevrijd. Later zal Gérôme op zijn beurt vader rijkelijk belonen. In 1842 stelt hij voor het eerst tentoon, in zijn geboorteplaats. In 1843 is Delaroche na een ongeval gedwongen zijn atelier te sluiten, en gaat op reis naar Italië. Gérôme besluit mee te gaan. Het is de eerste van zeer vele reizen. Hij is diep onder de indruk van de stad, maar wordt ziek, en keert terug naar Parijs. Om mee te kunnen dingen naar de Prix de Rome, werkt hij drie maanden lang in het atelier van Gleyre, zo'n 15 jaar dus voor de pre-impressionistische bende daar zou verschijnen. Gleyre heeft veel invloed op Gérôme. Zijn palet wordt er lichter door, en Gleyre besteedt veel aandacht aan het tekenwerk. Hij leert er een aantal andere jongeren kennen, met wie hij de rest van zijn leven bevriend zal blijven. De groep wordt al snel les neo-grecs genoemd, de nieuwe Grieken, vanwege hun belangstelling voor de klassieke oudheid, en met een toespeling op de neo-classicisten waar Ingres en David toe behoorden, als wier opvolgers ze worden gezien. Vlakbij het huidige Luxembourg betrekken ze gezamenlijk hun ateliers. Gérôme wordt, ook al zal hij nooit een Prix de Rome krijgen, als talentvolste, en als aanvoerder beschouwd. In 1848 is Gérôme tijdens de julirevolutie lid van de Nationale Garde, maar het lijkt er sterk op alsof hij politiek gezien niet erg geïnteresseerd is, iets wat ook zichtbaar wordt in zijn werk, terwijl hij de meeste moderne schilders vijandig gezind is. Maar dat komt misschien ook doordat die hem vijandig gezind zijn. In later jaren moet hij weinig hebben van de Dreyfusards. Zijn kopers en opdrachtgevers behoren standaard tot het establishment.

Vanaf 1847 zal Gérôme met grote regelmaat successen behalen met zijn werk. Hij krijgt staatsopdrachten, en exposeert bijvoorbeeld een aantal belangrijke schilderijen op de Wereldtentoonstelling van 1855. In hetzelfde jaar reist hij voor het eerst naar Egypte, en blijft er acht maanden. Hij zal in de toekomst nog heel wat afreizen: Turkije, Rusland, Spanje, heel Noord-Afrika, Egypte, Italië, Griekenland, Nederland, Engeland. In 1859 hangen in de salon De dood van Caesar en Ave Caesar, morituri te salutant. In hetzelfde jaar leert hij ook Adolphe Goupil kennen, zijn toekomstige schoonvader, en eigenaar van een internationale kunsthandel, in filialen waarvan later oa. de gebroeders Van Gogh zullen werken. Via Goupil worden tussen 1859 en de Eerste Wereldoorlog 337 schilderijen van Gérôme verkocht. Daarbij wordt de clientèle vooral gevormd door gefortuneerde Amerikanen. Bovendien brengt Goupil veel foto's in omloop van Gérôme's werk, iets wat voor diens populariteit, bij een bepaald deel van het publiek weliswaar, maar toch, niet zonder belang is. De hoogst realistische stijl van Gérôme, waarbij elke vorm van persoonlijke factuur ontbreekt, doet het erg goed op foto's. Ook dat blijkt op de Orsay-tentoonstelling. Het in Bordeaux gevestigde Musée Goupil heeft een grote collectie foto's van het werk van Gérôme. In 1860 koopt hij voor zijn ouders een kasteel. Dat kan hij zich inmiddels permitteren.
In 1863 trouwt hij, net terug uit Egypte en Syrië, Marie Goupil, dochter van de kunsthandelaar, en gaat vlakbij Clichy wonen (Rue de Bruxelles 6). Zijn Le Prisonnier (De gevangene) van datzelfde jaar blijft één van zijn beroemdste werken. Na het schandaal rond de Salon des Refusés van 1863 (Dejeuner sur l'herbe) en een reorganisatie van de Academie wordt hij daar zelf benoemd als een van drie nieuwe docenten.

02 Het schandaal over Manets Déjeuner sur l'herbe vindt plaats op de Salon des Refusés van 1863, waar het trouwens nog werd getoond onder de titel Le bain. De salon was zo'n echec dat het bijna twintig jaar zou duren eer er weer een expositie zou plaatsvinden waar inzenders zonder voorafgaande keuring terecht konden. In 1881 wordt de Vereniging van Franse Kunstenaars opgericht (La Société des Artistes Français), en die krijgt in 1883 voor 1 franc het recht (wederom) het Palais de l' Industrie te gebruiken voor een expositie. Hoewel veel inzenders in 1863 na de omvangrijke weigeringen voor de gewone Salon en de erop volgende bekendmaking van het feit dat er een Salon des Refusés zou worden gehouden, hun stukken hadden ingetrokken, bleven er nog ruim 800 over wier werk wel tentoongesteld werd, daaronder dus het schilderij van Manet, die er ook nog twee andere doeken had hangen. Het is illustratief dat toen Gérôme een paar jaar later, in 1867, bijgaand schilderij exposeerde, er nauwelijks een woord over viel. Ook hier is er een naakte vrouw te zien, maar nu één die in het gezelschap van eveneens geklede mannen - vergeeft u mij - aan de tand wordt gevoeld, ongetwijfeld om vast te stellen of ze geschikt was als keukenmeid. Het tafereel zou zich afspelen in Egypte. Het schilderij baarde wel opzien vanwege het onderwerp, maar er viel verder geen woord van afkeuring. Even voor de goede orde: hoewel iemand als Maxime du Camp, de vriend met wie Flaubert door het oosten reisde (en met wie hij later zou breken) desgevraagd beweerde dat zulke slavenmarkten doodnormaal waren en hij ze vele malen had gezien, en er niemand in Frankrijk was die zich daarover verbaasde, is dat ongetwijfeld onjuist, en is het hele tafereel de vrucht van Gérômes esoterische, of wellicht erotische fantasie. Gérômes Slavenmarkt is van 1866, en hangt nu in de Sterling en Clarke Collectie in Williamstown (Ma). Er verscheen één spotprent van, waarbij de vrouw werd vervangen door een mannelijke slaaf, wat ervan getuigt dat er in de dagbladen minder kon dan op de Salon en in de schilderkunst. Over de redenen waarom er over Manets Le Bain zoveel ergernis was (en twee jaar later ook over zijn Olympia), maar er geen rumoer ontstond over Gérômes Slavenmarkt, komen we nog te spreken.

02 Gérôme, Slavenmarkt, 1866 Olieverf op doek, 84.6 x 63.3 cm, Williamstown, Sterling and Francine Clarke

Jean-Léon Gérôme, Slavenmarkt, 1866, Sterling and Clarke, Williamstown

Bij al zijn succes blijft een deel van de kunstcritici hem vijandig gezind. En het is geen wonder dat in een van zijn schilderijen in een hoop afgehakte hoofden diverse kunstcritici worden geïdentificeerd. In 1868 neemt hij verlof en vertrekt weer naar Egypte, samen met de delegatie die aanwezig zal zijn bij de opening van het Suezkanaal. In 1870 brengt hij tijdens de Frans-Duitse oorlog eerst zijn familie in veiligheid in Engeland, en keert dan zelf terug naar Parijs om de stad mee te helpen verdedigen. De inhoud van zijn Parijse atelier heeft hij al eerder ondergebracht in Bougival, waar hij inmiddels een buitenhuis heeft. Ik vermoed dat hij, als hij daar uit het raam heeft gekeken, heel wat impressionisten, heeft kunnen zien werken, want die kwamen er vaak, zij het dat ze er met de trein heengingen.

03 In 1873 exposeert hij zijn beroemde, een jaar eerder geschilderde Pollice Verso, maar deed dat privé, op het Place Vendôme. Het kwam nooit op een salon terecht, en werd ook verder nergens in Frankrijk tentoongesteld, vermoedelijk omdat Gérôme ervan verdacht werd het schilderij te bedoelen als toespeling op het sociale en politieke klimaat onder Napoleon III. Dat zegt wel iets over de achterdocht van het regime, want Gérômes banden met het establishment waren anderszins uitstekend. Tijdens een tentoonstelling in Wenen wordt het verkocht aan de Engelse agent van een Amerikaans verzamelaar, A.T. Stewart, voor de prijs van 80.000 francs (16.000 dollar). Daarmee is het doek op slag beroemd. Het hangt nu in het Phoenix Art Museum.

03 Gérôme, Pollice Verso, 1872 Olieverf op linnen, 93.1 x 145.4 cm, New Haven, Yale University Art Gallery

Pollice Verso, 1872

04Wanneer hij in 1874 met zijn Eminence Grise de gouden medaille wint op de Salon, protesteert een deel van publiek en kritiek, omdat zo'n prijs niet was bedoeld voor genrestukken als het schilderij van Gérôme. 1874 is - even terzijde - ook het jaar van de eerste impressionistische tentoonstelling, aan de Boulevard des Capucines. Gérôme laat uit Nederland, waar hij op dat moment verblijft, weten dat hij de medaille, ter waarde van 4000 francs, weigert, maar de jury houdt vol. Hij geeft hem vervolgens weg aan leerlingen van de Academie. Een New Yorkse verzamelaar, James Stebbins, koopt het schilderij voor 16.000 francs (12.000 dollar). Daarmee is Gérôme definitief te duur geworden voor de Franse markt. Maar al in de jaren '80 ontstaat er in Amerika kritiek op het morele gehalte van zijn werk, daalt de waarde ervan, en verplaatst de Amerikaanse belangstelling zich naar Barbizon, en ten slotte naar hun impressionistische opvolgers.

04 Gérôme, Eminence Grise, 1873 Olieverf op linnen, 68.6 x 101 cm, Boston, Museum of Fine Arts

Gérôme, Eminence Grise, 1873

In 1875 is Gérôme aanwezig bij de begrafenis van Corot, voor wie hij een jaar eerder nog een erebanket heeft georganiseerd. Als de priester begint over de immoraliteit der kunstenaars, loopt hij woedend uit de kerkdienst weg. Erg religieus zal Gérôme nooit zijn. In 1878 wordt zijn Gladiateurs geëxposeerd. Als in 1884 in de Academie voor Beeldende Kunst werk van Manet dreigt te worden tentoongesteld, verzet hij zich daartegen. Hij schrijft aan de minister (Jules Ferry) dat het beter zou zijn Manets werk te laten zien in de Folies-Bergère. Als hij daarna zelf toch maar gaat kijken, zegt hij: "Het was minder erg dan ik dacht." In de jaren erna verliest hij een aantal familieleden en vrienden. Geleidelijk houdt hij zich vaker bezig met beeldhouwen dan met schilderen. Misschien is het aardig om ook van zijn beeldhouwwerk een voorbeeld te tonen.

05 Hierbij Corinthe (Korinthe dus) uit 1904. Het was het laatste waar Gérôme aan werkte en het werd postuum tentoongesteld, na zijn dood in hetzelfde jaar, door de Salon des Artistes Français. Het medium is beschilderd marmer, verguld brons, emaille, en half-edelstenen. De totale hoogte, inclusief zuil, is 198 cm. Het beeldje alleen is 53.3 cm. De sieraden zijn alle gebaseerd op klassieke vondsten, die in het Louvre aanwezig waren. Het kapsel daarentegen is dat van een begin-twintigste eeuwse Parisienne. Er bestaat een ongedateerde tekening van Gérôme van Simeon Stylites, Simeon de Pilaarheilige dus, die doet vermoeden dat het idee het meisje op een zuil te zetten, hoe absurd op het eerste gezicht ook, niet helemaal uit de lucht komt vallen. In een cartouche op de zuil staat de aan Strabo ontleende Latijnse tekst: NON LICET OMNIBUS / ADIRE CORINTHUM: Het is niet ieder gegeven naar Korinthe te gaan. De naam Corinte verwijst naar de meisjes van plezier waar Korinte in de oudheid beroemd om was. Dat waren de hiërodulen, de heilige prostituees (eigenlijk heilige tempelslaven) die verbonden waren met de Tempel van Afrodite in Korinte. Herodotus bijvoorbeeld vermeldt het bestaan ervan. En mocht u het zich afvragen (ik deed het me wel, en veel andere bezoekers ook, zo viel me op): ze beschikt niet over het orgaan dat zo essentieel is bij de uitoefening van haar oeroude beroep, of nou ja, heilige plicht. Dat durfde Gérôme blijkbaar niet aan. Het beeldje is, naar ik vermoed, bezit van de acteur Jack Nicholson. Grappig.

05 Gérôme, Corinthe, 1904 hoogte met kolom 198 cm, beeldje 53.3 cm, beschilderd marmer, verguld en geëmailleerd brons, half-edelsteen, Beverly Hills, Collection J. Nicholson

Jean-Léon Gérôme, Corinthe, 1904, Sterling and Clarke, Williamstown

In 1900 wordt hij benoemd tot Grootofficier in het Legion d'Honneur, de hoogste graad van die orde. Na veertig jaar docentschap aan de Academie geeft hij die post op. Nog in 1903 probeert hij te verhinderen dat er in het Luxembourg een tentoonstelling van de impressionisten wordt gehouden. Enigszins tragisch is dat wel, want zijn eigen werk is op dat moment al bezig in het vergeetboek te raken. Hij sterft in 1904 op 80-jarige leeftijd.

3


Wie denkt dat Gérôme het type van de gemiddelde academische schilder is waarvan er in de Franse 19e eeuw zoveel waren, zoals zijn bijna precieze tijdgenoot Bouguereau (1825-1905), heeft het mis, want zijn reputatie is altijd omstreden geweest, terwijl men over zijn oriëntalistische werk in het algemeen veel positiever was dan over de rest van zijn oeuvre. Afgezien van de paar establishment-critici die hem steunden (Théophile Gautier, Edmond About), waren er genoeg kunstcritici die hem vijandig gezind waren, en het is nuttig de motieven die ten grondslag lagen aan die zo uiteenlopende opvattingen toe te lichten, omdat ze een beter begrip van zijn werk dienen.

06 De kritiek gold een groot aantal uiteenlopende zaken: zijn kille, marmerachtige uitbeelding van het menselijk lichaam, zijn aandacht voor niet ter zake doende details, vaak van historische aard, wat soms leidde tot een vergelijking met Nederlandse fijnschilders als Gerrit Dou (hetgeen voor iemand die werkt op grotere, en dan ook nog vaak panorama-achtige formaten, haast beledigend is), het altijd anekdotische karakter van zijn werk, zijn gebrekkige koloriet, dat dan altijd verbonden werd met zijn Ingres-achtige voorkeur voor de tekening, zijn onpersoonlijke factuur, de vlakke, saaie penseelstreek, zijn hang naar fini, die weinig schilderachtig zou zijn, en die de bijbedoeling had zijn werk voor een groot publiek aantrekkelijk te maken, en bovendien de fotografische afbeelding ervan door zijn schoonvader te vergemakkelijken, om op die manier snel geld te incasseren.
Al die kritiek lijkt echter voort te komen uit een ander, veel algemener bezwaar, maar één dat heden ten dage minder gemakkelijk te begrijpen is. De traditionele kunstkritiek was ontzet over de wijze waarop Gérôme de historieschildering, die lange tijd het belangrijkste onderdeel in de Franse beeldende kunst was geweest, vermengde met een soort die veel lager op de ladder stond, namelijk de genreschildering. Peinture de genre betreft de uitbeelding van strikt persoonlijke gebeurtenissen. Ik noemde al het verzet op een soortgelijke grond tegen de toekenning van een prijs aan zijn Eminence Grise. Al in één van zijn vroegste schilderijen (1846, Orsay, Jeune Grecs faisant battre des coqs, jonge Grieken met hanengevecht) kiest Gérôme ervoor twee jonge, niet-mythologische Grieken te tonen, jonge man en jonge vrouw, met op de achtergrond iets wat lijkt op de Baai van Napels, en op de voorgrond twee met elkaar vechtende hanen. De hanen zijn geschilderd in zeer realistische stijl, net als de jonge man, die onmiskenbaar het hoofd heeft van een modern model, en terwijl achter de jonge Griekse vrouw met sterk geïdealiseerde, Rafaël-achtige trekken, iets zichtbaar is waarvan Gautier dacht dat een sfinx was, gezien van opzij.

06 Gérôme, Jonge Grieken met hanengevecht, 1846, Olieverf op linnen, 143 x 204 cm, Parijs, Orsay

Gérôme, Jonge Grieken met hanengevecht, 1846

07 Zes jaar later schildert hij zijn L'idylle, l'innocence (1852, Tarbes, Musée Massy, ook wel: Daphnis en Chloë). Het is dit keer een echt mythologisch onderwerp, naar Longus natuurlijk, maar de weergave is ontdaan van praktische elke verwijzing die dat begrijpelijk zou kunnen maken. De fontein waar het paar tegen leunt, is een renaissancefontein, voor de amor op de achtergrond geldt hetzelfde, terwijl tussen het paar een zeer veristisch geschilderd reetje staat.

07 Gérôme, Daphnis et Chloé, 1852, Olieverf op linnen, 212 x 156 cm, Tarbes, Musée Massy

Gérôme, Daphnis et Chloé, 1852

Ik schreef al dat Gérôme werkte tussen twee schildersgeneraties in, in een periode dat de traditionele academische historieschildering nog regeerde, maar bezig was haar macht te verliezen, en er zich een andere schildersgeneratie presenteerde, die met de gebruikelijke genre-indeling niet langer rekening wenste te houden. En het is grappig vast te stellen dat ook heel wat van Gérôme's tegenstanders met datzelfde probleem te maken zouden krijgen. Manets Olympia en zijn Déjeuner sur l'herbe waren voor de kunstkritiek op soortgelijke wijze problematisch. De naakte vrouw in het gezelschap van een aantal geklede heren, in een opzichtig klassieke compositie, die via Raimondi aan Rafael was ontleend, stelde de kritiek ook voor raadsels. Het is de modern realistische weergave van het lichaam van Olympia en haar blik naar de kijker, veel meer dan haar pose en haar naaktheid, die het schilderij omstreden maakten. Ook Degas zou zich in het begin van zijn carrière wagen aan de historie, bijvoorbeeld met zijn Semiramis die uitkijkt over Babylon, van ca. 1860. Flaubert schrijft in dezelfde tijd zijn Salammbô.
Gérôme zou in zijn genremenging echter veel verder gaan, natuurlijk ook omdat de moderne schilders zich verder nauwelijks met de geschiedenis zouden bemoeien. Hij zou voortdurend het verwijt krijgen dat hij de geschiedenis benaderde vanuit een soort privé-anekdotiek, en dat hij daarmee de grote historische traditie omlaag haalde, en haar acceptabel maakte voor een breed en onwetend publiek. Baudelaire noemde het: peinture d'histoire en pantouffles (historieschildering op pantoffels), waarbij men via de achterdeur binnenkomst in de intimiteit der groten. En het publiek roept dan: "zo moet het geweest zijn." Dat alles is extra verwarrend omdat Gérôme erg veel aandacht besteedt aan de documentatie van zijn werk. Voor praktisch alles wat hij als rekwisiet gebruikt, heeft hij een serieuze, wetenschappelijke bron. Voor zijn lampen, zijn tafeltjes, zijn tapijten, voor alles. Helaas ziet hij er dan weer niet tegenop om die rekwisieten binnen één schilderij uit verschillende historische periodes te halen, Etruskisch, Pompeiaanse, Grieks, Renaissance, en dat te vermengen met een soms zeer modern gedetailleerde weergave, waarbij alles wat in beeld is praktisch even scherp wordt weergegeven. De associatie is blijkbaar een zeer persoonlijke, want ik ben hem tot mijn verwondering in de catalogus niet tegengekomen, maar Gérômes werk lijkt in sommige opzichten op dat van Bronzino, al ligt het voor de hand te denken dat die gelijkenis is ontstaan via Ingres. Hoe dan ook, dit alles leidt – in elk geval voor de moderne toeschouwer die de diverse objecten kan dateren - tot een wat wezenloos soort schilderkunst. Zo is het bijvoorbeeld Degas, die kritisch is over Gérômes Phryné voor de Areopagus (1861), omdat de schilder naar zijn zeggen niets begrepen heeft van de klassieke mentaliteit en er daardoor, zonder dat te willen, zegt hij er nadrukkelijk bij - want Gérôme blijft een collega - een scabreus schilderij van heeft gemaakt.

Tegelijkertijd is er sprake van een zeer persoonlijke belangstelling die bij dit alles een rol speelt. Gérôme is – ver voor Hollywood - een ensceneur van formaat. Hij streeft er bij de inrichting van zijn werk voortdurend naar of een bijzondere hoek te kiezen, of op andere wijze het beeld op te bouwen als een theaterscene, of binnen de chronologie van wat er gebeurt te kiezen voor een afwijkend tijdstip. Daarbij is de dramatiek die wij allen inmiddels uit Hollywood kennen, nooit ver weg. Gérôme kreeg er genoeg over horen, zeer tot zijn ergernis uiteraard. En zeker is het feit dat het vooral rijke Amerikanen waren die zijn werk kochten, een teken aan de wand. Het profiel van zulke kunstliefhebbers lag voor de hand: rijke onwetenden, mensen zonder enige cultuur, die nu eenmaal alles wat oud is bewonderen, het soort Amerikanen dat tegenwoordig in Rome denkt dat het Monument van Victor Emanuel uit de klassieke oudheid stamt. Ik geloof trouwens dat zo'n idee grotendeels klopt. Maar het is dan ook goed hierbij te vermelden dat het eveneens Amerikanen waren, maar toch blijkbaar heel andere, die massaal werk kochten van Monet, Renoir, Degas, en noem maar op. Terwijl Gérôme zich verzette tegen de aankoop door de staat van Caillebottes erfenis voor het Luxembourg, waren het andere rijke Amerikanen die ermee vandoor gingen.

08 Ook met zijn theatraliteit raakt Gérôme met regelmaat in het vaarwater van de schilders die hij zo verfoeide. Zijn voorkeur valt al direct op bij een schilderij dat ik erg mooi vond en er opvallend modern vond uitzien (nr. 35, Rouen, Le père et le fils de l'artiste sur le pas de la porte, vader en zoon van de kunstenaar in de deuropening), waar de voorgrond wordt gevormd door een stel traptreden, en de vader op een smal bordes op een bank zit, terwijl ter rechterzijde het kleine zoontje van Gérôme om de hoek van de deur naar iets kijkt wat blijkbaar buiten beeld gebeurt, naar ik aanneem de vader die schildert.

08 Gérôme, Vader en zoon van de kunstenaar, 1866-67, Olie op paneel, 26.8 x 21 cm, Rouen, Musée des Beaux-Arts

Gérôme, Vader en zoon van de kunstenaar, 1866-67

09 Ook in het al genoemde Pollice verso kiest Gérôme voor een heel laag standpunt, wat de tribunes op de achtergrond enorm wijd doet lijken. Het effect daarvan is heel vaak dat de schilderijen van Gérôme veel groter schijnen dan ze zijn. Want na zijn aanvankelijk sterk bekritiseerde groot-formaat historieschilderingen, kiest Gérôme verder praktisch altijd voor ezelformaat. Zijn prachtige Eminence Grise (nr. 85, 1873) is zo'n 69 cm bij 1 meter, de Ontvangst van Condé (nr. 86, 1874) is ruwweg 1 meter bij 1.30. En zeker, dat is groot, maar wie de afbeelding eerst kent van reproductie en haar daarna in het echt ziet, is toch verrast. Zeer opvallend zijn twee schilderijen. Het ene is Consummatum Est waarop een woest landschap zichtbaar is, donderwolken, storm, een groep wegtrekkende mensen, en onmiddellijk op de verlichte voorgrond drie schaduwen van gekruisigden. Inderdaad, alleen de schaduwen. Dezelfde aanpak gebruikt Gérôme in zijn 7 december 1815, neuf heures du matin (nr. 93, 1868, Zeven december 1815, negen uur 's morgens). Op de voorgrond ligt, in sterk verkort, het lichaam van de zojuist geëxecuteerde maarschalk Ney, die zich na Napoleons terugkeer weer bij hem heeft aangesloten en als straf daarvoor is terechtgesteld. Op de rug zien we het wegmarcherende executiepeloton. De achtergrond wordt bijna geheel gevuld door een muur. En zeker, dat doet allemaal erg denken aan Manet. Dode torero (1864), Maximiliaan (1867). En ook Gérôme kreeg te horen dat dit niet de manier was om de dramatiek van Neys executie te verbeelden. Want waar bleef zo het heldendom?

09 Gérôme, 7 december 1815, 9 uur 's morgens, de executie van Ney, 1868, Olieverf op linnen, 65.2 x 104.2 cm, Sheffield, Galleries and Museum Trust

Gérôme, 7 december 1815, 9 uur 's morgens, de executie van Ney, 1868

10 Het verwijt van genrevermenging verklaart ook waarom Gérômes oriëntaalse schilderijen zo algemeen werden bewonderd. Voor dergelijk werk bestond er geen wetgeving. De gedetailleerdheid was juist een pre. En het publiek, dat ook nog eens nieuwsgierig was naar hoe het er aan de overkant van Middellandse Zee uitzag, kon zijn hart ophalen aan de uitbundige stoffering van Gérômes schilderwerk, waar de critici anderszins juist zo vaak de staf over braken. En voor die critici zelf gold hier wat voor het gewone publiek gold dat naar zijn Europese schilderijen keek. "Zo moet het eruit zien." Een aantal van die schilderijen vond ik trouwens ook erg mooi. Le Muezzin (Omaha, nr. 145, 1866, De muezzin), Le prisonnier (Nantes, nr. 127, De gevangene), Promenade du Harem (Norfolk, nr. 129, 1851-52), Le mur de Salomon (nr. 149, Part. Collectie, De Klaagmuur).

10 Gérôme, De Muezzin, 1866, Olieverf op linnen, 100 x 83.8 cm, Omaha, Joslyn Art Museum

Gérôme, De Muezzin, 1866

11 Al met al is Gérôme een interessante schilder, die heel wat mooi werk op zijn naam heeft staan. En dan heb ik het inderdaad niet over zijn gladiatoren. Daarbij moet je Hollywood soms te zeer wegdenken. Maar hij heeft een aantal prachtige, allemaal vroege portretten: erg mooi is nr. 8 uit 1856, van een muzikant. En dat handje, en ook die houding, doen wel erg denken aan Ingres' Monsieur Bertin, van 1832.

11 Gérôme, Pijper, Pfifferaro, 1856, Olieverf op linnen, 88.3 x 67.9 cm, Parijs, Orsay

Gérôme, Pijper, 1856

12 Er is dat bizarre, nogal androgyn ogende Vrouwenhoofd met bokkenhoorns, ook wel Bacchante genoemd, of studie (Etude). Het schilderij is misschien gebaseerd op een Grieks-Romeinse afbeelding van de Egyptische Ammon, die is omgebouwd tot Zeus of Jupiter, en waarvan de beroemdste 19-eeuwse versie zich in Napels bevond, of anders op een afbeelding van Alexander de Grote als Zeus-Ammon op Griekse munten. (nr. 30, 1853). De tondovorm maakt het kopje nog raadselachtiger dan het al is. Het lijkt één van de zeer weinige activiteiten van Gérôme op het gebied der fantasie, of van het bovennatuurlijke, zo vermeldt de catalogus.

12 Gérôme, Vrouwenhoofd met ramshoorn, 1853, Olieverf op linnen, D. 47.5 cm, Nantes, Musée des Beaux-Arts

Gérôme, Vrouwenhoofd met ramshoorn, 1853

13 Dan is er het al genoemde portret van zijn vader (nr. 36, 1866-1867), van zijn vrouw (nr. 39, 1865), van de actrice Élisa Felix (1821-1858), bijgenaamd Mademoiselle Rachel (nr. 40, 1859). Ze vierde in de jaren tussen 1838 en 1855 triomfen als actrice in de klassieke tragedie van Racine en Corneille, maar op een moment dat er al een romantischer soort toneel in opmars was. Ze had affaires met tal van vooraanstaande Fransen, onder wie de latere Napoleon III. Van een zoon van Napoleon Bonaparte - Walewski - had ze een kind. Het portret werd na haar dood bij Gérôme besteld door haar zus en Gérôme werkte naar een door Nadar gemaakte foto. De schilder plaatst haar in een omgeving die in de jaren '50 zeer in de mode was, het soort folie pompeienne, dat Prins Jérôme Napoleon (de neef van Napoleon III) had laten bouwen, en waar ook Ingres en Gérôme aan hadden meegewerkt, en dat uitgerekend voor Mademoiselle Rachel was bedoeld.

13 Gérôme, Rachel (Elisa Felix), 1859 olie op linnen, 218 x 137 cm, Parijs, Collectie van de Comédie-Francaise

Gérôme, Rachel (Elisa Felix, 1859)

14 Mooi zijn ook de vriendenportretten van Edouard Delessert (1828-1898), die een belangrijke rol speelde in het sociale leven van het Second Empire (nr. 41, 1864), en van de architect Charles Garnier (1825-1898), natuurlijk die van de Opéra. (nr. 42, 1877).

14 Gérôme, Portret van Garnier, 1877, Olieverf op paneel, 25 x 22 cm, Tekst boven links: À MON AMI CH. GARNIER/J.L.GEROME/1877, Parijs, bibliothèque Nationale de France, Bibliothèque de l'opéra

Gérôme, Portret van Garnier (1877)

15 Van zijn gewone werk is er De ontvangst van Condeé (nr. 86, 1878), Eminence Grise (nr. 85, 1873), de Executie van Ney (nr. 93, 93), en Duel na een bal (nr. 51, 1857-59). Het duel is decennia lang alom afgebeeld, en was in heel wat burgermanshuiskamers aanwezig. Het was het eerste schilderij van Gérôme dat in Amerika belandde. Het werd gekocht door een verzamelaar uit Baltimore voor 2500 dollar.

15 Gérôme, Duel na een bal, 1857-59Olieverf op linnen, 39.1 x 56.3 cm, Baltimore, The Walters Art Museum

Gérôme, Duel na een bal, 1857-59

16 Heel opmerkelijk vond ik ook La Vérité sortant du Puits armée de son martinet pour châter l' humanité (1896, nr. 99). U vindt het misschien niet mooi, maar apart is het wel.

16 Gérôme, De waarheid die uit een put komt met een zweep om de mensheid te kastijden, 1896, Olieverf op linnen, 91 x 72 cm, Moulins, Musée Anne-de-Beaujeu

Gérôme, De waarheid die uit een put komt, 1896

17 En ten slotte is er O pti chien (nr. 113, 1902, spreek uit: au petit chien, een uithangbord voor een opticien). Max Ernst zou er zich niet voor geschaamd hebben. Gaat u zelf kijken, zou ik zeggen.

17 Gérôme, Uithangbord voor een opticien, 1902, Olieverf op linnen, 86.3 x 66 cm, tekst op schilderij: J.L.GEROME BARBOUILLAVIT/ANNO DOMINI/1902/O PTI CHIEN, Privé-collectie

Gérôme, Uithangbord voor een opticien, 1902

TENTOONSTELLING

Jean-Léon Gérôme
L'histoire en spectacle
Parijs, Musée d'Orsay
10 oktober 2010-23 januari 2011

CATALOGUS

Cars, de L, Font-Réaulx, de D en Papet, E.
Jean-Léon Gérôme 1824-1904
L'histoire en spectacle
Parijs, Skira Flammarion, 2010 (371 pagina's, paperback)
ISBN: 9782081241862
€ 49,-

VERANTWOORDING FOTO'S BANNER:

Alle afbeeldingen in dit artikel komen uit de hierbovengenoemde catalogus van de tentoonstelling in het Orsay, hierna kortweg De Cars 2010 genoemd. In de banner zijn de zes volgende te zien:
1 Gérôme, Foto: Félix Nadar, tussen 1857 en 1865, De Cars 2010, p. 343
2 Gérôme, Foto, Goupil & Cie: voorpagina album, tussen 1880 en 1890, De Cars 2010, p. 345
3 Fernand Cormon (1845-1924): De beeldhouwer aan het werk, Jean-Léon Gérôme die de Bellone beschildert, 1891, olie op linnnen, 130 X 100 cm, Vésoul, Musée Georges-Garret, De Cars 2010, p. 346
4 Gérôme, Foto, anoniem, ca. 1895: Gérôme die in zijn atelier aan de buste van Sarah Bernhardt werkt, De Cars 2010, p. 347
5 Jean-Léon Gérôme, Le travail du marbre, 1895, olie op linnen, 50.5 X 39.5 cm, Greenwich, Dahesh Museum of Art, De Cars 2010, catnr. 173
6 Gérôme, Foto, Anoniem, ca. 1900: Gérôme, schilderend in zijn atelier, De Cars, p. 347