Vraag iemand wat de leukste stad van Europa is, en hij zal zeggen: Parijs natuurlijk. Als het tegenzit, zal hij er achteraan zeggen: jammer dat er Fransen wonen. Zelf ben ik dolblij dat er Fransen wonen. Het enige wat ik jammer vind aan Parijs is dat het zo dichtbij ligt, en dat er daarom zoveel Nederlanders komen. Nee hoor, grapje. Ook een cliché. Maar ja. Rome ligt verder weg, en daar lopen ook veel Nederlanders rond. Veel daarvan zijn leerlingen van een gymnasium. En dat is weer een voordeel van Parijs, want die zie je er nauwelijks. In het Satijnen hart van Remco Campert beschrijft die hoe de hoofdpersoon, als hij in Parijs is, altijd de laatste Modiano koopt. Misschien kwam het doordat ik dat zelf ook doe als ik in Parijs ben, dat ik dat detail ongewoon autobiografisch vond aandoen. Het vervelende is alleen dat ik er zo vaak kom, dat Modiano me niet kan bijhouden. Modiano lezen in Parijs vormt een extra charme, al is Balzac ook goed, of Simenon. U begrijpt het al. Deze pagina's gaan over Parijs, en de literatuur over Parijs. Van wie dan ook. Graag zou ik hier onmiddellijk een stukje schrijven, maar u raadt het. Je kunt er beter zijn dan erover schrijven, nietwaar.

ZONDER TITEL

dinsdag 16 april 2019
Lang geleden was ik weer eens in Parijs, dit keer met een vijfde of een zesde klas, misschien voor kunstgeschiedenis. Ik zeg misschien, omdat het al in april gebeurde, en normaal ging ik dan niet zo vroeg in het jaar. Ik denk dat het 1991 was. Ik weet alleen nog dat ik er met éen collega was en dat we in een hotel bij het Gare de l'Est in de buurt zaten, Hotel des Voyageurs. Het bestaat nog. Het kostte 70 francs per nacht. Dat was toen 17 gulden en 50 cent, nu 8 euro. Het was een zaterdag voor Pasen en we waren er al een paar dagen. Ik stelde de groep voor om de volgende ochtend de paasdienst in Notre Dame bij te wonen. Dat zat natuurlijk niet in het programma, maar ik dacht: kom op. Al ben ik christelijk opgevoed, gelovig ben ik nooit geweest. Misschien heb ik gewoon te weinig fantasie. 'De Heer is waarlijk opgestaan', kon ik de volgende ochtend voor het hotel desondanks tegen mijn leerlingen zeggen, want ze gingen bijna allemaal mee, hoewel ze het de avond ervoor erg laat hadden gemaakt, als u begrijpt wat ik bedoel. Ik geloof dat er twee achterbleven, en mijn collega, die het zelf ook erg laat had gemaakt. Als u weer begrijpt wat ik bedoel. Ik heb hem in het vervolg - voor zover het excursies betrof - zorgvuldig gemeden. Toen we bij Notre Dame aankwamen, volgens mij rond half tien of zo, zag het er zwart van de mensen. Ik was natuurlijk ook een sukkel, te denken dat je daar bij een paasdienst zo naar binnen kon lopen. Zo ben ik wel een beetje. Zelfs met groepen bezocht ik de kerk nooit. Je komt erlangs. Je kijkt ernaar. Het is fijn te weten dat hij er staat. God is groot, maar de kunst is ook leuk. Ik ging naar de musea, voor de vaste collectie of tentoonstellingen. De laatste dag was dan traditiegetrouw vrij en dan konden leerlingen zelf wat doen. Die bezochten dan de Eiffeltoren, gingen naar Père-Lachaise, naar Notre Dame dus of nog verder ten onder in een waas van alcohol. Hoe dan ook: ik heb me met de complete groep door de massa gewurmd, in de richting van de ingang, en als door een godswonder werden we daar in een plotseling ontstaande beweging zowat de kerk ingedragen, die kort daarop al weer dicht ging, omdat hij vol was. En zo woonden ik en mijn leerlingen, die de vorige avond nog hadden zitten hijsen, en van wie de meesten vermoedelijk nooit eerder een kerkdienst hadden bezocht, een paasdienst bij, om er getuige te zijn van alle macht en glorie waartoe de rooms-katholieke kerk in staat is, in die immense ruimte, met een daverend orgel, groot koor, preek, doopceremonie, bisschop en een doodstille mensenmassa. Indrukwekkend was het. Dat vonden de kindertjes ook. En dat hadden ze misschien niet gedacht. Toen ik gisteravond met een oud-collega op het Rembrandtplein zat - sorry - en door een vriend werd geappt met de mededeling dat Notre Dame in brand stond, en met een link naar bewegende beelden, dacht ik éen seconde dat hij een raar geintje maakte. Maar daar is hij het type niet voor. Ik vermoed dat er in die uren erna toch wel een paar mensen her en der in Nederland hebben teruggedacht aan die paaszondag lang geleden. Ik in elk geval wel.

Parijs, Île de la Cité, Notre-Dame de Paris. Foto, omgezet van dia: april 1970

Parijs, Notre Dame, april 1970

Parijs, Île de la Cité, Notre-Dame de Paris. Foto, omgezet van dia: april 1970

Parijs, Notre Dame, april 1970

PICASSO REGEERT PARIJS

maandag 8 oktober 2018
Terwijl er in Frankrijk wordt gedebatteerd over de noodzaak van een Zesde Republiek, Macron tijdens een staatsreis een doigt d'honneur kreeg voorgehouden - zoals de opgestoken middelvinger in Frans zo elegant heet - terwijl Parijzenaars tijdens de ochtendspits vijf rijen dik op de elke twee minuten rijdende metro wachten, hotelprijzen in de stad weer terug zijn op het oude niveau, Bastille een compleet opgebroken chaos is en het Grand Palais alweer wordt gerenoveerd, barst het in de stad van de tentoonstellingen. Maar daarvan hoeft u er eigenlijk maar twee echt te bezoeken, allebei gewijd aan Picasso. Voor een aardige tentoonstelling in het Petit Palais over Franse kunstenaars in Londen bent u al zowat te laat, want die loopt op 14 oktober af. Maar als u geluk hebt, komt er in plaats daarvan een aardige bij, eentje waarin naar ik vermoed Picasso ook een belangrijke rol speelt. En dan krijgt u Braque er vermoedelijk gratis bij en de rest ook. Want van 17 oktober tot 25 februari 2019 loopt er in Pompidou een overzichtstentoonstelling die is gewijd aan het kubisme, de eerste in zijn soort sinds 1953. Hebt u er toch nog drie. En dan mocht Julian Schnabel in Orsay ook nog 13 schilderijen uit de collectie selecteren om die naast 11 van zijn eigen werken te hangen, van 10 oktober tot 13 januari 2019. Dat gaat dus in éen moeite door. Voor de fanatici is er ook nog Nadar (Bibliothèque Nationale François Mitterrand), Caravaggio (Jacquemart), Venetië (Grand Palais), Privéverzamelaars (Marmottan) en Schiele en Basquiat (Vuitton).

Parijs, Montmartre, 1904. Picasso op Place Ravignan (heden ten dage terzijde van Rue Ravignan: Place Émile-Goudeau, met daaraan Bateau-Lavoir). Foto: anoniem. [Tirage non daté, épreuve gélatino-argentique] Afdruk ongedateerd, Zilver-gelatinedruk, 12 x 8.9 cm. Parijs, Musée National Picasso, Legaatdonatie, 1992. Quand j'étais enfant, ma mère me disait: "Si tu deviens soldat, tu séras général. Si tu deviens moine, tu finiras pape." J'ai voulu être peintre et je suis devenu Picasso. Toen ik nog klein was, zei mijn moeder tegen me: "Als je soldaat wordt, zul je generaal zijn. Word je monnik, dan eindig je als paus." Ik wilde schilder zijn en ben Picasso geworden. (Françoise Gilot, Lake Carlton. Vivre avec Picasso, 1973) Bron foto: Le Bon 2018 pag. 205

Parijs, Montmartre 1904. Picasso op Place Raviognan

Maar een mens gaat niet alleen naar Parijs voor tentoonstellingen of voor de opera. Hij gaat ook voor de Franse zeden. En misschien voor wat gewoon de Grande Epicerie heet, naast en verbonden met Le Bon Marché, aan rue de Sèvres (VII). Moet u een keer doen. Om nog even wat andere dwaalsporen te bewandelen voor ik terzake kom: die Zesde Republiek is natuurlijk grappig. Hoewel het De Gaulle was die per referendum met een aantal grondwetswijzigingen in 1958 de vijfde aan de Franse kiezer voorlegde en er ook sindsdien nog heel wat aan gesleuteld is, vond links toen ook al dat het parlement erdoor buitenspel werd gezet. En daar zit wel wat in. Zeker als in een Assemblée Nationale een partij het in zijn eentje voor het zeggen heeft, positie die werd verkregen met een minderheid van de stemmen bovendien, zoals dat nu het geval is. En derhalve duikt met regelmaat de discussie op over een hernieuwing, die dan in Frankrijk onmiddellijk wordt betiteld als Zesde Republiek. En een jaar waarin het vijftigjarig bestaan van nummer vijf wordt gevierd, is daarvoor bij uitstek geschikt. Jean-Louis Debré, oud-president van wat in Frankrijk de Grondwettelijke Raad heet, het Conseil Constitutionnel, tekende protest aan tegen dat traditionele gezeur en werd daarmee in Le Figaro geciteerd: "De grondwet heeft weerstand geboden aan 8 presidenten, 23 premiers en 1400 ministers, wat haar effectiviteit bewijst." Het idee omgekeerd te redeneren komt op zo'n moment bij de Nederlander wel op, al zou een soortgelijke Italiaanse opsomming nog veel indrukwekkender zijn. Macron had eerder al toegezegd een zekere representativiteit in het kiesstelsel aan te brengen en herhaalde die belofte afgelopen week. Over het reduceren van het aantal parlements- en senaatsleden zweeg hij deze keer, hetgeen door sommigen onmiddellijk als een tactische terugtocht werd beschouwd. De restaurants om het Palais de Bourbon, waar de Assemblée zetelt, klagen al nu er in plaats van zo'n 400 nog gewoon 577 leden zijn, want die verschijnen nog maar zelden en als ze het doen blijken ze cola te drinken in plaats van wijn. Die jongeren ook. Le Figaro was het ook dat een internetpeiling organiseerde over de wenselijkheid van een staatsbegrafenis voor Charles Aznavour, die trouwens toch gewoon plaatsvond. Van de naar ik me meen te herinneren ruim 52.000 deelnemers verklaarde een kleine meerderheid zich tegen. Aznavour was ook voor de gemiddelde Nederlander naar ik vermoed helemaal geen chansonnier. Dan denk je aan Ferrat, Brassens, Ferré, aan Piaf. En - zoals gezegd - het Grand Palais staat in de steigers en moet voor zo'n 500 miljoen worden gerenoveerd, zodat het gebouw tussen 2020 en 2023 helemaal dicht gaat, net als tussen 1993 en 2005 dak en fundering voor 110 miljoen moest worden gerenoveerd, voeg ik daar maar aan toe, en dat terwijl ook het Parijs historisch museum, Carnavalet, nu al sinds 2016 dicht is en dat tot eind 2019 zal blijven. De Franse rekenkamer sprak zijn zorgen uit over de bedragen die ermee gemoeid zijn. Tot slot: het toerisme in Parijs is het afgelopen jaar met 16 procent toegenomen en het zal wel geen toeval zijn dat het hotel dat ik vorig jaar had en 110 euro per nacht kostte, nu in bijna precies dezelfde periode 220 deed. Een cappuccino kost u 6.50 of zo. Alles is weer bij het oude kortom.

Pablo Picasso (1881-1973) [Casagemas mort] De dode Casagemas, juli 1901. Olieverf op karton, 52 x 34 cm. Madrid, Fundacíon Almine y Bernard Ruiz-Picasso para el arte. C'est en pensant que Casagemas était mort que je me suis mis à peindre en bleu: Toen ik eraan dacht dat Casagemas dood was, begon ik in het blauw te schilderen. Op 17 februari 1901 schoot de met Picasso bevriende dichter en schilder Carles Casagemas (geb. 1880) zich voor het hoofd, na een schot te hebben afgevuurd op de vrouw op wie hij verliefd was en die hem had verlaten, Germaine Pichot. Die overleefde, werd een half jaar later de minnares van Picasso en zou, zo wil althans de traditie, ook nog éen van de modellen zijn voor diens Desmoiselles d' Avignon. Bron: Le Bon 2018 pag. 94

Picasso, De dode Casagemas, 1901

Eén tentoonstelling die u naar mijn idee zou moeten zien, is die op de begane grond van Musée d'Orsay (tot 6 januari 2019). En dat zeg ik, terwijl ik zelf snel Picassomoe ben. Want laten we eerlijk zijn: het is absurd hoeveel werk de man heeft gemaakt, terwijl het idee af en toe eens wat weg te gooien geen seconde bij hem opkwam. De teller staat heden ten dage op rond de 120.000. Maar Orsay heeft erg veel moeite gedaan. Hoewel Picasso's werk tot ongeveer 1906 of 1907, met zijn periodes die gewoonlijk worden aangeduid met blauw en rose, naam ook van de tentoonstelling (Bleu et rose), deels nog tamelijk negentiende-eeuws sentimenteel oogt, en zonder veel variatie, met al die hoekig en soms wat larmoyant leunende bedelaars, hoertjes en harlekijns, is het bij het grote publiek beslist een populair deel van zijn oeuvre en zie je vanaf ongeveer 1904 al een nieuwe Picasso verschijnen.

Pablo Picasso (1881-1973) [La vie] Het leven, mei 1903. Olieverf op linnen, 197 x 127.3 cm. Cleveland, The Cleveland Museum of Art, Gift van het Havana Fund. Picasso's oorspronkelijke bedoeling was zichzelf tussen - links - een naakt en - rechts - een schilderij met twee elkaar omhelzende vrouwen te zetten. Hij gaf de man pas in een later stadium het gezicht van Casagemas in plaats van dat van zichzelf. Picasso verkocht het schilderij samen met een ander doek, De oude Jood, in 1904 al voor 500 pesetas aan vriend en collega-schilder Sebastià Junyent. Bron: Le Bon 2018 pag. 183

Picasso, Het leven, mei 1903.

De mooie en werkelijk voorbeeldige, bij de tentoonstelling horende catalogus vat het zo ook op: blauw als traditie, als de Picasso van de negentiende eeuw, rose als beginnende vernieuwing. De zeven grote hoofdstukken beschrijven elk een jaar, vanaf 1900 tot en met 1906. En waar ik enigszins sceptisch was over wat er op de expositie te zien zou zijn, hangt er toch een enorme hoeveelheid erg mooi uit heel de wereld afkomstig werk, terwijl rond elk groot olieverfdoek een enorme hoeveelheid voorbereidende schetsen, krantenartikelen, documenten en foto's is neergehangen, zodat de talrijke hoofdwerken uitgebreid worden gedocumenteerd. Ik vond het erg goed gedaan en veel anderen vonden dat blijkbaar ook, want het was hartstikke druk, terwijl ik er toch vroeg bij was, direct na opening 's ochtends. Het was veel drukker dan elders in Orsay en meestal is het tijdens afgezonderde tentoonstellingen daar andersom. De tentoonstelling gaat vanaf begin februari 2019 nog naar Basel, naar de Fondation Beyeler. Overigens wordt de expositie van het impressionistische deel van de vaste collectie van Orsay compleet opnieuw opgezet en de ruimte ervan gerenoveerd, wat heeft geleid tot een ingrijpende verhanging.

Voor de liefhebbers: in de Orsay-catalogus is opgenomen een groot interview door Stéphane Guégan met de 94-jarige John Richardson, van wie in de inleiding ervan tussen neus en lippen door wordt vermeld dat hij net de laatste hand heeft gelegd aan het vierde deel van zijn monumentale Picassobiografie, waarvan deel 1, mocht u het niet weten, bijna 30 jaar geleden verscheen, in 1991 namelijk. De eerste drie delen lazen als een trein en er bestond veel twijfel of hij er, gezien zijn gevorderde leeftijd en gezondheidstoestand, wel in zou slagen de reeks te voltooien. Het slotdeel (1933-1973) komt er dus blijkbaar aan, al zal het nog wel even duren eer het drukklaar is. Als u het niet kent, raad ik u de aanschaf dringend aan. Het is éen van de vermakelijkste kunstenaarsbiografieën die ik ken, die bovendien veel méer is dan alleen een biografie.

Pablo Picasso (1881-1973) [Acrobat à la boule] Acrobaat op een bal, begin 1905. Olieverf op linnen, 147 x 95 cm. Gesigneerd rechtsonder: Picasso Moskou, Poesjkinmuseum. Eén van de sieraden van het Moskouse museum. Het was oorspronkelijk in bezit van Gertrud Stein. Picasso schilderde het over het portret van een vriend, Francisco Iturrino, dat hij eind juni 1901 samen met 63 andere doeken bij Vollard tentoon stelde. Verdere toelichting overbodig. Bron: Le Bon 2018 nr. 212

Picasso, Acrobaat op een bal, begin 1905

Pablo Picasso (1881-1973) [La Coiffure] Kappen, 1906. Picasso begon aan het schilderij te werken in Parijs in de lente van 1906, maar maakte het daar pas af eind zomer 1906, na zijn verblijf in Gósol in de Pyreneeën, zodat er iets van het primitivisme in zichtbaar wordt, waardoor de schilder in Gósol geboeid raakte. Met een tikje van Ingres. Olieverf op linnen, 174.9 x 99.7 cm. Gesigneerd linksonder: Picasso New York, Metropolitan Museum of Art. Bron: Le Bon 2018 nr. 287

Picasso, La Coiffure, 1906

Maar ik wantrouwde zodoende direct al enigszins de gelijktijdig in het Picassomuseum in de Marais lopende tentoonstelling, getiteld: Picasso. Meesterwerken! (Picasso. Chefs-d’oeuvre!). Want hoeveel kun je in 's hemelsnaam tegelijkertijd van elders lenen? Heel veel dus, als je tenminste onderhandelt namens een Parijs' museum. De expositie hier loopt een week langer dan die in Orsay, tot 13 januari 2019. Ze sluit perfect aan op de andere en ze is identiek van opzet, want ze behandelt, nu in 15 hoofdstukken, op precies dezelfde wijze elke keer een belangrijk werk, of een kleine belangrijke groep werken, waarvan u er misschien, net als ik, een heel stel niet kent. Het complete museum bleek ervoor verbouwd en de vaste collectie was geheel verdwenen. De chronologisch opgebouwde tentoonstelling opent met een soort proloog, tot mijn intense plezier gebaseerd op een in Frankrijk beroemde novelle van Balzac, diens Chef-d'oeuvre inconnu, die Picasso illustreerde, om daarna te starten met een heel vroeg werk, uit 1897, zijn Science et Charité, dat u zou kunnen kennen uit Barcelona, met daaromheen wederom veel van het voorbereidend werk. Elk hoofdstuk beslaat een korte periode in Picasso's carrière, met als tweede een wandtapijt van Les Demoiselles d'Avignon, aan het ontstaan waarvan hijzelf bijdroeg en dat hij altijd bij zich heeft gehouden, als derde een drietal harlekijnen van rond 1923, allemaal met het gezicht van een bevriend overleden kunstenaar, dan een vierde met De Dans, dat grote exemplaar uit de Tate Gallery, een vijfde met een aantal beelden uit Mougins bijeen, dan een groep van drie baadsters uit de jaren '30, allemaal met Dora Maar, enzovoorts, om met een epiloog te besluiten, waar het zelfportret van Rembrandt hangt uit het Louvre, maar ook het werk uit de late jaren '60 en vroege jaren '70 dat Picasso erop baseerde. Het is fijn dat het in het Picassomuseum nu eenmaal altijd minder druk is dan in Orsay, maar de tentoonstelling werd toch al heel behoorlijk bezocht. Ik vond het erg goed gedaan, de twee musea moeten nauw hebben samengewerkt en ook deze catalogus is voorbeeldig. De auteurs ervan zijn in nogal wat gevallen dezelfden als die van de andere.

Parijs, Musée National Picasso, zaal met drie beelden. Links: paard voor zoon Bernard Picasso, 1961. Midden: Vrouw met sleutel, mei-juni 1954. Rechts: Hoofd van een vrouw, 1931. Ik had genoeg van het gesleep met een camera, maar ja. Ik wist niet hoe ik moest inzoomen. Foto: HTC One. Donderdag 4 oktober 2018, 11.19 uur.

Parijs, Picassomuseum, Zaal met drie beelden

Pablo Picasso (1881-1973) [Femme à la clé, ou: La Taulière] Vrouw met sleutel, of: De gastvrouw. Steen en brons, 172 x 43 cm. Particuliere collectie. Bron: Bouvard/Zellal 2018, pag. 206

Picasso, Le femme à la clé, Vrouw met sleutel, mei-juni 1954

De Caravaggio-tentoonstelling in het Jacquemart-André (tot 28 januari 2019) is aardig, maar u staat er zoals gewoonlijk wel schouder aan schouder met uw medebezoeker, omdat de ruimtes op de bovenverdieping die voor tentoonstellingen nu eenmaal worden gebruikt erg klein zijn. De expositie, met 25 werken van anderen en 10 Caravaggio's, allemaal uit zijn Romeinse tijd, tussen 1595 en 1606, baarde vooral opzien omdat het museum er twee naast elkaar hing, éen officieel erkende, soort, en een in de jaren '90 van de vorige eeuw boven water gekomen exemplaar, de zogenaamde Klain-versie, allebei van Caravaggio's Maria Magdalena in extase. Er bestaan van het schilderij minstens acht versies, waarvan er éen door een aantal kunsthistorici - en door de Italiaanse staat - als het origineel wordt beschouwd. Dat bevindt zich in een Romeinse privécollectie en ik geef er dus hier de reproductie van. Met dat doek verscheen in 2014, nog recenter recent dus, een Italiaans kunsthistorica, Mina Gregori (geboren 1924, leerling van Roberto Longhi, man die Caravaggio weer tot leven bracht). We spreken wel over het doek waarvan wordt aangenomen dat Caravaggio het op zijn boottocht terug naar Porto Ercole (waar hij zou zijn gestorven) bij zich gehad zou hebben. De Klain-versie zou lange tijd in bezit zijn geweest van een familie, waarvan éen lid het nu voor het eerst toont. [noot van 10 januari 2019, veeg teken: radiografisch onderzoek wijst uit dat er geen enkele ondertekening aanwezig is]. Het Jacquemart wordt door sommige kunsthistorici verweten een schilderij van onduidelijke herkomst te wettigen door het op deze manier te tonen in een officiële expositie. Ben ik het mee eens. Afgezien daarvan vind ik het zelf fijn een Caravaggio gewoon op zijn eigen plek te zien. In Berlijn staat er nooit iemand voor zijn prachtige Amor vincit omnia. In Rome kunt u er zonder problemen zo al 10 bezoeken, het merendeel nog gratis ook. Éen van die tien, zijn Kruisafname, hangt vanaf 15 december ook nog in Utrecht en daarna in München, want het Vaticaan laat het waarachtig op reis gaan.

Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610) [Maddalena in estasi] Maria Magdalena in extase. Olieverf op linnen, 106 x 91 cm. Rome, Privécollectie. Vodret, die van Caravaggio verstand heeft, schrijft in haar volledige uitgave bij de op erg klein formaat gegeven reproductie: Caravaggio, copia da (?). In haar aan het in Rome gemaakte werk van Caravaggio gewijde catalogus (Caravaggio e Roma, Silvana Editoriale 2010) neemt ze het schilderij niet op. Ze ried de Italiaanse staat al twee keer de aankoop ervan af. Bron reproductie: Vodret 2009, Caravaggio, L'opera completa, Silvana Editoriale, nr. 112

Caravaggio, Maria Magdalena in Extase, 1606

De tentoonstelling in Marmottan met werk van privéverzamelaars (Collections Privées, tot 10 februari 2019) laat niet zo heel veel nieuws zien, vond ikzelf. Zo waren de Caillebottes die er hingen, recentelijk nog op andere tentoonstellingen aanwezig en ook heel wat ander werk had ik wel eens eerder gezien. Het mooiste vond ik nog Lautrecs Wasmeisje. Gaat u naar Albi, zou ik zeggen, want daar hangt onwaarschijnlijk veel prachtig werk van hem, maar doe het een keer buiten het vakantieseizoen. De tentoonstelling in het Grand Palais met werk van Venetianen is net zo eentonig als u bijvoorbaat vermoedt, hoewel het allemaal wel mooi en zorgvuldig is gedaan. Veel kanalen. Voor de tentoonstelling in de Bibliothèque Nationale (tot 3 februari 2019), die gewijd is aan Nadar, was ik helaas net te vroeg, net als voor die met het Kubisme in Pompidou (tot 25 februari 2019). Het bewijst wel dat het beste moment om Parijs in de herfst te bezoeken zo rond half oktober is en niet een week eerder.

Ik had - terzijde - alle tentoonstellingen online gereserveerd en dat scheelt toch aanzienlijk, ook al moet je zelfs dan soms even in de rij staan. Ik vond het wederom opvallend hoe hoffelijk de bezoeker overal wordt bejegend, zelfs bij vertrek.

Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901) [La Blanchisseuse] Het wasmeisje, 1889. Olieverf op linnen, 37 x 30 cm. Particuliere collectie. Bron: Huisman/Dortu, Lautrec par Lautrec, 1964, pag. 53

Henri de Toulouse-Lautrec, Het wasmeisje, 1889

En als laatste was er in Neuilly (lijn 1 naar Les Sablons) bij de Fondation Vuitton nog een tentoonstelling met éen verdieping werk van Egon Schiele en vier erboven met werk van Jean-Marie Basquiat (tot 14 januari 2019). Ja, die duo-exposities zijn wel een beetje in de mode, maar het valt niet altijd mee ze te rechtvaardigen. De conservator somde in Le Monde de overeenkomsten op: ze stierven allebei op 28-jarige leeftijd, de éen net als miljoenen anderen in dezelfde periode aan de griep, de ander aan een overdosis. Beiden beschikten over een soort mentor, Schiele over Klimt natuurlijk en Basquiat over Warhol. Beiden waren qua geaardheid tekenaars. Beiden hadden een gespannen verhouding met de samenleving. Schiele werd ooit gearresteerd wegens pedofilie en vrijgesproken, afgezien daarvan maakte hij vieze plaatjes, Basquiat was een zwarte Amerikaan uit New York van Haïtiaans-Portoricaanse afkomst en gebruikte flink, iets wat naar mijn idee aan zijn werk heel goed te zien is, want veel ervan is herhalingsdrang en lijkt ontstaan tijdens een psychose. Omdat er dit jaar ook in Oostenrijk al veel wordt gedaan aan Schiele en aan Klimt, die in 1918 stierf, is de expositie met werk van Schiele klein. Er is veel grafiek, met veel wijdbeense mannen en vrouwen, met nogal wat portretten en er hangen een paar prachtige landschappen. En toen? Ik heb braaf alle zalen afgelopen, vier verdiepingen ver, maar Basquiat kon en kan me nog steeds in het geheel niet bekoren. U krijgt eigenlijk alleen maar hoofden te zien, heel veel hoofden. Ik vind het zoals nogal wat andere moderne kunst mode, geen kunst. Die vereist begaafdheid, in welke vorm dan ook. Ik begrijp best dat de kunstwereld wanhopig op zoek is naar een zwart kunstenaar van naam en faam en als sommigen perse willen dat het kunst is, mij best. Maar ik wantrouw ze ten diepste en ik vind het werk van Basquiat in alle opzichten armoedig, fantasieloos en uiterst onbeholpen. Basquiat tekende wel, maar hij kon het niet. Lijnen trekken is geen tekenen. En al schrijf je er nog zo veel bij, het blijft niks. In de jaren '60 en '70 was een tijdlang het werk van kinderen en zwakbegaafden in de mode en daar doet het enigszins aan denken. Dat neemt niet weg dat ook iemand als Julian Schnabel, die ik hoogacht - om wat hij zelf maakt en om wat hij schrijft - Basquiat bewondert. Ik begrijp er niets van en ik ben niet van mening veranderd. Overigens, nog een laatste tip: uitgerekend Schnabel mag van Orsay 13 schilderijen uit de collectie hangen naast 11 van hemzelf uit de laatste 40 jaar. Het betreft door hem uitgezocht werk van Van Gogh (uiteraard), Monet, Toulouse-Lautrec en Cezanne. Die kleine tentoonstelling loopt van 10 oktober tot 13 januari 2019. Daar zal ook zijn aan Van Gogh opgedragen doek te zien zijn uit 2017, Rose painting XVII, met rozen over de klimop op het graf van de Van Goghs.

Parijs, Neuilly. Uitzicht uit de Jardin d'Acclimatation, met op de achtergrond Fondation Vuitton, van Gehry. Zo ziet het er nog best aardig uit. Foto: HTC One. Vrijdag 5 oktober 2018, 12.25 uur.

Parijs, Neuilly, Jardin d'Acclimatation, met op de achtergrond Fondation Vuitton, 5 oktober 2018

Een groot bijkomend plezier van Vuitton is wel dat u, als u na een uurtje of zo aan de achterzijde de frisse lucht in gaat, direct in de Jardin d'Acclimatation belandt (open vanaf 11.00 uur, net als Vuitton). Dan bespaart u zich ook nog de vijf euro die u anders zou betalen als u ouder bent dan drie jaar, wat al gauw het geval is (2.50 voor omvangrijke gezinnen en ouderen). En dan treft u aan een immens park, overal banken in het gras, weelderig geboomte, vijvers, watervallen, fonteinen, pagodes, kiosken, honderden picknickbanken en voor de kleinen talrijke attracties. Moet het natuurlijk niet regenen of 10 graden onder nul zijn, maar ik had geluk: het was al dagenlang schitterend herfstweer. Voor de wat ambitieuzer types onder ons, die 's avonds geen tijd hebben om te eten omdat ze per se naar een opera willen die om half acht begint, zijn er tal van restaurants, waarvan het door uw dienaar gekozene, La terrasse du jardin, ondanks de pittige prijs en de op afstand chique ambiance helaas alleen maar matigjes was. Heb ik weer. Op de hoek van Av. Charles de Gaulle, waar metrohalte Sablons aan ligt, en waar u rechtsaf moet in de richting van Vuitton, of linksaf als u terugkeert, ligt een beter. Ouderwets Frans en très bruyant. Naam kwijt. Toch was het fijn weer in Parijs te zijn.

CATALOGI:

Le Bon 2018
Le Bon, L. (Ed.)

Picasso Bleu et Rose
Met bijdragen van tientallen auteurs: oa. Stéphane Guégan, Claire Bernardt, Eduard Vallès, Marilyn McCully, Michael Raeburn, Stéphanie Molins
Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in:
Parijs, Musée d’Orsay, van 18 september 2018 - 6 januari 2018
Parijs, Musée d’Orsay/Musée National Picasso-Paris/Hazan, 2018
ISBN: 978 2 35433-277-3 (Orsay, Franstalig, gebonden, 408 pagina’s) €45
ISBN: 978-2-754-11474-5 (Hazan)

Bouvard/Zellal 2018
Bouvard, É. en Zellal, C.

Picasso. Chefs-d’oeuvre!
Met bijdragen van tientallen auteurs, oa: Michael Raeburn, Malén Gual, Reyes Jiménez, Adrien Goetz, Émilia Philippot
Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in:
Parijs, Musée National Picasso-Paris, van 4 september 2018-13 januari 2019
Parijs, Gallimard/Musée National Picasso, 2018
ISBN: 9-782072802249 (Franstalig, Gebonden, 319 pagina’s) €42

QUAND MÊME

zaterdag 9 juni 2018
Als u enigszins kunsthistorisch geïnteresseerd bent, is het denkbaar dat u Nadar kent als de fotograaf die alle bekende Fransen uit de tweede helft van de negentiende eeuw voor de lens van zijn camera kreeg, en eventueel nog als de man in wiens foto-atelier aan Boulevard des Capucines de eerste tentoonstelling van de impressionisten plaatsvond. Maar uit de biografie van Adam Begley komt een mens tevoorschijn van buitenpro-portioneel formaat, die niet enkel vanwege zijn foto's interessant is en wiens levensverhaal een bijzonder aardige avonturenroman oplevert. (noot van oktober 2018: tot 3 februari 2019 is er in de Parijse Bibliothèque Nationale, hoofdvestiging Mitterand - M4 en M6 - een tentoonstelling gewijd aan Nadar)

Nadar heette van huis uit Gaspard-Félix Tournachon en hoewel hij de brieven aan zijn moeder ondertekende met Félix, noemde iedereen hem al gauw Nadar. Het was de in Frankrijk bekende schrijver van komedies Auguste Lefranc (1814-1878), die van Tournachon Tournadard maakte, naam die al gauw werd ingekort tot Nadard, waarna uiteindelijk ook de slot-d verdween. Begley zwijgt erover, maar ik vermoed dat Lafrancs achtervoegsel als vriendschappelijk bedoeld pejoratief diende. Alles aan Nadar is groot. De beroemde vrienden die hij erop na hield, De Nerval, Baudelaire, Asselineau, Murger, De Banville, waren al zijn vrienden voordat ze beroemd werden. Pas nadat Jeanne Duval, zoals ze vaak te boek staat, zijn minnares was geweest, werd ze die van Baudelaire, al schreef Nadar laat in zijn leven tot ieders verrassing dat Baudelaire als maagd gestorven was: le poète vierge. Het zou mij niet verbazen als hij gelijk had, maar verder gelooft blijkbaar niemand het. Zoals meer mensen met een talent voor vriendschap, had Nadar ook een groot talent voor conflicten. Nadat hij kosten noch moeite had gespaard om zijn enigszins aan lager wal geraakte broer werk als fotograaf te verschaffen, vocht hij een juridisch conflict met hem uit over de bedrijfsnaam die Adrien koos: Nadar jeune: de jonge Nadar. Hij was gul op het absurde af en was dol op risico's, zonder onderscheid te maken tussen de financiële en de lijfelijke versie. Zodoende ontsnapte hij verschillende keren aan de dood, maar éen keer niet aan de debiteurengevangenis in Clichy. Hij was politiek gezien links en een republikein en hij verafschuwde Napoleon III. Die prefereerde zodoende een andere fotograaf, Disdéri (1819-1889), de vader van het visitekaartje. De legende wil dat Napoleon III, toen hij in 1859 op veldtocht naar Italië vertrok om daar Pio Nono in het zadel te houden, zodat de Romeinen wederom konden zeggen dat de Galliërs voor de poorten lagen, de troepen liet halt houden voor Disdéri's foto-atelier om er voor zichzelf nog even een foto te laten maken.

Nadar (Gaspard-Félix Tournachon, 1820-1910), Actrice Sarah Bernhardt (1844-1923). Parijs, 1864. Mooi is ze, vindt u niet? Foto: Begley 2017 pag. 111

Nadar, Sara Bernhardt, 1864

Een zeventienjarige Banville was erbij toen Nadar op een avond eind november 1840 de honderden mensen die hij kende, maar ook een groot aantal beroemdheden die hij wel eens wilde zien, gezamenlijk uitnodigde op zijn minuscule kamertje aan rue Montmartre voor wat hij noemde een fête champêtre, waarna de feestelijkheden van onduidelijke aard zich over de wijde omgeving verspreidden. De uitnodiging was ondertekend met Burggraaf de la Tour Nadard, met als toevoeging: homme de lettres. Aan zelfvertrouwen ontbrak het Nadar nooit. Baudelaire leerde hij kennen in 1843 en de vroegst van hem bekende foto is van Nadar, uit 1855, zoals ook de enige bekende foto van De Nerval, gemaakt in 1854, kort voordat hij zelfmoord pleegde, van Nadar is. Hij was iemand van grote plannen, waar hij dan te snel op uitgekeken raakte. Begonnen als journalist, met artikeltjes van allerlei soort, feuilletons, toen altijd de onderste helft van de voorpagina, een heel matige roman, stapte hij al gauw over naar de karikatuur, in een periode dat de tijdschriften- en krantenmarkt nog wat voorstelde. Samen met zijn broer en een paar honderd anderen vertrok hij op 30 maart 1848 om Polen te gaan bevrijden, zaak die halverwege de negentiende eeuw in Parijs zeer populair was. Het gezelschap werd even buiten Magdeburg gearresteerd, waarna Nadar onder de naam Turnasjevski in Parijs terugkeerde, wat best geestig is. In hetzelfde jaar begon hij als tekenaar te werken voor Charles Philipons Le Charivari, het beroemdste Franse geïllustreerde dagblad, waarvoor hij karikaturen verzorgde, zoals later ook Daumier en Doré zouden doen. Philipon (1800-1862) zou ook verder over Nadar waken, zoals Nadar er eveneens in zou slagen altijd anderen te vinden die hem wilden steunen, daaronder soms beroemde financiers. In 1849 begon hij mee te werken aan Philipons Le journal pour rire, soort voorloper toch van onze Lach, en debuteerde met karikaturen van zestig parlementsleden die hij weergaf in een lange, kronkelende optocht, zoals hij later het complete pantheon van de Franse literatuur op precies dezelfde manier zou tekenen.

Nadar (Gaspard-Félix Tournachon, 1820-1910), Schrijver en dichter Charles Baudelaire (1821-1867). Parijs, 1855. Met volgens mij een stompje sigaar. Foto: Begley 2017 pag. 25

Nadar, Charles Baudelaire, 1855

Aan de enorme correspondentie van Flaubert, die tussen 1973 en 2006 in vijf delen met een aparte index en 8000 pagina's werd uitgegeven in de Pleiade, valt voor een lezer veel plezier te beleven. Wat mij betreft is die correspondentie net zo goed als Tolstojs Oorlog en vrede. Ik vond het opmerkelijk dat éen van Flauberts interessantste correspondenten die vrouw uit Nohant was, de toen al voormalige minnares van Chopin, schrijfster van heel wat romans waar Flaubert geen zeer hoge dunk van kan hebben gehad, net zo min als Baudelaire dat deed. Maar de vrouw nam hij serieus en zij hem ook en de brieven tussen de twee zijn een genot om te lezen. Opmerkelijk genoeg gaf een leraar Frans uit het Zeeuwse Koudekerke, Alphonse Jacobs, voordat de Pleiade dat deed, de correspondentie tussen de twee al uit. Sand hield er niet van gefotografeerd te worden, want ze was ontevreden over hetgeen er op dat vlak van haar bestond. Tot ze met enige tegenzin bij Nadar langs ging en de bijna 60-jarige, na vier zeer langdurige zittingen op 4 achtereenvolgende dagen, zielsgelukkig was met de hierbij gaande foto. Wel huurde Nadar, al had hij dat liever niet gedaan, zo schrijft Begley, een specialist in om de glasnegatieven van haar rimpels te ontdoen. Sand is een schrandere, sympathieke vrouw en je kunt het zien. En die rimpels, ach.

Nadar (Gaspard-Félix Tournachon, 1820-1910), Schrijver George Sand (Aurore Dupin (1804-1876). Parijs, 1864. Foto: Begley 2017 pag. 116

George Sand, Parijs, 1864

In zijn Dictionaire des idées reçues, zijn Encyclopedisch woordenboek van gemeenplaatsen, dat een soort bijlage is van zijn laatste roman, zijn onvoltooide Bouvard et Pécuchet, schrijft Flaubert, onder het lemma ballon: Per ballon gaan we nog een keer naar de maan. Maar hem besturen lukt nog niet. Dat besturen, daar wist Nadar alles van. Want na de journalistiek, de karikatuur en de fotografie wijdde Nadar een goed deel van zijn verdere bestaan aan de luchtvaart.

De ballon was natuurlijk in de mode in de negentiende eeuw. Nadar geloofde eigenlijk helemaal niet in de ballon als modern vervoersmiddel, juist vanwege de problematische besturing. Maar het typeert hem dat hij er desondanks en tegen beter weten in een flink deel van zijn tijd aan besteedde. Hij was verantwoordelijk voor de vroegste vorm van luchtfotografie, verzorgde als eerste foto's van de nieuwe Parijse riolen die onder Haussmann werden aangelegd door Belgrand, was de eerste die de ballonvaart inzette als hulpmiddel bij de cartografie en tijdens het beleg van de stad Parijs door de Pruisen was hij het die de contacten van de stad met de Franse legerleiding erbuiten verzorgde. Zijn spectaculairste ballonreizen maakte hij met zijn Géant, zijn Reus, vervaardigd van 21000 meter zijde en met een hoogte van 60 meter. De complete constructie was net zo hoog als de Notre Dame. Van de keizerlijke legerautoriteiten kreeg hij toestemming om op te stijgen van het Marsveld, waar nu de Eiffeltoren staat. 200.000 mensen waren op 4 oktober 1863 tegen betaling getuige. Dat leverde 36.000 francs op. De mand onder de ballon had twee verdiepingen, beschikte over zes van elkaar gescheiden compartimenten en op het observatiedek daarboven was er ruimte voor 20 mensen. Er bevond zich een keuken, een toilet, er was een drukpers aan boord, een donkere kamer en een wijnkelder. Begley schrijft: Félix had zich goed voorbereid op zijn jongensavontuur: hij laadde zelfs wapens aan boord voor het geval hij terecht kwam tussen vijandige autochtonen. Maar hoewel Nadar hoopte Rusland te bereiken, bleken de getuigen van de landing in werkelijkheid wat boeren bij Meaux te zijn, op 35 kilometer van Parijs, waar het gevaarte zeer onzacht en in het donker terecht kwam.

Na een aantal technische verbeteringen deed hij op zondag 16 oktober 1863 een tweede poging. Tot zijn ergernis meldde zich bij dit vertrek Napoleon III himself, in gezelschap van de jonge Griekse koning, waarop Nadar weigerde tevoorschijn te komen en door zijn gezelschap in paniek moest worden gedwongen acte de présence te geven. Bon voyage, monsieur Nadar, zei de keizer. Er waren dit keer negen passagiers, onder wie zijn vrouw, maar ook drie ervaren ballonvaarders, een journalist, Eugène d'Arnoult, een schrijver en een jonge nakomeling van Montgolfier. Nadar had er deze keer voor gezorgd dat andere ballonvaarders tegelijkertijd met zijn immense ballon hun traditionele en veel kleinere exemplaar lieten opstijgen, zodat het verschil in omvang goed zichtbaar werd. Half acht 's avonds passeerde de ballon Compiègne, waar Nadar door een vriend werd toegeroepen, rond middernacht kruiste de ballon de Belgische grens en dreef daarna Nederland binnen, wat tot grote bezorgdheid leidde omdat het gezelschap boven zee dreigde te geraken. Hoewel Louis Godard op dat moment eigenlijk al wilde gaan landen, voorkwam Nadar dat. Maar toen de opkomende zon het gas in de ballon verwarmde, begon de ballon te stijgen tot 3500 meter zodat het gas nog verder uitzette, waarna besloten werd gas te laten ontsnappen, er op een lagere hoogte veel wind bleek te staan en ballon en mand ten slotte stuurloos werden voortgesleept met meer dan 40 kilometer per uur, op een haar na een trein missend omdat de machinist remde, telegraafpalen uit de grond rukkend, hekken meeslepend, rakelings langs een groot huis, een aantal keren landend en weer omhoog botsend. In de rond een half uur durende landing klapte de mand tussen de 60 en 80 keer neer en botste weer omhoog. Dat bleek allemaal gebeurd te zijn in de buurt van Hannover, 16 uur na het vertrek uit Parijs. Dat iedereen het overleefde en er alleen maar gewonden en gekneusden waren, was een wonder. De berichten over de kwestie gingen de hele wereld over en Nadar schreef er zelf een succesvol verslag van.

Parijs, Champ-de-Mars, zondag 16 oktober 1864. De Géant van Nadar, kort voor het opstijgen, met ernaast de traditionelere ballon van de Godards. Nadar had een fijne neus voor public relations, schrijft Begley. Foto: Begley 2017 pag. 142

Parijs, Marsveld, zondag 16 oktober 1863

Adam Begley (Boston, 1959) is de stiefzoon van Anka Muhlstein en de zoon van Louis Begley, als u dat wat zegt, beiden auteurs van naam, en zijn boekje is een plezier om te lezen, al is het niet heel mooi uitgegeven en had ik graag wat meer en wat betere foto's van Nadar gezien. Richard Holmes, ook al niet de minste, was er in de New York Review of Books van 24 mei 2018 zeer lovend over en daar had hij gelijk in. Begley verschaft als een soort extra een lang hoofdstuk over Nadar gastenboek, waarin de fotograaf iedereen die ertoe deed verzocht een memento achter te laten, in welke vorm ook. Velen gaven daar gehoor aan. Het bevindt zich nu in Philadelphia, omdat het kort na 1890 werd gekocht door Thomas Evans, een Amerikaan die in Parijs schatrijk werd als tandarts van Napoleon III. Begley vermeldt het niet, maar Méry Laurent was jarenlang zijn minnares. Manet gebruikte haar tal van keren als model, gekleed en ongekleed. Enne, quand même? Dat was uiteraard het motto van Nadar: en toch....Yes, we can!

Adam Begley, The Great Nadar, The man behind the camera. New York, Tim Duggan Books/Penguin Random House, 2017. ISBN 978-1-101-90260-8. Gebonden, 248 pagina's. $28,-

Adam Begley, The Great Nadar

PARIJS IN DE HERFST

zondag 5 november 2017
Wie de route aflegt langs de Parijse wijken zoals die de laatste pakweg 150 jaar bij de culturele elite - en dus op den duur bij nogal wat toeristen - in de mode zijn geraakt, en dat traject vervolgens op de kaart bekijkt, ziet dat hij bijna een cirkel heeft afgelegd. Daaraan ontbreekt op dit moment enkel het laatste deel. In de negentiende eeuw werd, vanaf 1860 of zo, Montmartre populair en het gebied er net ten zuiden van, rond Saint-George, in wat nu het negende is. Een groot deel ervan was, met dank aan Haussmann, gloednieuw. Rond de Eerste Wereldoorlog, eigenlijk al tien, twintig jaar eerder of zo, verplaatste het circus der modernen zich naar de linkeroever, helemaal naar het zuiden, naar Montparnasse. De Dôme. Kiki! Man Ray's Violon d'Ingres. Picasso, Matisse, Le boeuf sur le toit! Kent u Kiki's Paris, van Billy Klüver en Julie Martin, uitgegeven bij Abrams? Nee? Jammer. Het bevat een immense hoeveelheid prachtig fotomateriaal. Overigens beschikte de wijk ook in de late achttiende en vroege negentiende eeuw al over genoeg mogelijkheden tot vertier. In Cousine Bette laat Balzac iemand over een in gedwongen eenzaamheid werkend kunstenaar zeggen: "Houd zijn broek en schoenen achter slot en grendel en houd hem weg uit de Chaumière en de wijk rond Notre-Dame-de-Lorette." Die Chaumière was het bal jardin van de Grande Chaumière, gelegen aan Bld Montparnasse en Raspail, al populair in de eerste helft der negentiende eeuw. De grote golf verscheen echter pas tegen het eind daarvan. Met de populariteit van Montparnasse was het met de Tweede Wereldoorlog afgelopen. Die afschuwelijke Tour deed natuurlijk de deur die al lang dicht was, nog steviger op slot, maar dat was pas in jaren '70. Overigens kom ik er nog steeds graag. Het terras van La Rotonde heeft nog laat zon. Raspail plage, zeiden de kunstenaars al ten tijde van de eerste eigenaar, Victor Libion.

Man Ray (pseudoniem van Emmanuel Radnitzky, 1890-1976): Collage, Kiki van Montparnasse (Alice Ernestine Prin, 1901-1953) als Le Violon d'Ingres. Het begrip is in het Frans spreekwoordelijk voor een hobby, of iets wat met hartstocht naast het eigen vak bedreven wordt. Breton gebruikte de foto in juni 1924 voor het tijdschrift Littérature dat sinds 1919 bestond. Bron: Klüver, B. en Martin, J., Kiki's Paris, Artists and lovers 1900-1930, New York, Harry Abrams Inc. Publishers, 1989; ISBN: 0-8109-1210-4 (Gebonden, 263 pagina's), pag. 134

Man Ray, Collage Le Violon d'Ingres

Toen ik kort tevoren, in 1969 of 1970, als onwetende jongeling voor het eerst in Parijs kwam, was Saint-Germain in de mode en verbleef ik - geheel volgens het boekje - in een hotel aan rue de l'École de Médecine. Het straatrumoer was er net aan mij voorbij gegaan. Ik houd trouwens niet van straatrumoer. In Nederland waren de jongeren somber gestemd en ook in de zestiger jaren reeds streefde een aanzienlijk deel der jeugd naar voortijdige levensbeëindiging, op dat moment met name onder invloed van Sartre, man die ik ook toen al verafschuwde en die er zelf niet over piekerde zich te verhangen, integendeel, als u begrijpt wat ik bedoel. Hoewel ik - permanent verliefd als ik was op meisjes die allemaal De Beauvoir bleken te lezen - in de wieg leek gelegd voor Sartre, had ik van zelfmoordneigingen evenmin last, was ik een opgewekt en goedgemutst mens en vond ik het allemaal aanstellers. En dat waren het ook, want ze verkeren meestentijds nog in goede gezondheid en hebben meer geld dan ik, een eigen huis, een vrouw, twee kinderen en een hond. Ik heb daarna nog heel wat keren in Saint-Germain gezeten, op allerlei plekken, rond Odeon, maar ook verder naar het zuiden, tot ik het te toeristisch (en te duur) vond worden en naar de rechteroever verhuisde. Café de Cluny op de hoek van Saint-Germain en Saint-Michel moest op dat moment nog een pizzeria worden en Gilbert Jeune was nog niet gehalveerd of gewoon - aan de zuidkant op Boulevard Saint-Michel, verdwenen. Ik was er vroeg bij met naar de Marais te vertrekken, waar ik heel wat jaren heb gebivakkeerd, in allerlei hotels rond Marché Saint-Cathérine, of richting République, of Richard-Lenoir, waarmee je al in het elfde zit. Met mij en na mij kwam de rest. De Marais is nu flink gegentrificeerd, maar veel ervan is toch ook nog steeds zeer herkenbaar en als je er 's avonds na elven rondloopt, is het er doodstil. De geest van Dora Bruder waart hier rond, zou Modiano zeggen. Een paar jaar geleden ben ik naar het gebied rond Place Saint-George gegaan, al heb ik ook een paar keer op Abbesses gezeten, in Montmartre zelf, waar je vurig hoopt dat de lift van de metro werkt. In hotel Regyn's daar begon Alain Delon zijn carrière. In de kerk er tegenover vond de begrafenisdienst van Degas plaats. Ik houd erg veel van de rustiger delen van de wijk, rond Rue Caulaincourt, waar ook sommige kunstenaars in de jaren '20 gewoon bleven wonen, Braque bijvoorbeeld en Juan Gris. Maarre, ziet u de afgelegde route voor zich op de kaart? Ze vormt bijna een cirkel. Als je moet raden naar wat volgens die tendens populair gaat worden, moet dat in de nabije toekomst eigenlijk Montmartre zijn. En het is natuurlijk ook een prachtig stuk Parijs, al wordt het gruwelijk verpest door het gebied rond Clichy en Rochechouart, dat het centrum vormt van een dubieus soort nachtleven.

Parijs, Montmartre (XVIIIe), Avenue Junot 15. Het huis werd in 1926 voor Tzara gebouwd door Aldolph Loos (1870-1933), maar betaald door Tzara's eerste vrouw, Greta Knutson (1899-1983). Om de hoek, aan rue Lepic, woonden jaren daarvoor de broers van Gogh. Du Perron verbleef in 1922 kortstondig in de buurt. Foto: 15 augustus 2008.

Parijs, Montmartre, Avenue Junot 15

Parijs, Montmartre (XVIIIe), Tristan Tzara (pseudoniem van Sami Rosenstock, 1896-1963) aan Avenue Junot 15, achterzijde, in de deur die met een trap toegang verschaft tot het terras op de tweede verdieping. Bron: Klüver, B. en Martin, J., Kiki's Paris, Artists and lovers 1900-1930, New York, Harry Abrams Inc. Publishers, 1989; ISBN: 0-8109-1210-4 (Gebonden, 263 pagina's), pag. 133

Parijs, Montmartre, Avenue Junot 15

En zo kwam ik, omdat ik na de opera in Bastille naar mijn hotel wilde kunnen lopen, afgelopen week, na vele jaren weer eens terug in de Marais, waar het nu rond Rue Saint-Antoine een enorme bende is, omdat mevrouw Hidalgo heeft besloten dat er daar best een rijbaan af kan. Toch vond ik het fijn. Uiteindelijk voel ik me er het meest thuis. Ik ben ook maar een arbeidersjongen. Echt waar. Toen ik er lang geleden verscheen, was metrostation Saint-Paul rustig, maar dat was niet meer het geval. Lijn 1 is nergens meer rustig. 's Ochtends is het in de spits net Rome. Toch: hebt u wat tijd en geld over? Ga nu naar Parijs, in november of december. Er is veel te doen. Laat me eens wat toeristisch advies geven. In het Petit Palais lopen er twee tentoonstellingen tegelijkertijd, die allebei de moeite waard zijn. Aan de ene kant van het gebouw zijn er zalen vol met pastels, van ruwweg eind achttiende tot begin twintigste eeuw, terwijl aan de andere kant een enorme afdeling is ingericht met werk van de Zweedse schilder Anders Zorn. Ik vond beide tentoonstellingen zeer de moeite waard. Pastels krijg je maar zelden meer te zien, omdat ze te kwetsbaar zijn. En een deel van Zorns werk viel me enorm mee. In de Fondation Vuitton in Neuilly hangt een grote collectie, die afkomstig is uit het New Yorkse Museum of Modern Art en de twee hebben flink uitgepakt. Je bent per slot van rekening bijvoorbaat geneigd te denken: in New York zullen ze toch niet al hun meesterwerken tijdelijk wegdoen, maar gelooft u me, er hangt een immense hoeveelheid schoons, terwijl de veelzijdigheid opvallend is. Want er hangt ook veel fotowerk en er draaien tal van filmfragmenten, waarvan de show wat mij betreft werd gestolen, niet door Sergej Eisenstein, of door Warhols screentest met Marcel Duchamp, maar door een zeer vroeg exemplaar van Walt Disneys Mickey Mouse, diens Steamboat Willy. Kinderen keken er met hun volle verstand naar en vonden het prachtig en ik ook. De tentoonstelling was nog niet zo lang open, het was erg druk en de rij voor de toegang was lang, ik zeg het maar even. Gaat u of een half uur voor opening, of 's avonds na achten. In het Picassomuseum is er een tentoonstelling over zijn jaar 1932, die u op een later tijdstip ook nog in Londen kunt zien. Zelf ben ik met Picasso snel aan mijn verzadigingspunt, maar dat kan voor iedereen verschillend zijn. En de tentoonstelling was toch aardig. In de Fondation Vuitton hingen overigens een paar heel mooie Picasso's. In het Grand Palais loopt een tentoonstelling met werk van Gauguin. Ik vond de Gauguin-tentoonstelling aardig, maar niet indrukwekkend, vermoedelijk ook omdat ik maar een deel van zijn werk echt mooi vind. Dat neemt niet weg dat het erg druk was en dat de rijen ook al lang waren. In Le Monde klaagde op zaterdag 4 november Philippe Dagen: waar zijn de grote exposities gebleven? Hij doelde op het feit dat er maar zo'n 50 werken van Gauguin te zien waren. En hij verwees naar de jaren '90, toen de ene na de andere enorme tentoonstelling werd georganiseerd, vaak in het Grand Palais, terwijl die allemaal zeker een driekwart miljoen bezoekers trokken. Hij heeft gelijk, want het is opvallend. Maar Dagen vermeldde ook direct hoe het komt. Vuitton trok met de eerste tentoonstelling die de stichting organiseerde, met de collectie van de vroege Russische verzamelaar Sergei Shchukin, 1.2 miljoen bezoekers. Daarmee was het de op éen na drukst bezochte tentoonstelling van verleden jaar in Parijs. Voor die tentoonstelling beschikte Vuitton over een budget van 13 miljoen euro. Over de huidige Vuitton-tentoonstelling zweeg Dagen in Le Monde, naar ik vermoed omdat hij die nog niet had gezien, maar éen ding weet ik zeker: het budget voor die expositie was beslist meer dan die al enorme 13 miljoen. Welk museum kan zich dat soort bedragen nog permitteren? Kent u overigens het gebouw van Gehry in Neuilly? En is het architectuur waar u van houdt? Ik niet. Ik vind het een aanstellerig, ijdel ding, net als dat monster in Bilbao. Maar veel minder lelijk dan onze badkuip is het natuurlijk wel. Daar kun je ook nog aan zien dat het goedkoop was. Hoe dan ook: Gehry's enorme gebouw was over alle vijf verdiepingen volgeplempt met moderne kunst, sommige enkele onderdelen compleet zaalvullend. En het moet een fortuin en maanden werk hebben gekost om het er alleen maar te krijgen. Het mooist vond ik misschien Matisses Kunstenaar met goudvis. Genie is vaak een kwestie van eenvoud of, zoals hier, van schijnbare eenvoud.

Henri Matisse (1869-1954): [Artiste avec poissons rouges, ou: poissons rouges et palette] Kunstenaar met goudvissen, of: Goudvissen met palet, 1914. Olieverf op linnen, 146.5 x 112.4 cm. New York, Metropolitan Museum of Art. Gift van Florence M. Schoenborn en Samuel A. Marx. Van 11 oktober 2017-5 maart 2018 in Fondation Louis Vuitton, Parijs Neuilly. Ziet u, voor de (in het blauw) schuin omhoog staande achterzijde van de ezel, de vinger door het palet in het wit? En uiterst rechtsboven een stukje schilder? Bron: Flam, J. Matisse, A Retrospective, New York, Park Lane, 1988, pag. 134

Matisse, Kunstenaar met goudvissen, of: Goudvissen met palet, 1914

U kunt natuurlijk ook nog gewoon naar de opera in Bastille. Ik was bij Don Carlos, maar ik vond dat er een rare, ongelukkige versie werd uitgevoerd, weliswaar de complete, inclusief het oorspronkelijke eerste bedrijf dus, maar bepaald niet zoals u hem verder kent, als u hem tenminste kent. Het bleek namelijk de versie zoals Verdi die oorspronkelijk van plan was op het toneel te brengen, een soort oerversie eigenlijk. En zodoende ontbrak er erg veel mooie muziek en wie de complete opera kent zoals die door Abbado werd gedaan voor DGG, of de gekortwiekte Italiaanse van Giulini, die zal door de muziek her en der danig verrast worden en vaak beslist teleurgesteld. Ik vond ook de enscenering weer eens idioot. Ensceneurs-stompzinnigheid is duidelijk geen Nederlands voorrecht. Maar tegen de tijd dat u er bent, als u er bent, kunt u naar Verdi's Falstaff, wat natuurlijk net zo fijn is als Don Carlos. Want dat zijn toch Verdi's twee mooiste opera's. En van Falstaff bestaat er maar éen versie. Wees maar blij! Leest u nog Frans? Neem Modiano's Souvenirs dormants mee. Voor € 14.50 weet u alles. Enne, wat zou die trouwens van Neuilly vinden, met Boulevard Maurice Barrès?

Parijs, Palais-Royal. Daar zat ik weer eens. Wat kranten. Ik dacht: 12 graden of zo, het zal wel rustig zijn. Dom hoor. Ook al ziet u het niet, het was er net zo druk als 's zomers. Foto: dinsdag 31 oktober 2017, 14.35 uur.

Parijs, Palais Royal

PARIJS VAN ALLE KANTEN

zaterdag 17 september 2016
Een verstandig mens koopt geen boeken over steden en trouwens ook niet over landen. Als het tegenzit, krijgt hij ze cadeau, omdat hij kort voor zijn verjaardag een keer heeft laten weten dat hij naar Barcelona gaat of Boedapest. En dan komen de verkeerde vrienden ermee aan. Die waren op zoek naar iets leuks en wisten het ook niet meer. 'Goed boek man', zeggen ze dan. Maar dat hadden ze uit de recensie. Jaren later vind je het ergens terug en dan denk je, oh ja, shit, nooit gelezen, hoe heetten de lui ook alweer die het je cadeau deden? Niemand leest zulke boeken. Zelfs degenen die ze schrijven niet. Die doen dat aan het eind van hun carrière, wanneer ze alle hoop hebben laten varen, of zo schatrijk zijn dat ze er een complete staf op na houden en zich zulke boeken kunnen permitteren. En dan moet ik denken aan David McCulloughs The greater Journey, van een paar jaar geleden, dat trouwens nog best een aardig boek was. Want op die gulden regel - geen boeken over steden - bestaan natuurlijk twee uitzonderingen: boeken over Parijs en Rome kunt u altijd kopen. McCulloughs boek gaat over Parijs en vooral over de Amerikanen die het bezochten. Het is een sympathiek boek en het is leuk om het in Parijs te lezen. Op de achterflap ervan staat de auteur himself, met vaag zichtbaar nog net een hoekje van een terras en wat zuilen van een kapel, waarvan de locatie voor elke Parijsganger direct herkenbaar is. Boeken over Parijs en Rome mogen altijd. Parijs was per slot van rekening drie eeuwen lang het kruispunt der Europese beschaving en is om die reden de werkelijke hoofdstad van ons werelddeel, Rome is de wieg ervan. Een boek over Parijs gaat nooit alleen over Parijs; boeken over Rome gaan niet over Rome. Die zwakbegaafde loosertjes van IS haten de Franse hoofdstad niet voor niets. Maar van de drie boeken over Parijs die ik hier kort ter sprake ga brengen, Santes The other Paris, De Banvilles Âme de Paris en Hazans Une traversée de Paris, kunt u waarschijnlijk de twee die u onmiddellijk zou moeten kopen, niet lezen, omdat u nu eenmaal geen Frans meer beheerst, terwijl Luc Santes boek over Parijs weliswaar vertaald is, in paperback 25 euro kost, maar het me een beetje zonde van het geld lijkt, al is een boek over Parijs natuurlijk nooit echt weg. Dat laatste zeg ik met tegenzin. Ik heb er een hekel aan een negatief stuk over een boek te schrijven. Ik had er een lovende recensie van gelezen in een blad waarop ik blind vertrouw, de New York Review of Books namelijk, waarin Robert Darnton het hogelijk loofde. Maar dat viel dus tegen.

David McCullough, achterflap van The greater journey, Americans in Paris. New York, Simon and Schuster, 2011. Gebonden, 558 pagina's. ISBN: 978-1-4165-7176-6 Iemand die een geweldige biografie van Truman op zijn naam heeft, mag voor de aardigheid wel iets over Parijs schrijven en met een beminnelijke glimlach op Place de la Sorbonne gaan staan.

McCullough, The greater journey

Luc Sante, die van geboorte Belg is, maar op jonge leeftijd naar Amerika emigreerde, schrijft zelf af en toe voor de New York Review. Maar - want ik las de oorspronkelijke versie en een Franse is er niet- het Engels dat hij schrijft, ook in zijn boek over Parijs, vind ik vlak en kleurloos. Zijn The other Paris gaat vooral over de Parijse onderklasse door de eeuwen heen, waarbij hij de behandeling van de diverse delen ervan steeds begint in de middeleeuwen en met het eindpunt soms in het derde kwart van de vorige eeuw terecht komt. Het albumachtige formaat van het boek maakt brede marges mogelijk waarin honderden kleine illustraties en foto's zijn opgenomen, van bijzonder matige kwaliteit overigens, zodat je er jezelf voortdurend toe moet dwingen ze in het oog te houden. Blijkbaar gaat het vooral om het idee. Het in 12 hoofdstukken verdeelde boek bespreekt, in min of meer chronologische volgorde dus, vooral de grootstedelijke zelfkant van het bestaan, drank, misdaad, prostitutie, bedelaars, theater en variété, de politie, de delen van de stad waar het grauw samenschoolt, om te besluiten met een hoofdstuk over de Parijse neiging tot opstandigheid. De hoofdstuktitels zijn zo algemeen dat ze nauwelijks een serieuze aanwijzing omtrent de inhoud vormen. Het tweede hoofdstuk, getiteld Geesten, lijkt te gaan over al degenen die Sante voorgingen, door de stad dwaalden en erover schreven, de flaneurs, het gaat over wat Walter Benjamin de psycho-geografie van de stad noemde, de manier waarop de geschiedenis van een stad door de straten en de namen ervan schemert. Als je het boek gelezen hebt, weet je bij god niet meer waar wat te vinden is, want het is éen grote knoedel van informatie. Sante is net als Eric Hazan, wiens Uitvinding van Parijs ik eerder besprak, iemand met naar ik vermoed erg linkse sympathieën. Zijn kennis van Parijs en de geschiedenis van de stad is jaloersmakend, maar ik kon er desondanks bij het lezen af en toe mijn gedachten maar moeilijk bijhouden. Vanwege de eindeloos voortdurende opsomming van feiten en feitjes is het toch een beetje alsof je bezig bent een encyclopedie door te werken. De overmaat aan absurditeiten, kleurrijke personages, bijzonderheden van velerlei soort werkt vermoeiend. Geleidelijk bekruipt je tijdens het lezen de fatale gedachte dat de bronnen waar Sante gebruik van maakt misschien wel interessanter zijn dan het boek dat je leest. Je krijgt er zin van in Balzac. Illusions Perdues, zou ik zeggen. Dat komt dan goed uit, want het kreeg onder de titel Verloren illusies in 2016 een vierde druk in de Perpetua-reeks van Atheneum. Die roman van zo'n 750 bladzijdes biedt u in het tweede deel een veel vermakelijker inzicht in de wereld van het Parijse theater dan u wordt verschaft door Sante en dan krijgt u er gratis de Parijse pers en uitgeverswereld bij, onderdeel dat in Santes boek schittert door afwezigheid. Dat was misschien niet lower class genoeg.

Luc Sante, The other Paris, An illustrated journey through a city's poor and bohemian past. Londen, Faber and Faber, 2015. Gebonden, 305 pagina's. ISBN: 978-0-571-24128-6 € 28.90 Er is een Nederlandse paperbackvertaling beschikbaar voor € 25

Luc Sante, The other Paris, 2015

Balzacs tweede deel van Verloren illusies speelt zich af rond 1825, met op de achtergrond de talrijke theaters die er lagen rond wat nu heet Place de la République, maar wat toen, in een veel kleinere versie, nog Place du Château-d'Eau was. Place de la République fungeerde recentelijk nog als toneel van Paris debout, met de linkse activisten die het wekenlang bezet hielden. Ik vermoed dat zowel Sante als Hazan sympathie voor die beweging kon opbrengen. Mij leken de deelnemers warhoofden van formaat. Sante en Hazan wijzen er beiden eveneens op dat het plein in oorsprong ook al de plek was waar ten tijde van Parijse opstanden de eerste barricades verschenen, reden voor Haussmann om het vele malen groter te maken en voor Napoleon III om er - in 1854 - een kazerne aan te leggen. Sante besteedt in zijn boek uitgebreid aandacht aan de vele theaters die er zich ooit bevonden en die bijna allemaal verdwenen door Haussmanns ingrepen. En beiden wijzen erop hoe divers het publiek was dat dit deel van de stad bezocht. Wie vervolgens Theodore de Banvilles columns erbij neemt, L'Âme de Paris, De ziel van Parijs, begrijpt inderdaad direct waarom Santes bronnen misschien wel interessanter zijn dan Santes boek zelf. Want De Banville, die zijn stukken tussen 1884 en 1890 schreef voor Le Figaro en Gil Blas, op een moment dat het oude Parijs ook voor veel Parijzenaars al een onbekende grootheid was, maar niet voor de schrijver zelf, geboren als hij was in 1823, besteedt tenminste een paar pagina's aan éen en hetzelfde onderwerp, aan éen van de vele schrijvers en kunstenaars die hij heeft gekend, aan de cafés, aan sigaretten en de eerste restaurants, en klinkt daarbij soms ongewoon modern. Het zegt wel iets dat De Banville bij mij voortdurend de neiging oproept er voor u wat uit te citeren, sentiment dat me bij Sante in het geheel niet bekruipt. Voor zowel Sante, als De Banville als Hazan geldt, dat ze het op Haussmann niet hebben begrepen. Sante en Hazan beschouwen hem als een willig werktuig in de handen der macht, De Banville erkent hoogstens het nut van diens werkzaamheden en beschrijft het oude Parijs als een poel van armoede en ellende, beeld waarvoor Sante meer dan genoeg munitie aanreikt, maar verwijt hem ook een gebrek aan architectonische goede smaak. Hij schrijft, in een stuk getiteld La rue:

Baron Haussmann wist, als een moderne Hercules, dan wel de riolen schoon te maken en de stroom door de te vuil geworden stal te sturen. Hij gaf ons licht en lucht; hij creëerde kapitalen, door waarde te verschaffen aan tot dan toe veronachtzaamde gebieden en hij beschikte als geheel over een soort bouwtalent; maar hij had in zekere zin ook over een beperkte geest en hij zou nooit iets begrijpen van de ziel van Parijs. Toen zijn dwaze en dronken houweel de Boulevard du Temple verwoestte, dacht hij alleen maar wat theaters vernield te hebben, maar zijn misdaad was van veel groter gewicht, want hij steriliseerde voor lange tijd het dramatisch genie van Frankrijk. Het is een axioma: geen stuk zonder acteurs. Welnu, waarom waren er toen zoveel grote toneelspelers en hebben we er nu zoveel minder? Laat me u eraan herinneren dat er op die boordevolle boulevard, blinkend van de lichten, wemelend, stromend, vol met kramen in de open lucht onophoudelijk een eindeloos diverse Parijse menigte dooreen bewoog en flaneerde, die tegelijkertijd elitair was en volks, maar die stevig in de greep was van het theater. Daar begaven de acteurs zich op weg naar hun kunst, naar hun bezigheden, naar hun triomfen; ze kwamen er langs, niet meer verkleed en opgemaakt, in de van een personage geleende rol, maar als zichzelf, in hun eigen dagelijkse gedaante, temidden van het volk dat van hen hield, hen kende, met hen in en buiten het theater leefde. Die massa zo te doorkruisen, dat was de ware en vreeswekkende proef; want als de kunstenaar de vorige dagen en avonden goed had gespeeld, werd hij begroet met lange, vriendschappelijke blikken; maar als het hem aan ernst had ontbroken, als hij in gewoonheid en gemakzuchtige effecten was vervallen, trof hij om zich heen die kale onverschilligheid aan waarvan helden en zelfs koningen niet terughebben. Ah, wat kon een Debureau, een Frédérick, een Dorval op zo'n moment de jaloezie van hun rivalen schelen, het slechte humeur der kranten, de strenge bewondering der lieden van de wereld, als de Parijzenaar hen een blik toewierp die zoveel wilde zeggen als: ik ben tevreden over je. Heel die wereld, de acteur, de menigte, iedereen stond met elkaar op vertrouwde voet en leefde in elkaars onmiddellijke nabijheid. Tegenwoordig zijn ze vreemdelingen voor elkaar, ze kennen elkaar niet meer, en ook de muze zelf kent hen niet meer, want ze zijn niet langer in gezamenlijkheid uit liefde voor haar bijeen.

Théodore de Banville, L' âme de Paris. Nouveaux souvenirs. Présenté et annoté de Laure A. Bordonaba. Parijs, Les Éditions de Paris Max Chaleil, 2016 Paperback, 179 pagina's. ISBN: 9782846212328 € 15,- De bundel bevat een inleiding en 30 artikelen van de hand van De Banville die tussen 1884 en 1890 in Gil Blas en in het literaire supplement van Le Figaro verschenen. Elk artikel is van aantekeningen voorzien

De Banville, L'Âme de Paris

Hazans Traversée de Paris, misschien te vertalen als Dwars door Parijs, is bepaald geen wandelgids in de normale zin van het woord, net zo min als Hazans L' invention de Paris een gewone geschiedenis van Parijs was. Hazan is zo iemand die, als hij op Place Saint-André-des-Arts staat - u weet wel, met die fontein, aan de kop van Boulevard Saint Michel - niet weet hoe hij naar de rechteroever moet. Want tussen (links) het Paleis van Justitie en (rechts) het hoofdbureau van politie door wil hij niet en langs de andere routes lopen teveel toeristen. En dan stelt hij ook nog voor om het hele zaakje af te breken en er arbeiderswoningen neer te zetten. En volgens mij meent hij het. Hij lijkt oprecht ingenomen met de noordelijke wijk die Goutte d'Or heet, in het 18e, ten oosten van Montmartre, en die wat mij betreft te allochtoon is, iets wat een stadsdeel naar mijn idee zelden ten goede komt. Misschien kent u de enorm langgerekte markt bij Barbès, die zich daar onder de metrolijn bevindt langs Boulevard de la Chapelle. Hazan heeft geen last van dergelijke vooroordelen. De wandeling door Parijs die hij op touw zet, in acht etappes, van zuid naar noord, van Ivry, naar Saint-Denis, min of meer over de scheidslijn tussen west en oost, loopt van de ene linkse boekhandel naar de andere en lijkt vooral ingegeven door de mogelijkheden om de stad te verbinden met zijn eigen leven, zijn linkse verleden en de revolutionaire geschiedenis van de stad. Daarbij slaat hij geen barricade over. Mocht dat wat eenzijdig klinken, het valt mee. Hazan is een erudiet mens, die net zo graag Honoré de Balzac citeert als Louis Auguste Blanqui. Op pompeuze moderne architectuur is hij niet gesteld en op de Parijse groenvoorziening evenmin, maar het Centre Pompidou van Piano en Rogers bewondert hij. Dat hij in Mairie-d'Ivry begint, is niet helemaal toevallig. De revolutie van 1789 is in Parijs slecht bedeeld. Er is natuurlijk Danton, bij metrohalte Odéon. Maar verder? Vandaar dus Mairie d' Ivry. Wilt u erheen, dan komt u bij de allerlaatste halte van lijn 7 bovengronds aan rue Marat en vlakbij rue Robespierre. En als u ondanks de weinig uitnodigende omgeving op een terrasje toch een petit café neemt, adviseert de ober u ongevraagd: Vous ne laissez pas l'argent sur la table. Dan weet u gelijk hoe laat het is. Ik spreek - u begrijpt het - uit eigen ervaring. Toch heb ik het boekje met veel plezier gelezen, inderdaad, zoals ik eerder al Hazans Ontdekking van Parijs met veel plezier las. Dat werd trouwens in 2005 onder die titel vertaald en is nog steeds verkrijgbaar. Eric Hazan, die in 1936 in Parijs werd geboren en op dit moment, blijkens zijn eigen boek in Belleville woont, maar zijn jeugd doorbracht in Montparnasse, is de zoon van een joodse, in Egypte geboren vader en een statenloze, Palestijnse moeder. Hij studeerde geneeskunde en werd hart- en vaatchirurg, werd vervolgens uitgever van kunstboeken in het bedrijf van zijn vader, dat hij uiteindelijk verkocht aan Hachette, waarna hij zelf begon te schrijven en opnieuw een eigen uitgeverij begon, La Fabrique. Zijn traversée is zo aardig vanwege de eigenzinnige toon, de deels ongewone route, met name van de onbekendere delen in het zuiden en het noorden, vanwege het originele perspectief, de vermenging van privé en publiek en de diversiteit der bronnen.

Hazan, E., Une traversée de Paris. Parijs, Seuil, Fiction & Cie, 2016. ISBN: 978-2-02-132037-4 (Paperback, Franstalig, 194 pagina's, € 18) Hazan vindt het niet nodig dat te vermelden, maar we kijken in zuidelijke richting neer op het lager gelegen deel van rue d' Alsace, vanaf de balustrade daar die op de voorgrond nog net zichtbaar is. Links de zijkant van Gare de l'Est. Er komt hier, al wist Hazan dat blijkbaar nog niet, een nieuw hotel en een zogenaamd balcon vert, een groenstrook, misschien naar het voorbeeld van de New Yorkse High Line, om het gebied tussen de twee noordelijke Parijse stations op te knappen. Aan het eind dwars daarop, langs de voorzijde van Gare de l' Est, rue du 8 mai 1945, met een hotel, Grand Hotel des Voyageurs, waar ik - niet ter zake doend detail - met een schoolklas in 1991 voor 70 francs per nacht (ruim 20 gulden) verbleef.

Hazan, Une traversée de Paris

ZO MAAR

maandag 29 augustus 2016
U denkt misschien: die man schrijft dat allemaal wel, maar god weet komt hij nooit verder dan Artis. Hmm. Ik ben net weer terug en ben door meer opvallende kwesties getroffen dan normaal. Afgezien daarvan: wat is een Navigo toch een fijn ding. Ik arriveerde afgelopen dinsdag 23 augustus in Parijs, nam - noodgedwongen voor de hele week vanaf maandag 22 - een vijfzone-weekabonnement en betaalde 22 euro. Al weer vele jaren geleden, tijdens éen van de acties om de Navigo te laten inburgeren, was ik toevallig in de stad; het was eind december en in de metrostations stonden overal blauwbekkende teams klaar om er je éen te verschaffen: zelfs de foto werd erbij gemaakt. Het is verreweg de goedkoopste manier om je in en rond Parijs te verplaatsen, al bestaan er plannen om de tarifering ingrijpend te veranderen, waarbij de zones zullen worden afgeschaft. Ik zeg het maar even: een Paris Visite voor 5 dagen en 5 zones kost op dit moment ruim 70 euro, voor 5 dagen van 3 zones nog altijd € 41. Die vijf zones hebben alleen maar zin als je van plan bent buiten de stad te komen en dat was ik dus. Er was een hittegolf aangekondigd (die er ook kwam) en ik nam me voor naar de uit de Parijse historie zo bekende beboste plekken buiten de stad te gaan, naar St. Germain-en-Laye, naar Argenteuil, naar Maisons-Lafitte en naar Saint-Cloud. Daar zou ik met een boek onder een boom gaan liggen, en goed eten natuurlijk. Welk boek? Luc Santes Andere Parijs, en Theodore de Banvilles Âme de Paris. Een hotel had ik daarom genomen in Saint-Georges, in het negende, omdat je er in de buurt zit van Saint-Lazare, vanwaar alle treinen naar plaatsen in de omgeving van de stad vertrekken, netwerk dat Transilien wordt genoemd en waarop je Navigo gewoon bruikbaar is. Ik was wel eens naar Pontoise geweest met de RER en naar Rueil Malmaison, en ben een keer terug uit Yerres naar Parijs met de trein gegaan, maar verder heb ik altijd een auto gehuurd om naar plaatsen buiten de stad te gaan, naar Fontainebleau, Barbizon, Melun. Wat me opviel was het enorme contrast tussen de vlekkeloze wijze waarop de Transilien vanaf Saint Lazare rijdt, en de knullige manier waarop de controle tegenwoordig op Gare du Nord plaatsvindt van de reizigers die van de Thalys gebruik maken. Die treinen vanaf Gare St. Lazare rijden met een frequentie die in Nederland ondenkbaar zou zijn en ook met een grote mate van precisie. De manier echter waarop de controle op Gare du Nord is ingericht, bleek klungelig. De Thalys is toch al een drama. Mijn trein had een uur vertraging omdat er geen machinist was. Terwijl ik in Frankrijk verbleef, werd bekend dat Alstom 25 TGV's heeft verkocht in Amerika, waar men de lijn tussen Boston en Washington (die rijdt via New York en Philadelphia) ermee gaat onderhouden. Die treinen, dat waren natuurlijk de stellen die onze autoriteiten hadden moeten aanschaffen. Maar hoewel ze er zelf een BMW of Audi op na houden, wilden ze ons iets Italiaans aansmeren. De rest is geschiedenis, hoor je dan te schrijven. Schorem!

Parijs IX, Place Saint-Georges. Het door Denys Puech (1854-1942) vervaardigde monument met buste van graveur en tekenaar Paul Gavarni (1804-1866). Op de achtergrond rue Notre Dame de Lorette, met het hotel dat ik, al had ik toen nog geen idee, deze week zou gebruiken. De foto dateert van een eerder Parijs' verblijf. Foto: 27 augustus 2010

Parijs, Place Saint-Georges, 2010

Genoeg geklaagd. Opvallende feiten, daar wilde ik het over hebben. Hotels in Parijs worden steeds beter en die betere hotels zijn goedkoper, al is het niet ondenkbaar dat een en ander tijdelijk is ingegeven door de afname van de bezoekersaantallen. De toeristen zijn bang. Hoewel Le Monde schreef dat het voor de stad Parijs om ongeveer 11 procent ging, was het overal erg rustig, zat ik op terrassen voortdurend als enige buitenlander tussen Fransen en zei een ober met wie ik aan de praat raakte: j'estime presque la moitié! Anderzijds, ik weet het omdat ik er dan traditiegetrouw ben: eind augustus, de week voor de rentrée, is altijd rustig; bovendien zijn obers en taxichauffeurs onbetrouwbare lieden. Maar toch: mijn hotel gaf me een prachtige tweepersoonskamer met prima werkende airconditioning, een ontbijtbuffet, gratis gebruik van de gekoelde provisie in de kamer, voor de somma van 80 euro. Uitzicht had ik op rue Notre Dame de Lorette met een kinderspeelplaats waar gebruikers van alle gezindten hun kleintjes uitlieten. Tweede opvallende feit: de sfeer is veranderd. Het wijkje waar ik verbleef, is een beschaafde, burgerlijke enclave, met in het midden passend genoeg het hôtel van Thiers, de moordenaar der commune. Maar aan de noordrand bevindt zich éen groot bordeel, Clichy immers, en aan de zuidkant ligt het Parijse winkelparadijs. Op het Place Saint-Georges bevindt zich maar éen terrasje, op een verbreding van het trottoir daar, met uitzicht op het hiervoor getoonde, aan Gavarni gewijde monument. De bediening is sympathiek. Toen er op een gegeven moment drie zwaar bewapende soldaten letterlijk om de rand van het terras heen liepen en het leek het alsof de schaarse, zo vreedzame terraszitters werden omsingeld, kon ik een glimlach niet onderdrukken, maar een man tegenover me die mijn blik zag, keek onmiskenbaar woedend terug. Hij kon er niet meer om lachen. Fransen hebben hun gevoel voor humor verloren. En dan las ik ondertussen natuurlijk ook nog de berichtgeving over de boerkini, u weet wel. Over de nieuwe planeet wil ik het niet hebben. Ik vrees dat we de enige bewoners zijn van dit heelal. Misschien is dat maar goed ook. In mijn hotel lag de Figaro, krant die ik normaliter niet lees, maar nu toch meenam. Kopen doe ik in Parijs elke dag Le Monde, Libération en de International New York Times. Natuurlijk is dat hele gedoe om het ding debiel. Wie een boerkini draagt, is een idioot en wie erover zeurt dat iemand het doet, is het ook ook. Maar de discussie erover in de Franse kranten werd met bloedige ernst en een flinke dosis agressie gevoerd. Een grote Franse krant als Le Figaro heeft duidelijk de oorlog verklaard aan de islam. Ik vind de Nederlandse pers overigens laf als het gaat om de bejegening van onze allochtone, islamitische medemens en de vluchtelingen die ons land binnenstromen. Verfrissend vond ik wel de scherpte waarmee de partijen elkaar te lijf gingen, in een week die toch al in het teken stond van de beginnende presidentsverkiezingen. Vrijdagavond laat zag ik een televisieprogramma, geleid door de een of andere Franse komiek nota bene, Laurent Ruquier, On n' est pas couché (We zijn nog niet naar bed), waarbij de voormalige Minister van Milieu en éen van de kandidaten van rechts, vroegere woordvoerster van Sarkozy, Nathalie Kosciusko-Morizet, aan de tand werd gevoeld door een aantal journalisten. Dat geschiedde op ongewoon agressieve wijze. Een dag eerder zag ik een anderhalf uur durende documentaire over het onstaan van islamistische netwerken, waarbij de islam niet werd gespaard. De VPRO zou de documentaire zo kunnen uitzenden, maar zal dat natuurlijk niet doen. Te onzent wordt Jeroen Pauw als hoogste journalistieke goed beschouwd. De Nederlandse tv is - net als inmiddels de geschreven Nederlandse pers - excusez le mot - zwaar kut. Ik was van plan nog even naar Rueil-Malmaison te gaan, naar wat tegenwoordig het Île des Impressionistes wordt genoemd, bij Chatou, om er wat nieuwe foto's te maken, maar zag er vanaf nadat ik las dat Juppé het eiland ging gebruiken om zijn campagne te openen. Voor de uitslag van de Franse presidentsverkiezingen van volgend jaar april en mei vrees ik het ergste. Maar de woede begrijp ik heel goed. Wat me ook opviel: wat dragen enorm veel mensen tegenwoordig een baard. Nee nee, ik bedoel gewoon Fransen. En hoe kan het dat ik nauwelijks vrouwen met een hoofddoek heb gezien? Misschien heb ik me teveel aan de welvarende westzijde van Parijs opgehouden? Maar lijn 12 gaat in het noorden naar Aubervilliers en dat is hartstikke allochtoon. Geen hoofddoek gezien. Waarom die in het Frans trouwens ook met voile wordt aangeduid, is me een raadsel. De partij die zich tegenwoordig Les Republicains noemt en die probeert het Front National rechts in te halen, overweegt het dragen ervan aan de universiteiten strafbaar te stellen. In Le Monde las ik dat de talrijke Chinezen die ook in Aubervilliers wonen, protesteren tegen het feit dat ze massaal en veelvuldig worden beroofd, omdat ze als een makkelijke prooi worden beschouwd. Net als de Nederlandse pers meestal doet, vermeldde Le Monde niet wat Le Figaro wel deed, namelijk dat bijna alle daders Noord-Afrikanen waren.

Frankrijk, Yvelines, Saint-Germain-en-Laye, Château de Saint-Germain-en-Laye. Façade met de door Le Notre aangelegde tuin. Foto: 25 augustus 2016

Saint-Germain-en-Laye, Château de Saint-Germain-en-Laye

Frankrijk, Yvelines, Maisons-Laffitte, Château de Maisons-Laffitte, 1640-1670. Architect: François Mansart. Foto: 26 augustus 2016

Kasteel van Maisons-Laffitte

Frankrijk, Saint-Cloud, Marnes-la-Coquette, Sèvres. Park van Saint-Cloud. Hier komt de aap uit de mouw. Ik houd helemaal niet van kastelen, want ze lijken allemaal op elkaar. Dat van Saint-Cloud ging trouwens in 1870 in vlammen op. Maar onder de bomen was het er, kasteel of niet, heerlijk fris. In Parijs haalde de thermometer ondertussen 36.6 graden. Foto: 27 augustus 2016

Saint-Cloud, Park

VIVE PARIS, VIVE LA FRANCE

zondag 15 november 2015
Dat opnieuw Parijs is gekozen als plaats voor een aanslag, éen waarbij op het moment dat ik dit schrijf 132 mensen om het leven zijn gekomen, is geen toeval. Net als New York staat de stad voor alles wat sommige halve garen verafschuwen. Waar de overval op Charlie Hebdo in januari 2015 in naam tenminste nog kon worden beschouwd als een door gekwetste gelovigen georganiseerde terroristische actie, hebben de daders nu besloten dat iedereen die er zich bevindt de dood verdient, alleen maar omdàt hij er zich bevindt. Ze speelden God, blijkbaar zonder aanziens des persoons en ongeacht ras, geslacht of geloof. Discrimineren dezen ze niet, in elk geval voor zover mij nu bekend. Dat was dom van ze, want voor maximum-effect hadden ze dat wel moeten doen. Wat zouden Beaumarchais en Voltaire - die twee vrijpostige satirici die zo overduidelijk tot het Franse cultuurgoed behoren - ervan gezegd hebben dat er zoveel doden vielen op en rond naar hen vernoemde boulevards en dat allemaal in naam van Allah? Ze zouden het niet hebben geloofd en daar gelijk in hebben gehad. Want de daders zijn gewone criminelen. Wat ze geloven doet er helemaal niet toe. Het vervelende is alleen dat er zoveel van zijn en ze allemaal met hetzelfde vaandel zwaaien. Hun bloedbad richtten ze niet - zoals je misschien zou verwachten - aan in Saint-Germain, of Montparnasse. Ze troffen een wijk die van nature misschien wel het tolerantste deel van de stad vormt, met veel wat jonge, linksige mensen, terwijl het bovendien zeer multicultureel is. Ik vrees dat het elfde arrondissement, vanuit de richting waar ze kwamen, misschien uit St. Denis, gewoon het handigst op de route lag. Als ik had gekund, zou ik al in Parijs geweest zijn om er te getuigen van mijn medeleven met de slachtoffers, waartoe wij allemaal hadden kunnen behoren. Dit dan maar in plaats van bloemen op République. Courage!

Toen nog onder gewone donkere wolken, Parijs gezien vanaf Buttes-Chaumont. Foto: 27 augustus 2010

Parijs vanaf Buttes-Chaumont

BLOEDBAD

dinsdag 28 april 2015
Laat me beginnen met wat privéherinneringen. Zo nu en dan huur ik als ik in Parijs ben een auto en wel bij een klein verhuurbedrijf in het vijfde. Elke keer weer wordt me dan verteld dat ik er aan moet denken te tanken, want veel benzine zit er niet meer in de auto. Ik word daar altijd lichtelijk nerveus van, want ik wil naar Fontainebleau, naar Pontoise, naar Auvers of nog verder weg, en hoewel ik inmiddels zonder veel moeite de stad uitkom, moet je maar afwachten wanneer je voor het eerst in staat bent te tanken, zeker gezien de Parijse ochtendspits. Ik heb de verhuurder een keer uitgelegd hoe dat in normale landen gaat. Je krijgt een volle tank mee en je betaalt achteraf voor de benzine die je hebt gebruikt. Waarna de auto voor de volgende gebruiker weer wordt volgetankt. Maar dat laatste is dus in Parijs teveel moeite. Volgens het daar vigerende systeem ligt het voor de hand dat huurders de auto zo leeg mogelijk achterlaten, waarmee elke volgende huurder voor hetzelfde probleem komt te staan. Wie in Parijs na mij dezelfde auto huurt, heeft in elk geval geluk. Ik heb een keer tegen de man gezegd, in ergernis: het is geen wonder dat de Fransen elke oorlog verliezen. Hoe ik daar nou bij kom? Ik moest eraan denken naar aanleiding van paarden. De Fransen zijn er goed in dingen op omstandige wijze te organiseren, maar in de praktijk gaat het meestal mis. Ik leg het uit.

Terwijl in 1867 de Parijse Wereldtentoonstelling aan de gang was, die werd gehouden op het Marsveld voor de École Militaire, executeerden Mexicaanse republikeinen Maximiliaan van Oostenrijk, broer van de keizer van de zojuist ontstane dubbelmonarchie. Dat was voor Napoleon III, zelf uitgeroepen keizer van Frankrijk, niet de enige tegenvaller. Die had er veel moeite voor gedaan om Maximiliaan in Mexico te krijgen en slaagde er vervolgens niet in hem heelhuids terug te halen. De schilder Édouard Manet, altijd bereid een schandaaltje te verwekken, wijdde er een paar schilderijen en een litho aan die de meeste tijdgenoten nooit te zien kregen, zo zijn Executie van Keizer Maximiliaan. Napoleon III bezocht de Wereldtentoonstelling uiteraard verschillende keren. Tussen de Britse pers en de Franse woedde er een stijd over welke van de twee er gebouwde vuurtorens het mooist was, het wonder van het electrisch licht was nog recent, er was voor het eerst aluminium te zien en Nederland nam deel met een zuivelfabriek. Over het imposante kanon dat Krupp op het terrein tentoon stelde, is geen commentaar van de keizer bekend. Misschien wilde hij het niet zien. Toen hij in een vlucht naar voren op 19 juli 1870 Pruisen de oorlog verklaarde, bleek dat hij beter had moeten opletten. Een paar veldslagen later was het met hem gebeurd. Na zes weken capituleerde het Franse leger onder De Mac Mahon bij Sedan. Napoleon III werd gevangen genomen. Generaal Bazaine zette de oorlog voort, maar gaf zich op zijn beurt op 28 oktober over in Metz, vooral omdat hij weinig ophad met de nieuwe als voorlopig bedoelde Regering van Nationale Verdediging onder Adolphe Thiers (1797-1877). Die riep in september 1870 de Derde Republiek uit, maar zette nog steeds de oorlog voort. Dat leidde ertoe dat Parijs, belegerd als het werd door de Pruisen, een bijzonder moeizame periode doorstond, totdat op 28 januari 1871 de Regering van Nationale Verdediging capituleerde en Thiers een kostbare vrede sloot, waarbij Frankrijk zich tot aanzienlijke herstelbetalingen verplichtte en Elzas en een groot deel van Lotharingen werden afgestaan. Dat u nu in Parijs overal choucroute kunt eten en bier kunt drinken, vindt daar zijn oorsprong, want heel wat Fransen uit het oosten sloegen op de vlucht en kwamen in de hoofdstad terecht. De capitulatie geschiedde tot grote woede van veel Parijzenaars, die de leden der voorlopige regering en Bazaine lafheid verweten. Bazaine zou later ter dood veroordeeld worden en gratie krijgen van De Mac Mahon, die toen zelf president was. Eén van de weinige serieuze militaire acties tijdens het beleg was een poging onder generaal Trochu (1815-1896) op 18 januari 1871 door de Pruisische omsingeling te breken. Dat werd een catastrofe waarbij 4000 doden vielen. Maar voor de meeste Parijzenaars gold dat ze nauwelijks in staat waren geweest een schot te lossen. Krijg je dat.

Over wat er daarna gebeurde, tussen 28 januari en eind mei 1871, gaat John Merrimans Massacre, The life and death of the Paris Commune, dat eind 2014 werd gepubliceerd. Merriman, die werd geboren in 1946, doceert Moderne Europese en Franse Geschiedenis aan Yale en hij is - mentaal gesproken - ongetwijfeld een familielid van de hiervoor besproken Eric Hazan. Hij woont een deel van het jaar in Frankrijk. Persoonlijk vind ik de grote welwillendheid die hij de commune toedraagt wat veel van het goede, maar dat is een persoonlijke zaak en een sympathiek boek is het toch. Zelf ben ik niet erg van de volksopstanden, geenszins uit principe, maar omdat ik vrees dat je gauw de verkeerde medestanders krijgt, idee waarvoor her en der in het boek wel aanwijzingen te vinden zijn. Want het aantal crackpots - woord dat Merriman niet gebruikt - aan de zijde der revolutionairen is naar mijn idee tamelijk hoog. Met goede vrienden en bekenden zou ik het idee van een opstand overigens toejuichen. Dat neemt niet weg dat het boek zeer de moeite waard is, terwijl er over de commune nu ook weer niet zoveel wordt geschreven, in elk geval niet voor een algemeen publiek. Het laatste wat ik erover las, al weer vele jaren geleden, was Alistair Hornes The fall of Paris, in een herziene Penguin-uitgave. Robert Paxton, die een positieve recensie schreef van Merrimans boek voor de New York Review of Books (Vol. 62, nr. 3, 19 februari 2015), merkt op dat het aantal slachtoffers uiteindelijk niet vaststaat, for the same reason that civilian casualty figures for the 2003 war in Iraq do not exist: no one bothered to count. Merriman houdt het met een wel erg ruime marge op tussen de 17.000 en 35.000 slachtoffers, vele malen meer dan er tijdens de Franse revolutie in Parijs burgers werden geëxecuteerd (namelijk 2639). Hoewel er ook een veel lagere schatting bestaat, van rond de 7000 slachtoffers, wordt min of meer algemeen uitgegaan van zo'n 20.000 doden, waarvan het grootste deel viel als onderdeel van de represailles van het leger van Versailles. Semaine sanglante: bloedige week! Wie Père Lachaise wel eens heeft bezocht, zal het wel weten: Mur des Fédérés. Merriman schrijft: Waar Thiers' soldaten tienduizenden doodden, doodden de Parijse revolutionairen er 66 (of misschien 68) van hun gevangenen. Alhoewel gering in aantal, waren die laatste doden emotioneel gezien explosief, vanwege de status van de slachtoffers: het betrof twee generaals, de aartsbisschop van Parijs, de kapelaan van de Madeleine en een senator. En er was natuurlijk de grote schade aan publieke gebouwen, waarvan Merriman het grootste deel toeschrijft aan wat hij de macht der orde noemt. Het bestaan van de beruchte petroleuses noemt hij een fabeltje, al erkent hij dat er wel eens een vrouw zal zijn geweest die een gebouw in brand heeft gestoken.

01 John Merriman Massacre, The life and death of the Paris Commune. New York, Basic Books (Perseus Book Group), 2014. ISBN : 978-0-465-02017-1 (Gebonden, Engelstalig, 327 pagina's) € 26.50

Merriman, Massacre

De sfeer in het Parijs van 1870 was natuurlijk al grimmig. De Nationale Garde, eigenlijk een soort deeltijdleger, dat afkomstig was uit alle wijken van de stad, werd door de autoriteiten gewantrouwd, want het had een erg republikeinse reputatie. Merriman besteedt veel aandacht aan het verschil in opvattingen van het reguliere leger, zoals dat - nadat het zich uit de stad had teruggetrokken - in Versailles zou komen te liggen en dat van de Parijse Nationale Garde, omdat het mede de verklaring vormt voor de moordlust die het reguliere leger aan de dag zou leggen, zoals het ongetwijfeld ook een rol speelt dat datzelfde leger recentelijk een daverende nederlaag te verwerken had gekregen en nu meende iets goed te kunnen maken. Een deel ervan was op nadrukkelijk verzoek van Bazaine aan Bismarck vrijgelaten uit krijgsgevangenschap, om de anarchie te kunnen bedwingen, zo schreef hij, doelend op de situatie in de hoofdstad. Het reguliere leger was vooral afkomstig van het Franse platteland. Bij de verkiezingen die tijdens de Commune en terwijl de Assemblée Nationale in Bordeaux verbleef werden gehouden, onstond een conservatieve regering, maar het merendeel van de Parijse bevolking stemde progressief, reden waarom ook Napoleon III de stad altijd had gewantrouwd. Na Sedan werden alle kiesgerechtigde Parijse burgers opgeroepen voor deelname aan de verdediging van Parijs, bijna 600.000 in totaal, al moet daarbij worden opgemerkt dat veel Parijzenaars die zich dat hadden kunnen permitteren, de stad al verlaten hadden, iets wat opnieuw gebeurde toen na de capitulatie de verschijning van de commune begon te dagen: sauve qui peut.

De Nationale Garde beschikte zelfs over eigen geschut, dat stond opgesteld op de hoogtes van Montmartre, Belleville en Menilmontant. In tegenstelling tot de arrondissementen beschikte de stad als geheel niet over een eigen burgemeester, functie die was afgeschaft in 1794 en opnieuw in 1848, nadat er toen tijdens de revolutie toch weer twee in éen jaar waren aangesteld. Zelfs de gemeenteraadsleden van de 20 arrondissementen werden door de keizer benoemd. Na de Commune werd de functie wederom afgeschaft en daarna zou het Parijs - totdat in 1977 Chirac werd gekozen - opnieuw aan een burgemeester ontbreken. Pas in 2002 trouwens kreeg, ten bewijze van het nog immer voortdurende wantrouwen jegens de metropool, de Parijse burgemeester de gedeelde zeggenschap over de hoofdstedelijke politie. Hoe dan ook: een en ander leidde ertoe dat ten tijde van de Commune de republikeinse gezindheid die er al bestond, vervlochten raakte met de wens tot een grotere lokale autonomie. In de laatste jaren van zijn bewind vierde Napoleon III door de nood gedwongen enigszins de teugels. Bij wet van 8 juni 1868 werd de vrijheid van vergadering in ere hersteld, wat ertoe leidde dat er een lawine van bijeenkomsten ontstond. Merriman schrijft dat er vanaf dat moment tot halverwege 1870 in Parijs meer dan 1000 bijeenkomsten plaatsvonden, over tal van kwesties, waarbij de publieke deelname vaak aanzienlijk was. Actiefste deelnemers waren de arbeiders, maar ook de middenklasse was goed vertegenwoordigd. Zo bezochten - vermeld ik zelf maar ter illustratie - de schilders Edgar Degas en Édouard Manet, en diens broer Eugène, kort voor het begin van de oorlog samen een bijeenkomst die werd gehouden in de Folies Bergère, waar een woedende generaal Gustave Paul Cluseret (1823-1900) een omvangrijke menige toesprak. Cluseret, opgeleid aan St Cyr, tot Amerikaan genaturaliseerd Parijzenaar, veteraan, zou in een later stadium als opperbevelhebber van de Parijse Garde Nationale éen van de leiders van de Commune worden en na zijn terdoodveroordeling naar Engeland vluchten. Wat ik opvallend vind aan het ontstaan van de Commune is dat alle voor een uit de hand lopend conflict benodigde elementen eigenlijk al bij voorbaat aanwezig zijn en je geleidelijk als lezer het idee krijgt dat er een zekere noodlottige ontwikkeling al vanaf het begin bestond en de escalatie als het ware was ingebouwd. Waarmee het de waarachtige trekken krijgt van een soort Griekse tragedie.

Het kan bijna niet anders dan dat een verhaal dat over zoveel personen gaat en over zoveel colleges, comités en groepen die bij de opstand betrokken waren, maar zonder een echte hoofdpersoon, voor de lezer resulteert in een verwarrend en gefragmenteerd beeld. Merriman probeert dat probleem - met enig succes - te ontlopen door een aantal personages gedurende de opkomst en ondergang van de Commune te volgen, waarbij het zowel gaat om tegenstanders, als aanhangers, als min of meer onpartijdige toeschouwers. Het zijn de aardigste delen van het boek waar je terugkeert bij een oude bekende, in de hoop dat hij de gevechten overleeft (en - eerlijk gezegd - soms ook niet).

02 Parijs, 1871. Verdedigingswerken van de communards (Corbis). Bron: Merriman 2014 p. 113

Verdedigingswerken van de communards, parijs, 1871

De aanzet tot de troebelen werd gegeven door de wens van Thiers om na de capitulatie het geschut dat er stond opgesteld uit de stad weg te halen. Wie Montmartre enigszins kent, zal het niet bevreemden dat het daarbij om een lastige operatie ging, waarbij het geschut, bestaand uit tientallen kanonnen, door smalle, kronkelende straatjes naar beneden moest worden getrokken, vanuit - om eens iets te noemen - wat nu Rue Chevalier-de-la-Barre is (en toen Rue des Rosiers), maar ook vanaf tal van andere plekken op de butte. Georges Clemenceau (1841-1929), de latere premier, die op dat moment burgemeester van het achttiende arrondissement was, werd van te voren niet op de hoogte gesteld en was daar woedend over, want hij zag aankomen wat er zou gaan gebeuren. Al in de nacht van 17 op 18 maart werden er soldaten van het reguliere leger heen gestuurd om het karwei te klaren, maar ongelukkigerwijs zonder paarden, zodat er veel tijd verloren ging met het zoeken naar genoeg trouwe viervoeters, waarvan er al gauw zo'n 1000 nodig waren om de kanonnen te verslepen. Paarden! Een paar paarden, die kun je vergeten, maar 1000! Die paarden bedoelde ik.

Toen de bevolking wakker werd en de soldaten in meekrap broeken en blauwe tunieken in het oog kreeg, ontstond er een relletje en in Belleville gebeurde hetzelfde. Bij een confrontatie in Montmartre werd er geschoten, een soldaat raakte gewond, een gardelid - Turpin geheten - werd doodgeschoten. Sommige reguliere soldaten sloegen op de vlucht, anderen weigerden het vuur te openen. Op Place Pigalle werd een kapitein van het reguliere leger doodgeschoten door een gardelid. Bij het verslepen van de kanonnen beval een generaal, Claude Lecomte (1817-1871), het vuur te openen op de menigte, maar de soldaten weigerden en hij werd samen met een aantal officieren gevangen genomen en overgebracht naar een bescheiden huis in de Rue des Rosiers dat als hoofdkwartier van de garde van het arrondissement diende. Andere gardeleden arriveerden op dat moment met nog een gevangene, opnieuw een generaal, Clément Thomas (1809-1871), die algemeen gehaat werd omdat hij in de junidagen van 1848 op opstandelingen had laten schieten. Hij was in burger, werd herkend, aangezien voor spion en samen met Lecomte geëxecuteerd. Persoonlijk houd ik evenmin van uniformen, maar twee generaals in éen keer! ik vind dat Merriman wel wat luchthartig over de kwestie doet, zeker als hij vervolgens uitlegt dat de eisen die de communards stelden niet zo heel extreem waren. Het waren, zo merkt hij op, eerder de eisen van handwerklieden dan van een industrieel proletariaat; ze eisten de mogelijkheid arbeiderscoöperaties op te richten, goedkoper krediet, scheiding van kerk en staat. Voornaamste grief was het beëindigen van de opschorting van de schuldbetaling die tijdens het Pruisisch beleg had gegolden en de verlaging van de soldij van de leden van de Nationale Garde, die overigens maar een paar franc bedroeg. Dezelfde avond vond in het Hôtel de Ville een vergadering plaats van een in het leven geroepen Centraal Comité. Het was nog steeds 18 maart en Thiers besloot zijn troepen uit de stad terug te trekken, terwijl van de ongeveer 4000 leden tellende politiemacht er ook zo'n 2500 man de wijk namen en bemiddelde Parijzenaars nu en masse de stad verlieten. Thiers' beslissing wordt door Merriman als een fatale blunder beschouwd. De in Versailles gelegerde troepen telden op het moment dat ze uiteindelijk in mei Parijs weer binnenvielen zo'n 130.000 man. Aan de zijde der Commune zouden, zo vermoedt Merriman, tussen de 10 en 20 duizend individuen deelnemen, inclusief kinderen en vrouwen.

03 Parijs, 1871. Het Hôtel de Ville na de brand en de val van de Commune (Hulton-Deutsch Collectie/Corbis). Bron: Merriman 2014 p. 185

Hôtel de Ville na de brand en de val van de Commune

Hoewel de Commune een tragische zaak is, zitten er ook wel komische kanten aan, al rept Merriman met geen relativerend woord van de gretige overdaad waarmee de organisatoren van de commune begonnen te vergaderen, functies in het leven te roepen, met comités, commissarissen, afgevaardigden, ambtenaren, en wat dies meer zij, en al signaleert hij het allemaal wel. Misschien is het zeer Nederlands om er toch over te glimlachen. Als de strijd begint, blijken heel wat barricades onderbemand. Daar staat tegenover en Merriman beklemtoont het, dat het in de stad aanvankelijk nog zeer geordend toeging en er van excessen een tijdlang geen sprake meer was.

Het zojuist in het leven geroepen Centraal Comité was in elk geval verbaasd over het gemak waarmee de leden op 18 maart 's avonds het stadhuis hadden kunnen bezetten en het bestond deels uit volkomen onbekende grootheden, al zou daar snel verandering in komen. Bij genoemde vergadering in het Hôtel de Ville waren slechts enkele arrondissements-burgemeesters aanwezig, omdat de meeste van hen weigerden de legitimiteit van het comité te erkennen. Clemenceau was er wel, maar poogde de opstandelingen over te halen de kanonnen af te staan en de autoriteit van de burgemeesters in ere te herstellen. Bijkomend probleem was dat de aanhangers van de commune voortkwamen uit tal van zeer diverse facties, hetgeen al direct onderlinge naijver teweeg bracht, terwijl de stad ondertussen ook sterk verdeeld was, met een welvarend westelijk deel, met les beaux quartiers, al grotendeels gehaussmanniseerd en een erg arm oostelijk deel, waar zich het grootste deel van de aanhang der communards bevond, met name in Montmartre en Belleville. Merriman wijst erop dat onder de daar verblijvende bevolking nog de opgeklopte verhalen over de moed der fédérés uit de tijd van de revolutie van 1789 de ronde deden. Het was geen toeval dat het begrip fédéré, oorspronkelijk verwijzend naar de vrijwilligers van de Nationale Garde van 1792, opnieuw ingang vond tijdens de commune. Het bewijst ook dat de communards zelf de continuïteit zagen met eerdere opstanden.

Onderhandelingen met de communards werden door dat alles bemoeilijkt, terwijl niet duidelijk was wat er precies werd geëist, al maakte dat niet veel uit, want Thiers piekerde er niet over te onderhandelen. Merriman besteedt aan die eisen niet veel aandacht en ontkent het extreem linkse karakter ervan; ik vermeldde het al. In die mêlee van ideologieën speelden het opkomende socialisme en communisme een rol, met aanhangers van Auguste Blanqui (1805-1881), zoals Raoul Rigault (1846-1871), die zelf op 18 maart terugkeerde naar de stad om deel te nemen aan de opstand, zoals Gustave Flourens (1838-1871) en Théophile Ferré (1846-1871), met mensen die het anarchisme waren toegedaan, als Louise Michel (1830-1905), Ferrés gezellin, en die later nog bevriend zou raken met Kropotkin, terwijl er zelfs feministische groepen bestonden. De aan de zijde der communards meestrijdende vrouwen werden door de behoudender burgers als het laagste van het laagste beschouwd en ze zouden het tijdens de zogenaamde bloedige week zwaar te verduren krijgen, net als de talrijke meevechtende buitenlanders, waaronder veel Polen. Rigault, stevige drinker en ongeleid projectiel, werd direct benoemd tot prefet van de politie, ambt waar hij al snel misbruik van zou gaan maken. Hij was verantwoordelijk voor de arrestatie van aartsbisschop Georges Darboy (1813-1871) en de excecutie van de burgemeester van het IXe arrondissement Gustave Chaudey (1817-1871), nadat die bevel had gegeven het vuur te openen op een menigte bij het Hôtel de Ville. De schilder Renoir zou Rigault, ruim voordat de commune van start ging, nog een keer redden toen de agitator in hoge nood was en zodoende tijdens de commune papieren verkrijgen waarmee hij zo nu en dan de stad kon verlaten. Renoir was éen van de schaarse schilders die tijdens de commune in de stad verbleef. De enige andere was de zeer linkse Courbet, die een rol speelde in de Commune, het Louvre redde, maar betrokken was bij het omhalen van de zuil op Place Vendôme, ook al denkt Merriman van niet. Courbet zou een tijdje gevangen zitten, maar gespaard worden en de rest van zijn dagen in Zwitserland slijten.

Merriman volgt in zijn boek tientallen personages van zeer divers pluimage, zodat de lezer een behoorlijk overzicht van de strijd krijgt en van de diverse heersende opvattingen, ook al hebben de gevechten een voorspelbaar verloop. Nadat al vroeg op stategische plekken de barricades omhoog waren gegaan, verhardden de wederzijdse standpunten en escaleerde de strijd. Nog op 24 mei worden de eerder gevangen genomen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en magistraten geëxecuteerd, waarna de lichamen, inmiddels ontdaan van alle sieraden, zo memoreert Merriman, in een greppel op Père Lachaise werden gegooid, en dat allemaal pas nadat in Versailles en elders in de stad al vele gevangen genomen communards waren doodgeschoten. Wanneer Thiers aan het eind van de eerste week van mei zijn troepen klaar heeft staan - deels teruggekeerd uit krijgsgevangenschap - en daarna eigenlijk zonder veel moeite het verzet kan oprollen, is het met de commune snel gebeurd, ondanks dapper verzet in het oostelijk deel van de stad. Bij beschietingen wordt grote schade in de stad aangericht, terwijl bij de gevechten aan de barricades de strijd om de gebouwen op de hoeken van de straten eveneens branden ontstaan. Merrimans bête noire is zonder enige twijfel Thiers, die hij - volkomen terecht, zo lijkt het - de schuld geeft van de slachting die daarna volgt. De genadeloosheid waarmee hij de troepen laat optreden is zowat ingebouwd, wordt aangemoedigd met kwaadaardige en soms leugenachtige propaganda, terwijl het reguliere leger mede wordt opgehitst door de haat van vele gevluchte of achtergebleven Parijzenaars uit de betere klasse. Anderzijds werden die opvattingen gedeeld door zeer velen uit de middenklasse, intellectuelen incluis. Zelfs iemand als Zola wenst in een brief aan Cézanne de communards al het slechte toe. En het is geen wonder dat de periode van de Commune achteraf voor velen een gitzwarte bladzijde uit de Franse geschiedenis zal blijven.

Bij de strijd in de westelijke en zuidelijke wijken van stad speelde Haussmans renovatie een voor de communards fatale rol. De modernisering onder Baron Haussman had mede tot doel gehad het opwerpen van barricades in de stad te bemoeilijken en dat zou nu zijn vruchten afwerpen, want de barricades konden door de reguliere troepen gemakkelijk ontlopen worden via de eraan gelegen huizenblokken, al richtte die opzet ook weer veel schade aan. De talrijke branden in de stad waren er een neveneffect van, al speelde ook het geschut van de reguliere troepen en dat van de communards een rol en staken die soms op strategische punten huizen in brand om het oprukken van de troepen te verhinderen. Als de troepen uit Versailles zich op woensdag 24 mei een weg banen langs de Rue de Rivoli, is het Hôtel de Ville niet langer veilig. De communards besluiten te verhuizen naar de Mairie van het XIe en steken het Hôtel de Ville in brand; dezelfde avond volgt ook het Paleis van Justitie op het Île de la Cité, dat allemaal in de hoop de opmars van de reguliere troepen te vertragen. De volgende dag, op donderdag 25 mei, vluchten de communards naar het gemeentehuis van XXe, naar een gebouw bij Place des Fêtes. Die dag komt bij de barricade van Place du Chateau d' Eau éen van de laatste belangrijke aanvoerders om het leven, Louis Charles Delescluze (1908-1871), door Hazan zeer bewonderd. Die schreef in zijn Invention of Paris dat Delescluzes lichaam niet werd teruggevonden, zodat hij voor de zekerheid in in 1874 nog in absentia ter dood veroordeeld zou worden. Op 26 mei wordt er gevochten rond Bastille, op zaterdag 27 en zondag 28 mei rond Rue du Faubourg-du-Temple en Rue de la Roquette. Het is nog steeds schitterend weer. De laatste verzetshaarden zijn de wijken tussen Père Lachaise en Montmartre en de hoogte van Buttes-Chaumont.

04 Parijs, 1871. Elegante Parijzenaars, zo schrijft Merriman, keren terug naar hun stad nadat de Commune is neergeslagen. Bridgeman Art. Bron: Merriman 2014 p. 242

Parijzenaars na de commune, 1871

Toen op 20 mei de eigenlijke aanval van de troepen uit Versailles op de stad begon, waren er al 20 militaire gerechtshoven actief en die hadden bij besluit van 2 oktober 1870 het recht burgers en miltairen ter dood te veroordelen. Thiers zorgde ervoor dat ook de tribunalen in Versailles dat recht kregen. De communards waren geen politieke opponenten, vluchtelingen of legitieme opstandelingen, zo schrijft Merriman, maar gewone misdadigers. Op 24 mei werd een krijgsraad geïnstalleerd in Châtelet en de veroordeelden gingen naar de barakken van Lobau, even ten noorden van het Île Saint-Louis op de rechteroever, of naar Satory, een kazernecomplex in Versailles. De barakken van de Lobaukazerne waren de beruchtste executieplek. Wie erheen ging, kwam er niet levend vandaan. Een Brits journalist, geciteerd door Merriman, constateerde dat er daar alleen al op éen dag tussen de 900 en 1200 man werden geëxecuteerd. De andere was Satory, een kazerneplaats in het zuidelijk deel van Versailles. Maar er werd ook veelvuldig zonder enige vorm van proces huisgehouden. Terwijl in het westelijk deel van Parijs de troepen uit Versailles geestdriftig werden onthaald door de burgers daar, boden in het oosten van de stad de communards de laatste wanhopige tegenstand. Maar in het park van het Luxembourg werden tussen 24 en 28 mei tegen de muur daar rond de 3000 mannen en vrouwen neergemaaid, zo schrijft Merriman. In tegenstelling tot wat kort na de commune gebeurde, speelde de slachting zich nog voornamelijk af in de open lucht, zodat heel wat Parijzenaars getuige waren. Mitrailleurs vervingen inmiddels de executiepelotons en de slachtoffers werden niet lang niet altijd meer op een rij gezet, maar er werd gewoon op ingeschoten. Velen werden ter plekke geëxecuteerd als ze kruitvlekken aan de handen hadden. Nogal wat Parijse burgers hielpen de soldaten uit Versailles verstopte Fédérés te vinden, sommige anderen verborgen hen, sommigen wisten in burgerkleren door de linies heen te ontsnappen. Het levert Merriman, die zijn bronnen grondig kent en er een groot aantal citeert, tal van spectaculaire verhalen op.

Nadat Thiers' eigen magnifieke hôtel aan Place Saint-Georges in het IXe door de communards in een bewuste actie werd verwoest - al in 1875 werd het in volle glorie hersteld als Hôtel Dosne-Thiers - en terwijl de stad op tal van plaatsen brandde, beschrijft Edmond de Goncourt in zijn dagboek een tafereel waarvan hij getuige is geweest bij de Lobau-barakken: Naast mij telt een onopvallende burger... Eén.. twee... drie. Het zijn er 26. Het escorte dwingt de mannen in ganzenpas tot aan de kazerne van Lobau te lopen, waarna de deur met veel geweld en een vreemd soort opwinding gesloten wordt. Ik begreep het nog niet, maar ik voelde een onverklaarbare opwinding. Mijn burger, die had geteld, zei tegen een buurman: Dat gaat niet lang duren, u hoort zo meteen het eerste salvo. Welk salvo? Nou, ze gaan ze fusilleren. Bijna op hetzelfde moment klonk er een explosie, met een heftig door muren en deuren omsloten geluid, een fusillade, met het mechanisch regelmatige geluid van een mitrailleur. Een eerste, een tweede, een derde, een vierde, een vijfde moorddadige tatatata, daarna een lange pauze, en nog een zesde, en nog twee schoten met een kleine tussenpoze (De Goncourt, Journal, 1871, zondag 28 mei). In Belleville houden de communards het langste stand. Als daar een langdurig verdedigde barricade op Boulevard Prince Eugène in handen van de reguliere troepen valt, worden direct 52 vrouwen en 60 mannen ter plekke geëxecuteerd. Père Lachaise is éen van de laatste bolwerken van de communards. Op zaterdagmorgen 27 mei wordt het kerkhof bestormd en worden honderden van de gevangen genomen communards er tegen de muur gezet en met mitrailleurs geëxecuteerd. Op 1 juli 1871 schrijft schilder Henri Fantin-Latour aan zijn collega Scholderer in Londen: Er is een hoop schorem minder. Een dag eerder schrijft Edmond de Goncourt: Daarmee heeft de oude samenleving voorlopig 20 jaar rust voor zich, als de overheid tenminste alles durft te doen wat ze op dit moment kan. Daar had hij zich geen zorgen over hoeven maken. Anderzijds, heel wat van degenen die de Commune verafschuwden, uitten, terwijl de represailles bezig waren plaats te vinden, ook daarover hun woede.

05 Parijs, 1871. Lijken van communards. Hulton-Deutsch Collectie Corbis. Bron: Merriman 2014 p. 247

Parijs, 1871, Lijken van communards

ALLES VOOR PARIJS

maandag 7 februari 2011
De Brit Graham Robb (Manchester, 1958) werd bekend met biografieën van Balzac (1994), Victor Hugo (1997) en Rimbaud (2000), terwijl in 2008 zijn Discovery of France uitkwam, dat een soort sociaal-historisch verslag vormt van 14.000 kilometer fietsen door Frankrijk. Zijn Parisians verscheen in 2010, en werd in hetzelfde jaar als Parijzenaars vertaald in het Nederlands. Ik las de Engelse versie, kende verder alleen Robbs Rimbaud-biografie, en vond dat een nogal eigenwijs boek, vol met als stelligheden gepresenteerde interpretaties, maar wel vermakelijk, zeer leesbaar en erg goed geschreven. En iets soortgelijks geldt voor Parisians.
Dat bevat 20 verhalen - en ik aarzel over het gebruik van het woord, omdat de stukken eigenlijk tussen allerlei genres in zitten, schets, essay, studie, shortstory - die als onderwerp hebben, niet per se Parijzenaars, zoals de titel zou kunnen doen vermoeden, of slechts zeer ten dele, maar in Parijs verblijvenden, of mensen van wie een cruciaal moment in het leven zich afspeelt in Parijs, en dat alles uiteraard tegen de achtergrond van de stad zelf. Niet alleen gaat het om zeer uiteenlopende personages, met Marie-Antoinette, Antoine Allut - de man wiens verhaal ten grondslag ligt aan Dumas' Graaf van Monte Christo - Hitler, Josephine Baker, Mitterrand, de fotograaf Marville, met Zola's echtgenote Alexandrine Meley, het meisje op wie Murgers Mimi is gebaseerd in diens Scènes de la Vie de Bohème en Giscard d'Estaing, ook de stijl waarin de verhalen geschreven zijn, is opvallend gevarieerd. De 20 stukken zijn gevat tussen twee korte autobiografische verhalen aan begin en eind, het eerste getiteld Vertrek, en het laatste, waarin trouwens wederom flink wordt gefietst, Eindpunt. De verhalen zijn soms, zo lijkt het dus, ook stijloefeningen. Eén ervan heeft de vorm van een filmscenario, terwijl het verhaal dat gaat over de studentenopstand van 1968 is voorzien van de semi-decimale kopjes die zo eigen waren aan de opstandige studentenschrijfsels uit die jaren: I.A.i, I.A.ii, I.B.i, enzovoorts, en weer een ander is opgebouwd als detective. Veel van de stukken beginnen bovendien in medias res, en dat betekent dat de lezer bij elk verhaal een tijdje in het ongewisse verkeert over degene met wie hij te maken heeft en wanneer het zich afspeelt, al staan de verhalen in chronologische volgorde. In het vierde, getiteld Lost (Verdwaald), heeft de enigszins geïnformeerde lezer na een pagina wel door dat de vrouw door wier ogen we kijken Marie-Antoinette moet zijn, maar er zijn ook stukken bij, waar het lang duurt voordat de lezer – in elk geval deze ongeïnformeerde – doorheeft waar het op uit draait. In sommige snapt hij het aan het eind nog niet, al kan dat aan de onwil van ondergetekende te wijten zijn geweest. Marie-Antoinette overigens zal uit haar gevangenschap in de Tuilerieën ontsnappen en volgens plan op weg gaan naar de grens, maar ze is maar nauwelijks buiten het paleis, of ze verdwaalt, komt op de linker oever terecht en verliest daar kostbare uren. Wij denken al: Varennes, Place de la Révolution! Maar dat valt buiten het bestek van het verhaal. In het op twee na laatste, Périférique, is de lezer getuige van de strijd van Louis Chevalier, auteur van L'Assassinat de Paris (De moord op Parijs) en die van Pompidou, met zijn plan een soort olieraffinaderij te bouwen in het gat dat was ontstaan na de sloop van de hallen en de buurt eromheen, het quartier Beaubourg, van Chirac die het plan doorzette, van Giscard die het gebouw verafschuwt, maar toch opent, en van Mitterrand, die zijn bibliotheek bouwt. Ik vond sommige van de verhalen lastig te volgen. In sommige gevallen had ik liever een ander, zakelijker relaas gezien. Ik zei het al: dwarse man, die Robb, want geleidelijk werken zulke fragmenten uitputtend, omdat de lezer elke keer met minder dan niets begint, maar ook omdat de gedane moeite niet altijd wordt beloond. Anderzijds: 's mans kennis van de stad is jaloersmakend, en sommige stukken zijn erg amusant.

In een recensie in de New York Review of Books (kerstnummer 2010, LVII, nr. 20) noemt Luc Sante The invention of Paris van Eric Hazan 'psychogeografie', naar het voorbeeld van Walter Benjamins Le livre des Passages, (The Arcades Project, 1999) omdat Hazan in zijn boek de ontwikkeling van de stad Parijs verbindt met een poging de historische betekenis ervan te bewaren, zoals je ook een tekst kunt lezen met een andere bedoeling dan alleen kennis te nemen van het verhaal. Ik vind dat wel erg deftig, maar, eerlijk is eerlijk - Hazan zelf gebruikt de term ook in zijn eerste hoofdstuk. Sante parafraseert en citeert, om die pychogeografie te illustreren, een paar passages:

De Champs-Élysées vormde de voornaamste as der Parijse collaboratie, daarbij gehoor gevend aan een oude traditie. Want diezelfde westelijke arrondissementen die in 1870 gretig capituleerden voor de Pruisen, en hen smeekten ze te helpen tegen de commune, en de communards uit te roeien, inclusief vrouwen en kinderen, huisvestten en voedden tijdens de bezetting het hoogste echelon der Duitse militaire staf.

Hazan heeft het niet op autoriteiten en bestuurders, en ook niet op de Parijse groenvoorziening (de Service des Espaces Verts). Hij geeft meer om het oosten, dan het westen, en dat wil zeggen van Parijs, maar het zou me niet verbazen als Hazans voorkeur voor oost en west verder ging dan de grenzen van de stad. Blijkens het boek heeft hij schoolgegaan op het Louis-Le-Grand, en de liefdevolle wijze waarop hij twee koepels aan de Rue Saint Antoine beschrijft, die van de Saint Paul-Saint-Louis, en die van Mansarts Visitation, doet vermoeden dat hij ze van zeer nabij kent. Het zou me niet verbazen als hij in de buurt woont. Doet me deugd, want ik kom er graag. Ik ben zelf ook wat volks, dat moge duidelijk zijn.

Hazan schrijft in zijn eerste hoofdstuk (de psychogeografie van de grens):

Wie de Boulevard Beaumarchais oversteekt en afdaalt naar de Rue Amelot weet dat hij de Marais verlaat voor de wijk van Bastille. Wie het beeld van Danton passeert en langs de hoge muur loopt achter de École de Médecine, weet dat hij Saint-Germain-des-Prés verlaat om het Quartier Latin te betreden. De grenzen tussen de Parijse wijken zijn vaak met dezelfde chirurgische precisie getrokken.

Zeker is het waar dat Hazan de wijken van de stad verbindt met hen die er wonen, hun milieu, en hun opvattingen. En zeker is het zo dat hij heel wat meer sympathie heeft voor het oosten van de stad, dan het westen. En uiteraard heeft hij voor Haussmann geen goed woord over, omdat die met zijn renovatie ook de bedoeling had een aantal wijken en hun roerige bewoners onschadelijk te maken. Hazan gebruikt ter illustratie honderden comtemporaine bronnen, die hij voortdurend citeert, zonder dat het boek daardoor minder leesbaar wordt, al is het jammer dat noch de Franse, noch de Engelse versie over een literatuurlijst beschikt, en je daarvoor alleen te rade kunt gaan bij de voetnoten. Wel zijn de geciteerde passages in de Engelse editie in blockquote gezet, terwijl ze in de Franse gewoon door de lopende tekst staan, wat lastig is als je iets terug wilt vinden. De Engelse versie ziet er toch veel beter uit en is trouwens mede gefinancierd door het Franse Ministerie van Cultuur. Maar in de meer praktische zin van het woord toont Hazan ook wat er in de stad Parijs nog zichtbaar is van de geschiedenis die in de loop der eeuwen zoveel heeft doen verdwijnen, of op een andere plek heeft gezet, terwijl hij tegelijkertijd uitlegt waarom sommige plekken er zo uitzien als ze er nu uitzien. En inderdaad, het was me wel eens opgevallen dat je, als je de Blvd Beaumarchais oversteekt, richting Rue Amelot, aan de rand van het elfde, een paar trappen afgaat. Maar ik weet nu dus ook waarom. Il n'y pas de pas perdus, parafraseert Hazan André Breton (uit Nadja) in het motto van zijn boek. Vrij vertaald: er gaat geen stap verloren. En de bedoeling, zo lijkt me, is vast te stellen dat de geschiedenis overal sporen achterlaat, wat niet zo'n bizarre gedachte is. Kortom: hoewel dat niet de bedoeling is van Hazans boek, heb ik het toch ook maar een beetje gebruikt als reisgids. Als zodanig fungeert het enkel als je Parijs kent, of redelijk kent, het boek van tevoren hebt gelezen, de plekken hebt genoteerd die je interessant lijken, en ze met de kaart erbij hebt gemarkeerd om zo een looproute uit te zetten. Dat was tegelijk het enige wat me ergerde: de kaarten in de Engelse uitgave waren onbruikbaar, omdat ze te donker bleken uitgevallen, terwijl de Franse versie helemaal geen kaarten heeft. Het boek is ook echt enkel te lezen met minstens één kaart bij de hand, de Michelin met de arrondissementen apart, en een gewone, grote kaart. En dan nog is het soms goed zoeken. Oude man. Leesbril. Irritant.

In tegenstelling tot Robbs Parisians, gaat Hazans L' Invention de Paris dus wel echt over Parijs. Ik had eerst de Engelse editie aangeschaft, er wat in gebladerd, zonder verder op te letten, en ik was danig verrast, toen ik eenmaal thuis, in het voorwoord lezend tot de ontdekking kwam dat het boek in oorsprong Franstalig was, en bovendien al dateerde uit 2002. Had ik weer eens niet goed opgelet. Het zegt ook wel iets over de Engelse vertaling van David Fernbach, want die lijkt me voortreffelijk. Nou ja, op een paar foutjes na. Op pagina 350 citeert Hazan Théofile Gautier over Monets Olympia, en dan vertaalt Fernbach: "The tone of the chairs is dirty, the representation appalling." Die stoelen zijn natuurlijk een foutje, want dat moet het lichaam, of het vlees zijn, inderdaad. Hazan citeert zo: "Le ton des chairs est sale, le modèle nul." Op pagina 39 van de Engelse editie laat Fernbach de Passage des Panoramas de Blvd Montparnasse kruisen, en Hazan uiteraard de Blvd Montmartre. Hoe dan ook, nadat ik het met veel plezier gelezen had, en ik me had voorgenomen in Parijs de Franse versie aan te schaffen, kostte het me nog genoeg moeite dat ook te doen. In de boekhandels waar ik kwam (Delamain, en daarna toch ook maar een Fnac) had men het niet, tot ik uiteindelijk bij Gilbert Jeune met korting een licht verfomfaaid ogende versie kon aanschaffen, waarmee ik vervolgens een paar dagen door de stad heb gelopen, zodat het boekje er nu helemaal niet meer uitziet. Onlangs heb ik maar een nieuwe uitgave gekocht, gewoon bij Atheneum. Zegt u dat wel. Toen had ik Hazan al gegoogled, zodat ik te weten was gekomen dat hij van gemengd Joods-Palestijnse afkomst is, een Franse links-radicaal, en bovendien uitgever. De catalogus van een door mij pas bezochte tentoonstelling in Brussel over het Oriëntalisme bleek door hem uitgegeven. Het bevreemdde me zodoende wel enigszins dat hij zijn eigen boek bij Seuil heeft laten verschijnen.

Hazans boek bestaat uit drie delen. Daarvan is vooral het eerste zeer lezenswaard, zij het dat je zoals gezegd Parijs wel moet kennen. De andere twee delen gaan over het rode Parijs, en dan met name over de opstanden van 1848-1851, die een soort voorafschaduwing vormen van de bekendere historie van de commune van 1870, omdat ze er de kiem van hetzelfde soort mislukking in laten zien. Het derde deel (getiteld Flaneurs) gaat over de vroege fotografen die in Parijs hebben gewerkt. Ik vond de combinatie van die drie delen niet zo geslaagd, en het is toch vooral het eerste dat de aandacht trekt. Daarin beschrijft Hazan chronologisch het ontstaan van de stad, waarbij hij zich vanuit het oudste deel op de rechteroever in een cirkel steeds verder naar buiten begeeft, en dus – niet toevallig, op volgorde de arrondissementen langsgaat, zij het dat hij eerder werkt via de wijken die daar de oorspronkelijke kern van vormden. Ik vond het verrassend te zien dat je tal van die oude wijken inderdaad nog terug herkent, of het nu Plaisance is, Butte-aux-Cailles, Belleville of Auteuil. Kortom: een sympathiek boek, zeer lezenswaard, en warm aanbevolen.

01 Eric Hazan, The invention of Paris. A history in footsteps. A history in footsteps. Translation: David Fernbach. Londen/New York, Verso, 2010. Gebonden, 384 pagina's. ISBN: 978-1-84467-411-4. $ 24,

Eric Hazan, The invention of Paris

02 Eric Hazan, L'invention de Paris, Il n'y a pas de pas perdus. Parijs, Editions du Seuil, 2002. ISBN: 2-02-068535-3. Paperback, 481 pagina's

Eric Hazan, L'invention de Paris

03 Graham Robb Parisians, An adventure Hisotry of Paris. New York/Londen, W.W.Norton & Company, 2010. Gebonden, 476 pagina's

Graham Robb, Parisians

IN PARIJS ZIJN

Over Parijs en Rome lezen betekent ook geleidelijk beslopen worden door het verlangen er weer heen te gaan. Al heel wat jaren geleden, toen de digitale scanner net zijn intrede had gedaan - in elk geval in een versie van afdoende kwaliteit, want zo ben ik wel - besloot ik de vele duizenden dia's die ik aan het begin van mijn foto-carrière had gemaakt, voor bederf te behoeden en ze te digitaliseren. Wij moeten nu eenmaal doen alsof we het eeuwige leven hebben, ook al zijn we bijna dood. Bij de allervroegste reeks ging het, zo bleek, om in Parijs gemaakte exemplaren. En het mag vreemd klinken: ik was mijn eerste verblijf aldaar totaal vergeten. Het gekke is dat ik, toen ik het me weer herinnerde, ook direct wist in welke straat het hotel stond waar we toen verbleven: Rue de l' École de Médecine, in het zesde. En dat we met de auto waren. En dat de douanebeambte aan de grens mijn Solzjenitsyn (First circle, omslag met hamer en sikkel) mee naar binnen had genomen en weer terug gegeven. Het menselijk geheugen is een vreemde zaak. Maar verder moeten we dus ook niet al te sentimenteel doen. Het was vermoedelijk 1969, ik was 18, en op de 74 dia's, gemaakt met Kodachrome, zijn bijna uitsluitend gebouwen te zien. Vele jaren lang is het blijkbaar niet bij me opgekomen zelfs maar een medemens te fotograferen. Ik heb dat lang volgehouden. Inmiddels is het zo beroerd met me gesteld dat ik alle foto's met gebouwen negeer. Maar de vriend met wie ik die eerste keer in Parijs was, en die ik sinds lang uit het oog verloren ben en van wie ik, ook al weer heel wat jaren geleden hoorde, dat hij was overleden, dacht er toen blijkbaar al anders over. Want op één dia staat, op een stel trappen, in wat ongetwijfeld Montmartre is, een wat slungelige jongeman met lang haar. Ik dacht: wie is dat nou? Inderdaad: ik was het zelf. Ja, dat is wel schokkend. Ik heb met de mij gebruikelijke precisie, die welhaast aan het dwangneurotische grenst - in elk geval waar het niet ter zake doende details betreft - pogen te achterhalen hoe vaak ik sinds die eerste keer in Parijs geweest ben. Ik kom op tussen de 28 en 31 keer, waarbij ik ook nog moet opmerken dat het na dat eerste bezoek negen jaar heeft geduurd eer ik er weer kwam. Ik moet bovendien aantekenen dat u zich van mijn herhaalde verblijf aldaar niet te veel moet voorstellen. Want ik neem er dan wel ruim de tijd voor, zoals het echter de rechtgeaarde Nederlander betaamt, heb ik in den vreemde de neiging direct elke vorm van verplichting te schrappen, eet ik twee maal per dag buiten de deur, lees er twee kranten, en zit ik dus een goed deel van de dag op terrassen, en dat alles zonder me een minuut te vervelen. Hoe dat kan, ik weet het niet. In Amsterdam ben ik niet zo. Daar zit ik zelden op een terras. Wel bezoek ik altijd een keer het Louvre, en ook altijd iets wat ik nog niet ken. Ik ga als het mooi weer is altijd wel naar Versailles of Fontainebleau, en bezoek altijd één keer een andere plaats buiten Parijs, iets waarvoor ik soms een auto huur. Ik ga met enige regelmaat naar het Bois de Boulogne, waar ik dan ook nog een fiets huur. Een fiets! Het is verschrikkelijk maar waar. Ik fiets nooit! Er is nog iets bijzonders aan mijn Parijse bezoeken. Allenig als ik ben, heb ik desondanks heel wat plaatsen bezocht in het gezelschap van vrouwen. Maar Parijs – in elk geval tot zeven jaar geleden – nooit. De laatste keer dat ik er was, afgelopen augustus - we hebben het over 2010 - werd ik in Parijs gebeld door de enige vrouw met wie ik ooit in Parijs was geweest. Zij was er ook. Zeg dan 'ns nee. Ik zal u de rest besparen. Het is te ontmoedigend. [Dit schreef ik allemaal begin 2011, vermoed ik, zo meld ik maar in de zomer van 2018.] Henk Verveer, Amsterdam