I
ROND TERMINI

1.1 regio v: esquilijn
Ten tijde van Augustus, die de stad opnieuw liet indelen, was de Esquilijn Regio V, genoemd naar de heuvel: Exquiliae. En die naam, zo schrijft bijvoorbeeld Coarelli, zou zoiets hebben betekend als: het (bewoonde) gedeelte buiten de stad. De Esquilijn was dunbevolkt en lag los van de rest van de stad, maar telde vanwege de omvang, na Trastevere, het grootste aantal bewoners van Rome. Als ze afdaalden, zeiden ze: Ik ga naar Rome. Het gebied werd pas door de aanleg van de Aureliaanse Muur in de stad opgenomen. De indeling die Augustus maakte, zou standhouden tot de late oudheid. Regio I: Porta Capena. Regio II: Caelimontium. Regio III: Isis et Serapis. Regio IV: Templum Pacis. Regio V: Esquiliae. Regio VI Alta Semita. Regio VII: Via Lata. Regio VIII: Forum Romanum Magnum. Regio IX: Circus Flaminius. Regio X: Palatium. Regio XI: Circus Maximus. Regio XII: Piscina Publica. Regio XIII: Aventinus. Regio XIV: Trans Tiberim. Regio I, V, VII, IX, XII, XIII en XIV lagen buiten het pomerium en waren groter, de andere lagen er binnen.

Behalve een totaaloverzicht van de stad Rome van de hand van Polemius Silvius uit de vijfde eeuw, bestaan er ook twee lijsten, de zogenaamde Notitia de regionibus, Curiosum Urbis Romae, waarin alle regio's nauwkeurig worden beschreven. König 2008 geeft de complete lijsten. De lijst verschaft, behalve de bezienswaardigheden, de aantallen kleinere bestuurseenheden (vici), de buurthoofden (vicomagistri), de beambten (curatores), huurwoningen (insulae) en privéwoningen (domus). Zo wordt onder Regio V het volgende opgesomd: Omvat: Bron van Orpheus - Markt van Livia - Nymphaeum van de vergoddelijkte Alexander [Severus]. Standplaats van cohors II vigilum - Tuin van Pallas - Hercules Sullanus - Amphitheatrum Castrense - Campus Viminalis Subager - Minerva Medica - Isis Patricia. Stadswijken: 15. Larenheiligdommen: 15. Straatwachters: 48. Curators: 2. Insulae: 3850. Privéwoningen: 180. Pakhuizen: 22. Baden: 75. Bronnen: 74.

Ik zal me bij wat ik doe af en toe meer aan de indeling van de moderne stad houden, dan aan die van de oude. Termini ligt buiten het Esquilijn en Piazza Repubblica bevindt zich eigenlijk aan de rand van het Quirinaal en het (minuscule) Viminaal. De moderne bezoeker zal daar naar ik vermoed maar weinig van merken.

1.1 Rome, De veertien regio's onder Augustus, met Servische en (latere) Aureliaanse muur; 1 Porta Capena 2 Caelimontium 3 Isis et Serapis 4 Templum Pacis 5 Esquiliae 6 Alta Semita 7 Via Lata 8 Forum Romanum 9 Circus Flaminius 10 Palatium 11 Circus Maximus 12 Piscina Publica 13 Aventinus 14 Transtiberim. Bron: Coarelli 2002

De 14 regio's onder Augustus, Coarelli 2002

1.2 Een goed deel van het gebied ten westen van Termini ligt op de heuvel die Esquilijn wordt genoemd. Termini zelf ligt daar natuurlijk buiten. Van de 22 riones waarin Rome tegenwoordig is verdeeld, is Esquilino nu nummer XV. De wijk heeft heden ten dage zo'n 25.000 inwoners. Voor de Esquilijn is Via Merulana de verbinding met het plein voor de Sint Jan (Piazza San Giovanni), terwijl de Via Cavour de belangrijkste verbinding vormt met het oude centrum van de stad. Die komt uit op de Via dei Fori Imperiali en loopt dan iets omlaag, over de rand van de heuvel, die in de oudheid niet zeer dicht bebouwd was. En eigenlijk geldt dat nog steeds. Oorspronkelijk lagen er veel wijngaarden. De heuvel heeft vier toppen, waarvan alleen de eerste twee iets voorstellen, de Oppius en de Cispius. De Subura en de Fagutalis zijn qua hoogte te verwaarlozen. Hoogste punt van Cispius is nu het plein voor S.M. Maggiore en op de Oppius ligt tegenwoordig een park, maar ooit bevonden er zich er de baden van Titus en Trajanus en het gouden huis van Nero, de Domus Aurea. De resten ervan zijn daar nog overal zichtbaar, al valt het niet mee ze van elkaar te onderscheiden. De westelijke hellingen van de Esquilijn die in de oudheid op het Forum uitkeken, huisvestten de Subura, een krottenwijk, de oostelijke hellingen de villawijk der rijken, de Carinae. Daar woonden Pompeius, Maecenas, Propertius en vermoedelijk Horatius. Ten tijde van Augustus, die de stad opnieuw indeelde, werd de Esquilijn Regio V, genoemd naar de heuvel: Exquiliae. Op bijgaande kaart (uit: Coarelli 2007) is het westelijk deel van de Esquilijn weergegeven. Nummer 8 (de Tempel van Minerva Medica) staat er bij vergissing - neem ik aan - niet op aangegeven. 8 hoort te staan bij - naar ik aanneem - het blokje ten zuiden van 7, langs de Servische muur daar, terwijl het nymphaeum dat nu ten onrechte de naam Minerva Medica draagt, hoort te liggen waar de Via Giolitti aan de rechter bovenrand rand van de kaart verdwijnt, er iets buiten zelfs, vermoed ik. Veel publieke monumenten telde de Esquilijn niet. De Macellum Liviae lagen er, een grote voedselmarkt, die vermoedelijk direct buiten de Porta Esquilina lag, er bevonden zich de Baden van Titus en die van Trajanus. Er lagen trouwens ook nog heel wat kleinere baden en tal van nymphaeums. De paar tempels die zich hier bevonden, dateerden al van heel vroeg, zo die van Tellus.

1.2 Rome, Esquilijn, westelijk deel. 01 Porticus van Livia 02 Gebouwen onder San Martino ai Monti 3 Gebouwen onder Santa Maria Maggiore 04 Basilica van Junius Bassus 05 Macellum Liviae 06 Nymphaeum van Piazza Vittorio Emanuele 07 Auditorium van Maecenas 08 (nummer niet aanwezig) Tempel van Minerva Medica. Zie hier voor de kaart van het oostelijk deel van de Esquilijn, rond Porta Maggiore. Bron: Coarelli 2007, 48

Rome, Esquilijn, Westelijk deel

2 TERMINI

2.1 De eerste spoorlijn in de Pauselijke Staat die Rome tot 20 september 1870 nu eenmaal was, werd aangelegd tussen Rome en Frascati. Die kwam af in 1856 en had zijn eindpunt nog vlakbij de Porta Maggiore, even buiten de Aureliaanse muur daar. Toen drie jaar later een tweede lijn was aangelegd (Rome-Civitavecchia) vroeg men zich af, of men in de stad voor beide lijnen één station zou bouwen, of aan elk van de twee lijnen een ander zou toekennen. Vooral onder druk van een Belgische aartsbisschop, Monseigneur de Merode, die belangen had in het gebied van het huidige Termini, kwam er daar uiteindelijk éen station. Het gebied hier was grotendeels in handen geraakt van een paar adellijke families. In de zestiende eeuw bouwde Kardinaal Felice Peretti (de latere Sixtus V) er zijn Villa Montalto-Peretti. Uiteindelijk viel die en het gebied eromheen grotendeels toe aan de familie Massimo, die het aan de (nog Pauselijke) staat verkocht. De villa werd pas in 1887 afgebroken. In 1981 kocht de Italiaanse staat nog een ander deel van de boedel, namelijk het Palazzo Massimo, dat sinds 1995 een museum is. Hoe dan ook, in juli 1868 werd, nog in aanwezigheid van Pius IX, een begin gemaakt met de voorloper van het huidige Termini, maar vanwege de strubbelingen rond de Pauselijke Staat en de Italiaanse eenwording kwam het werk ook weer snel stil te liggen. Het station kwam uiteindelijk pas af in 1874. De gevel ervan lag 200 meter verder het huidige plein op en bedekte dat dus bijna volledig. Het Stazione Termini werd genoemd naar de dichtbij gelegen Thermen van Diocletianus. De architect ervan was Salvatore Bianchi (1821-1884). Niet lang daarna al werden er plannen gemaakt voor een ander, groter station, elders, bij de Porta Maggiore. De gedachte daarachter was dat de stad zich in noordelijke richting zou uitbreiden en dan ligt wat nu Termini heet niet zo handig. Bijgaande foto werd genomen in 1874, kort nadat het oorspronkelijke station was afgekomen. De klok op het rechterdeel van de façade is nog niet aangebracht. Het wat merkwaardig ogende gebouw doet - niet bij toeval - sterk denken aan het Parijse Gare de l' Est, maar dan wel in een zeer Italiaanse versie. Uiterst links op de foto is een stukje Servische muur zichtbaar.

2.1 Stazione Termini, 1874, Salvatore Bianchi (1821-1884). Albuminedruk, 18.3 x 24.5 cm. Anonieme fotograaf. Verzameling Ceccarius. Bron: D' Orazio 2004.

Rome, Termini, 1874

2.2 Pas onder Mussolini, in 1936, kwam er een nieuw ontwerp voor een ingrijpende renovatie van het bestaande station. Hij had inmiddels besloten de stad naar het zuiden uit te breiden. De eerste versie van het ontwerp, van Angiolo Mazzoni (1894-1979), werd door Mussolini afgekeurd. Helemaal achterlijk was onze dictator niet. In dat plan bevond de uitgang van het station zich aan de zijkant, in wat nu de Via Giolitti is. Daar is overigens nog steeds een ingang. Wilt u naar luchthaven Da Vinci, en komt u met de taxi? Laat u zich hier afzetten. Anders moet u een kleine kilometer perron aflopen. Mussolini liet de hoofdingang dus in een tweede versie van dezelfde architect naar de voorzijde verplaatsen, aan het plein, zoals dat ten slotte ook is uitgevoerd. Maar het werk kwam in 1942 stil te liggen vanwege de oorlog. Pas in 1950 werd het station in gebruik genomen. De schuin omhoog getilde voorzijde van het gebouw is duidelijk modern, maar daarachter gaat, vooral aan de zijkanten, een nog compleet stuk fascistische architectuur schuil. Aan de rechterkant van bijgaande foto is dat goed zichtbaar. Dat doet sterk denken aan wat je ziet in het oudste deel van EUR, de wijk in Rome waaraan onder Mussolini is begonnen. De stijl ontstond deels onder invloed van toen recente opgravingen in Ostia, waar onder Mussolini ook weer mee werd begonnen. Onder Termini werden fragmenten gevonden van de Servische muur, en resten van een privé-woning en van thermen. Vondsten uit dit deel van de stad bevinden zich op de tweede verdiepeing van Palazzo Massimo. In 1999 is onder het station een groot winkelcentrum aangelegd. Ook daar beneden zie je trouwens stukken van de Servische muur staan. Vlak voor het station liggen de best bewaarde resten ervan, bestaand uit massieve blokken tufsteen. De muur, in naam nog uit de tijd van de koningen, werd in werkelijkheid (grotendeels) gebouwd na de invasie van de Galliërs in 390 v.C., en werd hersteld tegen het einde van de Republiek, in de 1e eeuw v.C. dus.

Termini is altijd erg druk; het is zowel een regionaal als een internationaal station en er komt elke 2 minuten een trein binnen. Voor het station ligt bovendien het grootste plein van Rome, Piazza dei Cinquecento, waar alle bussen staan. Aan het eind ervan ligt trouwens een (nu al verschillende keren genoemd) deel van het Museo Nazionale Romano, de vestiging namelijk in het Palazzo Massimo. Het is zeer Italiaans dat de hogesnelheidslijn, onderdeel van een privé-onderneming, op Termini geen halte heeft. Tim Parks maakte er zich vrolijk over in zijn amusante Italian Ways. In plaats daarvan dient de zogenaamde Terminal Ostiense als vertrekstation voor Italo, van NTV, de vervoersmaatschappij van Montezemolo, de eerste privévervoerder van Italië met de zogenaamde Treno Rosso, waarvan zich daar nu ook het hoofdkantoor bevindt. Termini is wel de enige plaats waar je, éen verdieping lager, van de ene metrolijn (A) op de andere (B) kunt overstappen, al moet je dat zeker niet in de ochtend- of avondspits doen. L'inferno quotidiano, schrijven de kranten: de dagelijkse hel. En verder? In juli 2014 berichtte Repubblica dat er per dag zo'n 100 keer een zakkenroller wordt gearresteerd. In de helft van de gevallen gaat het om niet-Italianen. In mei 2015 werd een 13-jarig zigeunermeisje voor de 54e keer betrapt op zakkenrollerij. De behuizing van de spoorwegpolitie bleek zwaar verwaarloosd te zijn en de helft van de bewakingscamera's niet te functioneren. Una giungla, schreef de krant. Als u een kaartje uit een automaat wilt halen, staat er binnen 10 seconden iemand naast u die u graag wil helpen. Bent u eenmaal buiten en wilt u een taxi? Dan komt u in een lange rij terecht, maar krijgt u direct een rit aangeboden van een abusivo. Begin augustus 2015 werden 38 auto's van illegale chauffeurs in beslag genomen. Sommigen hadden geen rijbewijs. In de straten die parallel aan het station lopen, via Marsala en Via Giolitti, is het Sodom en Gomorra. En dan werd 2016 ook nog eens (maar al vanaf 8 december 2015) het Jubeljaar der Barmhartigheid - Giubileo della Misericordia - met als gevolg een - door het Vaticaan - geschat aantal van 33 miljoen pelgrims voor het hele jaar. Dat zou betekenen dat er tijdens dat 106e jubeljaar sinds 1300 bovenop het gebruikelijke toeristenaantal per dag tussen de 50.000 en 100.000 extra verschijnen. Het Campidoglio hield het overigens, na de Parijse aanslagen van november 2015, op 10 miljoen. Half september 2015 begon een grote opknapbeurt van drie zones in het gebied rond Termini. Op hetzelfde moment werd de toegang tot de perrons op Termini voorzien van een afscheiding, zodat alleen degenen met een kaartje de treinen kunnen bereiken en het commerciële deel van het station wordt gescheiden van het reisdeel. In januari 2016 werd begonnen met de aanleg van parkeerruimte voor zo'n 1300 auto's boven de perrons van het station. De kosten van de hele operatie bedragen 60 miljoen. Voltooid zou het karwei moeten zijn eind 2019. Het is de bedoeling dat de reizigers niets van de aanleg merken.

2.2 Stazione Termini, Angiolo Mazzoni (1894-1979). Bron: D' Orazio 2004.

Rome, Termini

2.3 onafhankelijkheid
Het gebied ten noorden van het station heet het Quartiere dell' Independenza (de onafhankelijkheidswijk), zo genoemd vanwege de straten die zijn vernoemd naar veldslagen uit de onafhankelijkheidsoorlog. Ook dat idee was van Mussolini, die de entree van de stad, vanuit het in fascistische stijl gebouwde station immers, direct wilde verbinden met de historische strijd om onafhankelijkheid van Italië. Het Plein van de 500 dat voor het station ligt (Piazza dei Cinquecento), verwijst naar de slag bij Dogali, waar in Ethiopië, in 1887, 500 Italiaanse soldaten vielen. Ook de andere straatnamen verwijzen naar veldslagen of momenten uit het Risorgimento. Marsala was de plaats op Sicilië waar Garibaldi landde, Mille (1000) was het aantal mannen dat hij bij zich had, Solferino en San Martino zijn de twee belangrijkste veldslagen. Via Caporetto zult u hier niet vinden. Caporetto was de veldslag in 1917 waarbij het Italiaanse leger in oktober 1917 een daverende nederlaag te verwerken kreeg: er werden 300.000 man krijgsgevangen gemaakt. Nog steeds is Caporetto in Italië synoniem met drama en debacle. Wel is er nog Via Nazionale, wat vanzelf spreekt, terwijl Cavour een belangrijk bij de eenwording van Italië betrokken politicus was. Vandaar Via Marsala, Via dei Mille, Via Solferino, Via San Martino della Battaglia, Via Nazionale, Via Cavour. Het barst in deze straten van de hotels. En daar huizen vaak scholieren, ook veel Nederlandse scholieren. Gaat u elders heen, zou ik zeggen.

Hier lag in de oudheid het Campus Sceleratus, waar Vestaalse maagden die hun gelofte hadden verbroken, levend werden begraven. In het Castro Pretorio, aan het eind van de Via San Martino della Battaglia, was de Pretoriaanse garde gehuisvest. De Praetoriae Cohortes, de lijfwacht van de keizers, bestonden oorspronkelijk uit negen of tien cohorten, d.w.z. 9000 tot 10.000 man. Het was Augustus die ze in het leven riep en Sejanus, minister van Tiberius, die ze in 23 op deze plaats vestigde. Ze kregen op een gegeven moment zoveel macht dat ze na de dood van Pertinax de keizerstitel veilden. Hij werd gekocht door Didius Julianus, die er 66 dagen van genoot. Eeuwen later kregen de Jezuïeten het Castro Pretorio in handen, die het gebouw omdoopten in Macao, naar hun succesvolste buitenlandse missiepost. Tegenwoordig is het onder de naam Caserma del Macao een kazerne als weleer.

Niet ver er vandaan ligt de Città Universitaria, de campus van de grootste van de drie universiteiten van Rome (en de grootste van Europa), de Sapienza, met 140.000 inschrijvingen (en nee, dat is geen tikfout). De universiteit heeft geen geweldige naam. De tweede universiteit is overigens Tor Vergata, de derde is Roma Tre. Het rectoraatskantoor van de Sapienza hier is beroemd. De architect ervan, Marcello Piacentini, zoon van een beroemde architectenvader, is ook verantwoordelijk voor een goed deel van EUR, de wijk waaraan onder Mussolini werd begonnen en die pas na de Tweede Wereldoorlog werd voltooid, eveneens gewoon onder Piacentini trouwens. Even verderop aan het eind van de Viale Regina Elena ligt de San Lorenzo fuori le Mura. Ook niet onaardig.

2.3 Rome, Città Universitaria, Rectoraatskantoor, 1933-1935. Architect: Marcello Piacentini. Bron: Bossaglia 2002 nr. 53

Rome, Città Universitaria, Rectoraatskantoor

3 NYMPHAEUM

3.1 Aan de langs de spoorlijn gelegen Via Giolitti bevonden zich, niet ver voor de Porta Maggiore, zo nam men lange tijd aan, de resten van de Tempel van Minerva Medica. Maar zoals dat wel vaker gaat in Rome, klopt de benaming niet. Want het betreft hier geen tempel, of zelfs de overblijfselen ervan, maar een restant van de Horti Liciniani, de Tuinen van de Liciniërs dus, en wel om een dodecagonaal - zoals dat deftig heet, inderdaad: twaalfhoekig - nymphaeum daarvan, dat vermoedelijk uit het begin van de 4e eeuw na Christus dateert. Een nymphaeum is een heiligdom dat werd opgedragen aan de nymfen, watergodinnen, en dan met name die van bronnen en fonteinen. Het idee ervoor kwam uit het oosten, waar ze vaak werden gebouwd in rotonda-vorm. In het Romeinse rijk kregen ze geleidelijk een recreatieve functie, wat de aanwezigheid in een park verklaart. Seculier pootjebaden. Het zogenaamde Theatro Marittimio van Hadrianus in zijn villa is een beroemd voorbeeld. Het bekendste lid van de gens Licinius was overigens Keizer Gallienus (253-260) en aangenomen wordt dat hij ooit bezitter was van de horti. Het nymphaeum zelf zou kunnen zijn gebouwd onder Maxentius. Er werden nogal wat beelden gevonden, bijvoorbeeld het sublieme zittende meisje, dat nu in Centrale Montemartini staat, de dependance van de Kapitolijnse musea, aan de Via Ostiense.

3.1 Rome, Via Giolitti, Nymphaeum, ten onrechte genaamd: Minerva Medica. Het monument stond tussen 2012 en 2015 in de steigers. De eerste fase van de restauratie is eind november 2015 voltooid. Hier op de achtergrond de spoorlijn naar Termini, waarvan de gebouwen uiterst links nog net zichtbaar zijn. Foto: mei 2009

Nymfaeum, of: Minerva Medica

3.2 Van het Nyphaeum bestaan heel wat afbeeldingen. Maarten van Heemskerck tekende het gebouwtje zo rond 1534, en Piranesi maakt er in 1760 bijgaande ets van, terwijl de Nederlander Bartholomeus Breenbergh het rond 1627 schilderde en Corot het deed in 1826. Met zijn ronde koepel (die nu ontbreekt, en pas in 1828 instortte) is het gebouw een voorloper van de vele Byzantijnse kerkgebouwen met een centraal plan. Door sommigen wordt aangenomen dat het in dit soort gebouwen voor het eerst gebeurde dat mozaïeken in de koepels werden gelegd, in plaats van alleen op de grond. Gezegd wordt dat de renaissance-architect Brunelleschi het gebouw bestudeerde, wat niet heel vreemd klinkt, gezien zijn eigen tempeltjes. Piranesi maakte nog een tweede ets van de Minerva Medica, in zijn Antichità di Rome, van 1756.

3.2 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio II, 49 verso, gezicht op Rome vanaf Minerva Medica tot Porta Maggiore. 1532-1536/37. Het grondniveau is (uiteraard) zichtbaar hoger. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Gezicht op Rome van Minerva Medica tot Porta Maggiore

3.3 Waar de echte Tempel van Minerva Medica precies stond, is onzeker, al staat wel vast dat hij op het Esquilijn lag en dat hij dateerde uit de Republiek. Op grond van de positie in de catalogus, de al genoemde Notitia de regionibus, meende men dat hij in het noordelijk deel van regio V lag, vandaar ook de aanname van de locatie aan de Via Giolitti.

3.3 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta del Tempio ottangolare di Minerva Medica] Gezicht op de achthoekige Tempel van Minerva Medica. 460 x 700 mm. Bron: Ficacci nr. 945

Piranesi, Minerva Medica

3.4 Maar aan het eind van de negentiende eeuw, toen er hier overal aan het wegennet werd gewerkt, vond men aan wat toen nog de Via Curva heette, en nu Via Carlo Botta, 500 meter ten zuidwesten van het Piazza Vittorio en niet ver van de resten van de Baden van Trajanus en de Domus Aurea, een aantal zogenaamde favissae: plaatsen waar in een tempel aan de goden gewijde voorwerpen die als offer waren gebracht - ex-voto's - werden begraven. Op éen ervan stond de naam van Minerva. Vermoed wordt dat dit de locatie was van de Tempel van Minerva Medica. Het nymphaeum in kwestie heeft in elk geval met de tempel niets te maken. Waar bij Van Heemskerck en Piranesi het gewelf nog intact lijkt, is op bijgaande foto van ongeveer 1860 te zien dat het inmiddels verdwenen is. Sinds de instorting van 1828 raakte ook het van de koepel resterende deel aangetast door luchtvervuiling en door verkeer en nabije trein veroorzaakte rillingen. De eerste fase van restauratie van de Minerva Medica, die begon in 2012, is eind november 2015 voltooid. Daarbij zijn de fundamenten verstevigd en werd ook de wat ooit op twee na grootste koepel van Rome was, in ere hersteld. Onderzoek wees overigens uit dat er al vanaf het begin sprake moet zijn geweest van constructiefouten. De kosten bedroegen 2 miljoen euro. In de toekomst zal de Minerva Medica deel gaan uitmaken van een Constantijnse toeristische route.

3.4 [Ninfeo degli Orti Liciniani detto Tempio di Minerva Medica, con contadini nei campi coltivati a ortaggi] Nymphaeum van de tuinen der Liciniërs, bijgenaamd de Tempel van Minerva Medica, met boeren in een moestuin, ca 1860. Foto: Gioacchino Altobelli en Pompeo Molins. Bron: Mormorio 2011

Rome, Nymphaeum, ca. 1860

4 PORTA MAGGIORE

4.1 Een paar honderd meter verderop, aan het eind van de Via Giolitti, belanden we bij de Porta Maggiore, naam die hij vermoedelijk kreeg omdat hij toegang verschafte tot de S.M. Maggiore. Bij de Porta Maggiore kwamen in de oudheid vijf aquaducten de stad binnen. De Romeinen waren met recht trots op hun aquaducten. Voor de zorg (cura) ervoor en het bestuur ervan bestond de functie van curator aquarum, die direct door de keizer werd aangewezen, op een moment blijkbaar dat die al een succesvolle bestuurs- of legercarrière achter de rug had. Eén van hen, Sextus Julius Frontinus, geboren rond 35 in een rijke, vermoedelijk uit het huidige Zuid-Frankrijk afkomstige familie, werd in 97 tot curator van de Romeinse watervoorziening (curator aquarum) benoemd. Eerder had hij het commando over legioenen in Gallië, in 73 werd hij consul, in 74 gouverneur van Brittannia, onder Vespasianus augur. Hij was vervolgens ook gouverneur in de provincie Asia, een belangrijke provincie van het rijk. Frontinus heeft o.a. een brochure nagelaten, (De aquis urbis Romae) waarin hij een uitgebreide beschrijving van de Romeinse waterhuishouding geeft en dus ook van de negen aquaducten die er in zijn tijd bestonden. De brochure werd overigens een paar jaar geleden in het Nederlands vertaald (Hunink/De Haan 2013). De stad had op dat moment ergens tussen de 800.000 en een miljoen inwoners. De negen aquaducten die er in Frontinus' tijd bestonden, leverden per etmaal zo'n 500.000 m³ water, dat wil zeggen 500 miljoen liter. Een deel ervan was via de fonteinen publiek toegankelijk. Nathalie de Haan schrijft in haar inleiding dat dat betekende dat er per bewoner ongeveer 67 liter water per bewoner beschikbaar moet zijn geweest. Dat is meer dan er heden ten dage voor veel stadsbewoners in de wereld beschikbaar is, voegt ze eraan toe. Daarbij moet natuurlijk wel worden opgemerkt dat veel van dat water bestemd was voor de honderden openbare badcomplexen, de thermen, maar ook voor de zogenaamde nymphaea (die door Frontinus munera worden genoemd), voor de bevloeiing van de parken (horti), waarvan we hiervoor net een voorbeeld hebben gezien in de vorm van het nymphaeum vlakbij, maar ook voor de fonteinen in de binnentuinen van de stadsvilla's der welgestelden. Frontinus somt in het eerste deel van zijn brochure de aquaducten op met een korte beschrijving ervan, de plaats van ontspringen, de opdrachtgever, de wijze van transport, de lengte, etc: Aqua Appia, Anio Vetus, Aqua Marcia, Aqua Tepula, Aqua Iulia, Aqua Virgo, Aqua Alsietina, Aqua Claudia en Aqua Anio Novis. Nadat Frontinus de bestaande aquaducten heeft omgesomd en kort beschreven, merkt hij op: Wat een massa waterstromen! En wat een veelheid aan onontbeerlijke constructies daarvoor. Zet daar die overbodige piramiden maar eens naast, of die andere nutteloze doch vermaarde werken van de Grieken! (Frontinus 16, Vertaling Vincent Hunink). Daar kunnen de voorgangers het mee doen.

4.1 Porta Maggiore met resten Aureliaanse muur. Hier kwamen vijf aquaducten de stad binnen, om daarna in verschillende richtingen hun weg te vervolgen. Ten tijde van Aurelianus (270-275) werden de bogen van de aquaducten dichtgemetseld en gingen ze onderdeel vormen van de Aureliaanse muur. Foto: mei 2009.

Porta Maggiore

4.2 We bevinden ons hier in een gebied dat aan de zuidelijke rand van de Esquilijn ligt, of tegen de oostelijke uitlopers van het Caelius. Het heette in de oudheid: ad Spem Veterem: bij de oude (schrijn, of tempel van) Hoop. De naam verwees naar een tempel die in 477 vC aan die God werd gewijd en die in dit gebied moeten hebben gestaan, al is nu onbekend waar. Het woord oude in die betiteling onderscheidde de tempel van het jongere, gelijknamige exemplaar uit ca. 260 vC., dat op het Forum Holitorium stond en en waarvan de resten nu misschien - maar zeker is het allesbehalve - liggen onder S. Nicola in Carcere. Het hele gebied werd in de derde eeuw onderdeel van de zogenaamde Horti Spei Veteris, een onder Septimius Severus aangelegd en onder Heliogabalus uitgebreid complex, dat rond 275 doorsneden zou worden door de Aureliaanse Muur. Er bevond zich een paleis, er lagen nymphaeums, ontvangsthallen, een thermencomplex, een circus en een amfitheater. Even verderop bevindt zich de Santa Croce in Gerusalemme, in oorsprong gevestigd in een deel van het keizerlijk paleis, het Sessorium, van Constantijns moeder, Helena. Daar tegenaan ligt een restant van het Amphitheatrum Castrense en van een Circus, het Circus Varanus. Het gebied rond Porta Maggiore ligt wat hoger dan veel andere delen van de stad, op zo'n 45 meter boven zeeniveau, en dat verklaart vermoedelijk waarom zoveel aquaducten hier bij elkaar kwamen.

4.2 Porta Maggiore. Foto: mei 2009.

Rome, Porta Maggiore

4.3 Van de uiteindelijk elf Romeinse aquaducten kwamen er hier acht de stad binnen, twee ervan ondergronds. Wat nu Porta Maggiore heet is eigenlijk een dubbele poort, de Porta Praenestina en de Porta Labicana, maar in oorsprong ging het om twee boven elkaar liggende aquaducten, en wel van een deel dat er bij de bouw van de Aureliaanse muur in 271 in werd opgenomen. De Aureliaanse muur was de opvolger van de zogenaamde Servische muur, die was gebouwd nadat de Galliërs in 396 vC Rome hadden veroverd. Die verloor geleidelijk zijn belang toen het Romeinse rijk zo groot was geworden dat stadsmuren een min of meer overbodige zaak waren geworden. Maar in de derde eeuw kwamen die buitengrenzen van het rijk in toenemende mate onder druk, en toen werd een nieuwe muur gebouwd, 19 kilometer in omtrek in plaats van de Servische 11. Hier kruisten in oorsprong gewoon drie hoog boven elkaar gelegen aquaducten de weg naar Preneste, de Aqua Claudia en de Aqua Anio Novus, waarvan in de stad verder elk spoor ontbreekt, al staan er buiten de stad (bij Romavecchia, in de buurt van Cinecittà) nog een paar indrukwekkende kilometers van overeind. Anio is overigens de Latijnse naam voor Aniene, en dat is de rivier die ontspringt tussen Tivoli en Subiaco, en waar ook de Villa d'Este gebruik van maakt. De vier langste aquaducten kwamen allemaal uit dat gebied, zo ook de Aqua Marcia, die hier de stad binnenkwam, de langste van allemaal was en vanaf 10 kilometer buiten de stad bovengronds liep. Nero bouwde nog een aftakking van de Aqua Claudia, die de stad inliep, richting Palatijn, en ook daarvan is hier nog een stukje te zien, en trouwens nog heel wat andere resten op de Caelius. Het lagere bakstenen aquaduct dat je hier onder de Aqua Claudia ziet, en waarachter nu de treinen van en naar Termini lopen, is een pauselijk aquaduct dat in de 16e eeuw werd aangelegd onder Sixtus V (Peretti,1585-1590), de Aqua Felice. Maar ook dat liep over het traject van een ouder (uit 226 daterend) aquaduct, de Aqua Alexandriana (met als eindpunt de Mozesfontein op het Quirinaal). En dat was het laatst aangelegde aquaduct, onder Keizer Alexander Severus (222-235). In tegenstelling tot wat wel eens wordt beweerd, bleven sommige aquaducten na de invallen van de Goten in de 6e eeuw gewoon functioneren, zo de Aqua Virgo, die nu nog in werking is en het Marsveld bedient. De Trevifontein vormt daarvan het eindpunt.

4.3 Aquaducten Porta Maggiore. Bron: Aicher 2004.

Rome, Porta Maggiore

5 PIAZZA VITTORIO EMANUELE

5.1 Teruglopen kan via Piazza Vittorio Emmanuele II, dat door de Romeinen gewoon Piazza Vittorio wordt genoemd. Het is één van de grootste pleinen van Rome (320 x 150 meter) en het werd aangelegd ter ere van de eerste koning van Italië, Victor Emanuel II. Er komen 14 straten op uit en in het midden ervan bevindt zich een flinke lap groen, die door de Italianen uiteraard giardino wordt genoemd. De hoofdweg die er langs loopt is een fijne doorgaande verbinding voor wie de stad in en uit wil. In de herfst van 2015 klaagden bewoners zodoende dat, sinds drie jaar geleden de prijzen van de treinverbinding tussen Termini en Fiumicino waren verhoogd naar 14 euro, maar het tarief van de busverbinding gelijk was gebleven, namelijk 6€, er hier per dag zo'n 1000 bussen passeren. We hebben ze geteld, zei de deelraadvoorzitter van Esquilijn, die dreigde het verkeer te gaan blokkeren als er niets aan werd gedaan. Meer terzake: er bevinden zich de omvangrijke resten van een derde eeuwse wateropvang (waterkasteel, zeggen de Italianen en trouwens ook de Fransen), die het eindpunt vormde van twee aquaducten, die vanaf de Porta Tiburtina (Porta San Lorenzo) liepen, de Aqua Claudia en de Anio Novus. Hier bevindt zich het hoogste punt van de Esquilijn. De overblijfselen zijn tamelijk bijzonder, want het is het enige overlevende monument van de oorspronkelijk 15 installaties van dit type die er bestonden. Het was in oorsprong met marmer bekleed, aan de basis 25 vierkante meter, zo'n 20 meter hoog en bestond uit drie niveaus. Vanaf het hoogste, van bijna 10 meter, werd het in twee richtingen en via vijf pijpleidingen verder naar omlaag vervoerd, vanwaar het verder door de stad werd gebracht. In de klassieke bronnen heette het Nymphaeum divi Alexandri en Italianen noemen het nu Ninfeo di Alessandro: het nymphaeum van Alexander. De stijl ervan en het soort baksteen doet vermoeden, zo schrijft Coarelli, dat de bouw ervan dateert uit de tijd van Alexander Severus (208-235) en inderdaad zijn daar bij hernieuwde opgravingen in de tachtiger jaren van de vorige eeuw bewijzen voor gevonden. Het is denkbaar dat het verbonden was met de Aqua Alexandrina, het laatste van de Romeinse aquaducten, dat onder hem werd aangelegd. Wat versierselen ervan, die in oorsprong geen deel uitmaakten van het complex, zijn in 1590 aan de balustrade van het Kapitoolplein terechtgekomen (als de trofeeën van Marius namelijk). Er bevindt zich op het plein trouwens ook een metrohalte van Lijn A (M. Vittorio), terwijl er eveneens een tram langs rijdt, lijn 5, van Termini naar Piazza dei Gerani. En zeker, veel Chinese medemensen hier. Die zijn geleidelijk bezig, behalve de Esquilijn, ook Testaccio te veroveren, al wordt hun plaats op Piazza Vittorio vaak ingenomen door Bengalezen, die in hun winkeltjes van alles en nog wat verkopen. Reden allemaal voor de stadsbestuurders om zich zorgen te maken over de wijk, waar je struikelt over daklozen en de openbare ruimtes een soms nogal verwaarloosde indruk maken.

5.1 Rome, Piazza Vittorio Emanuele II. Eindpunt twee aquaducten. Foto: mei 2009

Rome, Piazza Vittorio Emanuele II

6 AUDITORIUM VAN MECENAS

6.1 Wilt u gevaarlijk leven en hebt u nog nooit het Auditorium van Maecenas bezocht? Nou kom op dan. Een paar honderd meter hiervandaan. Dat moet lukken. Toen in 1874 de nieuwe Via Merulana werd aangelegd en het aangrenzende Largo Leopardi, zo schrijft Coarelli, vond men bij toeval het zogenaamde Auditorium van Mecenas. Ook in de oudheid lag het complex blijkbaar al goeddeels ondergronds. Piranesi maakte van wat toen nog bekend stond als de Villa van Maecenas in Tivoli, maar wat in werkelijkheid een aan Hercules Victor gewijd tempelcomplex was, een aantal etsen, waaronder deze. Bijgaand zogenaamde auditorium kende Piranesi nog niet.

6.1 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta interna della della Villa di Mecenate] Binnenaanzicht van de Villa van Mecenas. 460 x 675 mm. Bron: Ficacci nr. 944

Piranesi, Villa van Mecenas

6.2 De overwelfde hal die toen aan het licht werd gebracht (en grotendeels ook weer onmiddellijk vernield) was onderdeel van een veel groter complex dat misschien zowel binnen als buiten de Servische muur lag. Alleen het zogenaamde Auditorium, bestaand uit een hal van 24.2 meter lang, die zelf weer vier onderdelen was opgebouwd, namelijk een soort vestibule, een hal, een getrapte exedra en een toegangstrap, is uiteindelijk behouden. De wandbeschildering was nog in goede staat toen het complex werd ontdekt, maar ze heeft inmiddels sterk geleden. En of het echt een auditorium was, is zeer de vraag.

6.2 Rome, Esquilijn. Auditorium van Maecenas. A Entree B zomertriclinium C apsis D vestibule. Bron: Della Portella 2000

Rome, Esquilijn, Auditorium van Maecenas

6.3 In wat ooit een dubieus gebied was met een slechte reputatie, moet de Esquilijn, zo schrijft Della Portella, een onwaarschijnlijke plek geweest zijn voor de lusthof die Gaius Maecenas (68vC-8vC) hier uiteindelijk zou aanleggen. Want diens villa is het, waarvan dit auditorium een onderdeel heeft gevormd. De villa was voorzien van tuinen met terrassen en waterpartijen, beelden, een bibliotheek en er moeten zich een aantal gebouwen hebben bevonden. Daarvan bestaat nu alleen nog dit auditorium. Bijkomend probleem is dat er in het gebied hier nog heel wat horti zouden komen te liggen, allemaal van andere bezitters. Via een trap omlaag kom je terecht in een rechthoekige ruimte met aan het eind een apsis, of, zoals Coarelli schrijft, een getrapte exedra. Hier lagen de gasten aan, zo meent Della Portella, terwijl het water van de trap van blauwgrijs marmer uit Carystus (nu Karystos, op Euboea) afstroomde en wegliep door een goot in het midden. Ik neem maar aan dat hier voor de gasten 's zomers een maaltijd werd opgediend, terwijl ze van de koelte genoten. De ruimte is nu bedekt door een modern soort afdak. Ik vraag me af, maar noch Della Portella, noch Coarelli laat zich erover uit, of de ruimte aan de bovenzijde open was. De wanden van de hal waren gedecoreerd met schilderingen in trompe l'oeil van planten, bloemen en vogels, zoals we die ook kennen uit andere gelegenheden van dit type. De schilderingen zijn uit dezelfde periode als die van Livia's Villa in Primaporta. Bovenlangs in een rand liep een fries met dansers, satyrs en maenades, die nu nog enkel vaag zichtbaar zijn, net als een geit die wordt geofferd en Silenus. Het betreft een scene met bacchanten. Aan de wand van de vestibule zijn de in de ruimtes gevonden resten opgehangen. Het gebouw moet in zijn oudste fase dateren van het einde van de Republiek. Zoals gezegd was de hal zonder twijfel onderdeel van de Villa van Maecenas, die werd aangelegd tussen 40 en 30 vC. Bij zijn dood liet Maecenas de Villa na aan Augustus. Op een loden waterpijp in het complex werd de naam Cornelius Fronto aangetroffen. En bekend is dat Fronto de man was die (veel later) de Villa op zijn beurt van Hadrianus kreeg. De identificatie als een Auditorium of een Odeon valt, zo schrijft Coarelli, niet helemaal uit te sluiten, al lijken de aanwezige traptreden erg klein voor publiek, maar het is ook denkbaar dat de hal een cenatio was, een zomereetzaal. Dat lijkt de functie die Della Portella eraan toekent. Coarelli meent dat het waarschijnlijk heeft gefunctioneerd als een nymphaeum, waarbij de getrapte exedra bedoeld was voor bloemenvazen. Op de Esquilijn bevonden zich er heel wat, zo is bekend. Eén zo'n nymphaeum toonde ik al.

6.3 Rome, Esquilijn. Auditorium van Maecenas, zomertriclinium of cenatio, met apsis of exedra. Bron: Della Portella 2000

Rome, Esquilijn, Auditorium van Maecenas

6.4 Hoewel een collega van me een paar jaar geleden vertelde dat hij er gewoon binnen was geweest, geloof ik er niets van. Hij staat bovendien bekend als hoogst onbetrouwbaar. Ik ga er nooit meer langs, omdat het altijd dicht is en ik de moed heb opgegeven. Zelf ben ik er nooit in geweest. Speciaal voor u heb ik het bordje met de openingstijden maar even gefotografeerd: dat spreekt boekdelen, hoogst Italiaanse boekdelen. Zelfs de duif weet hoe het zit, als u begrijpt wat ik bedoel.

6.4 Rome, Esquilijn. Kruising Via Merulana en Largo Leopardi. Auditorium van Maecenas. Foto: mei 2009

Rome, Esquilijn, Auditorium van Mecenas

7 ROND PIAZZA REPUBBLICA

7.1 Piazza dei Cinquecento - het plein met alle bussen, voor het station, dat Plein van de 500 heet vanwege de 500 soldaten die in 1887 sneuvelden in het Ethiopische Dogali - komt uit op het Piazza della Repubblica. Dat plein bestaat uit twee half cirkelvormige delen; de palazzi met portico's volgen de lijn van de Exedra van de Baden van Diocletianus die hier liggen. Het plein heette tot in de jaren '50 van de vorige eeuw dan ook Piazza dell' Esedra. Veel Romeinen noemen het nog zo, kortweg: Piazza Esedra. Het werd aangelegd in de jaren tussen 1887 en 1898 door Gaetano Koch (1849-1910), die ook meewerkte aan het Monument voor Victor Emanuel op Piazza Venezia, het Vittoriano. Er is hier een gelijknamige metrohalte, die (zo kan ik in november 2018 schrijven, en in april 2019 nog steeds) voorlopig gesloten is, vanwege een ongeval met de roltrappen, die hier de enige toegangsmogelijkheid bieden tot de perrons. Afgezien daarvan ligt het plein open en is het afgezet met het soort oranje hekwerk van plastic dat u wel vaker ziet in Rome, vanwege de werkzaamheden die zijn bedoeld om de fontein weer van water te voorzien. De duur daarvan is onbekend.

7.1 Rome, het zuidelijk deel van Piazza Repubblica, in de richting van Via Nazionale, met op de voorgrond de Fontein van de Najaden. Foto: mei 2013

Rome, Piazza Repubblica met Fontein van de Najaden

7.2 Tijdens die aanleg van het plein had Alessandro Guerreri er in 1888 al een fontein aangelegd, die was opgetuigd met Egyptische leeuwen. Die werd in 1900 vervangen door een ander en groter exemplaar van Mario Rutelli (1859-1941), grootvader overigens van de latere burgemeester Rutelli (1993-2001). Dat is de huidige Fontein van de Najaden. De vier blote riviergodinnen baarden nogal wat opzien en het heeft veel moeite gekost de fontein er te krijgen. Tijdens de aanleg was er al snel een hoog hek omheen gezet en dat bleef er uit fatsoensoverwegingen staan, tot wat lokale jongeren het uiteindelijk 's nachts weghaalden, waarna het niet meer terugkwam. Maar officieel ingewijd zou de fontein nooit worden. De figuur in het midden, de zeegod Glacus, werd pas in 1911 toegevoegd. De fontein, die éen van de grootste van de stad is, vormt het eindpunt van één van de belangrijkste en langste aquaducten van Rome: de Acqua Marcia. Inmiddels wordt er door Romeinen geklaagd over de rommel die er (vooral door toeristen) in wordt gegooid. De boete ervoor kan inmiddels oplopen tot 500 euro. Opvallendste onderdeel aan het plein zelf, sinds juli 2015: op de plaats waar zich voorheen een McDonald's bevond, zit nu een afdeling van Eataly (waarvan de immense hoofdvestiging zich in Ostiense bevindt). De dependance hier beslaat 1500 vierkante meter over drie verdiepingen. Open van 's ochtends 7 tot 's nachts 2.

7.2 Rome, Piazza Repubblica, Fontein van de Najaden, van Mario Rutelli. De vlaggen op de achtergrond zijn die van het Boscolo-hotel dat op Repubblica is gevestigd en dat uiteraard Boscolo Exedra heet. Foto: oktober 2008

Rome, Piazza Repubblica, 2009

THERMEN VAN DIOCLETIANUS

8.1 Esquilijn, Quirinaal en Viminaal vormden de dichtst bevolkte gebieden van Rome en het lijkt dus niet toevallig dat de Thermen van Diocletianus aan de noordkant daarvan lagen en die van Trajanus aan de zuidkant, schrijft Coarelli. Uit de wijdingsinscriptie blijkt dat de baden, gezien hun immense omvang, in relatief korte tijd werden gebouwd, tussen 298 en 306. Een aanvang ermee werd gemaakt na de terugkeer van Maximianus, eind 298, en voltooid werd het complex nadat Diocletianus en Maximianus vrijwillig (soort) afstand deden van de keizerstitel, in juli 306. Het was het grootste van de Romeinse baden en kon in totaal 3000 mensen herbergen. Ze besloegen een immens rechthoekig gebied dat begrensd werd door het Piazza dei Cinquecento in het zuidoosten, de Via Torino in het zuidwesten, de Via Venti Settembre (door Romeinen Manica Lunga genoemd) in het noordwesten en de Via Volturno in het noordoosten. Overal in de omgeving zijn de resten ervan te vinden, ook al zijn ze soms moeilijk te herkennen. Het Calidarium dat tot laat in de zeventiende eeuw bestond, besloeg ooit de helft van het plein. Veel van de restanten zijn omgebouwd tot andere ruimtes. De opzet ervan lijkt op die van de Baden van Trajanus. Er is sprake van een half cirkelvormige exedra, terwijl het caldarium niet rond was, maar rechthoekig met drie halfronde apsissen. Er is een centrale basilica, met langs de korte as caldarium, tepidarium, natatio, en de palaestra over de lange as aan de zijkant. De zegels van de gebruikte baksteen dateren allemaal uit de tijd van Diocletianus. Het centrale deel van het complex is het best bewaard gebleven.

8.1 Rome, Piazza Repubblica, zuidkant, ingang Santa Maria degli Angeli. Zelfs aan de entree is het badhuisverleden van de kerk af te lezen. Foto: mei 2013

Rome, S.M. degli Angeli

SANTA MARIA DEGLI ANGELI E DEI MARTIRI

8.2 In zijn sympathieke (Duitstalige) Kerkengids van Rome schrijft Herbert Rosendorfer: Zelfs de Heilige Geest weet niet hoeveel kerken er in Rome zijn. Het compleetste compendium - het werk van Armellini - telt er zo'n 1000. Rosendorfer doelt op Le chiese di Roma dal secolo IV al XIX van Mariano Armellini (1852-1896), dat uit 1891 dateert, in zijn geheel online is gezet door Bill Thayer op diens enorme site over Rome (gehost door de Universiteit van Chicago) en dat in 1942 werd herzien door de archeoloog Carlo Cecchelli (1893-1960). Van die 1000 zijn er inmiddels aardig wat verdwenen, al zijn er ook nieuwe verrezen. Een Engelstalig Wikipedia-lemma houdt het nu er op ruim 900 en rangschikt ze ook nog chronologisch. Enkele daarvan zijn sinds 2005 op verdienstelijke wijze (maar temidden van veel rommel) bijeengebracht op een site getiteld Sacred destinations. Van dat getal van 900+ zult u er op deze pagina een schamele 40 of zo aantreffen. Het leek me aardig dat hier, bij de eerste, op te merken. Voor wie iets over Rome wil zeggen - en een baan heeft - is een flinke dosis bescheidenheid een eerste vereiste. In een stad vol plaatsen die bij elke bezoeker een wisselende mate van affiniteit opwekken, gevoel dat soms in het tegendeel omslaat, kan het niet anders dan dat ook sommige kerken meer liefde oproepen dan andere. En het is dan ook onvermijdelijk dat de gedetailleerdheid van de behandeling daarmee samenhangt.

Al in 1378, zo schrijft Rendina over de S.M. degli Angeli, gaven twee weldoeners aan Urbanus V de som van 3000 florijnen om er een karthuizer klooster mee te bouwen in de Thermen van Diocletianus. Dan diende al dat heidense steen tenminste nog een godvruchtig doel, zo was misschien de gedachte. Maar de paus besteedde de goede gift aan de restauratie van de Santa Croce in Gerusalemme. Het plan met het klooster dook weer op toen in 1561 een Siciliaanse monnik, Antonio del Duca - die tegen de Thermen of erin, een aan de cultus van de Engelen gewijde kapel had ingericht - Paus Pius IV vroeg zijn kapel te beschermen, omdat die met regelmaat door dieven werd geplunderd. De monnik was hardnekkig, want twintig jaar eerder al had hij een visoen gehad, waarin spierwit licht scheen uit de Thermen met zeven zwevende martelaren. Op hetzelfde moment dat de monnik vroeg om pauselijke bescherming, vroegen de Kartuizers om een plek voor een klooster. Pius IV gaf ze allebei hun zin. Zo zou ten slotte het tepidarium van de thermen een kerk worden, met ernaast een kartuizer klooster. Het ontwerp was van Michelangelo, die er zelf twee jaar werkte, in 1652 en 1563, maar het verder liet uitgevoeren door zijn leerling (en de oom van de man met het visoen, Antonio) Jacopo del Duca, tussen 1562 en 1566. Een schilderij, dat zijn oorsprong zou vinden in het visioen van de monnik, maar dat een kopie is van een mozaïek in de San Marco, hangt nu in de apsis van de kerk, waar Pius IV trouwens zelf begraven ligt en ook de rebelse Salvator Rosa. De kerk is erg groot en de hoogte is indrukwekkend, maar een beetje zielloos lijkt hij me wel. Klassieke grandeur en religieus vertoon vormen niet per se een gelukkige combinatie.

8.2 Rome, Piazza Repubblica, Santa Maria degli Angeli. De kerk blijft toch een beetje een badhuis. Foto: mei 2013

Rome, Santa Maria degli Angeli

8.3 Michelangelo 's plannen lieten de oorspronkelijke ruimte van de basilica zoveel mogelijk intact, ook met als gevolg dat de ruimte geen eigenlijke façade had. Hij gebruikte de korte zuidoostelijke zijde van de rechthoek die de basilica vormde, de centrale hal van de baden dus, zodat hij een schip van immense omvang tot zijn beschikking had. De lengte nu is 128 meter, de breedte 105, en de hoogte, nadat Michelangelo het vloerniveau had verhoogd tot het niveau van zijn tijd, 28 meter. 8 rood granieten zuilen van 13.80 hoog komen uit het complex zelf, terwijl vier andere werden gebruikt voor het transept. Een latere architect, Luigi Vanvitelli (1700-1773), die eigenlijk Lodewijk van Wittel heette en zoon was van een Nederlands emigrant, draaide op verzoek van de Karthuizer broeders in de achttiende eeuw de kerk en voorzag hem van een façade, waarbij hij van de lange zuidwestzijde de ingang maakte, daarmee Michelangelo's schip veranderend in een een dwarsschip. Om het gemis aan lengte te compenseren, legde hij aan de noordoostelijke kant een koor met apsis, waarbij hij door de muur van het frigidarium brak. De muur waar de façade in staat, aan de kant van Piazza Repubblica is nu het enige wat resteert van het calidarium. De ronde vestibule ligt op de plaats van het oude tepidarium. In de periode tussen de 16de en 19de eeuw werd veel schade aangericht door architecten die materiaal uit de thermen voor andere doeleinden gebruikten. In 1911 werd de façade van Vanvitelli weer verwijderd en omgezet in een half cirkelvormige nis met twee boogvormige ingangen. In 2006 werden de deuren daar vervangen door nieuwe, die werden gemaakt door de Poolse beeldhouwer Igor Mitoraj. De rotonda's op de hoeken van de peribolus (de omtrek) aan de noordwest- en zuidoostzijde bestaan nog. Die aan de noordwestzijde is nu de San Bernardo alle Terme. In opdracht van Clemens XI werd aan het begin van de achttiende eeuw door een astronoom ook een meridiaan gelegd, die kon dienen als zonnewijzer (en die het exemplaar in Bologna, in de San Petronio daar, naar de kroon moest steken). In september 2014 is de natatio (7) weer open gegaan, na veertig jaar gesloten te zijn geweest en na een grondige renovatie, terwijl ook het kleine klooster van de kartuizer van S.M. degli Angeli is gerestaureerd en weer geopend. 2014: Augustusjaar. Overigens vinden staatsbegrafenissen traditiegetrouw plaats in de kerk.

Na 1870 werd een groot deel van het klooster geschikt gemaakt voor het gebruik als museumruimte. Dat deel, gelegen tussen de basilica en het palaestra, wordt nu gebruikt voor het Museo delle Terme, dat onderdeel vormt van het Museo Nazionale Romano, net als Palazzo Massimo, de Crypta Balbi en Palazzo Altemps. Het hele complex werd tussen 2008 en 2014 gerestaureerd met een project dat daarvoor in 2016 werd beloond met een prijs van de EU, de zogenaamde Europa Nostra Award, de belangrijkste prijs op het gebied van Europees cultureel erfgoed. Sinds september 2014 is het weer open. Hersteld werden het Ludovisiklooster, de zogenaamde Aula VIII, met zijn 900 vierkante meter éen van de grootste ruimtes - ooit overdekt, maar nu niet meer - en van de natatio het grote overdekte bad (dat in oorsprong 4000 vierkante meter was en éen meter diep). De publieke belangstelling is sindsdien sterk gestegen. Er worden nu en dan exposities georganiseerd met (relatief) moderne kunst. Nadat er eerder al werk te zien was van Rodin, van de fotografe Florence Henri en van Henry Moore, liep er tot half januari 2017 een tentoonstelling met werk van Jean - bij ons beter bekend als Hans - Arp (1886-1966) en diens eega, Sophie Taüber-Arp (1889-1943).

Op dit moment loopt er tot 20 januari 2019 een tentoonstelling over het primitivisme in de negentiende-eeuwse beeldhouwkunst, met veel niet-westerse kunst en werk van mensen als Dérain, Picasso en Giacometti: Je suis l'autre: Ik ben de ander. Toegangsprijs en geldigheid zijn identiek aan die van de andere musea, 10 of 12 euro (als er een tentoonstelling is) voor alleen het thermenmuseum, 12 euro voor drie dagen voor alle vier de musea.

8.3 Rome, Baden van Diocletianus. 01 Caldarium 02 Tepidarium 03 Basilica 04 Palaestra 05, 06, 08, 09 Ruimtes in gebruik van Museo delle Terme 07 Natatio 10 Apsidale hal 11 Door planetarium gebruikte zaal 12 Rotunda 13 Grote exedra (Piazza Repubblica) 14 Rotunda (Via Viminale). Bron: Coarelli 2007, 62

Rome, thermen van Diocletianus

8.4 fontana dell Aqua Felice
Aan het Piazza di San Bernardo, even voorbij Piazza Repubblica, staat op wat net het Quirinaal is de Fontana dell´ Acqua Felice, die ook wel de Mozesfontein wordt genoemd. Het woord felice betekent in het Italiaans gelukkig, maar de naam van de fontein is afgeleid van de familienaam van Paus Sixtus V (Peretti, 1585-1590) die de fontein liet aanleggen. Sixtus heette Felice Peretti en zijn voornaam werd aan de naam van de fontein toegevoegd. Dit deel van het Esquilijn en het Quirinaal was lange tijd in handen van de familie. De fontein was aangelegd ter viering van het feit dat Sixtus V zojuist een oud Romeins aquaduct had gerestaureerd. In de middeleeuwen nam de bevolking van Rome eigenlijk voortdurend af, maar vanaf het eind van de 15e eeuw, toen de pausen uit hun ballingschap in Avignon waren teruggekeerd, groeide de stad weer, en dat maakte een drastische hervorming van de watervoorziening nodig. Veel oude Romeinse aquaducten waren beschadigd geraakt en functioneerden niet meer en dat maakte het herstel ervan noodzakelijk. De naam Mozesfontein is gegeven omdat ze in 1588 werd versierd met een beeld van Mozes, dat het beroemde Mozesbeeld van Michelangelo in de San Pietro in Vincoli naar de kroon moest steken. Het beeld werd al direct als mislukt beschouwd. De beeldhouwer (Prospero Antichi) zou uit verdriet daarover zelfmoord hebben gepleegd, maar dat is aantoonbaar onjuist. Antichi was afkomstig uit Brescia en stierf pas in 1599. In het Italiaans worden de monumentale eindpunten van aquaducten mostra genoemd: iets als vertoon, tegenwoordig ook tentoonstelling of expositie. De ontwerper van het monument was Domenico Fontana (1543-1607). De ingenieur die betrokken was bij de aanleg, was zijn broer Giovanni. De Romeinen noemden de fontein al spoedig Il Mosè ridicolo: de belachelijke Mozes. Het acquaduct dat Sixtus V liet aanleggen, deels met gebruikmaking van oude acquaducten was het eerste dat in de vroeg-moderne tijd werd aangelegd. Het water ervoor ontsprong bij Pantano Borghese, aan de Via Casilina, het aquaduct had een lengte van 24 kilometer, liep deels ondergronds via de Acqua Alexandrina, en werd daarna gevoerd over de oude Acqua Claudia en Acqua Marcia tot het eindigde bij de Fontana dell'Acqua Felice.

Lansford 2009 geeft de wijdingstekst van Sixtus V en de (Engelse) vertaling: SIXTUS V PONT MAX PICENVS / AQVAM EX AGRO COLVMNAE / VIA PRAENEST SINISTRORSVM / MVLTAR COLLECTIONE VENARVM / DVCTV SINVOSO A RECEPTACVLO / MIL XX A CAPITE XXII ADDVXIT / FELICEMQ DE NOMINE ANTE PONT DIXIT / COEPIT PONT AN I ABSOLVIT III MDLXXXVII (Sixtus V, Paus, geboortig in Ascoli Piceno / door het bijeenbrengen van vele stroompjes / bracht water door een kronkelend kanaal / van het gebied der Colonna / naar de linker zijde van de Via Prenestina / 20 mijl van het reservoir 22 van haar bron / en noemde het Felice naar zijn naam voor zijn ambt. / Hij begon het in het eerste jaar van zijn ambt en voltooide het in zijn derde, 1587.

8.4 Rome, Piazza di San Bernardo, Fontana dell' Aqua Felice, Mozesfontein. Architect: Domenico Fontane (1543-1607). Foto: mei 2013

Piazza San Bernardo, Mozesfontein

PALAZZO MASSIMO ALLE TERME

9.1 palazzo massimo
Het zogenaamde Palazzo Massimo alle Terme is, onder de titel Museo Nazionale Romano, samen met de thermen van Diocletianus, Palazzo Altemps en de Crypta Balbi éen van de vier nationale musea in Rome. Prijzen en toegangstijden zijn identiek. Het toegangskaartje alleen voor Massimo kost (mei 2018) 10 euro, en als er een tentoonstelling loopt € 13. Er bestaat voor €12 echter ook een combinatiekaartje, dat bruikbaar is voor alle vier de vestigingen, op dag dat u het koopt en de twee volgende. Altijd doen dus, al is het alleen al voor Altemps. Overigens: alleen voor Romeinen bestaat er sinds de nieuwe burgemeester aan de macht is de zogenaamde Mic-card (Mic voor: Musea in Comune), een jaarkaart van 5 euro (!) voor alle Romeinse gemeentelijke musea. U als vreemdeling kunt voor het reguliere tarief in de vier hier genoemde musea terecht vanaf 9.00 tot 18.45 uur. De musea sluiten om 19.45 uur. Op maandag zijn de vier musea dicht. Als u dit lange onderdeel, dat erg veel kunsthistorische tekst bevat over een aantal geëxposeerde onderdelen, wilt overslaan, kunt u naar het volgende: Santa Maria Maggiore.

In de zomer van 2013 al weer publiceerde ik weet niet meer welk Brits dagblad een lijst met de 100 zogenaamde beste musea ter wereld. Wat de criteria precies waren, is me onbekend, maar het Uffizi stond in elk geval op nummer 1, en de Vaticaanse musea stonden op de zesde plaats. Het Palazzo Massimo kwam tot mijn verbazing niet eens op de lijst voor. De Vaticaanse musea zijn een schandelijke museale chaos en een geldmachine van formaat. Sterker nog: het is voor zover mij bekend éen van de zeer weinige Italiaanse musea met een positieve balans. En wat museale gemakzucht betreft komt het oude deel van de Kapitolijnse musea aardig in de buurt. Je pleurt wat kunst neer en zet een kassa bij de ingang. Ik vermoed bovendien dat de bezoekersaantallen bij de samenstelling van die lijst wel een rol zullen hebben gespeeld. Op de lijst van 30 drukst bezochte musea ter wereld staan anno 2017 maar twee Italiaanse musea - als we die in Vaticaanstad tenminste Italiaans mogen noemen - namelijk het Uffizi (op de 21ste plaats, met 1.7 miljoen) en de Vaticaanse (dus) op plaats 5 met bijna 5.9 miljoen, ver na het Louvre bijvoorbeeld, met 9.7 miljoen bezoekers, het British Museum, met 7 miljoen en het New Yorkse Metropolitan met 6.1 miljoen, dit allemaal volgens The Art Newspaper.

De vier vestigingen van het Museo Nazionale Romano ontvingen over 2017 gezamenlijk bijna 340.000 bezoekers en ze stonden daarmee als gezamenlijke instelling in Italië op de 22e plaats. Zelf zou ik het Palazzo Massimo waar het de kwaliteit betreft onmiddellijk in de top tien zetten, alhoewel het geen kwaad kan de betrekkelijkheid van dit soort lijstjes in te zien. Na mijn op éen na laatste bezoek aan het toen doodstille museum, juist in de zomer van 2013, kreeg ik van een enquêtemeisje een aantal vragen voorgelegd. Ik vermeldde de net verschenen lijst van de Engelse krant. Ze knikte. Het is niet bekend genoeg, zei ze. Misschien stond ze er wel omdat de bewindvoerders van het museum zich zorgen maken. Het lijkt me niet nodig. Ik vrees dat het museum een gouden toekomst tegemoet gaat; de laatste paar jaar, in 2014 en 2015, vertoonden de bezoeksaantallen al een snelle groei, elke keer met 20 procent per jaar, al zijn die aantallen juist over 2017 even gestagneerd. Die geringe naamsbekendheid was ook wel een beetje de schuld van het museum zelf, want in de ruim twintig jaar dat het bestaat - officieel geopend werd het in 1995 - heb ik het eigenlijk in 2013 pas gezien in een gedaante die ik af zou willen noemen en waarin een jaar later dan ook niets meer veranderd was. Altijd verschilde de opstelling, veel stukken ontbraken, sommige zalen werden nauwelijks gebruikt, andere stonden overvol. Teksten ontbraken totaal. Dat kwam natuurlijk ook doordat het museum, terwijl het open was, nog grotendeels moest worden ingericht.

Maar gaat u nu eens kijken en sta verbaasd. Het museum is een toonbeeld van museumcultuur op zijn best. De opstelling is subliem. Zelfs de afdeling met munten in de kelder (die vaak gesloten is) oogt schitterend. Op de begane grond en eerste verdieping zijn alle grote stukken tentoongesteld, terwijl op de tweede tal van ruimtes zijn ingericht met vondsten uit de Villa Farnesina en de Villa van Livia met op de muren de originele fresco's. De kunstvoorwerpen zijn behoorlijk van teksten voorzien, standaard in het Engels en het Italiaans, al kan dat nog wel beter. Het lijkt me éen van de musea die u in Rome zou moeten bezoeken, samen met de Kapitolijnse musea uiteraard, de dependance daarvan aan de Via Ostiense, Centrale Montemartini, de Vaticaanse musea (o gruwel) en Palazzo Altemps. Het museum zelf is inmiddels blijkbaar ook tevreden, want in 2013 werd een voorbeeldige en zeer complete catalogus van de collectie uitgebracht (Gasparri/Paris 2013), wel nog alleen in het Italiaans. In het voorwoord schreef Rita Paris, die van 2005 tot 2016 directrice was (en ook iemand die de verkiezing van de vorige, linkse burgemeester steunde, Ignazio Marino) als om te bevestigen wat ik schreef:

De projectie van een aantal werken op een scherm aan de buitenzijde van het museum, zoals dat in de laatste jaren is gebeurd, had tot doel door de grote kracht van die afbeeldingen wat suggesties te doen, ook om het idee te ontkrachten dat het museum enkel een plaats is voor specialisten.

Paris is inmiddels directeur van het zogenaamde Parco Archeologico dell’Appia Antica, waar haar huidige opvolgster de interim was. De huidige directrice is sinds februari 2017 kunsthistorica Daniela Porro (1958).

Ooit stond hier van paus Sixtus V (die van de Mozesfontein) een villa in renaissancestijl, de Villa Montalto Peretti, maar die werd aan het eind van de negentiende eeuw gesloopt, bij de aanleg van Stazione Termini, dat hier niet ver vandaan ligt. Vondsten uit het gebied bevinden zich nu overigens op de tweede verdieping. In de vijf jaar erna werd er in opdracht van kardinaal-Prins Massimiliano Massimo een Jezuïetencollege neergezet, in een gebouw dat met zijn façade renaissancistisch lijkt, maar het overduidelijk niet is. De naam Palazzo Massimo is verwarrend, want er bestaat ook een veel beroemder, en architectonisch veel invloedrijker Palazzo Massimo, voluit alle colonne, maar dat ligt aan de Via Vittorio Emanuele en is van de architect Peruzzi. Die kwam daar in 1532 met zijn licht convexe gevel, diepe portieken en rustiek steen in opstand tegen de strakke renaissancetraditie. Dit Palazzo Massimo hier dus - dat ter onderscheiding van het andere alle terme wordt genoemd, namelijk die van Diocletianus, om de hoek - werd in de Tweede Wereldoorlog nog gebruikt als militair hospitaal, waarna het weer kortstondig Jezuïetencollege werd. De Jezuiëten verlieten het gebouw echter al snel, waarna het decennialang leeg stond en in verval raakte. Uiteindelijk heeft de Italiaanse staat het in 1981 aangekocht en ten slotte geschonken aan het Museo Nazionale Romano, waarvan het Palazzo Massimo nu de hoofdvestiging vormt. De collectie van het Palazzo Massimo is enorm en ze is verspreid over vier verdiepingen: kelder, begane grond, eerste en tweede verdieping. Het is samen met Centrale Montemartini één van de mooist ingerichte musea van Rome, want de opstelling van de beelden is bijzonder ruim en zeer stijlvol gedaan, terwijl de belichting erg zorgvuldig is. Het museum is gebouwd rondom een soort binnenhof, zodat er op alle verdiepingen (behalve de begane grond) vier gangen zijn (gallerie) en daaromheen steeds zeven of acht zalen. In een kelderverdieping bevindt zich de afdeling numismatiek (de muntenverzameling dus), die nogal eens gesloten is, maar er bijzonder spectaculair uitziet. Het is onmogelijk zelfs maar een indruk te geven van de immense collectie, maar een paar dingen wil ik toch laten zien.

9.1 Rome, Palazzo Massimo, op de hoek van Piazza dei Cinquecento en Via del Viminale, op loopafstand van Termini. Foto: mei 2013

Rome, Piazza dei Cinquecento, Palazzo Massimo, 2013

9.2 Op de begane grond bevindt zich de beeldhouwkunst uit de republiek en vroege keizertijd. Direct tegenover de ingang van het museum staat in de ontvangsthal het kolossale beeld van Minerva in chiton, Athena dus, herkenbaar aan de gorgon op haar borst, lid van de Kapitolijnse trias, godin van verstand en menselijke vindingrijkheid, kunst en vrede, maar als Athena ook van strijd en oorlog. Het beeld is in veel opzichten exemplarisch voor de problemen die een onschuldig toeschouwer overal in Rome tegen het lijf kan lopen. Want niet voor niets wordt het in de catalogus van het Palazzo Massimo gewoon betiteld als Zittende Godin. Het werd gevonden in 1923 in de fundamenten van een palazzo aan Piazza dell' Emporio, vlakbij de Tiber in wat nu Testaccio is, onderaan de Aventijn, aan het eind van de Via Marmorata. Daar bevond zich in de klassieke oudheid een publieke markt, emporium, met tientallen horrea (pakhuizen), terwijl er ook de kades lagen waar het marmer werd uitgeladen dat van Ostia of Porto was door vervoerd: vandaar marmorata.

Beide armen, linkervoet en hoofd ontbraken. Wat je ziet is een latere gipsen aanvulling naar het model van de Athena uit Carpegna, een Romeinse villa. Ook de aegis (het wapenschild) met de gorgon is een moderne toevoeging, net als de basis en de rechtervoet. Als je dat allemaal weet, kijk je al heel anders naar zo'n beeld. De godin moet in oorsprong hebben gezeten op een houten troon met ivoren inlegwerk. Ze draagt een lichte chiton met een hoge ceintuur, die de vorm van de buik eronder accentueert. Een punt van de himation bedekt het hoofd en valt neer op de linkerschouder. Cellini, die in de bestandscatalogus het artikel over dit beeld verzorgt, schrijft dat dit in veel opzichten een raadselachtig beeld is en dat het niet ondenkbaar is dat de toevoeging van het hoofd in de trant van Athena of Minerva en die van het Gorgoneion voor verwarring heeft gezorgd. Een Minerva met himation in plaats van een helm is vreemd. Sommigen menen dat dit een wat vredelievender versie is van Minerva, verbonden bijvoorbeeld met de bescherming van handwerklieden. Maar het model voor het lichaam stamt af van een hellenistisch voorbeeld en dat past slecht bij een hoofd dat is vervaardigd naar een voorbeeld uit de vijfde eeuw voor Christus. Er zijn twee foto's bekend van het beeld kort nadat het werd gevonden en op grond daarvan zou vermoed kunnen worden het beeld Cybele voorstelt, passend in de cultus van Magna Mater, die in Rome werd geïntroduceerd aan het begin van de tweede eeuw vC, ten tijde van de tweede Punische oorlog, maar dan ontbreken wel de gebruikelijke twee leeuwen en het tympanum (timpaan of timpanon is een soort handtrommel of tamboerijn). Het beeld zou in oorsprong ook een lid van het keizerlijk huis kunnen voorstellen, afgebeeld als godin. Het zou kunnen dateren uit de Claudische tijd. In Regio XIII, zo schrijft Cellini, bevond zich aan de voet van de Aventijn naar bekend een heiligdom dat was gewijd aan Cybele en het is niet ondenkbaar dat dit het cultusbeeld ervan was.

In Centrale Montemartini, zo voeg ik daar maar aan toe, bevindt zich een altaarreliëf (ook uit de Claudische tijd) waarop te zien is hoe Cybele per schip (navis salvia: het reddende schip) in Rome arriveert. Ze draagt chiton en himation. Het werd gevonden aan de Tiberoever, onderaan de Aventijn, ook aan Via Marmorata. De vrouw die de opdracht voor het altaar gaf, was Claudia Syntyche, een eerste-eeuws lid van de gens Claudia, en dus familie van de Claudia Quinta (uit de 3e eeuw vC.) die op dat reliëf het schip van Cybele voorttrekt.

9.2 Rome, Palazzo Massimo alle terme, begane grond, entree: [Statua colossale di divinià seduta] Kolossaal beeld van zittende Godin. Hoogte: ca. 250 cm. Materiaal: Chiton en himation verguld albast, kapsel basalt, gorgoneion marmer uit Luni en basalt, rechter voet marmer uit Luni, hoofd en hals gips. Datering: halverwege eerste eeuw. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 2

Kolossal beeld van zittende Godin

9.3 Dit beeld werd in 1925 gevonden in Tivoli, onder het heiligdom van Hercules Victor daar. Toen ontbrak het bovenste deel van het hoofd, dat blijkbaar apart was aangebracht, een deel van de hals en de borst, de rechter schouder en arm, het rechterbeen vanaf de knie, terwijl aan de linkerzijde de hand en de tenen beschadigd waren. Het kuras is aan de linkerzijde in de originele positie teruggebracht. Het gelaat aan de rechterzijde telt tal van beschadigingen aan neus, kin en oren. In de gebogen linkerarm bevond zich misschien een zwaard en in de rechter een lans. Afgezien van de mantel, waarvan een punt op de linkerschouder rust, daarna verder achter de rug langs loopt om te worden opgehouden door de linkerarm, is het bovenlichaam naakt. Naast de man staat een cylindrisch kuras van een hellenistisch type, met cingulum (riem), in het midden een gorgoneion (schild met kop van gorgon) en boven en onder een dubbele rij pteryges (letterlijk: veren of vleugels), namelijk van de leren stroken van de heupbedekking, bij elkaar allemaal bewijzen van zijn militaire status van de hier afgebeelde. Scarpati spreekt in dit verband van het type van de Hüftmantel, dat populair was tijdens de late republiek en dat werd gebruikt voor degenen die tot de militaire en politieke elite behoorden. Ik vermoed dat het type zo wordt genoemd vanwege de wijze waarop het naakte bovenlichaam door de op de heupen rustende mantel werd omgeven. De wijze van afbeelden lijkt gebaseerd op een model uit de tweede eeuw vC in het Griekse oosten, dat daar werd gebruikt om leden van de Hellenistische dynastieën af te beelden, maar het was op dat moment in Rome nieuw. Het lijkt in het bijzonder te gaan om een paar beelden van Delos, die dateerden van het eind van de tweede eeuw vC. Het element van heldenverering dat zulke beelden bedoelden over te brengen, is hier vooral te zien aan het atletische bovenlijf, terwijl de naturalistische uitdrukking van het gezicht de trekken verraadt van een al wat oudere man. Die combinatie heeft geleid tot een zekere strijd over datering en identiteit. Vermoedelijk gaat het om wat Scarpati noemt een condottiere uit de tijd van de late Republiek, en dan iemand die blijkbaar connecties had met Tivoli en het heiligdom van Hercules Victor. Een hoofd uit de Vaticaanse Musea (inv. 154) uit de vroege keizertijd lijkt erg op dat van de in Tivoli gevonden man. En het ligt dan voor de hand te denken dat het om iemand gaat die een rol had gespeeld in Griekenland in de tijd van Marius en Sulla. Er zijn dan ook heel wat namen voorgesteld: Aulus Postumius Albinus (consul in 99), Quintus Caecilius Mettellius Creticus, consul in 69 en de man die in 62 Kreta had veroverd, Lucius Munacius Plancius, die in de jaren '80 van de eerste eeuw vC in Griekenland vocht (en in Tivoli werd geboren), maar ook de beroemdere, die met Caesar verbonden was en die in 42 consul was, samen met Marcus Aemilius Lepidus, alhoewel dat laatste chronologisch gezien minder waarschijnlijk lijkt, want dit beeld lijkt te stammen uit het eerste kwart van de eerste eeuw vC.

9.3 Rome, Palazzo Massimo, begane grond, Galleria I [Statua del Generale di Tivoli] Beeld van de generaal uit Tivoli. Materiaal: Grofkorrelig Grieks marmer. Hoogte zonder voetstuk: 188 cm. Met voetstuk: 194 cm. Datering: eerste decennia eerste eeuw vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 8

Palazzo Massimo, Gernaal uit Tivoli

9.4 Het beeldje (iets kleiner dan levensgroot) werd gevonden in Ostia, in een kalkoven in de thermen van de Cisiari, die zo heetten vanwege de tweewielige karren die de karrenvoerders gebruikten (de cisium). De onderarmen, handen, voeten, en het kleine hondje naast het voetstuk waren toen al verdwenen. Er zijn kleine beschadigingen aan neus, hals en sommige plooien van de chiton. Hoofd, rechterarm, linker onderarm en delen van de chiton werden terug gezet. Een deel van de nek werd hersteld in gips. Achter haar bevond zich een steun in de vorm van een boomstam die nu verdwenen is met een hondje, waar nog een klein stukje van zichtbaar is. Het meisje is afgebeeld op het moment dat ze een arm heft om een pijl te schieten van de boog die op een schoudergordel steunde. Het betreft dus een jong meisje in de kledij van Artemis, of Diana, zo u wilt. De met panterhuid gedecoreerde laarsjes zijn geheel verdwenen. De harmonieuze en rustige wijze waarop ze is afgebeeld, wijst op de invloed van Praxiteles, schrijft Bonanome, zoals die ook zichtbaar is op een Artemis uit Dresden, type dat misschien als voorbeeld heeft gediend voor het hoofd, dat hier misschien een meisje afbeeldt dat inmiddels gestorven is. De korte chiton, gedaan op de wijze zoals Amazones vaak werden afgebeeld, was populair in de laat klassieke periode, toen ze tot stand kwam bij de grote beeldhouwers uit de vijfde eeuw vC en raakte wijd verspreid tijdens de hellenistische tijd en ze is zelfs te zien op een Romeinse denarus uit de tijd van Augustus. De Romeinse kopiist, zo schrijft Bonanome heeft zich gehouden aan de originelen, maar heeft er ook met verve op gevarieerd, door het hoofd van de godin te vervangen door dat van een jong meisje, zodat er ook iets eclectisch ontstaat. Aanvankelijk werd het beeldje gedateerd halverwege de eerste eeuw, maar inmiddels gaat men uit van de Flavische tijd, in een periode van intensieve verspreiding van beelden met een funerair doel, (ruwweg) tussen 70 en 100 dus.

9.4 Rome, Palazzo Massimo alle terme, begane grond, Galleria I [Statua di artemide tipo ostia] Jong meisje als Artemis. Materiaal: Grieks marmer. Hoogte: 149 cm. Datering: 60-80. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 40. Foto: mei 2009

Rome, Palazzo Massimo, Jong meisje als Artemis. 60-80 nC

9.5 Dit beeld werd gevonden in juni 1910, onder een huis aan de Via Labicana, niet zo ver van het Colosseum. De rechter onderarm ontbrak (en werd deels met fragmenten hersteld) en de linkerhand. De plooien zijn her en der licht beschadigd. Augustus is afgebeeld terwijl hij zijn religieuze plichten vervult, in toga, als Pontifex Maximus, met bedekt hoofd. Het is gezien de uitgestoken rechterarm waarschijnlijk dat hij op het punt staat een offer te brengen, met in de rechterhand een patera (de drinkbeker die onderdeel was van het offergerei, eigenlijk een ondiepe kom met een soort verhoging erin, of juist een gat, de omphalos (navel), om de kom vast te houden zonder het plengoffer aan te raken) en in de linker misschien een lituus, een staf met een gekromd uiteinde. Voordat Augustus, die zijn pietas graag en public mocht belijden, in 12 vC officieel de functie van Pontifex Maximus op zich nam, vervulde hij die rol al regelmatig. Hij is op zeer veel afbeeldingen (op munten, in de vorm van standbeelden) aan te treffen als togatus capite velato en éen van de allerbekendste is dit beeld. Het bestond uit een aantal apart vervaardigde onderdelen. Zo werden bijvoorbeeld hoofd en nek uit aparte blokken vervaardigd en aangebracht in een van tevoren aangebrachte holte. De manier waarop de toga hier valt en die tot ver in de tweede eeuw nC onveranderd zou blijven, bewijst dat die werd beschouwd als een soort canoniek bewijs van identiteit, precies zoals dat onder Augustus werd gepropageerd. De gelaatstrekken zijn tamelijk nauwkeurig en (op passende wijze) veristisch weergegeven, terwijl de zichtbaar atletische bouw van het lichaam daarmee in overeenstemming is. Het kapsel lijkt op dat van de zogenaamde Augustus van Primaporta, gevonden in de Villa van Livia, en die als min of meer toonaangevend voorbeeld werd beschouwd. Men is het erover eens dat het officiële prototype van dit beeld ontstond tegen de twintiger jaren van de eerste eeuw vC, misschien op het moment dat Augustus in 27 vC van de Senaat de titel Augustus kreeg. Het hier getoonde beeld was duidelijk bedoeld voor een prestigieus publiek complex en dateert misschien van 12 vC.

9.5 Rome, Palazzo Massimo alle terme, begane grond, zaal 5 [statua di augusto pontefice massimo] Augustus als Pontifex Maximus, (Augustus van de Via Labicana). Materiaal: Italiaans marmer voor het lichaam, Grieks marmer voor het hoofd en de rechter onderarm. Hoogte met voetstuk: 217 cm, hoogte zonder: 207 cm. Datering: 12 vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 41. Foto: mei 2009

Rome, Palazzo Massimo, Augustus in toga

9.6 Het beeld werd gevonden op 16 juni 1906, in een onderaardse gang, beneden Piazza Sallustio, toen de Banca Commerciale daar werd gebouwd. Piazza Sallustio ligt ten noorden van Termini, niet ver van de zuidelijke rand van de Villa Borghese. In de oudheid bevonden zich hier de zogenaamde Tuinen van Sallustus, de Horti Sallustiani. Er werden ook nog vijf andere beelden gevonden, nog twee zogenaamde Niobiden, een Leda met zwaan, een kopie naar Praxiteles' Rustende Satyr en een Nijlpaard in rood marmer (rosso antico). Die vijf werden verkocht aan Ny Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen. Deze gewonde Niobide kwam terecht in de Banca Commerciale van Milaan, die het beeld schonk aan de Italiaanse staat. De gangen waar de beelden werden gevonden, dienden blijkbaar bewust als plek om de beelden te verbergen, om ze te behoeden voor plundering, misschien, zo schrijft Ambrogi, als we af moeten gaan op Procopius, van de Visigoten, die op 24 augustus 410 onder Alarik via de Porta Salaria Rome binnenkwamen en toen ook naar zijn zeggen de daar nog bestaande woning van Sallustus in brand staken. De vingers van de rechterhand van het beeld zijn verloren gegaan. Een holte voor een bevestiging bevindt zich op het gewaad ter hoogte van het linkerdijbeen. De muis van de linkerhand ontbreekt eveneens; die werd blijkbaar in de oudheid al een keer gerestaureerd, zoals blijkt uit een metalen schroef. De rechterarm die al was afgebroken, is weer teruggezet. Sallustius was, even terzijde, de historicus Gaius Sallustius Crispus (86-35 vC), die dankzij zijn gouverneurschap van de Provincie Africa Nova schatrijk werd, zodat hij in wat toen regio VI was, zijn eigen park kon aanleggen.

Het beeld toont een jonge vrouw die in de schouder getroffen is en die valt op rotsachtige grond, terwijl ze poogt de pijl te verwijderen. Over de identificatie als éen van de Niobiden bestaat eensgezindheid. Niobe was de sterfelijke dochter van Tantalos en getrouwd met een zoon van Zeus, Amphion, die haar veertien kinderen schonk, zeven zonen en zeven dochters. Ze werden allemaal gedood door Apollo en Artemis, die zo hun moeder Leda (Latone) wreekten, tegen wie Niobe had opgeschept over haar grote aantal kinderen. Het beeld wordt beschouwd als een Grieks origineel en is het vroegste vrouwelijke naakt in de klassieke kunst. De weergave doet vermoeden dat het dateert van rond 440-430 vC. Over de plaats waar het beeld vandaan komt, bestaat minder eensgezindheid: sommigen denken aan de Peloponnesos of Attica, anderen aan Magna Graecia (Zuid-Italië dus), misschien uit de omgeving van Taranto. Onderzoek van de andere twee Niobiden die tegelijkertijd werden gevonden, doet vermoeden dat de drie oorspronkelijk bij elkaar hoorden. Ridgway is het daarmee niet eens. Die beweert dat dit een Romeinse kopie is die werd toegevoegd aan een in oorsprong incomplete Griekse beeldengroep. Naar zijn idee zouden enkele oneffenheden daarop wijzen, zo het onnatuurlijk lange dijbeen en de verschillende formaten (waarbij dit het kleinste beeld is van de drie). Ook de plaats van herkomst is omstreden. Het Atheense Theseion (dwz. de Tempel van Hephaestus aan de noordwestzijde van de Agora daar), de Tempel van Apollo Epikourios in Bassae, of een tempelcomplex in Magna Graecia, het is allemaal voorgesteld en afgewezen. La Rocca is akkoord met een datering van rond 440 vC, maar meent dat de beelden uit hetzelfde atelier komen als de Amazonomachie, die werd ingevoegd in de Tempel van Apollo Sosianus, en waarvan de resten nu in Centrale Montemartini in een reconstructie zijn opgesteld. Die kwamen uit de Tempel van Apollo Daphnephoros in Eretria (op het eiland Euboea). Naar zijn idee zijn de overeenkomsten tussen de beeldengroepen talrijk. Ook van die beelden waren in Rome de gebroken handen en voeten gerestaureerd met gebruikmaking van metalen schroeven. De verschillen tussen de drie beelden zouden naar zijn idee kunnen zijn ontstaan doordat ze het werk van verschillende kunstenaars zijn. Beide groepen zouden ten tijde van Augustus naar Rome zijn gehaald, waarbij de Amazonomachie de oudste is en diende voor de viering van Augustus' overwinning op Cleopatra en Marcus Antonius (barbaren immers, net als de Amazonen), terwijl de Niobiden naar de Horti Sallustiani zouden zijn gegaan, misschien naar de tuinen zelf of naar een publiek gebouw daar, zoals de Tempel van Fortuna Pubblica, in de omgeving waarvan nog drie andere beelden werden gevonden. Augustus zou, zo schrijft Ambrogi, met de Niobiden de bedoeling hebben gehad de vijanden van Rome te waarschuwen voor het gevaar der hoogmoed, want daar leden degenen aan die zijn Pax Romana wilden verstoren. Ten slotte, zo vermeldt Ambrogi nog, is de recente ontdekking van een villa bij Ciampino (een vliegveld) die in het bezit was van Marcus Valerius Messala Corvinus het opmerken waard. Daar werden zeven bijna intacte beelden, alsmede tal van fragmenten aangetroffen van opnieuw een groep Niobiden.

9.6 Rome, Palazzo Massimo, begane grond, zaal 6 [statua di fanciulla ferita, cosiddetta niobide dagli horti sallustini] Gewond meisje, ook wel: Niobide uit de Tuinen van Sallustius. Materiaal: wit marmer, vermoedelijk Parisch. Hoogte van rechterknie tot voetstuk: 149 cm, hoogte van voetstuk tot hoofd: 136 cm. Lengte voetstuk: max. 87 cm. Diepte: 41 cm. Datering: 440/430 vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 59. Foto: mei 2009

Rome, Palazzo Massimo, Gewond meisje, ook wel: Niobide uit de Tuinen van Sallustius

9.7 De twee beelden die hier volgen, zijn wel zo'n beetje de trots van het museum. Het microklimaat van de zaal waar de twee staan opgesteld, kreeg eind 2016 nog een speciale behandeling, terwijl er een kleine tijdelijke tentoonstelling (tot 23 april 2017) werd ingericht over de betekenis van de archeologie voor de bezoekers, Archeology and me, met een keus van 87 uit de ongeveer 500 inzendingen in allerlei genres uit heel Europa.

Dit eerste beeld, van een zittende bokser is slechts éen van de zeven Griekse bronzen beelden die bewaard zijn gebleven en als zodanig een bijzonder geval. Het werd door de archeoloog Rodolfo Lanciani in maart 1885, een maand na een ander (de zogenaamde Helleense vorst, staand met lans, eveneens in het museum opgesteld) gevonden op de oostelijke helling van het Quirinaal, aan Via IV Novembre, op de plaats van het voormalige klooster van San Silvestro. Beide beelden waren duidelijk met opzet verborgen, de Helleense vorst in een ruimte tussen twee muren tussen de eerste en tweede fundering van het gebouw, dit beeld tussen de tweede en de derde. De locatie van herkomst is afwisselend geïdentificeerd, namelijk als de Tempel van Sol Invictus van Aurelianus, als de Tempel van Serapis van Caracalla, of als een Tempel van Hercules en Dionysus uit de Severische periode. Beide beelden zijn echter waarschijnlijk afkomstig uit de nabije thermen van Constantijn, waarheen ze waren verplaatst vanuit een andere publieke locatie, wellicht de Tempel van Mars Ultor op het Forum. Bijgaand beeld was, toen het werd gevonden, opgesteld in een precies passende ruimte, die was gevuld met gedroogde aarde, blijkbaar om eventuele beschadiging te voorkomen. Het brons werd na een eerste ingreep bij de ontdekking nog een keer tussen 1985 en 1987 gerestaureerd. Het deel waarop de bokser zit is een moderne toevoeging. Het beeld is groter dan levensecht. De ooit ingelegde ogen zijn verdwenen. De man zit met het hoofd naar links gedraaid, de armen steunend op de bovenbenen, de genitaliën bijeengehouden en beschermd door een kynodesme (letterlijk hondenriem, een leren riempje dus), aan de handen de himantés oxéis, de leren banden die eromheen waren gewikkeld, terwijl de houding vermoeidheid uitdrukt en het gelaat aan neus, mond, wangen en oren kwetsuren toont die tijdens het gevecht werden opgelopen. Die waren daar en ook elders op het lichaam oorspronkelijk met - deels rood - koper ingelegd, misschien ook om bloed te suggereren. Tijdens de restauratie bleek dat het beeld bestond uit acht delen die apart werden gegoten (vnl. benen, geslacht, armen, borst en hoofd), volgens de verloren wasmethode (cire perdue) en daarna aan elkaar gezet waarna de naden zijn bijgevijld en onzichtbaar gemaakt. De Griekse letter alpha (α) onder het midden van de linker voet diende om die (aristeròs poús) bij het samenstellen van het beeld terug te herkennen. De Latijnse A die onder de rechtervoet werd gekrast, lijkt een latere toevoeging van praktische aard. Het originele beeld had in de nek een steun die in de oudheid al, vermoedelijk in de Romeinse tijd, werd vervangen door een ronde plak, die aan het hoofd was gesoldeerd. Bij de restauratie werd ook zichtbaar dat sommige tenen van de rechtervoet en delen van de hand slijtageplekken vertoonden, vermoedelijk doordat talrijke bezoekers door er langs te strijken erop hoopten zo de kracht te verwerven waar de bokser over beschikte. Uit klassieke bronnen is bekend dat zulke dingen gebeurden. Het gebeurt trouwens nog, op Père Lachaise bijvoorbeeld en nog met heel andere lichaamsdelen ook, of in de Sint Pieter met de voet van Petrus. De signatuur van de beeldhouwer Apollonios Nesteros op de linker handband die men aanvankelijk meende te lezen, is bij de restauratie verwijderd. Sommigen meenden op grond van die paar tekens dat het beeld van dezelfde hand was als de Torso Belvedere in de Vaticaanse musea. Dat wordt inmiddels voor onmogelijk gehouden. Bij de tekens die als signatuur werden herkend, ging het om sporen van roestvorming. Eveneens uitgesloten wordt de gedachte dat dit beeld en de Helleense vorst die een maand eerder gevonden werd, bij elkaar hoorden. De vormgeving van het beeld heeft sommigen ertoe gebracht aan te nemen dat het naar een model van de Griekse beeldhouwer Lysippus (vierde eeuw vC) werd gedaan, of misschien zelfs door hemzelf, vanwege de precieze weergave van haar en baard en de uitgebeelde beweging met het hoofd en ze meenden bovendien dat de bokser geïdentificeerd kon worden als Polidamas, een Tessalische atleet, wiens vereerde beeld zich volgens Pausanias nog in de tweede eeuw vC in Olympia bevond. De Italiaanse classicus Paolo Moreno stelde Mys voor, een Spartaanse bokser afkomstig uit Taras (Taranto), in Magna Graecia, uit de vierde eeuw, die pas op veertigjarige leeftijd in 336 vC de overwinnig behaalde in Olympia en om die reden werd beschouwd als een toonbeeld van doorzettingsvermogen. Een bokser uit de hoogklassieke tijd, zo meent iemand als Ingrid Rowland, zou nooit zo gehavend zijn getoond. Sommige gebruikte technieken zouden inderdaad kunnen doen vermoeden dat het beeld uit de vierde eeuw vC. stamt, en dus Hellenistisch is, zo de wijze waarop de bloeduitstorting onder het rechteroog werd gedaan, in een wat donkerder metaalsoort, het deel rond de lippen en de middelste tenen van de voet. Anderzijds is het sterk veristische karakter van het beeld daarmee in strijd. Sommigen hebben het beeld willen dateren als zijnde uit de vierde of de derde eeuw vC, dateringen die ik ook op Wikipedia zie, maar de meeste wetenschappers houden het inmiddels, zo schrijft Ambrogi in elk geval, anno 2013, op een orgineel Grieks, maar laat Hellenistisch beeld uit de eerste helft van de eerste eeuw vC, mede trouwens vanwege het type handschoenen dat de bokser draagt. Samen met de klassieke wijze van weergeven van het hoofd en de weigering de aderen langs het lichaam weer te geven, zou men kunnen denken aan een eclectische, neo-attische beeldhouwer. Het beeld was overigens vanaf maart 2015 tot en met maart 2016 op reis, via Florence (het Strozzi) en Los Angeles (het Getty) naar Washington (National Gallery). Die laatste tentoonstelling was pas op 20 maart 2016 afgelopen. Het is inmiddels weer terug.

9,7 Rome, Palazzo Massimo, begane grond, zaal 7 [statua del pugilatore seduto] Beeld van een zittende bokser. Materiaal: brons. Hoogte: 128 cm. Datering: ca. 50 vC. Ik ben zo vrij geweest de details van eigen foto's te gebruiken, omdat ik de kleuren natuurgetrouwer vind ogen. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 62

Rome, Palazzo Massimo, Zittende bokser

9.8 Rome, Palazzo Massimo, begane grond, zaal 7 [statua del pugilatore seduto] Beeld van een zittende bokser. Detail: himantés oxéis, de leren banden die om de handen zijn gewikkeld, met daarachter de kynodesme, de hondenriem voor de genitaliën. Foto: oktober 2014

Rome, Palazzo Massimo, Beeld van een zittende bokser, detail

9.9 Rome, Palazzo Massimo, begane grond, zaal 7 [statua del pugilatore seduto] Beeld van een zittende bokser, detail: gelaat met aangebrachte verwondingen, ooit ingelegd met rood koper. Foto: oktober 2014

Rome, Palazzo Massimo, Beeld van een zittende bokser, detail

9.10 Voor wat betreft de omstandigheden waaronder dit beeld van de zogenaamde Helleense vorst werd gevonden en waar het wellicht stond opgesteld, verwijs ik naar de beschrijving van de Zittende bokser, want ze zijn identiek. Aangenomen wordt in elk geval dat het afkomstig was uit de (nabij de vindplaats gelegen) Thermen van Constantijn, nadat het daarheen was verplaatst uit de Tempel van Mars Ultor op het Forum van Augustus. Het beeld werd gerestaureerd tussen 1985 en 1989. Moderne aanvullingen zijn de voorzijde van de linker wijsvinger, van de rechter middenvinger en een deel van de linkerdij. Het voetstuk is uiteraard ook modern.

9.10 Rome, Palazzo Massimo, beganegrond, zaal 7 [statua del cosidetto principe ellenistico] Beeld van de zogenaamde Helleense vorst. Eind 2e eeuw vC. Materiaal: brons, gieting cire perdu; hoogte tot aan de punt van de lans 244 cm; tot aan de kruin van het hoofd 204 cm. Vooraanzicht. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 61. Foto's: oktober 2014

Palazzo Massimo, Beeld van de zogenaamde Helleense vorst

9.11 Rome, Palazzo Massimo, beganegrond, zaal 7 [statua del cosidetto principe ellenistico] Beeld van de zogenaamde Helleense vorst. Eind 2e eeuw vC. Materiaal: brons, gieting cire perdu; hoogte tot aan de punt van de lans 244 cm; tot aan de kruin van het hoofd 204 cm. Detail. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 61. Foto's: oktober 2014

Palazzo Massimo, Beeld van de zogenaamde Helleense vorst

9.12 Het artikel in de catalogus van het Massimo (Gasparri/Paris 2013), geschreven door Amarena Ambrogi, doet niet veel meer dan alle in de loop der tijden gesuggereerde theorieën over dit beeld op een rijtje te zetten, om ten slotte een keus te maken voor de recentst voorgestelde. Ik begrijp de wetenschappelijke overwegingen die bij die keus een rol spelen, maar het is toch goed dat hier bijvoorbaat als relativering op te merken. Zelf kende ik deze beelden natuurlijk al heel lang en ik heb, zonder er veel over te weten, altijd gemeend dat het tamelijk late exemplaren waren, wellicht afkomstig uit Magna Graecia, uiteraard Grieks van inspiratie, maar Romeins qua maaksel, zoals zeer veel beelden die lange tijd als Grieks te boek stonden, uiteindelijk nu eenmaal onveranderlijk Romeinse kopieën bleken te zijn. Ik vind met name bij dit beeld (meer dan bij het vorige) de proporties ongelukkig en het hoofd uitdrukkingloos. Voor wat het waard is, het artikel heeft me niet van mening doen veranderen. Het idee dat het beeld een Helleense vorst voorstelde, kwam voort uit de blijkbaar wijdverspreide gedachte dat het een vorst voor zijn troonsbestijging afbeeldde uit de derde of tweede eeuw vC, dat dan om de afwezigheid van een diadeem te verklaren. Voorgesteld werden allerlei Attaliden, vorsten dus van Pergamon, Attalus II, Antiochus II, maar ook Philippus V (van Macedonië dus) en nog meer. Ook Hannibal is wel eens voorgesteld, wat moge bewijzen hoe onzeker elke identificatie is. Gesuggereerd is ook dat het beeld onderdeel vormde van een groep, waarvan twee Attaliden (Attalus en Eumenes II) waren afgebeeld als de Dioscuren. Het beeld zou dan een vroeg voorbeeld zijn van een eclectische beeldhouwer uit het tweede kwart van de tweede eeuw vC., vanwege de vermenging van klassieke (houding) en meer barokke trekken (de vormgeving van de spiergroepen). Die Dioscuren (Castor en Pollux dus) zijn vaker van stal gehaald, waarbij dan ook het beeld van de Zittende Bokser werd betrokken, zelfs geïnterpreteerd dan als een soort gezamenlijke allegorie op de overwinning op Mitridates. Er zijn ook aanhangers van een Romeinse herkomst, die menen dat het afkomstig is van een Grieks beeldhouwer die in de eerste eeuw vC. in Rome werkzaam was, omdat het beeld zo duidelijk eclectisch oogt. Zelfs Titus Quinctius Flaminius (228-174 vC.), de man die Philips V van Macedonië versloeg, is voorgesteld, vanwege de gelijkenis met diens afbeelding op munten, opvatting die door bijv. iemand als Coarelli dan weer werd bestreden. Weer een ander, Lehmann, meende in 1996 dat het beeld Q. Caecilius Metellus Macedonicus (ca. 207-115 vC.) voorstelde, dat het in oorsprong stond opgesteld in Olympia en als oorlogsbuit in Rome terecht kwam, wat een nog latere datum zou opleveren, van rond 120 vC. Hij meent dat de positie van de rechterhand, achter de rug gehouden, met de geopende palm naar buiten een citaat zou zijn van de Meleagrus van Skopas, en dat is een beroemd en in de Romeinse tijd inderdaad zeer populair, maar verloren gegaan beeld, voorstellende Meleager, de man van de Calydonische zwijnenjacht. Die geopende hand zou een verwijzing zijn naar de gedwongen inactiviteit van Demetrius I (Soter), de Seleucide die, omdat hij in Rome gevangen zat, niet kon deelnemen aan de krijgsoperaties van zijn oom Antiochus IV Epiphanes. Bent u er nog? Gelukkig schrijft Annarena Ambrogi, die - ik schreef het al - verantwoordelijk is voor het artikel over dit beeld, wat u en ik misschien al direct dachten: een Rustende Heracles, zoals we die bijvoorbeeld kennen uit de Farnesecollectie in Napels, naar een origineel van Lysippos. De kunsthistoricus Papini suggereerde Alexander de Grote, naar het voorbeeld van het type met lans, of inderdaad als Heracles, die door verschillende Scipio's als model voor beelden werd gebruikt. Daarbij is opvallend de licht ingegraveerde baard, die door sommigen als symbool wordt beschouwd van de troonpretendent of een legeraanvoerder. Papini meende in 2002 dat het beeld afkomstig is uit de omgeving van de tweede-eeuwse Scipio Asiaticus, die in 188 vC. een triomf kreeg, en die na zijn veldtocht kunstvoorwerpen meenam, wat ertoe leidde dat de stijl ervan verspreid raakte. Scipio Asiaticus is de man van de slag bij Magnesia. Uit dezelfde periode dateert de mode om een heroïsche figuur, de vir triumfalis naakt af te beelden. In hetzelfde jaar - 2002- opperde Yossif weer een Griekse herkomst, omdat het beeld hem een werk leek ter viering van de overwinning van de Seleucidische dynastie in de tweede helft van de tweede eeuw vC. Om het nog ingewikkelder te maken: op de buik van het beeld is gegraveerd L VI P L XXIIX, dat op verschillende wijze is geïnterpreteerd, met de L als een verwijzing naar Liber, en dus een archiefvermelding, of als Locus (plaats). De inscriptie zou aan het begin van de tweede eeuw vC. zijn aangebracht, misschien toen het beeld werd verplaatst. Op de rechterdij zijn met puntjes drie letters aangebracht, MAR, die respectievelijk zijn opgevat als het zegel van Gaius Claudius Marcellus, die we van munten kennen als consul in 49 vC, of als zegel van een Romeinse bronsgieter. Anderen houden dat MAR voor een verwijzing naar de plaats waar het beeld zich zou hebben bevonden, namelijk de Tempel van Mars Ultor. Ik vrees - maar zeker weet ik het niet - dat die drie letters de enige reden zijn waarom wordt aangenomen dat het beeld daar ooit stond opgesteld. Ambrogi houdt het er ten slotte bij dat het hier om een in oorsprong Grieks beeld gaat dat aan het eind van de 2e eeuw vC als oorlogsbuit naar Rome kwam. Het zou kunnen, zegt uw dienaar aarzelend.

9.12 Rome, Palazzo Massimo, beganegrond, zaal 7 [statua del cosidetto principe ellenistico] Beeld van de zogenaamde Helleense vorst. Materiaal: brons, gieting cire perdu; hoogte tot aan de punt van de lans 244 cm; tot aan de kruin van het hoofd 204 cm. Achteraanzicht. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 61

Palazzo Massimo, Beeld van de zogenaamde Helleense vorst

9.13 Dit beeld van een meisje met een schaal werd gevonden op 20 december 1878 na een heftige zeestorm, tussen de resten van een cryptoporticus (overdekte zuilengang) van een voormalige keizerlijke villa die tussen Arco Muto en Kaap Anzio op een soort landtong ligt. Het beeld stond oorspronkelijk opgesteld in een met stucwerk beklede bakstenen nis. Het hoofd was op dat moment al gestolen, maar daar werd later weer de hand op gelegd. Het beeld werd vervolgens lange tijd geëxposeerd in de Villa Sarsina in Anzio, maar het werd in 1909 door de staat aangekocht voor het Museo Nazionale Romano. De rechterarm ontbreekt, een deel van de linker onderarm, beide handen zijn verloren gegaan, een goed deel van de schaal, de punt van de neus en de kin, en kootjes van de tenen van de rechtervoet. De hoek van de rechterachterzijde van het voetstuk is ruw bewerkt met een scherp werktuig, vermoedelijk om het in de nis te laten passen. Het offerende meisje werd, net als later, in de jaren '30 van de vorige eeuw, een Hermes en een groep met een Amazone en een barbaar (catalogusnr. 169), dus gevonden in een voormalige keizerlijke villa in wat ooit Antium was. Een goed deel van de oude Neroniaanse haven daar is zo geërodeerd door de werking van de zee, dat er maar weinig meer van is terug te herkennen en dat er van de uitleg van de villa maar weinig bekend is. Blijkbaar werden tijdens de late republiek drie domus met de grond gelijk gemaakt en vervangen door een grotere structuur met een gebogen vorm, zodat er in de laat Antonijnse en Severische periode een soort villa ontstond met de voorzijde aan zee. Het meisje draagt een schaal waar al haar aandacht op lijkt gericht. Erop ligt een takje met laurier, een rol met misschien een heilige tekst of een volumen (van volvo, iets wat opgerold is), terwijl er ook de resten op te zien zijn van wat iets wegheeft van twee leeuwenklauwen, die misschien in oorsprong de poten vormden van een wierookvat of een kelk (een pyxis). Het meisje draagt een chiton, een mantel en zeer eenvoudige sandalen. De mantel rust op de linker schouder. De haren zijn op het voorhoofd samengebonden in een knoop, die nogal à l'improviste lijkt vervaardigd, misschien om te voorkomen dat ze last heeft van het haar als ze voorover buigt. Ze stond vermoedelijk zo opgesteld dat de kijker haar schuin van voren zag, zodat haar veel beter uitgewerkte linkerzijde beter te zien is dan de onnauwkeurig afgewerkte rechterzijde. Het meisje lijkt zich te bevinden tussen staan en bewegen omdat ze op het linkbeen steunt, terwijl ze met haar hoofd licht naar links neigt, in de richting van de schaal. Ze vormde vermoedelijk onderdeel van een grotere groep. Het beeld wordt traditiegetrouw opgevat als een priesteres of een dienares ervan. Er zijn allerlei suggesties gedaan: Phemonoe, voor-Homerische dichteres, dochter van Apollo en diens eerste priesteres in Delphi (de Pythia), en Fennide, de profetes van de Attaliden (de heersersdynastie van Pergamon), of de Epithyousa, de priesteres van de beeldhouwer Phanis (leerling van Lysippos), en die door Plinius Maior wordt genoemd (34,80), waarbij het dan zou gaan om een inwijding in de mysteriën van Dionysos. Het beeld toont Hellenistische trekken, de zwaar aangezette kledij bijvoorbeeld en de modellering van het gezicht die doet denken aan andere beelden uit tweede helft van de derde eeuw vC. Er bestaat onenigheid over of dit een origineel hellenistisch beeld is of een kopie van uitstekende kwaliteit. De meerderheid, zo schrijft Cellini, lijkt te kiezen voor het eerste, zij het vanwege het ontbreken van andere exemplaren (tot nu toe is dit beeldje enig in zijn soort), of vanwege de wijze waarop het voetstuk is bewerkt om het in de cryptoporticus te krijgen, wat er immers op zou kunnen wijzen dat het uit een in oorsprong Hellenistische context kwam, zo schrijft ze enigszins cryptisch. Ik neem aan dat ze bedoelt dat eruit valt af te leiden dat het beeld in oorsprong niet voor de nis in kwestie was bedoeld en dus van buiten kwam.

9.13 Rome, Palazzo Massimo, eerste verdieping, zaal 5 [fanciulla d'anzio] Meisje van Antium. Materiaal: Parisch marmer voor bovenlichaam, hoofd, rechterschouder en bedekte deel van de borst, pentelisch marmer voor onderlichaam. Hoogte zonder voetstuk: 172 cm. Datering: ca. 250 vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 166

Rome, Palazzo Massimo, Meisje uit Anzio

9.14 Het beeld werd, zo schrijft Marina Caso, gevonden in Rome in 1781, op de Esquilijn, vlakbij de Villa Palombara, die eigendom was van de familie Massimo, zodat het terecht kwam in hun eigen Palazzo, dat toevallig net zo heet als dat waar dit museum nu is gevestigd, Palazzo Massimo dus, maar met de toevoeging alle colonne en dat, gelegen aan de Via Vittorio Emanuele, architectonisch gezien veel invloedrijker was. Daarna belandde het in het Palazzo Lancellotti ai Coronari, waarvan de naam aan het beeld is blijven hangen. Het is nog het vermelden waard dat Hitler het in 1938 voor 5 miljoen lire kocht van Mussolini, zodat het tijdens de oorlog in de Münchense Glyptothek stond opgesteld, tot het in 1948 werd terugbezorgd en gerestaureerd. Sinds 1953 staat het weer in het Museo Nazionale Romano. In de Villa van Hadrianus werden rond 1790 nog twee andere kopieën gevonden: één staat nu in het British Museum, de andere in het Vaticaan. Bij de restauratie van het hier getoonde beeld zijn de rechterarm en de linkervoet weer teruggezet. Ook de buitenste rand van het voetstuk, een deel van de steun, de rechterkuit, de vingers van de linkerhand en het onderste deel van de discus werden hersteld. Van de steun die ooit van onder de rechterarm naar de onderste ledematen liep (en die we kennen van een ets uit de achttiende eeuw) is nog (ternauwernood zichtbaar) een rest te zien op de rechter heup. Het beeld werd al direct na de ontdekking door Giovan Battista Visconti, vermoedelijk op basis van waarneming van diens zoon, Ennio Quirino, en passages uit Lucianus van Samosata (in diens Philopseudes, 18) en van Quintilianus (Institutio Oratoria,2, 13, 8) als discuswerper geïdentificeerd. De atleet is afgebeeld op het moment dat hij op het punt staat zijn discus te werpen, het bovenlichaam gedraaid, het linkerbeen dat zichtbaar is achter het rechter meedraaiend, in een houding die harmonieus is, maar toch dynamiek uitstraalt, maar die, zo wordt vaak gezegd, geen erg geschikte manier is om in werkelijkheid een discus te werpen. Het model ervoor is éen van de beroemdse beelden uit de oudheid, in brons van Myron, dat dateerde van ongeveer 450 vC en dat vermoedelijk ontstond om de overwinning te vieren van een Atheens atleet. Deze marmeren kopie is er een getrouwe weergave van. Zelfs de kleine puntvormige verhogingen op het voorhoofd (in het haar) zijn geïnterpreteeerd als resten van de door de kopiist gebruikte passer om de juiste proporties over te nemen. De kopie zou kunnen dateren van halverwege de tweede eeuw voor Christus. Opmerkelijk is het, zo schrijft Caso nog, dat ook dit beeld voldoet aan de zeer hoge kwaliteit die typerend is voor ander op de Esquilijn gevonden werk, in een gebied dat behoorde tot de Horti Lamiani, de Tuinen van Lamianus, en dat zich bevond waar nu Piazza Vittorio Emanuele ligt. Ze kwamen al in de eerste helft van de eerste eeuw nC in keizerlijk bezit. Lucius Aelius Lamia was bevriend met Tiberius, zo is bekend.

9.14 Rome, Palazzo Massimo, eerste verdieping, zaal 6 [discobolo lancellotti] De discuswerper van Lancelotti. Materiaal: Parisch marmer. Hoogte: 155 cm. Datering: ca. 150 vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 180

Rome, Palazzo Massimo, De discuswerper van Lancelotti

9.15 Een eerste kopie van dit beeld werd al gevonden aan het begin van de zeventiende eeuw, op het terrein van de Santa Maria Vittoria, een kerk in de buurt van de Baden van Diocletianus en in het gebied van de voormalige Horti Sallustiani. Dat exemplaar kwam terecht in de Villa Borghese, waar het in 1620 door Bernini van een matras werd voorzien, wat een merkwaardige, anachronistisch aanblik biedt. Het werd in 1807 aan de Franse bezetters verkocht door Vorst Camillo Borghese en zijn echtgenote, Pauline Bonaparte, waarna het uiteindelijk in het Louvre belandde. Een tweede exemplaar werd in 1781 gevonden en dat exemplaar dient nu in de Villa Borghese als vervanging van de verkochte versie. De hier getoonde kopie is dus de laatste die gevonden werd. Deze Slapende hermafrodiet kwam aan het licht in 1879, tijdens de bouw van het Romeinse operatheater (gebouwd door de vader van Piacentini, de man van EUR), in een domus, in een nis van een dichtgemetselde en bedolven peristyle (een portico met zuilen rondom een hof of tuin). De linkerhand ervan ontbreekt en het onderbeen aan dezelfde zijde, twee vingers van de rechterhand ontbreken eveneens, terwijl het gewaad ter rechterzijde incompleet is. Hermaphroditus was (uiteraard) de zoon van de god Hermes en de godin Afrodite. Ovidius beschrijft hoe hij, van grote schoonheid, het slachtoffer werd van de opdringerige waternimf Salmacis die hem maar niet met rust wilde laten en zich toen hij ging zwemmen aan hem vastklemde, de goden smekend hem met haar te verenigen. Hetgeen geschiedde, zij het wellicht op onvoorziene wijze. En zie hier. Het beeld wordt beschouwd als een getrouwe kopie van een type van halverwege de tweede eeuw vC, van de hand van een in Klein-Azië opgeleide beeldhouwer, die werkte in een klassieke traditie, maar beïnvloed werd door laat-Hellenistische voorbeelden. Een soortgelijke compositie als deze is ook bekend van een op een rots slapende menade die is bedekt met een pantervel uit de tweede eeuw vC (Athene, Nationaal Museum). Wat betreft de herkomst van het Hellenistische model waar dit beeld op is gebaseerd, is het mogelijk dat de beeldhouwer ene Polykles is, van rond 470 vC, die als maker van een bronzen hermafrodiet wordt genoemd door Plinius Maior (NH, XXXIV, 80), en een latere beeldhouwer, eveneens Polykles, uit de tweede eeuw vC, waarbij die laatste in aanmerking zou kunnen komen, al staat niet vast of dat echt zo is. Er bevinden zich ook nog versies in de Petersburgse Hermitage en in het Uffizi.

Overigens werden in de zomer van 2015 niet zover van de plaats waar het beeld ooit werd gevonden, maar nu op Largo Santa Susanna - nota bene in het Geologisch Instituut daar in het Palazzo Canevari - resten aangetroffen van een woonverblijf uit de zesde eeuw vC. alsmede van een erg grote tempel (van 40 bij 24 meter) uit de 5e eeuw vC., waarvan nog niet duidelijk is aan welke godheid hij was opgedragen. De vondst was des te verrassender omdat men er tot voor kort van uitging dat het gebied, toch binnen de Servische muur, enkel diende als necropolis. De archeologen die de vondsten deden en die ze de belangrijkste van de laatste jaren noemden, refereerden toen ook aan het in 1879 in de nabijheid gevonden beeld van de Hermafrodiet, vondst die toen ook al onverwachts was. De conclusie was dat een groter gebied binnen de Servische muur bewoond moet zijn geweest dan men altijd heeft gedacht, al is dit beeld natuurlijk van veel later.

9.15 Rome, Palazzo Massimo, eerste verdieping, zaal 7 [ermafrodito dormiente] Slapende hermafrodiet. Materiaal: Klein-Aziatisch marmer. Hoogte: 25 cm. Lengte: 148 cm. Datering: ca. 150 vC. Bron: Gasparri/Paris 2013, nummer 189. Foto's: mei 2009

Rome, Palazzo Massimo, Slapende hermafrodiet

Rome, Palazzo Massimo, Slapende hermafrodiet

9.16 Op de tweede verdieping bevindt zich een belangrijke collectie wandschilderingen, waaronder die uit de Villa della Farnesina, eind negentiende eeuw ontdekt vlak langs de rivier de Tiber, in Trastevere. Aanvankelijk mocht je deze verdieping van het museum alleen onder begeleiding van een gids bezoeken en dan kreeg je een half uur. Maar dat is gelukkig niet meer zo. Sommige kamers van de villa's zijn compleet nagebouwd in Palazzo Massimo, met het originele, hierheen overgebrachte schilderwerk vrijwel intact. Zij bieden een unieke blik op de schilderkunst van net voor de jaartelling, toen Rome in de overgang was van republiek naar keizerrijk. Naast de werken uit genoemde villa's zijn er in Palazzo Massimo nog tientallen andere schilderingen, mozaïeken, en voorstellingen uit de periode van de 1e eeuw vC tot en met de 4e eeuw na. Bijgaand uit cubiculum B van de Villa della Farnesina een godin - is het Venus (Afrodite) of Isis? - een bloem in de hand, terwijl ze wordt gekleed, achter haar een muze en voor haar eros. Een fresco op éen van de wanden is gesigneerd door ene Seleukos, naam die in oorsprong Syrisch is.

9.16 Rome, Palazzo Massimo alle Terme, Fresco uit cubiculum B van de Villa Farnesina, late eerste eeuw vC. Foto: oktober 2014

Palazzo Massimio, Fresco uit Villa Farnesina

9.17 villa van livia
Hier bevindt zich bijvoorbeeld ook het geheel nagebouwde triclinium met over alle wanden de zo bekoorlijke fresco's met tuintaferelen die zijn ontdekt in de Villa van Livia en die hier eveneens in zijn geheel naar zijn overgebracht. Livia was de derde (en meest geliefde) vrouw van Augustus. De villa in kwestie, al ontdekt in 1863 en inmiddels voor tweederde uitgegraven, ligt bij Prima Porta, tegenwoordig net over de Raccordo Annulare, de rondweg om Rome, aan de Via Flaminia, op zo'n 12 kilometer buiten de stad. Suetonius noemde hem: ad gallinas albas, bij de witte kippen. Daar werd ook het bekende beeld van Augustus gevonden, dat naar de villa werd genoemd. Een groot deel van de villa is de laatste jaren opgegraven en gerestaureerd. De mozaiëken - in zwart wit - bevinden zich daar weer ter plekke en in het triclinium, waarvan de fresco's zich dus in Palazzo Massimo bevinden, worden de beelden ervan op de muren geprojecteerd. In de maand september 2014 was de villa speciaal geopend op de zaterdagen en onder betaalde begeleiding. De rest van het jaar is hij alleen open op donderdag en vrijdag van 9.30 tot 13.30, en verder op dezelfde tijden op de oneven zaterdagen, terwijl hij 's zomers op de oneven zondagen tot 18.30 open is en 's winters tot 16.30, maar dan wel steeds gratis. Eerst zien, dan geloven, mompelt uw dienaar als hij dit soort dingen leest. Er is trouwens nog meer: nadat de verblijven van Livia en Augustus op de Palatijn (van elkaar gescheiden door de Tempel van Apollo) in 2008 even waren open geweest, maar snel moesten worden gesloten vanwege vochtigheidsproblemen, kunnen ook die nu weer door publiek bezocht worden, wat natuurlijk allemaal goed uitkomt voor een keizer die stierf in het jaar 14. Twee jaar werk, 2 miljoen euro.

9.17 Rome, Palazzo Massimo alle Terme, Triclinium uit de Villa van Livia, detail. Foto: mei 2009.

Rome, Palazzo Massimo alle Terme, Fresco's uit de Villa van Livia

SANTA MARIA MAGGIORE

10.1 Het verhaal gaat dat in 352 aan Paus Liborius en aan een Romeins patriciër de heilige maagd verscheen en hun zei een kerk te bouwen waar ze sneeuw zouden vinden. Dat bleek het geval te zijn op de Esquilijn, ook al was het augustus. De klimaatcrisis is van alle tijden. De patriciër betaalde de kerk, die volgens de overlevering niet lang daarna werd gebouwd en de naam S.M. della Neve (of: ad nives) zou hebben gekregen: van of bij de sneeuw dus. Het staat inmiddels wel vast dat de S.M. Maggiore van Sixtus III niet op dezelfde plaats is gebouwd en dat het verhaal met de sneeuw dus niet op de huidige versie betrekking heeft. Afgezien daarvan heeft het er de schijn van dat de legende pas dateert van na het jaar 1000. Ook de bijnaam van de kerk die erop is gebaseerd, lijkt pas voor het eerst gebruikt in de zestiende eeuw, in het Missale Romanum. Het feest waarmee de wijding van de kerk werd gevierd, heette oorspronkelijk Dedicatio Sanctae Mariae en daaraan werd in 1568 ad nives aan toegevoegd. Nadat al in de achttiende eeuw een commissie adviseerde de oorspronkelijk naam in ere te herstellen, verdween de sneeuw pas in 1969 en werd hij veranderd in: In dedicatione basilicae S. Mariae: gewijd aan de maagd Maria dus.

10.1 Rome, Basilica van Santa Maria Maggiore. Apsis (onder, 1673) op Piazza dell Esquilino (1880-1900), Façade boven. Omsloten door aanbouwsels uit de 16e-18e eeuw. Bron: Brandenburg 2013 pag. 194

Rome, Santa Maria Maggiore

10.2 Sixtus III bouwde zijn kerk vervolgens in zijn bestuursperiode, tussen 432 en 440. Onder zijn bewind werd op de Aventijn ook de Santa Sabina gebouwd en door sommigen wordt aangenomen dat hij eveneens verantwoordelijk was voor die van Santo Stefano Rotondo, al houden anderen het op Leo I (440-464), terwijl, in tegenstelling tot bij die andere, de keizer eigenlijk voor het eerst geen rol bij de opdracht speelt. Met de Santa Maria Maggiore had Sixtus de nadrukkelijke bedoeling de maagd Maria te eren die zojuist, ondanks verzet van de Nestorianen op het concilie van Efeze (431) tot moeder van God was verklaard. Dat was lang een omstreden kwestie geweest. De Nestorianen verdedigden het standpunt van de twee naturen van Christus: menselijk en goddelijk. En Maria was enkel de moeder van Jezus, en dus niet de moeder van God. Dat standpunt werd in Efeze als ketters veroordeeld. De winnende partij verklaarde in Efeze Maria tot moeder van God. In dat programma past natuurlijk ook Torriti's apsismozaïek, waar Maria naast Jezus op de troon zit. Er zijn mensen die denken dat dat Maria-programma een bewuste poging was ook de vrouw een rol in de kerk te geven. Veel vrouwen bezochten in deze periode nog een Tempel van Juno Lucina, die ook op de Esquilijn stond. Het bewijst weer eens dat veel christelijke locaties en riten verbonden zijn met klassieke versies. Concurrentie! En dan waren er ook nog Isis en Cybele, beide eveneens rites die zeer geschikt werden geacht voor het vrouwelijk geslacht. Cecchelli schrijft in haar stuk over het vroege Christendom (in Bussagli 2000):

Onder deze paus heerste nog een triomfantelijke stemming, vanwege het concilie van Ephesus en het zou nog geruimte tijd duren voordat Geiserik Rome zou verwoesten. In deze periode werden dan ook veel kerkelijke gebouwen in de stad verfijnd en verrijkt, waarmee een reeks bouwwerken werd voltooid die deel lijken te hebben uitgemaakt van een gemeenschappelijk project.

Niet alleen is de kerk zodoende de eerste Mariakerk, het is ook voor het eerst dat er geen keizer, of éen van zijn familieleden, bij de bouw ervan betrokken is. Het is de bisschop van Rome die opdracht geeft tot de wijding. De stichtingsdatum van de kerk is vermoedelijk 420. Als traditionele wijdingsdatum geldt 5 augustus 434. Elk jaar op die vijfde augustus wordt zodoende in de Paulijnse kapel het wonder van de sneeuw herdacht met dahliablaadjes. Omdat de kerk tevens een stukje van de kribbe van Jezus bewaart, wordt ze ook genoemd S.M. del Presepe. Op kerstochtend wordt het fragment in processie rond gedragen, misschien in de ongetwijfeld vergeefse hoop dat het met het Romeinse openbaar vervoer daarna beter gaat. Het was vanuit deze kerk dat in 1075 Paus Gregorius door tegenstanders werd ontvoerd, terwijl hij de mis opdroeg. De kerk is één van de vier Romeinse patriarchale basilica 's, samen met de Sint Jan (de moederkerk), Sint Pieter en S. Paolo fuori le Mura. Ga ze in een Heilig Jaar allemaal langs, en je krijgt een aflaat. De kerk is extra-territoriaal gebied.

10.2 Rome, Santa Maria Maggiore. Vooraanzicht. Foto: mei 2013

Rome, Santa Maria Maggiore, Vooraanzicht

10.3 Aan de voorkant, op Piazza S.M. Maggiore, staat een zuil die afkomstig is uit de Basilica van Constantijn en Maxentius op het Forum en die daar in 1614 door Paul V werd neergezet. Het was, zo wordt altijd beweerd, de enige zuil die er nog in de Basilica stond en omdat men toen nog dacht dat het de Templum Pacis was, kreeg de zuil de bijnaam Colonna della Pace, vredeszuil. Het bronzen beeld van de maagd met kind erop dateert van 1615. Toen Carlo Maderna in 1614 het plein aanpakte, werd er dus de zuil neergezet en een jaar later ook de fontein, die profiteerde van de zojuist, in 1610, afgekomen Acqua Paola. Voor de fontein werkte Maderno misschien samen met de architect Gaspare De' Vecchi. Piazza S.M. Maggiore, voor de ingang van de kerk, is het hoogste punt van de Esquilijn, in elk geval van de top die Cispius heet. Op het andere topje, want veel stelt het niet voor, Oppius, ligt San Pietro in Vincoli. De S.M. Maggiore is vergroot onder paus Eugenius III (1145-1153) en werd door paus Nicolaas IV (1288-1292) gerestaureerd, waarbij deze de loggia achter de huidige façade aan de binnen‑ en buitenzijde met mozaïeken liet versieren. De bouw van de klokkentoren heeft veel tijd gekost. Men is er kort na het jaar 1300 mee begonnen en was er in 1377 mee klaar, maar aan het eind van de 15e eeuw werd er nog een verdieping bovenop gezet, zodat het de hoogste campanile van Rome is geworden, 75 meter. In de laatste decennia van de 16de eeuw en in het begin van de 17de eeuw werden er rechts en links van de basilica zelfstandige kapellen aangebouwd, die Piranesi ook afbeeldt op zijn gravure. De uitbouw van de apsis is in 1673 toegevoegd, net als de trap ervoor.

10.3 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta della basilica di Santa Maria Maggiore con le due fabbriche laterali di detta basilica] Gezicht op de Basiliek van S.M. Maggiore met de twee zijvleugels van genoemde Basiliek, 375 x 535 mm. Bron: Ficacci nr. 878

Piranesi, façade S.M. Maggiore

10.4 Benedictus XIV (1740-1758) liet het gehele kerkgebouw nog eens bijwerken en een nieuwe voorgevel aanbrengen. De façade is tussen 1730 en 1750 gebouwd door de uit Florence afkomstige Ferdinando Fuga (1699-1782), die nog veel meer deed in en met de kerk. Vanaf de aangebouwde pauselijke loggia, die drie arcaden heeft, gaf de paus in die jaren op 15 augustus, de dag van Maria Hemelvaart, nu in Italië vaak nog goed voor vuurwerk, de zegen Urbi et Orbi, aan stad en land, toen nog zonder tulpen. Omstreeks 1300 had Filippo Rusuti (ca. 1255-1325) op de oude façade al mozaïekwerk in de gevel aangebracht, waarin de legende van de sneeuwval wordt voorgesteld, maar dit inlegwerk is tijdens de verplaatsing ervan naar de huidige entree ten tijde van Benedictus XIV nogal beschadigd. Het bevindt zich nu aan de binnenzijde van de loggia daar, om het roosvenster aan de zuidoostzijde heen. In het voorportaal, dat men door een van de vijf hekken betreedt, staat aan de rechterkant een beeld van Philips IV uit Spanje, gemaakt door Bernini, die zelf in de kerk begraven ligt. Ik schreef het al: evenals de drie andere patriarchale basilieken, de Sint Jan in Lateranen, de Sint Pieter en de Sint Paulus-buiten-de-muren, heeft ook de Maria Maggiore vijf toegangsdeuren. De ingang geheel links is de Porta Santa, de Heilige Deur, die (meestal) om de 25 jaren, in een zogenaamd Heilig Jaar, van Kerstmis tot Kerstmis geopend is. In 2015-2016 was dat dus voor het laatst het geval.

10.4 Rome, Santa Maria Maggiore. Filippo Rusuti (ca. 1255-ca. 1325), Maiestas Domini, Tronende Christus omgeven door engelen; in het onderste gedeelte het wonder van de sneeuwval en Paus Liborius, ca. 1290. Decoratie van de voormalige façade, verplaatst naar loggia, mozaïek. Bron: Bussaglia 2000

S.M. Maggiore, Rusuti, Maiestas Domini

10.5 interieur
Het interieur vertoont nog de oorspronkelijke basilicavorm, ook al heeft het een zijschip. Het plafond met cassettes is verguld met het eerste uit Amerika afkomstige incagoud, zo wordt in elk geval traditiegetrouw beweerd. De kosmatenvloer dateert uit de twaalfde eeuw. Links achterin is de Paulijnse kapel voor Paul V (Borghese, 1605-1621), en rechts achterin de Sixtijnse, voor Sixtus V (Peretti, 1585-1590), beide dus uit de 16de eeuw. In de Sixtijnse bevindt zich, voor wie daar gevoelig voor is, een zilveren reliekschrijn met het restant van de kribbe. Bijgaand een plattegrond van de kerk. De apsis ligt op het noordwesten, de façade op het zuidoosten.

10.5 Rome, Santa Maria Maggiore. A mozaïeken in schip en boven de triomfboog, daterend uit de vijfde eeuw, B mozaïek in de apsis, daterend uit de dertiende eeuw, gesigneerd door Jacopo Torriti: Kroning van de Maagd Maria, C Hoogaltaar: Confessio, gemaakt in de negentiende eeuw door Vespignani, D bij de twee traptreden naar het koor het eenvoudige graf van de familie Bernini, onder wie Gian Lorenzo, E zuidelijk dwarsschip aan het eind de graftombe van Kardinaal Rodriguez (†1299), door Giovanni Cosmati, F Sixtijnse Kapel, Grieks kruis, door Domenico Fontana, G Borghesekapel ofwel Capella Paolina, voor Paul V door Ponzio in 1611 H de Sforzakapel, door Giacomo della Porta naar een ontwerp van Michelangelo I Cesikapel J Cappella delle Reliquie van Ferdinando Fuga K Baptisterium en L sacristie, door Flaminio Ponzio, M Cappella San Michele. Bron: Macadam 2006

Rome, S.M. Maggiore

10.6 Over de lengte bestaat in allerlei aan de kerk gewijde teksten blijkbaar verschil van mening, misschien ook omdat er verschillende dingen worden gemeten, zo de lengte van de kerk tegenover die van het schip bijvoorbeeld en de breedte inclusief en exclusief de kapellen, of gemeten over de façade en die van het schip, al dan niet met zijschepen. Ik houd het maar op het recente Wehrens 2016. Die geeft als lengte van de basiliek 79 meter, als breedte 35 en als hoogte 18. Gunn gaf in 1981 als lengte van de basiliek nog 85 meter en zonder de apsis - die per slot van rekening later werd aangebouwd - 76.5 en als breedte 32. Twee rijen zuilen verdelen de ruimte in drie schepen. De 40 klassieke zuilen (36 van marmer, 4 van graniet) met Ionische kapitelen zijn, in tegenstelling tot de gewoonte van de vijfde eeuw, niet door bogen maar door een rechte architraaf met elkaar verbonden. Dat was ook al het geval in het middenschip van de eerste, nu niet meer bestaande Constantijnse Sint Pieter, die een eeuw tevoren - dus - door Constantijn de Grote was gebouwd. De 40 zuilen komen uit de eerste versie van de kerk of uit een ander klassiek gebouw. Ferdinando Fuga (1699-1781) gaf ze de vergulde bronzen kapitelen en bracht ze op gelijke lengte. In de lichtbeuk erboven bevonden zich tussen de zuilen grote vensters, waarvan in een later stadium de helft werd gedicht. De vroeg-christelijke apsis van Sixtus en het mozaïek erin bleef niet behouden. Het bestond vermoedelijk uit een tronende Maria met Jezuskind omgeven door ranken en bladeren. De huidige halfronde apsis (binnenzijde van 1292) ligt op het noordwesten, misschien vanwege de fundamenten van het eerdere exemplaar waar de huidige kerk deels gebruik van maakt, nog zonder dwarsschip. Het betreft fundamenten uit de tijd van Hadrianus en de hoofdingang moet zich onder de huidige apsis hebben bevonden. In het liber pontificalis wordt gemeld dat Sixtus naast de kerk ook een baptisterium stichtte. Het vergulde cassettenplafond werd gedaan naar een ontwerp van Giuliano da Sangallo.

10.6 Rome, Santa Maria Maggiore, schip richting apsis. Bron: Bussagli 2000

S.M. Maggiore, Interieur

10.7 De vloer werd in de 12e eeuw door de Cosmaten met schijven serpentijn en purpersteen ingelegd: opus alexandrinum. De houten zoldering is versierd met het eerste goud, dat Columbus tegen het jaar 1500 vanuit Amerika naar Europa had meegebracht en aan paus Alexander VI Borgia had geschonken, zo sprak uw gids gelaten. Borgia liet het plafond door Giuliano da Sangallo met dunne gouden plaatjes versieren.

10.7 Rome, Santa Maria Maggiore, schip richting façade. Foto: mei 2013

Rome, S.M. Maggiore

10.8 Onderzoek heeft uitgewezen dat de mozaïeken op de muurvlakken tussen de zuilen en het plafond niet vanuit een andere kerk zijn overgebracht, maar in de vijfde eeuw speciaal voor deze basiliek zijn gemaakt. Oorspronkelijk waren er 42 mozaïeken, nu resteren er 27. Hiervan zie je er 12 links en 15 rechts. In de 16de en 17de eeuw werden er aan beide zijden drie voorstellingen uitgebroken in verband met de bouw van de Sixtijnse en Paulijnse Kapel. Veel ervan geven twee taferelen boven elkaar. Oorspronkelijk bevonden er zich aan elke zijde 21 ramen, waarvan uiteindelijk de helft werd gedicht. Aan de linkerkant zien we het offer van Melchisedek, Abraham met drie engelen, Abraham gescheiden van Lot en dan negen voorstellingen uit de geschiedenis van Jacob en Ezau. Hieronder éen tafereel uit de reeks met Abraham, van de linkerwand dus. Rechts zie je: Mozes wordt door de dochter van Farao ontvangen, het huwelijk van Mozes, Mozes weidt de kudden, verder zes episoden uit de uittocht uit Egypte tot aan de dood van Mozes en zeven voorstellingen uit de geschiedenis van Jozua. Van die laatste reeks volgen er hier twee: de ark des verbonds en de verschijning van de engel. Tussen de ramen hebben verschillende schilders gebeurtenissen uit het leven van Maria uitgebeeld.

10.8 Rome, Santa Maria Maggiore: mozaïek van de linkermuur, taferelen uit het leven van Abraham: boven: de verschijning van drie engelen voor Abraham. Onder: de gastvrijheid van Abraham. Bron: Bussagli 2000

S.M. Maggiore, Mozaïek linkermuur, abraham en de engelen

10.9 Rome, Santa Maria Maggiore: mozaïek van de rechtermuur, taferelen uit het leven van Jozua. Boven: de ark des Verbonds wordt de Jordaan overgedragen. Daaronder: Jozua stuurt verspieders naar Jericho. Bron: Bussagli 2000

S.M. Maggiore Leven van Jozua

10.10 Rome, Santa Maria Maggiore, Mozaïek van de rechtermuur, taferelen uit het leven van Jozua. Boven: de engel verschijnt aan Jozua; daaronder: Rachab helpt de verspeiders om Jericho te verlaten en de verspieders brengen verslag uit aan Jozua. Bron: Bussagli 2000

Rome, Santa Maria Maggiore, taferelen uit het leven van Jozua

10.11 De triomfboog, die uit 432 dateert, laat zien wat over het algemeen als een van de mooiste mozaïeken ter wereld wordt beschouwd. De tekst vermeldt dat paus Sixtus III het mozaïek heeft laten maken. In 1931 heeft Pius XI het bij de herdenking van het 15de eeuwfeest van het Concilie van Efeze gerestaureerd. Je ziet vier rijen voorstellingen. Boven: de boodschap van de engel aan Maria, de engel vermaant Jozef, de opdracht in de tempel, de verschijning van de engel aan Jozef in de slaap. In het midden: de zogenaamde Troni Hetimasia met de oudste afbeelding van Maria tussen Petrus en Paulus in. Op de tweede rij: de aanbidding door de drie Wijzen, de komst in Egypte. Op de derde rij: de kindermoord, de Wijzen bij Herodes. Daaronder de steden Jeruzalem en Bethlehem, ieder met zes lammeren als beeld van de Kerk en de roeping van de apostelen.

10.11 Rome, Santa Maria Maggiore: mozaïek op de triomfboog, linker deel: bovenste strook aanbidding van de wijzen uit het Oosten. Daaronder: kindermoord in Bethlehem door Herodes, onderaan: de stad Bethlehem. De manier waarop een jonge Jezus op de troon zit met een rij engelen achter zich, zo schrijft Cecchelli, getuigt van de invloed van het keizerlijke ceremonieel. Bron: Bussagli 2000

Rome, S. M. Maggiore, Mozaïek Triomfboog

10.12 Boven het hoofdaltaar staat een verguld bronzen baldakijn, dat gedragen wordt door vier porfieren zuilen. Het ding ontneemt je trouwens op botte wijze het zicht op het apsismozaïek. Het is - wederom - vervaardigd door architect Ferdinando Fuga. Maar daarover klagen is misschien niet helemaal terecht, want hij was het ook die de basiliek in de 18de eeuw haar tegenwoordige, definitieve aanblik gaf door de blijkbaar tamelijk chaotische verzameling zuilen tot gelijke dikte en hoogte terug te brengen, met als gevolg dat we nu een echte klassieke basilica lijken te zien. De Confessio is in de 19de eeuw door Vespignani vernieuwd. Je ziet hier ook een beeld van de neergeknielde paus Pius IX, door iedereen in Italië gewoon Pio Nono genoemd. Hij zit er voor de overblijfselen van wat de kerstkribbe heet te zijn. Het betreft drie stukken hout die door een ijzeren band met elkaar verbonden zijn. Ze zouden in de 7e eeuw uit Bethlehem zijn overgebracht.

10.12 Rome, Santa Maria Maggiore: Baldakijn met vier zuilen van een zeldzame soort porfier boven het hoogaltaar. Ferdinando Fuga (1699-1781). Bron: Gunn 1981

S.M. Maggiore, Baldakijn boven hoogaltaar

10.13 Het apsismozaïek stelt de kroning van Maria voor. Zoals gezegd was de bouw van de kerk duidelijk bedoeld als een propaganda-actie voor de moeder van Jezus, Maria. Voor het mozaïek geldt iets soortgelijks. Jacopo Torriti voltooide het in 1295. Torriti was een Franciscaan, die een paar jaar eerder al de mozaïeken in de apsis van de Sint Jan had gerenoveerd. Die zijn inmiddels verloren gegaan. Het mozaïek in de S.M.Maggiore is duidelijk geïnspireerd op dat in de S.M. in Trastevere, dat van vroeger is, maar er sprekend op lijkt. Ook daar zitten Jezus en Maria samen op één troon. Van Torriti wordt algemeen aangenomen dat hij ook heeft meegewerkt aan de fresco's in de bovenkerk van de Sint Franciscus in Assisi.

In een medaillon zijn Christus en Maria afgebeeld die worden omgeven door engelen. Het geheel herdenkt op die manier het besluit van het Concilie van Efeze (5de eeuw), volgens welke Maria officieel tot Moeder Gods werd verklaard, reden waarom Maria op dezelfde troon zit als Jezus. Ik schreef het al: de zaak is lang omstreden geweest. De Franciscanen hielden vol dat Maria op basis van haar onbevlekte ontvangenis (dwz haar geboorte zonder de erfzonde) onmiddellijk ten hemel was gevaren. De maker van het mozaïek, Torriti dus, was – we schreven het al - zelf een Franciscaan, en de paus die het hem liet maken, Nicolaas V (Parentucelli, 1447-1455), eveneens. Pas in 1854 werd de onbevlekte ontvangenis tot dogma uitgeroepen door Pius IX. Inderdaad, de zuil die bij die gelegenheid is opgericht, staat vlakbij het Piazza di Spagna. De tenhemelopneming zelf werd pas in 1950 tot dogma uitgeroepen door Pius XII. Aan de rechterkant zie je (direct achter de engelen) een – kleine - knielende kardinaal, Giacomo Colonna (de man die Torriti de opdracht gaf), Sint Jan de Doper, Sint Jan de Evangelist en Sint Antonius. Links, onmiddellijk terzijde van de engelen: (klein formaat) de knielende paus Nicolaas IV, dan groter de apostelen Petrus en Paulus en als laatste Sint Franciscus. Daaronder zie je de voorstellingen van de aankondiging, de geboorte, het sterven van Maria, de aanbieding van de gaven door de Wijzen en de opdracht in de tempel.

10.13 Rome, Santa Maria Maggiore: Apsismozaïek: Tronende Maagd, Jacopo Torriti. Bron: Bussagli 2000

S.M.Maggiore, apsismozaïek

10.14 Rome, Santa Maria Maggiore: Apsismozaïek: Tronende Maagd, detail, Jacopo Torriti. Bron: Gunn 1981

S.M. Maggiore, apsismozaïek

10.15 De Sacramentskapel of Cappella Sistina is vanaf 1586 aan de rechterkant bijgebouwd door Domenico Fontana (1543-1607). De kapel heeft de vorm van een Grieks kruis. Het originele tabernakel is een tempel die door vier bronzen engelenfiguren wordt gedragen. Hier bevindt zich ook het graf van Sint Hiëronymus (347-420), die als bijbelgeleerde vele jaren te Bethlehem heeft geleefd. U weet wel: met die leeuw. Aan de zijwanden zien we de graftomben van paus Sixtus V (Peretti, 1585-1590), die deze kapel met een koepel liet bouwen en van paus Pius V (Ghislieri, 1566-1572). Rechts van het hek rond het koor bevindt zich in een trede ingelegd het graf van Bernini. Voor de man die zoveel heeft gebouwd in Rome, is dat tamelijk bescheiden. Zelf had hij overigens gehoopt op een praalgraf, maar dit was wat hij kreeg. Tegenover de Sixtijnse kapel bouwde paus Paulus V Borghese (1605-1621) de Paolina. In deze kapel zijn prinses Irene en prins Hugo Carlos de Bourbon in 1964 getrouwd. We weten allemaal wat daarvan geworden is. Carlos Hugo Roderik Sybren Klynstra! De kapel is een werkstuk van Flaminio Ponzio. Boven het altaar zien we Maria als Salus populi Romani, de toevlucht van het Romeinse volk. Daarboven een reliëfwerk dat de sneeuwval voorstelt. De kapel is rijk versierd met blauwe lapis lazuli, en verschillende kleuren agaat, jaspis en andere kostbare steensoorten. Aan de zijwanden zien we de grafmonumenten van de pausen Clemens VIII en Paulus V. Stefano Maderno maakte het reliëfwerk op het monument van Paulus V. Pietro Bernini, de vader van de grote Gian Lorenzo Bernini, beeldhouwde het monument van Clemens VIII.

In de linker zijbeuk bevindt zich in het midden de Cappella Sforza, die door een al oude Michelangelo (1475-1564) werd ontworpen en na diens dood tussen 1560 en 1573 werd gebouwd door Domenico Fontana (1543-1607). De Sforza in kwestie was een aartspriester van de S. M. Maggiore en kardinaal, Guido Ascania Sforza (1518-1564), die Michelangelo in 1560 de opdracht gaf voor de bouw. In 1573 was het Alessandro Sforza di Santa Fiore (1534-1581), kardinaal en bisschop van Parma, die na de dood van zijn broer en van Michelangelo de opdracht doorgaf aan Domonico Fontana. Met de naar binnen gebogen zijwanden maakt de kapel desondanks een ongewoon ruimtelijke indruk. De ruimte dient nu als koorkapel.

10.15 Rome, Santa Maria Maggiore. Domenico Fontana (1543-1607) naar een ontwerp van Michelangelo (1475-1564), Cappella Sforza di Santa Maria Maggiore, 1560-1573. Bron: Bussaglia 2000

S.M. Maggiore, Sforzakapel

10.16 Verderop bevindt zich, eveneens rechts, de Cappella del Presepio en dat was in oorsprong een van de redenen waarom de kerk zo beroemd was, al is er nu niet veel meer te zien. Het oratorium van de presepio (de kerstkribbe) moet in oorsprong zeer oud zijn geweest. Het bestaan ervan werd al gedocumenteerd in de zevende eeuw, toen de kapel blijkbaar nog buiten de kerk stond en door een Engelse pelgrim werd beschreven. Gebouwd was hij in de vorm van de grot waar de geboorte van Jezus in Bethlehem zou hebben plaatsgevonden. In de middeleeuwen was het een ware schatkamer geworden. Tot 1870 hielden de pausen hier de eerste drie missen op kerstavond. De kapel werd in 1527 geplunderd, waarna veel van de kostbaarheden verdwenen. Toen Sixtus V (Peretti, 1585-1590) Domenico Fontana de opdracht gaf tot de bouw van zijn Sixtijnse Kapel (dat nu zowat een dwarsschip vormt ter rechterzijde van de kerk) droeg hij hem ook op de kapel omlaag te verplaatsen, maar bij de aanleg ging het mis: de kapel stortte in en het plafondmozaïek kwam in stukken naar beneden, net als de marmeren vloer. De restanten ervan bevinden zich nu in het bij de kerk behorende museum dat vaak niet toegankelijk is. Maar de beeldengroep van Arnolfo di Cambio, half levensgroot, met de Aanbidding van Jezus door de Wijzen uit het Oosten, die zich er ook bevinden - al is een deel vervangen door 16-eeuwse figuren, behoren tot het allermooiste wat de kerk te bieden heeft. Di Cambio is heden ten dage een onderschat kunstenaar: Siena, Orvieto en nog veel meer. Ook diens beeld voor het Grafmonument van Kardinaal Gudiel, vlakbij de Presepiokapel in de kerk, is erg mooi. De huidige kapel is gedecoreerd door Pinturicchio. Tussen de toegangen tot deze twee laatste kapellen staat een Mariabeeld met de kleine Jezus (de Madonna della Pace), dat Benedictus XV in 1918 liet oprichten om de vrede onder de volkeren af te smeken. Dat heeft niet erg geholpen. Aan de zijkanten van de kerk staat een groot aantal biechtstoelen, waarin je in vele talen je zonden kunt belijden (maar niet in het Nederlands). Als ze bezet zijn, brandt er een mooi rood lampje. Dan moet je even wachten.

10.16 Rome, Santa Maria Maggiore, Oratorio (Cappella) del Presepio, nu museum: Arnolfo di Cambio (Arnolfo di Lapo, 1232-1302/1310), Knielende koning, (oorspronkelijk deel uitmakend van een groep met de Aanbidding van Jezus door de Wijzen uit het Oosten). Bron: Bussaglia 2000

S.M. Maggiore, Arnolfo di Cambo, Knielende Koning

10.17 Rome, Santa Maria Maggiore, Grafmonument van Kardinaal Garcia Gudiel (1238/39-1299): Arnolfo di Cambio (Arnolfo di Lapo, 1232-1302/1310). Detail: liggende figuur van Garcia Gudiel. Het graf is overigens leeg, want Gudiel werd twee jaar na zijn dood herbegraven in Toledo. Bron: Bussaglia 2000

S.M. Maggiore, Grafmonument voor Kardinaal Gudiel

10.18 Rome, Santa Maria Maggiore, Oratorio (Cappella) del Presepio: Kosmatenaltaar. Bron: Bussaglia 2000

S.M. Maggiore, Kosmatenaltaar

10.19 Hoewel het een beetje mosterd na de maaltijd is, toch ook maar de huidige achterzijde. Onder de boom uiterst links heb ik heel wat afgepraat. Tegenwoordig staan er altijd hekken om de trappen heen, volgens mij vooral om te voorkomen dat er allerlei loslopend volk gaat zitten snacken.

10.19 Rome, Piazza dell' Esquilino, Santa Maria Maggiore, Apsis. Bron: D' Orazio 2004.

Rome, SM Maggiore, Apsis

10.20 apsis
Het is binnen dit kader een wat persoonlijke noot, maar ik behandel de kerk hier precies andersom als ik gewend was. Want ik begon per definitie aan de apsiszijde, omdat ik de kerk toelichtte nadat ik met mijn pupillen uit de omgeving van Termini kwam. Al na driehonderd meter de Via Cavour gevolgd te hebben, zo schreef ik in de originele versie van dit alles, kwam je dan aan je linkerhand terecht voor de apsis van de Santa Maria Maggiore.

De obelisk op Piazza dell' Esquilino (aan de apsiszijde van de kerk dus, waar je nu tegenaan kijkt) werd door Sixtus V (Peretti, 1585-1590) in 1587 neergezet als baken voor de pelgrims, aldus de wijdingstekst op de basis van de obelisk. Net als zijn tweeling op het Piazza del Quirinale (voor het presidentiële paleis dus) is de obelisk afkomstig van het Mausoleum van Augustus, waar ze vermoedelijk samen voor de ingang stonden. Vanaf het Piazza dell' Esquilino kun je in de verte (rechts, in noordelijke richting), aan het eind van de A. Depretis, een andere obelisk zien, namelijk die voor de Trinità dei Monti. Dat is een kerk, en die ligt bovenaan een uit de kluiten gewassen trap, beter bekend als de Spaanse trappen. Die obelisk draagt precies dezelfde tekst als die op Piazza del Popolo, en werd gevonden in de tuinen van Salustius (de Horti Sallustiani). Misschien is het een kopie. Daar kaarsrecht achter ligt de noordelijke toegang tot de stad, de Porta del Popolo. En dat is de poort waardoor Nederlanders en al die andere noorderlingen al eeuwenlang de stad Rome betreden. Wie het deed, beklom een heuvel en kon, eenmaal bovenop, de obelisk voor de S.M. Maggiore zien liggen, tot ver in de zeventiende eeuw nog zonder de huidige apsis. Want die is van aanzienlijk later dan de kerk en werd pas in 1673 toegevoegd net als de trap ervoor. Het ontwerp is van Carlo Rainaldi (1611-1691), die zoveel façades en gevels zou produceren, ook die van de Sant' Andrea della Valle bijvoorbeeld, die van de tweelingkerk op Piazza del Popolo, en die van Santa Maria in Campitelli, om er een paar te noemen. Hij ligt op het noordwesten, de façade op het zuidoosten, wat opmerkelijk is, want net als veel andere zeer vroege kerken is dus ook deze niet georiënteerd. De S.M. Maggiore is éen van de zeven kerken die van oudsher het doelwit zijn van pelgrims. De andere zes zijn: San Giovanni (Sint Jan), San Pietro (Sint Pieter), San Paolo fuori le mura en San Lorenzo fuori le Mura (Sint Laurens en Sint Paul buiten de muren), Santa Croce in Gherusalemme, en San Sebastiano. Als enige van die zeven is hij niet verbonden met een martelaar. Georgina Masson merkt ook nog terecht op: van al die kerken is S.M. Maggiore de enige die van binnen nog geheel intact is, ook al is het exterieur compleet achttiende-eeuws.

10.20 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta della facciata di dietro della basilica di S. Maria Maggiore] Gezicht op de achtergevel van de S.M. Maggiore, 375 x 610 mm. Bron: Ficacci nr. 910

Piranesi, Apsiszijde S.M. Maggiore

10.21 Deze foto toont de al een paar keer genoemde Villa Montalto Perretti in Termini, waarvan linksonder een ingang zichtbaar is en een deel van de ommuring. De villa dateerde van 1585 en was gebouwd door Domenico Fontana, in opdracht van Kardinaal Perretti, de latere paus Sixtus V. Fontana zou ook de Mozesfontein voor hem bouwen. De architect is overigens bij nog veel meer Romeinse gebouwen betrokken, zo het Lateraans Paleis, de voorgevel van de Sint Jan, de Vaticaanse bibliotheek, enz. Over de hier zichtbare villa is in een later stadium heengelegd de huidige Via Cavour. Het verlengde van de weg die op de kijker afloopt, zal de Via Depretis worden, die dus recht naar de Spaanse trappen loopt. De Santa Maria Maggiore is natuurlijk éen van de bijzonderste kerken van Rome, maar het is niet helemaal toevallig dat de apsis van de kerk een indrukwekkender aanblik biedt dan de façade, die immers nogal is ingebouwd geraakt door de aan de voorzijde bijgebouwde kapellen. D' Orazio's boek, waaruit ik deze foto heb gestolen, telt heel wat mooie foto's, maar verder is het dramatisch slecht uitgegeven. Op zijn Italiaans, zullen we maar zeggen. De bronvermelding ervan is nihil en bij deze foto geeft ze geen jaartal. Ik vermoed dat hij uit de jaren '80 is, van de negentiende eeuw uiteraard. De villa werd in 1887 gesloopt. En dat zal dus wel het terminus ante quem zijn van deze foto.

10.21 Rome, Santa Maria Maggiore, Apsis. Links op de voorgrond de Villa Montalto Peretti. Ca. 1880? Bron: D' Orazio 2004.

Rome, S.M. Maggiore, Apsis, 1870

SANTA PRASSEDE

11.1 Aan de overkant van de façade van S.M. Maggiore ligt, op 5 minuten lopen, even ter rechterzijde van de Via Merulana (door literatuurhistoricus en kriticus Kees Fens ooit de mooiste straat van Rome genoemd), de Santa Prassede, die je betreedt door een nauwelijks opvallende zij-ingang. De Via Merulana, verbinding tussen S.M. Maggiore en Sint Jan, is trouwens ook echt een mooie straat en die 150 zeer scheef hangende platanen doen het erg goed. Je moet alleen oppassen dat je je nek niet breekt over het plaveisel. Het is bovendien jammer, en de bewoners klagen steen en been, dat de wijk er omheen de laatste decennia compleet is veranderd onder eerst de binnengetrokken Chinezen, en daarna de Indiërs en Pakistani, die massaal erg kleine winkeltjes drijven van vaak dubieus allooi, terwijl er hier tot overmaat van ramp erg veel daklozen rondhangen die uit het oude centrum worden weggejaagd. Daklozen slapen in de portieken en in het groen dat hier nog alom aanwezig is. Fa schifo, is dan het commentaar. Het hoeft niet te verbazen dat in Rome Cinque Stelle de verkiezingen won en de burgemeester kon benoemen. Inderdaad oogt het deel van Esquilijn tussen Termini en de Merulana verloederd. Via Merulana wordt, inclusief al die historische platanen, in de rest van 2018 dan ook compleet gerestyled. Er komen nieuwe banken langs de straat te staan en om 37 van de platanen wordt groen aangeplant. En dan bevindt zich even verderop, op nummer 121 van de Via Merulana, sinds mei 2018 een nieuw museum, de Fondazione Cerasi, de Cerasistichting. Opdrachtgever was de bouwondernemer en telg van een al oude Romeinse familie, Emilio Cerasi (1967), en de collectie omvat vooral Italiaans werk uit de twintigste eeuw. De kaartjes kosten 4 euro.

Het kerkje waar het hier om gaat, ligt inmiddels helemaal ingebouwd tussen huizen en is gewijd aan Praxedes, in het Italiaans Prassede. Praxedes zou de zuster geweeest zijn van Pudentia - aan wie weer een andere kerk is gewijd, hier vlakbij, de Santa Pudenziana, en ze was de dochter van Pudens, in wiens huis Petrus mocht verblijven toen hij in Rome aankwam. Daarmee hebben we het dus over de eerste eeuw. Overigens valt aan te nemen dat de namen zijn gebaseerd op een geval van spraakverwarring. Van Praxedes kwam Prassede, van Pudens kwam Pudentiana, en dat werd ten onrechte aangezien voor een vrouwelijke naam. Al in de jaren zestig zijn beide vrouwen van de heiligenkalender gehaald.

11.1 Rome, Santa Prassede, Interieur. Bron: Bussaglia 2000

Rome, S. Prassede, Interieur

11.2 In de 2e eeuw zou er op deze plaats een oratorium hebben gestaan (een gebedsruimte) en in de 5e eeuw de zogenaamde Titulus Praxedis, een aan de heilige Praxedes gewijde kapel.

Het is voor het eerst dat we zo'n titulus tegenkomen en het is goed daar wat over te zeggen. Een titulus was aanvankelijk de plaats waar gelovigen bijeen kwamen, vaak gewoon een privéwoning. De eigenaar daarvan was een gewoon burger, de titulushouder, waarvan we er heel wat bij name kennen, Titulus Clementis, Anastasiae, Caeciliae, Chrysogoni, etcetera. In de vierde eeuw is het bestaan van 25 ervan gedocumenteerd, wat gezien het beperkte aantal vermoedelijk bewijst dat er veel meer onofficiële bijeenkomstplaatsen geweest moeten zijn, op een moment dat al ruwweg een derde van de bevolking op zijn minst christelijke sympathieën had. Er werd gedoopt, de administratie werd er bijgehouden, er werden giften verdeeld, er woonden geestelijken. Een enkele keer, op een moment van religieuze tolerantie, voor 312 bijvoorbeeld, bouwde zo'n titulus zelfs een eigen ruimte waar de gelovigen bijeen konden komen. Bekend is dat de San Crisogeno zo ontstond, de resten waarvan zich nu in Trastevere bevinden. Het is goed te beseffen dat die vroege christenen nauwelijks sporen hebben achtergelaten die voor tijdgenoten op dat moment herkenbaar waren. In Rome bevonden zich toen zo'n 40.000 insulae. Dat neemt dus niet weg dat ze er wel waren, ook buiten de muren, waar op tal van plaatsen vroegchristelijke resten zijn aangetroffen, ook begraafplaatsen in de catacomben, die zuiver om economische redenen werden aangelegd. Op een begraafplaats in Trastevere werd tussen mausolea van allerlei godsdiensten een klein perceel met wat armelijke graven gevonden dat hardnekkig door een kleine christelijke gemeente werd onderhouden, éen ervan voorzien van een aedicula en tussen 160 en 180 aan éen kant afgeschermd met een muur. Eronder bevond zich een blad voor offers. Er zijn derde eeuwse graffiti gevonden die Petrus aanroepen. Inderdaad, een oer-Sint-Pietertje. Pas in een later stadium zouden uit een aantal van die tituli uiteindelijk kerken ontstaan, en heel wat van de namen ervan worden nu voorafgegaan door de toevoeging San, of Santa: San Clemente, Santa Sabina, en dus - daar zijn we - ook Santa Prassede. Overigens is de traditie van de titulus blijven bestaan, want kardinalen, die een paus kiezen, werden door Paus Nicolaas II (Gérard van Bourgondië, 1058-1061), verplicht er een diocees in Rome op na te houden en kregen daar een kerk toegewezen, overigens zonder echte bestuursfunctie. Maar het instituut is blijven bestaan en als zulke kardinalen in Rome zijn, hechten ze eraan in hun titelkerk te preken, waar hun wapen overigens boven de ingang hangt.

Terug naar de Santa Prassede. Die verkeerde blijkbaar in bouwvallige staat. In 822 liet Paus Paschalis I (inmiddels heilig verklaard, dus Sint Paschalis) hem in de onmiddellijke nabijheid, maar niet op dezelfde plek, opnieuw opbouwen. Hij liet er bovendien de resten van talrijke martelaren heenbrengen. Hun namen staan nu nog vermeld op een lijst in de kerk. Die zou trouwens een kopie op verkleinde schaal van de door Constantijn gebouwde Sint Pieter zijn geweest. Zoals bij alle drie door Paschalis I gebouwde kerken het geval is, is de S. Prassede wat korter en breder. Bovendien is de kerk aan de donkere kant omdat er alleen raamopeningen in de wanden van het middenschip zitten. De kerk werd in 1450 hersteld en ook later nog verschillende keren. Paschalis liet zoals gezegd nog twee andere kerken bouwen in Rome, de Santa Maria in Domnica en de Santa Cecilia, in Trastevere. Ook in die kerken is hij als éen van de aanwezigen naast Christus afgebeeld. Het schip van de Santa Prassede werd helemaal gerestaureerd in 1919. Voorin bevindt zich in de vloer een porfieren schijf, waar een put onder ligt. Daarin zou Praxedes de beenderen van christelijke martelaren hebben verborgen. De mozaïeken uit de 9e eeuw in de apsis, die het nieuwe Jeruzalem voorstellen, zijn erg mooi, maar aan de zuidkant ligt, vlak naast de ingang, de eigenlijke reden van ons bezoek: de kapel van Sint Zeno. Vroeger (zei de oude man knorrig) kwam hier bijna niemand, maar inmiddels hebben touroperators de kerk ook ontdekt. Jammer.

11.2 Rome, Santa Prassede, Triomfboog: Het hemelse Jeruzalem. Met edelsteen bezette muren die door engelen worden bewaakt. Apostelen met Jezus in het midden. De groep links volgt de maagd Maria en Johannes de Doper, de groep rechts de profeten Mozes en Elias. Bron: Bussaglia 2000

Rome, S. Prassede Triomfboog

11.3 kapel van san zeno
De Kapel van San Zeno werd door Paschalis al tussen 817 en 824 in de oorspronkelijke kerk gebouwd als mausoleum voor zijn moeder, Theodora. Het kapelletje is daarmee het oudste in Rome. In de hoekige grondvorm en de zuilen waarmee het kruisgewelf op de hoeken wordt ondersteund, doet het denken aan de late klassieke mausoleums zoals die buiten de stadsmuren lagen. Erin bevinden zich Byzantijnse mozaïeken, zoals je die normaal in Italië alleen aantreft in Ravenna, waar een paar zeer oude (6e eeuwse) kerken staan. De ingang van de kapel wordt geflankeerd door twee oude Romeinse porfieren zuilen met daarop 9e eeuwse kapitelen, en een 1e eeuwse architraaf, die wel afkomstig zal zijn uit een Romeinse tempel. Daarop staat een 3e eeuwse Romeinse urn. Je ziet bovenlangs een dubbele reeks bustes in mozaïek uit de tijd van Paschalis: in de binnenste rij de maagd Maria met kind, St. Praxedes en Sint Pudentiana en andere heiligen; in de buitenste rij, bovenlangs, Christus met apostelen en vier heiligen (waarvan er twee, de onderste, misschien zijn toegevoegd in de 13e eeuw).

11.3 Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno, Buitenzijde, detail boven entree. Foto: oktober 2009.

Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno

11.4 De vloer is het oudste opus sectile in Rome. Boven de deur: Petrus en Paulus die de troon van God ondersteunen. Rechts: Johannes de Evangelist, Sint Andreas, en Jacobus, daarnaast Christus tussen Sint Paschalis en Sint Valentijn (niet zeker). Het gewelf is het enige met mozaïeken bewerkte dat in Rome nog over is (de tuinen van het paradijs genaamd): Christus met vier engelen. De Christus die hier door vier engelen ten hemel wordt gedragen vindt zijn oorsprong in de Byzantijnse iconografie, en het toont hoe de klassieke (en heidense) versie wordt verwerkt in de christelijke: in oorsprong was het de legeraanvoerder die op zijn ronde schild (Clipeus) door vier gevleugelde victoriën ten hemel werd gedragen.

11.4 Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno: Christus Overwinnaar met vier engelen. Foto: oktober 2009.

Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno

11.5 In de altaarnis: de Madonna met kind tussen Sint Prassede en Sint Pudentiana; en links: Sint Prassede, Sint Pudentiana en Sint Agnes, met 4 halflang afgebeelde vrouwen, onder wie, helemaal links, de moeder van Paschalis, Theodora, die op het moment dat ze werd afgebeeld nog in leven was, getuige de vierkante nimbus, iets wat je in Rome zelden ziet. De bases van de vier zuilen die de kapel ondersteunen dateren alle uit de 9e eeuw, behalve die aan de rechterkant van het altaar, die een fraai 5e eeuws Romeins exemplaar is. In een nis aan de rechterzijde staan fragmenten van een zuil die in 1228 met de 6e kruistocht uit Jeruzalem is gekomen, en waarvan geloofd wordt dat het de zuil is waaraan Jezus werd gegeseld.

11.5 Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno, Theodora (links). Foto: oktober 2009.

Rome, Santa Prassede, Kapel van Zeno, Theodora

SANTA PUDENZIANA

12.1 Even over de Via Cavour ligt vlak voor het noordelijke einde van de Via Urbana iets wat je een zusterkerk van de Santa Prassede zou kunnen noemen. Naar aanleiding van de Santa Prassede legde ik al uit de dat benaming van de beide kerken op een misverstand berustte. Praxedes (Prassede) werd (net als Pudentia) geacht de dochter te zijn van ene Senator Pudens, in wiens huis Petrus mocht verblijven toen hij in Rome aankwam en aan wie de kerk hier werd gewijd. Van Pudens' naam zelf kwam in het Latijn Pudentiana en vervolgens in het Italiaans Pudenziana en dat werd ten onrechte aangezien voor een vrouwelijke naam. Al in de jaren zestig zijn beiden van de heiligenkalender gehaald. De kerk is vooral interessant vanwege het apsismozaïek, dat om kunsthistorische, iconografische redenen bijzonder is. Afgezien daarvan is de Santa Pudenziana éen van de oudste kerken van Rome, iets wat goed te zien is, want om de kerk te bezoeken moet je een trap af. Hij ligt flink onder het huidige straatniveau. Als u de straat inloopt, de Via Urbana, ziet u van de kerk alleen het bovenste deel boven het plaveisel uitsteken.

12.1 Rome, Via Urbana met Santa Pudenziana. Foto: oktober 2014

Rome, Via UIrbana met Santa Pudenzia

12.2 De Via Urbana, parallel van de Via Cavour, was voordat die aan het eind van de negentiende eeuw werd aangelegd de voornaamste noord-zuidverbinding, zoals ook sommige straten aan de andere kant van de Cavour als zodanig fungeerden. De straat heette in de klassieke oudheid Via Patricius, is zichtbaar veel ouder en loopt zelf aanzienlijk lager dan de Cavour. Het was in de oudheid de straat die vanuit de woonwijken door een wat heuvelachtig gebied naar de uitvalswegen voerde, zoals de Via Tuscolana. Lange tijd is volgehouden dat de Pudenziana de oudste kerk van Rome was. Gevestigd zou hij dus zijn op de domus van een senator, Pudens. Archeologisch onderzoek in de jaren '40 van de vorige eeuw leek uit te wijzen dat de kerk was gevestigd in een thermencomplex uit de tweede eeuw en dat de ombouw tot kerk zou hebben plaatsgevonden in de vierde eeuw, onder Paus Siricius (384-399), maar recenter onderzoek heeft vastgesteld dat er van de gebruikelijke bewijzen voor een thermencomplex, zoals leidingen, bekkens, etc, niets is aangetroffen. De aanname is dus vermoedelijk onjuist. Plezierige bijkomstigheid is wel dat u hier niet de massa's zult aantreffen die S.M. Maggiore bezoeken en voor het gemak ook maar tegelijk de Santa Prassede meenemen. Als ze de Santa Pudenziana zouden willen bezoeken, moeten ze helemaal om de Santa Maria Maggiore heenlopen naar de achterzijde en dat is blijkbaar teveel moeite. Zodoende is het hier meestal heel rustig. De façade die u ziet, werd in 1870 herbouwd, naar de wens van de neef van Napoleon, toen kardinaal Lucien Bonaparte. De mooie campanile met vijf verdiepingen is uit de 13e eeuw, al werd daarvoor wel een deel van het zijschip aan de linker- (zuid)zijde gesloten. Negen meter onder de kerkvloer bevinden zich de via de kerk (linksachter) toegankelijke resten van een domus uit de eerste eeuw.

12.2 Rome, Santa Pudenziana, Façade. Foto: oktober 2014

Rome, Santa Pudenziana

12.3 De oude (min of meer drieschepige) herkomst is op bijgaande foto veel beter te zien dan aan de (negentiende-eeuwse) op het oosten liggende façade. Dit is de - als u voor de kerk staat - rechter-, dus noordzijde, waar net als binnenin aan de zuidzijde nog het originele klassieke metselwerk te zien is, met de verbreding van de kerk onder Paus Hadrianus (772-795), terwijl links naast de façade hier ook de middeleeuwse aanbouw te zien is.

12.3 Rome, Santa Pudenziana, noordzijde. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Pudenziana, noordzijde

12.4 Brandenburg vermeldt hoe in een groot, uit de tweede eeuw daterend bouwcomplex, dat op een acht meter hoog platform lag boven onderruimtes en achter een gelijkvloers winkel- en magazijngebouw een huurhuis uit dezelfde tijd lag aan de via Patricius, dat zelf weer over huizen uit de republikeinse tijd was gebouwd. Daar werd op eigen kosten een hallengebouw met zuilenarcades en een met vensters doorboord clerestorium (lichtbeuk) gebouwd. De staande muren werden lange tijd aangezien voor die van de zogenaamde thermae novattii, maar ik wees er al op dat er onder de kerk niets is gevonden wat in de richting van een thermencomplex wijst. Brandenburg gaat er vanuit dat die veronderstelling onjuist is. Welk doel het oorspronkelijke gebouw dus heeft gediend, zo schrijft hij, is onduidelijk. De bakstenen dragen het stempel van ene Quintus Servilius Pudens, die stamde uit een bekende tweede- en derde-eeuwse Romeinse familie, die ook een consul leverde. Of de familie ook de bezitter van het stuk grond was, is onbekend. Maar alweer ligt de verbinding met een titulus voor de hand, aangezien hier blijkbaar privépersonen met kerkelijke autoriteiten hebben samengewerkt. De hal met vensters in het clerestorium en met gelijkvloerse parallelle gangen werd als kerkruimte ingericht door aan de noordwestzijde een halfrond afsluitende apsis aan te brengen, zoals dat ook gebeurde in de Santi Cosma e Damiano, terwijl tegelijkertijd de ruimte in oostelijke richting (naar de zijde van de huidige ingang dus) werd verlengd, met twee arcades, met acht zuilen in totaal en met twee verdere, smalle vensters, waarbij bovendien een nieuwe façade op de onderbouw van een insula werd aangebracht. Het bekken in het midden werd verwijderd en bedekt met een mozaïek dat nu nog zichtbaar is, met dolfijnen en vissen. De beide gangen aan weerszijden dienden nu als zijschepen, nadat de pijlers door zuilen waren vervangen, al waren ze dus in aanleg niet als zodanig bedoeld. Het is opmerkelijk dat de kerk, die zou moeten dateren uit de periode van Paus Damasus (366-384) en zijn opvolgers Siricius, Anastasius en Innocentius (401-407), zonder veel wijzigingen in de oorspronkelijke halvormige bouw is opgetrokken, want dat heeft er ook toe geleid dat de kerk - ondanks zijn opmerkelijke omvang, zo schrijft Brandenburg, nauwelijks in het stadsbeeld opgevallen kan zijn. Het was Krautheimer die erop wees dat in die vroeg-christelijke periode de kerk bescheiden bleef in de plekken die ze voor haar gebouwen koos. Ook Constantijn bouwde zijn eerste gebouwen voor de christelijke eredienst of buiten de stad, of aan de rand, en ik neem aan dat Brandenburg daarop doelt. Per slot van rekening lag de Santa Pudenziana naar toenmalige maatstaven eveneens op een excentrische locatie. In de noordwestelijk gelegen apsis bleven de oorspronkelijke pijlerarcades als openingen tot in de zestiende eeuw bewaard. Alleen het apsismozaïek, waarvoor de vensters aan de smalle kant gesloten moesten worden, en de ruimtes voor het presbyterium daar, gaven het gebouw zijn liturgische inrichting. Ten tijde van Paus Hadrianus (772-795) werd de kerk, die blijkbaar in verval was geraakt, gerestaureerd.

12.4 Rome, Santa Pudenziana, XIX.2, Plattegrond (naar Krautheimer) en XIX.3 dwarsdoorsnede ten bewijze van uit het lood staande wand van de lichtbeuk. Tekening: K. Brandenburg. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Pudenziana, grondplan en dwarsdoorsnede

12.5 Het interieur van de kerk dat u nu ziet, is grotendeels vrucht van werkzaamheden in de zestiende eeuw. De Romeinse zuilen werden toen afgedekt door pilasters. Waar de kerk in oorsprong drie schepen had, al waren de zijschepen in oorsprong gangen, werd hij toen tot een éenschepige teruggebracht door Francesco Capriani (1535-1594), bijgenaamd Il Volterra. Toen werd ook de portico voor de kerk verwijderd en - tamelijk fataal - het oude koor verwijderd. Daarmee werd ook het mozaïek in de apsis doorbroken. De huidige koepel heeft een schildering van Pomarancio uit dezelfde periode, van 1588. De koepel zelf is ook van hem. U kunt het op de foto niet heel goed zien, maar de zuidelijke muur (links) vertoont nu weer het oorspronkelijke metselwerk van het klassieke gebouw met gebruikmaking waarvan de kerk werd opgetrokken. En dat is tegelijkertijd, afgezien van het apsismozaïek, het enige opmerkelijke aan het interieur van de kerk zelf. Hij is de nationale kerk van de Filippijnse gemeenschap in Italië. Terwijl ik er - de keer dat ik bijgaande foto maakte - was, gaf een (naar ik aanneem) Amerikaans docent een terzake kundige inleiding over de iconografie van het mozaïek.

12.5 Rome, Santa Pudenziana, Interieur, richting apsis. Foto: oktober 2014

Rome, Santa Pudenziana, Interieur

12.6 Het bijzondere mozaïek in de apsis van de Santa Pudenziana - en misschien de belangrijkste reden om deze kerk te willen bezoeken - is op dat van de Santa Costanza na, het oudste van Rome. Het dateert van 390, dat van de Santa Costanza van 360. Opvallend is de vermenging van vroeg-christelijke en klassieke elementen, zowel qua stijl als qua iconografie. Op het mozaïek is de tronende Jezus te zien, omgeven door zijn discipelen, van wie er na de restauratie van de kerk in de zestiende eeuw nog maar tien van de twaalf resteren. Jezus is hier behalve heerser ook filosoof - en daarom misschien voor het eerst met baard - en heeft de rechterhand geheven in het traditionele onderwijzende gebaar. De discipelen, gekleed in senatoriale toga, zijn zelf eveneens weergegeven in klassieke redenaarstrant - en grotendeels ook met baard - zittend voor een halfronde porticus met gouden tegelbedekking, allemaal met het bijpassende retorische gebaar. Aan weerszijden steekt boven de zittende discipelen een staande vrouw uit, die in een dienende rol figureert als personificatie van respectievelijk de ecclesia ex gentibus, van het tot het christendom bekeerde deel van de heidense gemeenschap, en van de ecclesia ex circumcisione, van de bekeerde joodse gelovigen dus. De suggestie is dat de christelijke kerk uit die delen is samengesteld. Daarmee lijkt wat hier te zien is sterk op een afbeelding die we kennen uit de Santa Sabina, beter zichtbaar op een detail daarvan, op de Aventijn. Het diende uiteraard te illustreren dat de kerk der christenen die van de anderen de baas was. De twee vrouwen houden een gouden kroon boven het hoofd van de twee belangrijkste apostelen - links die van de ecclesia ex gentibus boven Paulus, rechts die van de ecclesia ex circumcisione boven dat van Petrus - ten bewijze van hun martelaarschap. Het bewijst trouwens ook hoe belangrijke de rol van Paulus nog was in het vroege christendom, rol die in een later stadium zou slijten. De apostel aan de uiterste rechterzijde en de kerk op de achtergrond zijn in de barokperiode zwaar gerestaureerd. Er zijn overigens ook mensen die beweren dat de twee vrouwen respectievelijk Pudenziana en Prassede zijn.

12.6 Rome, Santa Pudenziana, apsismozaïek. Tronende Jezus met discipelen, juwelenkruis, apocalyptische wezens en opengeslagen boek. Bron: Brandenburg 2013 pag. 150

Rome, Santa Pudenziana, Pudenziana, apsismozaïek

12.7 De Christusfiguur draagt als enige een aureool. In de linkerhand heeft hij een voor ons opengeslagen boek op het blad waarvan staat te lezen: DOMINUS CONSERVATOR ECCLESIAE PUDENTIANAE: De Heer, bewaarder der Pudentiaanse kerk. Het juwelenkruis boven Christushoofd wordt omgeven door apocalyptische wezens. Op de achtergrond boven de apostelen zijn de gebouwen van een stad te zien, die meestal wordt geïdentificeerd als het hemelse Jeruzalem uit de in het bijbelboek Johannes beschreven eindtijd, waar zich dan kerken bevinden die werden gebouwd door Keizer Constantijn. Het kruis in kwestie zou het exemplaar zijn dat door keizer Theodosius II in 416 op de Calvarieberg, Golgotha dus, werd opgericht ter memorie van de verschijning van een wonderbaarlijk kruis daar, maar in de eerste plaats als symbool van de eindoverwinning van Christus, als goddelijke leraar met zijn disciplina, zijn heilbrengende leer, over de dood en de macht der duisternis. Ook op andere apsismozaïeken duikt een soortgelijk kruis op. De vier apocalyptische verschijningen, met een engel, een os, een leeuw en een havik, zijn de oudste tetramorf die we kennen. De vier worden hier gebruikt ter aanduiding van de vier evangelisten, Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes dus, maar de oorspronkelijke vormen ervan verschenen al in de oudheid.

12.7 Rome, Santa Pudenziana, apsismozaïek, detail midden: Tronende Jezus met opengeslagen boek. Tekst: dominus conservator ecclesiae pudentianae: De Heer, bewaarder der Pudentiaanse kerk. Bron: Bussaglia 2000 pag. 205

Santa Pudenziana, Apsismozaïek, detail: tronende Jezus

12.8 Rome, Santa Pudenziana, apsismozaïek, detail links: Paulus en andere apostelen met de personificatie van het tot het ware geloof bekeerde deel der heidense kerk (ecclesia ex gentibus). Bron: Brandenburg 2013 pag. 148

Santa Pudenziana, Apsismozaïek, detail: Paulus en andere apostelen met de personificatie van de heidense kerk

SAN PIETRO IN VINCOLI

13.1 Een eind de Via Cavour uit, net voorbij de gelijknamige metrohalte, kunt u aan wat eigenlijk net via Giovanni Lanza is, een flinke trap op, en even rechtsaf de Via Eudossiana volgen. Waarna u een bovenaan een trap gelegen, weinig aantrekkelijke façade ziet liggen, die u misschien niet zo gauw met een godshuis zou associëren. De naam van de straat die u volgde, Eudossiana, was de oude betiteling - éen van de vele - van de kerk die u hier kunt bezoeken. Die kerk, nu San Pietro in Vincoli genoemd, Sint Pieter in de ketenen, is gelegen op de hoogte van de Oppius, die samen met Cispius, waar zich Santa Maria Maggiore bevindt, de twee hoogste punten vormen van Esquilijn. De kerk lag aan de rand van het dal van de Argiletum, tegenover de volkswijk die Suburra heette, in een dicht bevolkt gebied. U moest niet voor niets klimmen om hier te komen. De weg waar hij aan lag en die nu Via delle sette Sale heet en verder naar het noorden Via Selcis, was een belangrijke verbinding met plaatsen ten noord-oosten van Rome, zoals Tibur en Praeneste, eigenlijk een beetje zoals aan de andere kant van de via Cavour de Via Urbana dat was, die in de oudheid nog Via Patricius heette, en waaraan de Santa Pudenziana ligt. De kerk hier werd rond 400 opgetrokken als Ecclesia Apostolorum, als Apostelkerk dus, in de vorm van een drieschepige basilica met elk 15 zuilen, en een op het hoofdschip aansluitende apsis, maar die kerk ging zonder dat we precies weten waarom al in 435 verloren. Bij met de tamelijk recente renovatie van de kerk verbonden opgravingen is vastgesteld dat de oudere, aan Sixtus' versie voorafgaande exemplaar inderdaad ook een drieschepige kerk was die van zuidwest naar noordoost lag. De huidige kerk gebruikte er de apsis, buitenwanden van de zijschepen en de façade van.

De wijdingstekst die nu aan de binnenzijde van de San Pietro in Vincoli boven de toegangsdeur hangt, vermeldt dat de bouw van de nieuwe kerk werd opgedragen door Sixtus III (432-440), en dat die geschiedde onder toezicht van de kerkoudste als bouwmeester, iemand die zich Philippus noemde. In 431 ondertekende diezelfde Philippus bij het Concilie van Efeze als presbyter ecclesiae apostolorum - als kerkoudste of diaken dus van de apostelkerk - terwijl bij de Romeinse Synode van 499 de wijding terugkeert als titulus apostolorum. Dat allemaal aldus Brandenburg. Waarmee duidelijk is dat de oorspronkelijke kerk was opgedragen aan de apostelen Petrus en Paulus, de twee vroegste helden van de kerk, zo voeg ik daar maar aan toe, waarvan de reputatie van Paulus het snelst en het meest heeft geleden, misschien omdat hij de boekigste van het tweetal was. Er is echter ook een latere tekst bekend, eveneens in de kerk aanwezig, overgeleverd in een middeleeuws handschrift, waarbij keizerin Eudoxia, vrouw van Keizer Valentinianus III (425-455) de belofte van haar ouders om de bouw van de kerk te steunen heeft ingelost. U zult Valentinianus nog wel gaan tegenkomen op deze pagina, want hij is - net als zijn moeder Galla Placidia - verantwoordelijk voor meer kerkbouw, zo misschien voor Santo Stefano Rotondo. En dan is er nog een document uit 501, waarin de kerk voor het eerst a vincula sancti Petri apostoli wordt genoemd: vanaf dat moment lijkt de naam met de ketenen de oorspronkelijke betiteling te gaan verdringen, wat niet wegneemt dat de kerk nog in 595 in een synodetekst wordt beschreven als titulus sanctorum Apostolorum. En dan wordt de kerk in een brief aan Gregorius I uit het jaar nog als titulus Eudoxiae betiteld.

13.1 Rome, San Pietro in Vincoli. Interieur in de richting van de apsis. Zuilen misschien uit de Porticus van Livia. Bron: Brandenburg 2013 pag. 208

Rome, San Pietro in Vincoli. Interieur

13.2 Rome, San Pietro in Vincoli. Interieur van de vroeg-christelijke kerk met arcadenoping en boogvensters. Boven de deur de wijdingstekst. Bron: Brandenburg 2013 pag. 209

Rome, San Pietro in Vincoli, Interieur

13.3 Na het hier voorafgaande zal het misschien geen verbazing wekken dat een vermelding in het Liber Pontificium uit de achtste eeuw alle namen bij elkaar geeft: Titulus Apostolorum quae appelatur Eudoxide ad vincula. Titulus Eudoxiae, videlicet beatri Petri apostoli ad vincola: apostelkerk, bijgenaamd Eudoxia, de gezegende Petrus in de ketenen. Er mag uit blijken dat het even heeft geduurd voordat de huidge benaming ingang vond: San Pietro in Vincoli, of, in het Latijn: ad vincula: Sint Petrus in de boeien. Licinia Eudoxia (422- ca. 493, in het Italiaans Eudossia) was de dochter van de keizer Theodosius II en zelf getrouwd met keizer Valentinianus III (425-455). De kerk heette in oorsprong dus niet voor niets Titulus Eudoxiae. Eudoxia's moeder verkreeg ooit de twee ketenen waarmee Petrus geboeid zou zijn geweest in het Tullianum, en gaf één ervan door aan haar dochter, die hem doorgaf aan paus Leo I de Grote (440-461) die er vervolgens deze kerk voor bouwde om hem te bewaren. Later kwam ook de tweede ketting uit Constantinopel nog naar Rome, en toen de twee kettingen elkaar, niet helemaal bij toeval meer, ontmoetten, smolten ze als door een wonder samen. De tweelingketting wordt in de kerk onder het altaar in een glazen schrijn bewaard. De ketenen werden op het concilie van Efeze genoemd en de beroemdheid ervan zou tot nog heel wat Sint Peters in de ketenen leiden, tot zelfs in het huidige Algerije. Maar dat alles gaat ons niet aan, al zou ik niet willen ontkennen dat het allemaal heel bijzonder is. Overigens - ik meld het maar als terzijde - bevond zich op de Esquilijn, hier in buurt toen ook een gevangenis, die nog in de vijfde eeuw in gebruik was en die, samen met een gerechtsgebouw blijkbaar behoorde tot de Tempel van Tellus, die hier eveneens in de buurt moet hebben gestaan. Kettingen genoeg met andere woorden.

13.3 Rome, San Pietro in Vincoli. Interieur in de richting van de apsis. Foto: mei 2013

Rome, San Pietro in Vincoli, Schip in de richting van de apsis

13.4 Hij zou als privé gebedsruimte (als titulus) nog ouder zijn dan de eerste verloren gegane kerk, en vond vermoedelijk zijn oorsprong in een stadsvilla (domus) die dan diende als domus ecclesia, een huiskerk, die wellicht in een wat later stadium de vorm kreeg van een zaal met een apsis en een arcade, een aula absidiata. De huidige kerk - lang 61 meter, breed 29 - is gebouwd op die keizerlijke fundamenten van de eerste echte, verloren gegane kerk en - ik schreef het al - gebruikt er de apsis, buitenmuren en façade van en vooral in en rond het dwarsschip zijn tal van onregelmatigheden daaraan te wijten, aldus Brandenburg. Dat dwarsschip springt nauwelijks uit. De 15 zuilen aan weerszijden tussen hoofd- en zijschip lijken allemaal Dorische spolia met cannelures. Ze staan op een attisch voetstuk (in plaats van gewoon op het vloervlak) en zijn niet verbonden door een architraaf, maar door rondbogen, iets wat in deze periode allebei ongebruikelijk was. Carandini et alii menen dat de zuilen afkomstig zijn uit de Porticus van Livia, door Augustus gebouwd voor Livia Drusilla, vlakbij dus, tussen Via delle Sette Sale en Via in Selci, in wat hier Regio III was, Isis en Serapis. De triomfboog rust op twee klassieke granieten zuilen met korinthische kapitelen. Opgravingen hebben uitgewezen dat het presbyterium (het priesterkoor) oorspronkelijk over een afscheidingswand beschikte (zoals in deze periode gebruikelijk, vergelijk bijv. het Schola Cantorum in San Clemente). Het gebied waar de kerk zich bevindt, lag op het terrein van Nero's immense Domus Aurea. Het klooster van San Pietro in Vincoli - nu in gebruik bij de Sapienza, de oudste en grootste van Romes drie universiteiten en wel voor de afdeling Civiele Techniek - is gebouwd op de ruïnes ervan. Vanuit de kerk is het klooster (dat wordt toegeschreven aan Giuliano da Sangallo) ontoegankelijk, want het is alleen te bereiken via de universitaire toegang, zo staat me tenminste bij.

13.4 Rome, San Pietro in Vincoli. 1 Façade en portico, 2 schip met klassieke zuilen 3 mausoleum van Julius II met Mozes van Michelangelo, 4 antesacristie met de Bevrijding van Petrus door Domenichino, 5 Sint Margaretha, door Guercino 6 Tribune 7 confessio, 8 Byzantijns mozaïek met Sint Sebastiaan, 9 Graftombe van Kardinaal Nicolo da Cusa, van Bregno 10 Klooster, toegeschreven aan G. Sangallo (1489-1503) 11 Sint Augustinus van Guercino. Bron: Gunn 1981 pag. 133

Rome, San Pietro in Vincoli

13.5 Rome, San Pietro in Vincoli, Klooster. Buitenmuur van het rechter zijschip met aangegeven de drievoudige arcade en boogvensters van de vijfde-eeuwse kerk. Nu locatie van de faculteit Civiele Techniek van de Sapienza. Bron: Brandenburg 2013 pag. 210

San Pietro in Vincoli, Buitenmuur van het rechter zijschip

13.6 De kerk werd in de achtste eeuw herbouwd door Paus Hadrianus I (772-795) en opnieuw tijdens het pontificaat van Sixtus IV (1471-1484), en wel door diens neef Giuliano della Rovere, wiens titelkerk het was. Een deel van zijn kardinaalspaleis staat nog steeds naast de kerk. In de erbij horende tuin stond lange tijd zijn klassieke beeldencollectie (met oa. de Apollo Belvedere) die, nadat ze in bezit was gekomen van Julius II, naar het Vaticaan zou gaan. Tussen 939 en 1073 vonden hier trouwens ook de pausverkiezingen plaats, wat de kerk in die periode een zekere status verschafte. In haar gids over Rome brak Georgina Masson ooit de staf over de smakeloze renovatie van de kerk, waarbij de oude vloer werd vervangen door gepolijst travertijn en dat niet helemaal ten onrechte, want het interieur maakt een kille indruk, al komt dat misschien ook een beetje door de lengte-breedteverhouding.

13.6 Rome, San Pietro in Vincoli, Façade met ingang. Foto: mei 2013.

Rome, San Pietro in Vincoli, gevel

13.7 De reden waarom veel mensen deze kerk bezoeken, is vermoedelijk Michelangelo's Mozesbeeld dat hier staat en dat bedoeld was voor het graf van Paus Julius II, en dat dan onder de koepel van de Sint Pieter zou komen te staan. Dat graf kwam er nooit en waar Julius II wel begraven ligt, is niet met zekerheid bekend, want over de plaats in de Sint Pieter wordt nog steeds getwist. De paus riep Michelangelo in 1502 naar Rome voor het grafmonument in kwestie, dat in totaal van 40 beelden zou worden voorzien. Michelangelo had juist het marmer zelf uitgezocht in Carrara, toen Julius II zich bedacht, en besloot dat een geheel nieuwe Sint Pieter een waardiger uitdaging was dan een grafmonument. Het beeld kwam af in 1516, maar werd pas in 1544 hier neergezet, door een neef van Julius II, de hertog van Urbino, als uitvoerder van diens testament. De paus was toen al 30 jaar dood (1513). Het project zelf heeft Michelangelo desondanks 40 jaar lang bezig gehouden, tussen 1505 en 1540. De legendevorming eromheen is immens. Michelangelo zou er dus zelf voor naar Carrara zijn gegaan, hij zou met zijn hamer naar het beeld hebben gegooid (spreek dan) en het op de knie hebben beschadigd. In de baard zou hij zowel zichzelf als Julius II hebben geportretteerd. Het eigen hoofd zou direct onder de lip zichtbaar zijn, dat van Julius, naar beweerd alleen zichtbaar bij sommige lichtval, in de lokken. Afgezien van de drie beelden hier staan er van de geplande 40 beelden nog twee in het Louvre (twee zogenaamde slaven), en nog vier onaffe beelden in Florence, eveneens slaven genoemd. Het was Rafael die het beroemde portret van Julius II zou maken, dat een tijdlang op feestdagen in de Santa Maria del Popolo zou worden getoond, en dat zo'n diepe indruk zou maken. Julius II was het ook die Rafael de opdracht gaf voor de stanzes in het Vaticaan. Zelf ben ik niet bijzonder dol op Michelangelo. Laat mij ook eens. Links terzijde van de ingang bevindt zich overigens, onder een fresco, het graf van de gebroeders Antonio en Piero del Pollauiolo, beeldhouwer en schilder.

13.7 Rome, San Pietro in Vincoli, Michelangelo, Grafmonument voor Julius II. Foto: mei 2013

Rome, S. Pietro in Vincoli, Pietro in Vincoli, Michelangelo, Grafmonument voor Julius II

13.8 Mozes is afgebeeld kort nadat hij op de Sinaï de stenen tafelen met de tien geboden heeft gekregen. Hij is boos, vanwege het feit dat in de tussentijd het uitverkoren volk rond het gouden kalf danst, en staat op het punt met de tafelen te gaan gooien. Dat Mozes hoorns draagt, is te wijten aan een vertaalfout van de Hebreeuwse tekst in het Grieks. Die vertaling van de thora dateerde al uit de tweede eeuw. En de kerkvader Hiëronymus (die van de leeuw) had die tekst als basis genomen voor zijn vertaling in het Latijn, de zogenaamde vulgaat. In de oorspronkelijk Hebreeuwse tekst stond: karan (lichtstraal), maar de vertaler had gelezen keren (hoorn). De figuren van Lea en Rachel aan weerszijden – symbolen voor het actieve en contemplatieve leven - zijn eveneens van Michelangelo. De rest is van leerlingen. In de kerk liggen de gebroeders Pollaiuolo begraven, twee Florentijnse schilders en beeldhouwers.

13.8 Rome, San Pietro in Vincoli, Michelangelo, Mozes, 1513-1516. Bron: Bussagli 2000

Rome, San Pietro in Vincoli, Michelangelo, Mozes

13.9 salita dei Borgia
Terug nemen we de trappen van San Francesca Paola, die weer naar de Via Cavour leiden. Het straatje werd in de volksmond de Salita dei Borgia genoemd, omdat het onder het (voormalige) paleisje van de Borgia's doorloopt. Alexander VI (142-1503), Rodrigo Borgia, was wellicht de schurkachtigste aller pausen. Hij verwekte zes kinderen, van wie twee toen hij al paus was, benoemde zijn zoon tot kardinaal, maar ook vier neven. In 1503 liet hij een andere kardinaal vergiftigen. De broer van zijn minnares (Giulia Farnese), Alexander, zou later als Paulus III ook paus worden. Dochter Lucrezia was al even berucht. Vier keer uitgehuwelijkt, en na haar tweede door haar eigen vader tot maagd verklaard, terwijl ze al zwanger was, haar minnaar door haar broer vermoord, het kind per pauselijke bul tot zoontje van haar broer verklaard, en nadat die zelf was vermoord, tot kind van Alexander VI zelf. Ook de derde echtgenoot werd door haar broer Cesare vermoord. Lucrezia stierf in 1519 aan een abortus. Cesare Borgia zou door Macchiavelli als model zijn gebruikt voor Il Principe: de vorst.

13.9 Rome, Salita dei Borgia. Foto: mei 2009

Rome, Salita dei Borgia

II
ROND PIAZZA VENEZIA

PIAZZA VENEZIA

14.1 Tyler Lansford gebruikt in de inleiding bij zijn zo erudiete en uiterst nuttige The Latin inscriptions of Rome, dat veel meer is dan enkel een boek over inscripties - niet voor niets luidt de ondertitel: A walking guide - Piazza Venezia als een soort quintessens van Rome.

Misschien is de indrukwekkendste karakteristiek van de stad Rome de gelijktijdige aanwezigheid van al haar tijdperken. Is er een veelzeggender getuigenis voor die simultaniteit dan het uitzicht vanaf Piazza Venezia? Het panorama dat zich hier ontvouwt omvat monumenten uit twee millennia. Op de kortste lijst moet staan het Graf van Bibulus, de Zuil van Trajanus, de Basilica van San Marco, de kerk van Santa Maria in Aracoeli, Palazzo Venezia, Piazza del Campidoglio en het Monument voor Victor Emanuele. Piazza Venezia is Rome in het klein.

En dan had hij iets soorgelijks op tientallen andere plekken in Rome kunnen doen. Het Palazzo Venezia, waar het plein naar is genoemd, was een van de eerste burgerlijke gebouwen in Rome die waren opgetrokken in de traditie van de renaissancistische versterkte stadspaleizen. Het werd gebouwd in 1455 voor een Venetiaanse kardinaal, Pietro Barbo, de latere paus Paulus II (1460-1471), die zelf de neef was van een al even Venetiaanse voorganger, Eugenius IV (1431-1447). Het paleis wordt - begrijpelijk - ook wel Palazzo Barbo genoemd. Barbo liet voor het Palazzo Venezia veel materiaal uit het Colosseum halen, zoals hij dat eerder ook al deed voor de San Marco, de kerk die net om de hoek staat en die nu eigenlijk onderdeel is geworden van het paleis. Totdat het Quirinaal werd gebouwd, fungeerde het paleis als zomerresidentie van de pausen, later werd het in gebruik genomen als ambassade van Venetië, waarna het overging in handen van de Oostenrijkers. Het plein was, net als de Via del Corso, in de zestiende en zeventiende eeuw een centrum van volksvermaak en carnavalsfeesten. In de fascistische tijd werd het paleis hoofdkwartier van Mussolini en kreeg het volksvermaak een ander karakter, toen de Duce vanaf het balkon van het Palazzo Venezia de menigte placht toe te spreken. Hij deed dat zo dikwijls en met zoveel overgave dat de Romeinen hem - naar 's werelds bekendste balkonscène met in de hoofdrollen Romeo en Giulia, let wel, niet Romeo, maar Giulietta noemden. Het balkon in het midden is dat van Mussolini's toespraken. Hij liet het licht op de kamer daar 's nachts altijd branden: kijk eens hoe hard ik werk. Tegenover Palazzo Venezia ligt het Palazzo delle Assicurazioni Generali, dat van 1907 dateert en min of meer naar het voorbeeld is gebouwd van het paleis er tegenover. Nationale Nederlanden bijvoorbeeld vormt een onderdeel van Generali. De foto is van die kant van het plein genomen. Het parkeerterrein is inmiddels uiteraard verdwenen. Voor Palazzo Venezia bevinden zich nu een paar bushaltes langs een relatief smal trottoir.

Links van Palazzo Venezia bevindt zich Piazza San Marco, en daar kunt u nog net, bijna onmiddellijk om de hoek, de uit twee verdiepingen met zuilen bestaande loggia van de San Marco zien. Daarnaast werd tussen 1901 en 1913 neergezet het ook onder Barbo aangelegde viridarium, een kloostertuin met loggia eromheen, dat met een diminutief Palazetto Venezia werd genoemd en nu een overheidsinstantie herbergt. Het werd in 1903 op de plaats waar het stond gesloopt en - niet helemaal getrouw - herbouwd naast de kerk. Het bevond zich aanvankelijk dwars over het huidige plein en zou daarmee het Monument van Victor Emanuel aan het oog onttrokken hebben en dat kon natuurlijk niet. Rechts van het Palazzo Venezia ziet u nog net de tamelijk smalle Via del Plebiscito. Die werd vernoemd naar de volksstemming over het koningshuis van juni 1946, waarbij Italië net als nu nog verdeeld bleek in zuid (64% tegen) en noord (66% voor) zodat er met 54% tot afschaffing werd besloten. Via Plebiscito verbindt het plein met Corso Vittorio Emanuele en Largo Argentina. Barbo zou het hele complex uitbreiden tot aan die straat, zodat het gebouw echt over de breedte van het plein loopt.

14.1 Rome, Piazza Venezia, met het Palazzo Venezia. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Palazzo Venezia

14.2 palazetto venezia
U vroeg zich af hoe het er allemaal uitzag voordat het monument verscheen. Zo dus. Ik vond het ook verrassend. De foto is genomen vanuit de richting van de Corso. Het oorspronkelijke plein was veel kleiner en heette Piazza San Marco, zoals dat deel terzijde van het Piazza Venezia, gelegen voor de gelijknamige kerk, nu nog steeds heet. Op de zuidoosthoek van het huidige plein dus stond het al genoemde Palazetto Venezia (op de foto het gebouw op de achtergrond dat naar links wegloopt), dat tegen het Palazzo Venezia (rechts uiteraard) was aangebouwd. Het was al een keer beschadigd bij een aardbeving in de zeventiende eeuw, zou daar nu, zoals gezegd, het zicht op het Vittoriano hebben ontnomen en werd zodoende gesloopt in 1909-1910 en een paar jaar later in een nieuwe versie herbouwd. D' Orazio vermeldt dat het op de plek van het monument zelf stond, maar dat betwijfel ik. Een nieuw gebouwde versie kwam terecht links naast de huidige San Marco. Vergelijkt u de gevels met die op de enigszins historische foto van de San Marco, zou ik zeggen. Daar is het het paleisje direct links naast de San Marco. Tegenover het Palazzo Venezia stonden drie palazzi, waaronder het Palazzo Torlonia (niet op de foto). Dat was traditiegetrouw het eindpunt vande paardenraces die over de Corso werden gehouden. Tussen 1885 en 1911, toen er aan het Vittoriano werd gebouwd, onderging het plein ingrijpende wijzigingen. Het Palazetto Venezia werd in zijn geheel verplaatst naar wat nu nog Piazza San Marco heet en opgenomen in het Palazzo Venzia. Het Palazzo Torlonia en twee andere paleizen die er stonden, en waarvan de gevelrij min of meer parallel liep aan die van de Via del Corso, werden vervangen door een verder naar achteren geplaatste kopie van het Palazzo Venezia en dat werd dus het huidige Palazzo delle Assicurazioni Generali, waardoor het plein aanzienlijk werd vergroot. Ook het huis waar Michelangelo ooit had gewoond, ging zodoende verloren. Aan het Palazzo delle Assicurazioni hangt een plaquette. Aan de noordkant van het plein, op de hoek van Via Plebiscito en Via del Corso staat het Palazzo Bonaparte nog op zijn plek. Dat is een troost. Toch had ik voor het goede begrip graag een foto van het geheel gezien. En die moet er zijn, lijkt me.

14.2 Piazza Venezia, voor 1885. Rechts: Palazzo Venezia, linksachter, deels zichtbaar, Palazetto Venezia. Bron: D' Orazio 2004

Rome Piazza Venezia voor 1885, met achter Palazetto Venezia, rechts Palazzo Venezia

14.3 monument van victor emanuel II
En dit is de boosdoener. Aan het witmarmeren monument werd gebouwd van 1885 tot 1911. Het herinnert aan de eenwording van Italië in 1870. De bedoeling van de ontwerpers was dat het witte marmer van Brescia zou verkleuren tot de zachte pasteltinten die de Romeinse bouwwerken kenmerken, maar dat gebeurde niet. Het bleef spierwit en doet in de middagzon zowat pijn aan je ogen. Goed dus dat dit een oude foto is. Kodachrome. In de Eerste Wereldoorlog bombardeerden Amerikaanse soldaten het geheel (alleen figuurlijk) tot weddingcake, bruidstaart dus. Anderen spreken van een suikertaart, weer anderen van een kunstgebit of een schrijfmachine. Veel mensen vonden het monument blijkbaar niet mooi. Toch had niet iedereen last van esthetische bezwaren. Dat gold zeker niet voor minister Zanardelli, afgevaardigde van Brescia, die bemiddelde bij het contract voor de marmerleverantie en daarmee zijn baan voor ruim twintig jaar veilig stelde. Als 'n pleisteren weddingcake met goud beplakt staat het gevaarte zoo typisch 19de-eeuwsch ongemanierd in het stadsbeeld, klaagde Huib Luns al in 1930. De Romeinen noemen het hele ding Vittoriano. Hoe het ook zij: het ruiterstandbeeld van Victor Emanuel torent hoog uit boven het Altare della Patria (Altaar van het Vaderland, het graf voor de onbekende soldaat), dat er enkel een onderdeel van vormt, al wordt het hele monument ten onrechte wel eens als zodanig aangeduid. Het ding ontneemt de toeschouwer op nogal brute wijze het zicht op het Kapitool, dat er schuin achter ligt. Er bevinden zich in het gebouw verschillende musea, zo het Museum van de Hereniging (Museo Centrale del Risorgimento) en het Museum van de Italiaanse Emigratie (Museo Nazionale dell' Emigrazione Italiana), terwijl er ook nog een militaire afdeling is, vooral met vaandels en vlaggen en wat wapentuig, zo meen ik me te herinneren. Die musea zijn de hele dag geopend en de entree bedraagt € 12. En dan bevinden er zich aan de achterzijde ook nog tentoonstellingsruimtes, waar op gezette momenten exposties worden georganiseerd. Ook dat deel wordt meestal Complesso del Vittoriano genoemd, of kortweg Vittoriano, net als het monument zelf. Van 10 oktober 2018 tot 24 februari 2019 vindt er een tentoonstelling plaats met werk van Jackson Pollock en de New York School (met Rothko, Kline, De Kooning). Kosten voor tentoonstellingen daar bedragen meestal € 15. Overigens: Lansfords Graf van Bibulus, het sepulcrum Bibuli, bijzonder vanwege het feit dat zijn graf zich als éen van de weinige binnen de muren bevindt, met toestemming van de Senaat, ligt zonder dat er ooit iemand naar omkijkt, pal voor het monument, aan de linkerzijde in het gras daar.

Een terzijde. Sinds eind april 2018 staat hier ook, recht voor het monument in het groen dat zich daar tegenwoordig midden op het plein bevindt, een uit liguster geknipte wolf, die door sommigen onmiddellijk werd vergeleken met de toiletborstel die er in een eerder stadium werd geplaatst. Dat was de zo armelijk ogende, veelvuldig bekritiseerde kerstboom, de spelacchio dus, die er in december 2017 werd neergezet. De kerstboom van 2018 overigens, die er moet staan op 8 december, zal worden gefinancierd door Netflix. Kosten, toeters, bellen, all in: 376.000 euro. Een goed deel van de versiering zal verplicht zijn, in rood en zilver, 500 kerstballen, met 60.000 warmkleurige leds. In ruil daarvoor mag Netflix 100 thematisch op Netflix-series georiënteerde ballen in de boom hangen. Dit is allemaal geen grapje. Milaan deed verleden jaar hetzelfde via Sky. Nog meer terzijde: toen Matteo Salvini, leider van de rechtse Lega alsmede vice-premier, in september 2018 in een poging Mussolini's architectuur te prijzen als voorbeeld het monument van Victor Emanuel noemde, oogstte hij enige hilariteit, dat zult u begrijpen. Die was net geboren toen er aan het gebouw werd begonnen. Maarre, een punt had hij wel. En dan heeft de andere vice-premier, Di Maio, ook nog met enige regelmaat moeite met de congiuntivo, zoals die vorm in het Italiaans heet en dat wordt door beschaafdere Italianen ook nog steeds als een doodzonde beschouwd. Quitte, met andere woorden.

Ik kan het niet laten mijn eigen tweede kennismaking te gebruiken. In 1971 had ik geen fototoestel bij me. Foto's van hoe het er nu uitziet, kunt uzelf ook maken, nietwaar. Tegenwoordig bevindt er zich midvoor een klein plantsoen, met die uit liguster geknipte wolf dus. Maar jaren nadat ik deze foto nam, werd hier een voetstuk aangebracht voor de agent die er het verkeer regelde. Die was natuurlijk het meest in het oog lopende exemplaar van Rome en hij dirigeerde derhalve zo exuberant mogelijk het gemotoriseerde volk, tot groot vermaak van een immer omvangrijk publiek, want op Piazza Venezia is het altijd druk. Het voetstuk werd in 2008 vernieuwd. Het werd 's nachts nogal eens kapotgereden door automobilisten die het te laat zagen. Een paar jaar later verscheen er éen dat 's avonds in het plaveisel verzonk. Vooruitgang! Maar in 2014 is dat weer verdwenen, nadat er bij een mechanisch mankement - zeer Italiaans fenomeen - toch een auto op terecht kwam. Zo schieten we niet op.

14.3 Rome, Piazza Venezia, Monument voor Victor Emanuel II. Foto: omgezet van dia, zomer 1973

Rome, Monument Victor Emanuel

14.4 palazetto venezia
Nadat hij als kardinaal al de San Marco had gerenoveerd en laten voorzien van een loggia, liet Pietro Barbo (1417-1471), eveneens voordat hij paus Paus Paulus II werd (1464-1471), het werk beginnen aan zijn versterkte stadspaleis, het Palazzo Venezia. Daarbij werden twee andere gebouwen geïncorporeerd, daaronder het nog niet zo lang bestaande Palazetto Venezia, waarvan hier de belangrijkste loggia te zien is van de portico. Die werd dus aan het begin van de twintigste eeuw gesloopt en herbouwd aan de andere zijde van het Palazzo Venezia, naast de huidige San Marco. De loggia bevindt zich (uiteraard) aan de binnenzijde. De binnenplaats is al jaren niet toegankelijk, want er huist nu de afdeling van een ministerie en er hangt een ketting voor de ingang. Ernaast zit een norse portier. De (tweede) hierbij gaande foto was het enige wat mogelijk bleek. Een deel van de loggia is ook zichtbaar vanuit de San Marco.

14.4 Palazetto Venezia, Loggia. Architect: Francesco del Borgo (1415-1468). Bron: ICCD, Rome, in: Hall 2005 pag. 77

Rome, Palazett Venezia, Loggia

14.5 Palazetto Venezia, Loggia met deel cortile. Architect: Francesco del Borgo (1415-1468). Foto: oktober 2014

Piazza San Marco, Palazetto Venezia, Cortile

SAN MARCO

14.6 San Marco evangelista al campidoglio, zoals de kerk voluit heet, maar nooit wordt genoemd (De Heilige Marcus de evangelist bij het Kapitool), staat onmiddellijk om de hoek van het Palazzo Venezia, waarin hij eigenlijk is opgenomen. Het is de nationale kerk van de Venetianen in Rome. Gebouwd werd de oorspronkelijke versie al in de vierde eeuw, toen Paus Marcus, van wie bijna niets bekend is, in 336 een deel van een woning die misschien familie-eigendom was, in het nieuwe gebouw opnam, zodat het niet ondenkbaar is dat de kerk voortkwam uit een titulus, een gebedsplaats in een privéverblijf dat de oorsprong vormt van zoveel latere kerken. Hoewel het drieschepige interieur grotendeels 17e-eeuws is, heeft de kerk nog steeds de oude basilica-vorm met een verhoogd koor. In de apsis zijn mozaïeken zichtbaar die rond 829 werden gemaakt in opdracht van Paus Gregorius IV (827-844) toen hij de oude kerk herbouwde.

14.6 Rome, Piazza San Marco, San Marco evangelista al campidoglio, façade met porticus en loggia. Architect (toegeschreven aan): Leon Battista Alberti (1404-1472). De gevel van San Marco wordt tegenwoordig voor een deel door geboomte aan het zicht onttrokken. Foto: oktober 2014

Rome, San Marco, Porticus

14.7 Zoals gezegd is het niet ondenkbaar dat de kerk voortkwam uit een oude titulus. Veel oude tituli zouden per slot van rekening honderden jaren bestaan en nog in de vijfde eeuw ontstonden nieuwe. Het gebruik van privéwoningen werd vergemakkelijkt doordat de vroege christenen, in tegenstelling tot de meeste andere geloven, niet de aanwezigheid van een God vereisten in de vorm van een beeld of een andere weergave. Naar de woorden van Paulus bijvoorbeeld was de gemeente zelf het huis Gods. Niet alleen was het hun dus niet toegestaan speciaal daartoe gewijde ruimtes in te richten, ze streefden er aanvankelijk ook niet naar. Die zeer vroege versie van San Marco maakt ook zichtbaar dat het christendom, nadat het zich onder Constantijn vooral aan de rand van de stad had bevonden (Sint Jan, Sint Pieter, Santa Croce di Gherusalemme) of buiten de muren (mausolea en basilica's), bezig was in de buurt van het stadscentrum te geraken. De kerk - en de zesde-eeuwse opvolger ervan - ligt nu onder de huidige versie, maar hij bevindt zich per slot van rekening op een steenworp afstand van het Kapitool.

14.7 Rome, Piazza San Marco Midden: Kerk San Marco met loggia. Links: Palazetto Venezia. Rechts: zuidzijde Palazzo Venezia. Bron: Archivo Fotografico Soprintendenza speciale per il polo Museale Romano, in: Hall 2005 pag. 76

Rome, San Marco

14.8 Om een paar andere opvallende voorbeelden te noemen: de titulus van San Lorenzo van Paus Damasus (66-384) bevond zich middenop het Marsveld, een andere kerk die hij stichtte, de Sant' Anastasia, lag aan de voet van de Palatijn, de Santa Sabina kwam terecht op de Aventijn, de San Pietro in Vincoli op de Esquilijn, en de allereerste Santa Maria in Trastevere, gebouwd onder Paus Julius I (337-352), en nu vermoedelijk onder de nieuwe kerk, stond in de dichtbevolkte woonwijk die Trastevere was. San Clemente, niet ver van het Colosseum immers en de Ludus Magnus, maakte gebruik van een muur van een gebouw waarin vermoedelijk de munt was gevestigd, terwijl de apsis over een klein woonhuis werd gezet. In alle gevallen betrof het min of meer centrale locaties die al in de vierde eeuw werden gekozen als plaats voor een kerk. Al die gebouwen leken ook op elkaar. Een lang, hoog schip (een lichtbeuk) met houten dak en lager liggende zijschepen, van elkaar gescheiden door vaak ongelijke zuilen, had aan het eind een halfronde apsis. Ervoor stond een klein, in het midden open atrium met vier zuilengangen eromheen, of gewoon een narthex, een half open porticus. In het schip bevond zich een balustrade om het koor, om het deel dat voor de clerus bedoeld was van de rest af te scheiden. Figuratieve schilderingen of mozaïeken waren, ook al waren ze wel aanwezig in de catacomben, in de kerken tot ver in de vierde eeuw taboe. Iemand als Krautheimer wijst erop dat daarmee de christenen ook voor het eerst bewust zichtbaar werden. Waar de oude tituli, opgenomen in woonhuizen, zich opzettelijk aan het oog onttrokken, waren de nieuwe kerken op hun centrale - en soms hoger gelegen - plekken veel zichtbaarder aanwezig.

14.8 Rome, Piazza San Marco, Kerk San Marco, Interieur met apsis, in noordelijke richting. Foto: oktober 2014

Rome, San Marco, interieur  richting apis, foto: oktober 2014

14.9 En iets soortgelijks moet ook voor die oude San Marco hebben gegolden. De kerk ligt vlakbij de oude Via Lata (heden ten dage de Corso) en is de vroegst zichtbare manifestatie van de christelijke kerk in het hartje van de stad. Zoals gezegd stamt het interieur nu bijna geheel uit de 17e-eeuw, al bleef de oorspronkelijke basilicavorm behouden. Onder de huidige San Marco werd bij opgravingen vastgesteld dat zich daar een eenschepige hal bevond, van ongeveer 40 bij 20 meter, met een op het zuiden gelegen apis die was ingebouwd in een stadspaleis en die ergens na 336 met een baptisterium was uitgebreid. In de zesde en zevende eeuw werd de kerk gerenoveerd, verbreed met muurkasten en voorzien van een schola cantorum. In 830 gaf Paus Gregorius IV (827-844) opdracht tot nieuwbouw voor de inmiddels blijkbaar in verval geraakte basilica, waarmee er een drieschepige zuilenbasilica ontstond van zo'n 47 bij 21 meter, met een halfronde apsis, nu op het noorden. In de apsis lag een hoefijzervormige omgangscrypte met een confessio. Het middenschip had een vlak plafond, de zijschepen hadden kruisgewelven. De twaalf zuilenparen in het middenschip waren verbonden door rondbogen. Ook het apsismozaïek dateert uit de periode van Gregorius IV. Halverwege de 12e eeuw werden de relikwieën van paus Marcus in de kerk ondergebracht.

14.9 Rome, Piazza San Marco, Kerk San Marco. 1 Renaissance-façade en loggia van Giuliano da Maiano of Leon Battista Alberti. 2 Steen met inscriptie van Vanozza Cattanei, moeder van Cesare en Lucrezia Borgia, afkomstig van hun graf in de S.M. del Popolo 3 Basreliëf van Sint Marcus in de lunetten van Isaia di Pisa (1464) 4 Schip 5 Wederopstanding, Palma il Giovane (ca. 1600) 6 Altaar opgedragen aan Paus Sint Marcus 7 Apsis met mozaïek uit de tijd van Gregorius IV (828-844) 8 Sacristie met resten van een muurschildering van Pietro Cavallini (ca. 1300) 9 Ingang tuin. Bron: Gunn 1981

Rome, S. Marco, Plattegrond

14.10 In de negende eeuw werd de San Marco compleet nieuw opgetrokken onder Paus Gregorius IV (827-844). De campanile werd pas in 1154 toegevoegd. Het was Paus Paulus II (Barbo, 1464-1471), dezelfde als van het Palazzo Venezia, die de kerk weer liet renoveren, waarbij hij, naar het voorbeeld van het balkon van de Sint Pieter en de zegeningsloggia aldaar - zoals die links van de ingang als een balkon met twee verdiepingen en baldakijn was gebouwd door Pius II (Piccolomini 1458-1464) - het portaal met loggia liet aanbrengen. Op feestdagen was het immers traditie dat de paus van beide balkons dezelfde zegen uitsprak. De façade zou in 1466 door Leon Battista Alberti (1404-1472) zijn gebouwd, maar dat is vermoedelijk onjuist. De werkelijke architect was naar alle waarschijnlijkheid zijn volgeling Francesco del Borgo (1415-1468). Het marmer waarmee het geheel werd bekleed, kwam uit het Theater van Marcellus en het Colosseum. Het was bij gelegenheid van de voltooiing ervan dat de Venetiaan Paulus II de kerk schonk aan de Venetiaanse gemeenschap van Rome.

14.10 Rome, Piazza San Marco, Kerk San Marco, Interieur met entree, in zuidelijke richting. Foto: oktober 2014

Rome, Kerk San Marco, Interieur

14.11 Dit is het mozaïek dat werd aangebracht onder paus Gregorius IV (827-844), die er zelf - helemaal links - op aanwezig is, met een vierkante halo, ten bewijze van het feit dat hij nog bij leven en welzijn kon schrijven, toen het ontstond. Precies in het midden staat een zegenende Christus, met een boek waarop te lezen staat: Ego sum lux, ego sum vita, ego sum resurrectio: ik ben het licht, ik ben het leven, ik ben de wederopstanding. Het idee van Jezus als licht kennen we uit bijvoorbeeld Johannes VIII, 12. Boven het hoofd van Jezus is God de Vader zichtbaar die een kroon vasthoudt. Aan de rechterhand van Jezus, voor ons links in de apsis, staan Sint Felicissimus, met daarnaast Sint Marcus de Evangelist, die zijn hand legt op de schouder van Gregorius IV, die in de handen een een model heeft van de kerk die hij heeft laten herbouwen. Aan de andere kant staan Paus Marcus, eerste bouwer van de kerk, Sant Agapitus en Sant' Agnese. Dit alles dan volgens de site van de parochie van San Marco zelf, want over wie van het hier aanwezige personeel precies wie is, bestaat duidelijk verschil van mening. Dit lijkt me eerlijk gezegd wel de juiste versie. Ik vermeld zelf nog maar even: Felicissimus en Agapitus waren twee dekens van Paus Sixtus II (257-258) die samen met hem als martelaar ter dood werden gebracht in 258. Sint Agnes was eveneens een martelares, en haar resten zouden zich bevinden in de Sant'Agnese fuori le Mura, waarnaast te harer eer een dochter van Keizer Constantijn, Constantina, haar mausoleum zou laten bouwen, nu de Santa Costanza. In de apsis hier staat Jezus op een voetstuk waarop een passage uit Handelingen staat geschreven: Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here god, hij die is, was en zal komen. Daaronder is zichtbaar het Lam gods, met twaalf lammeren voor de twaalf discipelen. Op de triomfboog staat afgebeeld Jezus temidden van Sint Pieter en Sint Paulus.

14.11 Rome, Piazza San Marco, Kerk San Marco, Apsismozaïek. Foto: oktober 2014

Rome, San Marco, Apsismozaïek

14.12 via del corso
De Via del Corso, die op Piazza Venezia uitkomt en pal noord-zuid loopt, heette van 1900 tot 1947 Corso Umberto I. Umberto was de zoon en opvolger van Victor Emmanuel II, die zelf de eerste koning was dus. Na de afschaffing van het koningshuis is de naam van de straat veranderd. De loop van de Corso komt overeen met de oude Via Lata, die zo werd genoemd vanwege de in die periode ongebruikelijke breedte. Onmiddellijk aan het begin van de Via del Corso, bij Piazza Venezia, staat links de kerk die nog heet Santa Maria in via Lata. Als de belangrijkste weg naar het noorden werd de weg de Regina Viarum, die de Via Appia in belang verdrong, toen het verkeer met het oostelijk deel van het Romeinse rijk in belang afnam. De huidige naam is afgeleid van de paardenraces die er in de middeleeuwen werden gehouden: corso van correre: rennen. Later werd de Corso beroemd vanwege het Romeinse carnaval, waarvan de optocht hier gehouden werd. In de 17e en 18de eeuw kreeg de straat haar huidige aanblik. De kaarsrechte lijn die de straat heeft tussen Piazza Venezia en Piazza Colonna werd geaccentueerd toen Alexander VII rond 1660 de twee triomfbogen weghaalde die de straat overspanden, éen ter hoogte van San Lorenzo in Lucina, de andere bij Santa Maria in via Lata. De huidige Corso is de voortzetting van de oude Via Flaminia, die in 220 vC onder censor Gaius Flaminius werd aangelegd. Aan het andere uiteinde van de Corso ligt het Piazza del Popolo. De huidige vorm van het plein werd bepaald door architecten van Napoleon. Daar, aan de noordkant van Rome, komt door de Porta del Popolo de Via Flaminia de stad binnen. En dat is de opvolger van de oude Romeinse heerweg met dezelfde naam. De Via del Corso vormt daar de kaarsrechte voortzetting van. Het deel buiten de Porta del Popolo, waar wij niet gaan komen, wees gerust, heet nog steeds zo. Via de Ponte Milvio - de Milvische brug, jeweetwel, Constantijn, droom - steekt de weg de Tiber over. En daar staat ook de lantaarnpaal met al de fietssloten die in eerste instantie werden neergehangen door romantische Romeinse stelletjes, mode die vervolgens is overgeslagen naar de complete brug, en die het begin van zoveel andere ellende elders in de wereld vormde, dit allemaal naar het voorbeeld van een stel in een bekende (maar bijzonder nikserige) Italiaanse roman: Ho voglia di te, wat (letterlijk) zoiets wil zeggen als: ik heb zin in je, van Federico Moccia. Inmiddels is de gewoonte ook elders overgenomen, zo in Parijs, waar de Pont des Arts met sloten is behangen. Flauw hoor. Met dat soort liefde moet het wel slecht aflopen.

14.12 Rome, Via del Corso, in de richting van Piazza del Popolo. Foto, omgezet van dia: zomer 1980

Rome, Via del Corso, 1980

GALLERIA DORIA PAMPHILJ

15.1 Het bijzondere van de Galleria Doria Pamphilj is niet zozeer de collectie, als wel het feit dat het paleis, dat in de huidige vorm uit 1767 dateert, nog volkomen intact is. Het is nu een privémuseum en nog steeds in bezit van de familie. Wie daar prijs op stelt, kan bij de rondleiding een audiofoon gebruiken en wordt dan toegesproken door de graaf zelf, Jonathan Paul Andrea Doria Pamphilj (1963), in vlekkeloos Oxford-Engels, of in keurig Italiaans of Frans. De ingang ligt tegenwoordig direct aan de Via del Corso, een paar honderd meter van Piazza Venezia af, waar u direct in bijgaande cortile terecht komt. Het Nederlandse binnenplaats vind ik voor zoiets wel wat gewoontjes. De toegang bedraagt (anno 2018) € 11, wat voor Romeinse begrippen een stevige prijs is. Het museum, want dat is het eigenlijk, is geopend van 9.00 tot 19.00 uur. Laatste toegang is 18.00 uur. Fotograferen is er, met of zonder flash, streng verboden.

15.1 Rome, Palazzo Doria Pamhilj, Cortile. Architecten: Antonio del Grande (1625-1671) en Giovan Antonio de' Rossi (1616-1695). Foto: oktober 2014

Rome, Galleria Doria Pamphilij

15.2 Verderop op deze pagina schrijf ik naar aanleiding van een kerk op Navona, de Sant'Agnese in Agone, ook al over de familie Pamphilj, die inmiddels uitgestorven is. Halverwege de vijftiende eeuw verscheen die adellijke familie in Rome uit Gubbio en verwierf er al snel een belangrijke machtspositie. Hun wapen (witte duif, groene olijftak, rood veld) is op tal van plaatsen in de stad aanwezig. Navona is enigszins het Romeinse kerngebied van de familie. De al genoemde Sant' Agnese op Navona fungeerde als een soort huiskerk en hun palazzo stond ernaast. Dat gebouw, nu als ambassade Braziliaans bezit, wordt nog steeds Palazzo Pamphilj genoemd, dit hier aan de Via del Corso het Palazzo Doria-Pamphilj. En dan is er ook nog een Villa Doria Pamphilj, die aan de Via Aurelia Antica ligt, achter Trastevere. In 1641 werd Giovanni Battista Pamphilj paus als Innocentius X. Diens broer was getrouwd met Olimpia Maidalchini (1591-1657). Beweerd werd dat zij haar zwager volkomen de baas was en tevens als minnares dienst deed. Haar zoon bij de broer van Innocentius was Camillo Pamphilj (1622-1666), die door zijn oom tot kardinaal werd benoemd. Maar hij gaf zijn kerkelijke loopbaan na drie jaar op, toen hij in 1647 trouwde met Olimpia Aldobrandini (1623-1681). Zij was de weduwe van de een jaar eerder, in 1646 gestorven Paolo Borghese, maar veel belangrijker: ze was de enig erfgename was van de Aldobrandini. Even terzijde, haar moeder heette Ludovisi en was lid van nog zo'n schatrijke verzamelaarsfamilie. Olimpia Aldobrandini bracht een grote collectie schilderijen mee die uit allerlei verblijven kwamen in Ferrara, Frascati en Rome, maar ook dit Palazzo aan de Via del Corso, dat daarvoor Palazzo Aldobrandini heette en daarvoor weer behoorde aan de Della Rovere. Camillo Pamphilj zelf was ook al een belangrijk verzamelaar, maar hij begon ook in 1654 het paleis uit te breiden door omliggende woningen op te kopen. Twee zoons van Camillo verzamelden ook, en éen ervan zorgde voor een omvangrijke collectie met Vlaams en Nederlands werk. Een dochter van Camillo, Anna, trouwde in 1671 met Giovanni Andrea Doria (1653-1737). Toen in 1760 de laatste Pamphilj, Girolamo, zonder kinderen stierf, ontstond er een twist tussen een aantal Romeinse families over de nalatenschap. Het betrof de Colonna's, de Borgheses en de Doria's, die via familiebanden allemaal aanspraken konden laten gelden. In 1763 maakte Paus Clemens XIII (Rezzonico, 1758-1769) een eind aan het conflict door aan Giovanni Andrea III Doria (1705-1764) het recht te geven aan zijn naam die van de Pamphilj toe te voegen, alsmede hun wapen. Hij verwierf ook alle bezittingen. De Doria's waren een adellijke, uit Genua afkomstige familie, waar ze nog steeds alom aanwezig zijn en niet alleen in de straatnamen. De burgemeester van de stad heette tot juni 2017 (en al sinds mei 2012), Marco Doria. Inmiddels is er een rechtse burgemeester, Marco Bucci.

15.2 Rome, Palazzo Doria Pamhilj, gang met gezicht op Bernini's buste van Innocentius X, die blijkbaar speciaal voor de gelegenheid naar de deuropening is gedraaid. Bron: De Marchi 2008

Rome, Galleria Doria Pamphilj

15.3 Hoewel het wellicht een beetje dwaas is om dat te zeggen, gezien de opsomming hierna, is de collectie als geheel niet zo indrukwekkend. Maar helemaal aan het eind van de gang waardoor je binnenkomt, en die langs een reeks salons loopt, staat, in een hoekkamer de hierbij gaande buste van Bernini van paus Innocentius X en hangt het Portret van Innoventius X van Velazquez, dat dezelfde paus afbeeldt. Beide werden vervaardigd in 1650, vijf jaar voor zijn dood. Met name het portret van Velazquez is subliem. Buste en schilderij zijn samen al reden genoeg om het museum te bezoeken. Innocentius, zelf een Pamhilj en tot paus gekozen in 1544, stond bekend als uitzonderlijk lelijk, maar wanneer je de buste van Bernini ziet, zou je dat niet zeggen. Die is een waar meesterstuk, van de vlassige baard tot aan de losgeknoopte mozzetta aan de hals van de korte cape van de paus. Dit is de man die door zijn tot intrige geneigde en zeer rijke schoonzus, Donna Olympia Maidalchini, echtgenote van zijn broer, wier buste hier ook al staat, werd gemanipuleerd en van wie Bernini ook de opdracht kreeg. De relatie tussen paus en kunstenaar was moeizaam, zo schrijft Chelsea Neal in een artikel over Bernini, ook omdat Innocentius erop uit was afstand te nemen van zijn voorganger, Urbanus VIII (Barberini, 1623-1644) die algemeen werd gezien als corrupt en voor wie Bernini veel had gewerkt. Innocentius X was het die na een onderzoek besloot de torentjes van Bernini van de Sint Pieter te laten verwijderen, werkzaamheden die nog tien maanden in beslag zouden nemen. Bernini, die behalve als beeldhouwer en architect, ook als satirisch auteur actief was, schreef een komisch bedoeld toneelstuk (nu verloren) waarin de zoon van Innocentius' broer en Olimpia, Camillo, werd voorgesteld als een onbenul en de paus als iemand die geen beslissingen kon nemen. Dat stuk werd geschreven voor nota bene Olimpia Maidalchini zelf en het werd bij haar thuis opgevoerd. Neal suggereert dat het afbreken van de torentjes vooral daaraan te wijten was, en niet aan bouwkundige overwegingen. Met Bernini's torentjes liep het vaker slecht af. Ook de ezelsoren op het Pantheon zouden verwijderd worden, zij het pas in 1883. Maidalchini zou, ik schreef het al, ook nog Pamphilj 's minnares zijn geweest. Ingrid Rowland schreef dat Bernini Innocentius evenzeer voor haar maakte, als voor de paus zelf. Het verhaal gaat, dat toen Pamhilj in 1655 stierf, er drie dagen lang niemand naar zijn stoffelijk overschot omkeek en Maidalchini weigerde aan de teraardebestelling mee te betalen.

15.3 Rome, Palazzo Doria Pamhilj, Gianlorenzo Bernini (1589-1680). Buste van Innocentius X, 1650. Materiaal: wit carraramarmer. Bron: Toman 1998

Bernini, Innocentius X

15.4 Maar naast Bernini steelt Velazquez voor de moderne kijker toch een beetje de show, misschien ook vanwege het medium waarin hij werkt. De blik van Innocentius op zijn schilderij is hard en wantrouwig. Dit is de man, zo schrijft Rowland weer, die de vrede van Westfalen (en dus die van Münster, en van onze Opstand tegen Spanje) in 1648 nul, ledig, ongeldig, minderwaardig, onrechtvaardig, verdoemd, ongeschikt, betekenisloos en voor eeuwig zonder zin noemde. Blijkbaar was hij bang dat we hem niet zouden begrijpen. Hij was vooral boos omdat de vrede geheel buiten hem om was gesloten. Velazquez was Donna Olympia in elk geval niets schuldig. Hij was al 25 jaar de hofschilder van de Spaanse koning en hij schilderde Innocentius X zoals hij al zovelen eerder had gedaan. Francis Bacon (1909-1992) zou door het portret geobsedeerd raken en helemaal verwonderlijk is dat niet, want het is een werkelijk magistraal schilderij. Innocentius ligt begraven in de Sant' Agnese in Agone, overigens boven de toegangsdeur, wat wel origineel is.

15.4 Rome, Palazzo Doria Pamphilj, Diego Rodríguez de Silva y Velázquez (1599-1660), Portret van Innocentius X, 1650. Olieverf op linnen, 140 x 120 cm. Bron: Lopez-Rey 1996

Velazquez, Portret van Innocentius X

15.5 De uit Bologna afkomstige Algardi werd eigenlijk opgeleid als schilder in het atelier van Lodovico Carracci (1555-1619). Na een verblijf in Mantua bij de Gonzaga's, waar hij modellen ontwierp voor zilverwerk, reisde hij met een beurs naar Venetië en ten slotte in 1625 naar Rome. Daar begon hij, toen opdrachten uitbleven, voor Kardinaal Ludovisi te werken aan het restaureren van klassieke beelden. In 1640 werd hij directeur van de Academie van San Luca. In 1644 werd hij door Paus Innocentius X als opvolger benoemd van Bernini als hofbeeldhouwer. Voor diens familie ontwierp hij de Villa Doria Pamphilj, die aan de Via Aurelia Antica wel te verstaan, ten westen van Trastevere. Dit is dus Olimpia Maidalchini (1591-1657), schoonzus van Innocentius X. Ik meen in het gezicht veel karakter waar te nemen, maar misschien ben ik bevooroordeeld. Bekend is dat ze zich overal mee bemoeide en ze zelfs aan het Heilig Jaar van 1650 een kapitaal verdiende. Opvallend is natuurlijk de wijd uitwaaierende sluier, die misschien wel het expansieve karakter dient te ondersteunen. Dat was blijkbaar zo expansief dat ze, zodra haar zwager was gestorven, werd geïnterneerd op een familiebezit. Algemeen wordt in Algardi's werk de invloed van Bernini erkend. En ook hij maakte een buste van Innocentius X die, als ik mij wel herinner, in dezelfde ruimte staat opgesteld.

15.5 Rome, Palazzo Doria Pamhilj, Alessandro Algardi (1598-1654) [Busto di Olimpia Maidalchini Pamphilj] Buste van Olimpia Maidalchini Pamphilj. Materiaal: wit carraramarmer. Hoogte 70 cm. Bron: De Marchi 2008 nr. 29

Alessandro Algardi (1598-1654) Busto van Olimpia Maidalchini Pamphilj, 1646-1647

15.6 Het is misschien goed hier, waar je Caravaggio voor het eerst op deze Romepagina tegenkomt, iets over hem te zeggen. Caravaggio is al een aantal jaren in de mode. Daarmee zou ik niet willen suggereren dat Caravaggio geen goede schilder is, want dat is hij wel. Meer dan dat. Hij is een genie, woord dat naar mijn idee te vaak lichtzinnig wordt gebruikt. Maar er gaat beslist ook een moment komen dat, behalve zijn sublieme techniek en zijn geweldige ensceneringstalent, het wat theatrale karakter van zijn werk in het oog gaat lopen. Ik vind hem wat dat betreft soms iets weghebben van Jean-Léon Gérôme, ook al heeft Caravaggio natuurlijk veel meer talent. Ik heb zelf Caravaggio altijd het toppunt van Italianisme gevonden. De laatste drie, vier decennia is zijn reputatie, mede uiteraard vanwege zijn sensationele levensloop, tot haast buitenissige proporties uitgegroeid. Ik herinner me de tentoonstelling in Amsterdam met werk van Rembrandt en Caravaggio in het Van Gogh (of all places), waar er in het gastenboek zowat een wedstrijd plaatsvond tussen (veelal Italiaanse) bewonderaars van Caravaggio, en (meestal Nederlandse) bewonderaars van Rembrandt. Ik heb me daar toen wel enigszins aan geërgerd. Een vergelijking van twee kunstenaars kan, zeker als het tijdgenoten zijn met een gelijksoortige belangstelling, nuttig zijn, dat is waar. Maar ik vermoed dat Rembrandt en Caravaggio zelf elkaar meer respect zouden hebben betoond dan hun bewonderaars daar deden, want de twee verschillen qua temperament zeer, terwijl ze desondanks, elk op hoogst eigen wijze, de uitdrukking zijn van een geaardheid die er in hun omgeving welhaast van nature bestaat. Caravaggio is een showbink, die met een weergaloze, maar ook gladde techniek zijn taferelen in hoogglans neerzet, terwijl achter de schilder die Rembrandt is, zeer zichtbaar het brio en de spontaniteit van de tekenaar en etser schuilgaat. Qua zelfbewustzijn doen ze in niets voor elkaar onder, maar de rest is anders.

Ik laat op deze pagina 9 werken van Caravaggio zien, omdat die nu eenmaal allemaal in de stad hangen en voor het publiek toegankelijk zijn, op drie na nog gratis ook. De eerste twee gaan hierbij, allebei vroege werken, al is het goed op te merken dat die formulering voor iemand wiens carriere zo'n 15 jaar lijkt te beslaan, bedrieglijk is. Het is nog altijd 5 jaar meer dan die van Van Gogh, maar erg lang is ze toch niet. Het betreft Caravaggio's Maria Magadalena en zijn Rust op de Vlucht naar Egypte. Over de derde Caravaggio in Doria Pamphilj, Johannes de Doper, zwijg ik, want hoewel het museum het schilderij, zowel in de catalogus als in het museum als een origineel presenteert, is het een kopie. De echte versie hangt in de Pinakotheek van de Kapitolijnse Musea. Die zal ik er in een later stadium aan toevoegen. Bij de derde die ik laat zien, gaat het om Caravaggio's Madonna dei Pellegrini, in de Sant' Agostino. Vervolgens zijn er het Martelaarschap van Mattheus, de Roeping van Mattheus en zijn Mattheus en de Engel, alle drie in de San Luigi dei Francesi. Dan zijn er nog de De kruisiging van Petrus en De bekering van Paulus, beide in de Santa Maria del Popolo. Voor de negende ten slotte, en misschien ook de beroemdste, de Kruisafname moet u naar de Vaticaanse Pinacotheek. En daar moet u dus voor betalen. Wel kunt u het schilderij binnenkort - zo schrijf ik in de zomer van 2018 - in Utrecht bewonderen (vanaf 15 december 2018 tot en met 24 maart 2019), of in München (vanaf april 2019), want het schilderij gaat - hoogst uitzonderlijk - een tijd lang op reis.

Het staat niet vast wie de opdracht gaf voor dit schilderij, dat duidelijk een kabinetwerk is, gewoon bedoeld dus voor de muur van een privévertrek. Toen Caravaggio het maakte, verbleef hij met collega-schilder Giuseppe Cesari (1568-1640) bij aartsbisschop Fantino Petrignani (1539-1600). Bekend is dat het zich in 1627 bevond in de garderobe van kardinaal Pietro Aldobrandini (1571-1621), waarna het door het huwelijk van dochter Olimpia Aldobrandini (1623-1681) in 1640 met Camillo Pamphilj (1622-1666), zoon van Olimpia Maidalchini - ik verwees er al naar - in de Galleria Doria Pamphilj terecht kwam. Beweerd wordt wel dat het schilderij werd gedaan in opdracht van Francesco Maria Bourbon del Monte, die al over een kopie beschikte van Titiaans Magdalena. Anderen stellen voor Pietro Vittrice. Het model is opnieuw Anna Bianchini, een prostituée, met wie de schilder blijkbaar een stormachtige verhouding had. Ze zou 17 jaar oud zijn, was niet zo heel groot en had roodachtig haar. Ze poseerde vermoedelijk ook voor de maagd in Caravaggio's Rust op de Vlucht naar Egypte. Ze zit op een erg lage stoel, met de handen in de schoot, treurige blik neerwaarts, sieraden afgelegd, iets wat ongetwijfeld bedoeld is als afwijzing van de aardse ijdelheden. Over de neusvleugel loopt een traan. In een vroege beschrijving van het schilderij van Bellori wordt vermeld dat ze bezig is het haar te drogen, maar dat lijkt een vergissing, al staat er een geopende karaf naast haar en oogt het haar aan de onverzorgde, wilde kant. Een kruik met olie of zalf behoort min of meer standaard tot de uitrusting van Maria Magdalena. En waar bevindt ze zich precies? Wat is die half zichtbare diagonaal rechtsboven?

15.6 Rome, Galleria Doria Pamphilj. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610) [Maddalena Penitente] Magdalena als boeteling, 1594-1595. Olieverf op linnen, 122.5 x 98.5 cm. Bron: Vodret 2009 nr. 41 Bron foto: De Marchi 2008 nr. 16

Caravaggio, Magdalena als boeteling, 1594-1595

15.7 Ook de Rust op de Vlucht naar Egypte is een kabinetschilderij. Het onderwerp behoort natuurlijk tot de traditie. Jozef en Maria vluchten met het net geboren Christuskind voor Herodes' kindermoord in Bethlehem naar Egypte, aldus De Voragine's Legenda Aurea. Volgens een tien jaar na de dood van Caravaggio geschreven (maar lang onuitgegeven gebleven) biografie zou het schilderij zijn gedaan in opdracht van de hiervoor al genoemde aartsbisschop Fantino Petrignani (1539-1600), bij wie de schilder een kamer huurde en die woonde in de (Romeinse) parochie van San Salvatore in Lauro. Gezien het nogal muzikale karakter van het doek werden ook de Oratorianen als opdrachtgever gesuggereerd, een kloosterorde die veel belang hechtte aan muziek. Weer anderen noemen Kardinaal Pietro Aldobrandini. Vodret neemt aan dat de opdrachtgeefster Olimpia Aldobrandini senior was, in wier inventaris het schilderij in 1611 was opgenomen, waarna het door Camillo Pamphilj halverwege de zeventiende eeuw op de Romeinse markt werd gekocht, samen met twee schilderijen van Michelangelo, Caravaggio's hiervoor al genoemde Magdalena en zijn Buona Ventura, dat nu in het Louvre hangt. Op de rug zien we een naakte engel, deels met een wit gewaad bedekt, met viool, die de muziek die zij speelt leest van een blad dat wordt opgehouden door Sint Jacob, zinnebeeld van armoede en eenvoud. Het lijkt geen toeval dat precies in dezelfde periode Annibale Carracci (1560-1609) in Rome werkt aan een op de rug gezien naakt, waar ze als allegorie van de slechtheid figureert voor zijn Hercules op de Tweesprong (Ercole al Bivio) in het Palazzo Farnese (nu in Capodimonte in Napels). Rechts zit met het Jezuskind de maagd Maria, voor wie het model hetzelfde zou zijn als voor Magdalena. Op de achtergrond is (uiteraard) een ezel zichtbaar. Het is éen van de weinige werken van Caravaggio in de open lucht, terwijl we hier niet, zo schrijft Vodret, de Egyptische palmen zien die volgens de iconografie verplicht waren, maar het Romeinse platteland met de Tiber. Het schilderij is op verschillende niveaus te lezen als een gang in de richting van de redding, van het levensloze (de steen), via het dierlijke, het menselijke, via de engel naar het goddelijke. Het hele schilderij verwijst naar het Hooglied. Op het muziekblad is te herkennen een regel uit een motet van een Vlaming, die door Vaudret Bauldewijn wordt genoemd en voor wie ik op de Italiaanse Wikipedia vind: Noel Bauldewijn (1480-1529). Bij de passage gaat het om een dialoog tussen man en vrouw uit Hooglied: Quam pulchra es (Hoe schoon is zij). Dat motet werd gecomponeerd in 1519 en gepubliceerd in Rome in 1526.

15.7 Rome, Galleria Doria Pamphilj. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610) [Riposo durante la Fuga in Egitto] Rust op de vlucht naar Egypte, 1595-1596. Olieverf op linnen, 135.5 x 166.5 cm. 1604-1605. Bron: De Marchi 2008 nr. 15 Foto: Vodret 2009 nr. 42

Caravaggio, Rust op de vlucht naar Egypte, 1595-1596

15.8 Als ik zeg dat de collectie als geheel niet zo heel subliem is, moet u dat natuurlijk niet al te letterlijk opvatten. Ik bedoelde het, laten we zeggen, museumtechnisch, waar het in Rome nu eenmaal barst van de musea. Want dit is Rafaël. De twee Venetiaanse wetenschappers Andrea Navagero (1483-1529) en Agostino Beazzano (1490-1549), zo schrijven Henry/Joannides, verbleven in de lente van 1516 in Rome. De eerste was alleen op bezoek, de tweede was voor Paus Leo X (Medici, 1513-1521) werkzaam als diplomaat en had op dat moment blijkbaar niets omhanden. Uit een brief van kardinaal Bibbiena (in hetzelfde jaar ook door Rafael geschilderd), aan een gemeenschappelijke vriend, Pietro Bembo (1470-1547) is bekend dat ze van plan waren samen met Baldassare Castiglione (auteur van Il Corteggiano, De hoveling) en Rafaël van zins waren Tivoli te bezoeken. Mooi gezelschap, lijkt me. Hoewel Rafaël Navagero niet kende, ontwikkelde er zich tussen de twee al snel vriendschap. Aangezien die eind april 1516 terugkeerde om in Venetië stadsbibliothecaris te worden, moet het dubbelportret kort daarvoor ontstaan zijn. In 1530 wordt het schilderij door iemand gesignaleerd als in Bembo's bezit in Venetië, maar of hij de opdrachtgever was of het als gift verkreeg, is onbekend. Hoe de twee geportretteerden hier geplaatst zijn, is moeilijk vast te stellen en ofschoon er is gesuggereerd dat ze zich aan weerszijden van een tafel bevinden, of staan voor een borstwering, waarvan de rand zichtbaar is aan de onderzijde van het schilderij, lijkt er tussen de twee geen sprake van wat Henry en Joannides een geloofwaardige ruimte noemen, en dat lijkt mij ook. Van veel interactie lijkt er evenmin sprake. Het zou kunnen dat Rafaël door houding, blik en plaatsing, twee tegenovergestelde individuen wilde tonen, de éen inwaarts (Navagero links) gekeerd, de ander (Bezzano rechts) buitenwaarts. Daarmee zou, zo schrijven de twee, Rafaël, een Venetiaanse traditie kunnen hebben gevolgd. Ook in de kring van de Bellini's werden zulke schilderijen vervaardigd. Maar ik vermoed dat ik, als ik het omgekeerde had vermeld, u het ook had geloofd. Bovendien, er bestaan van een niet-geïdentificeerde navolger van Rafaël twee op dit schilderij gebaseerde, aparte portretten, die allebei in het Prado hangen en die lijken als zodanig heel wel te functioneren, zodat het de vraag is of Rafaël al niet bij voorbaat rekening heeft gehouden met een scheiding van de twee. De wetenschappers zouden in een later stadium nog ruzie met elkaar krijgen, maar zich voor hun dood nog met elkaar verzoenen en misschien nam Rafaël die spanningen waar, zo opperen Henry/Joannides nog. Hmmm. Het is wel waar dat Navagero schilderachtiger gedaan lijkt dan Beazzano, wiens portret veel getekender is. Het zwart dat de twee dragen is een Venetiaanse mode, maar begon ook in Midden-Italië door te dringen, zoals ook het geschoren gelaat plaats begon te maken voor de baard. Het dubbelportret moet éen van Rafaëls eerste exemplaren op linnen geweest zijn en het heeft er de schijn van dat hij bewust, in een portret waarvan hij kon aannemen dat het naar Venetië ging, de concurrentie met Titiaan aangaat.

15.8 Rome, Palazzo Doria Pamphilj, Rafaël Sanzio, Andrea Navagero en Agostino Beazzano, 1516. Olieverf op linnen, 77 x 111 cm. Bron: Henry/Joannides 2012

Rafaël, Andrea Navagero en Agostino Beazzano, 1516

15.9 Opvallend vond ik een groot aantal landschappen van Nederlandse schilders, die de laatste jaren weer in de belangstelling zijn komen te staan, van bijvoorbeeld Herman van Swanevelt (1603-1655) en Paul Bril (1554-1626), iets wat je in deze omvang zelden bijeen ziet. Omdat er ook werk hangt van bijv. Annibale Carracci (1560-1609), Gaspard Dughet (1613-1675) en Jan Baptist Weenix (1621-1663), is het voor wie geïnteresseerd is in vroeg landschapswerk dat enigszins buiten de Nederlandse traditie valt, een goede gelegenheid er werk te zien dat je niet zo vaak tegenkomt. Die nieuwe collectie is in een aparte ruimte opgehangen en zal daar permanent blijven. Hierbij twee landschappen van Paul Bril (1553/54-1626), die de wat bekendere jongere broer is van Matthijs Bril (1550-1583). Op mijn Lorrain-pagina besteedde ik al aandacht aan (vooral) het tekenwerk van Matthijs en Paul. Van Mander wijdde in zijn Schilderboeck van 1604 al een op dat moment nog erg actueel stukje aan de twee, vermoedelijk op basis van gegevens die hij kreeg van Willem van Nieulandt, die rond 1600 in Rome onder Paul had gewerkt en in 1603 terugkeerde naar Amsterdam. Er waren trouwens nog twee broers, Hans en Jacob. Hoewel de familie uit Breda afkomstig was, werd Matthijs waarschijnlijk in Antwerpen geboren, in 1550. Samen met Paul, die vermoedelijk in Antwerpen of Breda werd geboren, kreeg hij zijn eerste schilderlessen misschien van zijn vader, die in Bredase archiefstukken wordt betiteld als Mathijs Baermaker Janszone, bekend als Bril, de schilder. Van hem lijkt geen werk te resteren. Rond hun twintigste, ergens in de vroege zeventiger jaren, gaan de twee broers naar Italië, Matthijs iets eerder dan Paul, waar Matthijs' naam in 1581 voor het eerst in de Romeinse archieven voorkomt. Hij is dan woonachtig in de wijk Campo Marzio. In 1582 trouwt hij met ene Clara Scocchi, feit dat wordt genoteerd in het Libri Matrimoniorum van de parochie van San Lorenzo in Lucina. En dat lijkt te bewijzen dat hij van plan is zich definitief in Rome te vestigen. Op de lijst met getuigen staat niet zijn broer, aldus Carla Hendriks, aan wie ik sommige dingen hier ontleen. Volgens Van Mander zou Paul via Lyon zijn gereisd en daar een tijdje zijn gebleven. Als landschapsschilder komt Matthijs in dienst van Paus Gregorius XIII, voor wie hij in een loggia van het pauselijk paleis werkzaam is. 1575 is een Heilig Jaar en er is werk genoeg. Sommig werk elders ondertekent hij met een brilletje, iets wat zijn jongere broer later ook schijnt te doen. Ergens aan het eind van de jaren '70 voegt zijn broer Paul zich blijkbaar bij hem. Matthijs werkt ook in de Torre dei Venti, eveneens in het Vaticaans Paleis, maar ook in de gang met de landkaarten. Daarop brengen de broers de landschappen aan in de vorm van boslandschapjes met herders en hun kudde. Matthijs sterft plotseling in 1583, een jaar na zijn huwelijk. Begraven wordt hij in de Santa Maria dell' Anima, waar op zijn steen als sterfdatum staat 8 juni 1583. Na zijn dood worden de onvoltooide fresco's in de Torre dei Venti misschien door zijn broer afgemaakt, al schrijft Hendriks dat die directe bijdrage vermoedelijk niet zeer groot is, terwijl de omvang ervan maar bijzonder moeilijk valt vast te stellen. Carla Hendriks' studie van de fresco's van de twee broers in Rome dateert van 2005.

Er bevindt zich hier ook nog een Brueghel, wat al even bijzonder is, er hangt nog een tweede Rafaël, er hangen twee Titiaans, een paar mooie Lorrains en – speciaal voor Alkmaarders - een Jan van Scorel. Maar misschien is het bijzonderst toch het paleis zelf.

15.9 Rome, Palazzo Doria Pamphilj, Paul Bril (1554-1626) [Paesaggio con la caccia al cervo] Landschap met hertenjacht, 1595. Olieverf op linnen, 21 x 18 cm. Bron: De Marchi 2008 nr. 23

Palazzo Doria Pamphilj, Paul Bril, Landschap met  hertenjacht

15.10 Rome, Palazzo Doria Pamphilj, Paul Bril (1554-1626) [Paesaggio con armenti] Landschap met vee. Jaar, formaat en techniek niet gegeven. Bron: De Marchi 2008 nr. 25

Palazzo Doria Pamphilj, Paul Bril, Landschap met vee

15.11 zuil van marcus aurelius en piazza colonna
Op Piazza Colonna aan de Corso staat de zuil van Marcus Aurelius. Hij werd ten tijde van Commodus (180-192) of vlak erna voltooid en was bedoeld ter herdenking van Marcus Aurelius' overwinning op de Germanen en Sarmaten; hij was opgedragen aan zijn vrouw Faustina. De zuil is geïnspireerd door die van Trajanus. Weliswaar stond hij niet op een Forum, maar in de buurt bevonden zich wel tal van Antonijnse monumenten, o.a. de tempel van Hadrianus. Vermoedelijk maakte de zuil onderdeel uit van een door Commodus gebouwd complex met een tempel. De zuil werd opgericht tussen 180 en 193 en is geheel gemaakt van marmer. Hij bestaat uit 28 trommels en is bijna 30 meter hoog en 3.7 meter in doorsnee. De sfeer van de reliëfs is heel anders dan bij Trajanus. De soldaten zijn huurlingen geworden. De vormgeving is minder heroïsch en simpeler. Oorspronkelijk bevond het grondniveau zich drie meter lager dan nu. Eronder bevindt zich éen van de vele omvangrijke complexen met insulae, appartements-gebouwen, waarvan er heden ten dage zo her en der in de stad nog een stukje zichtbaar is, onderaan het Kapitool bijvoorbeeld, onder San Clemente, onder Santi Giovanni e Paolo op de hellingen van Caelius, waar een deel van de façade ervan nog zichtbaar is in een buitenmuur, en op de Esquilijn, vlakbij S. Prassede. De beelden van de keizer en Faustina op de top zijn in 1589 vervangen door een beeld van Paulus.

De wijding aan Antoninus Pius op het voetstuk van de zuil is een foutje van paus Sixtus V (Peretti, 1585-1590). Inderdaad werd na de dood van Antoninus Pius, op het Marsveld, niet ver van de brandstapel van de keizer, een aan hem gewijde zuil opgericht, en Sixtus dacht dat het deze was. Alleen het voetstuk van de echte is bewaard gebleven en dat staat in de Vaticaanse Musea, in het atrium van de Pinacotheek. De reliëfs erop zijn bijzonder. Aan een kant is er een allegorische voorstelling op afgebeeld van de apotheose van het keizerlijk paar, waarbij beiden als borstbeelden op de vleugels van Aion zitten, de eeuwigheid. Aan de andere zijde is een zogenaamde decursio te zien, een militaire parade die deel uitmaakte van de uitvaartceremonie van het keizerlijk echtpaar. De echte zuil van de keizer werd pas in 1705 teruggevonden. Hij stond op hetzelfde terrein waar ook het Ustrinum (de crematieplaats) van Augustus en dat van Hadrianus, het Horologium, de Ara Pacis en het Mausoleum van Augustus waren gebouwd. Hij was zwaar beschadigd en uiteindelijk zijn delen ervan terechtgekomen in de obelisk (!) die nu op Piazza di Montecitorio staat, voor het parlement dus. Maar deze is echt van Marcus Aurelius, van wie we toevalligerwijs ook nog een ruiterstandbeeld bezitten.

Piazza Colonna is eeuwenlang het centrum van de stad geweest. Aan de noordkant (op de foto rechts dus) staat het Palazzo Chigi, begonnen door Carlo Maderna; het was ooit de residentie van de Oostenrijks-Hongaarse ambassadeur en is nu de verblijfplaats van de premier, te weten (sinds 1 juni 2017) voormalig advocaat Giuseppe Conte, die toen Paolo Gentiloni opvolgde, de zetbaas van de vorige premier, Matteo Renzi. Conte zit er namens twee partijen, de Lega en M5S, de vijfsterrenbeweging. Op bijgaande foto is het Palazzo Chigi net niet zichtbaar. Jammer. Ik vergeet elke keer de foto te maken. Mussolini heeft er gewoond en sprak er van het balkon (al weer) veelvuldig de bevolking toe. Giulietta! Maar er hebben zich ook heel wat andere opmerkelijke scenes afgespeeld, opmerkelijk omdat het Palazzo Chigi nu eenmaal geen partijkantoor is, maar de vestiging van de premier die het land dient te verbinden en er namens alle Italianen zit. In 2006 werd er gejuicht vanwege het wereldkampioenschap voetbal, Berlusconi en Renzi juichten er na hun overwinningen en - vreemdste scene van allemaal: eind september 2018 juichte Di Maio er met zijn dubieuze kompanen, allemaal met twee vingers in de lucht, victorie, nadat de huidige regeringscoalitie erin was geslaagd het toegestane begrotingstekort voor de komende jaren te verhogen van 1.6 naar 2.4 procent, en dat wilde zeggen met ruwweg 40 miljard, ondanks het hardnekkige verzet van de Minister van Economische Zaken Tria. Achter de zuil staat het Palazzo Wedekind, waar vroeger de pauselijke posterijen waren gevestigd en tijdens de oorlog het fascistisch hoofdkwartier. Nu zit er nog steeds de hoofdredactie van de onmiddellijk na de bevrijding ontstane, zeer Romeinse (en behoudend linkse) krant Il Tempo. Die verschijnt sinds 2007 op geslonken Berlijns formaat en met een al even snel slinkende oplage. Waren er ooit nog 300.000 lezers, in de jaren '80 nog zo'n 140.000, nu zijn dat er minder dan 30.000.

15.11 Rome, Piazza Colonna, Zuil van Marcus Aurelius. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Zuil van Marcus Aurelius

III
KAPITOOL

16.1 Er zijn, vanaf hetgeen we maar de voorzijde zullen noemen, drie opgangen naar het Kapitool. De eerste mogelijkheid wordt gevormd door de lange, steil omhoog lopende trap naar S.M. in Aracoeli, een kerk die op het Kapitool staat en nu ligt ingeklemd tussen het Monument voor Victor Emanuel en de bebouwing op het Kapitool; even links voor die trap liggen resten van een insula uit de keizertijd. In de flat hier werd in later tijd een kerkje ingericht. Een fresco en de resten van een campanile zijn nog te zien. Tegelijkertijd is hier natuurlijk goed het niveauverschil te zien tussen de straathoogte van de keizertijd en dat van ons, iets wat je trouwens in Rome overal kunt vaststellen. Nog in de negentiende eeuw stonden hier andere appartementsgebouwen, zoals een foto van 1880 laat zien. Er is in Rome niet alleen meer, maar vaak ook minder ouds onder de zon dan je denkt.

16.1 Rome, Kapitool in de oudheid. 01 Tempel van Jupiter Optimus Maximus 02 Tempel van Ops Opifera 03 Tempel van Fides 04 Ara Gentis Iuliae (?) 5 Ongeïdentificeerde tempel van de Severische marmeren plattegrond 06 Tabularium 07 Tempel van Veiovis 08 Gebouwen uit de keizertijd 09 Insula van de Ara Coeli 10 Traditionele locatie van de Tempel van Juno Moneta 11 Vermoedelijke resten van de Tempel van Juno Moneta en het Auguraculum. Bron: Coarelli 2007

Kapitool in de oudheid, Coarelli

16.2 insula
Het gaat om overblijfselen uit de 2e eeuw nC. van wat wij een huurkazerne zouden noemen, want het complex was veel groter dan je nu ziet. Couperus' bijzonder aardige roman Komedianten begint in zo'n huurkazerne. Op Coarelli's kaart hiervoor is dit 9, linksboven. We moeten denken aan flatgebouwen van misschien 5 à 6 etages, waarin de gewone mensen van het oude Rome verbleven, het plebs, dat grotendeels leefde van hetgeen het kreeg uitgedeeld. Ze woonden dicht op elkaar, in kleine kamertjes, met doeken voor de open ramen en met houtskoolvuurtjes voor de keuken en de verwarming. Op gezette tijden brandde zo'n insula dan ook af. Ze bestonden uit een aantal verdiepingen, gelegen om een atrium; op de benedenverdieping bevonden zich winkels en voorraadruimtes, vaak met aan de straatzijde een ruim vooruitspringend balkon, terwijl zich daarboven tal van woonruimtes bevonden van verschillend formaat. Gebouwd waren ze standaard van een cementen kern met baksteen eroverheen. We kennen dat soort insulae uit bijvoorbeeld Ostia en Pompeji. Overigens stonden er tussendoor vaak veel kleinere, soms erg primitief gebouwde huizen, vaak deels van hout, zodat het soms de aanblik van een bidonville moet hebben geboden. Die gewone bouw bevond zich overal en bepaald niet alleen in arme wijken. Behalve op de Fora zelf en de Palatijn stonden ze gewoon tussen wat wij nu als monument beschouwen. De hellingen van de Palatijn aan de zijde van de Circus Maximus was er mee volgebouwd en op het Marsveld stonden ze samen met de insulae tussen de tempels op Argentina en het Pantheon en rond de zuil van Marcus Aurelius. Op het Caelius werden ze gewoon temidden van de huizen van de rijken gezet. Straten waren vaak erg smal, net zoals nu nog in Trastevere bijvoorbeeld, soms door bogen overkluisd, zoals we dat kennen van de clivio scauri. Armoede en rijkdom bevonden zich in elkaars onmiddellijke nabijheid. Alleen de zeer rijken konden het zich permitteren daaraan te ontsnappen. Dan hebben we het over de oude villa van Lucullus op de Pincio, de tuinen (Horti) van Sallustius bij Via Veneto, de Villa van Maecenas op het Esquilijn en de tuinen daar van alweer (Licinius) Lucullus. Sommige daarvan waren of werden keizerlijk gebied, andere bevonden zich buiten de muren, maar wel in de veilige nabijheid van een kazerne, zoals rond Santo Stefano Rotondo, waar zich niet bij toeval ook een groot complex met baden bevond (Caracalla). Het onderscheid tussen binnen en buiten de muren was nog veel minder scherp dan later, in de zesde en zevende eeuw. De Aureliaanse muur doorsneed heel wat bezittingen, al dan niet keizerlijk, die er deels binnen en deels buiten lagen.

16.2 Rome, Insula aan de voet van het Kapitool. Foto: mei 2013

Rome, Insula aan de voet van het Kapitool

16.3 trap naar s.m. in aracoeli
De andere trap, bijgenaamd de Cordonata (van Michelangelo), is in de praktijk de enige toegang die door toeristen wordt gebruikt om op het Kapitool te komen. Rechts ervan, een eindje verderop dus, loopt nog de Via delle Tre Pile omhoog naar het Kapitool, langs de resten van de Servische muur en die van de tempel van Jupiter.

Op deze eerste tocht laten we de steile trap van het Kapitool, die leidt naar de Santa Maria in Aracoeli, links liggen. Het ding is overigens wel bijzonder, want het is het enige monument dat in Rome verrees tijdens de ballingschap van de pausen in Avignon. De roemruchte Cola di Rienzi nam hem in gebruik ter herdenking van het feit dat Rome van de grote pestepidemie van 1348 was bevrijd. Her en der wordt meegedeeld dat de 124 treden uit een antieke Tempel van Serapis werden weggehaald, maar ik weet niet of het waar is. Vroeger, veertig jaar geleden, waren die traptreden in elk geval nog zeer hoog, maar dat zijn ze al lang niet meer. De bronnen zwijgen daarover. Stiekem zijn ergens in de laatste decennia, om hem toegankelijk te maken voor anderen dan reuzen, blijkbaar kleine treden tussen de oorspronkelijk zeer hoge gelegd. Dat zijn van die dingen waar je je als oude man het hoofd over kunt breken.

16.3 Rome, Trap naar Santa Maria in Aracoeli. Foto: mei 2013

Rome, Trap naar Santa  Maria in Aracoeli

16.4 cordonata
Bijgaande foto van de Cordonata is van een oud-leerling van me, maar ik heb niet kunnen achterhalen van wie. Het slecht leesbare bordje op de voorgrond: Affitasi (te huur), is in zijn humorisme een gelukkig toeval, dat door heel wat Romeinen gewaardeerd zou worden. In het gebouw zetelt de Romeinse gemeenteraad, toen nog onder leiding van burgemeester Alemanno, die behoorde tot de inmiddels sterk geslonken voormalige fascistische partij Alleanza Nazionale. Lo sceriffo nero, zoals Repubblica Alemanno noemde - de zwarte sheriff - vanwege zijn fascistische verleden en zijn zero tolerance-aanpak, werd in mei 2013 opgevolgd door de chirurg Ignazio Marino, van de linkse PD. Die werd in 2015 gedwongen af te treden, waarna in mei 2016 een burgemeester uit de rijen van de zogenaamde Movimento Cinque Stelle aantrad, Virginia Raggi.

16.4 Rome, Kapitool met Cordonata. Foto: oktober 2009

Rome, Kapitool met cordonata

16.5 rienzo
In het plantsoentje aan de linkerkant van de cordonata staat een standbeeld van Cola di Rienzo op de plaats waar hij in 1354 werd gedood. Het is van de hand van Girolamo Masini (1840-1885) en het werd er in 1877 neergezet, omdat de toenmalige stichters van het moderne Italië in hem een soort voorloper zagen. Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. Hij was een middeleeuws volksmenner die de stad een tijdje heeft geregeerd en in sommige opzichten zeer aan Mussolini doet denken. Rome was in die tijd een onveilige stad. De grote pestepidemie was net begonnen, de pausen zaten in Avignon. Rienzo, die beweerde een bastaardzoon te zijn van Keizer Hendrik VII, was in werkelijkheid van eenvoudige afkomst, en bracht het tot notaris. In die hoedanigheid werd hij in 1543 naar Avignon gestuurd in een poging Clemens VI terug naar Rome te halen. Dat lukte niet, al won hij wel diens vertrouwen. Hij greep de macht in 1347, noemde zich tribune, herstelde recht en orde en slaagde er zelfs in de adel aan zich te onderwerpen. De dichter Petrarca bewonderde hem, en noemde hem een nieuwe Camillus, Brutus en Romulus. Wij moderne mensen zijn, zoals gezegd, vooral geneigd in hem een vroege voorloper van Mussolini te herkennen. Want hij was niet alleen een ijdeltuit, die rondreed in gele en groene met bont afgezette zijde, terwijl hij een splinter van het kruis van Christus met zich meedroeg, en het volk met graagte toesprak, hij kroonde zichzelf ook tot vorst van Rome, waarbij hij alle vertegenwoordigers van de belangrijkste Italiaanse steden uitnodigde, die tijdens de plechtigheid een gouden ring omkregen, waarmee zij allen - en vooral hun steden - werden gehuwd met Rome. Helaas had hij alleen succes met Napels dat zich bij Rome aansloot. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, vluchtte hij. Zeven jaar later haalde de opvolger van Clemens VI, Innocentius VI, hem vanuit Avignon weer tevoorschijn om de orde in Rome te herstellen, maar Rienzo's aanpak werd door de bevolking niet gewaardeerd. Toen hij lag te slapen in het Palazzo Senatorio werd het bestormd; hij slaagde er nog zich onder het gepeupel te mengen, maar werd ten slotte herkend en naar de voet van de trap naar S.M. in Aracoeli gesleept, waar normaliter misdadigers werden geëxecuteerd. Hij moest een uur wachten tot iemand de moed had hem te doden, iemand uit het volk die impuinao mano ad uno stocco e deoli nello ventre, ja, in zijn maag dus, met een stok. Dat gebeurde op 8 oktober 1354. Byron wijdde een gedicht aan hem, Bulwer-Lytton een roman, en de componist Richard Wagner éen van zijn mindere opera's: Rienzi, der letzte der Tribunen.

16.5 Rome, op de voorgrond de rand van de Cordonata, in het gras het beeld Cola di Rienzo en op de achtergrond Monument Victor Emanuel. Maker beeldje: Giralomo Masini (1840-1885). Foto: mei 2013

Rome, beeld Rienzi met op de achtergrond Monument Victor Emanuel

16.6 Rechts loopt de trap die Michelangelo ontwierp (bijgenaamd Cordonata) en daar gaan we omhoog, langs de twee Egyptische leeuwen in zwart graniet uit de Ptolemeïsche tijd, die afkomstig zijn uit de Egyptische wijk van het Oude Rome (in de buurt van het Pantheon). Daar stond een tempel van Isis. Aan het eind links herinnert een verlaten kooi aan de wolven die Rome hier lange tijd heeft onderhouden; dat gebeurde natuurlijk om de wolvin te gedenken, die in vervlogen dagen de tweeling Romulus en Remus voedde en daarmee de stichter van Rome voor de historie redde. Aan de rechterkant bevond zich wat lager een kooi voor de arend. Het zal duidelijk zijn dat in deze diervriendelijke tijden dergelijke zaken uit den boze zijn. Jammer. Wolf en arend zijn beide symbolen van Rome.

En nee, geef toe: zo ziet u hem niet vaak. En zodoende dacht ik: kom. We kwamen er toevallig langs. Was het de Wereld-Teddybeerdag? Ik heb geen idee. Wel weet ik dat de foto genomen is op 4 oktober 2008. Geen kind te bekennen. Grappige foto. Nog een heel karwei geweest al die beren een beetje netjes neer te leggen. In Nederland zouden ze trouwens in een mum van tijd zijn gejat. Nou ja, in Amsterdam.

16.6 Rome, Cordonata met teddyberen. Opgang Kapitool. Foto: 4 oktober 2008

Rome, Cordonata

16.7 Bovenaan de trap wordt de toegang tot het Kapitoolplein gemarkeerd door twee gerestaureerde beelden uit het eind van de Keizertijd, die rond 1550 werden gevonden in het getto, op wat ooit het Circus Flaminius was: het zijn de Dioscuri, de mythologische tweeling Castor en Pollux. Let eens op de halve eierdoppen op hun hoofd; de moeder was Leda, de vader Zeus als zwaan. Ze kwamen de Romeinen te hulp in de slag bij de Lacus Regillus (496 vC.) en lieten hun paarden drinken bij de bron op het Forum die we later nog zullen bezoeken. De Romeinen zelf spreken van de Castors, daarmee Pollux, die van de twee de onsterfelijke was, tot anonymus degraderend. Ze werden neergezet onder Sixtus V (Peretti da Montalto, 1585-1590), zoals wel meer zaken hier. Helemaal toevallig is hun aanwezigheid niet: Plinius Maior vermeldt in zijn Naturalis Historia dat er voor de tempel van Juno op het Kapitool twee soortgelijke beelden stonden. Sixtus wist duidelijk wat hij deed. Verderop langs de balustrade hangen trofeeën van barbaarse wapens uit de Flavische tijd, bekend als de trofeeën van Marius. Ze hebben met Marius niets uit te staan, maar dateren in werkelijkheid uit de periode van Domitianus, van het eind van de eerste eeuw dus en stonden op wat nu Piazza Vittorio is, vlakbij Termini. Ze komen van het Mostra dell'Acqua Giulia, ook wel het Nymphaeum divi Alexandri, omdat het uit de tijd van Alexander Severus dateert (208-235), gewoon van de wateropvang daar. De wijdingstekst erop is (alweer) van Sixtus V. Er staan ook beelden op van Constantijn en zijn zoon Constantijn II, beide afkomstig uit de Thermen van Constantijn. Tevens zijn er twee mijlstenen te zien van de Via Appia, die van de eerste mijl, al gevonden in 1584, met een inscriptie van Trajanus, en die van de zevende, met éen van Nerva, die hier werd neergezet in 1848. En, even terzijde: zo aan het begin van de jaren '70 barstte Rome (en heel Italië trouwens) van de oleander. Op het Kapitool, rond het Theater van Marcellus, op het Forum Boarium, en ook op het Forum zelf. Die is nu bijna overal verdwenen. Ik vermoed dat ze als schadelijk werd beschouwd voor de monumenten. Zonde. Monumenten genoeg, nietwaar.

16.7 Rome, Cordonata, opgang Kapitool met op de achtergrond het Palazzo Senatorio. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Kapitool, Cordonata, 1973

16.8 De in de Veneto geboren, maar een goed deel van zijn leven in Rome werkzame Giovanni Battista Piranesi (1720-1778) is naar ik vermoed vooral bekend vanwege zijn Carceri d' Invenzione, die gigantische, zo duister romantisch ogende gevangenissen, met een tikje van Escher (al is het natuurlijk andersom). Maar Piranesi etste ook een groot aantal zogenaamde Vedute di Roma, Gezichten op Rome, en hoewel het vroegste exemplaar vaak wordt gedateerd met 1747 of 1748, staat wel vast dat Piranesi er al eerder mee begon. Ermee doorgaan zou hij tot hij stierf, zodat hij uiteindelijk zo'n 135 bladen zou vervaardigen met Rome als onderwerp. De bladen in kwestie verkocht hij los. Hier toont Piranesi de opgang naar het Kapitool, met links de trap naar de S.M. in Aracoeli en rechts de cordonata. Ook ten tijde van Piranesi stonden er ter linkerzijde van de trap naar de Aracoeli al huizen. Die staan er nog op de foto hierna, die van 1880 is.

16.8 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta del Romano Campidoglio con Scalinata che va' alla Chiesa d'Araceli] Gezicht op het Kapitool, met de trap naar Santa Maria in Aracoeli. 380 x 535 mm. Bron: Ficacci nr. 885

Piranesi, Gezicht op het Campidoglio

16.9 Hier zien we alleen de trappen naar S. M. in Aracoeli, op de ets van Piranesi hiervoor links. De huizen links van de trappen (vijf verdiepingen hoog) zullen er staan totdat aan het begin van de twintigste eeuw met de bouw van het Vittoriano wordt begonnen. Op deze foto van rond 1880 zijn ze nog zichtbaar. Niet alleen zijn de huizen die er stonden nu verdwenen, hier zijn nu zichtbaar de restanten van een insula uit de keizertijd, met erin die van een heiligdom. Ook het verschil met het huidige straatniveau is er goed aan af te lezen. De trap is sindsdien heel wat langer geworden.

16.9 [Scalinata della Chiesa di Santa Maria in Aracoeli] Trappen naar de Santa Maria in Aracoeli, ca. 1880. Albuminedruk, 25.2 x 19.7 cm. Bron: Becchetti 1991

Rome, Trap naar S.M. in Aracoeli, ca. 1880

16.10 allemaal heuvels
De Kapitolijnse heuvel is natuurlijk de beroemdste van de volgens traditie zeven heuvels waarop Rome was gebouwd. Dat waren: Aventijn, Kapitolijn, Caelius, Esquilijn, Quirinaal en Viminaal. Maar er zijn natuurlijk ook Janiculum, Pincio en Velia, er is de zogenaamde Vaticaanse heuvel, terwijl er inmiddels nog heel wat heuvels bij zijn gekomen. Eigenlijk was dat gedoe met die zeven heuvels altijd al een beetje onzin, maar nu is dat zeker zo. Wel is het waar dat de stad Rome zoals wij die kennen uiteindelijk zou ontstaan uit sommige van die op heuvels gelegen nederzettingen. Al in de 14e eeuw vC bevond er zich éen op de Kapitolijnse Heuvel. Volgens de traditie zou de stad zijn ontstaan doordat de belangrijkste van die nederzettingen, die op de Palatijn, de andere geleidelijk in zich opnam. Dat proces viel niet toevallig samen met de groei van de agrarische productiviteit en de aanvang van de Griekse kolonisatie, halverwege de achtste eeuw vC. Vondsten op het Forum Boarium bewijzen dat er al van vroegst af aan contacten bestonden met de Grieken op Ischia en in Cumae. Een belangrijk moment in de vroege geschiedenis was de bouw van de eerste (uiteraard houten) brug over de Tiber, de Pons Sublicius, halverwege de zevende eeuw vC, onder Ancus Marcius, die ook Ostia zou hebben gesticht. Aan het eind van de zevende eeuw meldden de Etrusken zich in Rome, die het een eeuw lang zouden regeren. Zij verdeelden de stad in vier administratieve gebieden: Palatijn, Collijn, Esquilijn en Suburana. Het hele gebied omvatte toen al 426 hectares en was daarmee groter dan dat van welke stad op het schiereiland ook.

16.10 Rome, de heuvels. Bron: Aicher 2004.

Rome, Heuvels

16.11 palazzo dei conservatori
Eerst maar even de lay out, om het zo te zeggen. Dat praat gemakkelijker. De Kapitolijnse heuvel is de laagste, maar beroemdste heuvel van Rome. De twee toppen worden van elkaar gescheiden door wat nu het plein is dat in het Italiaans Campidoglio heet, en bovenaan de trap ligt. Het wordt algemeen beschouwd als éen van de mooiste pleinen ter wereld. Hier komt enkel de geschiedenis van de gebouwen die er zich nu bevinden aan de orde. Voor de inhoud en de collectie verwijs ik naar de afdeling over de Kapitolijnse Musea.

Nu ligt rechts als je de trap opkomt het Palazzo dei Conservatori, onderdeel van de Kapitolijnse musea. De naam Conservatori komt van de stadsbestuurders die hier ooit huisden. Met de eigenlijke bouw ervan werd pas begonnen in 1563, toen Michelangelo nog leefde, maar ze werd tot 1568 voortgezet door Guido Guidetti (†1564) en Giacomo della Porta (1532-1602). De façade had een balustrade met beelden en er bevonden zich zes arcades in met toegangen, met de namen van de belangrijkste gildes die in de ruimtes achter elk ervan hun kantoor hadden: apothekers, lakenhandelaren, timmerlieden, smeden, slagers en herbergiers. Die laatste ruimte, aan de trapzijde, is nu in gebruik voor het sluiten van huwelijken en is als zodanig begrijpelijkerwijs zeer populair. Het werk aan het interieur zou voortduren tot het einde van de achttiende eeuw, vooral aan dat van zalen op eerste verdieping die waren bedoeld voor ontvangsten en voor de er werkzame conservatori. Op die Piano Nobile, die wij beschouwen als de eerste verdieping, bevinden zich 9 zalen, die appartamenti dei Conservatori worden genoemd. Daarover zoals gezegd meer als we het hebben over de Kapitolijnse Musea. De cortile, de binnenplaats, kwam pas af in 1720 en werd gebouwd door Alessandro Specchi (1668-1729). Daar kwamen toen de resten te staan van het kolossale beeld van Constantijn en de reliefs uit de Tempel van Hadrianus. Dat leidde ertoe dat het gebouw steeds meer als museum dienst begon te doen, zodat de kantoren van de Conservatori ten slotte werden verplaatst. Daarmee werd een begin gemaakt in 1748, toen op de tweede verdieping een zaal werd ingericht voor de pinakotheek, door Ferdinando Fuga (1699-1782). Ten tijde van Paus Benedictus XIV (Lambertini, 1740-1758) werd daar nog een nieuwe salon aan toegevoegd, waar de kunstcollectie werd ondergebracht die er zich nu nog bevindt. Na 1870, toen het Palazzo Senatorio officieel zetel van de gemeente werd, kwam ook het Palazzo dei Conservatori in handen van de gemeente en ook die ruimtes daar gingen dienst doen als ontvangstruimtes, al werd het museale karakter van het gebouw zoals dat inmiddels was ontstaan, intact gelaten. Op dat moment werden ook 2 nabije gebouwen ingelijfd, het Museo Nuovo dat in 1925 in het Palazzo Caffarelli werd gevestigd en de braccio nuovo, aan de andere kant van het plein dus en dat open ging in 1950. Zo kregen de Kapitolijnse musea, ooit begonnen in het Palazzo Nuovo, nu zijn definiteve vorm aan beide kanten van het plein. Het is verwarrend dat er zich dus achterin in het Palazzo dei Conservatori nog een paleis bevindt, het Palazzo Caffarelli. Dat is het recentste gedeelte van de collectie en het werd mede gebruikt voor de uitbreiding van het gebouw in de jaren '80 en '90; daar bevinden zich nu de resten van de basis van de Tempel van Juno, terwijl er ook de originele versie van het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius staat. Dat deel wordt ook wel Museo Nuovo genoemd, wat wederom verwarrend is gezien de gebruikelijke betiteling van het gebouw aan de andere kant van het Campidoglio, Palazzo of Braccio Nuovo.

De kassa voor de Kapitolijnse musea bevindt zich in een aparte ruimte, in het Palazzo dei Conservatori, aan de rechterzijde dus, waarna u weer naar buiten moet en de volgende deur moet hebben voor de entree. Als u pech hebt, staat u twee keer in de rij. Het standaard toegangskaartje kost (anno 2018) € 15. De eerste zondag van de maand is het museum gratis. Geopend is het elke dag van 9.30 tot 19.30 uur. Loketten sluiten een uur eerder.

16.11 Rome, Palazzo dei Conservatori. Foto: mei 2013

Rome, Kapitool, Palazzo dei Conservatori

16.12 palazzo nuovo
Aan de linkerzijde ligt dus het in een later stadum door Michelangelo ontworpen Palazzo (of Braccio) Nuovo, dat al vanaf het begin fungeerde als museum en nu ook gewoon onderdeel van de Kapitolijnse musea is. Het ontwerp voor de façade van het paleis dateerde dus uit dezelfde periode als waarin Michelangelo zijn werkzaamheden begon en het was zijn bedoeling alleen een façade te bouwen die identiek was aan die van het Palazzo dei Conservatori, met balkons als loggia en een identieke portico. Er zou geen gebouw achter komen en het was enkel de bedoeling een scheiding aan te brengen met het gebied van de Aracoeli erachter. Maar het enige wat er tot 1655 stond, was een muur. Toen wilde Innocentius X (Pamphilji, 1644-1655) er een echt paleis, dat vervolgens in twee fases werd gebouwd door vader Giralomo (1570-1655) en zoon Carlo Rainaldi (1611-1691). Voltooid werd het pas onder Paus Alexander VII (Chigi, 1655-1667) in 1654. Het is zijn wapen dat zich boven de arcade bevindt. Het gebouw is identiek aan dat aan de andere zijde. Het beeld van Marforio werd in 1679 in de cortile geplaatst en daarin kwam in 1980 ook het Ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius terecht waar het lange tijd achter glas stond, tot het weer verhuisde naar de huidige plek. Het gebouw heeft nooit tot de gemeentelijke administratie behoord en het werd museum toen in 1734 de kostbare collectie van Kardinaal Alessandro Albani erheen verhuisde, maar ook daarvoor al stond er kunst opgesteld. Zoals gezegd: de Kapitolijnse musea hebben een belangrijke dependance aan de Via Ostiense. De beide gebouwen hier zijn verbonden door een onderaardse gang, waar zich nu de zogenaamde Galleria Lapidaria bevindt, de stenentunnel.

16.12 Palazzo Nuovo. Zo op een foto valt het niet mee de tweeling uit elkaar te houden. Foto: mei 2013

Rome, Kapitool, Palazzo Nuovo

16.13 palazzo senatorio
En ten slotte: tegen de achterzijde van het plein ligt, met een fontein ervoor, het Palazzo Senatorio dat is gebouwd op de resten van het Tabularium, dat de staatsarchieven huisvestte en werd gebouwd in 78 vC. Het was het enige gebouw op het Kapitool dat de republiek overleefde, wat niet vreemd is gezien de verhoging van blokken tufsteen en peperino waar het op is gebouwd. In de middeleeuwen werd op de resten ervan door een Romeinse familie, de Corsi, een vesting met vier torens gebouwd, die door Bonifatius IX aan de stad Rome werd geschonken. Van die vier torens zijn er aan de forumzijde nog de twee resterende zichtbaar. Vanaf ongeveer 1150 was hier de Romeinse senaat gevestigd, een instituut dat door de opeenvolgende pausen machteloos werd gehouden en enkel als decoratie diende. In werkelijkheid kregen onder de pausen de caporioni de macht, gemeentelijke wijkhoofden, terwijl de conservatori, de hoofden van de gemeentelijke administratie juridische kwesties waarnamen en bijzondere commissies voorzaten. In de 12e eeuw werd er de Comune in gevestigd, de stadsraad. Het gebouw werd in 1538 in opdracht van Paus Paulus III (Farnese, 1534-1549) door Michelangelo in een renaissancejas gestoken. Die draaide het in de huidige richting en leidde de werkzaamheden tussen 1538 en 1541. Na zijn dood werd het karwei in 1605 voltooid onder Michelangelo's leerling Giacomo della Porta (1537-1602). De façade is van 1592, eveneens naar het model van Michelangelo. De beelden op de trappen zijn twee stroomgoden, in hun traditioneel liggende houding, de Tiber en de Nijl; in een nis staat een beeld van Minerva, omgedoopt tot Dea Roma. Ze heeft de wereld in de palm van haar hand. Het lichaam is klassiek Romeins, het hoofd en de armen zijn latere toevoegingen. De huidige klokkentoren van 1582 vervangt een vorige versie met de beroemde patinara, een klok die uit Viterbo gestolen werd; die klokkentoren werd in 1200 gebouwd en ging bij een blikseminslag halverwege de vijftiende eeuw verloren. De huidige versie is een reconstructie naar een ontwerp van pauselijk architect Martino Longhi de Oude (1534-1591). De uit Lombardije afkomstige Longhi was tevens huisarchitect van de familie Altemps, waarvoor hij ook Palazzo Altemps bouwde. Hoewel de huidige klok uit de zeventiende eeuw dateert, wordt hij nog steeds patinara genoemd. Geluid wordt hij traditiegetrouw bij de verkiezing van een nieuwe burgemeester en op 25 april, bevrijdingsdag. In een zaal in het gebouw werden recentelijk onder het stucco fresco's aangetroffen uit het begin van de 15e eeuw, waartoe misschien de opdracht werd gegeven door kardinaal Pietro Colonna, te oordelen naar een zuil die naast een afbeelding van Petrus werd aangetroffen. En ten slotte: ook in onze dagen vergadert de gemeenteraad van Rome in het gebouw, in de zogenaamde Aula Giulio Cesare, zaal die is genoemd naar een beeld dat daar van Caesar staat. Van dat feit maakte de voorlaatste burgemeester nog op bekwame wijze gebruik.

Die burgemeester was sinds juni 2013 voormalig chirurg Ignazio Marino, lid van de linkse PD. Door de pers werd zijn voornaam eerst omgedoopt tot ignaro (onwetende), vervolgens zijn achternaam tot Marziano: Marsman. Nadat in de zomer van 2015 een aantal van zijn wethouders en gemeenteraadsleden was gearresteerd wegens corruptie en in de herfst bleek dat hij zijn gemeentelijke creditcard wel erg ruimhartig had gebruikt, bood hij op 8 oktober zijn ontslag aan, trok het, kort voordat het definitief werd, op 29 oktober 2015 weer in, waarna de meerderheid van de raad - 26 gemeenteraadsleden, 21 van zijn eigen partij en 5 van de oppositie - op 30 oktober tegen zes uur 's avonds op het Kapitool zelf ontslag nam met 26 notarieel bevestigde handtekeningen, waarmee zijn val werd bezegeld, zonder dat hij nog de kans kreeg een vergadering te beleggen. Mi accoltellano in 26, zei hij daarna, "ze steken me met zijn zesentwintigen een mes in de rug", met een voor elke Romein begrijpelijke verwijzing naar een eerdere en hoogst klassieke moord, en dat uiteraard op de juiste locatie. Nou ja, soort. Rome werd daarna tijdelijk bestuurd door een speciaal door de regering aangesteld commissaris, Paolo Tronca, voormalig prefect van Milaan. En dat gebeurde nadat Marino eerder al een door de partij aangestelde commissaris naast zich had aangewezen gekregen, Matteo Orfini. Bij de tweede ronde van de verkiezingen op zondag 19 juni 2016 won, bij een opkomst van 50.2 procent met 67.5 procent van de stemmen (770.000) de kandidate van M5S, Beppe Grillo´s vijfsterrenbeweging, Virginia Raggi, die daarmee de eerste vrouwelijke burgemeester van Rome werd en tevens de jongste, want ze was 37 op het moment dat ze werd gekozen. Ze versloeg de linkse kandidaat Giachetti in alle deelgemeentes. Grillo zelf verscheen op het balkon van Hotel Forum, gelegen aan de rand van de keizersfora, vlakbij de Salita del Grillo, met een lamp - raggi is het meervoud van (licht)straal - en met om de nek een klerenhanger. Klerenhanger? In Turijn won een andere vijfsterrenkandidaat, de 31 jaar oude Chiara Appendino. Appendiabiti, klerenhanger, kortweg, nou ja, u begrijpt het al. Je bent een komediant of je bent het niet.

16.13 Rome, Piazza di Campiodoglio. Palazzo Senatorio, met erbovenuit de Patinara. Rechts: Palazzo dei Conservatori, links: Palazzo (of Braccio) Nuovo. Foto: mei 2013

Rome, Kapitool, Palazzo Senatorio

16.14 kapitolijnse heuvel
De Kapitolijnse heuvel bestaat in de praktijk dus uit twee heuveltjes met een dalletje ertussen waar zich nu het Campidoglio bevindt, het plein met de drie gebouwen erom heen. Op de zuidelijke top (rechts, gezien vanaf de Cordonata, achter het Pal. dei Conservatori) bevond zich het eigenlijke Kapitool, met de tempel van de Kapitolijnse triade, Jupiter Optimus Maximus, Juno Regina en Minerva als meest vereerde van Rome. Jupiter is natuurlijk de oude Zeus, Juno is Hera in Romeinse gedaante, godin aller vrouwen, terwijl Minerva uiteraard Athena is. Er zijn nog indrukwekkende resten van te zien, het duidelijkst in wat nu de nieuwe vleugel is van het Kapitolijnse museum, het Museo Nuovo, in het Palazzo Caffarelli, niet te verwarren met het Palazzo Nuovo dat aan de linkerzijde van het plein ligt. In het Museo Nuovo bevindt zich nu een deel van de originele 6e eeuwse tufstenen kern ervan. Dat zijn daarmee de oudste Etruskische resten van Rome. Jupiter werd beschouwd als de beschermgod van de stad. Hier werden de Sibillijnse boeken bewaard, legden de consuls de ambtseed af en hier beëindigde de legeraanvoerder aan het hoofd van een processie zijn triomf. De tempel was 53 bij 63 meter, had een hoog podium, trap aan de voorzijde, een blinde achtermuur, drie cella’s, ver vooruitstekende dakrand met daarop een beroemd acroterium, dat was gemaakt in een werkplaats in Vei, en bestond uit een terracotta quadriga, die pas in 269 vC werd vervangen door een bronzen exemplaar. Terracotta is aardewerk. Ook de andere cultusbeelden waren aanvankelijk van terracotta. De tempel werd aan het begin van de zesde eeuw ingewijd onder de Tarquinii, die blijkbaar hoopten op die manier het centrum van de Latijnse Liga, dat zich toen nog bevond in Alba Longa, naar Rome te verplaatsen. Hij werd in 83 vC door brand verwoest, en herbouwd, maar nu in marmer, met zuilen die uit de Atheense tempel van Zeus werden gehaald, werd nogmaals door brand beschadigd in 69 en in 80, maar hij stond nog in de 6de eeuw. Bij de eerste bouw werd - aldus de legende - het hoofd van een man gevonden. Het hoofd van Olus (ook wel: Tollius), dachten de Romeinen (Latijn = Caput Oli). Zo zou Rome het hoofd van de wereld worden, dachten ze en ze noemden de heuvel in het vervolg naar deze vondst: Capitolium. Tja, dat zijn van die verhalen. Een andere verklaring is dat er op wat nu het Kapitool is, uien werden gekweekt: campi d'oglio, uienveld. Dat klinkt al een stuk redelijker.
De noordelijke top (links van de Cordonata) werd bekroond door de arx, de citadel van Rome). Daar ligt nu de Santa Maria in Aracoeli. Daar bevond zich dus het Kapitool, de eigenlijke burcht. Daar waggelden de aan Juno gewijde ganzen rond, die met hun gekwaak de Romeinen redden bij de nachtelijke aanval van de Galliërs (390 vC). Ter herdenking werd eens per jaar op diervriendelijke wijze een in goud opgedirkte gans het Forum rondgedragen. Helaas werd de optocht besloten door een gekruisigde hond. Per slot van rekening hadden de ganzen dan wel gegakt, maar de honden niet geblaft.

In 343 vC werd hier de tempel van Juno Moneta gebouwd, op de plaats waar nu de Santa Maria in Aracoeli staat. Later raakte de naam daarvan verbonden met de munt die er ook in was gehuisvest. In de Middeleeuwen galmde de verbazing nog na over de pracht en de praal waarmee de Romeinen het centrum van hun wereldrijk versierden. Het Kapitool is het eerste wereldwonder, vertelt Magister Gregorius, een 12e eeuws clericus in zijn De Mirabilibus Urbis Romae, daar staan standbeelden die alle volkeren voorstellen met de naam van het volk op hun borst en een bel rond hun hals. Wanneer een volk in opstand kwam tegen het Romeinse gezag, bewoog het standbeeld van dat volk heen en weer en luidde de bel. Priesters brachten dan het bordje met de naam van het volk naar de magistraten die onmiddellijk een leger uitzonden om dat volk te bestraffen. Toen Rome zijn klassieke glans verloor en zijn, altijd duister genoemde, Middeleeuwen inging, kwam het Kapitool tot rust. De Tempel van Jupiter werd geplunderd, de beelden verdwenen en gras overwoekerde een oud verleden. Monte Caprino werd het Kapitool genoemd, de heuvel van de geiten. In 1538 kreeg Michelangelo de opdracht om het plein opnieuw vorm te geven.

16.14 Rome, Piazza di Campiodoglio vanaf de trappen van het Palazzo Senatorio. Rechts: Palazzo (of Braccio) Nuovo, links: Palazzo dei Conservatori. Foto: mei 2013

Rome, Piazza di Campiodoglio

16.15 campidoglio
Toen Keizer Karel V in 1536 Rome bezocht, schaamde Paus Paulus III (Farnese) zich zo voor het modderige Kapitool dat hij Michelangelo dus vroeg plannen te maken voor een nieuwe bestrating en voor de renovatie van de façades van het Palazzo dei Conservatori (rechts aan het plein) en hetPalazzo Senatorio (recht tegenover de trap). Hij ontwierp tevens een derde Palazzo, het Palazzo Nuovo (links), al had hij enkel een façade in gedachten en geen echt paleis, om zodoende een plein te kunnen maken in de vorm van een trapezium. Hij bedacht een ingenieus plaveisel, dat het centrum moest vormen van een perspectivisch spel. Het bedenken gebeurde trouwens in 1538, de aanleg ervan pas in 1940, onder Mussolini dus, wat allemaal hoogst Italiaans is. De gebouwen ter linker- en rechterzijde van het Campidoglio staan aan het begin bij de trap dichter bij elkaar dan aan het eind, waardoor het Senatorenpaleis (dat het plein dus afsluit) dichterbij en groter lijkt dan het in werkelijkheid is. De bouw begon in 1546, maar vorderde traag. Er bestaat een in Antwerpen bij Cock uitgegeven tekening uit deze periode die toont hoe het Campidoglio er toen uitzag. Bij Michelangelo's dood was alleen de dubbele trap af naar het Pal. Senatorio. Het gevolg van de ingreep van Paulus III was wel de draaiing van het plein. Tot de zestiende eeuw was het Kapitool alleen toegankelijk vanaf het Forum, iets wat trouwens in de twintigste eeuw nog tot ver in de jaren '70 zelfs per auto mogelijk was. Het gevolg is dat het Forum nu aan de achterkant lijkt te liggen. Sinds die tijd staan ook de gebouwen op het Kapitool naar het noorden gedraaid, in overeenstemming met de moderne ontwikkeling van de stad. De voornaamste toegang ligt nu aan de westelijke kant. Pas in de 17de eeuw was het plein voltooid, min of meer volgens de bedoeling van Michelangelo.

16.15 Kapitool, bron: Macadam 2006

Rome, Kapitool

16.16 Rome, Kapitool. Van links naar rechts: Monument voor Victor Emanuel (Vittoriano), Santa Maria in Aracoeli, Palazzo Nuovo, Palazzo Senatorio, Palazzo dei Conservatori, midachter: Forum Romanum; linksachter: Tempel van Antoninus en Faustina; uiterst links boven in de hoek: Markten van Trajanus. Bron: Rendina 1998

Rome, Kapitool

SANTA MARIA IN ARACOELI

17.1 De kerk dateert van voor de 6de eeuw en is, zoals gezegd, ook van onderaan de heuvel direct bereikbaar via een erg steile trap. Links om de hoek van het Palazzo Senatorio bevindt zich een wat sympathieker exemplaar. Daarmee komt u in het zijschip terecht. De oorspronkelijke versie ervan - ik vermeldde het al - dateerde uit 1348 en werd aangelegd als dank voor de verlossing van de pest. De S. Maria in Aracoeli zelf is gebouwd op de noordelijke verhoging van het Kapitool, op de plaats misschien van de Tempel van Juno, waar de munt van het Oude Rome gevestigd was. De godin werd dan ook Juno Moneta genoemd omdat zij de de Romeinen, en later de muntmakers waarschuwde (Latijn: monere = waarschuwen) om geen bedrog te plegen met het metaal of met het gewicht. Die etymologie is overigens hoogst dubieus. Aan deze vermaning danken wij in elk geval de naam van onze ­­geldstukken: munten, münze, monete, money. Juno was ook de godin die werd geraadpleegd door de vrouwen voor hun problemen. De kerk bewijst vermoedelijk hoeveel continuïteit er vaak is tussen klassieke monumenten en de latere versies ervan.

17.1 Rome, Kapitool, Santa Maria in Aracoeli. 1 121 treden naar de kerk, 2 Monument voor Kardinaal Ludovico d'Albret († 1465) door Bregno en Grafsteen van Giovanni Crivelli († 1432) door Donatello, 2 schip, van zijschepen gescheiden door 22 zuilen van diverse herkomst, cosmatenvloer 13e eeuw, plafond met scheepssymbolen ter herdenking van de Slag bij Lepanto, 4 Bufalinikapel, met fresco's van Pinturicchio, 5 uitgang naar Piazza del Campidoglio met 8e-eeuws mozaïek boven de deur, 6 en 7 twee preekstoelen, 8 Graf van Paus Honorius († 1287), 9 Graf van Luca Savelli († ca. 1287) in Romeinse sarcofaag, 10 Santa Rosakapel met 13-eeuwse mozaïeken, 11 Hoogaltaar met 10e-eeuwse Madonna, 12 Rond monument voor St. Helena met porfieren urn, staand op een altaar dat zou zijn opgericht door Augustus na een voorspelling van de sybille 11 Toegang tot de kamer met de Santo Bambino, 12 Monument voor Kardinaal Matteo d' Acquasparta († 1302), met fresco toegeschreven aan Pietro Cavallini (1259-1330), 15 Kapel van Santa Margherita van Cortona, 16 kapel van St. Antonius van Padua met schilderwerk van Benozzo Gozzoli, 17 Kapel van de kribbe. Bron: Gunn 1981

Rome, Santa Maria in Aracoeli

17.2 De kerk is de nationale kerk van Rome en dateert in zijn huidige vorm uit de 13de eeuw. In de voorganger die hier stond en die door Benedictijnen al rond 900 werd gebouwd, zetelde de senaat van de stad. In 1250 gaf de paus de kerk aan de Franciscanen. De (allemaal verschillende) zuilen in de huidige kerk zijn afkomstig uit allerlei Romeinse tempels. Op de derde links staat vermeld: A cubicolo Augustorum. Dat lijkt alleen maar te suggereren dat deze zuil uit een Romeins publiek gebouw afkomstig is, en niet per se uit een slaapkamer van de keizer, zoals vaak wordt vermeld. De gevel zou versierd worden met mozaïekvoorstellingen, maar zover is het nooit gekomen. Hij werd niet afgewerkt, zodat her en der gaten te zien zijn waar de planken van het steigerwerk ooit hebben gezeten. Hier stond op het hoogaltaar ooit de Madonna van Foligno, bij Rafaël besteld door Sigismondo dei Conti, en door diens erfgenamen ergens rond 1560 uit de kerk verwijderd en verhuisd naar Foligno.

De naam Aracoeli (altaar van de hemel) gaat terug op een oude, christelijke legende waarin (de uiteraard heidense) Keizer Augustus een vrome rol speelt. Net als Trajanus en Constantijn, is Augustus éen van de weinige Romeinse keizers die zich in de christelijke sympathie mocht verheugen. Toen Romeinse senatoren verzochten Augustus als god te mogen vereren, vroeg hij de Sibille om advies. Zij sprak: Als teken van het gerecht zal weldra de aarde druipen van zweet. Van de hemel zal de Koning der Eeuwen komen: Ecce ara primogeniti Dei. Tijdens deze voorspellende woorden zag Augustus volgens de legende de hemel opengaan en op het altaar van de hemel stond Maria met het Goddelijk Kind op haar armen. Dat kind ligt nu, zwaar versierd met goud en juwelen, in een kribbe. Het is een olijfhouten beeldje uit de 15e eeuw, en Italiës beroemdste baby, de Santo Bambino. Ervoor ligt (ongeopende) post uit heel de wereld. We suggereerden het al: het is een aardig idee, dat op de plaats waar ooit door vrouwen de Godin Juno werd geraadpleegd, nu andere vrouwen zich tot de Santo Bambino richten. Het beeldje werd, als mensen erom vroegen, nog lange tijd bij stervenden gebracht, per taxi. Tot de Tweede Wereldoorlog hield een Romeins edelman, prins Torlonia, een speciale, vergulde koets klaar om het beeldje weg te brengen. In 1994 werd de bambino gestolen (zoals al een aantal keren eerder was gebeurd), maar dit keer kwam hij niet terug. Schoften! Wat je ziet is dus een kopie.

De Engelse historicus Edward Gibbon kreeg in 1764, terwijl hij in deze kerk luisterde naar de broeders die de vespers zongen, het idee zijn Decline and Fall of the Roman Empire te schrijven, misschien nog steeds het beroemdste boek over het laat-Romeinse rijk. Op de monniken was hij niet erg gesteld. Hij schrijft:

It was at Rome, as I sat musing (te mijmeren) amidst the ruins of the Capitol, while barefoot friars (broeders) were singing vespers in the Temple of Jupiter, that the idea of writing the decline and fall of the city first started to my mind.

Jammer, want Gibbon zat dus in de Santa Maria in Aracoeli, en daar stond, niet de tempel van Jupiter, maar die van Juno Moneta. Die van Jupiter stond op de andere, zuidelijke heuveltop.

17.2 Kapitool, Santa Maria in Aracoeli. Foto: mei 2013

Rome, Santa Maria in Aracoeli

17.3 achter het senatorenpaleis
Rechts langs het Senatorenpaleis lopend, komen we op een punt vanwaar je een aardig uitzicht hebt over het Forum Romanum. Rechts leidt de weg omhoog naar de Tarpeïsche Rots, een ooit blijkbaar vervaarlijk uitstekende punt van de heuvel die vanwege zijn ongenadige doeltreffendheid in de Oudheid werd benut als executieplaats. Nu zou je er naar beneden rollen. Misdadigers werden van deze rotspunt naar beneden gegooid. Tarpeia, die haar naam aan deze rots gaf, onderging dit betreurenswaardige lot als eerste, toen ze de burcht van Rome aan de Sabijnen had verraden, kort na de stichting van de stad in 753 vC. Overigens is de precieze locatie ervan omstreden.

Voor ons loopt een oude Romeinse weg naar beneden, de Clivus Capitolinus. Wat we zien is het laatste deel van de lange weg die de triomferende Romeinen aflegden naar de tempel op het Kapitool, maar alleen in het oudste deel van de Romeinse geschiedenis, want latere triomftochten vertrokken vanaf het Circus Flaminius, aan de andere zijde van het Kapitool. De zegevierende generaal liet zich bij thuiskomst naar behoren huldigen voor zijn soldatenwerk. In een lange stoet gingen de krijgsgevangenen en wagens met buit uit de overwonnen gebieden hem voor over het Forum Romanum naar de Clivus Capitolinus. Daar splitste de stoet zich: de krijgsgevangenen naar rechts, direct naar de gevangenis en hun executie; de generaal naar boven om een sneeuwwitte stier aan Jupiter te offeren. Zo'n triomftocht, daar kwam heel wat bij kijken. Pompeius had twee dagen nodig om alle buit aan de Romeinse bevolking te tonen. In 46 vC. hield Caesar op drie achtereenvolgende dagen een triomftocht. Opvallend waren drie woorden die hij liet meedragen (veni, vidi, vici: ik kwam zag en overwon) en 40 fakkeldragende olifanten. Hier bevond zich ooit één van ingangen van het Forum. Er zijn er nu nog drie. De hoofdingang ligt halverwege de Via dei Fori Imperiali, de tweede bij de Boog van Titus, helemaal aan het andere eind van het Forum, de derde achter het Senatorenpaleis, op het Kapitool dus. Die laatste ingang lijkt niet altijd te worden gebruikt: soms is hij open, soms niet.

Links van de Clivus Capitolinus, tegen het Kapitool aan ligt een serie resten van tempels die tot het Forum Romanum behoorden, met uiterst links de resten van het Tabularium, het staatsarchief van het oude Rome. Resten van het tabularium kun je zien in de stenentunnel onder het plein. Van de tempels is weinig over. Dan, van links naar rechts: de drie hoekzuilen van de Tempel van Vespasianus. Daar rechts naast op de achtergrond: de kerk San Luca e Santa Martina. Daarvoor de Boog van Septimius Severus. Op de voorgrond de acht resterende zuilen van de Tempel van Saturnus. Tussen die twee in is op de achtergrond net zichtbaar een stuk van de Curia. Uiterst rechts de Tempel van Antoninus en Faustina. Tussen de twee meest rechtse zuilen van de Tempel van Saturnus nog net de Zuil van Phocas.

17.3 Rome, Forum, gezien van achter Senatorenpaleis. Foto: mei 2009

Rome, Forum Romanum

17.4 san giuseppe dei falegnami
Als je ter linkerzijde langs het Palazzo Senatorio loopt, bevindt zich links van de weg een kerkje, dat gebouwd is op de Mamertijnse Gevangenis, het cachot van het oude Rome. Het kerkje in kwestie is de San Giuseppe dei Falegnami, de Sint Jozef van de timmerlieden dus, jeweetwel, de vader vàn. Er wordt hier tegenwoordig nogal eens getrouwd, zoals op meer pittoreske oude locaties, al betreft het hier wat vaker de deftiger echtelieden. De kerk dateert van 1597 en werd drie jaar geleden nog voor bijna een miljoen gerestaureerd, daaronder ook het dak. Ooit liep erlangs, tussen Kapitool en Quirinaal door, de Clivius Argentaris, waarvan een klein stukje nog bestaat, als via Clivio Argentario, en dat nu naar de kerk loopt. Hier zetelde het gilde van de timmerlieden. De oorspronkelijke aanblik van kerk en straat is zeer veranderd, sinds hier in de jaren ’30 van de vorige eeuw alle huizen zijn verwijderd. De ingang van de kerk (het front is van Giacomo della Porta) werd verlegd om makkelijker toegang te verschaffen tot de gevangenis eronder, die belangrijker werd gevonden dan de kerk. Misschien is dat dan de reden, zo opper ik maar, dat hij op 30 augustus 2018 's middags om half drie instortte, want toen kwam plotseling het dak naar beneden. Nee hoor, grapje. De kerk gaat tegenwoordig alleen nog maar open voor huwelijken en hij was, de dag dat het dak instortte, gesloten. Van de kunstwerken die er in de kerk aanwezig waren, werden de belangrijkste 40 weggehaald. De restauratoren ontkenden dat hun restauratie de oorzaak was, want ze hadden enkel de tegels vervangen. Volgens hen was de oorzaak de staat van de houten spanten die de dakconstructie dragen en die van buiten onzichtbaar zijn. Wellicht was er sprake van houtmolm, waren ze aangetast door het water of had de tropische warmte een rol gespeeld, zo werd geopperd. Een en ander gebeurde niet zo lang nadat bij Genua een brug instortte met als gevolg 43 doden. Eugenio la Rocca (1946), oud conservator van de Kapitolijnse Musea, merkte op dat de Italiaanse staat de neiging heeft haar oudheden te behandelen alsof het aardolie was, waar je alleen maar naar hoefde te boren. Repubblica ried de burgemeester, Virginia Raggi, aan eens goed uit het raam te kijken, want dan kon ze de schade overzien die - naar toch wordt aangenomen - het gevolg was van achterstallig onderhoud. Anderzijds: Rome telt zo'n 900 kerken, waarvan er ruim 300 aanspraak op enig of veel historisch belang kunnen maken.

mamertijnse gevangenis
De crypte van de kerk is gebouwd bovenop twee cellen, de een boven de ander. De bovenste is trapezevormig, de onderste, ronde, die oorspronkelijk alleen via een gat in het dak te bereiken was, dateert minstens uit de 3e of 4e eeuw vC, maar vermoedelijk van eerder, te oordelen naar onlangs gevonden resten. Afschuwelijk en angstaanjagend, vond de geschiedschrijver Sallustius, het is er donker en het stinkt. De Mamertijnse gevangenis ging, na een jaar gesloten te zijn geweest vanwege nieuwe opgravingen en een restauratie, pas in de zomer van 2016 weer open. Vanaf dat moment treft u er in de kleine tentoonstellingsruimte aan de stoffelijke resten van drie mensen uit de 9e eeuw vC, namelijk een man met ingeslagen schedel en de handen achter de rug gebonden, een vrouw en een kind. En trouwens ook - wat minder spectaculair, de resten van een uit fruit en noten bestaand offer, daterend uit 14 nC, met daartussen de oudste gevonden citroen ooit. Er bevindt zich nu ook een fresco uit de 13e of 14e eeuw, met de Madonna della Misericordia, de Maagd der Barmhartigheid.

Ooit kon je er probleemloos in afdalen, zij het tegen betaling van een fooi aan de nurkse broeder die hier dan zat. Het complex is nu eenmaal eigendom van de broederschap van de San Giuseppe dei Falegnami, die de recentste restauratie ook hebben gefinancierd. De entree is geprofessionaliseerd, nu al voor de tweede keer, want eerder gebeurde dat enkele decennia geleden. En dus moet je gewoon dokken. Mocht je het allemaal wat klein vinden: dit is vermoedelijk maar een deel van het oorspronkelijke complex, en wel het geheimste, maar ook het verschrikkelijkste, het zogenaamde Tullianum, naam die misschien is afgeleid van één van de Etruskische koningen. Het bouwwerkje, oorspronkelijk misschien een Etruskische put, bood in later tijd onaangenaam onderdak aan Romes meest befaamde vijanden, zoals Jugurtha uit Noord-Afrika, Vercingetorix uit Gallië, en de gebroeders Gracchus uit eigen kring. Die werden hier allen gewurgd, zij het pas nadat ze in een triomftocht door de stad waren geleid. Ook Sejanus (hoofd van de Pretoriaanse garde onder Tiberius) en zijn jonge zoon en dochter werden hier gedood. Tacitus (Annales 6.5.9) vermeldt koeltjes dat bronnen beweren dat het meisje, omdat een maagd niet ter dood gebracht mocht worden, terwijl het touw al klaar lag, eerst werd verkracht. Volgens de traditie behoren ook de apostelen Petrus en Paulus tot de ongelukkigen die in deze muffe kelder hebben gezeten. Een traliewerk voor een holte in de muur geeft de plaats aan, waar Petrus met zijn hoofd tegen de wand werd gebeukt; volgens een minder hardvochtige overlevering is het de steen waar hij met zijn hoofd op rustte. Nee hoor, allemaal onzin. Ik kon het niet laten even snel de ingang te kieken. Slordige foto, maar toch. Het bordje spreekt boekdelen. Misschien is het een idee wat gekreun en gekrijs te laten horen: Torture museum!

17.4 Rome, Kapitolijnse heuvel, Mamertijnse gevangenis, Tullianum. Foto: mei 2013

Rome, Kapitool, Mamertijnse gevangenis

SAN LUCA E SANTA MARTINA

17.5 Even verderop kom je langs nog een kerk, die pal achter de (lager gelegen) Curia staat, en die de opvolger is van een nog oudere kerk. En die werd waarschijnlijk gebouwd op een bijgebouw van de Curia, het secretarium senatus, waar rechtszittingen werden gehouden. De eerste kerk heette de Santa Martina (7e eeuw), en de tweede (1673) kreeg een nieuwe naam waaraan de oude werd toegevoegd, en zodoende heet de kerk nu: San Luca e Santa Martina. De kerk werd gegeven aan het gilde van de kunstenaars, de Accademia di San Luca. Sint Lukas is immers hun patroonheilige. De gevel werd in 1650 aangebracht en is van Pietro da Cortona (1596/97-1669). Opvallend is de terugwijkende middengevel en de opbouw ervan met pilasters en zuilen. Ook de gevel van de Santa Maria della Pace werd naar zijn ontwerp gebouwd. Mussolini liet de kunstenaars verhuizen. Heel wat - ook buitenlandse - grootheden waren er principe van. De Academie, die nog steeds bestaat, al heet hij sinds 1948 Academia Nazionale di San Luca, zit nu aan het gelijknamige plein, vlakbij de Trevifontein, in het Palazzo Carpegna en beschikt daar over een eigen bibliotheek en collectie die gratis toegankelijk is (van 9.00 tot 19.00 door de week en van 9.00 tot 14.00 uur op zaterdag).

17.5 Rome, Kapitolijnse heuvel, Santi Luca e Martina. Gevel van Pietro da Cortona, 1650. Rechts ernaast een deel van de (onder Mussolini herbouwde) Curia, waarvan de voorzijde zich op het Forum bevindt. Foto: mei 2013

Rome, San Luca e Santa Martini

IV
KAPITOLIJNSE MUSEA

18.1 algemeen
De Kapitolijnse musea beschikken over een bijzondere collectie, maar een bezoek eraan is lang niet altijd een verheugende gebeurtenis. De eerste keer dat ik er kwam moet in 1971 of 1973 geweest zijn. Ik geloof werkelijk niet dat er sindsdien ook maar iets veranderd is aan de opstelling van het oude deel van de expositie. De directie zou gearresteerd moeten worden. Ik sluit niet uit dat de opstelling zelf als museologisch waardevol wordt beschouwd, gezien de lange duur dat ze al in situ bestaat, en dat er daarom niets aan wordt veranderd, maar er is niets wat je verhindert de tentoongestelde objecten van toelichtende teksten te voorzien en die ontbreken bijna geheel. Er wordt geen enkele serieuze poging tot informatie van het publiek ondernomen. Wel is ergens rond 2000 de Galleria Lapidaria gerestaureerd en opnieuw ingericht en is er gehannest met het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat eerst in het Palazzo Nuovo op de binnenplaats stond, en daarna in het Museo Nuovo terecht kwam. En ook de nieuwe vleugel daarvan is compleet nieuw, erg mooi en op voorbeeldige wijze ingericht. En ik ken ook de moeizame Italiaanse omstandigheden, financieel en anderszins en ik weet ook wel dat het niet meevalt een museum opnieuw in te richten, terwijl erin gegraven wordt - welk museum ter wereld kan het zeggen - en het gewoon open moet blijven, en ik bewonder ook de galante houding om praktisch elke jongere uit heel de wereld gratis binnen te laten - iets waar de Nederlandse musea een voorbeeld aan zouden kunnen nemen - maar de conclusie moet toch zijn dat een bezoek aan het oude, en toch beroemdste deel van de Kapitolijnse musea, net als die aan van het Vaticaan, voor het publiek een teleurstellende ervaring is. Dat is des te treuriger daar er sinds 2010 vier sublieme catalogi verschenen zijn van tentoonstellingen die mede gebruik maken van de eigen collectie (allemaal van La Rocca), zodat aangenomen mag worden dat er materiaal genoeg is. Het is te hopen dat de directie van het museum ook de gewone bezoekers eens serieus gaan nemen.

Er verschenen hier in 2017 rond een half miljoen bezoekers, althans volgens de officiële cijfers. Mij lijkt dat getal aan de lage kant en het zou me niet verbazen als er hier wat typisch Italiaanse corruptie zichtbaar wordt. Anderzijds, voor een museum als dit, met wat toch een wereldberoemde collectie is, is het echt een verrassend laag aantal, terwijl een niet onaanzienlijk deel van het bezoek ook nog eens uit niet betalende scholieren bestaat. Ik vermoed dat de oorzaak van de relatief bescheiden bezoekers-aantallen deels ligt in de geringe attractie voor het grote publiek van de klassieke kunst, die nog meer kennis van zaken vereist dan die van later eeuwen. Ik ben bang dat veel bezoekers van het Kapitool niet eens weten dat er zich daar musea bevinden. Italië stond anno 2015 met jaarlijks 46 miljoen bezoekers op de vijfde plaats van toeristenbestemmingen (na Frankrijk, de VS, China en Spanje), maar op de lijst van 30 drukst bezochte musea staan maar twee Italiaanse, het Florentijnse Uffizi op plaats 21, met 1.7 miljoen bezoekers) en de Vaticaanse Musea, die welbeschouwd niet in Italië staan, op plaats 5, met 5 miljoen. De vorige Minister van Cultuur, in het kabinet van Mario Renzi, Dario Franceschini, die - begrijpelijkerwijs, zou ik bijna zeggen - kort na zijn aantreden in februari 2014 een hartaanval doorstond, beheerde met 49 plaatsen op de Werelderfgoedlijst van de Unesco en duizenden andere over het ganse land verspreide cultuurlocaties zijn ministerie met een bedrag van nog geen 0.23 procent van de staatsbegroting. Ter vergelijking: Frankrijk deed het met 0.75 procent. Franceschini besloot voor 20 musea en archeologische vindplaatsen conservatoren te benoemen op basis van een geschiktheidsdossier voor een periode van 4 jaar. Ze kregen een grotere autonomie en hoefden niet langer van Italiaanse origine te zijn. Enige scepsis leek op zijn plaats. In 2008 benoemde een eerdere Minister van Cultuur, Sandro Bondi, een manager van McDonald's, Mario Resca. Dat bleek geen groot succes. Met Franceschini's opvolger, Alberto Bonisoli, van M5S (de vijfsterrenbeweging), is het sinds juni 2018 niet veel beter gesteld. De regering Conte beschouwt cultuur niet als een prioriteit. Enigszins raadselachtig: bezoekersaantallen voor Romeinse musea lopen gaande 2018 voorlopig met zo'n 10 procent (dwz zo'n 100.000 bezoekers) terug, zo kwam in september 2018 vast te staan.

Hoe dan ook: het kaartje voor de Kapitolijnse Musea kost anno 2018 € 11,50 en is dan officieel vier uur geldig, ook al is er niemand die erop let of u op tijd vertrekt. Die prijs geldt enkel als er geen bijzondere tentoonstellingen zijn. Anders betaalt u € 15,- Kopen moet u het in het Palazzo dei Conservatori, waarna u met dat kaartje naar de ingang moet, éen deur verderop. Ongetwijfeld komt u twee keer in de rij te staan, al kan de lengte ervan zeer verschillen. U komt dan uit op de binnenplaats, en kunt vervolgens naar boven en naar beneden, waar u door de Galleria Lapidaria naar de overkant kunt, waar u het museum kunt verlaten. 70 procent van het door u bestede bedrag gaat, zo meldde in januari 2014 de Italiaanse rekenkamer, naar het privébedrijf dat de kaarten verkoopt, Electa, van Mondadori, dat eigendom is van Berlusconi, de oude schurk. Het bedrijf werd ervoor op de vingers getikt, want het officieel toegestane percentage was 30, ook volgens Europese normen. Het is ten slotte nog van enig belang op te merken dat de Kapitolijnse Musea nu alweer een aantal jaren over een sublieme dependance beschikken, die minstens zozeer het bezoek waard is als de hoofdvestiging. En gelooft u me: dat is echt zo. Het gaat om de zogenaamde Centrale Montemartini, aan Via Ostiense. Zeer aanbevolen, al is het alleen al omdat het er altijd doodstil is. Dagelijks verschijnen daar gemiddeld 112 bezoekers, aldus onderzoek in juni 2014. De directeur klaagde dat er soms vier bezoekers per dag kwamen. Toen ik er de laatste keer was, vrijdag 17 oktober 2014, 's middags, was uw dienaar de enige betalende aanwezige. Ten slotte: alleen voor Romeinen bestaat er sinds de nieuwe burgemeester aan de macht is de zogenaamde Mic-card (Mic voor: Musea in Comune), een jaarkaart van 5 euro voor alle Romeinse gemeentelijke musea.

18.2 het ruiterstandbeeld van keizer marcus aurelius
Het Piazza di Campidoglio (Kapitoolplein) wordt al eeuwenlang beheerst door het ruiterstandbeeld van Keizer Marcus Aurelius (161-180). Daarover meer als we binnen zijn en voor het echte exemplaar staan. Dat praat wat gemakkelijker. Dat neemt niet weg dat u hierbij toch nog de echte op het plein zelf ziet, op een foto die alweer uit 1973 dateert. Vanaf 1980 werd het beeld in een glazen vitrine opgesteld in het Palazzo Nuovo (aan de linkerzijde van het plein, op de binnenplaats), tot het ten slotte in 1997 op de huidige en definitieve plek terechtkwam in het Palazzo dei Conservatori.

18.2 Rome, Campidoglio, Ruiterstandbeeld Marcus Aurelius (de originele versie, die nu binnen staat). Foto, omgezet van dia: zomer 1973.

Rome, Campidoglio,  Ruiterstandfbeeld Marcus Aurelius, Originele versie, zomer 1973

18.3 palazzo dei conservatori
Aan de rechterzijde bevindt zich dus - het zal u inmiddels duidelijk zijn - het Palazzo dei Conservatori. In de late middeleeuwen werd het de zetel van het stadsbestuur. Nu is op de begane grond ter rechterzijde nog steeds de burgerlijke stand gevestigd, en er wordt hier dan ook druk gehuwd. In 1450 werd het palazzo dat hier stond herbouwd, en 100 jaar later opnieuw, nu volgens de tekeningen van Michelangelo, van wie ook de gevel (1550) is van het huidige paleis met zijn Korinthische orde. Hier bevindt zich de ingang van het museum. De twee gebouwen aan weerszijden van het plein zijn door een tunnel verbonden, die al in de jaren '30 van de vorige eeuw werd aangelegd, maar pas rond 2000 weer is opengegaan, in gerenoveerde, verbrede en aangeklede vorm. Na de ingang aan de linkerzijde (met verplichte garderobe voor tassen) bestijg je rechts een lange, zeer brede trap (één heen, één terug). Op dezelfde plek waar de trap omhoog gaat, bevindt zich trouwens ook de ingang van de tunnel waarmee je straks onder het plein door naar de andere helft van het museum loopt, het zogenaamde Palazzo Nuovo. Via de trap kom je op de eerste verdieping. Op de tweede verdieping bevindt zich nu de pinacotheek, de collectie met schilderijen. De Kapitolijnse Pinacotheek was in oorsprong een pauselijke instelling, waartoe in 1748 werd besloten onder Paus Benedictus XIV (Lambertini, 1740-1758). Het was in feite het eerste publiek toegankelijke onderdeel van de pauselijke verzameling en tot de collectie met beelden in 1838 werd overgedaan naar de gemeentelijke autoriteiten, vormde de verzameling een geheel met die van het Vaticaan. Tot die tijd werden de Vaticaanse en de Kapitolijnse Pinacotheek als onderdelen van een communicerend geheel beschouwd. In 1870 werden met het ontstaan van Italië de collecties herenigd. Aan de Kapitolijnse Pinacotheek zal ik te zijner tijd een apart onderdeel wijden, als ik ook wat meer aandacht besteed aan de Vaticaanse.

cortile
Op de binnenplaats van het Palazzo dei Conservatori, waar de expositie sinds 2005 flink is aangepast, staan nu alleen nog net als vroeger ter rechterzijde, als u binnenkomt, de uit de cella van de Tempel van Hadrianus afkomstige reliëfs, die de Romeinse provincies voorstellen en aan de overzijde daarvan diverse delen van een kolossaal beeld van Constantijn uit de Basilica van Constantijn en Maxentius. Parisi Precisse schrijft (in La Rocca 2012) dat het bij de omvang van het rijk die Rome onder de keizers aannam niet verwonderlijk was dat de diversiteit van de talrijke gebiedsdelen op alle mogelijke wijzen werd verbeeld, vaak op allegorische wijze, in eerste instantie op munten, maar later bijvoorbeeld ook op allerlei monumenten, waarbij dan bijv. een vrouw diende als personificatie van een bepaald gebiedsdeel. De bedoeling was niet zozeer om die diversiteit te tonen en de eigenheid, maar om de romanitas van die streken te laten zien, met de bewoners waarvan per slot van rekening ook de legioenen werden gevormd en waarvandaan uiteindelijk ook keizers afkomstig waren. Waren er tot aan Trajanus maar personificaties van zeven provincies verschenen, allemaal op munten, met Afrika, Gallië, Germania, Judea, Italië, Sicilië en Spanje, op munten uit de periode onder Hadrianus en Antoninus Pius, verschenen veel meer personificaties van de provincies, in vijf types, die ruwweg op twee hoofdsoorten neerkomen, al naar gelang de romanisering en de pacificatie waren geslaagd: provincia in capta (veroverd, zittend of staand), en provincia pia fidelis (trouw), gekleed op Griekse wijze, in chiton en himation. De attributen waarmee zulke personificaties werden uitgerust konden zeer verschillen, met symbolen van hun vruchtbaarheid (Egypte, Afrika, Spanje), met het belang van hun culturele ontwikkeling (het Griekse Aichaia), of met typerende wapens, (Brittannia, Gallië, etc). Misschien heeft Hadrianus het overbrengen van die traditie naar beelden leren kennen in Athene, waar in het temenos (de gewijde ruimte) van het Olympieion (de Tempel van de Olympische Zeus), onder hemzelf voltooid, zich een porticus bevond met bronzen beelden die elk een provincie voorstelden. Hadrianus reisde het hele rijk af en tussen 134 en 138 verscheen er een serie munten met personificaties van 23 provincies en twee steden, volgens drie schema's. Daarmee toonde Hadrianus dat hij het Romeinse rijk als een ondeelbaar geheel zag, dat deelnam aan de romeinsheid: de romanitas. Het bijgaande reliëf is éen van de 19 die werden gevonden rond wat nu Piazza di Pietra is, allemaal in wit prokonnesisch marmer van zo'n 2 meter hoog. Oorspronkelijk moeten het er minstens 24 geweest zijn. Een aantal ervan bevindt zich heden ten dage ook in het Palazzo Massimo, op de eerste verdieping daar. Waar de munten met personificaties een geschreven aanwijzing hadden van de etniciteit, ontbreken die hier en die lijken er ook niet te zijn geweest. Opvallend is dat de wijze van afbeelden sterk lijkt op die van de barbaarse gevangenen uit de periode ervoor. De gekruiste armen van de vrouw hier kennen we ook van afbeeldingen van Daciërs op de Zuil van Trajanus. Welk gebied de vrouw hier afbeeldt, is al met al niet duidelijk. Ter troost schrijft Parisi Precisse dat ook Ovidius er in zijn Ars Amatoria niet moeilijk over deed. Dan wijs je gewoon wat aan, en zeg je: Dat is de Tigris, en dat is de Eufraat.

18.3 Rome, Campidoglio, Cortile van het Palazzo dei Conservatori, Reliëf met geografische personificatie uit het Hadrianeum. Bron: La Rocca 2012 Fig. 1

Rome, Palazzo dei Conservatori, Cortile, Relief

18.4 triomf van marcus aurelius
Als je terug gaat naar binnen en de trap beklimt, kom je halverwege langs een drietal panelen. Die tonen onder andere een triomf van Keizer Marcus Aurelius, die in 176 plaats zou hebben gevonden. Er bestaan in totaal 11 marmeren panelen die allemaal te verbinden zijn met Marcus Aurelius. Acht ervan werden hergebruikt voor de Boog van Constantijn, die toch al een assemblage is van allerlei panelen. Van de in totaal elf hangen er hier drie. Er is geopperd dat ze allemaal afkomstig zouden kunnen zijn van een triomfboog van Marcus Aurelius. Die boog heeft bestaan en bevond zich in de buurt van de Santi Luca e Martina. Het is passend om hier, zo dichtbij de Tempel van Jupiter en 's keizers ruiterstandbeeld, daar even wat over te zeggen. De panelen hingen lange tijd in de kerk Santa Martina, die aan het noordwestelijke eind van het Forum staat, en ze werden daar in 1515 weggehaald. Ze kwamen terecht op de binnenplaats van het museum, en vanaf 1572 bevinden ze zich hier. De drie taferelen zijn nogal controversieel. Op één ervan wordt Marcus Aurelius getoond in zijn currus (strijdwagen), vier paarden ervoor, een tempel erachter. Voor hem stond aanvankelijk (naar men nu aanneemt) zijn zoon Commodus, die op dat moment 15 was, en die later, nadat hij in 192 werd vermoord, is weggehaald, waarna de linkerzijde van de tempel is doorgetrokken. Die tempel zou overigens dè tempel zijn, namelijk die van Jupiter, Juno en Minerva op het Kapitool, en dit zou de enige bestaande afbeelding zijn van de vierde versie, die gebouwd werd onder Domitianus, die toen ook de plafondtegels liet vergulden. De identificatie van de tempel is omstreden. Achter Marcus Aurelius houdt een gevleugelde Victorie een lauwerkrans omhoog. De rechterhand op de rand van de wagen is een latere toevoeging, en het is niet duidelijk wat Marcus Aurelius precies heeft vastgehouden. Op de currus zijn, zo neemt men aan, afgebeeld Neptunus, Minerva en Roma. In haar boek over de Romeinse triomf gebruikt de schrijfster ervan, Mary Beard, onder andere deze drie taferelen om te illustreren dat veel wat wat altijd over de triomf wordt gezegd, in werkelijkheid zeer onzeker, of zelfs onjuist is, en in elk geval gebaseerd op heel beperkte bronnen die bovendien voortdurend met elkaar strijdig zijn. Dat geldt voor de route die werd afgelegd (onduidelijk), de precieze uitdossing (onzeker: de toga, purper, goudkleurig, het rood geverfde gezicht), de slaaf achter hem, de procedure die werd gevolgd, wie precies het recht verschafte tot een triomf, enzovoorts. De strijdwagen zelf bijvoorbeeld werd bij de oorlogvoering al eeuwen niet meer gebruikt, en moet een bijzonder oncomfortabel ding zijn geweest om staand een tocht van ettelijke kilometers mee te maken. Veel van dit alles wordt door huidige wetenschappers aangenomen op grond van een soort Etruskische herkomst, die aan deze riten wordt toegeschreven, maar Beard toont aan dat er daarvoor nauwelijks bronnen zijn, en dat ook de Romeinse geschiedschrijvers die door ons als bronnen worden gebruikt, daarover in onzekerheid verkeren.

18.4 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, reliëf met Triomf van Marcus Aurelius. Foto: oktober 2009.

Rome, Palazzo dei Conservatori, Triomf van Marcus Aurelius

18.5 appartementen van de conservatoren
Bovenaan bevinden zich de zogenaamde Appartamenti dei Conservatori. Het gaat hier om de zalen van de vroegere stadsbestuurders, de conservatori dus. Daar tref je wand- en plafondschilderingen aan, die allemaal betrekking hebben op de geschiedenis van Rome, maar die voor ons minder interessant zijn, ofschoon ze goed kunnen dienen als test van je kennis der Romeinse mythologie. Bij die zalen gaat het achtereenvolgens om de Sala degli Orazi e Curiazi, Zaal van de Horatii en de Curiatii. Die werd door Ridder d'Arpino (1568-1640), die eigenlijk Giuseppe Cesari heette, voorzien van fresco's met taferelen over het ontstaan van Rome. Het was in deze zaal dat trouwens in 1957 het Verdrag van Rome werd getekend, u weet wel, van de huidige EU. Als tweede is er de Sala dei Capitani, van de kerkhoofden, want hij werd genoemd naar de 5 leiders van de kerk, Marcantonio Colonna, Alessandro Farnese, Carlo Barberini, Gianfrancesco Aldobrandini en Tommasso Rospigliosi. Er bevindt zich onder andere een fresco van Tommasso Lauretti met de Slag bij het meer van Regillus. Dan is er als derde de Sala di Annibale, de zaal van Hannibal, de enige waar zich nog de oorspronkelijke fresco's bevinden uit het begin van 16e eeuw. Er is de Kapel, gewijd aan de maagd en Petrus en Paulus, er is de Sala degli Arazzi, van de wandtapijten, die in oorsprong de pauselijke troonzaal was, er is de Sala dei Trionfi (der triomfen), zo genoemd vanwege het fresco met de overwinning van Aemilius Paulus op Perseus van Macedonië, er is de beroemde Sala della Lupa, Zaal van de wolf, jeweetwel, zaal die in oorsprong uit een loggia bestond, er is de Sala delle Oche, van de ganzen, en de Sala delle Aquile (van de adelaars). In de eerste zaal zie je: 1: Romulus en Remus, 2 stichting van de stad, 3 Sabijnse maagdenroof, 4 de oorlogen van Romulus, 5 Koning Numa’s vroomheid, en 6 de Horatii. Daarna in de tweede zaal, de Sala dei Capitani: 1 rechts, Lucius Brutus met de executie van zijn eigen zoons, 2 links, Gaius Mucius die er zijn hand voor in het vuur steekt bij Porsenna, 3 achter, Horatius Cocles die in zijn eentje de brug houdt, 4 voorzijde, Slag bij het meer van Regillus. In de volgende zalen staan kunstvoorwerpen opgesteld.

18.5 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, Sala dei Capitani, marmeren beeld van éen van de vijf kerkhoofden, Gianfrancesco Aldobrandini. Fresco: Tommasso Lauretti, Slag bij het meer van Regillus. Bron: Rendina 1998

Rome, Palazzo dei Conservatori, Sala dei Capitani

18.6 kapitolijnse brutus
Aan het eind, in de laatste zaal aan de pleinkant, bevindt zich de Sala della Lupa, die van de wolf dus. Dè wolf, zijn we geneigd te schrijven. Hier staat de bijzondere Kapitolijnse Brutus. Het zou - we zeggen het onder voorbehoud - het enige beeld uit de laat-republikeinse tijd zijn dat er in het museum aanwezig is. Waar het gevonden werd, is onbekend, maar vermoedelijk gebeurde dat gewoon in Rome. Ergens in de zestiende eeuw werd het ingepast in een marmeren borstbeeld uit de keizertijd. Aangenomen wordt vaak dat dat gebeurde aan het eind van de eeuw, maar in werkelijkheid vond het vermoedelijk al plaats toen het bij Pio da Carpi terecht kwam. Van Maarten van Heemskerck kennen we nog een tekening (gemaakt tussen 1532 en 1535) van de kop zonder buste. Rond die tijd kwam het beeld in bezit van kardinaal en verzamelaar Rodolfo Pio da Carpi (1500-1564), die zijn functie in Rome bekleedde vanaf 1537. Of het werkelijk gaat om Lucius Junius Brutus, een van de helden van de stichting van de Republiek, is zeer de vraag. Het was Ulisse Aldrovandi (1522-1605) - vooral bekend als botanicus- die het beeld doopte tot Lucius Junius Brutus, de eerste consul van de Republiek, dat dan op grond van klassieke munten met diens profiel. Een schilderij van Jacques Louis David van 1789 versterkte dat idee. Het beeld werd na de dood van de kardinaal in 1564 aan de stad Rome geschonken, waar het sinds 1627 in de Sala del Lupo staat opgesteld. Onderzoek heeft uitgewezen dat het beeld bij de nek is gebroken. Je kunt ook zien dat het hoofd veel ouder is dan de rest, zo schreef ik ooit, maar als Parisi gelijk heeft, dan is zelfs dat niet waar. De lichte buiging van het hoofd en de omlaag gerichte blik doen vermoeden dat het beeld van onderen moest worden gezien en dat het hoofd dus afkomstig is van een standbeeld. Aan het voorhoofd ontbreekt een haarlok, wat misschien te wijten kan zijn geweest aan een defect van het wasmodel. De kop vormde oorspronkelijk éen geheel met de rest van het beeld en werd zelf gegoten in twee delen; de verbindingsnaad is te zien ter hoogte van de oren. Opvallend is de grote ernst van het gezicht (de gravitas), die zo kenmerkend is voor de beelden uit de Republikeinse tijd. Ook de harde gelaatstrekken, de vastberaden blik en het sobere voorkomen zijn typerend. De kop is vermoedelijk gemaakt in een Grieks atelier in Zuid-Italië of Etrurië, iets waar ook de aanhangers van een latere ontstaansdatum het mee eens zijn. De datum van ontstaan is omstreden. Sommigen houden het op de 4e of 3e eeuw vC., maar Claudio Parisi Presicce meent (in La Rocca 2011) op grond van de eclectische, uit diverse periodes bijeengehaalde elementen, met trekken uit de eerste eeuw vC. (kapsel), uit de vierde eeuw vC. (mond, lippen), uit de keizertijd (de baard over wangen en kin en de omvang van de oren), dat het uit de tijd van Augustus dateert.

18.6 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, Kapitolijnse Brutus. Hoogte, met buste: 0.74 m. Hoogte van het hoofd met nek: 0.37 m. Bron: La Rocca 2011 nr. 2.39, pag. 180-181 Foto: mei 2009

Rome, Rome, Palazzo dei Conservatori, Kapitolijnse Brutus

18.7 Lucius Junius Brutus was, even terzijde, de zoon van Tarquinia, de zus van koning Tarquinius Superbus. Caesars Brutus was een nakomeling. En jawel, met Lucius zitten we in de Etruskische koningstijd. Brutus was al getuige geweest van de moord op zijn zus, en om zelf gespaard te blijven, deed hij zich voor als een domoor (zoals de naam Brutus al zegt). Hij groeide op met de zoons van de koning, die hem als oud vuil behandelden. Na de verdrijving van de koningen zou hij de eerste consul worden. Als zodanig veroordeelde hij zijn eigen zoons ter dood toen die poogden de Tarquinii weer in ere te herstellen (zie de wandschildering in de sala dei capitani). Van hem wordt ook het fraaie verhaal verteld hoe hij in Delphi samen met de koningszoons te horen kreeg dat wie het eerste zijn moeder kuste, de volgende koning zou worden. De broers haastten zich naar huis om de moeder te kussen, maar Brutus viel buiten onmiddellijk met zijn gezicht op de grond en kuste moeder aarde. Nee, zo dom was hij dus niet. Wel sneuvelde hij helaas in een tweegevecht met Arruns, de zoon van Tarquinius. Omdat die zelf ook omkwam, kon zo de republiek een aanvang nemen.

18.7 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, Kapitolijnse Brutus. Hoogte, met buste: 0.74 m. Hoogte van het hoofd met nek: 0.37 m. Foto: La Rocca 2011 nr. 2.39, pag. 180-181

Rome, Rome, Palazzo dei Conservatori, Kapitolijnse Brutus

18.8 spinario
Hier staat ook de spinario, het jongetje dat een doorn uit zijn voet trekt. Het Hellenistische, 1e eeuwse bronzen beeldje – vermoedelijk naar een origineel uit de 3e eeuw vC, werd ook wel Fedele of Fedelino (de trouwe) genoemd, omdat er ooit het verhaal bij werd verteld dat het jongetje, een schaapherder, de senaat belangrijk nieuws kwam brengen, en pas toen dat was gebeurd de doorn uit zijn voet haalde. Een echte held dus alweer. Er bestaat een andere klassieke versie van in Florence. De spinario is een van de weinige beelden waarover we relatief goed zijn ingelicht, al is de vindplaats onbekend. Het stond ooit buiten het Lateraans Paleis en werd misschien door Sixtus IV naar het Campidoglio gehaald. Het was al beroemd in de vroege Renaissance en er bestaan tal van latere kopieën van, waarvan één in het Amsterdamse Rijksmuseum. Men neemt aan dat het hoofd van de spinario gemodelleerd is naar een ouder archaïsch exemplaar.

18.8 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, [Fanciullo che si toglie una spina dal piede, detto spinario] Jongen die een doorn uit de voet trekt, bijgenaamd Spinario. Brons, hoogte: 0.73 cm. Bron: La Rocca 2010 III.13

Rome, Palazzo dei Conservatori, Spinario

18.9 wolvin
De zaal daarachter is de Sala della Lupa, van de wolf dus. Hier staat de befaamde bronzen kapitolijnse wolvin, tegenwoordig het symbool van de stad Rome. Het beeld kwam alweer dankzij Sixtus IV in 1473 op het Kapitool te staan. Van de oorspronkelijke versie zouden er twee exemplaren zijn geweest, waarvan er zich één bevond op het Kapitool, en een andere stond opgesteld op het Forum, bij de Ficus Ruminalis (de vijgenboom, waarmee Romulus wordt geassocieerd), en die dan was voorzien van de gezoogde tweeling. In de 15e eeuw voegde Antonio Pollaiuolo de tweeling weer toe aan de nu overgebleven versie. Helaas, helaas. Vijftien jaar geleden meende de Italiaans archeologe Anna Maria Carruba al dat het beeld uit de middeleeuwen dateerde, maar ze werd niet geloofd. Tot voor kort werd aangenomen dat het beeld uit de tijd van de Republiek stamde, en nog de invloed liet zijn van de Etruskische traditie, vooral op stilistische gronden dus. Maar in juni 2012 kwam, na een onderzoek door Lucio Calcagnile, van de Universiteit van Salento, in Brindisi, (C14 èn thermoluminescentie) definitief vast te staan dat het beeld uit de middeleeuwen dateert, uit de periode tussen 1021 en 1153 om precies te zijn. Waarmee wederom een oude Romeinse mythe naar de gloria is geholpen. Ik heb het zelf ook altijd geloofd, dus schaam je niet. Slechte foto trouwens. Ik neem me elke keer voor een betere te nemen, maar vergeet het daarna.

18.9 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, Wolvin. Foto: oktober 2005.

Rome, Palazzo dei Conservatori, Wolvin

18.10 fasti
In dezelfde zaal hangen achter de wolvin de beroemde en omstreden fasti capitolini, of fasti triumphales. De tabletten werden, in een grote hoeveelheid fragmenten, gevonden bij de Tempel van Antoninus en Faustina. Waar ze hebben gehangen, is onduidelijk. Michelangelo zou, zo gaat het verhaal, de fasti zelf op het Kapitool hebben gereconstrueerd, zo belangrijk werden ze geacht te zijn. Het gaat om een soort kalender, een lang register met de namen van generaals die, sinds Romulus dat als eerste deed in 753, een triomf mochten vieren. De laatst genoemde in de lijst is Lucius Cornelius Balbus in het jaar 19 vC. Heel goed. Die van het theater. De fasti bevat de in mindere of meerdere mate complete gegevens van meer dan 200 triomfen. Ze hebben allemaal een standaard opzet: volledige naam van de generaal, naam van vader en grootvader, formele titel van het ambt dat hij vervulde, de namen van de plaatsen waarover hij triomfeerde, en de precieze datum, gerekend vanaf het jaar van de stichting van Rome. Ook de als wat lager beoordelde triomfen, zoals de ovatio, worden in de fasti genoemd. Hier volgt nauwkeurig de laatste vermelding in de lijst. Dat er geen grootvader wordt genoemd bewijst dat Balbus (zoals bekend) een homus novus was: LUCIUS CORNELIUS P(UBLIUS) F(ILIUS) BALBUS, PROCUNS(UL) A(NNUS) DCCXXXIV (= 734= 19vC) EX AFRICA, VI K(ALENDES) APRIL.

18.10 Rome, Kapitolijnse Musea [I cosidetti Fasti Capitolini: frammenti marmorei contenenti elenchi annuali con i nomi di consoli e trionfatori, da età regia a età augustea] De zogenaamde Fasti Capitolini, marmeren fragmenten met de jaarlijkse lijsten van consuls en triomfen, van koningstijd tot de tijd van Augustus. Bron: La Rocca 2010 p. 196

Rome, Palazzo dei Conservatori, Fasti Capitolini

18.11 marcus aurelius
Loop helemaal door naar achteren en je komt in de Esedra di Marco Aurelio, de indrukwekkende halfronde zaal (vandaar exedra) waar middenin nu het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius staat opgesteld, dat ooit op het plein voor het museum stond. Ja, vormgeving, daar zijn ze goed in, die Italianen.

De Romeinen hielden meer van Marcus Aurelius (121-180) dan van de meeste keizers, misschien ook vanwege zijn filosofische inslag. Keizer werd hij in 161, als opvolger van Hadrianus. Tijdens zijn veldtochten tegen de Germanen slaagde hij er ook nog in zijn Ta eis heauton te schrijven, Τὰ εἰς ἑαυτόν, zijn Geschriften aan zichzelf, meestal vertaald als Meditaties, of Overpeinzingen. Dat hij dat in het Grieks deed, zegt wel iets over Marcus Aurelius. Ook zijn adoptiefvader Hadrianus was op de Grieken gesteld. Na zijn dood had Marcus Aurelius al evenmin over geluk te klagen, afgezien van wellicht over de zoon die hem opvolgde, Commodus. Marcus' ruiterstandbeeld bleef namelijk bespaard wat talloze bronzen collega's ondergingen: de smeltoven. Volgens het Liber Pontificalis stond het beeld al in de 10de eeuw voor, of misschien in, de pauselijke residentie van het Lateraans Paleis, en dat vermoedelijk al sinds de 8e eeuw. De christenen meenden met de eerste christenkeizer Constantijn van doen te hebben. Over waar het oorspronkelijk vandaan kwam, wordt getwist. Sommigen menen dat het op wat nu Piazza Colonna is stond opgesteld, waar zich nu eenmaal ook ook andere Antonijnse monumenten bevonden, inclusief de Zuil van Marcus Aurelius. Anderen houden het op het Forum. Op een tekening van Maarten van Heemskerck uit het begin van de dertiger jaren van de zestiende eeuw staat het beeld nog voor de Sint Jan. Michelangelo plaatste het in 1538 voor paus Paulus III (Farnese, 1534-1549) met een eigen voetstuk in het midden van het Kapitoolplein. Dat voetstuk werd van het Forum geroofd, uit de tempel van Castor en Pollux en werd bij de restauratie in de '80er jaren van de vorige eeuw verwijderd. Aan het beeld ontbreken, zo wordt traditiegetrouw aangenomen, de geknevelde barbaar, die onder de opgeheven poot van het paard behoort te liggen, grote delen van het goudbeslag waarmee het bedekt was en de teugels. De spaarzame resten verguldsel die te zien zijn, hebben al eeuwenlang de legende in stand gehouden, dat de wereld zal vergaan als het gehele beeld met goud bedekt is. Als het zover is, zal de jongste dag worden aangekondigd door een stem die zal spreken vanuit de lok op het voorhoofd van het paard. We wachten het af. Gerestaureerd werd het beeld al voor het eerst tussen 1466 en 1468. In 1834 werd het geopend om er water uit te verwijderen. In 1912 werd het beeld nog een keer schoongemaakt, waarna het in 1940 van zijn plaats werd gehaald en tijdelijk opgeslagen tot het einde van de oorlog. Na een bomaanslag op het Senatorenpaleis in 1979 door de Brigate Rosse werd het ruiterstandbeeld grondig onderzocht. De luchtvervuiling die Rome al langer teistert, bleek het beeld ernstig te hebben aangetast. Tussen 1981 en 1988 werd het beeld grondig gerestaureerd. In 1997 werd een - naar algemeen wordt gezegd matige - kopie op het Campidoglio neergezet. Eerder al, in 1990, werd het originele beeld opgesteld in het Palazzo Nuovo (links), waar het in een grote glazen vitrine stond op de binnenplaats, bij de Marforio. In 1997 is het uiteindelijk terecht gekomen op de plaats waar het zich nu bevindt, op een nieuw, modern voetstuk dat op een soort spingplank lijkt.

Dit is het enige bronzen ruiterstandbeeld van dit formaat dat de klassieke oudheid heeft overleefd en als zodanig een unicum. De keizer lijkt afgebeeld terwijl hij zijn paard inhoudt en met de ter hoogte van de schouder gestrekte rechterarm oproept tot universele vrede, zo wordt althans meestal aangenomen. Het gebaar lijkt op wat we kennen van een bepaald type beeld van Augustus, de Augustus met kuras (lorica), die werd gevonden in Primaporta, waarbij die het gebaar maakt van de adlocutio, het retorische gebaar waarmee de opperbevelhebber de troepen toespreekt. 's Keizers blik hier is gericht op zijn hand met geopende palm en gestrekte vingers. De linkerarm is licht achterwaarts gebogen, terwijl de geopende hand ervan op de heup rust, de palm naar boven. Duim en middelvinger ervan hielden in oorsprong de teugels vast, die nu ontbreken. De burgerkledij van de keizer getuigt van zijn vredelievende bedoelingen: korte tunica, met cingulum om zijn middel en een paludamentum (mantel) gesloten door een fibula (gesp) op de rechterschouder. De stof van de mantel valt neer op de flanken van het paard. Aan de voeten draagt hij de de met twee veters vastgebonden calcei patricii, de tot de enkels reikende voetbedekking (calceus) die door Romeinse patriciërs buitenshuis werd gedragen en die uit 4 bijeengebonden tongen bestond. De rug van het paard is voorzien van een in het oude Rome hoogst ongebruikelijke bedekking die bestaat uit drie rechthoeken met een rand met driehoekig getande zig-zagdecoratie dat wordt gecompleteerd door een bovendek. Het paard is zeer zorgvuldig vormgegeven en lijkt op grond van bouw en spierpartijen afkomstig uit het noorden of het oosten. De kop is voorzien van metalen phalerae (beslag) en de geopende bek toont tong en tanden, terwijl de neusgaten wijd zijn geopend. Samen met de geheven rechter voorpoot lijkt dat er allemaal op te wijzen dat de gang van het dier op dat moment wordt geremd. Het hoofd van de keizer is zodanig weergegeven dat er over de identificatie geen enkele twijfel kan bestaan. Soortgelijke trekken zijn bij tientallen andere koppen van Marcus Aurelius aangetroffen, allemaal van het type dat in de archeologie wordt aangeduid met Terme 726. Het beeld lijkt gezien de hiervoor genoemde karakteristieken niet bedoeld geweest ter herdenking van een militaire triomf en zou kunnen dateren van ergens tussen 170 en 180.

18.11 Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo dei Conservatori, Ruiterstandbeeld Marcus Aurelius. Brons. Hoogte complete beeld: 4.24 m. Hoofd: 46 cm. Foto: mei 2009. Bron: La Rocca 2011 nr. 3.12

Rome, Palazzo dei Conservatori, Ruiterstandbeeld Marcus Aurelius,

18.12 Constantijn
Hier bevinden zich nu ook de resten van het reusachtige beeld van Constantijn. Dat was een zogenaamde acrolyth, wat wil zeggen dat het uit verschillende materialen was samengesteld. Hier waren de enige onbedekte delen, namelijk hoofd, arm en benen, blijkbaar van marmer, en was de rest van verguld brons. Vaak was de romp van bijvoorbeeld hout, dat dan met een gewaad was bedekt, en bestonden de zichtbare lichaamsdelen uit marmer. Zie misschien ook de Zittende Apollo in Napels. Hier staan nu de linkerhand en ook de kop, die samen met de nek 2.60 hoog is, en een voet van twee meter. Onlangs is aangetoond dat het beeld in oorsprong Maxentius voorstelde en dat het is omgewerkt tot Constantijn. De vindplaats van het beeld is onbekend, al ligt het voor de hand te denken dat het afkomstig is uit uit de westelijke apsis van de Basiliek van Constantijn en Maxentius op het Forum. Het beeld bevond zich al in de twaalfde eeuw in de Lateranen, waarna het in 1471 werd overgebracht naar het Campidoglio.

18.12 Rome, Kapitolijnse Musea, Bronzen hoofd van Constantijn. Hoogte oude deel (van kin tot kruin): 1.25 m. Bij een restauratie tussen 1993 en 1995 werden op het brons boven de wenkbrauwen sporen van verguldsel aangetroffen. Geschatte ontstaansdatum: 330-337 nC. Bron: La Rocca 2010

Rome, Kapitolijnse Musea, Bronzen hoofd van Constantijn

18.13 tempel van jupiter
Achter de exedra liggen delen van de tempel van Jupiter, die zich hier bevond. Er staat ook een glazen model van de tempel (rechts achterin), en een deel van het enorme podium waarop de tempel stond. In het recente verleden hebben de kop en een hand buiten op de binnenplaats van het Palazzo dei Conservatori gestaan, waarna ze ook nog op de eerste verdieping hebben gestaan, in de zaal met de fresco's. Helemaal achterin ligt de cafetaria, en je vindt daar op het dak van het museum een bijzonder fraai terras met een prachtig uitzicht, het terrazza caffarelli, dat in juli 2009 nog werd bezocht door mevrouw Obama, die hier van schoenen wisselde om vervolgens met de kids het museum te bezoeken. Kun je kerktorens tellen. Ga terug naar de trap waar je vandaan kwam, of neem de lift, en ga weer naar beneden.

18.13 Rome, Kapitolijnse Musea, resten van het podium van de Tempel van Juno. Foto: mei 2009

Rome, Kapitolijnse Musea, Podium Tempel van Juno

18.14 galeria lapidaria
Als je, op de plaats waar je de trap naar de eerste verdieping nam, nu een trap afgaat, beland je in een tunnel, de zogenaamde Galleria Lapidaria, wat zoiets betekent als de stenentunnel. Een lapidarium is immers een verzameling stenen, van welke aard dan ook. De tunnel verbindt de twee delen van de Kapitolijnse Musea. Er bevinden zich hier 130 resten met klassieke inscripties van allerlei aard, van zeer vroeg, tot zeer laat. Het gaat om wetsteksten, rituele inscripties uit tempels, van grafsteles, van bases voor beelden, enzovoorts. Je loopt nu dwars door wat ooit het tabularium was. En aangezien dat het staatsarchief was, is dus in zekere zin de oude situatie hersteld. De tunnel werd al aangelegd onder Mussolini, maar is jaren buiten gebruik geweest. Pas sinds 2000 is hij weer toegankelijk. Heilig jaar! Dertig meter voor het eind van de tunnel tref je rechts een prachtig uitzichtspunt aan. Je overziet hier het hele Forum, en waar dat aan weerszijden van het Kapitool altijd gaat temidden van hordes toeristen, is het hier meestal rustig. Mooie plek voor een uh… photoshoot. Links van de Via Sacra (het pad dat middenover het Forum loopt) de zeer schaarse resten van de Basilica Fulvia Aemilia, aan de andere kant ervan die van de Basilica Juila, achteraan rechts de drie zuilen van de Tempel van Castor en Pollux, midachter de resten van het ronde Tempeltje van Vesta. Aan de linkerrand weer de Tempel van Antoninus en Faustina, met daarachter de resten van de Basiliek van Maxentius en Constantijn en Maxentius. Helemaal aan het eind, net zichtbaar een hoekje van De boog van Titus. Links boven alles uit het Colosseum uiteraard. Wat zei je? Ah, je wou weten wat die campanile daar doet, die overal bovenuit steekt, helemaal aan het oost-eind van het Forum, vlak voor het Colosseum, waarvan je erachter net nog de rand kunt zien? Dat is klokkentoren van de Santa Francesca Romana, 1200 jaar oud. De kerk was - na de Santa Maria Antiqua - het eerste wat er op het Forum werd gebouwd na de val van het keizerrijk en heette toen nog Santa Maria Nuova. Dat was in 850. Ja, mooi torentje.

18.14 Rome, Forum vanuit Galleria Lapidaria. Foto: mei 2008

Rome, Forum Romanum

18.15 palazzo nuovo
Toen Michelangelo de opdracht kreeg het plein te renoveren, bedacht hij aan de linkerzijde (waarop dat moment dus nog niets stond) een nieuwe gevel, want meer was de bedoeling niet, om de symmetrie te completeren. Daar werd ten slotte gebouwd het Palazzo Nuovo, ofwel Palazzo del Museo Capitolino. Het paleis kwam af in 1654 en is sinds 1734 's werelds eerste publiek toegankelijke museum. Je komt nu dus onderlangs, via de tunnel, binnen. Beneden op de binnenplaats, nog voordat je weer een trap opgaat, bevindt zich hier de eerste der Titanen, de oceaangod Oceanus (Grieks: Okeanos), die hier is gereconstrueerd als liggende riviergod, de Marforio. Het 2e eeuwse beeld stond eerder onderaan het Kapitool en correspondeerde daar via briefjes met een ander beeld, Madama Lucrezia. Ooit stond het opgesteld bij de San Pietro in Vincoli. Als u nu het museum zou verlaten (niet doen, eerst even naar boven), de cordonata weer afgaat, de weg oversteekt, komt u uit op een klein pleintje. In het voorbijgaan passeert u er ook de fontein met één van de andere pratende beelden van Rome (Madama Lucrezia), die dat dan deed met de Marforio, nu dus hier op de binnenplaats van het Palazzo Nuovo. En andere pratende beelden zijn er ook: Pasquino natuurlijk, op het naar hem genoemde pleintje, vlak achter Navona, Piazza Pasquino, er is de sjouwer in Via Lata (Il Facchino), de Abate Luigi, aan de zijmuur van de Sant'Andrea della Valle, op Piazza Vidoni, Il Babuino, de baviaan, aan de straat die naar hem vernoemd werd: Via del Babuino (in plaats van ooit Via Clementina, naar Clemens VII). Het modehuis Brioni heeft dat laatste beeld eind 2015 gerestaureerd. Van de in totaal zes pratende beelden werden er inmiddels vier gerestaureerd, en de zes samen kregen ooit zelfs een eigen website, die inmiddels ook weer verdwenen is. Sic transit...

18.15 Rome, Palazzo del Museo Capitolini, Marforio (Okeanos). Foto: mei 2009

Rome, Musei Capitolini, Marforio

18.16 galliër
Een van de beroemdste stukken in dit museum is de Stervende Galliër. Daarvoor moet je weer eerst de trap op. Het is een Hellenistische kopie van een vermoedelijk in oorsprong bronzen beeld, dat rond 230 vC werd gemaakt in opdracht van Attalos I van Pergamon, ter herdenking van zijn overwinning op de Galaten in Anatolië. Want bij Galliër moet je niet denken aan onze Galliërs, die van Asterix. Het gaat om wat we uit de bijbel kennen als Galaten, en dat was een Keltische stam uit Klein-Azië. Het was Nero, die het origineel als oorlogsbuit meenam uit Pergamon, in Klein-Azië. Hij stelde het beeld op in zijn Domus Aurea, zijn immense paleiscomplex. Plinius maior vermeldt dat het ten slotte (samen met nog een stel beelden uit Pergamon) terecht kwam in de vredestempel, (Templum Pacis) die door Vespasianus werd gebouwd ter herdenking van de oorlog met de joden. Niet uit te sluiten valt dat het beeld beschilderd is geweest.

18.16 Rome, Kapitolijnse Musea, Stervende Galliër. Foto: mei 2013

Rome, Musei Capitoloini, Palazzo Nuovo, Stervende Galliër

18.17 horti sallustiani
Deze versie werd teruggevonden in de vroege 17e eeuw, in de Villa Ludovisi, die op zijn beurt was gebouwd op de tuinen van Salustius (de Horti Sallustiani). Salustius (86-35 vC) is de historicus en schrijver van De oorlog tegen Jugurtha (Bellum Iugurthinum) en De samenzwering van Catalina ((De Coniuratione Catilinae). Onder Julius Caesar werd hij als dank voor zijn trouw tot gouverneur (propraetor) van Africa Nova benoemd, waar hij zoveel geld binnenhaalde, dat hij er in het gebied tussen Pincio en Quirinaal (onder Augustus Regio VI) een landgoed van kon aanleggen, dat na zijn dood via een neef ten slotte in 20 nC zou overgaan in keizerlijke handen. Daar werden in de loop der tijd nog veel meer resten werden gevonden, onder andere de beroemde, zeer omstreden Ludovisitroon (Altemps), die wellicht de geboorte van Venus voorstelt, en de obelisk die sinds 1789 bovenaan de Spaanse trappen staat. Aanvankelijk werd het hier getoonde beeld de stervende gladiator genoemd. Het is één van de ongetwijfeld vele kopieën die er zijn gemaakt, maar wel een bijzonder fraaie. Waar veel van de andere beelden die in de 18e en 19e eeuw zo hogelijk werden bewonderd hun reputatie heben verloren, is dit altijd populair gebleven. Napoleon nam het ooit mee naar Parijs. Een ander stuk dat erbij hoorde (van een Galliër die zichzelf en zijn vrouw doodt), staat in het Palazzo Altemps. Ook dat is een kopie. In deze zelfde zaal staan ook een Antinous, uit de Villa van Hadrianus, en een Amor en Psyche.

18.17 Rome, Kapitolijnse Musea, Stervende Galliër: detail. Foto: mei 2013

Rome, Kapitolijnse Musea, Stervende Galliër, detail

18.18 filosofen en keizers
De volgende zalen bevatten een flinke hoeveelheid beelden van allerlei soort. Beroemd is de marmeren faun, een in Tivoli gevonden beeld van rood marmer. Het is (uiteraard) alweer een kopie, dit keer uit de 2e eeuw. De discobolus, de discuswerper is eveneens befaamd. Het gaat om één van de drie bekende exemplaren. Een ander staat in het Vaticaan, en nog een in het British Museum. Twee ervan (waaronder deze) zijn gevonden in de Villa van Hadrianus. In de achttiende eeuw werd het beeld nog gerestaureerd als een gewonde krijger. In de zaal van de filosofen staan bustes van Griekse en Romeinse politici, wijsgeren en wetenschappers: Euripides, Homeros, Socrates, Cicero en Pythagoras. De zaal werd in de zomer van 2016 op kosten van Enel gerenoveerd.

In de zaal daarna, die van de keizers, staat het fraaie borstbeeld van Caracalla, dat vermoedelijk van het Esquilijn komt. Maar er staan hier tal van anderen: Trajanus, Livia (de tweede vrouw van Augustus), Augustus zelf, Titus, Vespasianus, Nero, Marcus Aurelius, Gallienus, Heliogabalus en Septimius Severus. Hierbij niet eens alweer Caracalla - al is hij wel erg mooi - maar Trajanus. Mager, energiek gelaat, intense blik, is hij hier weergegeven op rijpere leeftijd. Het afgebeelde type wordt soms Decennali genoemd, en dat was het meest verbreid in de vorm van replieken en op monumenten. De decennali waren de feestelijkheden die plaatsvonden bij het tienjarige keizerschap van Trajanus. Anderen verbinden de hier gebruikte afbeeldingsvorm met de overwinning van Trajanus op de Daciërs in 107. Er bevinden zich van dit type ook exemplaren in Venetië en het Vaticaan.

18.18 Rome, Kapitolijnse Musea, [Busto di Trajano, tipo decennali] Trajanus. Hoogte met voetstuk: 0.74 m. Kin-kruin: 0.25 m. Gerestaureerd zijn neus, kin, oren, rechter schouder, fibula, onderzijde van de buste. Reparaties hebben plaatsgevonden aan delen van de wenkbrauwen, lip, gezicht, hals en kleding. De mantel (een paludamentum) lijkt bij een restauratie te zijn veranderd. Basis en voetstuk zijn klassiek, maar lijken slecht bij het beeld te passen. Bron: La Rocca 2011 nr. 4.19, pag. 272

Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo Nuovo, Trajanus

18.19 redenaar
En dan nog éen voorbeeld: een spreker. Spreken doen de Italianen nog steeds graag. Cicero is altijd hogelijk bewonderd geweest. Zijn brieven zijn trouwens nog steeds het lezen meer dan waard. Dit borstbeeld behoorde ooit tot de collectie van Barberini en daarna tot die van Albani. Het is van Grieks marmer. De buste zelf is weliswaar modern, en dus niet origineel, maar het klassieke hoofd verkeert in perfecte staat, al is in het verleden bij een schoonmaakbeurt de tint van het marmer aangetast. De vijftigjarige, met een vol gezicht, een haviksneus en een lichte onderkin, is op basis van de gelijkenis met een Londense versie (in Apsley House) die dateert uit de late Flavische tijd of uit de tijd van Trajanus, waar op de basis de naam van de afgebeelde staat, geïdentificeerd als de filosoof, politicus en redenaar Marcus Tullius Cicero (107-43 vC). Die werd door veel intellectuelen al gauw als held beschouwd, niet per se als de politicus die hij ook was, maar als retoricus, met als gevolg dat er zeer veel kopieën ontstonden, die dan bijvoorbeeld bibliotheken dienden te verluchten, net als bijvoorbeeld bustes van Menander, wiens gelaatstrekken trouwens soms op die van Cicero lijken. Met de politicus Cicero liep het slecht af. In 43 vC hingen op het Forum aan de rostra zijn handen en zijn hoofd, na diens proscriptie door Marcus Antonius, een van de drie leden van het tweede triumviraat, bij wie de redenaar het grondig had verbruid. De toeschrijving van dit beeld is inmiddels ook weer omstreden.
Het Mozaïek van de duiven dat er te zien is, luisterde ooit de villa van Hadrianus op bij Tivoli. Eveneens opvallend is het staande beeld van Alexander Severus als Perseus, die het hoofd van Medusa omhoog houdt. Vlak voor het eind staat de Capitolijnse Venus.

18.19 Rome, Kapitolijnse Musea, Cicero. Hoogte: 0.93 m. Hoogte hoofd: 0.36 m. Bron: La Rocca 2011, nr. 2.45, pag. 188-189

Rome, Kapitolijnse Musea, Palazzo Nuovo, Cicero

V
FORUM ROMANUM
ALGEMEEN

19.1 toegang
Er is op dit moment een aantal toegangen tot het Forum in gebruik. Maar let wel: of die allemaal functioneren, is nooit helemaal zeker. Daardoor begaven zich in 2017 in elk geval ruim 7 miljoen bezoekers. De hoofdingang, die in elk geval altijd open is, is die halverwege de via dei Fori Imperiali, waar je dan het Forum opkomt tussen de Basilica Aemilia en de Tempel van Antoninus en Faustina. De tweede voor gewone bezoekers belangrijke ingang ligt aan de kant van de Titusboog. Om geheel ondoorgrondelijke reden gebruikt de organisatie de tourniquets daar vaak alleen als uitgang. Halverwege 2017 stond gepland de opening van het zogenaamde Museo dei Fori, dat de veel imposantere vervanger van het antiquarium moest worden. Ik ben er nog niet geweest. Daarin is dan opgenomen de cella van de Tempel van Venus en Roma. De architect is Mario Bellini, die ook (samen met Ricciotti) het ontwerp maakte voor het glazen dak van de afdeling islamitische kunst van het Louvre, over de Cour Visconti die daarvoor 12 meter moest worden afgegraven, met eroverheen de zogenaamde sluier. Eerder al, op 17 maart 2016, kwam er een nieuwe toegang tot het Forum vanachter de Mamertijnse gevangenis, die het oudere exemplaar daar verving, terwijl er in mei 2016 een nieuwe uitgang werd geopend aan de Via di San Teodoro. De oude ingang aan de Salaria Vecchia wordt een cafetaria met terras. Vanaf - niet bij toeval - donderdag 21 april 2016 wordt het Forum 's avonds verlicht door een gloednieuw led-stelsel, dat avondrondleidingen mogelijk maakt: tot 28 oktober 2016, elke vrijdagavond, van 8 tot 12 uur, in groepen van maximaal 25, onder begeleiding door archeologen in het Italiaans en het Engels. Voor reservering van La luna al Foro, zoals het programma officieel heet, kunt u bellen: 06-39967700. Eerst allemaal zien, dan geloven. Voorlopig moest in februari 2016 een der kassa's aan de Via dei Fori Imperiali tijdelijk sluiten vanwege een muizenplaag. Rome heeft twee keer zoveel muizen als inwoners, het is maar dat u het weet.

De toegang (in herfst en winter van 8.30 tot 16.30, en anders van 8.30 tot 19.00 uur) bedraagt anno 2018 (vol tarief) € 12, of € 7.50 voor jongeren uit de EU, en die is dan geldig voor Forum, Palatijn en Colosseum. Jongeren uit de EU onder de 18 zijn gratis, waarbij een leeftijdsbewijs verplicht is. Ook voor docenten die rondleidingen geven is de toegang gratis. Begin januari 2014 liet de Italiaanse rekenkamer weten dat het privébedrijf dat de kaartverkoop regelt 70 procent van de opbrengst in eigen zak stak en daarmee de wet overtrad. 30% was het toegestane maximum, ook volgens Europese regelgeving. Ook de geplande verhoging van de prijs met drie euro werd ongedaan gemaakt. Het bedrijf in kwestie, Electa, is eigendom van Mondadori. Het beheert de toegang tot de Fora al sinds 1997. Meerderheidsaandeelhouder is Berlusconi. Op het kaartje dat u koopt, stond lange tijd ook vermeld mostra, maar naar een tentoonstelling moest u vergeefs zoeken, want het antiquarium aan het eind van het Forum, tegen de S. M. Nova aan, eigenlijk Santa Francesca Romana, en op het terrein van de Tempel van Venus en Roma, was altijd dicht, net als de S.M. Antiqua. Nu bevindt zich daar dus dat nieuwe Forummuseum.

Tot slot, nuttige wetenschap: er bestaan uiteraard inmiddels tal van Forum-Apps (Voor I-Phone en Android) die u over het terrein kunnen leiden. De officiële versie (in Italiaans en Engels) is die van het hier zojuist genoemde Electa, maar de Androidversie werkt op dit moment, begin oktober 2017, drie jaar na introductie, voor zover ik heb kunnen vaststellen, bepaald niet vlekkeloos, al is hij wel gratis. Anderzijds, zoals te verwachten, als hij eenmaal werkt: u hoeft niet zo heel veel te weten, om maar weinig te horen wat u nog niet wist.

19.1 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio I, 6 recto, gezicht op het Forum Romanum vanaf de Palatijn, 1532-1536/37. 13.5 x 21 cm. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Gezicht op het Forum Romanum vanaf de Palatijn

19.2 vroegste resten
Wanneer de moderne toerist op plaatsen belandt waar zoveel historie is opgestapeld en weer is afgebroken (en daarna, vooral niet te vergeten: soms weer is opgebouwd) als op het Forum Romanum, dan wordt het hem snel te machtig, zeker als hij er niet helemaal uit vrije wil is. Nee, niet weglopen. Hier liep Caesar; die zuilen heeft Augustus nog met eigen ogen gezien; dat soort met sentiment beladen overwegingen komt bij je op, als je over het Forum Romanum wandelt. Daar werd Keizer Galba aan stukken gehakt, en daar hingen hoofd en handen van Cicero. Inderdaad, alleen het hoofd en de handen. Probeer je opwinding te bedwingen, en laten we bij het begin beginnen.

In het verre verleden lag aan de voet van de Romeinse heuvels een moerassig gebied. De nabijheid van een grote rivier was daar niet vreemd aan. De eerste bewoners van de streek zochten hun onderkomen op droge plaatsen, in de heuvels, zoals op het Palatijn, de hoge richel onmiddellijk langs de lengte van het dal, maar ook op de Kapitolijnse heuvel, aan het noordelijk eind ervan. De resten van bewoning zijn overal teruggevonden. De vlakte erlangs, die nu het Forum is, werd aanvankelijk begraafplaats. Dat duurde tot het begin van de 8e eeuw. Daarna werden er een tijdlang alleen kinderen begraven, van wie dat nog lang binnen de stad was toegestaan. Nadat de necropolis op het forum, waarvan ook op verschillende plaatsen resten zijn gevonden, aan het begin van de zesde eeuw helemaal in onbruik raakte, verplaatst die zich naar het Esquilijn. Het Forum werd rond 600 voor het eerst geplaveid. Het is opvallend hoe vaak de als mythologisch beschouwde bronnen kloppen met de archeologische gegevens. In 616 zou, volgens de overlevering, Tarquinius Priscus, eerste Etruskische koning, zijn dynastie in Rome hebben gevestigd. De Etrusken waren vaardige technici. Ze wisten niet alleen op fijnzinnige wijze metaal te bewerken, maar ze perfectioneerden ook verschillende types bouwwerken door toepassing van boogconstructies: bogen, bruggen en gewelven. De Etrusken legden ergens in de 6de eeuw al een grote open riolering aan door het moeras, de Cloaca Maxima, die in de eeuwen erna geleidelijk overdekt zou worden. De monding daarvan in de Tiber is nog steeds te zien. Daarna werden aan het oorspronkelijke Palatijnse stadsdeel de andere heuvels eromheen toegevoegd, zodat het forum in het midden kwam te liggen, en nu het was geplaveid kon gaan dienen als stadscentrum. De bouw van de tempel op het Kapitool dateert uit deze tijd, en ook de vroegste resten op het forum zijn allemaal uit de zesde eeuw.
Lang heeft men gedacht dat de traditionele datum voor de stichting van de republiek veel te vroeg was, maar inmiddels raakt men de overtuiging toegedaan dat 509 misschien toch een kloppende datum kan zijn. Precies in deze tijd wordt de oude Regia verwoest, in oorsprong het verblijf van de koning, en worden de Tarquinii verbannen. Halverwege de vijfde eeuw worden de tempels van Saturnus, en die van Castor en Pollux gebouwd. Die van Saturnus komt te staan op de plek van een nog ouder altaar, de laatste is duidelijk van Griekse herkomst. Uit deze periode dateren ook de twaalf tafels met een geschreven wetgeving, die duidelijk ook al is geïnspireerd op een Grieks model. Al met al heeft het er de schijn van dat al die oude Romeinse mythes waarin zoveel Grieken voorkomen, wel eens dichter bij de waarheid konden zitten, dan lang is gedacht.

19.2 Forum Kapitoolzijde, Bron: Aicher 2004.

Rome, Forum, Kapitoolzijde

19.3 forum: ligging en indeling
Hoewel het Forum niet helemaal oost-west loopt, scheelt het niet zoveel, en daarom gaan we in het vervolg die termen steeds gebruiken. West is dan de Kapitoolzijde, oost De boog van Titus, noord de kant van de Via dei Fori Imperiali, zuid de Palatijnzijde.

De plaats waar het Forum zich nu bevindt, was dus aanvankelijk een moerasachtig gebied tussen de Kapitolijn en de Palatijn. Aan de noord- en oostkant werd het begrensd door het Quirinaal, de Esquilijn en door de lage richel van de Velia die Palatijn en Esquilijn verbindt. In de ijzertijd vormde het gebied (dus) een necropolis. Na de verbinding van de Latijnse vestiging op de Palatijn met de Sabijnse op het Quirinaal werd er voor het eerst gebouwd. De vroegste bouwwerken op het Forum dateren uit de koningstijd: de Lapis Niger het Vulcanal, de Tempel van Janus, de Regia en de Curia. De Tarquinii legden de Cloaca Maxima aan. Het Forum werd ten slotte de markt waar boeren hun oogst verkochten en kooplieden hun producten. Het aanvankelijke Forum besloeg een rechthoekig oppervlak tussen de Lapis Niger en de Rostra in het westen, de tempel van Julius Caesar in het oosten, en ten noorden en ten zuiden twee rijen winkels ongeveer op de plaats van de huidige Basilica Aemilia (noord) en de Basilica Julia (zuid). Welbeschouwd, we zeggen het maar even, is dat een gebied ter grootte van een voetbalveld.

Aangrenzend bevond zich ten noordwesten een tweede rechthoekig gebied met het comitium, ofwel de Comitia Curiata (bedoeld voor volksvergaderingen); hier was ook de Curia (het senaatshuis) en waren de Rostra. Buiten de grenzen van dit gebied lag ten oosten de Regia (de zetel van de Pontifex Maximus), de tempel van Vesta en het huis van de Vestaalse maagden. In deze richting liep ook de Sacra Via.

Al met al waren er binnen het Forum drie verschillende gebiedente onderscheiden: het politieke centrum (het comitium), het religieuze (met de Regia), en het eigenlijke Forum. Dat laatste verloor geleidelijk zijn commerciële functie en werd een burgerlijk centrum, terwijl de kooplieden naar het Velabrum werden verbannen.

In de 2de eeuw vC. verscheen een nieuw type gebouw, de basilica. Het was vooral bedoeld voor rechtszittingen en publieke vergaderingen. De eerste van het type was de basilica Porcia (gebouwd door Cato de censor in 185 vC. en verwoest in 52 vC.). Andere waren de basilica Aemilia (179 vC.) en de basilica Sempronia (gebouwd door T. Sempronius Gracchus, de vader van de Grachii) en later vervangen door de basilica . De laatst gebouwde is de basiliek van Constantijn (4de eeuw nC).

Julius Caesar, die op het Forum werd gecremeerd (maar niet vermoord), begon in 46 vC. de uitbreiding in noordelijke richting van het Forum, die al door Sulla was voorbereid. Het was Augustus die het werk voltooide. Tussen 44 vC. en 27 vC. werden de Basilica Julia, Curia en Rostra afgemaakt, de Tempel van Saturnus en de Regia gerestaureerd, de tempel van Julius Caesar ingewijd en de Boog van Augustus opgericht. Rond deze tijd was het Forum te klein geworden voor de groeiende bevolking en de volgende keizers moesten elders hun heil zoeken.

In de 3de eeuw nC verwoestte een brand een groot deel van het Forum en hoewel Diocletianus veel herstelde, deelde het gebied toch in de algemene neergang van Rome. Toen het zijn positie als hoofdstad van het rijk verloor en Constantinopel het nieuwe wereldcentrum werd (330 nC), nam het belang van het Forum Romanum af. Het terrein werd ontmanteld. Rovers sleepten de bronzen beelden weg, het marmer verdween in de kalkovens, bouwmaterialen werden, met dank aan de oude Romeinen, gebruikt voor nieuwe, meestal Christelijke glorie. Op een deel van de Via Sacra zijn nog de sporen te zien, die de zwaarbeladen karren in de straatstenen trokken toen zij hun sloopwerk verrichtten. Op het klassieke Forum werden maar zelden karren toegelaten, alleen voor de Vestaalse maagden en bij een triomf.

Stilte daalde neer over het gebied waar eens Latijn werd gesproken. Gras overwoekerde de ruïnes en in de Middeleeuwen graasden er koeien. Zoals de geiten hun naam gaven aan het Kapitool (Monte Caprino), zo deden de koeien dat aan het Forum (Campo Vaccino). Romeinse baronnen (de Frangipani bijv.) vestigden in de gebouwen hun vestigingen en bouwden er enkele kerken. Noorderlingen trokken en masse naar Rome, vanaf de vroege middeleeuwen als pelgrim en kort daarna ook om er de pittoreske overblijfselen te zien, die overwoekerd waren door groen of in gebruik als pottenbakkerij. Onder hen waren talloze kunstenaars, die wat ze zagen vastlegden in de vorm van etsen en tekeningen, zodat we ons ook van die periode een redelijk beeld kunnen vormen. Een van de beroemdsten is de Nederlander Maarten van Heemskerck (1498-1574, die overigens gewoon Maarten van Veen heette. Hij woonde tussen 1532 en 1536 in Rome. Maar de beroemdste is Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), wiens honderden etsen, in een aantal delen uitgebracht, een getrouw beeld geven van Rome, en 27 daarvan van het Forum in de 18e eeuw. Van die 27 verschenen er 14 onder de titel Vedute di Roma (aanzichten van Rome), en die vormen belangrijk bronnenmateriaal. Want tien jaar later verschenen de eerste archeologen, en daarna werd alles anders. Ook schrijvers vormden een vast contingent Romegangers en ze bezorgden het thuisfront vaak vermakelijke verslagen. Goethes Italiaanse Reis is een van talloze voorbeelden.

Van wereldstad met honderdduizenden inwoners was Rome een stadje geworden, waar overal de ruïnes omhoog staken. Waarvoor al dat oude steen gediend had, daar had men vaak geen idee meer van. Maar dat het oud was, wist men wel. Gefundenes Fressen dus voor de romantici, die in de 19de eeuw huiverden van weemoed en melancholie tijdens nachtelijke bezoeken aan de door maneschijn verlichte ruïnelandschappen van het Forum. Zelfs Couperus laat nog in 1900 de hoofdpersoon van zijn Langs lijnen van geleidelijkheid een nachtelijk bezoek aan het Forum brengen. In de 19de eeuw startten de eerste serieuze wetenschappelijke opgravingen op het Forum, in de buurt van de Boog van Titus. Het is het resultaat van alle geploeter met borsteltjes, kwastjes en voorzichtige schepjes, wat de huidige toerist onder ogen krijgt. Lang niet iedereen is daar even gelukkig mee, want de romantiek is sindsdien ver te zoeken. Is er hier gebombardeerd, zou je bijna vragen. Of wanneer was die aardbeving? Het Forum Romanum is nu niet meer een ruïne, maar een geraamte, zei de priester-politicus H.J.A.M. Schaepman aan het eind van de 19de eeuw. Een wandelingetje over het Forum vereist een meer dan gemiddelde dosis inlevings- en uithoudingsvermogen. En, wat nog veel erger is, een immense dosis kennis van zaken, waarover de gemiddelde sterveling nauwelijks beschikt.

19.3 Forum Romanum. Deze tamelijk willekeurig geschoten foto geeft desondanks vanaf het westelijk uiteinde van het Forum, vanachter de Basilica Julia, waarvan u de zeer schamele resten op de voorgrond ziet, een tamelijk realistische impressie van de harde werkelijkheid op het Forum. Een wandeling is er in eerste instantie vooral een onthutsende ervaring. Hier een foto uit 1872 van de opgravingen, met nog een foto van 1882 voor een beter compleet overzicht. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, vanaf het noordelijke einde

19.4 allemaal nep
Om te beginnen is het misschien een goed idee te zeggen, dat bijna alles wat je ziet, niet, ik herhaal, niet, uit de Romeinse tijd is. De enige echte restanten zijn het Tabularium, de Boog van Septimius Severus, de drie zuilen van de Tempel van Vespasianus, die van Castor en Pollux, en de resten van de Basiliek van Maxentius. De rest is uit middeleeuwen, renaissance, of van nog later. De Curia? Mussolini. De Dii Consentes? 1850. De tempel van Vesta? Mussolini weer. Boog van Titus? 19e eeuw. De 8 zuilen van de Tempel van Saturnus? Nou, vooruit dan, laat in de 4e eeuw. Alleen het fries dateert misschien van de tempel van 42 vC.

19.4 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio I, 9 recto, gezicht op het Forum Romanum vanaf de Palatijn, 1532-1536/37. 13.5 x 21 cm. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, gezicht op het Forum Romanum vanaf de Palatijn, 1532-1536/37.

19.5 forum in de negentiende eeuw
Om enigszins een idee te krijgen van hetgeen er op het Forum allemaal is gebeurd in de laatste eeuwen, is het misschien een idee wat historische afbeeldingen te laten zien. Hierbij wat foto's die een beeld geven van het Forum in de tweede helft van de negentiende eeuw. Op de eerste zijn zichtbaar, links voor, drie van de acht zuilen van de Tempel van Saturnus; in het midden staan de drie van de Tempel van Castor en Pollux. Rechtsboven de begroeiing van Farnestuinen op de Palatijn. Op de eerste foto hier zijn nog aanwezig de rijen olmen die in de komende decennia zouden gaan verdwijnen. De bomenrij liep van de Boog van Titus tot die van Septimius Severus en had twee met kettingen beschermde toegangen. Volgens Becchetti werden de olmen er neergezet in 1855 onder Paus Pius IX (Pio Nono), maar dat is volgens mij onjuist. Op een ets van Piranesi van halverwege de achttiende eeuw staan de bomen er al. Voor zover mij bekend werden ze geplant onder Paus Alexander VII (Chigi, 1655-1667). De bomenrijen werden verwijderd in 1870 om verdere opgravingen mogelijk te maken.

19.5 Rome, [Veduta di Campo Vaccino] Gezicht op het Campo Vaccino, ca. 1865. Albuminedruk, 19.5 x 25 cm. Anonieme fotograaf. Bron: Becchetti 1991

Gezicht op het  Forum, ca. 1865

19.6 Deze foto toont de opgravingen van de basilica Julia, waarmee in 1870 een aanvang werd gemaakt onder Pietro Rosa. Italië was op dat moment nog maar net onafhankelijk geworden. Rosa was eerder betrokken geweest bij de opgravingen op de Palatijn. In de volgende zes jaar zou hij een flink deel van de Basilica Julia blootleggen, namelijk tot aan de zuidelijke rand. Links aan het eind is zichtbaar de Santa Maria Liberatrice (Maria Verlosster), rechtsboven weer het geboomte van de Farnesetuinen. Die kerk werd in 1902 neergehaald. Nu staat daar de in 2009 van een nieuwe behuizing voorziene Santa Maria Antiqua.

19.6 Rome, [Scavi della basilica al Foro Romano] Opgravingen van de basilica Julia op het Forum Romanum, ca. 1872. Albuminedruk, 23.4 x 29.4 cm. Anonieme fotograaf. Bron: Becchetti 1991

Rome, Forum Romanum, ca, 1872

19.7 Bijgaande foto werd vermoedelijk vanuit het Tabularium gemaakt. Links is nog net zichtbaar de Boog van Septimius Severus, midvoor de drie zuilen van de Tempel van Vespasianus, in het midden de Zuil van Phocas. Rechts de inmiddels uitgegraven Basilica Julia. Dit is de aanblik die het Forum bood na de opgravingen van Rosa en van zijn opvolger Fiorelli, die de Tempel van Antoninus en Faustina vrijmaakte en de Via Sacra blootlegde tot aan de Basiliek van Constantijn en Maxentius. Na die ingrepen was het verkeer rondom het Forum beperkt tot twee er dwars over lopende wegen, en éen die er parallel aan liep, zoals op de foto ook te zien is. De ene is zichtbaar aan de onderzijde van de foto en loopt dwars over het Forum tussen wat toen was Via Bonella en Via della Consolazione; een deel ervan heeft nog tot ver in de vorige eeuw bestaan, getuige een foto die ik in 1973 maakte. De andere loopt (op de foto halverwege) tussen San Lorenzo in Miranda en Santa Maria Liberatrice. Ook links loopt nog, evenwijdig aan het Forum, een weg. De twee dwarsverbindingen zouden (grotendeels dus) verdwijnen in het jaar dat de foto werd gemaakt, 1882, de Santa Maria della Liberatrice zoals gezegd in 1902. Die is hier nog zichtbaar aan de rechterrand, direct boven de acht zuilen van de Tempel van Saturnus. Ik vermeldde het al: nu staat daar de in 2009 van een nieuwe behuizing voorziene Santa Maria Antiqua.

19.7 Rome, [Veduto del Foro Romano dal Campidoglio] Gezicht op het Forum Romanum vanaf het Campidoglio, ca. 1882. Albuminedruk, 19.3 x 24.7 cm. Anonieme fotograaf. Bron: Becchetti 1991

Forum Romanum, ca. 1882

19.8 Hierbij bijna hetzelfde tafereel als op mijn eerdere foto, genomen uit de Galleria Lapidaria, maar nu op een ets van Claude Lorrain uit 1636. En inderdaad, u had het al begrepen, omdat het een ets is, moet u het beeld spiegelen om de werkelijke toestand te zien. U bevindt zich iets verder naar links (noordelijker dus) dan op de foto hierboven. Ter linkerzijde zijn nog net drie zuilen van de Tempel van Saturnus zichtbaar, daarachter de drie nog resterende zuilen van de Tempel van Castor en Pollux, wel iets te dichtbij naar het me voorkomt, helemaal midden achter de Boog van Titus, met onmiddellijk rechts ernaast de kerk S. Maria Nuova voor het Colosseum, aan de rechterzijde (midden) de zuilenfaçade van de Tempel van Antoninus en Faustina/San Lorenzo in Miranda, en rechtsvoor de Boog van Septimius Severus. Het is druk op Lorrains Forum. Links, achter wat wellicht een ordebewaarder is (met speer) en zijn kameraad, die samen de wedstrijd van afgelopen zondag bespreken, staat een groepje keurig geklede (en wijzende) toeristen. Ook toen al. Rechts daarvan zit nog een drietal, waarvan een oudere man - ook al wijzend - lijkt te spreken tegen zijn twee jongere metgezellen. Verder lijkt het een nogal modderige boel. Honden jagen een stier op, terwijl er ook ander vee ronddwaalt: campo vaccino. Aan de zuidkant is het complex afgesloten door de muren van de Farnesetuinen, aan de oostzijde door de kloostergebouwen van de Santa Francesca Romana, waarin ook de Boog van Titus is opgenomen. David Watkin merkt op dat Lorrains ets dateert van de vooravond van grote veranderingen op het Forum. En ik voeg er maar aan toe dat het bepaald niet vanzelfsprekend is dat Lorrain zo waarheidsgetrouw weergaf wat hij zag. Vaak permitteerde hij zich grote vrijheden. Hij maakte nog twee tekeningen die hier sterk op lijken en vervaardigde ook nog een tegendruk van deze ets.

19.8 Claude Gellée, bijgenaamd Lorrain (1604/05-1689) Campo Vaccino. Ets en droge naald. 186 x 261 cm (blad). Eerste of tweede staat (van 9). Gesigneerd op zuilentrommel rechtsonder: CLAVDIO 1636 ROMAE. Ashmolean Museum, Oxford. Bron: Sonnabend Whitely 2011, nummer 96.

Lorrain, Campo Vaccino, ets, 1636

19.9 En dan nog eens van Piranesi, maar nu niet gespiegeld zoals op de vorige ets, van Lorrain, en van halverwege het Forum. Onmiddellijk rechts op de voorgrond de drie zuilen van de Tempel van Castor en Pollux, links de de Tempel van Antoninus en Faustina annex San Lorenzo in Miranda. Al kort nadat Lorrain zijn ets had gemaakt, werden de oude kerken op het Forum stevig gerenoveerd door Paus Alexander VII (Chigi, 1655-1667) die op het Forum in 1656 ook een dubbele rij met olmen liet neerzetten. Die rij is middenop Piranesi's ets nog te zien.

19.9 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta di Campo Vaccino] Gezicht op het Campo Vaccino, 380 x 545 mm. Bron: Ficacci nr. 971

Piraneso, Gezicht op het Campo Vaccino

19.10 Dit is het rechterdeel van een overzichtsfoto van de oostelijke helft van het Forum die dateert van ongeveer 1872. De foto werd genomen vanaf de klokkentoren van de Santa Francesca Romana, in de richting van het Kapitool. Op de achtergrond Tabularium en Campidoglio, daarbovenuit de koepel van de Sint Pieter. Zichtbaar zijn al de opgravingen op het Forum waarmee vanaf 1870 door Pietro Rosa een aanvang werd gemaakt. Halverwege rechts de Tempel van Antoninus en Faustina, links nog net zichbaar zuilen van de Tempel van Castor en Pollux met erachter de resten van de basilica Julia. Daar zijn net de opgravingen aan de gang en Rosa zal in zeven jaar tijd een aanzienlijk deel ervan blootleggen. Op de voorgrond staan nog de rijen olmen die al in 1656 onder Paus Alexander VII werden neergezet, hoewel het laatste deel (in de richting van het Kapitool) al is verdwenen en de vijf rijen al zijn teruggebracht tot vier. De foto in kwestie staat afgebeeld over een dubbele pagina in Becchetti 1991 en het is onmogelijk om op een beetje nette wijze de hele foto te laten zien. Dit is ongeveer tweederde van de rechterzijde.

19.10 Rome, [Panorama del Foro Romano ripreso dal Campanile della Chiesa di Santa Francesca Romana] Panorama van het Forum Romanum, genomen vanaf de klokkentoren van de Santa Francesca Romana. Foto Pompeo Molins, ca. 1872. Detail. Albuminedruk, 20 x 25.7 cm. Verzameling Ceccarius in de Biblioteca Nazionale di Roma. Bron: Becchetti 1991

 

Forum Romanum vanaf Santa Francesca Romana

19.11 Werd de vorige foto genomen in westelijke richting, naar de zijde van het Kapitool dus, en vanaf een klokkentoren aan de oostzijde van het Forum, deze werd rond 1855 genomen vanaf de Palatijn, in noordelijke richting, dwars over het Forum heen, met links onder op de voorgrond de Tempel van Antoninus en Faustina met erachter de San Lorenzo in Miranda. Daarachter ligt de bebouwing waar Mussolini in de jaren 30 van de vorige eeuw de Via dei Fori Imperiali overheen liet leggen en die nu compleet verdwenen is. De foto laat goed zien hoe ingrijpend diens plannen waren. De toren die middenachter overal boven uitsteekt, de Torre delle Milizie, bevindt zich op de resten van de Markten van Trajanus, waar op het moment dat deze foto wordt genomen ook nog gewoon huizen overheen liggen. Alle hier zichtbare bebouwing is dus ten tijde van Mussolini verdwenen, ook die aan de onderzijde, rechts naast de San Lorenzo in Miranda. Ook deze foto is in oorsprong helaas een spread en u mist van het oorspronkelijke exemplaar ongeveer een derde aan de linkerzijde. Er bestaat een tekening van Hiëronymus Cock van de Tempel van Antoninus en Faustina, met de Tempel van Romulus en de Basiliek van Constantijn.

19.11 Rome, [Panorama del Foro Romano ripreso dal Palatino] Panorama van het Forum Romanum, genomen vanaf de Palatijn. Anonieme fotograaf, ca. 1855. Albuminedruk, 17.5 x 25.3 cm. Detail. Verzameling Ceccarius in de Biblioteca Nazionale di Roma. Bron: Becchetti 1991

 

Panorama over het Forum Romanum vanaf de Palatijn

VI
FORUM ROMANUM I OOSTELIJK DEEL
KAPITOOLZIJDE

20.1 Welbeschouwd is er van het Forum helemaal geen oostelijk en westelijk deel, want dat westelijke deel, dat in de richting van de Boog van Titus dus, hoort er eigenlijk helemaal niet bij. Doordat het opgravingsgebied zo duidelijk éen geheel vormt, ontstaat het misverstand, dat ik dus vervolgens voor het gemak ook nog eens in stand ga houden. Het is maar dat u het weet. Wie de huidige hoofdingang gebruikt, komt terecht aan wat eigenlijk het uiterste einde van het Forum was. Onmiddellijk naast de hier in 1882 aangelegde entree van het Forum, nu gelegen aan de Via dei Fori Imperiali, gevormd door een 25 meter lang aflopend pad met hekken erom heen, ligt links de tempel van Antoninus en Faustina (nu de S. Lorenzo in Miranda), en rechts de Basilica Fulvia Aemilia.

20.1 Forum Romanum, overzicht 3 Tempel van Antoninus en Faustina 4 Tempel van Caesar 5 Basilica Aemilia 6 Curia 7 Boog van Septimius Severus 8A-D Westelijke Rostra, Umbilicus, Miliarium Aureum, Oostelijke Rostra 9 Tempel van Concordia 10 Tempel van Vespasianus 11 Tabularium 12 Porticus Dii Consentes 13 Tempel van Saturnus 14 Basilica Julia 15 Boog van Tiberius 16 Schola Xanthi 17 Erezuilen Diocletianus 18 Tempel van de Dioscuren 19 Boog van Augustus 20 Tempel van Vesta. Bron: Gorski/Packer 2015

Forum Romanum, Overzicht

20.2 basilica fulvia aemilia
Ze werd gebouwd door de censoren M. Aemilius Lepidus en M. Fulvius Nobilior in 179 vC. Omdat we inmiddels weten dat Aemilius Paulus in 159 vC een ander gebouw neerzette, waarvan resten zijn gevonden onder de Tempel van Divus Iulius, en dat met meer recht Basilica Aemilia werd genoemd, is het beter het gebouw waar we het nu over hebben aan te duiden als Fulvia-Aemilia. Aldus de onvolprezen Coarelli, grootste kenner in dezen, van wie in deze pagina's over het Forum nog veel meer is gestolen.

Lange tijd is aangenomen dat het woord basilica, duidelijk Grieks in oorsprong immers, was afgeleid van de Stoa Basileios in Athene, en dat dus ook de architectonische vorm daarvandaan komt. Inmiddels is dat omstreden. Velen nemen aan dat de term een hellenisering is van atrium regium, een gebouw op het Forum dat bekend is uit zeer oude bronnen en dat geassocieerd wordt met de oude Regia, het huis van de koning. De oudste vorm ervan zou kunnen dateren van halverwege de 3e eeuw vC. Het ging om niet meer dan een grote overdekte ruimte waarvan het dak werd ondersteund door rijen zuilen.

De Basilica Fulvia-Aemilia diende als beursgebouw. Verschillende keren werd hij door brand verwoest. De eerste keer gebeurde dat in 52 vC en bij die gelegenheid ging tevens het aangrenzende Senaatsgebouw in vlammen op. De herbouw van de Curia (het Senaatsgebouw) duurde nogal lang, zodat Caesar de zittingen elders moest houden, in het Theater van Pompeius. Daar werd hij op de Iden van maart in 44 vC vermoord. De tweede brand trof de Basilica Aemilia in 22, de laatste in 410, bij de aanval van Alarik en zijn Goten. In de marmeren vloer (vooral in de buurt van de Curia) zijn nog de groene plekken te zien van ingebrande geldstukken, zegt men altijd, maar er zijn mensen die dat onwaarschijnlijk vinden. Ik ook. Helaas kun je er niet meer bij, want sinds een paar jaar staan er overal hekken omheen. Tijdens de Renaissance werd de basilica volledig gesloopt voor het marmer. Het was oorspronkelijk een rechthoekig gebouw, door zuilen verdeeld in hoofd- en zijschepen (enkel aan de zuidkant en dubbel aan de noordkant), een veelkleurige marmeren vloer en een dak met bronzen pannen. Aan de zuidkant (rand van het Forum) was een portico van twee verdiepingen met winkels, de taberna novae, nu nog in redelijke staat. De portico werd hersteld in het late keizerrijk en ter gelegenheid daarvan werden drie granieten zuilen opgericht voor de basilica.

20.2 Basilica Aemilia, met aan het eind de Curia. Onmiddellijk rechts van de hoofdingang aan de Via dei Fori Imperiali liggen de resten van de Basilica Fulvia Aemilia, zoals Coarelli graag heeft dat we hem noemen (in plaats van gewoon: Basilica Aemilia). Bron: Gorski/Packer 2015 pag. 106

Basilica Aemilia met Curia

20.3 venus cloacina
Aan de westkant van de basilica Fulvia-Aemilia (uiterst rechts dus, als je er helemaal langs bent gelopen, aan de kant van de Curia) lag de drukke Argiletum, de straat die naar de Suburra liep, door het Forum van Nerva. Aan de uiterste zuidwestkant van de Basilica Aemilia liggen de fundamenten van de schrijn van Venus Cloacina, die zich op de plaats bevond waar de Cloaca Maxima het Forum binnenkwam. Het was naast deze schrijn dat de maagd Virginia door haar vader werd gedood om te ontkomen aan de avances van de decemvir Appius Claudius Crassinus. Het riool zelf liep onder het Forum door van noord naar zuid. De Cloaca Maxima was ooit, toen het in de 6e eeuw vC werd aangelegd, onder de Etrusken dus, gewoon een open kanaal, en werd in de eeuwen erna geleidelijk overdekt. We weten bijv. dat in 33vC Agrippa restauratie-werkzaamheden op zich nam. Wat er nu van resteert, begint bij het Forum van Nerva, op korte afstand van de Torre dei Conti, ligt op 12 meter diepte onder het huidige straatniveau (en zes onder het klassieke), en is drie meter hoog. Pas vanaf de Basilica Aemilia is hij echt toegankelijk. Blijkbaar werd dit deel ervan samen met de basilica gerenoveerd. Onder het Forum zelf bestaat de Cloaca uit twee parallelle gangen. Dit deel dateert uit de laat-republikeinse tijd. Het deel verderop, onder het Velabrum door, bevat nog oudere delen, maar die zijn slecht onderzocht. Ook onder het Forum Boarium ligt nog een aftakking, die eindigt in het moderne riool. Want de cloaca had een aantal uitgangen, waarvan de bekendste natuurlijk die bij de Ponte Rotto is. Op het Forum zelf, aan het eind van de basilica even rechtsaf (aan de oostkant dus) ligt na twintig meter een andere.

20.3 Forum Romanum en omgeving, Cloaca Maxima. Bron: Aicher 2004.

Rome, Cloaca Maxima

20.4 schrijn van janus
Even verderop langs het Argiletum - Livius vermeldt die locatie - liggen naar wordt aangenomen ook de resten van het oudste aan de god Janus gewijde heiligdom, met daarin ooit een beeld, de schrijn van Janus; de bronzen deuren ervan werden alleen in vredestijd gesloten, wat twee keer gebeurde in het bestaan van Rome, voor het laatst door Augustus, na afloop van de burgeroorlog. Het is niet ondenkbaar dat zich hier, in de vroegste tijd, een toegangspoort tot de stad bevond. Janus was een zeer oude god, die in zijn vroegste gedaante heerste over wegen, kruispunten en bruggen, en die, met de uitbreiding van het wegennet en het toenemende verkeer van aard veranderde, in een godheid voor het begin en het einde (denk ook aan onze maand januari), en het weggaan en terugkeren, en dus ook van deuren. Portunus is een ver familielid van hem. Havens zijn ook ingangen. Van Janus is nooit zelfs maar een beeld gevonden. We kennen hem alleen van munten, en van twee hermès, twee vierzijdige koppen op de borstwering van de Pons Fabricius.

comitium
De geplaveide ruimte aan de overzijde van het Argiletum, voor de Curia, is het Comitium, de vergaderplaats van het Romeinse volk. Hier vergaderde de Comitia Curata, de vertegenwoordigers van de 30 curiae waarin de stad was verdeeld. Hier bevonden zich in oorsprong ook de Rostra. Halverwege de 3e eeuw vC, vlak voor de Punische oorlog, kreeg het comitium de cirkelvorm die het lang heeft gehouden, omgeven met rijen zitplaatsen, in een vorm die was afgekeken van de Griekse ekklesiateria op Sicilië. Er stonden hier ook heel wat beelden, zo het beroemde van Marsyas, de oude Romeinse god der vrijheid, van >Alcibiades en Pythagoras bijvoorbeeld, de dapperste èn de wijste der Grieken. De dictator Sulla, die de Senaat zou uitbreiden van 300 naar 600 man en daartoe ook de Curia flink zou vergroten, liet ze weer weghalen. In de keizertijd raakte het comitium beperkt tot de ruimte tussen de Curia en de Lapis Niger. Met name na de ingrijpende verbouwingen onder Caesar en Augustus zou er van het originele Comitium heel weinig meer overblijven en verbazingwekkend is dat niet. Nog iets anders trok hier van oudsher de aandacht. Vlakbij stond de Ficus Ruminalis, een vijgenboom die in ere werd gehouden omdat aan zijn wortels het mandje met de tweeling Romulus en Remus was blijven hangen, toen ze ter verdrinking in de Tiber waren gegooid. Daar werden ze ook door een wolvin gevoed, een liefelijk gebeuren waaraan de Romeinen in hun stad op talrijke plaatsen en in allerlei vormen herinneren. Op dezelfde plaats staat nu wederom een vijgenboom.

20.4 Forum Romanum, Comitium ten tijde van de Republiek. Bron: Aicher 2004 (naar: Coarelli).

Rome, Forum Romanum, Comitium

20.5 lapis niger
Aan de zuidkant van het comitium ligt, bedekt door een afdak, de Lapis Niger. Dit is het oudste overblijfsel op het Forum. Het geheel is genoemd naar de zwarte afdekplaten die Augustus over het graf liet aanleggen. Het stuk plaveisel in zwart marmer, dat een heilige plaats zou aangeven, werd ontdekt in 1899. Volgens de traditie bevond zich hier het graf van Romulus, dat van de schaapherder Faustulus, of van Hostus Hostilius, de vader van de derde koning van Rome, maar onderzoek heeft uitgewezen dat er zich hier in elk geval geen graf bevindt. Daarvan was in mei 2013 allemaal niets te zien, want over het hele comitium en de lapis niger is een stellage gebouwd waaronder op dit moment wordt gegraven.

Hoe dan ook: de vondsten eronder, te bereiken via een ijzeren trap, afgesloten door een hek, bestaan uit de basis van een vierkante schrijn en twee tufstenen voetstukken in Etruskische stijl. Tufsteen is relatief zacht, sedimentair materiaal, dat bestaat uit geharde vulkanische as. Van groot historisch belang is de tufstenen pijler met de oudst bekende tekst in het Latijn (uit de 6de of 5de eeuw), maar in letters die sterk op Grieks lijken, omdat ze afkomstig zijn van het archaïsche Chalkidikische alfabet, zoals dat naar Italië werd meegenomen door de eerste Griekse kolonisten. De tekst is voor een eenvoudige bezoeker nauwelijks te onderscheiden. Het moet hem dus deugd doen dat ook de wetenschap over de betekenis ervan in grote onzekerheid verkeert. Men neemt aan dat ze een lex sacra bevatten, een waarschuwing deze heilige plaats niet te schenden. Er is zeer veel as gevonden, afkomstig van omvangrijke offers, scherven van Grieks aardewerk uit de 6e eeuw vC, evenals bronzen en terracotta beeldjes. Samen met een beeld dat hier op een zuil moet hebben gestaan, vormt dit vermoedelijk een rest van het oude Vulcanal, dat een paar meter verderop heeft gelegen. En dat was het zeer oude heiligdom gewijd aan de God Vulcanus. Romulus zou hier, schrijft Plutarchus, verdwenen zijn en getransformeerd tot de god Quirinus, en dat was de godheid van de Curia. De Romeinen die hier bijeenkwamen, noemden zich Quirieten. En daarom zou het monument ook bij de Curia liggen; het was er ritueel mee verbonden. De naam is blijven voortbestaan in de gelijknamige heuvel, Quirinaal. En om te tonen dat er op het Forum nog steeds wordt gewerkt, bijgaande foto. Onmiddellijk voor de Curia is dit bouwsel verschenen, waaronder wordt gegraven, op de plaats - zo schat ik - van het Comitium.

20.5 Forum Romanum, Opgravingen voor de Curia (rechts). Links daarnaast een deel van de achterzijde van de San Luca e Santa Martina en links daarnaast een deel van de Boog van Septimius Severus. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Opgravingen voor de Curia, mei 2013

20.6 curia
Aan de noordzijde van het comitium ligt de Curia, of het Senaatshuis. Het nu bestaande gebouw is een replica van de zogenaamde Curia die, in 44 begonnen onder Julius Caesar, werd afgemaakt onder Augustus in 29 vC. Het gebouw verving de Curia Hostilia (naar beweerd gebouwd door Koning Tullius Hostilius), die misschien op de plaats lag van de huidige Santi Luca e Martina, de kerk die je achter het gebouw ziet. De vergaderzaal van de senaat was toen op die plaats door de aanleg van het Forum van Caesar (erachter, resten zichtbaar op de Via dei Fori Imperiali) volkomen op de achtergrond geraakt. Maar ook het nieuwe Senaatsgebouw verwerd tot een soort annex van het Forum van Caesar, want het lag pal tegen de porticus ervan aan. Nadat bij een grote brand in 283 de Curia (en nog veel meer) verloren was gegaan, werd hij door Diocletianus herbouwd. En dat die de curia op dezelfde plek herbouwde, was eerder een kwestie van respect voor de traditie dan dat het echt iets te betekenen had. In 638 werd de Curia omgebouwd tot de kerk van Sant' Adriano. Pas in 1860 begreep men dat de kerk gebouwd was in het senaatshuis. In 1923 werd het complex door de staat gekocht van de kerk, voor 16.000 lires. In de jaren tussen 1935 en 1938, onder Mussolini, werd de Curia teruggebracht tot de vorm die hij moet hebben gehad onder Diocletianus, met als bron oa. Piranesi. Een beetje jammer was dat wel, want de architect van de kerk had bewust heel wat trekken van de oude ruimte bewaard, en die verdwenen nu ook. De oude vloer ervan, daterend uit dezelfde tijd, kwam aan het licht toen in 1937 ook vloer van de kerk werd verwijderd. Die je nu ziet, is maar deels echt. De rest is restauratie. Ook het houten plafond is nieuw. De bakstenen façade was oorspronkelijk bekleed met marmer in het onderste en met stucco in het bovenste deel. De bestaande deuren zijn kopieën van de originele, die door Alexander VII (Chigi, 1655-1667) zijn in de 17e eeuw door Borromini verplaatst naar de Sint Jan. De Curia omvatte misschien meer ruimtes, maar het kan ook zijn dat die elders lagen.

Het plaveisel van het gebouw (in opus sectile) kwam zoals gezegd bloot na verwijdering van de vloer van de kerk. Aan weerszijden bevinden zich trappen, waarop de laagste treden zetels stonden. De zijmuren waren deels bedekt met marmer. In de aula vergaderden de senatoren van Rome. Het is een broedplaats van koningen, zei de gezant van de Griekse koning Pyrrhus volgens Eutropius vol ontzag. De senatoren zaten op rijen zetels aan de lange zijden. Bij een stemming werd zeer letterlijk partij gekozen: aan de ene kant kwamen de ja-stemmers te staan, aan de andere kant de tegenstanders. Senatoren spraken vanaf hun zetel, want er was geen spreekgestoelte. Verwarming werd er pas laat gebruikt. Cicero schrijft in een brief in 62 vC dat een vergadering vanwege de kou verdaagd moest worden. Recente opgravingen hebben bewezen dat Julius Caesar aan de achterzijde van de Curia een toegang liet aanbrengen tot zijn direct erachter gelegen Forum. De opgravingen daarvan gaan nog steeds door.

Aan het eind, bij de tribune van de president, stond op het bakstenen voetstuk vermoedelijk het gouden Victoriebeeld, ingewijd door Augustus na de slag bij Actium (31 vC). Ervoor stond een brandvat waarin elke senator die binnenkwam eerst wat wierook brandde om de godin eer te bewijzen. Keizers zwoeren hier hun trouw. Dat alles bij elkaar maakte het beeld tot een symbool van de Romeinse en heidense staatsmacht. In het late keizerrijk, toen vele senatoren al christenen waren, probeerden die voortdurend het beeld te laten weghalen, tot grote woede van de anderen. Het eerbewijs aan het beeld had toen al een lange traditie. Keer op keer werd het weggehaald en verscheen het weer, al naar gelang de overtuiging van de keizer. Constantius deed het in 357, waarna het vermoedelijk weer terugkwam onder Julianus. Gratianus beval opnieuw verwijdering in 382. Nadat hem eerder al een audiëntie in Milaan was geweigerd, schreef een algemeen gerespecteerd senator, Quintius Aurelius Symmachus (345-405), namens een aantal heidense senatoren een relatio, een smeekschrift of petitie, aan de opvolger, Valentinianus II, die op dat moment nog maar 13 jaar oud was, en terwijl het rijk eigenlijk al werd geregeerd door Theodosius, die zojuist een mededinger, Maximus, had verslagen. De woordenwisseling tussen Symmachus en kerkvader Ambrosius is éen van de beroemdste uit de klassieke oudheid. Symmachus schreef: hoe zou het de Romeinse staat vergaan indien zij niet langer werd beschermd door de goden?

Beste der keizers, vader des vaderlands, hebt respect voor mijn eerbiedwaardige leeftijd, die ik heb bereikt door de trouwe dienst aan de oude ceremoniën in ere te houden. Staat het mij niet vrij op dezelfde wijze te dienen als mijn voorouders? Die cultus heeft de hele wereld aan mijn wet onderworpen. Laat mij, die vrij geboren is, volgens mijn eigen wetten leven! Die oude gebruiken dreven Hannibal van mijn muren weg en de oude Galliërs van het Kapitool. Heb ik zo lang geleefd, om daarvoor op mijn oude dag berispt te worden? [...] Wij kijken allemaal omhoog naar dezelfde sterren, de hemel is voor ons allemaal hetzelfde, hetzelfde heelal omgeeft ons. Wat maakt het uit onder welk systeem men de waarheid onderzoekt? Op éen manier alleen kan men een zo groot mysterie niet doorgronden. [...] Ik begrijp de nieuwe opvattingen niet die men mij vraagt te accepteren, maar ik weet wel dat het onwaardig en vernederend is wanneer de jeugd de ouderdom probeert op te voeden. [...] Zal de zetel van onze staat dan niet langer heilig zijn?

En dat zou dan ook nog uitgerekend gebeuren in een tijd dat barbaarse stammen als de Goten Rome dreigden te overmeesteren. In 378 was een Romeins leger bij Adrianopel (nu: Edirne) al in de pan gehakt door Goten. In 410 zouden de Goten Rome plunderen, gebeurtenis die net als Adrianopel op de Romeinen een diepe indruk maakte. Symmachus' petitie werd beantwoord door de kerkvader Ambrosius, bisschop van Milaan, toen eigenlijk al de hoofdstad van het westelijk deel van het Romeinse rijk. In zijn brief bespot hij de klassieke goden. Waar was Jupiter toen de Galliërs het kapitool beslopen, schrijft hij, of sprak hij soms door middel van de ganzen? Maar zelfs Symmachus ging akkoord met de ontheiliging van het beeld. Als het niet kan worden geëerd als god, laat dan tenminste de naam worden geëerd. Het beeld bleef staan, maar geofferd werd er niet meer voor.

In de Curia staan nu de zogenaamde Anaglypha van Trajanus opgesteld, fragmenten van een bouwsel dat wellicht om de Ficus Ruminalis heen stond, of om het beeld van Marsyas. Zeker is dat niet. Aan de muurzijde een voorstelling van de Suovetaurilia, een plechtig offer waarbij een zwijn (Latijn = sus), een schaap (ovis) en een stier (taurus) werden geofferd. Aan de buitenkant beroemde daden van keizers, in dit geval het verbranden van de schuldenregisters, iets wat in 118 tijdens Hadrianus gebeurde; op het tweede een keizer op de Rostra met een beeld van Trajanus. De keizer neemt de dank in ontvangst van een moeder voor het stichten van een weeshuis. Op de achtergrond zijn, alleen herkenbaar voor ingewijden, systematisch de gebouwen op het Forum afgebeeld. Voor de Curia tenslotte staat De Decennium-basis; het is een erezuil ter herdenking van het tienjarig ambtsjubileum van Keizer Diocletianus in 303. Ook hier - en gemakkelijker te zien - een afbeelding van de Suovetaurilia.

Tussen de Lapis Niger en de Rostra bevindt zich een marmeren voetstuk voor een vijfzuilig monument met een inscriptie van Diocletianus, ter herdenking van de spelen van 303, alsmede even verderop een voetstuk voor een ruiterstandbeeld, opgericht na de overwinning van Arcadius en Honorius op de Goten van 403.

20.6 Forum Romanum, Curia. Het was in mei 2013 onmogelijk aan de voorzijde bij de Curia te komen, die bovendien gesloten was. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Curia

20.7 de zuil van phocas
Er is maar één ereteken overeind gebleven uit de voorraad die het Forum sierde. Het is meteen ook het laatste. Recht voor de Curia staat op een in oorsprong marmeren voetstuk de 13.5 meter hoge Zuil van Phocas, een van de simpelste herkenningspunten op het Forum. Het is een van de weinige zuilen die is blijven staan en tot in 1816 het voetstuk werd uitgegraven, wist niemand wat hij er deed. Hij bleek in >608 te zijn opgericht door de exarch van Italië, Smaragdus, ter ere van het bezoek van de Byzantijnse keizer Phocas (602-610), misschien omdat die verantwoordelijk was voor de gift van het Pantheon als kerk (als S.M. Rotonda of ad Martyres) aan paus Bonifatius IV. Phocas was overigens een gewoon centurion die in 602 in Byzantium de macht had gegrepen, waarbij hij de keizer, Flavius Mauricius, en zijn zes zoons had laten executeren. Het betreft een Korinthische zuil, vermoedelijk uit de 2e eeuw, en geroofd van een van de keizerlijke gebouwen. Van de zogenaamde Herculestempel aan de Tiber ontbreekt trouwens een soortgelijke zuil. Bovenop de zuil stond uiteraard een beeld van Phocas. Ongetwijfeld gaat het hier om een van de jongste, en dus christelijke monumenten op het Forum. Ten noorden van de zuil van Phocas werden de Anaglyphen van Trajanus gevonden. In het plaveisel ertussen bevindt zich een kleine ongeplaveide rechthoek, waar ooit het beeld van Marsyas stond, vlakbij de heilige vijgen- en olijfboom en de wijnrank, die zo zorgvuldig werden verzorgd. In een van de platen in het plaveisel bevindt zich de naam van L. Naevius Surdinus, praetor peregrinus ten tijde van Augustus, die op deze plaats wellicht zijn tribunaal had, dat zich bezighield met niet-romeinse burgers.

20.7 Forum, Zuil van Phocas. De zuil staat ter hoogte van de Curia. Rechts de zuilen van de Tempel van Saturnus. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Zuil van Phocas

20.8 rostra vetera
Ten zuiden van de boog van Septimius Severus (zie 11) bevinden zich de keizerlijke Rostra, het spreekgestoelte, daarheen verplaatst van voor de Curia, waar ze zich bevonden, door Julius Caesar, na wiens dood in 44 Marcus Antonius er zijn (dankzij Shakespeare) beroemde redevoering afstak. De originele, zeer oude structuur werd versierd met de in twee rijen opgehangen snebben (de met ijzer beklede punten van de voorstevens) van de schepen die werden veroverd bij de slag van Antium (338vC). Aan de voorkant van de Rostra zijn de gaten nog te zien waarin de pinnen hebben vastgezeten waarmee de snebben waren bevestigd. De rostra zelf, 24 meter lang, bestonden uit een platform met trappen ervoor, met daarop zuilen en beelden. Ze werden rostra vetera genoemd, om ze te onderscheiden van de rostra aan het andere eind van het Forum, namelijk voor de tempel van Julius Caesar. Ook andere zaken kregen aan de opstaande muurtjes van de Rostra recht van vertoning. In 43 vC hingen er de handen en de tong van Cicero, na diens proscriptie door Marcus Antonius, een van de drie leden van het tweede triumviraat, bij wie de redenaar het grondig had verbruid. Aan de rechterkant bevinden zich de Rostra Vandalica, een uitbreiding uit de 5de eeuw, ter herdenking van een overwinning op de Vandalen bij een zeeslag. Aan de achterzijde werden de rostra afgesloten door een half cirkelvormige muur (Hemycyclium). Wat je ziet, is een reconstructie uit 1904. Jawel, inclusief de gaten.

20.8 Forum Romanum, van achteren gezien, Rostra Vetera. Daarachter de Curia. Links de zijkant van de Boog van Septimius Severus met daarachter weer de San Luca e Santa Martina. Foto: mei 2009

Rome, Forum Romanum, Rostra Vetera

20.9 boog van septimius severus
Aan de uiterste noordwestkant van het Forum bevindt zich de Triomfboog van Septimius Severus, volgens een inscriptie in de zolder gewijd in 203 ter gelegenheid van het tienjarig bewind van de keizer en zijn overwinningen in het oosten. In het westen was hij minder succesvol, want van zijn oude ideaal om geheel Brittannia te veroveren kwam weinig terecht. Septimius Severus was een allochtone keizer, om het zo te zeggen, zij het niet de eerste. Hij kwam uit Leptis Magna in Noord-Afrika, waar een nog grotere triomfboog voor hem werd opgericht, en hij stierf in 211 in het Britse York. Op Piranesi's ets is goed het verschil met het oorspronkelijke grondniveau te zien.

20.9 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Le Antichità Romane [Arco di Severo e Caracalla] Boog van Septimius Severus en Caracalla. 112 x 271 mm. Bron: Ficacci nr. 195

Piranesi, Boog van Septimius Severus

20.10 De boog werd door het volk en de senaat tevens opgedragen aan zijn zoons Caracalla en Geta, ter herdenking van hun overwinning op onder anderen de Parten (in het huidige Irak en Iran dus). Maar tussen de zoons boterde het minder dan Septimius Severus misschien had gewenst. De naam van Geta werd weggebeiteld, nadat hij in 212 door zijn broer uit de weg was geruimd en na diens damnatio memoriae. Zelf werd Caracalla vermoord in 217. Net goed. Op de vierde regel van de tekst (op de zolder, boven de bogen) staat nu OPTIMIS FORTISSIMISQUE PRlNCIPIBUS (aan onze zeer goede en zeer dappere vorsten). Maar aan de hand van de gaten waarin de bronzen letters waren vastgeklonken, is de oorspronkelijke tekst gereconstrueerd: P[UBLIO] SEPTIMIO L[UCI] FIL[IO] AVG[USTO][GETAE NOB[ILISSIMO] CAES[ARI]: aan Publius Septimius Geta, zoon van Lucius, edele Caesar. Een triomf kon gewoon onder de middenboog door, ook al wordt soms beweerd van niet. In het verslag van de Ludi Saeculares die door Severus in 204 werden gehouden, wordt vermeld dat een processie onder de boog doorging.

20.10 Forum Romanum, Boog van Septimius Severus, Indeling. Bron: Coarelli 2007

Rome boog van Septimius Severus

20.11 De boog is 20.88 meter hoog, 23.27 meter breed en 11.20 meter diep. Het binnenste bestaat uit travertijn en baksteen, de buitenzijde uit marmer. De zijbogen zijn vanaf het Forum toegankelijk via kleine trappen. De losstaande zuilen op een hoog voetstuk ervoor (in plaats van halfzuilen), evenals de panelen met reliëfs, waarop beeldverhalen in verschillende lagen zijn aangebracht, in plaats van per paneel één onderwerp te behandelen, zijn afwijkingen van oudere triomf- en erebogen. De verhoudingen van de boog zelf zijn fraai, maar de decoratie is zwaar en onhandig, zo wordt altijd gezegd. De vier reliëfs beelden scènes uit de drie campagnes af; in de kleine friezen bewijzen figuren uit het oosten symbolisch hun hommage aan Rome. Op de bases van de zuilen worden barbaarse gevangenen getoond. Binnenin bevindt zich aan de zuidkant een trap naar de vijf kamers van de zolder in de boog. Daarop stond oorspronkelijk een quadriga, de strijdwagen met een span van vier paarden. Overigens bood in de middeleeuwen, toen de boog maar half uit het puin omhoog stak, de middelste boog onderdak aan een barbierszaak. Toen de opgravingen van de boog in 1803 begonnen, overigens met behulp van dwangarbeiders, werd het kerkje, waar de boog inmiddels onderdeel vormde, de SS Sergio en Bacco al Foro, afgebroken. De uit de tijd van Augustus daterende weg die er in het midden onderdoor liep, werd bij opgravingen aan het begin van de twintigste eeuw verwijderd.

20.11 Forum Romanum, Boog van Septimius Severus, Westelijke (Kapitool)zijde. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Boog van Septimius Severus

20.12 miliarium aureum, umbilicus romae
Achter de Triomfboog, naar links lopend, zie je rechts in het gras de schaarse resten van het Miliarium Aureum, de gouden mijlpaal (gewoon een met brons bedekte zuil) die er door Keizer Augustus werd opgesteld als beginpunt van alle wegen van het keizerrijk, en als baken vanwaar de afstanden tot andere plaatsen in het rijk werden gemeten, met op het voetstuk in gouden letters de afstanden van Rome naar de belangrijkste steden. Alle wegen leiden naar Rome, hoor je op deze plek natuurlijk te mompelen. Maar je mag er ook denken aan Otho, die hier in 69 door maar 23 lijfwachten als keizer werd begroet en op een zetel gehesen, gering aantal dat hem – terecht naar later blijkt – zorgen baarde. Aldus tenminste Tacitus (I, 27). Ernaast ligt een rond bakstenen ding met een doorsnede van 4.5 meter, en dat is de Umbilicus Urbis. Het is de navel van de stad, symbolisch centrum van het Oude Rome, drie eeuwen na de mijlpaal opgericht.

20.13 mundus
Merkwaardig genoeg komt de term umbilicus urbis alleen in recente geschriften voor, en daarom dacht men ook dat het om een relatief laat monument ging. Lange tijd heeft men zich daarentegen afgevraagd waar de zogenaamde Mundus dan lag. Die kennen we weer uit veel oudere bronnen. Dat zou een cirkel zijn die door Romulus zou zijn gegraven, die het midden van de stad aangaf, en waar geofferd kon worden aan de Goden. De mundus werd beschouwd als een soort toegangspoort tot de onderwereld. Er was blijkbaar een soort onderaards gedeelte, dat drie maal per jaar open ging, en dan zeiden de Romeinen: Mundus patet. De mundus is open. Dat waren ongeluksdagen, want de goden hadden vrij toegang tot de mensenwereld. Je raadt het al wat de wetenschappers nu denken: de umbilicus en de mundus zijn één en hetzelfde monument, alleen is het onderaardse deel verdwenen. 

20.13 Rome, Forum Romanum, Umbilicus Urbis Romae. Bron: König 2009

Rome, Forum Romanum: Umbilicus Romae

20.14 altaar van saturnus
Lange tijd heeft men de resten van het altaar die hier zijn aangetroffen geïdentificeerd als het Vulcanal, maar inmiddels is vast komen te staan dat dat dus (ook) de Lapis Niger is. Hier, tussen de Tempel van Saturnus en die van Concordia in, lag één van de andere oudste heiligdommen op het Forum, namelijk het Altaar van Saturnus, dat zich voor de gelijknamige tempel bevond, maar veel ouder was en dat ooit was opgericht door de oudste Griekse kolonisten alhier, door de Pelasgiërs, die Saturnus vereenzelvigden met de Kretenzische Kronos. En Kronos is volgens de legende degene die de eerste nederzetting op het Kapitool stichtte. Wij danken onze zaterdag aan Saturnus. Bijgaande foto kunt u nu ook al niet meer maken.

20.14 Rome, Forum Romanum, Tempel van Saturnus. Foto, omgezet van dia: augustus 1975

Rome, Forum Romanum, Tempel  van Saturnus

20.15 tempel van saturnus
De tempel van Saturnus werd volgens de traditie gesticht in 497 vC als staatsarchief en schatkist, ter ere van de god-koning van Italië, wiens bewind zou hebben plaatsgevonden in de mythische gouden eeuw. Na de Tempel van Jupiter Capitolinus is dit de oudste republikeinse tempel. De Romeinse Saturnus is een heel wat vriendelijker versie van de Griekse Kronos. Het was Saturnus die zijn volk de landbouw had geleerd. Niet voor niets heeft hij als attribuut vaak een sikkel in de hand. Maar zeker, er is nog wel een reden te bedenken waarom dat geval is. Want Kronos gebruikte die sikkel om zijn vader Uranus mee te ontmannen. Vervolgens bleek hij net zo erg, en verslond zijn eigen kinderen, tot zijn eigen zoon Zeus hem weer te grazen nam. Saturnus' heerschappij werd elk jaar herdacht in de week tussen 17 en 23 december met offers en feesten, de z.g. Saturnalia. In die periode werd de normale hiërarchie omgekeerd en de slaaf bediend door zijn heer. Rechtbanken en publieke gelegenheden waren gesloten. Senatoren droegen niet de toga. Gevangenen konden niet worden gestraft. Thuis gaven de mensen elkaar cadeaus, met name wasfiguren en waskaarsen waren populair. Er werd flink gegokt, waarbij de inzet uit noten bestond, altijd een symbool van vruchtbaarheid. Nogal wat van de gebruiken zijn blijven voortbestaan in onze kerstmis. Het bijbehorende altaar lag voor de tempel.

20.15 Rome, Rome, Forum Romanum, Tempel van Saturnus (l) en Tempel van Vespasianus (r). Op de achtergrond half zichtbaar: Tempel van Dii Consentes. Foto: mei 2009

Forum Romanum, Tempel van Saturnus (l) en Tempel van Vespasianus

20.16 Op het fries van de resten van de ionische tempel is nog een inscriptie zichtbaar die herinnert aan een restuaratie na een brand: SENATVS POPVLVSQUE ROMANVS INCENDIO CONSVMPTVM RESTITVIT: de senaat en het volk van Rome herstelden dit, verwoest bij een brand. Hier deed dus Julius Caesar zijn greep in de kas. Na een aantal eerdere reconstructies werd de tempel in 42 vC. door Munatius Plancus herbouwd. In de 4de eeuw werd de tempel weer hersteld. Wat resteert is een hoog podium, uit de tijd van Plancus, en acht zuilen van de pronaos, met een deel van het entablatuur. De zes aan de voorkant zijn van graniet; de andere twee in rood graniet staan aan de zijkant. In de tempel bevond zich de schatkamer waar het goud en zilver werd bewaard. De ruimte (het Aerarium) ten oosten van de smalle trap kon worden gesloten. De gaten ervan zijn nog zichtbaar. Je kunt nu over een stijgend pad achterlangs de tempel van Saturnus lopen. Tegenover de tempel van Saturnus, bij de noordwesthoek van de basilica staat een betonnen voetstuk voor wat misschien de Boog van Tiberius was, opgericht in 16 nC te zijner ere en van zijn neef Germanicus. U ziet het overigens goed. In 1973 was het Forum om het zo te zeggen nog per auto begaanbaar. Links van de weg de Tempel van Saturnus, rechts ervan die van Vespasianus. De weg leidde naar het Kapitool, waar het plein ook nog toegankelijk was voor auto's. Dat laatste is trouwens nog steeds zo.

20.16 Rome, Forum Romanum, Tempel van Saturnus (l) en Tempel van Vespasianus (r). Ertussen: Via della Consolazione. Met de sloop van het deel van de weg over het Forum werd eind 1980 een aanvang gemaakt, op een moment dat de Tempel van Saturnus compleet in de steigers stond. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Forum Romanum, 1973

20.17 tempel van concordia
Als je onder de boog van Septimius Severus doorloopt, en linksaf slaat (normaliter kun je niet anders, maar in mei 2013 was zelfs dat onmogelijk), liggen onmiddellijk aan de rechterkant van het pad de resten van de tempel van Concordia, een reconstructie door Tiberius (10 nC) van een heiligdom dat gewijd zou zijn door Furius Camillus in 366 vC, en dat diende om de overeenkomst te bevestigen tussen patriciaat en plebejers. Camillus was de man die het tegen de Galliërs opnam. Maar die datering is omstreden. Inmiddels meent men dat de tempel pas werd gebouwd in 131 vC. Onder de Republiek vergaderde de Senaat hier af en toe. Cicero hield er zijn vierde rede tegen Catalina. De blijkbaar heel smalle tempel was al in 121 vC met toestemming van Opimius herbouwd na de moord op Gracchus, en dat gebeurde opnieuw in het jaar 10, onder Tiberius. Het werd toen een museum met schilderingen en beelden van beroemde Griekse kunstenaars. Alleen het plaveisel bevindt zich nog op zijn plaats. In 31 werd hier door de Senaat vergaderd over het lot van Sejanus, de prefect van de Praetoriaanse Garde van Tiberius. Van de tempel staat geen zuil meer overeind. Er is alleen nog het podium en de drempel van de cella, en er resteert nog de kern van de basis waarop de zuilen stonden. De marmeren bekleding ervan is weggehaald, zodat je alleen het cement ervan ziet.

20.18 tempel van vespasianus en titus
Even verderop staan, aan de voet van de trap naar het Tabularium, de drie resterende zuilen van de pronaos van de tempel van Vespasianus, die door Domitianus werd opgericht ter ere van zijn vader en broer. Omdat een achtste-eeuwse pelgrim de tekst op de architraaf compleet overschreef, zonder precies te begrijpen wat er stond, kunnen we nu, nu de tekst (en de tempel) nog maar voor een klein deel bestaat, vaststellen dat het complex was opgedragen aan Vespasianus en Titus. Nu is alleen nog leesbaar: RESTITVER, van: restituerent (herstelden). Zo gaat het vaker met de bronnen der geschiedenis. Als Piranesi rond 1750 de tempel afbeeldt in zijn Antichità Romane, steekt alleen het fries en een stukje van de drie zuilen boven de grond uit. De opgravingen ervan begonnen in 1810, op een moment dat men - net als eerder Piranesi - nog dacht dat het bij de restanten ging om de tempel van Jupiter Tonans. De zuilen hingen op dat moment flink scheef, en werden alleen rechtop gehouden door de ertegen opgehoopte aarde. De architect Valadier zou de drie zuilen ontmantelen, en weer op een nieuw podium met trap installeren. Die dateren dus van 1811. De tempel was oorspronkelijk 33 meter lang en 22 meter breed. In de cella stonden twee reusachtige beelden. De twee immense marmeren hoofden van Vespasianus en Titus in de Farnesecollectie in het Nationaal Museum van Napels komen dan ook uit deze tempel.

20.18 Rome, Forum Romanum, Tempel van van Vespasianus. Op de onderste helft van de achtergrond: Tabularium. Foto: mei 2013.

Rome, Forum Romanum, Tempel van Vespasianus

20.19 tabularium
Het gebouw dat aan de oostzijde nog steeds de valdie het Forum eigenlijk is beheerst, is het Tabularium. Het ligt, ook al is dat nu niet meer te zien, in een holte die zich oorspronkelijk tussen Capitolium en Arx bevond en die bekend stond als het Asylum. De naam ervan was afgeleid van de documenten die er werden opgeslagen, de tabulae publicae. Een inscriptie waarvan de oorspronkelijke versie verloren is gegaan, zo schrijft Coarelli, maar dat in de middeleeuwen werd gekopieerd, noemt het gebouw, de bouwer en de datum waarop het ontstond:

Q{uintus} Lutatius Q{uinti} f{ilius} Q{uinti} n{epos} Catulus co{n}s{ul} substructionem et tabularium / de s{enatus} s{ententia} faciundum coeravit eidemque / probavit: Quintus Lutatius Catulus, zoon van Quintus, kleinzoon van Quintus, ondernam het bouwen en de inspectie van de onderbouw en het tabularium in overeenstemming met een besluit van de senaat.

In de 18e eeuw werd nog een inscriptie ontdekt die bijna identiek was aan de vorige, maar waarin de naam van het gebouw ontbrak. Die werd door de archeoloog Luigi Cannina overgebracht naar de noordoosthoek van het monument, waar ze nu nog hangt. De eerste hier genoemde inscriptie stond te lezen op een latei (een draagconstructie in een muur voor een wanddoorbreking) van het gebouw, zodat we veilig kunnen aannemen dat het inderdaad werd gebouwd door Quintus Lutatius Catulus, de man die de opdracht kreeg voor de wederopbouw van het Kapitool na de brand van 83vC. Aangezien Catulus consul was in het jaar 78vC mogen we aannemen dat het werk eraan in dat jaar begon en misschien voortduurde tot 65vC, toen hij censor werd. Dat betekent wel dat het Tabularium met enige haast werd voltooid, want de werkzaamheden aan de Tempel van Juno duurden veel langer. In een recente vondst wordt de architect genoemd die verantwoordelijk was voor de bouw: ene Lucius Cornelis, die in oorsprong uit Ostia afkomstig was. In de hierboven al geciteerde inscriptie wordt al onderscheid gemaakt tussen de twee delen van het gebouw die nu nog herkenbaar zijn, de substructio, een groot keldergedeelte, dat de helling van het asylum geheel aan het oog onttrekt en daarboven het tabularium zelf, dat nu bijna compleet verdwenen is. De enorme muur, van 73.60 meter, is nu nog het opvallendste deel van het complex, dat in de vorm van een trapezium was gebouwd, met de twee korte zijdes ervan (noordoost en zuidwest) grenzend aan het Campidoglio. Voor de bouw ervan werden twee soorten tufsteen gebruikt, terwijl de fundamenten en de bogen eronder van cement waren. Zes kleine vensters verlichtten de gang op de eerste verdieping (Italiaanse stijl) langs de façade. Het laatste aan aan de rechterzijde, zo schrijft Coarelli, was duidelijk iets verder naar links geplaatst om de Tempel van Concordia te respecteren. Twee ingangen gaven toegang tot het Forum.

20.19 Rome, Forum Romanum, Tabularium. Reconstructie van de façade. Bron: Coarelli 2007

Rome, Forum Romanum, Tabularium, reconstructie façade, Coarelli

20.20 portico van de dii consentes
Het verst tegen de achterwand van het tabellarium (helemaal in de linker achterhoek van het Forum) ligt de in 1858 (onder Pio Nono) gerestaureerde Portico van de Dii Consentes, bestaand uit twaalf in hoekvorm opgestelde zuilen, de originele zeven in marmer, de vijf gerestaureerde in kalksteen. Het werd blijkens een inscriptie in 367 hersteld door de toenmalige stadsprefect Vettius Praetextatus, van wie we weten dat hij ook een aantal andere heidense reconstructies heeft ondernomen en daarover ruzie kreeg met kerkleiders. Dat is opmerkelijk, omdat al in 341 het brengen van offers verboden was, en omdat sinds 356 de tempels waren gesloten. Hij zou ook de Tempel van Saturnus restaureren. De Portico en die tempel zijn zodoende de laatste heidsense monumenten van het Forum. De zuilen staan op de fundamenten van een Flavisch gebouw dat twee verdiepingen had met respectievelijk acht en zeven kamers. Het zou kunnen dat daar paarsgewijs de beelden in hebben gestaan. Wat je ziet, is dus een reconstructie, die dateert uit 1858. De Dii Consentes waren de Romeinse, of misschien zelfs de Etruskische versie van het Griekse Δωδεκάθεον: dodekatheon, het pantheon van de de twaalf Olympische Goden, bestaand uit zes goden en zes godinnen. En dat waren dan: Zeus, Hera, Poseidon, Demeter, Ares, Hermes, Hephaestus, Aphrodite, Athena, Apollo, Artemis, en Hestia. En voor de Romeinen: Jupiter, Juno, Neptunus.

20.20 Rome, Forum Romanum, Tempel van van Dii Consentes. Foto: mei 2013.

Forum Romanum, Tempel van van Dii Consentes

20.21 basilica julia
De wel zeer schaarse, maar qua oppervlak omvangrijke resten van de Basilica Julia werden aan de noordkant begrensd door de Via Sacra, aan de westkant door de Vicus Jugarius, en aan de oostkant door de Vicus Tuscus, met aan die kant aan de overzijde de Tempel van Castor (hier op de achtergrond). Het gebouw was 101 meter lang en 49 meter breed en vormde de vergaderplaats van de vier tribunalen van de Centumviri, een orgaan van 180 magistraten dat civiele zaken behandelde. De tribunalen van elk 45 man functioneerden afzonderlijk, behalve in zeer gecompliceerde gevallen. De gerechtshoven waren van elkaar gescheiden door schermen, zodat de stemmen van de advocaten en het geroep en applaus van het publiek in de bovenste galerijen van de basilica door het gebouw galmden. Advocaten gingen er soms toe over publiek in te huren en zulke groepen hebben blijkbaar nogal wat tijd over gehad, want in de in de treden van de basilica zijn borden uitgehouwen waarop ze dobbelden.

De basilica staat op de resten van de oudste basilica op het Forum, de basilica Sempronia, die dateerde van 169 vC. We weten dat bij de bouw daarvan Tiberius Sempronius Gracchus, vader van de beroemde tribunes, het huis van Scipio Africanus moest laten slopen. Bij verdere opgravingen is ook het impluvium van een privéwoning gevonden. Voor de Sempronia stond nog een rij tabernae, het spiegelbeeld van de rij aan de andere kant, voor de Basilica Fulvia-Aemilia. Die zouden in het nieuwe gebouw verdwijnen. De basilica Julia is ook daardoor groter dan de Aemilia. Hij werd in 54 vC. begonnen door Julius Caesar en afgemaakt door Augustus, waarna het gebouw bijna onmiddellijk in vlammen opging, zodat hij direct opnieuw kon beginnen. Keizer Caligula (37-41) zocht op gezette tijden het dak op om van daar af geldstukken naar beneden te gooien. Hij vond het een aangenaam gezicht de mensen te zien vechten om de toegeworpen munten. Na een brand in 283 werd ze opnieuw hersteld door Diocletianus in 305. In 410 werd de basilica verwoest door Alarik, om in 416 en nu voor het laatst, herbouwd te worden. Voor de Basilica Julia langs loopt de zogenaamde Vica Iugario, die lange tijd afgesloten is geweest, maar sinds begin oktober 2014 weer toegankelijk is. Ooit verbond hij de Via Sacra met de Tiberhaven. Onderzoek en restauratie duurden vier jaar en kostten bijna 1.5 miljoen euro. Daarbij werd, op een diepte van 9 meter, ook het oorspronkelijke traject weer vastgesteld, dat lange tijd onbegrepen was.

Wat er nu van de basilica over is, zijn voornamelijk resten van de restauratie van 305. De bakstenen steunberen van de centrale hal zijn moderne reconstructies. De lengte van het gebouw is ongeveer 100 meter geweest, de breedte 50. De basilica beschikte over een centrale hal van 80 meter lang en bijna 30 meter breed, omgeven door dubbele zuilen, die zijschepen vormden. Aan de lange westzijde bevond zich aan de buitenkant een colonnade, waaronder zich een rij winkels bevond. Voor de basilica bevond zich een rij van zeven bakstenen voetstukken met zuilen, die dateert uit de 4de eeuw. Er stonden beelden van verdienstelijke burgers op. Twee van de zuilen zijn opnieuw opgericht. In de middeleeuwen werd op de westkant de S. M. In Cannapara gebouwd, die later werd vervangen door de S. M. delle Grazie.

20.21 Rome, Forum Romanum, Basilica Julia. Op de achtergrond de resterende drie zuilen van de Tempel van Castor en Pollux. Foto: mei 2013.

Rome, Forum Romanum, Baslica

20.22 Op korte afstand van de Lacus Curtius staan (vlakbij de zuil van Phocas), in de zuidoosthoek van het Forum de voetstukken voor twee keizerbeelden, Constantijn en Diocletianus. Het Ruiterstandbeeld van Keizer Domitianus werd in '91 opgericht en onmiddellijk na de dood van de gehate despoot omvergehaald. Dat gebeurde heel grondig, want meer dan de bouwput (12 bij 6 meter) en drie overeind gezette blokken steen is er niet over. Verdwenen is het ruiterstandbeeld en de liggende figuur die het overwonnen gebied (in dit geval Germania) moest voorstellen.

20.23 cloaca maxima
Als je aan het eind van de basilica even rechtsaf slaat, tref je (aan de oostkant dus) na twintig meter aan de rechterkant een uitgang aan van de cloaca Maxima (keurig voorzien van een bordje).

20.24 lacus curtius
Recht tegenover het begin van de basilica ligt de Lacus Curtius. Er staat een bordje bij, een hek erom heen en daarbinnen ligt een plas van pakweg 6 bij 6 meter, en daar staat een stele van Marcus. Onder een afdak bevindt er zich een geplaveid stuk met de bovenbouw van een puteal en daaromheen een twaalfhoekige bouwsel van peperino blokken. Het is vermoedelijk een gedenkteken voor het moeras dat werd drooggelegd bij de aanleg van de Cloaca Maxima. Nu niet meer dan een naambordje en een reliëf, was het ooit een meer (Latijn: lacus = meer) of iets wat daarop leek in de tijd dat het Forum nog een moeras was.
In 362 vC scheurde een aardbeving de grond open. Volgens het geraadpleegde orakel zou de grond zich pas weer sluiten als de Romeinen hun kostbaarste bezit erin zouden werpen. De jongeman Marcus Curtius begreep de wenk, sprong op zijn paard en dook in volle wapenrusting de afgrond in. Het reliëf dat hier is gevonden met Marcus Curtius die de kloof in rijdt, staat nu in het Palazzo dei Conservatori. Wat je ziet, is een kopie. De Lacus Curtius werd ten tijde van Keizer Augustus ook om andere redenen druk bezocht. Op zijn verjaardag, zo vermeldt Suetonius, wierpen de Romeinen en allen die hem goed gezind waren, geldstukken in de diepte, een stokoude gewoonte rond gewijde wateren, waaraan je aan de rand van de Trevifontein ook nu niet kunt ontkomen. Het is een aantrekkelijke gedachte het zoenoffer met de muntjes op te vatten als een wat onschuldiger versie van Marcus Curtius' mensenoffer. In het turbulente jaar 69, volgend op de dood van Nero, werd de toen 73-jarige Keizer Galba op deze plaats vermoord door aanhangers van Otho. Zijn draagstoel werd omvergeworpen en Galba rolde eruit. Toen zijn moordenaars aarzelden, stak hij zijn keel naar voren en zei, volgens Tacitus (I, 41) en Plutarchus tenminste: Toe maar, als dat voor het Romeinse volk beter is.

20.24 Rome, Forum Romanum, Lacus Curtius. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Lacus Curtius

20.25 tempel van castor en pollux
Tegenover het oostelijk einde van de basilica en aan de overzijde van de Vicus Tuscus bevinden zich de restanten van de Tempel van de Dioscuri. De drie resterende zuilen behoren tot de meest gefotografeerde objecten van Rome. Ze staan er dan ook mooi bij. Vooral bij zonsondergang en tegenlicht doen ze het goed.

De rite van de Castors, zoals de Romeinen de tweeling zelf tegenwoordig noemen, is al zeer oud. Lavinium was een kuststad op 30 kilometer van Rome, die gesticht zou zijn door Aeneas. Daar, in wat nu Pratica di Mare heet, werd een archaïsche inscriptie ontdekt uit de 6e eeuw vC, met een wijding aan Castor en Pollux. En dat bewijst dat de Griekse goden al vroeg in de buurt van Rome aanwezig waren. Vermoedelijk werden ze geïmporteerd uit Magna Graecia, uit Taranto, waar de twee Dioscuri als de beschermers golden van de adel. Het gemak waarmee al zo vroeg een tempel van uitheemse goden binnen het pomerium kon worden opgericht, bewijst dat ze ook in Rome al snel geaccepteerd werden. Ook in Rome zouden de Dioscuri vooral als goden voor de adel gelden. Bij recente opgravingen werd de altijd al vermoede stichtingsdatum van de tempel bevestigd. De tempel werd gebouwd in 484 vC, ter ere van de tweelinghelden Castor en Pollux, de zonen van Jupiter, wier miraculeuze verschijning tijdens de slag bij het meer van Regillus de Romeinen de overwinning bezorgden op de verdreven Tarquinii en hun Latijnse bondgenoten. De Romeinse adel beschouwde Castor en Pollux als hun beschermheiligen en hun feest vond elk jaar plaats op 15 juli, ter gelegenheid waarvan een grote parade werd gehouden bij de tempel. Er zijn hier ook fragmenten van beelden van de Dioscuri gevonden. De tempel werd een aantal keren herbouwd; de belangrijkste reconstructies waren die van L. Caecilius Metellus in 117vC en die van Tiberius in het jaar 6. Peripteraal van vorm, met acht Korinthische zuilen aan de einden en elf aan de zijkanten, beschikte het heiligdom over een brede pronaos, voorafgegaan door een brede trap. De drie prachtige gecanneleerde Korinthische zuilen met hun fraaie kroonlijst worden algemeen beschouwd als het meest karakteristieke deel van het Forum. Een blok marmer uit de tempel werd gebruikt als basis voor het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius.

20.25 Rome, Forum Romanum, Tempel van Castor en Pollux. Achtergrond: Palatijn. Links het afdak van de Tempel van Julius Caesar. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Tempel van Castor en Pollux

20.26 Je kunt hier goed zien hoe grote blokken travertijn zijn gebruikt voor de opbouw onder de zuilen. In dit geval was het travertijn ooit bekleed met marmer. Maar men gebruikte het kalkachtige gesteente dat uit groeves bij Tibur (Tivoli) kwam, en dat lapis tiburtinus werd genoemd (travertijn dus) ook als bekleding van gebouwen, dus zonder dat er marmer overheen kwam. Baksteen is in de oudere periode van de Romeinse bouwkunst bijna altijd bedoeld om bekleed te worden met marmer. Travertijn werd soms gebruikt als kern, soms als externe bekleding. Dat laatste gebeurde bijv. bij het Colosseum en het Stadion van Domitianus (nu Piazza Navona). Hier zijn ook nog de blokken tufsteen zichtbaar.

20.26 Rome, Forum Romanum, Tempel van Castor en Pollux. Façade van marmer, daaronder travertijn en tufsteen. Bron: Ward-Perkins 1974 nr. 8

Rome, Forum romanum, Tempel van Castor en Pollux

20.27 tempel van julius caesar
Vermoord werd Caesar, zoals je wel weet, in het theater van Pompeius, maar na de moord werd zijn lichaam naar het Forum gebracht. Nu staan aan het oosteinde van het oorspronkelijke Forum, ongeveer recht tegenover de plaats waar je het Forum op bent gekomen, op een open plek met een afdak de resten van de tempel van Julius Caesar, ook wel Heroön geheten. De tempel werd ingewijd in 29vC door Augustus ter ere van Divus Julius, op de plaats waar Caesar was gecremeerd en zijn testament werd voorgelezen door Marcus Antonius. Bij zijn begrafenisspelen - vertelt de historicus Suetonius - verscheen zeven dagen lang een komeet aan de hemel. De Romeinen zagen daarin de ziel van Caesar, die opgenomen was onder de goden. Het was naar oosters voorbeeld het eerste geval van postume Romeinse vergoddelijking. Hier verscheen vermoedelijk ook eerst de marmeren zuil met het opschrift: parenti patriae, aan de vader des vaderlands, die later pas werd vervangen door de aan Caesar gewijde tempel. En hier hield Tiberius in 14 de grafrede op Augustus, voordat die werd begraven in zijn mausoleum.

Het gebouw is een Ionische tempel, prostyle hexastyle (zes zuilen dus). Ze had aan de voorkant, maar er los van, een terras dat een verlengstuk van het podium vormde, en dat Rostra ad Divii Julii werd genoemd, vanwege de bekken die er hingen van de Egyptische schepen die bij Actium waren veroverd. Het enige wat er nu staat van de tempel, is het centrale blok van het altaar, dat nu voorzien van een afdakje, de plaats markeert waar Caesar werd gecremeerd. Wees gerust. Het is namaak. Aan de noord- en zuidkant liggen restanten van de Porticus, die de tempel aan drie kanten omgaf.

20.27 Rome, Forum Romanum, Tempel van Julius Caesar. Achtergrond links: Tempel van Antoninus en Faustina. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Tempel van Julius Caesar

20.28 boog van augustus
Tussen de resten van de tempel van Julius Caesar en die van Castor en Pollux bevinden zich de fundamenten van de boog van Augustus, die werd opgericht in 29vC, ter herdenking van de overwinning in 27 vC. op Antonius en Cleopatra bij Actium. In 19 vC. werd er nog een andere boog bijgezet (ter herdenking van een overwinning op de Parthen), driedubbel met een hoger centraal deel en lage zijkanten. Aan de binnenkant van deze boog hingen misschien de fasti (de consulaire registers en die van de triomfen) en niet, zoals eerder verondersteld aan de muren van de Regia of in de Templum Pacis. Wat er nu over is, is enkel een blok aan de rechterkant, en één aan de linker met daarop nog een klein bovenstuk van de boog.

20.28 Rome, Forum Romanum, Boog van Augustus. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Boog van Augustus

20.29 fontein van juturna
In het oude Rome kwam voor 312 vC het meeste water gewoon uit de Tiber, maar er waren ook een paar bronnen binnen de stad, en hier lag er één van. Zulke bronnen werden in de vroegste periode al snel geassocieerd met goden. De associatie met de nimf Juturna, zus van koning Tarnus, wordt al vroeg genoemd. Hier, bij de bron van Juturna, zouden de paarden van de godentweeling Castor en Pollux gedronken hebben, toen ze de Romeinen te hulp kwamen. Daar bevindt zich ook een reliëf waarop de Spartaanse koningin Leda te zien is. Zij werd door de oppergod Zeus bemind, die zich voor deze gelegenheid in de gedaante van een zwaan vertoonde. Onvermijdelijk resultaat van die ontmoeting waren twee eieren. Daaruit kropen na verloop van tijd twee jongetjes, Castor en Pollux, en twee meisjes, te weten Clytaemnestra en Helena, twee zwaar beladen namen in de Griekse mythologie. In 164 vC liet de toenmalige censor Lucius Aemilius Paulus de randen van het bassin van de Fontein van Juthurna versieren met beelden van de Dioscuren, staand naast hun paarden. Fragmenten ervan zijn gevonden en staan nu in het antiquarium op het Forum. Een soortgelijk stel staat aan de rand van het Kapitool. De constructie die hier je nu ziet, is naar de versie uit de Republiek, maar dateert zelf uit de jaren '50 van de vorige eeuw. Ja, zeg dat wel.

In een van de nissen in de muur staat een gehavend beeld van Aesculapius, de god van de geneeskunde. In zijn gezelschap bevinden zich de aan hem gewijde slang, een slaafje en een haan. Zieken hadden de gewoonte om in een aan Asklepius (in het Grieks: Ασκληπιός, of: Asklepios) gewijd heiligdom te overnachten en offerden er een haan, om de volgende ochtend genezen te ontwaken. De toneelschrijver Aristophanes wijdt er een grappige scène aan in zijn Ploutos. Voor Asklepios bestonden in het oude Griekenland verschillende heiligdommen (zo op het eiland Kos, waar Hippocrates gewerkt zou hebben, en bij Epidauros). Bij de Romeinen heette de god Aesculapius. De Griekse filosoof Socrates die in de dood genezing wilde vinden, zei: Wij zijn Asklepios nog een haan schuldig, vergeet dat niet, en dronk vervolgens de gifbeker. Op het nabije Tibereiland bevond zich een aan Aesculapius gewijde tempel. In de nadagen van het keizerrijk werd Aesculapius beschouwd als een gevaarlijke concurrent van Christus, met wie hij veel trekken gemeen heeft. Constantijn zou een aan Aesculapius gewijde tempel laten ontwijden.

20.30 vestibule paleis van domitianus
Erin staat één van de vele raadselen op het Forum. Tot voor kort werd het de Tempel van Augustus genoemd, waarvan het ooit de bibliotheek zou hebben gevormd. Inmiddels meent men dat het om een soort vestibule van het Paleis van Domitianus zou gaan,dat die op de Palatijn bouwde, ermee verbonden door een houten brug (die al door Caligula was aangelegd) waarlangs de keizer naar het Kapitool kon zonder naar het Forum af te dalen. Maar er zijn ook andere toeschrijvingen. Het complex zou het restant kunnen zijn van het door Hadrianus aangelegde atheneum.

De restanten geven een goede indruk geven van de betonbouw van de Romeinen. Met het groeien van de stad en met het toenemen van de behoefte aan een snellere en vooral gemakkelijkere bouwtechniek vonden de Romeinen in de 1e eeuw vC een soort beton uit. Wat je ziet zijn de muurkernen: in een houten bekisting werden steenklompen gemengd in een pap van twee à drie delen zand op één deel kalk. De gaten die wij nu in de muren zien, zijn sporen van weggerotte dwarsbalken. Die hadden als steiger gefungeerd bij de bouw, maar waren niet afgewerkt, omdat de bekleding met marmeren platen ze toch aan het oog zou onttrekken. Verder werd er ook gebruik gemaakt van een baksteen-afwerking.

20.30 Rome, Forum Romanum, wellicht resten van de zogenaamde Vestibule van Domitianus. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, resten van de vestibule van Domitianus

SANTA MARIA ANTIQUA

21.1 Aan de uiterste zuidrand van het Forum, tegen de Palatijn aan, bevinden zich de omvangrijke restanten van de Santa Maria Antiqua, de oudste en belangrijkste kerk op het Forum. Mocht je desondanks vinden dat het er allemaal erg nieuw uitziet, dan klopt dat wel, want een deel ervan is net herbouwd, in 2009, vooral om de vondsten (met oa. muurschilderingen) te overdekken. Na 30 jaar gesloten te zijn geweest vanwege een restauratie, is de kerk vanaf eind maart 2016 weer toegankelijk voor bezoekers.

21.1 Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua. Rechts: resten van wat misschien de zogenaamde Vestibule van Domitianus was. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua

21.2 Het gebouw moet in zijn oorspronkelijke vorm hebben gedateerd uit de late eerste eeuw, toen het misschien een soort ceremoniële ontvangsthal was. Nadat een halve eeuw eerder, aan het eind van de vijfde dus, de Santi Cosma e Damiano tot kerk was gewijd, was dit het tweede publieke gebouw op het Forum dat tot kerk werd omgebouwd, bewijs van de groeiende invloed van de kerk in Rome, ook al gebeurde de ingebruikneming van zulke in oorsprong publieke gebouwen blijkbaar met de nodige omzichtigheid. Kort voordat dat gebeurde, was het wellicht een ruimte geworden die diende voor de wacht die de trappen naar de Palatijn bewaakte, waar immers de Byzantijnse gouverneur verbleef. Officieel had de Byzantijnse keizer het voor het zeggen in Rome. Die wachtruimte was al gedecoreerd met christelijke muurschil-deringen, die deden denken aan die van Justinianus in de Chalkē, de bronzen poort die de wachtruimte vormde van het keizerlijk paleis in Constantinopel. Vanaf dat moment werd de hal, als kerk, tweehonderd jaar lang keer op keer bedekt met nieuwe muurschilderingen, totdat een aardverschuiving het hele gebouw in 847 bedolf. Toen stortten de resten van het paleis waar het in was ingebouwd in en verwoestten de kerk.

21.2 Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua. Grondplan, naar Krautheimer. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua

21.3 Het complex werd pas weer ontdekt in 1702 en uitgegraven en geïdentificeerd in 1900. Een latere kerk op deze plaats (de S.M. della Liberatrice) werd in 1902 omlaag gehaald. Op een foto van 1882 is de Santa Maria della Liberatrice nog te zien, met de weg die de kerk verbond met de San Lorenzo in Miranda. De rechten en bezittingen van de Santa Maria Antiqua werden in 827 overgedaan naar de Santa Maria Nuova, nu Santa Francesca Romana geheten. Het is lang geleden dat ik in de kerk ben geweest, want het gebouw is meestal dicht. Ook de laatste paar jaar was dat steeds het geval. De resten die er nu nog te zien zijn, dateren van de 5e eeuwse kerk met resten van schilderingen uit de 6e, 7e en 8e eeuw. Krautheimer noemt de kerk een regelrechte pinakotheek van zevende- en achtste-eeuwse kunst in Rome. Een muur in het presbyterium (bijgenaamd de palimpsestmuur, omdat hij net als een hergebruikt manuscript moet worden gelezen) telt tenminste zes lagen met decoratie, met op de onderste twee mozaïeken uit de vierde tot de zesde eeuw, met klassiek Romeinse taferelen. Die werden vervolgens bedekt door de fresco's van de S.M. Antiqua. Een zeer klein deel van de mozaïeken bestaat nog. De laag daaroverheen dateert vermoedelijk uit het begin van de zevende eeuw. De stijl ervan lijkt hellenistisch. Afgebeeld zijn in latere lagen enige pausen, Zacharias I, Paulus I (†767) en Adrianus I (†795), met een vierkante nimbus op het hoofd, ten teken dat ze nog leefden toen ze werden geschilderd. De hierbij getoonde Kruisiging dateert uit de periode van Paus Zacharias I (741-752) en werd aangebracht dankzij een persoonlijke gift van de vermogensbeheerder van de kerk, Theodotus. Brandenburg spreekt overigens van een onder Zacharias dienende Griekse militaire commandant, al sluit het éen het ander niet uit. De schildering is aangebracht in een kapel die is gewijd aan de heilige Quiricius en Julitta, beiden martelaren. Opvallend aan het tafereel is de vermenging van oosterse beeldelementen, zoals de bekleding van Christus met een colobium, die bekend is uit Syrische handschriften en van iconen uit het klooster van Sint Catherina aan de voet van de Sinaïberg, terwijl de afgebeelde personages passen in een Romaanse stijl, aldus tenminste Tomei in Bussagli 2000. Met name die conobium lijkt te wijzen op de invloed in deze jaren van het gebied rond het oosten van de Middellandse Zee. Sporen van die invloed zijn ook zichtbaar in de Santa Sabina, op de Aventijn. Op de achterwand van dezelfde kapel bevindt zich de oudste schildering van het complex, vervaardigd tussen 536 en 550, met de maagd Maria als vorstin der hemel, en dat is het vroegst bekende moment dat Maria als zodanig figureert. De laag is als enige duidelijk Byzantijns van inspiratie.

21.3 Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua, Theodotuskapel (741-752). Kruisiging. Ter weerszijden van de nis de resten van de oorspronkelijke grondlaag van de marmeren wandbekleding uit de 4e en 5e eeuw. Bron foto: Brandenburg 2013; Bussagli 2000

Rome, Forum Romanum, Santa Maria Antiqua, Theodotuskapel, Kruisiging

VII
FORUM ROMANUM WEST

22.1 forum west
Het behoort min of meer tot de gewoonte te doen alsof ook het hele gebied vanaf de Tempel van Antoninus en Faustina tot het Forum behoort, en heden ten dage lijkt dat zo, domweg omdat de opgravingen zo zichtbaar een geheel vormen. En inderdaad loopt ook de Via Sacra gewoon door het hele gebied. Toch had dit deel van wat nu het Forum lijkt een ander karakter. Het lag hoger dan de rest, keek er dus op uit, bevatte ook woonhuizen, die hier ook op de hellingen van de Palatijn lagen, terwijl een andere woonwijk lag aan de zijde van wat nu de Via dei Fori Imperiali is, de Carinae, met huizen waarvan een deel nog bestond tot Mussolini ze in de dertiger jaren neerhaalde. Er bevonden zich in dit gebied blijkbaar ook horrea, terwijl de archeologische onzekerheden hier soms nog groter zijn dan in het andere deel, en de geschreven bronnen veel schaarser. Gorski en Packer behandelen dit deel in hun boek over het Forum helemaal niet, omdat het er domweg geen onderdeel van vormt.

22.1 Rome, Forum Romanum, Westelijk deel. 47 Woonhuizen uit de tijd van de Republiek 48 Carinae 49 Tempel van Vesta 50 Huis van de Vestaalse maagden 51 Verblijf van de Pontifex Maximus 52 Regia 53 Tempel van Antoninus en Faustina 54 Tempel van Romulus 55 Basiliek van Constantijn 56 Tempel van Venus en Roma 57 Boog van Titus. Bron: Aicher 2004.

Rome, Forum Romanum, Westelijk deel, Aicher

22.2 tempel van vesta
In de tempel van Vesta bewaarden de Vestaalse maagden het heilige vuur. Vesta was de godin van de haard, beschermster van het vuur, dat ook de eeuwigheid van de staat symboliseerde. Het doven van het vuur was een van de angstwekkendste voortekenen, aangezien dat het einde van Rome aankondigde. De oorsprong van de cultus zou al teruggaan tot de tweede koning van Rome, Numa Pompilius, of zelfs tot Aenaeas, die het uit Troje zou hebben meegenomen, samen met de Penaten. Tempel, Huis van de Vestaalse maagden en Regia vormden dan ook één complex. Zoals de Regia in oorsprong met de koningen verbonden was, verving de Tempel van Vesta de oorspronkelijke zo belangrijke haard van de koning, en werd daarmee een soort staatshaard. Tijdens de Republiek al verving een groep gespecialiseerde priesterinnen de dochters van de koning en de koningin. Het is uit deze tempel dat in 69 Piso Licinianus, adoptiefzoon van Galba, en bedoeld keizer, door aanhangers van Otho naar buiten werd gesleept en voor de tempeldeur afgeslacht (Tacitus, I, 43). Zijn hoofd moest later door de familie worden teruggekocht.
De tempel is een aantal keren afgebrand, o.a. tijdens Nero in 64; hij werd voor de laatste keer hersteld door de vrouw van Septimius Severus, Domnia. Onder Theodosius, die het Christendom propageerde, werd hij in 394 gesloten en de vlam voorgoed gedoofd. Een jaar eerder had die ook de Olympische Spelen afgeschaft. Hij moest eens weten. Hoe dan ook, al in de 8e eeuw was de tempel een ruïne, waarvan alleen de voetstukken over waren en wat fragmenten. Het is een cirkelvormig gebouw, voorzien van 20 Korinthische zuilen. De cirkelvormige bouw doet denken aan de vroegste Latijnse hutten, zegt men altijd (voegde hij er behoedzaam aan toe), en misschien was de eerste Vestaalse tempel, waarvan het huidige heiligdom een opvolger is, ook van stro en hout. Voor de tempel werden de resten van twee putten gevonden, één uit de 4e eeuw vC en de andere uit de 7e vC. In het binnenste van de tempel bevond zich een adytum, een geheime plaats met o.a. de pignora imperii, de geheime gelofte met betrekking tot de duur van Rome. Daartoe behoorde ook het Palladium, het beeld van Pallas Athene, dat met Aenaes mee zou zijn gekomen uit Troje. Alleen de Vestaalse maagden en de Pontifex Maximus mochten de ruimte betreden. Het palladium was het hoogst vereerde voorwerp in Rome en verscheidene keren werd gepoogd het te stelen, o.a. door Heliogabalus. Maar die nam dankzij de maagden een kopie mee. De tempel werd halverwege de 16e eeuw compleet verwoest, en het marmer hergebruikt voor nuttiger zaken. De huidige aanblik is een reconstructie van Bartoli uit 1930, overigens met fragmenten uit allerlei periodes.

22.2 Rome, Forum Romanum, eens een keer van de achterzijde: Tempel van Vesta. Links die van de Dioscuri. Foto: mei 2013.

Rome, Forum Romanum, Tempel van Vesta

22.3 regia
Onmiddellijk tegenover de tempel van Vesta ligt aan de noordkant de Regia. In de alleroudste periode lagen hier hutten, zoals die ook op de Palatijn zijn gevonden. Pas aan het eind van de zevende eeuw verscheen hier de eerste stenen constructie. Dit was volgens de traditie het paleis van Numa Pompilius. Opgravingen van Etruskische koningspaleizen elders lijken die toeschrijving wel te bevestigen. Aan het begin van de Republiek werd het oorspronkelijke gebouw vermoedelijk opgedeeld in diverse ruimtes, met allemaal een eigen rituele functie. Later zou de Rex Sacrorum, een Republikeins ambtenaar, die de religieuze taken van de oorspronkelijke koning zou overnemen, hier ook zijn functie uitoefenen, maar er niet verblijven. Ook de Pontifex Maximus, die ten slotte op zijn beurt de plaats van de Rex Sacrorum innam, en vermoedelijk ook diens woonverblijf, voerde hier alleen zijn rituele taken uit. In 36 vC. werd de Regia door brand verwoest en weer herbouwd. Naar alle waarschijnlijkheid bevonden zich hier de staatsarchieven en de annales maximi van de Pontifex Maximus. Hier bevonden zich niet de Fasti, zoals lang gedacht, maar aan de binnenzijde van de boog van Augustus. Wel aanwezig was er een aan Mars gewijd heiligdom (bewijs van hoe oud het complex was) namelijk het Sacrarium van Mars met het Ancilia, of de heilige schilden die uit de hemel waren gevallen, en de speren die trilden als er een oorlog op het punt stond uit te breken. Ook in de nacht van 14 maart 44 vC moeten ze hun waarschuwend werk gedaan hebben, maar Caesar - tevens Opperpriester - vertrok toch uit de Regia om in het theater van Pompeius de senaatszitting bij te wonen die zijn laatste zou worden. Ook bevond zich hier de kapel van Ops Consiva, de godin der oogst. De Regia werd van de Tempel van de Vestaalse maagden alleen gescheiden door de Vicus Vestae, maar hoorde daar eigenlijk bij.

22.4 het huis van de vestaalse maagden
Direct ten oosten van de Tempel van Vesta bevindt zich het huis van de Vestaalse maagden, ofwel het Atrium Vestae. Hier werd het beeld van Vesta bewaard, dus niet in de tempel. Het heiligdom bestaat uit een langwerpige structuur, met een ruime hof in het midden. Het dateert uit de periode van de republiek, maar werd onder Nero en Septimius Severus herbouwd. De oudste versie was veel kleiner dan de huidige.

Er waren maar zes Vestaalse Maagden. Ze waren de enige vrouwelijke priesters in Rome. Aanvankelijk werden ze benoemd en gekozen door de koning, tijdens de republiek door de Pontifex Maximus. De titel Pontifex betekent in oorsprong bruggenbouwer, en werd gegeven aan de hogepriester vanwege bepaalde ceremoniën die werden uitgevoerd om de Tibergeesten te verzoenen met de bruggen die over de rivier werden gebouwd. Veel later werd de term een aanduiding voor de paus, hoewel die zichzelf liever anders noemt (Servus servorum Dei, dienaar van de dienaren van god). Een kandidate voor de Vestaalse maagden moest tussen de 6 en 10 jaar oud zijn, gezond van lichaam en geest, dochters van vrijgeboren en in Italië verblijvende ouders. Ze werd na haar benoeming aan de hand van de Pontifex Maximus naar het Atrium Vestae geleid, waar ze vanaf dat moment woonde. Ze diende er 30 jaar. 10 jaar om de rituelen te leren, 10 om ze uit te voeren, en 10 om ze te onderwijzen aan novices. Ondertussen was ze gebonden aan haar gelofte van kuisheid. Bij haar terugkeer in de maatschappij was ze van haar verplichtingen ontslagen en mocht ze ook trouwen, iets wat maar zelden gebeurde.

De oudste Vestaalse maagd heette Vestalis Maxima of Virgo Maxima. Als een Vestaalse maagd zo onvoorzichtig was het vuur te laten uitgaan, werd ze gegeseld door de Pontifex Maximus, waarna hij het vuur weer aanstak met twee stukken hout van een felix arbor. De maagden werden geacht de offers te brengen, de schrijn dagelijks met water te besprenkelen, inzegeningen van tempels bij te wonen etc. Ze bewaarden testamenten, soms ook die van de keizers. Als een Vestaalse maagd haar gelofte van kuisheid verbrak, werden haar de waardigheden ontnomen, werd ze gegeseld en levend ingemetseld. Dat gebeurde overigens tien maal. De minnaar werd op het Forum doodgeslagen. In 114 vC waren er drie maagden tegelijk die hun eed verbraken. Plutarchus vermeldt wat er gebeurde. Nog net binnen de Porta Collina, de noordelijkste stadspoort, onder de agger van Servius Tullus, in het gebied dat campus sceleratus werd genoemd, bevond zich een kleine crypte, een onderaardse kamer, die alleen via een ladder te bereiken was. Er stond een bed, een olielamp, wat brood, water, melk en olie. De maagden werd op een baar vastgebonden en naar de crypte gebracht, door de beul de trap afgeholpen, en losgemaakt. Daarna werd de ingang dichtgemetseld en afgedekt met aarde. Inmiddels is de precieze plaats waar de crypte zich bevond, wel bekend. Het was in wat nu de Via Goito is, 50 meter van de oostelijke deur van het huidige Ministerie van Financiën (bij de bouw waarvan in 1872 de Collijnse poort werd neergehaald) en vlakbij het Centraal Station.

Het Atrium Vestae is duidelijk veel te groot voor zes maagden; desondanks is het zeer de vraag of de Pontifex Maximus er, zoals vaak wordt beweerd, wel verbleef. Het complex bevatte ongeveer 50 kamers op vermoedelijk drie verdiepingen. Ook op de tweede etages zijn her en der restanten van trappen aangetroffen. Vooral de binnenplaats van 60 meter lang en 20 meter breed is echter opvallend. In het midden ervan bevinden zich drie vijvers op ongelijke afstand en van ongelijke omvang. Daarin werd water verzameld, dat voor de plechtigheden gebruikt werd. De middelste ervan is de grootste. Ze werd ooit overdekt door een achthoekige structuur waarvan het doel onduidelijk is.

Langs de zijden van de binnenplaats zien we een reeks standbeelden van Vestaalse Maagden, die vrijwel zonder uitzondering hun hoofd missen. Dat heeft menig vervaardiger van familiekiekjes op een idee gebracht, zodat nu in veel fotoalbums beelden van Vestaalse Maagden prijken met op de schouders het hoofd van een goede bekende. Nu kan dat niet meer. Het hele terrein is afgesloten. De beter bewaarde exemplaren zijn overgebracht naar het Mus. Naz. Romano. De maagd recht tegenover de toegang mist niet alleen haar hoofd, maar ook haar naam op de sokkel: die is weggebeiteld, vermoedelijk nadat ze tot het Christendom was overgegaan. In 394 werd er een eind gemaakt aan het bestaan van de orde, en de vlam (dus) gedoofd. Verder bevinden zich in het Huis de cellen voor de Romeinse kloosterzusters en een bakkerij, waar de mola salsa (offermeel, vermengd met zout) werd bereid. In een ervan aan de zuidkant bevindt zich nog een molen voor het malen van graan. De bakkerij bevond zich ernaast. Veel vertrekken aan de binnenplaats zijn nog intact; her en der lopen nog trappen naar de volgende verdieping.

22.4 Rome, Forum Romanum, Huis van de Vestaalse Maagden. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Huis van de Vestaalse Maagden

SAN LORENZO IN MIRANDA

22.5 Noordelijk van de Regia ligt de Tempel van Antoninus en Faustina, links van de ingang tot het Forum. Het is een van de opvallendste gebouwen van het keizerlijke Rome en hij werd door de senaat in 141 gewijd aan de nagedachtenis van de keizerin Faustina, en na diens dood in 161 ook aan haar echtgenoot. Hier ziet u dat de kerk San Lorenzo in Miranda, die de tempel werd, niet helemaal uit de lucht is gegrepen. De foto dateert van voordat de opgravingen onder Mussolini begonnen. Ik vermoed dat hij uit de twintiger jaren is. D' Orazio zwijgt erover. Ik ben er nog nooit in geweest, zo gebiedt de eerlijkheid te zeggen.

22.5 Rome, Forum Romanum, San Lorenzo in Miranda (Tempel van Antoninus en Faustina), ca. 1920-1930? Bron: D' Orazio 2004

Rome, Forum Romanum, San Lorenzo in Miranda

22.6 tempel van Antoninus en Faustina
Antoninus Pius (138-161), voorbeeldig keizer en langst regerende van de dynastie der Antonijnen, bouwde de tempel voor zijn overleden vrouw Faustina, voor wie hij niet op de eerste, maar op de tweede regel liet beitelen: DIVAE FAUSTINAE EX S.C. (voor de vergoddelijkte Faustina, op grond van een senaatsbesluit). Daardoor bleef op de eerste regel ruimte open om na zijn eigen dood de tekst te laten beginnen met DIVO ANTONINO ET: voor de vergoddelijkte Antoninus en....
De tempel werd ergens voor de 11de eeuw veranderd in de kerk S. Lorenzo in Miranda, omdat men meende dat het proces waarin S. Lorenzo (Laurentius, of Laurens) was veroordeeld, en dat in 285 tot zijn  martelaarsdood leidde, hier plaatsvond. De vroeg-christelijke kerk vond zijn dood blijkbaar een belangrijk moment in haar jonge geschiedenis. Sint Laurens werd, samen met Petrus en Paulus, al in de vierde eeuw beschouwd als één van de belangrijkste vroege martelaren. Hoewel hij altijd wordt afgebeeld terwijl hij op een rooster verbrand wordt, werd hij vermoedelijk onthoofd. Eén van de vijf patriarchale basilieken van Rome, de San Lorenzo fuori le Mura, werd naar hem vernoemd, en daar vlakbij, op het Campo Verano, zou hij in de catacomben van St. Cyriacus ook begraven zijn.
De kerk werd in 1601-1602 gerenoveerd en kreeg toen 1602 een barokgevel. De toegangsdeur van de kerk zweeft nu ergens halverwege, aangezien de bodem van het Forum compleet is afgegraven tot het straatniveau van de republiek. Maar pontificaal voor de kerk staat nog de pronaos van de tempel, met een toegang via een gerestaureerde trap en zes 17 meter hoge cipollino Korinthische zuilen aan de voorkant, twee aan elke zijkant, met ook nog de architraaf en de friezen. Daarop zijn nog de groeven te zien die erin werden aangebracht om de touwen te bevestigen waarmee men poogde de zuilen om te trekken. En dat is dus mooi niet gelukt.

Overigens werd na de dood van Antoninus Pius, op het Marsveld, niet ver van de brandstapel van de keizer, een aan hem gewijde zuil opgericht. Alleen het voetstuk ervan (dat van reliëfs is voorzien), is bewaard gebleven en dat staat in de Vaticaanse Musea. De wijding aan Antoninus Pius op het voetstuk van de zuil van Marcus Aurelius, op Piazza Colonna, is een foutje van paus Sixtus V (Peretti, 1585-1590). De echte zuil van de keizer werd pas in 170 teruggevonden. Hij was zwaar beschadigd en uiteindelijk zijn delen ervan terechtgekomen in de obelisk (!) die nu op Piazza di Montecitorio staat, voor het parlement dus.

22.6 Rome, Forum Romanum, Tempel van Antoninus en Faustina, San Lorenzo in Miranda. Oktober 2009.

Rome, Forum, Tempel van Antoninus en Faustina

22.7 tempel van romulus
Tussen de tempel van Antoninus en Faustina en de Basiliek van Maxentius ligt, ietwat achteraf, de kerk SS Cosma e Damiano, waar oorspronkelijk de Templum Pacis stond. Aan de SS Cosma e Damiano besteed ik verderop een apart deel. De tempel vormde slechts een onderdeel van het onder Vespasianus aangelegde en onder Domitianus voltooide Vredesforum (Forum Pacis), dat - als we het oorspronkelijke Forum niet meetellen, chronologisch gezien het derde is dat ontstond, na dat van Caesar en dat van Augustus, waarnaast het zich bevond, alleen daarvan gescheiden door het Argiletum, de weg van het grote Forum naar de Esquilijn. Na een brand in 192 restaureerde Septimius Severus het Forum Pacis dat zo'n 135 bij 100 meter besloeg. Plinus Maior beschouwde het geheel als een wereldwonder (Historia Naturalis XXXVI, 102). Het verloor in de derde eeuw blijkbaar snel aan belang en in de vierde eeuw werden delen van het Forum Pacis al gebruikt voor de bouw van de nabije Basiliek van Constantijn en Maxentius. Een groot deel van het complex ligt nu onder de Via dei Fori Imperiali, al is een klein hoekje ervan aan de overzijde van de weg nog zichtbaar. Een deel van de tempel is nu in de erin gebouwde kerk opgenomen. In december 2015 werden volgens een overigens al heel oud plan en na acht maanden werkzaamheden ten slotte 7 zuilen van de tempel weer omhoog gezet op het podium dat tot dan toe de enige zichtbare rest van de tempel was. Aan een binnenmuur van die tempel kwam ooit de zogenaamde forma urbis romae te hangen, de marmeren plattegrond van de stad Rome, blijkbaar gemaakt in opdracht van Septimius Severus, tussen 203-211. De plattegrond - in het Engels marble plan - was 18.10 bij 13 meter. Resten ervan werden in 1562 teruggevonden vlakbij de huidige kerk. Van de kaart is bewaard gebleven tussen de 10 en 15%, overigens in 1186 stukken. De Stanford Universiteit heeft ze allemaal online gezet, alsmede 87 stukken die we alleen kennen uit renaissance-tekeningen. De marmeren kaart is van groot belang, want hoewel bekend is dat er meer van dit soort plattegronden waren, is het de enige waarvan restanten de geschiedenis hebben overleefd. Aangenomen wordt dat de Templum Pacis, aan welks muur de kaart dus zou hebben gehangen, ook fungeerde als een soort kadaster. De maquette die in 1937 onder Mussolini werd vervaardigd van het Rome ten tijde van Constantijn, nu in het Museo della Civiltà Romana, is niet helemaal toevallig dus, op praktisch dezelfde schaal gebouwd. Uitgerekend het deel met daarop het Forum Pacis is daarop nog goeddeels intact.

Rome, Templum Pacis, hal van de Forma Urbis. Illustratie: Inklink. Bron: Carandini 2017 ill. 14

Templum Pacis, met Forma Urbis

Maar hier hebben we bovendien - wederom - net als bij de Tempel van Antoninus en Faustina een tot kerk verbouwde tempel, al is de poging hier veel geslaagder dan bij de eerdere. De kerk heet Santi Cosma e Damiano, en is éen van de vele tituli in Rome. Met onze overbekende Romulus heeft de oorspronkelijke tempel niets van doen. Maxentius, de co-keizer van Constantijn, wijdde hem in 309 aan zijn zojuist gestorven zoon en die heette Valerius Romulus. Door sommigen, Krautheimer bijvoorbeeld, wordt aangenomen dat de tempel al bestond als Templum Urbis in de gedaante van Jupiter Stator en dat Maxentius hem alleen liet restaureren. Beetje armoedig natuurlijk. In 527 al werd de tempel tot kerk gewijd. In dat jaar schonk Theodorik de Grote, vorst van de Ostrogoten, de tempel aan Paus Felix IV (526-530) en ook een deel van de zogenaamde Bibliotheca Pacis, uit de Templum Pacis. Felix bracht de twee gebouwen bijeen en beoogde met zijn tweeling-wijding die van Castor en Pollux, even verderop, te beconcurreren. De kerk werd in 1632 onder Paus Urbanus VIII (Barberini, 1623-1644) gerestaureerd, waarbij de vloer 7 meter werd opgehoogd, om die op gelijk niveau met het toenmalige Forum te brengen. De apsis werd in de vijfde eeuw al voorzien van een Byzantijns mozaïek met de zogenaamde parousia, de wederkeer van Christus. Bij de nieuwe ingang bevinden zich nog de ruimtes met de oorspronkelijke vloer van het Forum Pacis, waar dus in oorsprong de Forma Urbus Romae hing.

22.7 Rome, Forum Romanum, Tempel van Romulus, of: Santi Cosma e Damiano. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Tempel van Romulus

22.8 basiliek van constantijn en maxentius
Het grootste gebouw op het Forum is de basiliek van Constantijn en Maxentius geweest. Hij staat tussen de Via Sacra en de kleine Velia-heuvel, en is eigenlijk gebouwd in een helling daarvan, zodat hij welbeschouwd niet echt op het Forum staat. Wat resteert, zijn drie enorme tongewelven die oorspronkelijk over cassettenplafonds beschikten. Van de forumzijde kijk je dus naar wat ooit, in de oorspronkelijke bouw, bedoeld was als achterzijde van de basiliek. Het oorspronkelijke oppervlak besloeg 100 bij 65 meter. De hoogte was 35 meter. De bouw ervan werd begonnen in de vroege 4de eeuw door Maxentius, maar toen die na de slag bij de Milvische brug in 312 werd afgezet door zijn co-keizer Constantijn, zette die de bouw voort.

22.8 Rome, Forum Romanum, Basiliek van Constantijn en Maxentius. Foto: mei 2013

Rome, Forum Romanum, Basiliek van Constantijn en Maxentius

22.9 Het gebouw stond in oorsprong oost-west en was bedoeld als juridisch en commercieel centrum, en bovendien als keizerlijke ontvangstzaal. Constantijn behield die oorspronkelijke oriëntatie oost-west, maar maakte van het langwerpige gebouw met zijbeuken drie korte brede beuken met een imposante van trappen voorziene hoofdingang aan de zuidkant om het hoogteverschil met de Velia te overbruggen. Aan het westelijk eind bevond zich een apsis, met daarin een 12 meter hoog beeld van de keizer, waarvan de restanten nu staan in de Esedra di Marco Aurelio, in het Palazzo dei Conservatori. Het beeld in kwestie werd overigens pas in 1487 ontdekt. De ingang op het oosten was voorzien van een smal atrium met drie toegangsdeuren. Ergens aan het eind van de vierde eeuw, zeker niet onder Constantijn, werd de as van het gebouw gedraaid in richting noord-zuid. De centrale ruimte daarvan had aan de noordzijde ook een apsis. En dat is nu het enige wat er van over is, want daar kijk je vanaf het Forum recht in. Het gebouw is grootscheeps geplunderd. De dakpannen gingen al in de 626 naar de oude Sint Pieter. De overkluizing van de centrale hal steunde op 18 zuilen van 14.5 meter hoog. De laatste die daarvan was overgebleven, werd door Paulus V in 1613 op Piazza Santa Maria Maggiore neergezet. Michelangelo heeft het gebouw uitgebreid bestudeerd toen hij bezig was met de nieuwe St. Pieter. Rafael werd door de basilica geïnspireerd toen hij de achtergrond maakte van zijn beroemdste muurschildering in het Vaticaan (De school van Athene).

22.9 Rome, Forum Romanum, Basiliek van Constantijn en Maxentius. Forumzijde. Foto: mei 2013

Forum Romanum, Basiliek van Constantijn en Maxentius

22.10 In juli 2009 ten slotte werd de basilica beklommen door professionele bergbeklimmers, die hier ettelijke honderden optische lasermeetapparaatjes hebben geïnstalleerd, die moeten vaststellen in hoeverre de resten hinder ondervinden van trillingen die het gevolg kunnen zijn van de aanleg van de nieuwe Metro-lijn C. Hetzelfde is gebeurd op 56 andere locaties in de stad, allemaal op de route tussen de Sint Jan en Piazza Venezia, waar in totaal 661 meetapparaatjes worden geïnstalleerd.

22.10 Rome, Forum Romanum, Basiliek van Constantijn en Maxentius. Zijde Via dei Fori Imperiali. Foto: mei 2013

Basiliek van Constantijn en Maxentius. Zijde Via dei Fori Imperiali.

22.11 boog van titus
Op de top van de Clivus Sacer staat de Boog van Titus, die werd opgericht in 81, ter viering van de overwinningen van Titus en van Vespasianus in de Joodse oorlog. Die werd beëindigd met de verovering van Jeruzalem (70) en de diaspora van de Joden. Hij staat, niet helemaal toevallig misschien, mooi recht tegenover de Tempel van Vespasianus, aan het andere eind van het Forum. Beide werden voltooid onder Domitianus, broer van Titus, zoon van Vespasianus. De inscriptie luidt: SENATUS/POPOLUSQUE ROMANUS/DIVO TITO DIVI VESPASIANI F/VESPASIANO AVGVSTO: DE SENAAT/EN HET VOLK VAN ROME/AAN DE VERGODDELIJKTE TITUS VERSPASIANUS AUGUSTUS/ZOON VAN DE VERGODDELIJKTE VESPASIANUS. De verwijzing naar Titus als vergoddelijkt betekent dat de tekst werd geschreven na de dood van Titus.

22.11 Rome, Boog van Titus, Zolder. Foto: mei 2009

Rome, Boog van Titus

22.12 In de middeleeuwen werd de Boog van Titus onderdeel van een vesting van de Frangipani, en op een ets van Piranesi (18e eeuw) zien we zelfs hoe er aan de buitenzijde een polveriere tegenaan is gebouwd, een kruithuis dus, en nog een groot aantal andere huizen. Van de boog is dan al bijna niets meer over en hij is compleet ingebouwd geraakt. Aan de westkant (kapitoolzijde dus) stonden nog twee halve zuilen, terwijl de zolder al verdwenen was. In het begin van de 19de eeuw werd in deze hoek van het Forum een aanvang gemaakt met de opgravingen. De Boog van Titus werd als eerste blootgelegd en voor een deel gerestaureerd met behulp van teruggevonden brokstukken. Omdat hij omhoog werd gehouden door de gebouwen die er tegenaan stonden, werd de boog geheel gedemonteerd, en daarna weer opgebouwd. In 1822 geschiedde de restauratie in travertijn, in plaats van marmer. Daarvoor was Valadier verantwoordelijk, de man die ook het Piazza del Popolo ontwierp en de steunberen tegen het Colosseum zette. Alleen de flink beschadigde reliefs aan de binnenzijde, en twee zuilen zijn echt.

12.12 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma, [Veduta dell' Arco di Tito] Gezicht op de Boog van Titus, 385 x 620 mm. Bron: Ficacci nr. 923

Piranesi, Gezicht op de Boog van Titus

22.13 De enkele boog moet bijzonder fraai geweest zijn. Hij was bedekt met Pentelisch marmer. De zuilen zijn composiet. Aan de binnenzijde bevinden zich twee mooie, maar beschadigde reliëfs met afbeeldingen van de triomftocht van Titus, één aan de zuidzijde, de beroemdste, waarin oorlogsbuit uit Jeruzalem wordt meegedragen, met als onderdeel van de spolia de zevenarmige kandelaar, de menora, en één aan de noordkant met Roma die de keizerlijke quadriga leidt; in het midden wordt Titus ten hemel gedragen door een adelaar. Lang heeft deze plek de Joden tot nadenken gestemd: geen Jood zal onder deze boog doorgaan, heet het in (oude) reisgidsen. Tegenwoordig gaat er niemand meer onderdoor, want de boog is afgesloten. Tot Pio Nono, Paus Pius IX, in 1849 besloot dat het niet langer hoefde, moest bij elke installatie van een nieuwe paus, en de bijbehorende processie naar de Sint Jan voor de kroning, de possesso, die onder de boog doorging, terzijde een jood staan die trouw zwoer aan de kerk terwijl hij een exemplaar van de Pentateuch aanbood. Het is overigens een merkwaardig feit dat de boog van Titus in geen enkele klassieke bron wordt genoemd.

22.13 Forum Romanum, Boog van Titus. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Forum Romanum, Boog van Titus

22.14 Het verhaal van de joodse menora heeft nog een aardig staartje, in elk geval volgens de historicus Procopius. In 534 keert de beroemde generaal van Keizer Justinianus, Belisarius, terug naar Constantinopel, dat inmiddels eigenlijk - we schrijven zo'n 450 jaar na de bouw van de Boog van Titus – de hoofdstad van het Romeinse rijk is. Belisarius heeft in Noord-Afrika de Vandalen verslagen, en houdt nu de soort triomf die ook in het oude Rome normaal was. Behalve de gevangen Vandaalse vorst Gelmer, heeft hij ook weer de gebruikelijke spolia bij zich. Het is misschien van enig belang te vermelden dat de 6e eeuwse historicus Procopius (ca. 500-ca.560), wiens woorden ik hier citeer, zelf vermoedelijk uit het Palestijnse Cesarea kwam. Hij schrijft:

Vele duizenden ponden zilver gingen voorbij, evenals de keizerlijke schatten van Rome die de Vandalen [in 455] onder Gaiseric hadden geplunderd. Onder de buit bevonden zich de schatten van de joden, die door Titus, de zoon van Vespasianus, en anderen na de plundering van Jeruzalem naar Rome waren gebracht. Terwijl de triomftocht voorbij trok, zei een van de joden die naast een keizerlijk officier stond tegen hem: "Ik voorspel dat de Romeinen er nog spijt van zullen krijgen deze uit Jeruzalem meegenomen buit in hun paleis in Constantinopel binnen te halen: deze voorwerpen horen maar op één plaats, en dat is daar waar Salomo ze ooit neerzette, toen hij koning van de Joden was. Daarom slaagde Gaiseric erin het paleis in Rome te plunderen, en dat is waarom het Romeinse leger nu de Vandalen heeft verslagen." Toen zijn woorden werden overgebracht aan Keizer Justinianus, liet die de Joodse schatten bezorgen bij christelijke heiligdommen in Jeruzalem.

Bijgaand een historische foto van ongeveer 1875. Door de Boog van Titus is zichtbaar het Colosseum en de Boog van Constantijn. Ik heb me aanvankelijk over deze foto zoals hij stond afgedrukt het hoofd gebroken, maar ik neem aan dat de foto in Marmorio 2011 per ongeluk gespiegeld is weergegeven. Verwonderlijk is dat niet, want het nummer op de foto (linksonder, 3252), gaat uit van de juistheid van de spiegelbeeldige versie. Volgens mij is het reliëf met Titus als triomfator dat ter linkerzijde op de foto zichtbaar is, de noordkant en dat met de menora de zuidkant. Ik heb de foto horizontaal gedraaid. Dan nog verbaast het me enigszins dat je door de Boog van Titus die van Constantijn kunt zien. Te mijner excuus: je kunt al jaren niet meer onder de boog door. Recht voor de Boog van Titus is in elk geval nog zichtbaar de Meta Sudans, die onder Mussolini verwijderd zou worden.

Op 29 mei 2015 werd bekend gemaakt dat er resten van een tweede Titusboog zijn gevonden op het Circus Maximus, die daar stond opgesteld in het midden van de hemicycle, aan de zuidoostzijde. Er is een deel van het plaveisel van travertijn gevonden, de vier pilonen waar de zuilen op rustten en honderden fragmenten van zolder en boog; op dat moment realiseerde men zich ook dat men al over andere daarbij passende fragmenten beschikte, in de Kapitolijnse Musea namelijk. Die werden al in de jaren '30 gevonden. Er wordt overwogen daarvan kopieën aan te brengen op de boog. Op Roma Tre, éen van de universiteiten van de stad, wordt al gewerkt aan een virtuele reconstructie ervan. De zijde die naar het Colosseum is gekeerd lijkt tamelijk intact gebleven, maar de opgravingen aan de zuidkant, aan de zijde van de Porta Capena, zijn nog niet voltooid. Daar moet eerst pompen worden geïnstalleerd om het waterpeil te beheersen. Er wordt gezocht naar een sponsor, want de kosten bedragen ongeveer 1 miljoen euro.

22.14 Het Colosseum en de Boog van Constantijn, gezien door de Boog van Titus, 1874-1875

Colosseum en Boog van Constantijn door de Boog van Titus

22.15 boog van constantijn
Constantijn wordt gewoonlijk de eerste christelijke keizer genoemd. Niet voor niets ontliep het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius op het Kapitool het christelijke smeltvat: men nam aan dat het een beeld was van Constantijn. En al is er dan op de boog die je hier ziet een tafereel aanwezig waarop Constantijn een offer brengt, offeren was iets wat hij in werkelijkheid niet graag deed. Offeren werd al geassocieerd met de heidense cultus en die was bezig in het verdomhoekje te raken. Volgens de 6e eeuwse Zosimus, die het christendom vijandig gezind was, nam Constantijn weliswaar deel aan offerplechtigheden op aandringen van zijn soldaten, maar zelf het offer verrichten weigerde hij. En voor zijn opvolgers, die op Julianus de Afvallige na ook allemaal christelijk waren, gold iets soortgelijks. Aan het eind van de 4e eeuw al waren alle heidense offers al strikt verboden. Zover kwam het pas geleidelijk en in etappes. In 391 is het verbod compleet en definitief. Constantijn zou ook een aantal tempels laten ontheiligen, al gebeurde dat heel selectief, en vooral in het oosten, omdat er bijvoorbeeld onzedelijke rituelen plaatsvonden, of omdat de tempel zich bevond op een voor christenen heilige plaats (zoals in Jeruzalem en Bethlehem). In het westen zou het nog niet gebeuren, maar Constantijn schiep er toch een precedent mee. In het oosten, waar de oude heidense riten vaak nog sterk waren, was het niet ongebruikelijk om de heiligste delen van een oude tempel te gebruiken als voetpad naar de ingang van de kerk die er in werd gebouwd, duidelijk met de bedoeling die ouderwetse heidenen nog eens flink te vernederen.

De boog van Constantijn werd gebouwd in 315, ter ere van Constantijns overwinning bij Saxa Rubra op Maxentius, aan de vooravond waarvan hij die zo befaamde droom had. De Boog van Constantijn is een officieel keizerlijk monument dat de Senaat ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van Constantijn toen oprichtte volgens de eisen van protocol en ceremonieel. De boog, in 1804 losgemaakt van de aanbouwsels van de Frangipani, is een allegaartje van fragmenten, bij elkaar geroofd van oudere monumenten, overigens - zeggen de kenners - op kundige wijze bijeen gebracht. Anderen beweren dat het een bewuste bloemlezing is van de keizerlijke beeldhouwkunst uit de tijd van Trajanus, Hadrianus en Marcus Aurelius. De boog is een kopie op een wat groter formaat van die van Septimius Severus. Ongetwijfeld was het voor een keizer die in 25 jaar tijd een enorm bouwprogramma had voltooid - met de basilica van Constantijn en Maxentius, zijn Templum Urbis, en zijn thermen die nu onder het Palazza Rospigliosi liggen op het Quirinaal - die bovendien twee belangrijke kerken op zijn naam had staan (Sint Jan en Sint Pieter), en nog een aantal basilica buiten de stad ook, allemaal langs belangrijke uitgaande wegen en verbonden met belangrijke martelaren, een keizer wiens moeder (Helena) en dochter (Constantia) tot slot op dat punt ook het nodige hadden bedreven - twee mausolea, waarvan er misschien éen voor hemzelf bedoeld was geweest - misschien was het voor zo'n keizer toch ook van enig belang de bestaande klassiek traditie te eren en als zodanig lijkt de boog bedoeld. Instinctu divinitatis, zo wordt de inspiratie erop genoemd die Constantijn ertoe in staat stelde het keizerrijk te veroveren. Of dat die van éen God is of van meer, dat wordt in het midden gelaten. En per slot van rekening bestond de senaat nog grotendeels uit heidenen. Dat Constantijn uiteindelijk zou terugkeren naar het oosten, en er een nieuwe hoofdstad zou kiezen, Constantinopel immers, zo meent iemand als Krautheimer, was omdat hij zich op dat punt door Rome in de steek gelaten voelde. Na een conflict met de Senaat in 326 keerde hij niet meer naar de stad terug. Zijn belangrijkste christelijke monumenten lagen op dat moment niet in het centrum van de stad, want daar regeerden nog de oude goden. Constantijn was de laatste keizer die het rijk vanuit Rome zou regeren.

De twee grote reliëfs aan de binnenkant van de centrale doorgang komen van een fries dat Trajanus' overwinning op de Daciërs herdacht, evenals de beelden van de barbaren op de zolder van de boog. De acht medaillons op de twee façades met afbeeldingen van jachtscènes en pastorale offers, komen van een monument van Domitianus of Hadrianus. De acht lage reliëfs in de zolder komen van een monument voor Marcus Aurelius. Naar wordt beweerd in klassieke bronnen stonden op de boog ooit vier prachtige bronzen paarden. Sommigen menen dat dit de bronzen paarden zijn die nu op de San Marco staan in Venetië. Zoals bekend werden die door de Venetianen in 1204 uit Constantinopel geroofd. Als dat zo is, dan weten we waar de vier paarden op de boog van Constantijn vandaan kwamen, want de Byzantijnen hadden de vier weer geroofd van een triomfboog gewijd aan Nero. En u we toch aan het uitweiden zijn: tijdens de Eerste Wereldoorlog keerden de paarden weer kortstondig uit Venetië terug naar Rome, waar ze in de tuin van het San Marco werden gezet, uit angst voor beschadiging in het zo dicht bij het front gelegen Venetië. In 1920 werden ze weer naar Venetië geretourneerd. Inmiddels is de boog al weer vele jaren omgeven door een traliehek.

22.15 Forum Romanum, Boog van Constantijn, uiteraard nog zonder tralies. Foto, omgezet van dia: zomer 1973.

Rome, Forum Romanum, Boog van Constantijn

22.16 Alleen de kleine bas-reliëfs op het fries en de Victorie met gevangenen op de basis (onderaan dus) zijn uit de tijd van Constantijn. Ze werden in het begin van de vierde eeuw gemaakt. We zien de veldtocht en de slag hij de Milviusbrug, de triomftocht van de keizer en zijn milde optreden tegenover de burgerij, hetgeen wordt uitgedrukt door het uitdelen van giften. Voor een goed begrip van de plaatsing van de afbeeldingen mogen we niet vergeten, dat het licht en al het goede vanuit het Oosten komt. Daarom zien we ondermeer aan de rechterkant in de hoofddoorgang (de Colosseumzijde) dat Constantijn als een triomferende vredebrenger de stad binnenkomt. In de zijdoorgang moet je even letten op de opkomende zon als symbool van een nieuwe periode die voor de stad aanbreekt. Aan de linkerkant zien we de maan de stad verlaten. De uitbeelding van zon en maan op de zijkanten van dit monument brengen de Boog in de wereld van de eeuwigheid als een symbool van de mundus aeternus. Ten slotte wijzen we nog op de vlakken met offertaferelen. Aan de noord (stads-) zijde brengt Constantius, de vader van Constantijn, offers aan Hercules (west-) en Apollo (oostkant). Op de buitenzijde van de Boog zien we Constantijn offeren aan Silvanus (west‑) en Diana (oostzijde). Apollo en Diana zijn goden die met het licht te maken hebben en staan dus op de oostkant van de Boog. Ja, dat klinkt af en toe nog knap heidens.

Op bijgaande ets van Piranesi - dit terzijde - zien we nog de oorspronkelijke gedaante van het Colosseum, voordat Valadier er rond 1820 met zijn werkzaamheden begon en het amfitheater het uiterlijk gaf dat we nu kennen.

22.16 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Vedute di Roma [Veduta del Arco di Costantino e dell' Anfiteatro Flavio detto il Colosseo] Gezicht op de Boog van Constantijn en het Flavisch amfitheater, bijgenaamd het Colosseum. 385 x 540 mm. Bron: Ficacci nr. 890

Piranesi, Gezicht op de Boog van Constantijn en het Colosseum

22.17 meta sudans
Voor de boog, aan de kant van het Colosseum, bevonden zich tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw de restanten van een in oorsprong twintig meter hoge fontein uit de 1e eeuw na Christus, de meta sudans. De gladiatoren die de strijd in het Colosseum hadden overleefd, wasten er hun wonden, zo wordt wel beweerd. Mussolini liet de overblijfselen weghalen, evenals de sokkel van het reusachtige beeld van Nero, waaraan het Colosseum misschien zijn naam dankt. Ze stonden in de weg bij zijn parades. Meta was de naam van een keerpaal op het keerpunt van de spina op de Circus. Zulke keerpalen waren kegelvormig. Sudans (in het Italiaans van het oorspronkelijke bijschrijft van de foto sudante) betekent: zwetend. In oorsprong was de Meta Sudans veel hoger, misschien tegen de twintig meter. De kegel van de fontein was bedekt met marmer en daar liep blijkbaar water uit. De resten werden verplaatst naar het Antiqarium Forense, het vlakbij het klooster van S. Francesca Romana gelegen antiquarium dus.

22.17 [Gruppo ricordo presso i resti della Meta Sudante] Groep bij de resten van de Meta Sudans, circa 1860. Albuminedruk, 9.5 x 13.8 cm. Foto: anoniem. Bron: Becchetti 1991

Rome Meta Sudans, ca. 1875

22.18 tempel van venus en roma
Helemaal aan het einde van het Forum, op de Velia, waarvan een flink deel onder Mussolini is weggegraven, staat op een podium van 145 meter lang en 100 meter breed, met rondom een laag getrapt stylobaat, in Griekse stijl aan alle kanten toegankelijk dus, de dubbeltempel van Venus en Roma. Oorspronkelijk bevond zich op deze plek Nero's vestibule van de Domus Aurea. Hier stond dus het 35 meter hoge beeld van Nero (de Colossus, groter dan het model op Rodos), dat op dat moment blijkbaar al een zonnegod was geworden, en dat door Hadrianus met behulp van 24 olifanten naar het Colosseum werd verplaatst, dat daaraan vermoedelijk de naam Colosseum dankt.

De tempel werd - vermoedelijk naar Hadrianus' eigen ontwerp - gebouwd, en ook onder hem gewijd in 135, maar pas door zijn opvolger afgemaakt in 145. Samen met de Tempel van Serapis op het Quirinaal is dit het in oorsprong grootste tempelcomplex van Rome. De tempel liep oost-west, en had twee cellae die in het midden met de rug tegen elkaar stonden. Aan de Colosseumzijde (oost) bevond zich de apsis met Venus, aan de andere die met Roma. Maxentius zou tijdens zijn korte bestuursperiode (306-312) de tempel compleet vanaf de grond opnieuw opbouwen, op hetzelfde moment dat hij een ouder bouwwerk renoveerde, dat nu de SS. Cosma e Damiano huisvest en ten onrechte Templum Divi Romuli heet, en hij er ook nog de basilica neerzette, die door Constantijn zou worden voltooid. Maxentius was toch al een actief type, want ook de verhoging van de Aureliaanse muur komt op zijn naam.

22.18 Forum Romanum, Tempel van Venus en Roma. Foto: vanuit Colosseum, mei 2009

Forum Romanum, Tempel van Venus en Roma

22.19 Dat was allemaal tamelijk origineel van Hadrianus. Venus was moeder van Rome, via Aeneas; en dit was dan ook nog Venus Felix, godin van vruchtbaarheid en welvaart, terwijl de godin Roma wel werd aanbeden in de van Rome afhankelijke Griekse provincies, maar in de stad zelf nog niet was verschenen. Aangezien Venus de godin is van Amor, was de tegenover elkaar gestelde dubbele tempel ook nog eens een woordspeling: Roma-Amor. Wat je nu ziet, is het midden, waar de cellae met daarin de beelden, tegen elkaar stonden. Je kijkt recht in de apsis met de cella van Venus. De cellae zijn pas na een brand in 307 bij een reconstructie door Maxentius van een apsis voorzien, want ze hadden in oorsprong vlakke plafonds. De apsis aan de westkant (richting Forum dus, Roma) is het best bewaard gebleven, maar die is nu onderdeel van het vroegere klooster van S. Francesca Romana, nu het Antiquarum, een klein, en bijna altijd gesloten museum. In de apsissen waren zoals gezegd beelden geplaatst van Venus en Roma. Het verhaal gaat dat die er, geheel in Griekse stijl, maar net in pasten. Hadrianus zou zelf het ontwerp hebben gemaakt, en gezien de Helleniserende trekjes zou dat nog best kunnen ook. Naar beweerd door Dio Cassius (Historie, 69) zei Apollodorus, de architect van Hadrianus' voorganger Trajanus - architect ook van diens Forum en markten – ten eerste dat de tempel hoger moest komen te staan om beter zichtbaar te zijn, en ten tweede, dat de beelden van de godinnen te groot waren voor de ruimtes waarin ze waren opgesteld, en dat als ze zouden opstaan, ze het hoofd zouden stoten. Apollodorus zou om de opmerkingen ter dood gebracht zijn. Tja.

In de 8e eeuw was onder paus Paulus I al een oratorium gebouwd in de ruïnes van de tempel. In 850 werd daar een kerk overheen gebouwd, met een kloostertje, de Santa Maria Nuova ter onderscheiding van de S.M. Antiqua), en die werd in 1612 hernoemd als Santa Francesca Romana. We weten nog uit een andere bron dat toen Paus Honorius de bronzen tegels uit het dak van de tempel wilde halen, hij daarvoor toestemming vroeg (en kreeg) van de keizer. Daar blijkt uit dat tempels, ook al werden ze niet meer gebruikt als offerplaatsen, gewoon in handen bleven van de staat. En omdat de opvolgers van de tempelpriesters eraan hechtten hun nieuwe gebedsplaatsen te bouwen op het graf van een gelovige, en graven nog steeds buiten de muren lagen, kwamen de kerken vaak buiten de stad terecht, en bleven de tempels vooralsnog gespaard. In mei 2010 zou de tempel, Deo Volente, na 40 jaar gesloten te zijn geweest, weer open zijn gegaan, eerst aan de Colosseumzijde voor de cella van het Venusdeel, en een paar maanden later, in november 2010, ook aan de kant van de Via dei Fori Imperiali, voor de cella van de Romatempel. Ik weet niet of dat echt gebeurd is.

22.19 Velia, Resten van de Tempel van Venus en Roma, met daarin zichtbaar het klooster van S. Francesca Romana en de achterzijde van de kerk (10e eeuw), aanvankelijk Santa Maria Nuova, ter onderscheiding van Santa Maria Antiqua. Foto: oktober 2009

Forum Romanum, Tempel van Venus en Roma

22.20 Velia, gezien vanuit het dal van het Colosseum (linksonder). Midden daarachter: Tempel van Venus en Roma, rechstonder, op de voorgrond: Horrea Chartaria (voorraadruimte/pakhuis voor papier). Erachter: Tempel van Tellus, met aan de linkerzijde erlangs de kantoren van de Prafectura Urbi, de stadsadministratie. Daarachter, met de twee maal drie ramen aan de voorzijde: Basiliek van Constantijn en Maxentius, misschien verbonden met rechts daarvan: een laat-klassieke domus, vermoedelijk de officiële locatie van de praefectus urbi, de stadsprefect. Op de achtergrond daarvan: Templum Pacis. Illustratie: Inklink. Bron: Carandini 2017, deel 1, ill. 15

Velia, met Tempel van Roma, Tempel van Tellus, Basiliek van Constantijn en Maxentius

SS COSMA E DAMIANO

23.1 Legio zijn de gevallen in Rome waar een door gelovigen opgericht kerkgebouw gebruik maakt van klassieke resten en het is dan ook nauwelijks verwonderlijk dat die nu eens zo kleine, fragmentarische, dan weer zo omvangrijke delen ook heden ten dage nog onmiddellijk herkenbaar zijn, hetzij in het interieur van de gebouwen, of in gevels, muren en daken. Minder zichtbaar is het misschien dat de kerk van Christus zich in haar vroegste vorm even zo vaak bedient van klassieke tradities en gewoontes voor haar eredienst. De kerk die hier ter sprake komt, de Santi Cosma e Damiano, in het Nederlands Sint Cosmas en Damianus, toont dat allebei, in overvloed. Waar Christenen aanvankelijk bijeen kwamen in privéwoningen die in hun omgeving nauwelijks opvielen, iets wat ook de bedoeling was, en ze zich verzamelden in tituli, daar was het de eerste keizer met sympathie voor het christendom die met die traditie brak. Constantijn en zijn familieleden lieten buiten Rome heiligdommen bouwen die aanvankelijk alleen overdekte begraafplaatsen waren, gelegen op plekken waar naar verluidt christelijke martelaren waren begraven, in de gedachte dat degenen die vervolgens op die plaatsen verbleven, deel kregen aan de heiligheid van de daar overleden christenen, die met hun dood een bestaan in het nog nabije hiernamaals hadden verkregen. Dat veel van die vroegste plekken buiten de muren lagen, was geenszins verwonderlijk. Binnen de stadsmuren begraven was niet toegestaan en de christenen conformeerden zich daarmee aan de bestaande klassieke gewoontes. Iedereen begroef buiten de muren. Maar Constantijn was er in zijn eentje ook verantwoordelijk voor dat de vroegste grote kerken een stap verder waren dan die tituli. Met de bouw van de Sint Jan, de Sint Pieter en de Santa Croce in Gerusalemme gebruikte hij en zijn familieleden eigen grond om kerken op te laten verrijzen, die alleen al door hun zichtbaarheid - ook al lagen ze nog aan de randen van de stad - een breuk vormden met die traditie van privé-verering. Zulke kerken vormden duidelijk een stap in de lange mars op weg naar het centrum van de stad, al zou die twee eeuwen op zich laten wachten. De San Marco, gelegen als hij per slot van rekening is aan de voet van het Kapitool, dateert in zijn vroegste versie misschien van halverwege de vierde eeuw. Van de klassieke oudheid vormde het Forum Romanum het kerngebied. En het duurde dan ook even voor de christenen er een plek zouden veroveren. Het vroegste geval is de S. Cosma en Damiano, net aan het begin van de zesde eeuw. De ingang ligt nu aan de via dei Fori Imperiali en het is de vraag of de zeer velen die, aan de andere kant, op het Forum rondlopen er zich bewust van zijn dat er in dat ronde gebouw daar tussen de Basiliek van Maxentius en de Tempel van Antoninus en Faustina, en dat ooit de Templum Pacis was, een kerk schuilgaat, want waar de Romeinse resten vanuit de kerk goed zichtbaar zijn, is dat andersom niet het geval.

23.1 Rome, Via dei Fori Imperiali, Santi Cosma e Damiano, huidige ingang. Foto: oktober 2014

Forum Romanum, Tempel van Venus en Roma

23.2 Rome, Santi Cosma e Damiano. Blik omlaag door een glazen scherm vanuit de achterzijde van de kerk in het zeven meter lager gelegen tempeldeel dat achter de deur ligt die op het Forum uitkomt. Foto: oktober 2009

Rome, Ss. Cosma en Damianus

23.3 Uit opgravingen weten we dat er zich in het atrium van de in 75 door Vespasianus aan de overwinning op het Joodse volk gewijde Templum Pacis, waar ooit de tempelschat uit Jeruzalem bewaard werd, al in de vierde eeuw allerlei aanbouwsels bevonden, wat erop wijst dat het gebied bezig was opgegeven te worden. Het is Brandenburg die memoreert hoe Keizer Constantius II nog in 357 als een soort vroeg toerist de Forums had bewonderd (naar zeggen van bijvoorbeeld Ammianus Marcellinus in diens Res Gestae), terwijl die al in de vijfde eeuw bezig zijn in onbruik te raken, iets wat overigens niet per se voor de tempels zelf gold. In de zesde eeuw werden er bovendien, misschien in samenhang met de ontstane kerk, al mensen begraven, in weerwil van het aloude verbod. De historicus Procopius wijst op die zedenverwildering. Het Forum Pacis met zijn tempel in het midden beschikte in de zuidelijke hoek over een ruimte, waarvan een deel uitstak over het Forum. Dat was deels al in de laatrepublikeinse tijd gebouwd, zoals te zien is aan de muur van tufsteen en travertijn naast de apsis van de Basiliek van Maxentius. Dat alles wijst erop dat het in oorsprong ging om een zelfstandig staand gebouw dat onder Vespasianus bij zijn Forum betrokken werd. En het was in die zaal dat Paus Felix in het jaar 527 zijn kerk ter ere van de heilige artsen Cosmas en Damianus inrichtte. Dat waren uit Syrië afkomstige tweelingbroers die als arts hun diensten gratis aanboden, reden waarom ze Agioi Anárgyroi, werden genoemd: Heiligen die geen geld nemen. De twee zouden in 302 onder Diocletianus als martelaar gestorven zijn. Voor de bouw kreeg Felix toestemming van koning Theodorik (489-526) in Constantinopel en zijn opvolgster, dochter Amalasuntha. Aan de naar het Forum Pacis toegekeerde muur van het gebouw werd de Severische stadsplattegrond aangebracht, zodat sommigen hebben aangenomen dat het gebouw ook diende als Prefectura Urbis, de stadsvertegenwoordiging van Rome en het Westelijke Romeinse rijk, al acht Brandenburg dat onwaarschijnlijk. Krautheimer opperde die mogelijkheid nog in 1980. Uit andere bronnen blijkt dat hier de publieke artsen in de oudheid hun statio hadden, hun ambulatorium, naast de omvangrijke horrea Piperataria, de pepermagazijnen, waar blijkbaar ook geneeskundige kruiden werden bewaard, tot het complex vanaf 306 door Maxentius werd overbouwd voor zijn Basiliek. Van de lijfarts van Marcus Aurelius en zijn zoon Commodus, Claudius Galenus, weten we dat er in de late tweede eeuw in een zaal van het Forum Pacis met de medische wetenschap verbonden lezingen werden gehouden en dat er zich ook een medische bibliotheek bevond. Het was die ruimte die nu blijkbaar ging dienen ter verering van de heilige artsen, waarmee (alweer) een klassieke traditie werd overgenomen door de christelijke eredienst. De rechthoekige ruimte, die na een brand in de Severische tijd al was gerenoveerd, kreeg in de vierde eeuw aan het noordeinde een cirkelvormige wand met een rij arcade-openingen. De constructie ervan, zo schrijft Brandenburg, doet enigszins denken aan die begin vijfde eeuw werd toegepast in de Santa Pudenziana. Van de kostbare muurversieringen uit de vierde eeuw is na de restauratie in de barok, waarbij de vloer met zeven meter werd verhoogd, niets meer over, maar we kennen ze via een tekening van de renaissance-architect Pirro Ligorio. Het ging om een reeks marmerplaten met geometrische versieringen, die de apsiswand tot aan de kromming bedekte, maar ook de wanden van de zaal tot onder de boogvensters. Dat zou er een beetje kunnen hebben uitgezien als de (veel latere) S.M. dei Miracoli, in Venetië, opper ik dan maar. Op hetzelfde moment kreeg de ruimte een monumentale ingang op het forum, met de rondbouw van zogenaamde Tempel van Romulus, inclusief klassieke zuilen, lintel, en bronzen deuren.

23.3 Rome, Santi Cosma e Damiano, vanaf de Forumzijde. Op de foto is goed het hoogteverschil te zien tussen rondbouw en de achterwand van de kerk. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Forum Romanum, Cosma e Damiano

23.4 In laatste instantie werd aan de marmeren wandbekleding toegevoegd een mozaïek dat de volledige breedte van de apsis ging beslaan. Daarvoor werden tongewelven gebruikt, een techniek die in de vierde eeuw geleidelijk zijn intrede in Italië deed en die ook in de Santo Stefano Rotondo zou worden gebruikt, en in de kerken in Ravenna. Hier zal de constructie die de apsis heeft mogelijk gemaakt uit de zesde eeuw dateren en speciaal voor het mozaïek aangebracht zijn. Tegen een diepblauwe achtergrond zweeft in de apocalytisch gekleurde wolken die het einde der tijden aankondigen (aldus Brandenburg) een bebaarde Jezusfiguur. Hij draagt een gouden tunica en het pallium als heerser der wereld en als leraar. In de linkerhand houdt hij een boekrol vast, met de rechter maakt hij een wijzend gebaar. Rechts Petrus, links Paulus die de twee martelaren in de richting van Christus geleiden. Beiden bieden met de handen de martelaarskroon aan, de aurum coronarium. Aan de ene kant staat Keizer Theodorik, in chlamys, aan de andere Paus Felix met een model van de kerk, in paradijselijke omgeving.

23.4 Rome, Santi Cosma e Damiano, apsismozaïek. Foto: Oktober 2014

Rome, Santi Cosma e Damiano, apsismozaïek

23.5 Rome, Santi Cosma e Damiano, apsismozaïek, detail: Jezus. Bron: Brandenburg 2013

Romje, Santi Cosma e Damaino, Apsismozaïek, detail: Jezus

VIII
FLAVISCH AMFITHEATER: COLOSSEUM

24.1 meer dan zeven miljoen
Het is verrassend wat er gebeurt als je hier om half negen voor de deur staat, deur dan bij wijze van spreken. Want dan is er niemand. Behalve u dus, als u de moed kunt opbrengen. Tot aan de jaren negentig van de vorige eeuw werd het Colosseum nog bezocht door het bescheiden aantal van een miljoen mensen per jaar. Nu, zo'n vijfentwintig jaar later, concurreert het Colosseum alleen nog met de Eiffeltoren als drukst bezochte attractie ter wereld. Die had er in 2017 - 2018 is nog niet bekend - zo'n 6.2 miljoen (aantal dat flink minder was dan dat van 2014, u begrijpt wel waarom). De twee metaaldetectoren die sinds oktober 2015 weer bij de ingang van het Colosseum staan opgesteld, aan het eind van drie rijen dranghek van elk honderd meter, werden in 2018 gepasseerd door ruim 7.6 miljoen mensen. En nee, deze zin bevat geen fouten: 7.6 miljoen bezoekers, en zeker: twee metaaldetectoren! Officieel mogen er maar 6000 bezoekers tegelijk binnen zijn. Overigens moet worden opgemerkt dat de kaarten in kwestie geldig zijn voor Forum Romanum en Colosseum en op beide locaties kunnen worden gekocht, zodat de verkoopcijfers niet alles zeggen over de aantallen der bezoekers. Ten opzichte van 2017 was er een groei van ruim 8 procent. Op de tweede plaats in Italië voor 2018 staat Pompeji, met ruim 3.6 miljoen bezoekers en op de derde het Florentijnse Uffizi met ruim 2.2 miljoen. Het Vaticaan wordt in de statistiek niet als Italiaanse locatie beschouwd.

Pas echt verrassend is het feit dat er in het Colosseum slecht 29 mensen werken, van wie twee part-time. Aldus de Minister van Cultuur, Dario Franceschini, toen hij in mei 2014 moest meedelen dat het Colosseum tijdens de jaarlijkse Nacht van de Monumenten niet open kon wegens gebrek aan personeel. In januari 2016 bleek ook nog eens dat de overheden al een aantal jaren, vanaf 2001, maar 11% van de entreegelden kregen toegewezen in plaats van de officiële 30. Schade: zo'n 13 miljoen euro. Merkwaardiger is nog dat de winsten uit andere inkomsten dan normale entrees, de zogenaamde toegevoegde diensten - audiotours, voorverkoop, gidsen, gadgets - veel hoger zijn. Alleen voor het jaar 2014 bedroegen die bijna 11 miljoen euro. Daarvan ging slechts zo'n 10 procent naar de staat, de rest naar Electa, dat van Mondadori is. Om een voorbeeld te geven: van de voorverkoop van entreebewijzen, voor de somma van 3 miljoen euro, ontving de staat niets. Voor de geleverde audiotourapparaten ontving Electa 1.780.000 euro, de staat niets. Groot-aandeelhouder van Mondadori is Berlusconi. Hoe dan ook: wie de euvele moed had zich bij de metaaldetectoren te melden, werd tot voor kort besprongen door nep-gidsen en nep-gladiatoren, want die zijn sinds eind 2015 verdwenen, maar hij wordt nog steeds geconfronteerd met echte zigeuners, echte bedelaars, echte zakkenrollers en echte verkopers van alles tegen een te hoge prijs. Enne, mocht je denken origineel te zijn: de Australische kunstenaar Chatterton, die eraan hecht een selfie te maken, terwijl hij naakt een handstandje doet voor beroemde monumenten, werd in april 2013 voor het Colosseum gearresteerd. De gemiddelde wachttijd is een half uur als het niet druk is, in januari en februari. Overigens zijn er twee liften voor bijv. gehandicapten. De inkomsten uit entrees bedroegen in 2018 zo'n 55 miljoen euro, al is dat wel inclusief Forum en Palatijn, net als het toegangsbewijs, dat nu – voor de gewone burger, maar niet voor gymnasiasten – 12 euro kost. Dat is dan wel ook geldig voor het Forum en de Palatijn, al wordt dat er nooit bij gezegd. En, iets wat evenmin vanzelf spreekt: het is geldig op twee opeenvolgende dagen. Er bestaat een salta-la-coda-kaart voor 23 euro, waarmee u direct naar binnen kunt. En het mag wel eens erkend worden: de Italiaanse autoriteiten stellen zich tegenover Nederlandse (en alle andere) scholieren bijzonder galant op, heel wat galanter dan de Nederlandse autoriteiten tegenover (bijvoorbeeld) de Italiaanse. Het Colosseum overweegt entreebewijzen in te voeren met een tijdsbeperking, gebaseerd op urenblokken met een fluctuerend tarief, met het hoogste tussen 10.00 en 13.00 uur. Met de 30.000 bezoekers per dag die het nu heeft zit het Colosseum aan het maximum dat haalbaar is. Wel is sinds 2016 op elke eerste zondag van de maand de toegang gratis, net als dat geldt voor alle andere Romeinse musea (en dus niet langer alleen voor het Vaticaan). De eerste gratis zondagen alleen verschenen er bij het Colosseum zo'n 17.000 bezoekers.

En het is ook geen wonder dat de Italiaanse krant Repubblica ooit kopte: Chi salverà il colosseo? Wie redt het Colosseum? En: Emergenza Colosseo: noodgeval Colosseum. Want wie eenmaal de ouderwetse hekken en de metaaldetectors gepasseerd is, vindt geen toelichtingen, moet goed zoeken om de juiste ingang te vinden, èn de uitgang, en is ook daartussen geheel op zichzelf aangewezen. In mei 2010 viel een stuk pleisterwerk uit het gewelf van een rondgang onder het amfitheater: niemand raakte gewond. In 1992 werd voor het eerst sinds decennia weer een poging gedaan, en gestaakt, het amfitheater te restaureren. De kosten van een nu wederom geplande restauratie werden aanvankelijk geschat op 23 miljoen euro. Alleen de onderhoudskosten bedragen jaarlijks al 700.000 euro. In 2011 werd ten slotte een sponsor gevonden. Het werd Diego della Valle, eigenaar van Mr. Tod's, een schoenenfabrikant. Hij telde 25 miljoen neer. De deal is zoals te verwachten was op hoogst dubieuze wijze tot stand gekomen, maar anno 2016 werd de tevredenheid over de resultaten van de eerste restauratiefase algemeen gedeeld. Sinds op op 12 juli 2013 de restauratie officieel begon, heeft het amfitheater onafgebroken ten dele in de steigers gestaan. Op 2 juli 2016, vier maanden later dan gepland, werd de eerste tranche van de werkzaamheden beëindigd, al werden de steigers al in april 2016 verwijderd. In een 8 miljoen euro kostende operatie werd de buitenzijde met 10.000 vierkante meter travertijn en nog eens 3000 vierkante meter ander steen grotendeels handmatig gereinigd met borstels en daarna geïmpregneerd met basaltvezel, zodat de buitenzijde nu weer in volle glorie zichtbaar is, helderder van toon dan ooit tevoren. Er werd in vernevelde vorm 30.000 liter water aan besteed en 70 man waren ononderbroken bezig. De restauratie zou minstens 50 jaar lang houdbaar zijn, vooropgesteld dat het verkeer uit de buurt blijft, zoals nu het geval is. Della Valle riep bij de inwijding in juli 2016 het bedrijfsleven op zijn voorbeeld te volgen en nu Pompeji aan te pakken, Caserta en de tempels op Sicilië. Goed idee. In de volgende, veel kostbaardere en langduriger fase wordt de binnenzijde van het Colosseum gerestaureerd, alsmede het hypogeum, de ondergrondse ruimtes dus, voor een bedrag van naar schatting 43 miljoen euro. Eén onderdeel ervan is omstreden. In 2015 werd op de ministeriële cultuurbegroting van Dario Franceschini een bedrag vrijgemaakt van 18.5 miljoen euro, waarmee in het amfitheater een nieuwe vloer moet worden aangelegd. Er werd direct verzet tegen aangetekend. Ver-Las-Vegasing, schreef een criticus. Kitsch, schreef een ander. Franceschini reageerde met de mededeling dat het plan afkomstig is van gerenommeerde archeologen en dat het niet de bedoeling is er zich wedstijden tussen Bayern München en Lazio Roma te laten afspelen (zoals door sommigen werd geopperd), maar alleen hoogstaande culturele evenementen, bijvoorbeeld de tragedies van Seneca.

Al met al is een bezoek aan het Flavische amfitheater niet per se een zeer vreugdevolle, maar toch wel indrukwekkende zaak. Voor wat het waard is: na afloop kunt je in elk geval zeggen dat je in één van de zeven wereldwonderen bent geweest, want op die lijst werd het in 2007 door ruwweg 100 miljoen internetkiezers gezet, als zesde, weliswaar na de Chinese muur, maar voor de Taj Mahal. Wij staan er - ik beloof het je - 's ochtends als eersten voor de deur en komen binnen in een praktisch leeg Colosseum, wat toch tamelijk cool is. (sorry)

24.1 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio II, 55 recto: gezicht vanaf het Paleis van Septimius Severus [op de Palatijn] in de richting van het Colosseum. 1532-1536/37. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Gezicht vanaf het Paleis van Septimius Severus

24.2 de colossus
Op de plaats waar zich nu het zogenaamde Flavische amfitheater bevindt, lag ooit het stagnum neronis, het kunstmatige meer dat een onderdeel vormde van het paleis van Nero, de Domus Aurea. Het Colosseum is nu een van de (pakweg 220) theaters die er in het Romeinse rijk zijn overgebleven. Andere nog relatief gave exemplaren staan in El Djem (Tunesië), Nimes, Arles en Verona. De bijnaam Colosseum komt voor het eerst voor in een tekst van Bede. Dat is een zevende eeuwse Engelse monnik, ook wel Beda genoemd. En die citeert in zijn Geschiedenis van de Engelse kerk een aantal pelgrims: While the coliseum stands, Rome shall stand; when the coliseum falls, Rome shall fall; when Rome falls, the world shall fall.

24.2 Rome, Omgeving Colosseum. Bron: Travelmag, 1:15.000

Rome, Omgevoing Colosseum

24.3 De bijnaam van het gebouw kan te danken zijn aan het formaat ervan, maar ook aan het 32 meter hoge beeld van Nero als Zonnegod (de Colossus Neronis), dat stond tussen wat nu het eind van de Via dei Fori Imperiali is en het Colosseum. Enkele travertijnen platen geven de plaats aan waar het zich bevonden moet hebben. Het was door de Griekse beeldhouwer Zenodorus, die bekend stond om zijn kolossale standbeelden, vervaardigd van verguld brons. Het werd geplaatst in de vestibule van de Domus Aurea, maar na de dood van de uiteindelijk zeer gehate Nero werd het hoofd van de keizer vervangen door een symbool van de zon. Hadrianus (117-138) liet het beeld uit de vestibule van de Domus Aurea op de Velia verplaatsen naar de plek die nu in het plaveisel aangegeven wordt. De Velia is trouwens de heuvel aan het einde van het Forum, met de boog van Titus. Mussolini groef hem grotendeels af voor zijn Via dei Fori Imperiali. Hoe dan ook, dat verplaatsen was gemakkelijker gezegd dan gedaan. De bouwmeester Decrianus had 24 olifanten nodig om het beeld in verticale stand over te brengen zonder dat de grond werd geraakt. Hadrianus was van plan er een beeld naast te zetten van de maangodin (Luna), maar daar is het niet van gekomen. De kop van het beeld bleef inwisselbaar, zodat enige keizers op een koopje reclame voor zichzelf konden maken, zo Commodus, die het ombouwde tot zichzelf als Hercules. Na diens dood keerde het beeld weer terug tot de staat van Deus Sol Invictus, de onoverwinnelijke zonnegod. De laatste historische vermelding is van 352. Misschien heeft het beeld het onderspit gedolven tijdens de plundering door Alariks Goten, of is het verloren gegaan bij één van de vele aardbevingen die Rome in de vijfde eeuw teisterden.

24.3 Rome, Dal van het Colosseum en Oppius. 01 Colosseum 02 Colossus van Nero 03 Meta Sudans, 04 Boog van Constantijn 05 Ludus Matutinus 06 Ludus Magnus 07 Gebouwen onder San Clemente 08 Domus Aurea 09 Sette Sale 10 Porticus van Livia 11 Baden van Titus 12 Baden van Trajanus. Bron: Coarelli 2007

Rome, Dal van het Colosseum, Kaart Coarelli

24.4 Regio III besloeg het dal tussen Esquilijn en het Caelius. Aan de zuidkant werd het begrensd door regio II met de weg die naar het Lateraan voerde en die meestal wordt aangeduid als de Via Tuscolana. Aan de noordkant viel Oppius eronder en vermoedelijk een deel van het Fugutalis; in het oosten werd regio III begrensd door respectievelijk door regio V en VI. Hiervoor de omgeving van het Colosseum op een kaart in Coarelli 2007.

24.4 Rome, Colosseum, noordoostzijde. Op de voorgrond: Via dei Fori Imperiali. Zie hier voor een foto in de richting van Piazza Venezia. Foto: mei 2009.

Rome, Colosseum, mei 2009

24.5 colosseum historisch
Vespasianus gaf in 72 opdracht tot de bouw van wat Romes grootste amfitheater zou worden. Het werd afgemaakt onder Titus. Het feest dat ter gelegenheid van de opening in 80 werd aangericht, duurde 100 dagen. Er kwamen vele gladiatoren bij om het leven, evenals 5000 wilde dieren. Het amfitheater werd gerestaureerd onder Alexander Severus rond 230 en ook het feest ter gelegenheid van het 1000-jarig bestaan van Rome werd hier in 248 gevierd. Volgens de traditie was de eerste martelaar die in het Colosseum om het leven kwam, St. Ignatius van Antiochië. Er zijn echter heel wat historici die menen dat er geen enkele reden is aan te nemen dat er in het Colosseum christenen om het leven werden gebracht. Soms waren ze wel, net als veel anderen, per ongeluk slachtoffer, terwijl bij de bouw van het Colosseum gebruik werd gemaakt van dwangarbeiders. Flavius Josephus, de historicus van joodse afkomst uit de 1e eeuw, die na de val van Jeruzalem zelf naar Rome werd gedeporteerd, vermeldt dat er onder die dwangarbeiders veel joden waren. Ook de zeegevechten (naumachiae), waarvan bij Cassius Dio sprake is, hebben hier, zo neemt men inmiddels aan, niet plaatsgevonden. Pas met de komst van de eerste Christenkeizers werd er langzamerhand een einde gemaakt aan Romes geliefde vorm van vermaak. Keizer Constantijn vaardigde in 326 n. Chr. een wet uit, waarbij hij de veroordeling ad bestias (om voor de beesten gegooid te worden) omzette in dwangarbeid in de mijnen, ad metalla. Daarmee verloren de gladiatorenscholen hun belangrijkste bron van 'inkomsten'. In 407 verbood Keizer Honorius de gladiatoren-gevechten in Rome en dan is het zo'n beetje gebeurd, althans in Rome. Elders in het rijk bleef het bloed vloeien, tot vermaak van de mensen. Gevechten met wilde dieren werden pas verboden in 523. Die christenen ook altijd!

24.5 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio II, 47 recto: in verval geraakte zuidwestzijde van het Colosseum. 1532-1536/37. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Colosseum Zuidwestzijde

24.6 In 422 richtte een aardbeving grote schade aan, die werd hersteld door Theodosius II. Bij andere aardbevingen in 1231 en 1349 gebeurde dat weer. Het gebouw werd tenslotte door de Frangipani tot vesting omgebouwd, van wie de Annibaldi het overnamen. In 1312 werd het Colosseum door de senaat en het volk van Rome geschonken aan Keizer Hendrik VII. In de 15de eeuw stond het gebouw algemeen bekend als groeve voor bouwmateriaal. Het Palazzo Venezia, della Cancelleria, Farnese, de kade van de Ripetta, maar ook de Sint Pieter en het Palazzo Barberini, zijn deels gebouwd met travertijn uit het Colosseum. In 1749 wijdde Benedictus XIV het Colosseum aan het lijden van Jezus, en verklaarde het heilig vanwege het bloed der martelaren. Zuiver feitelijk is dat vermoedelijk niet juist - want er is geen enkel bewijs voor, al zullen er tussen de velen die er om het leven kwamen dus ook wel christenen zijn geweest - maar voor het Colosseum betekende het wel de redding. De sloopwerkzaamheden werden gestaakt en er vonden zelfs enige restauratiewerkzaamheden plaats. Uiteindelijk is ruwweg tweederde van het gebouw gebruikt als bouwmateriaal. Tussen 1893 en 1896 werden huizen eromheen gesloopt, wat nogmaals - en grondiger - gebeurde na de aanleg onder Mussolini in 1933 van de Via dei Fori Imperiali, de brede weg die nu langs het Colosseum loopt en waaronder zich ongetwijfeld vele klassieke resten bevinden. De sloop van de voor het Romeinse autoverkeer tamelijk essentiële weg is jarenlang een heftig omstreden zaak geweest. Hij is inmiddels (anno oktober 2014) afgesloten voor het meeste autoverkeer. Grootste overtreders zijn de zogenaamde autoblu, de auto's van politici. Ook voor taxi's en bussen is de weg inmiddels gesloten.

24.6 Rome, Colosseum, westzijde. Foto: mei 2013

Rome, Colosseum

24.7 colosseum architectuur
Het elliptisch gevormde theater werd gebouwd met aan de buitenkant travertijn, en met baksteen en tuf aan de binnenkant. De blokken travertijn waren oorspronkelijk aan elkaar bevestigd met ijzeren bevlechting; deze werd in de middeleeuwen verwijderd, maar de gaten zijn nog zichtbaar. Ondanks de plunderingen in de loop der eeuwen, vertoont het gebouw nog steeds zijn grandeur; vooral de noord­oostkant oogt het nog tamelijk intact. De immense buitenmuur had vier verdiepingen. De laagste drie hadden bogen in de drie hoofdordes, van onder naar boven Dorisch, Ionisch en Korinthisch. De vierde verdieping, die dateert van de restauratie van Alexander Severus, heeft geen bogen, maar is op gevarieerde wijze voorzien van kleine Korinthische zuilen. In de nissen op de tweede en derde verdieping stonden in oorsprong beelden.

24.7 Rome, Colosseum, noordzijde. Foto: 12 oktober 2005

Rome, Colosseum

24.8 Er waren ooit in totaal 80 ingangen. Ze waren alle genummerd op de vier hoofdingangen na, die op de doorsnee lagen. Die aan de noordoostkant was breder en diende als toegang voor de keizer. Het interieur bestond uitdrie onderdelen: de arena, het podium en de cavea.
De arena werd zo genoemd vanwege het zand waarmee het was bedekt. Ze kon, zo werd soms beweerd, onder water worden gezet voor naumachiae: zeeslagen. Er bestaat een historische verwijzing naar bij Diodorus, maar inmiddels wordt aangenomen dat hij zich vergist heeft. Het kruis dat er nu staat is de vervanging van een eerdere versie en dient ter herdenking van de martelaren. De arena zelf was een met zand (Lat. harena = zand) bestrooide planken vloer, die op de nu bloot liggende onderbouw gelegd werd. In die onderbouw (daterend uit de tijd van Keizer Domitianus, 81‑96) waren de kooien voor de beesten. Er was een ingenieus liftensysteem, dat ervoor zorgde dat de niet ongevaarlijke dieren zonder risico voor de dienstdoende slaven naar boven konden worden getransporteerd. Martialis vond het een fantastisch gezicht, als op een gegeven teken ineens alle luiken tegelijk opengingen en de beesten massaal de arena insprongen. Niet alleen beesten kwamen te voorschijn uit de onderbouw die nu als een rotte kies het beeld van het Colosseum bepaalt. Ook allerlei decorstukken werden omhoog getakeld om het publiek een beetje in de sfeer te brengen van jachtpartijen in bosachtige streken en een plotselinge dood tussen de struiken. De arena werd omgeven door een muur van ongeveer 5 meter. Sinds 2000 zijn er over de arena voetpaden aangelegd.
Bovenop de muur bevond zich het podium. Het bestond uit een breed, van een borstwering voorzien terras, dat voor de rangen met zitplaatsen lag. Daar stond de pulvinar, de keizerlijke ligplaats. De rest van het terras was gereserveerd voor hoogwaardigheidsbekleders.
De cavea was verdeeld in drie lagen, of Maeniana. Inderdaad, dezelfde term werd gebruikt op het Forum, voor de balkons. Zie hiervoor (en verderop). De laagste ring was bestemd voor de ridders (equii), de middelste voor de rijkere burgers, de bovenste voor het plebs. De ringen waren van elkaar gescheiden door omgangen (praecinctiones), die via trappen te bereiken waren. Elke rang werd doorsneden door uitgangen, de z.g. Vomitoria, in totaal 160 stuks. Het gedeelte tussen twee Vomitoria werd Cuneus genoemd, naar de wigvorm van zo'n vak. Boven de hoogste ring bevond zich een zuilengalerij, waar vrouwen werden toegelaten. Daarboven lag weer een smalle ring, voor het personeel dat het Velarium in de gaten moest houden. Het velarium was een immens zeil dat rustte op palen op de bovenste verdieping - waar de gaten ervan nog zichtbaar zijn - en dat buiten het theater met touwen aan de daar staande stenen paaltjes bevestigd werd. Een speciaal detachement matrozen van de vloot van Misenum was belast met het gespecialiseerde werk aan katrollen en touwen. Bij het minste of geringste zuchtje wind moet dat zeil behoorlijk geklepperd hebben, niet het enige geluid dat het spektakel in de arena begeleidde.

24.8 Rome, Colosseum, noordzijde. Foto: mei 2009

Rome, Colosseum

24.9 brood en spelen
De spelen in het amfitheater vingen aan met een grote optocht waarin de deelnemers tot voor de keizerlijke loge (aan de noordzijde van het Colosseum) trokken. Daar spraken ze manhaftig de zin uit: Ave, Imperator, morituri te salutant, zij die gaan sterven groeten U. Veel kans hadden ze immers niet, de krijgsgevangenen, slaven en aan lager wal geraakte burgers die het gladiatorenberoep opgedrongen gekregen hadden of gekozen. Na hun training in de gladiatorenschool werden ze voor de leeuwen geworpen. Lang niet iedereen verging het als de slaaf Andronicus die volgens een vermakelijk verhaal van Aulus Gellius in de arena een leeuw ontmoette die hij eerder in de woestijn van Noord-Afrika liefderijk had verzorgd: kwispelend kwam de leeuw naar hem toe, alsof hij hem herkende. Anderzijds: van de volgens moderne schattingen ruwweg 10.000 gladiatoren die er optraden, lieten er zo'n 2000 het leven.
Voor mens en dier moeten het onaangename tijden zijn geweest. In de 4e eeuw nC was het Nijlpaard uit Nubië verdwenen, de leeuw in Mesopotamië uitgestorven en de olifant weg uit Noord-Afrika. Allemaal opgejaagd, in kratten geduwd en verscheept naar die plaatsen in het Romeinse Rijk waar de passie van de Romeinen hoogtij vierde. De vreemdste dieren kregen de hoogste kijkcijfers. Giraffen, nijlpaarden, olifanten, dat was het betere werk. Plinius Major vertelt het verhaal van een olifant die met doorboorde poten terugkroop naar zijn kudde, terwijl hij intussen de schilden van zijn belagers de lucht inslingerde met zo'n kundigheid dat ze netjes in een kringetje terechtkwamen. Bij diezelfde gelegenheid braken alle olifanten tegelijk los, niet zonder slachtoffers te maken onder het publiek, merkt Plinius op. Caesar liet daarom bij dit soort evenementen een gracht aanbrengen rond de arena. Het publiek was ook in latere tijden, maar om andere redenen, niet veilig. Keizer Commodus (180-192) nam als Hercules verkleed graag deel aan de jachtpartijen in het Colosseum. Toen hij eens de indruk had dat enkele toeschouwers hem uitlachten, liet hij hen door de matrozen van Misenum grijpen en ombrengen in de arena. Het publiek is echter meer bekend in zijn rol als scheidsrechter. Door de duim op de juiste wijze te hanteren kon het aan de keizer laten weten of het instemde met de dood dan wel de vrijlating van de getroffen gladiator.

24.9 Rome, Colosseum, Interieur. Foto: oktober 2009

Rome, Colosseum

24.10 oneens
De voorgaande paragrafen behoren tot de traditie. Ze beschrijven wat min of meer vaststaat, wat uit historische bronnen is overgeleverd, en geven er een kleurrijk tintje aan. Maar ongemakkelijke vragen worden er niet gesteld. Dat gaan we nu doen. Want het is goed te beseffen dat – zuiver historisch gesproken - praktisch alles rondom het amfitheater omstreden is. Dat geldt voor de praktijken met betrekking tot hetgeen er in het amfitheater plaats vond, de bezigheden dus, de precieze oorsprong van wat er gebeurde, maar ook voor de herkomst van de amfitheaters zelf. In werkelijkheid zijn veel van de achtergronden met raadselen omgeven, en bestaat er over praktisch alles wetenschappelijke discussie. Veel van hetgeen ik hier schrijf, ontleen ik aan Welch 2007.

24.10 Rome, Colosseum, Interieur. Foto: 12 oktober 2005.

Rome, Colosseum

24.11 religieuze herkomst
In Rome, zo neemt men aan, waren de oudste festiviteiten onderdeel van religieuze gebeurtenissen. Aan het begin van elk jaar vierden de Romeinen hun feesten om vrede en welvaart over de stad af te smeken en bij de begrafenis van aanzienlijke personen werden lijkspelen gehouden. In navolging van, eerste punt van discussie – zoals sommigen denken - Oskische stammen uit Zuid-Italië, of naar anderen beweren, van Etruskische zeden en gewoonten, begonnen de Romeinen met harde en bloedige gevechten als onderdeel van publieke religieuze spelen, de zogenaamde ludi. Onderdeel daarvan vormden de muneri, (enkelvoud: munera, letterlijk: verplichting, taak) in de vorm van een gladiatoren-gevecht. Het bloed van de gedode gladiator gold als offer aan de goden. Toen het politieke leven ten tijde van de Romeinse Republiek meer en meer de wereld der Romeinen ging beheersen, kregen de spelen een ander karakter en verloren ze hun rituele karakter. Politici probeerden op alle mogelijke manieren de gunsten van hun kiezersvolk te winnen. Zij schonken het volk op eigen kosten luisterrijke spelen en wie de beste vechters en de zeldzaamste dieren in de arena liet optreden, werd het populairst. Met de komst van de keizers ging de organisatie van de spelen en dus de daarmee verbonden eer over naar die ene persoon, de keizer, die het volk gaf waar het om vroeg: brood en spelen.

24.11 Rome, Colosseum, Interieur. Foto: 12 oktober 2005.

Rome, Colosseum, Interieur

24.12 ludi
Vaak wordt beweerd – tweede punt van discussie - dat de spelen in de Romeinse amfitheaters een soort vervanging waren van de strijd die de Romeinen na de Pax Romana niet langer op de slagvelden hoefden te voeren, en tegelijkertijd een uiting waren van het verlies aan politieke macht van de burger onder de keizers. Maar daar valt veel tegenin te brengen.

Livius noemt als vroegste voorbeeld van een gladiatoren-gevecht een geval in het jaar 264 vC. Het werd gegeven door twee broers, ter ere van hun overleden vader, en het vond plaats op het Forum Boarium. Nogal terloops noemt Livius een heel stel andere gladiatorengevechten, allemaal zoals we dat deftig noemen, in een funeraire context, in verband met begrafenissen dus. Van één ervan vermeldt hij dat het plaats vond op het Forum. Ook andere bronnen vermelden, zij het alweer terloops, gevechten waarbij gladiatoren in paren aan elkaar worden gekoppeld. Het ging daarbij vaak, maar niet alleen, om krijgsgevangenen, en soms al om grote aantallen, waarmee behalve de funeraire kant ook de militaire context zichtbaar wordt. Op grond van dit alles mag aangenomen worden dat al in de periode van de republiek het gladiatorengevecht was ingeburgerd. Verondersteld wordt dat de schaarste aan bronnen enkel bewijst dat de gevechten als normale zaak werden beschouwd. Maar aangezien de derde en tweede eeuw voor Christus meer dan genoeg gelegenheid boden tot echte strijd, is het twijfelachtig of de gevechten als een soort compensatie voor het ontbreken van de echte strijd op het slagveld dienden.

Voor de Venatio (de strijd tussen dieren of tussen dier en mens) en de Damnatio ad Bestias (de veroordeling tot de dieren) gold voor wat betreft de herkomst iets soortgelijks, al werden ze nog niet met gladiatorengevechten gecombineerd en lijkt ze duidelijker in militaire kringen te liggen. De Venationes werden al vroeg gehouden en leken toen verbonden met de militaire triomftocht, of met publieke festiviteiten daarna, de ludi, die dan plaatsvonden in het Circus Maximus. Al in de derde eeuw vC duiken in Rome olifanten op, soms als onderdeel van de triomf, maar soms ook niet; Livius meldt dat in 186 vC in gevechten leeuwen en panters worden ingezet. In 170 vC probeert de Senaat tevergeefs een eind te maken aan de import van dieren uit Afrika, mede om zo generaals te ontmoedigen die met Venationes goede sier probeerden te maken bij het volk. Het betreft hier, te oordelen naar de bronnen, nog gewoon jachtpartijen, of gevechten van getrainde strijders met wilde dieren. Livius noemt bij een venatio in 169 vC een optreden van 63 luipaarden, en 40 beren en olifanten. Maar Livius vermeldt ook dat al aan het begin van de tweede eeuw vC sommige generaals deserteurs en krijgsgevangenen gebruiken die ze tegen beesten laten vechten. Aemilius Paulus doet dat in 167 vC, en Scipio Aemilianus, naar het voorbeeld van zijn vader (Africanus), in 146 vC. Het heeft er de schijn van dat zowel Venatio als Damnatio ad Bestias uit een militaire context afkomstig is. Hetzelfde zou gelden voor de naumachiae (de namaak-zeeslagen) en de exotischere vormen van executie, zoals de kruisiging. Ook van naumachie en kruisiging weten we dat ze al vroeg plaatsvonden. De vroegst vermelde naumachia vond plaats eind derde eeuw vC, de vroegst vermelde kruisiging in 217 vC, toen 25 slaven publiekelijk werden gekruisigd op het Campus Martius. Het beroemdste geval betrof natuurlijk de 6000 volgelingen van Spartacus die in 70 vC langs de Via Appia werden gekruisigd. Het lijkt erop dat veel van hetgeen later in de amfitheaters plaats zou vinden, zijn oorsprong vindt in militaire tradities. En sommigen – derde punt van discussie - beweren dat hetzelfde geldt voor het amfitheater zelf.

24.12 Rome, Colosseum, Interieur. Foto: 12 oktober 2005.

Rome, Colosseum, Interieur

24.13 oorsprong van het amfitheater
De traditionele opvatting met betrekking tot de geboorte van het amfitheater is relatief eenvoudig. Amfitheaters bevonden zich aanvankelijk, voor zover we weten, vooral in Zuid-Italië, en ze bestonden daar eerder dan in Rome. In Zuid-Italië woonden Grieken: Magna Graecia. Het theater (halfrond) was een Griekse vinding, en de Romeinen bedachten met hun amfitheater (cirkelvormig) een soort variant daarop. Dat ze dat in Zuid-Italië deden, is niet verwonderlijk. Vanaf de derde eeuw vC konden ze immers over Magna Graecia beschikken, want toen veroverden ze het. Rome was conservatief met zijn bouwkunst. De aan het amfitheater verwante vorm, het Theater, was er van hout, in elk geval tot in 55 vC het Theater van Pompeius werd voltooid (nu aan de rand van het Campo dei Fiori, grotendeels onder het Palazzo Pio Righetti). In 72 gaf Vespasianus opdracht voor de bouw van het Colosseum. Je kunt er de Griekse herkomst aan aflezen. De Romeinen zouden de klassieke Griekse zuilenordes (Dorisch, Ionisch, Korinthisch) te pas en te onpas gebruiken in hun bouwwerken. Maar waar de zuilen in de Griekse bouwkunst functioneel waren, en dragend, afgesloten dan door een architraaf, dienden ze bij de Romeinen enkel als niet functionele versiering. Bij de Romeinen zouden cementbouw en boogconstructie de dragende elementen van een bouwwerk worden, terwijl in het exterieur Griekse zuilen alleen schijnelementen zouden vormen. Zo is het ook bij het Colosseum. Een opvallend zwak punt van deze theorie is de aanname dat Rome met de bouw van het amfitheater de provincie zou hebben nagevolgd.

Maar er is ook een andere opvatting. Bij sommige archeologen en oudheidkundigen heeft inmiddels het idee postgevat dat de 20 amfitheaters die er waren, in Campanië bij Paestum, in Sutrium en Ferentium (in het huidige Toscane), en zelfs in Spanje, Griekenland en Syrië, en die allemaal uit de Republikeinse tijd dateren, met Pompei voor zover bekend als oudste (70vC), allemaal opduiken in plaatsen die nauwe banden onderhielden met Rome, vaak (maar niet altijd) op plaatsen waar tijdens de Republiek veteranen werden gehuisvest, of in plaatsen die oude kolonies van Rome waren. De veteranen die door Sulla naar Pompeji werden gestuurd, en die terecht kwamen in een omgeving die hen bepaald vijandig gezind moet zijn geweest, en die ook nog eens een andere taal sprak, Oskisch of Grieks, zijn een goed voorbeeld. Bij de behandeling van het amfitheater in Pompeji zullen we daar op terugkomen. Bekend is dat amfitheaters in de keizerperiode een vast onderdeel waren geworden van legerkampen. De scholing van gladiatoren was inmiddels – zo luidt de gedachte - ook onderdeel geworden van de militaire opleiding, en het is dus niet zo vreemd dat veteranen zorgen voor een amfitheater. Ze deden enkel wat ze al gewend waren te doen. En net zoals naast het Colosseum, en ermee verbonden, de Ludus Magnus zou komen te staan (één van de vier grote Romeinse gladiatorenscholen), zo staat naast het amfitheater van Pompeji het gymnasium, zoals het altijd wordt genoemd, maar dat volgens sommige archeologen onderdeel is van het amfitheatercomplex, bijna tegelijkertijd gebouwd, en dus geenszins een speelplaats voor burgerjongens.

Er zijn bovendien, aldus deze theorie, een paar opvallende architectonische verschillen tussen theaterbouw en amfitheaterbouw. Bij het amfitheater was één van de gebruikte zuilenordes altijd de zogenaamde Toscaanse, de versimpelde Dorische zuil. De term Toscaans betekent in het Latijn Etruskisch. Nog steeds is het in Italië chic te kunnen zeggen dat je van Etruskische herkomst bent. Dat was al zo tijdens de Medici, in de Renaissance, en onder Augustus gold hetzelfde. Die Toscaanse orde werd blijkbaar als typisch Romeins beschouwd (de grote tempel op het Kapitool, gewijd aan Jupiter, Juno en Minerva gebruikte hem), en het amfitheater ook als typisch Romeins, omdat de bezigheden die er plaatsvonden als net zo typisch Romeins werden beschouwd. Niks geen Grieks, semi-vrouwelijk kunstgedoe. Echte mannen! Veel van de Campanische amfitheaters zouden volgens deze theorie primitieve nabootsingen zijn van een al bestaand Romeins model. Ze werden letterlijk uitgegraven (ook dat van Pompeji). Het waren grote kuilen met plaats voor publiek. Stenen zitplaatsen waren er nauwelijks. De trappen in Pompeji lopen aan de buitenkant van het amfitheater. De modellen die de veteranen kenden, en die op soms wat primitievere wijze werden nagebouwd, zouden uit Rome zijn gekomen. Of het waar is of niet, die modellen, die zijn er. Dat weten we.

24.13 Rome, Colosseum, noordwestzijde, vanaf het pad naar de ingang van de Domus Aurea (wegens instortingsgevaar sinds december 2005 gesloten, weer open in 2018 en nu alleen deels, op afspraak op zaterdag en zondag; telefoon info: 0639967700). Foto: mei 2009.

Rome, Colosseum

24.14 spectaculae, amfitheaters, theaters
Want voordat het Colosseum vanaf 80 op spectaculaire wijze onderdak bood aan het opmerkelijke amusement van de Romeinen, werden gladiatorengevechten (munera, enkelvoud: munis) en jachtpartijen dus georganiseerd op het Forum Boarium, in het Circus Maximus, of op het Forum Romanum. Bronnen spreken al van gladiatorengevechten op het Forum in de derde eeuw voor Christus. Livius vermeldt er één in 216 vC, ter gelegenheid van de begrafenis van M. Aemilius Lepidus. Toen in de tweede eeuw vC eenmaal de basilica's (Aemilia, Fulvia en Sempronia) werden gebouwd, kregen die balkons (maeniana superiora) boven de rijen tabernae, zodat toeschouwers een goed zicht op de activiteiten ertussen konden krijgen. Opvallend genoeg zal diezelfde term (maeniana) later worden gebruikt voor de rangen in de amfitheaters. Onderaards werden hypogea aangelegd, gangen, op 3.5 meter diepte, met 12 schachten naar boven, waar windassen waren geplaatst, blijkbaar met het doel dieren op te takelen. Dit hele complex zou pas onder Augustus weer worden dichtgegooid (en pas tussen 1901 en 1904 weer – tijdelijk – blootgelegd). Het is onder Caesar dat we voor het eerste horen van een venatio op het Forum. Dat gebeurde normaliter in het Circus Maximus. De historicus Cassius Dio schrijft: "Hij bouwde een soort jachttheater van hout, dat een amfitheater werd genoemd omdat het aan alle zijden zitplaatsen had." Plinius beschrijft hoe, bij diezelfde gelegenheid Caesar zeilen (vela) over het Forum laat spannen. Aangenomen wordt dat, als in 7 voor Christus het Forum geplaveid wordt, het al weer afgelopen is met de beestenspelen op het Forum.

Bovengronds verschenen ondertussen geleidelijk houten spectaculae, zoals de vroege naam van het amfitheater luidt, en die kregen geleidelijk, zo neemt men aan, uit praktische overwegingen een ovale, of elliptische vorm, omdat ze op die manier ook pasten tussen de bebouwing die al op het Forum aanwezig was. Sommige archeologen menen (maar de bewijsvoering is wankel) dat die spectaculae soms een lengte hadden van 100 meter, wat groter zou zijn dan alle andere amfitheaters uit de Republikeinse periode. Dat van Pompeji bijvoorbeeld is 67 meter. De spectaculae werden bij speciale gelegenheden gebouwd en weer afgebroken. Ze zouden dan tussen de 10.000 en 15.000 toeschouwers hebben kunnen bevatten. Het waren deze spectaculae die als voorbeeld dienden voor de amfitheaters die elders tijdens de periode van de Republiek verrezen.

Met de theaters werden soortgelijke procedures gevolgd, al waren die natuurlijk bedoeld voor een heel ander, en veel kunstzinniger, maar ook uitheemser soort vermaak. De architect Vitruvius meldt in een terzijde dat er in Rome zoveel houten theaters werden gebouwd, dat het voor architecten één van hun voornaamste bezigheden vormde. Als de censors van het jaar 154 vC. klaar zijn met het bouwen van een permanent houten theater op de Palatijn voor de Ludi Megalenses, beveelt de senaat niet alleen dat het na de voorstellingen weer moet verdwijnen, maar dat de Romeinen vanaf dat moment weer staand naar de voorstellingen moeten kijken, en niet zittend, om te voorkomen dat ze "op Griekse wijze verwijven." Theaters werden duidelijk als on-Romeins beschouwd. We schreven het al: wat er werd gedaan, was Grieks, en dat gold ook voor de architectuur. Ondertussen horen we toch dat de houten theaters steeds fraaiere vormen aannemen. In 63 vC wordt er één gebouwd dat overdekt is, en uitgerust met marmer. Plinius Maior vermeldt de bouw van een immens theater in 56 vC door M. Aemilius Scaurus, het grootste tot op dat moment, groter ook dan het eén jaar jongere Theater van Pompeius. Het podium had drie verdiepingen, zuilen van 15 meter hoog, en de cavea bood plaats aan 80.000 mensen. Het werd na een maand weer afgebroken.

In 55 vC wordt op het Campus Martius het Theater van Pompeius gebouwd, het eerste stenen theater van Rome. En dat gebeurt, zo schrijft Tacitus, uit economische overwegingen. Het was goedkoper dan steeds maar weer opbouwen en afbreken. Het bood plaats aan 40.000 man. In 52 vC kwam, naar zeggen van Plinius Major,. Scribonius Curio, die tribune was in 50 vC, op het idee om twee halfronde toneel-theaters zo te construeren dat ze rond een as konden draaien. Na afloop van de voorstellingen bood hij het publiek een sensationeel toetje aan. De beide theaters werden rondgedraaid en aaneengesloten (terwijl de toeschouwers konden blijven zitten), de decors in het midden werden afgebroken en het beestenspul kon beginnen: in een eivormig amfitheater (letterlijk: aan beide kanten een theater) dat het prototype zou worden van alle moderne stadions. Maar dat prototype zou dus al best wel eens van eerder kunnen dateren. Van veel plaatsen in Italië en ook daarbuiten weten we dat er houten theaters en amfitheaters stonden. Er is er bijvoorbeeld één afgebeeld op de Trajanuszuil, blijkbaar eentje in het Donaugebied. Piacenza had één van de grootste van Italië, zo weten we uit allerlei bronnen (zo Tacitus, II, 21). Het zal je niet verbazen te horen dat het bij al dat gebouw-en-afgebreek ook wel eens mis ging. In Fidenae stortte in 27 nC een houten amfitheater in. Tacitus vermeldt dat daarbij duizenden mensen om het leven kwamen.

24.14 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio I, 69 verso: noordwestzijde van het Colosseum met de ruïnes van de Baden van Trajanus. 13.5 x 21 cm. 1532-1536/37. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Noordwestzijde Colosseum en Baden van Trajanus

24.15 oermodel Colosseum: het amfitheater van Statilius Taurus
Zoals de spectaculae uit Rome dienden als model voor de primitievere amfitheaters elders, zo was er ook voor het Colosseum een eerder model in Rome zelf. Eerst even wat namen. Statilius Taurus was één van de belangrijkste generaals van Augustus, die toen nog gewoon Octavianus heette. Lucius Cornelius Balbus minor - minor ter onderscheiding van zijn oom - was afkomstig uit het huidige Cadiz, in Spanje dus, en diende achtereenvolgens onder Caesar en Octavianus, wat pleit voor zijn overlevingsstrategie. In 19 vC mocht hij na zijn overwinning als proconsul in de provincie Africa op de Garamantes (een woestijnvolk) een triomf houden, als eerste, en lange tijd laatste niet-Romeinse burger.

Taurus, om te beginnen, bouwde in 30 vC op het Campus Martius het eerste permanente amfitheater van Rome. Het moet hebben gelegen rond het huidige Piazza Mattei, waar nu de schildpadfontein staat. De bouw ervan is in de oudheidkunde verwaarloosd, misschien omdat er letterlijk niets meer van over is, en men lange tijd zelfs heeft aangenomen dat het elders lag. Pas toen in 1960 het Theater van Balbus werd gevonden, tot verbazing der archeologen niet in wat toen al het getto werd genoemd (op de Monte dei Cenci, tussen de huidige Via Arenula en de Tiber), maar achter de Via delle Bottegehe Oscure (waar nu de Cryptus van het Theater van Balbus het middeleeuws museum van de stad Rome is geworden), besefte men dat de overblijfselen die door bijv. Piranesi waren getekend, en ook door anderen, en die men altijd voor de resten van Balbus had gehouden, het amfitheater van Taurus waren.
Zowel Tacitus als Suetonius noemen het amfitheater nadrukkelijk als onderdeel van het bouwprogramma van Augustus. Van Caligula weten we dat hij een hekel had aan Taurus' amfitheater, en voor zijn voorstellingen andere plekken gebruikte, misschien omdat het in de eerste eeuw al klein en ouderwets oogde naast bijv. het latere grote amfitheater in Verona (30 nC), dat al drie verdiepingen had. Tiberius gebruikte het echter weer wel voor de spelen ter nagedachtenis aan zijn grootvader, Drusus. Nero bouwde uit onvrede met het amfitheater zelf in 59 nog een houten versie, het Amphitheatrum Neronis. Beide exemplaren gingen verloren bij de grote brand in Rome van 64. Inmiddels nemen sommigen aan dat het Taurus' amfitheater is dat als model heeft gediend voor het latere Colosseum. Omdat het in een vlak gebied werd gebouwd, dat bovendien van oudsher werd geassocieerd met militair terrein, was er een echte façade nodig. Het werd zodoende het eerste deels stenen, vrijstaande, monumentale amfitheater van Rome. Daarbij zou de Toscaanse orde zijn gebruikt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het praktisch gelijktijdig gebouwde Theater van Marcellus, dat de drie klassieke zuilenordes heeft, en ook het Theater van Balbus.

Dat het amfitheater van Taurus zo snel werd gebouwd, en in 29 vC werd gewijd, onmiddellijk na de slag bij Actium (31 vC), zou evenmin toeval zijn. Taurus was een novus homo, iemand die niet van voorname afkomst was. Er zit in Augustus bouwplannen een sterk hiërarchisch tintje. Augustus zelf bouwde tempels. Agrippa, een andere officier van Augustus, die admiraal was bij Actium, bouwde nuttige dingen die, toeval of niet, soms met water te maken hebben: zijn baden, de Aqua Virgo (een aquaduct), maar ook zijn horrea. Taurus, de infanteriegeneraal kreeg het recht op een amfitheater, waaruit opnieuw de militaire connectie blijkt. Het amfitheater moest klaar zijn bij de viering van de drievoudige triomf van Octavianus na zijn Dalmatische oorlog en de zege bij Actium. Het heeft er de schijn van dat er vanaf de periode van Augustus twee amfitheaterontwikkelingen gaande zijn, een van een min of meer burgerlijk karakter, dat van Statilius Taurus, dat in Verona, en dat van Pula in Istrië, maar ook een voortzetting van de oude militaire versies, in Zuid-Italië (zoals Pompeji dus) en die aan de Romeinse buitengrenzen. En met het Colosseum zou uiteindelijk de definitieve canonisering, als je het zo kunt noemen, plaatsvinden van het amfitheater. Want dat is de moeder van alle latere versies.

24.15 Rome, Colosseum, Interieur. Foto: 12 oktober 2005.

Rome, Colosseum, Interieur

24.16 ludus magnus
Als je (bijvoorbeeld) van de San Clemente terugloopt naar het Colosseum, kom je aan het eind van de Via San Giovanni in Laterano (rechts) langs de zeer schaarse resten van de Ludus Magnus, één van de vier gladiatorenscholen van Rome. De Ludus Magnus was via een onderaardse gang verbonden met het Colosseum aan de overkant.

24.16 Rome, Gebied tussen Colosseum en San Clemente. Bron: Coarelli 2007

Rome, Gebied tussen Coloseeum en San Clemente, Coarelli

24.17 Teruggevonden werd de Ludus in 1937, en deels opgegraven tussen 1957 en 1961. Twee meter onder de arena zijn resten gevonden van huizen uit de eerste eeuw. Onder de huizen aan de overkant van de weg (zie de kaart) zijn resten gevonden van een ander gebouw, dat wellicht het armamentarium is geweest, de wapenopslagplaats van de gladiatoren. Soms moet ik mijn toevlucht nemen tot een noodgreep. Op bijgaande foto heb ik aan mijn pupillen (hier deels zichtbaar) misschien geroepen: Hé, ho. Even wachten. Rechts de ludus magnus. Want dat gat dat u hier rechts op de voorgrond ziet, is er het restant van. Helaas, ik heb even niet beters. Maar dan weet u tenminste waar de locatie zich bevindt.

24.17 Rome, Via San Giovanni in Laterano, met gezicht op Colosseum, oostzijde. Rechts op voorgrond: resten Ludus Magnus. Foto: 12 oktober 2005.

Rome, Ludus Magnus

24.18 Het was een vierkant gebouw, met aan de binnenzijde portico's, waaronder vermoedelijk de cellen van de gladiatoren lagen, en met op de binnenplaats een klein amfitheater, waar geoefend kon worden en dat met zes rijen nog altijd plaats bood aan ongeveer 3000 toeschouwers. Het bijwonen ervan was blijkbaar een geliefd Romeins tijdverdrijf, maar de arena lag toch 3 meter onder het niveau van de tribunes, en dan lag er ook nog een muur omheen van 2 meter hoog. De Ludus werd begonnen door Domitianus, maar pas afgemaakt onder Hadrianus, en hij werd bestuurd door keizerlijke beambten, die daar naar verluidt erg veel aan verdienden. Ludi buiten Rome waren vaak privé-ondernemingen, maar die in Rome dus niet. Er bestaan plannen voor de restauratie van het complex. Voor de kosten van 2 miljoen wordt een privésponsor gezocht.

24.18 Rome, Reconstructie van de gladiatorenkazerne Ludus Magnus. Aquarel Peter Connolly. Bron: König 2009

Reconstructie ladiatorenkazerne Ludus Magnus

IX
KEIZERSFORA

25.1 torre dei conti
Vlak voordat we op de Via dei Fori Imperiali terecht komen, op de hoek van het Largo Ricci, staat, aan de rechterkant van de straat, iets wat op een toren lijkt. Het zijn de 29 meter hoge restanten van de Torre dei Conti, een versterkte vesting, die aan het eind van de 12e eeuw werd gebouwd op de resten van de Templum Telluris, de tempel dus van Tellus (aarde, vruchtbaarheid, huwelijk, vaak ook geassocieerd met Ceres), waarvan de cella zich in het fundament van de toren bevindt. We weten dat één van de consuls van 268 vC, na het vertrek van Koning Phyrrus, een tempel wijdde aan Tellus, en een kaart van Italië op de muur liet schilderen. Hij werd soms gebruikt voor zittingen van de Senaat en stond nog in de 4e eeuw. Het was hier dat de Senaat, de dag na de moord op Caesar, bijeenkwam, om de samenzweerders amnestie te geven. Het zou hun niet baten. De toren die in de middeleeuwen verscheen, was ooit de hoogste van Rome en werd gebouwd door één van de machtigste adellijke families, de Conti, in een tijd dat alle adellijke families hun eigen torens bouwden, vaak als een soort demonstratie van hun macht, maar ook gewoon als verdedigingswerk. Bij een aardbeving in 1348 stortte hij in, waarna hij tot 1620 een ruïne was. Pas onder paus Urbanus VIII werd hij (in 1620) deels gerestaureerd, om in 1630 en 1644 opnieuw in te storten. Pas onder Mussolini, in 1933, vond een definitieve restauratie plaats. Enne, zie hier uw gids met zijn pupillen. Ik heb overwogen om mezelf eraf te knippen. Maar ach.

25.1 Rome, Torre dei Conti. Foto: oktober 2009

Rome, Torre dei Conti, oktober 2009

25.2 keizerforums algemeen
Schuin tegenover het Colosseum (links om de hoek) komen we dus op de Via dei Fori Imperiali, de weg die onder Mussolini dwars over de fora is aangelegd. De Romeinen zeggen gewoon Via dei Fori. Enne, niet direct gaan schreeuwen. Want onder Mussolini begonnen aan weerszijden ook weer serieuze opgravingen. De laatste decennia zijn de ruime parkeerplaatsen langs de Via dei Fori Imperiali verdwenen, en afgegraven. Archeologen hebben inmiddels de zijkanten van de weg bereikt en zitten er al onder, want er zijn daar tunnels aangelegd. Er wordt in Rome al jaren over gedebatteerd ook de weg te laten verdwijnen, maar die is wel een belangrijke verkeersader, in een binnenstad die er daar toch al niet zo veel van heeft. De in mei 2013 aangetreden burgemeester en voormalig chirurg Ignazio Marino, opvolger van Alemanno, besloot tot verbijstering van veel Romeinen per augustus 2013 de weg af te sluiten voor autoverkeer, besluit dat tot zeer veel rumoer heeft geleid. In mei 2014 werd bekend gemaakt dat de Via dei Fori tussen Piazza Venezia en Colosseum vanaf 2 juni alleen nog voor voetgangers toegankelijk zal zijn. Ook taxi's en bussen mogen er dan niet meer op. In de zomer van 2014 is uit onderzoek gebleken dat er van de 8000 toegestane verplaatsingen over de weg dagelijks 800 illegaal zijn, daaronder heel wat zogenaamde autoblu, de auto's van politici. 10 procent van het verkeer wordt nu gevormd door de bus, 60 procent door de taxi. De huidige burgemeester, Raggi, lijkt van plan te zijn het eerste deel van de Via dei Fori Imperiali, tussen Piazza Venezia en het Largo Ricci helemaal af te sluiten.

25.2 Rome, Keizersfora, Bron: Macadam 2006

Rome, Keizersfora, Kaart Macadam

25.3 Het Forum Romanum was aan het eind van de republiek al veel te klein geworden. In een brief aan Atticus, gedateerd 54 vC, schrijft Cicero dat hij het op zich heeft genomen land te kopen voor Caesar, dat bedoeld is voor een nieuw Forum. Alleen de aanschaf van de grond al kostte 60 miljoen sestertiën. Het oude Forum stond bomvol met gebouwen en werd altijd overstroomd door bezoekers van buiten de stad. Uitbreiding ervan kon alleen plaatsvinden aan de noordkant, de kant die Caesar eerst, en elke volgende keizer daarna, ook zou kiezen. Uiteindelijk ontstonden er vijf keizerfora; gaand van Piazza Venezia naar Colosseum over de Via dei Fori Imperiali (aangelegd onder Mussolini) passeer je links die van Trajanus en Augustus, daarna rechts het Forum van Caesar, waarna de weg die van Nerva en Vespasianus kruist. Alleen dat van Vespasianus kun je niet zien. Wij lopen erlangs in de omgekeerde volgorde. En Nerva en Vespasianus slaan we over, nou ja, op een kleinigheidje na. Overigens werden hier, in december 2015, weer zeven zuilen overeind gezet op het Forum van Vespasianus, dat meestal Vredesforum wordt genoemd (Forum Pacis), naar de vredestempel die er stond, de Templum Pacis. Die werd gebouwd om de verovering van Jeruzalem te vieren. Hoewel dat Forum er niet zo indrukwekkend uitziet, werd de tempel die er stond als éen van de mooiste van Rome beschouwd. Tot eind 2015 was het enige wat er dus van over was een podium.

25.3 Maarten van Heemskerck (1498-1574), Romeinse Schetsboeken, Folio II, 37 recto: Gezicht op het Forum van Nerva, 1532-1536/37. 13.5 x 21 cm. Berlijn, Staatliche Museeen, Kupferstichkabinett. Bron: Bartsch 2012

Maarten van Heemskerck, Forum van Nerva

25.4 forum van augustus
Het Forum van Augustus werd als tweede van de nieuwe fora - immers na dat van Caesar – aangelegd, en wel ter herdenking van Augustus' overwinning op de moordenaars van Julius Caesar, Brutus en Cassius dus, bij de Slag van Philippi in 42 vC. Maar de bouw zou lang duren en de tempel werd pas gewijd in 2vC. Het geld ervoor haalde hij, schreef hijzelf, uit oorlogsbuit: ex manubiis (manubiae: buit). De tempel in het midden was gewijd aan Mars Ultor (de wreker); ze is goed herkenbaar aan de gebroken trap. Er stond een beeld van Mars dat sterk leek op Augustus. Mars was trouwens één van de authentiekste Romeinse goden, (landbouw, vader van Romulus en Remus, en wreker van de moordenaars van Augustus' stiefvader Caesar). Ernaast stonden nog twee beelden, van Venus en van Divus Iulius. In nissen aan beide zijden van de colonnades stonden 108 andere beelden, aan de ene kant helden uit de Romeinse geschiedenis, aan de andere de groten uit het anse geslacht, te beginnen bij Aeneas. Het Marsbeeld stond precies in het midden van de twee rijen. Het Forum van Augustus was al gauw de belangrijkste plek van Rome. Hier kwam de Senaat bijeen om oorlog te verklaren of vrede af te kondigen. Gouverneurs van de provincies namen hier met een offer afscheid voordat ze vertrokken. Beelden van generaals werden hier neergezet. Een triomf was allen nog voorbehouden aan de keizer. Het Forum van Augustus is de beste illustratie van de gewijzigde machtsverhoudingen.

25.4 Rome, Keizersfora, Forum van Augustus met podium van de Tempel van Mars Ultor. Rechts naast de vier zuilen de boog waar doorheen u nu vanuit de Via Alessandrina de zuilen van dichtbij kunt zien. Foto: mei 2013.

FRome, orum van Augustus

25.5 Dat neemt niet weg dat Augustus ook bescheiden kon zijn. Het Forum zelf strekte zich uit van een licht gebogen muur onderaan de Suburra, tot aan de rand van het Forum van Julius Caesar. De 33 meter hoge (!) muur van tufsteen vormde de scheiding met de op de heuvel erachter gelegen armenwijk. Het Forum van Augustus werd veel kleiner dan aanvankelijk de bedoeling was, slechts 125 meter, want de keizer wilde de eigenaars van de omringende huizen niet onteigenen. Dat is ook de reden dat de genoemde ringmuur niet recht is. Een goed deel van het Forum bevindt zich nu onder de Via dei Fori Imperiali.

De hier op een foto van ongeveer 1875 getoonde boog - die aan het eind ligt van Via Bacina, direct aan de achterzijde van het Forum van Augustus - de zogenaamde Arco dei Pantani, vormde éen van de westelijke ingangen naar Augustus' Forum. De naam dei Pantani werd in de middeleeuwen gegeven, vanwege de modder die het gebied vaak overspoelde. Het betekent zoiets als moeras. De drie zuilen zijn de enige resterende en stonden aan de oostelijke zijde van de tempel van Mars Ultor. Ze waren ingebouwd geraakt in een middeleeuws gebouw. Het gebied aan deze zijde van de muur is nu uiteraard ontoegankelijk en het gebouw is verdwenen toen Mussolini in de jaren '20 en '30 hier veel neerhaalde. Nu kun je, als je achterlangs loopt over de Via Alessandrina, door de - inmiddels van tralies voorziene - boog de zuilen van de Tempel zien. In de muur achter de zuilen is rechts ernaast op de vorige foto het wit van de poort te zien. Even verderop, in het verlengde van de Via Tor de' Conti, in de Salita del Grillo, kun je net zoals elders soms ook, een restant zien van de oude Servische muur. De huizen zijn er gewoon op gebouwd.

25.5 Rome [Tempio di Marte Ultor e Arco dei Pantani] Tempel van Mars Ultor en Boog van de Moerassen, ca. 1875. Deze zijde van de boog is nu uiteraard ontoegankelijk. Erachter parallel aan de boog de Via Alessandrina. Anonieme Fotograaf. Bron: Mormorio 1991

Tempe van Mars Ultor en Boog

25.6 Het restant van de tempel van Augustus toont uitstekend het typisch Romeinse karakter ervan. De tempels op de keizersfora zijn toonbeelden van ouderwetse Romeinse architectuur. In tegenstelling tot de Griekse zijn de Romeinse alleen aan de voorkant via een trap toegankelijk, is de cella (de heilige ruimte) tegen de achtermuur geplaatst, en zijn de zuilen aan de zijkant vaak in een muur ingebouwd, zodat het eigenlijk om halfzuilen gaat. Het dak van zo'n tempel stak ver naar voren uit en de proporties van het geheel zijn vaak enigszins gedrongen. Een nieuwigheidje werd wel gevormd door de exedra die zich aan elk uiteinde van de zuilengalerijen bevond. Alle tempels op de keizersfora werden gebouwd ter herdenking van een gewonnen veldslag: de tempel van Venus Genetrix van Julius Caesar, die als eerste een eigen forum aanlegde, werd gebouwd ter gelegenheid van zijn overwinning op Pompeius bij Pharsalus(48 vC), de tempel van Mars Ultor van Augustus na de slag bij Philippi (42vC), en de Tempel der Vrede van Vespasianus na de campagne tegen Judea (70nC).

25.6 Rome, Forum van Augustus. Bron: Aicher 2004 (naar Kockel en Zanker)

Rome, Keizersfora, Forum van Augustus

25.7 trajanus
Trajanus (97-117) was wat wel genoemd wordt een soldatenkeizer. Hij werd geboren in Italica in Spanje, vlakbij het huidige Sevilla, net als Hadrianus; Italica was de oudste Romeinse vestiging op het Iberisch schiereiland. Trajanus voerde twee belangrijke militaire campagnes: de verovering van Dacië (Roemenië) in 100-102 en 106 en de inval in het Parthische rijk. De eerste was militaire noodzaak, de tweede een bewuste poging Alexander de Grote te imiteren. Ze werd beëindigd door Trajanus' dood in 117 in Cilicië. Grappig genoeg is Trajanus de enige keizer die, in elk geval volgens de traditie, tot de hemel is toegelaten. Paus Gregorius de Grote was zo onder de indruk van zijn liefdadigheid dat hij God daarom smeekte. Die stond het verzoek toe - mits dat soort dingen niet te vaak werd gevraagd - waarna er tot aan de middeleeuwen over is gedebatteerd of een ongedoopte wel in de hemel kon komen. De kerkgeleerde Thomas van Aquino loste het probleem op door te verklaren dat Trajanus na zijn dood nog even op aarde verschenen was, net lang genoeg om gedoopt te worden.

Het immense complex dat hier onder Trajanus is aangelegd, is zonder twijfel het meest ambitieuze bouwprogramma dat ooit in Rome is uitgevoerd. Forum, basilica en Markten werden als één geheel, in onderling verband en binnen een beperkte tijd van 15 jaar gebouwd. En dan is er nog een tempel van Trajanus zoek. Hoe dan ook, bij de aanleg werd een complete heuvel afgegraven, verrezen in het vlakke deel twee reusachtige complexen, en tegen de heuvel erachter een derde. Nog eeuwenlang zou het geheel bewonderd worden door iedereen die naar Rome kwam. En nu nog is het indrukwekkend om vanaf de door Apollodorus gebouwde markten op het Quirinaal over de schaarse ruïnes ervan heen te kijken.

25.7 Rome, Trajanus. Gevonden op de noordelijke helling van de Palatijn in 2000. Hoogte: 0.42 m. Rome, Museo Nazionale Romano, Antiquarium van de Palatijn. Bron: De Rocca 2011

Trajanus

25.8 forum van trajanus
Het Forum van Trajanus diende ter herinnering aan de verovering van Dacië (Roemenië). Het is vermoedelijk in zijn eentje al het grootste complex dat ooit in Rome is aangelegd: 300 meter lang en 185 meter breed. En dat is alleen het Forum. Met de bouw ervan bereikte de keizeridee zijn apotheose. Zoals het Forum van Augustus diende ter herdenking van een belangrijke gebeurtenis (Augustus'overwinning op de moordenaars van Caesar), was ook het Forum van Trajanus bedoeld ter herdenking van een eminent historisch feit. De aanleg van het complex werd niet voor niets alweer grotendeels bekostigd met buit, veroverd dit keer op de Dacische Decebalus. Het ging er ook niet meer om, tempels op te richten voor de goden: want die zijn hier ver weg. Het hele complex met basiliek, zuilengangen, triomfbogen en overwinningszuil, was op de cultus van de persoon des keizers gericht. Zijn met goud vergulde bronzen ruiterstandbeeld stond dan ook in de centrale tempel. Zijn as werd bijgezet in zijn eigen zuil. Zelfs qua architectuur moest het complex lijken op het Forum ernaast van Trajanus' illustere voorganger, Augustus, en trouwens ook op dat van Julius Caesar, aan de overkant. Net als die bouwwerken is het Forum van Trajanus en de basilica qua stijl ultra conservatief: alleen de immense omvang ervan was nieuw, zoals ook de Trajanuszuil een nieuwigheidje was. Maar verder sloot Trajanus met zijn Forum bewust aan bij de stijl die ook Augustus liet gebruiken bij de aanleg van zijn pompeuze publieke bouwwerken. De opzet en de uitvoering ervan geschiedde geheel volgens een al eeuwen gebruikelijk model. Daarmee demonstreerde Trajanus dat hij de wettige erfgenaam was van zijn eerste keizerlijke voorganger.

Eén ding was wel bijzonder. Om ruimte te krijgen voor de bouw van Forum en basilica moest de heuvelrichel die nog tussen Kapitool en Quirinaal lag compleet afgegraven worden, en een gebouw dat er stond, het Atrium Libertatis, het oude archief van de censors, afgebroken, en ook een deel van de Servische muur. Het Forum werd tussen 101 en 112 ontworpen door Apollodorus van Damascus, de Syriër die in Dacië de brug over de Donau had geslagen, waardoor de keizer de slag tegen de Roemenen kon winnen. Hij zorgde er ook voor dat de heuvelrichel werd afgegraven.

Apollodorus is één van de weinige architecten uit deze periode die we bij naam en toenaam kennen. De toch zo goedaardige Hadrianus zou de architect eerst verbannen en later ter dood laten brengen, aldus Cassius Dio. Die vertelt dat Apollodorus de brutaliteit had keizer Hadrianus te verwijten, dat diens pas gebouwde Tempel van Venus en Roma te klein was voor de beelden die erin stonden. "Als ze willen opstaan, kunnen ze dat niet", citeert Cassius Dio de architect. Misschien hield die niet van Grieken. Maar vermoedelijk had Apollodorus' dood eerder te maken met zijn verleden als bouwmeester van Trajanus, voor wie hij veel had gebouwd.

25.9 basilica ulpia
Aan de westzijde van het Forum bevond zich de als het ware overdwars staande basilica Ulpia (Trajanus familienaam was Ulpius), met op de hoeken de Griekse en Latijnse bibliotheken, die in een halve cirkel om de zuil van Trajanus heen gebouwd waren, zodat je de taferelen van gelijke hoogte kon bekijken. Door sommigen wordt aangenomen dat het ontwerp ervan een soort kopie was van het eerder genoemde atrium libertatis, dat op de heuvelrichel stond die was afgegraven, en dat plaats had moeten maken voor basilica en forum. Het feit dat op de basis van de Zuil van Trajanus, die pas in 113 af kwam, vermeld stond dat de hoogte ervan precies gelijk was aan de hoogte van de oorspronkelijke heuvelrand, lijkt op een soort piaculum (zoenoffer) voor het begane sacrilegium (heiligschennis). De basilica Ulpia diende voor de afhandeling van rechtszaken en was de grootste ruimte in Rome. Met zijn 140 meter lengte was hij langer dan de Basiliek van Constantijn zou worden, maar hij was wel smaller: 65 meter. Door middel van zuilenrijen was de ruimte ingedeeld in een schip met vier zijschepen. Het gebouw had een plat houten dak, dat voorzien was van cassetten. Aan beide uiteinden werd de basilica afgesloten door een halfcirkelvormige muur, een apsis.

Wat je nu ziet, is alleen het centrale deel. De westelijke apsis ligt onder de Via dei Fori Imperiali, op slechts enkele meters van het monument van Victor Emanuel, de oostelijke nog dieper weggeborgen onder de zogenaamde Scalinata di Magnanapoli, en dat is een trap met een kerk ernaast. Nee, dat zal niet meevallen. Gebouwen zoals dit bestonden elders in Italië al. Desondanks vormde de Romeinse versie een van de indrukwekkendste monumenten van het oude Rome; de basilica Ulpia diende, zo wordt door sommigen aangenomen (maar door anderen niet) tenslotte als voorbeeld voor vele vroegchristelijke kerkgebouwen. Toen Constantius I, de keizer uit Constantinopel, in 356 als een soort toerist Rome bezocht, bewonderde hij vooral dit complex. Toen hij opmerkte dat hij een kopie wilde laten maken van het ruiterstandbeeld van Trajanus dat midden op diens forum stond, zei iemand uit zijn gevolg, de Perzische prins Hormisdas, doelend op de zijmuur van de basilica: laat u er dan eerst, als u kunt, een passende stal omheen bouwen (Ammianus Marcellinus, Res Gestae, XVI, 10).

Overigens werden in de middeleeuwen en later ook hier steen en marmer als bouwmateriaal van het Forum weggehaald en raakte het gebied overdekt met armoedige huisjes. De opgravingen werden gestart in 1828, maar al snel weer stopgezet, omdat het belang ervan niet werd onderkend. De grote opgravingen zijn begonnen in 1924, en werden pas in 1931 echt ter hand genomen, toen ook de Via dei Fori Imperiali werd aangelegd. De grond werd gebracht naar de terreinen achter de S. Paulus om die op te hogen voor de bouw van een nieuwe stadswijk. Dat de opgraving van dit Forum een onverdeeld succes is te noemen, zal niet iedereen willen beweren.

25.9 Rome, Resten van de basilica Ulpia waarvan de zuilen in de loop der jaren weer zijn omhoog gezet en dat aan de noordzijde de afsluiting vormt van het eigenlijke forum van Trajanus. Op de achtergrond de zuil van Trajanus en de tweelingkerk. Foto: mei 2013

Rome, Keizersfora, basilica Ulpia

25.10 de markten van trajanus
Voor de ingang van de Markten moeten we via Largo Magnanopoli - waar zich trouwens wederom een deel van de oude Servische muur bevindt, dat ooit onderdeel vormde van de Porta Sanqualis - naar Via IV Novembre nummer 94. De markten zijn tegenwoordig elke dag geopend van 9.30 tot 19.30, al sluit de kaartverkoop een uur eerder. Een bezoek aan de markten is naar mijn idee een Romeinse must. De toegang voor normale mensen bedraagt € 12. Voor scholieren is hij gratis.

Behalve bouwer van traditionele architectuur was Apollodorus, als dat nodig was, blijkbaar toch ook een vernieuwer, en een meester in de op dat moment hypermoderne baksteenarchitectuur. Romeinen maakten eigenlijk geen onderscheid tussen architecten en ingenieurs. Apollodorus was allebei. Aan de ingenieus geconstrueerde markten kun je dat goed zien. Eerder al, tussen 104 en 109, legde hij in opdracht van Trajanus op de plaats waar zich Nero's woonvertrekken in de Domus Aurea bevonden een badencomplex aan, dat met zijn boogbouw en baksteenarchitectuur veel moderner was dan bijvoorbeeld het Forum en de basilica van Trajanus. Van die baden is niks meer over, maar de markten van Trajanus moeten erop hebben geleken.

25.10 Rome, Markten van Trajanus, Dwarsdoorsnede. Bron: Packer 2001

Rome, Markten van Trajanus, Dwarsdoorsnede Packer

25.11 De markten dateren uit het eerste decennium van de tweede eeuw, en zijn dus blijkbaar eerder aangelegd dan de rest van het Forum van Trajanus. Ze vormen een complex van gebouwen van een verbazingwekkend gevarieerd aantal verdiepingen, gelegen aan het Forum van Trajanus, waar het van gescheiden was door een muur. Die muur is verdwenen. De verdiepingen waren in de vorm van terrassen ingegraven in de steile helling, die was ontstaan door het weghalen van de heuvelrug tussen Kapitool en Esquilijn. De nu zichtbare voorgevel van de markt is een grandioze bakstenen exedra (half cirkelvormige afsluiting) die het Forum van Trajanus aan de oostzijde begrenst. Het complex was uitgegraven in de zuidkant van de Quirinalis. Het is goed je te realiseren dat de markten als architectuur sterk afweken van bijna alles wat tot op dat moment in Rome was gebouwd. Naast de zo traditioneel aangelegde fora in blinkend marmer moet het winkelcentrum er, zullen we maar zeggen, met zijn bakstenen buitenkant (die her en der alleen was gestuukt) supermodern hebben uitgezien. Let wel: als je in Rome baksteen ziet, is dat vaak bekleed geweest met marmer, maar hier niet.

Als het om bouwtechniek ging was Rome bepaald conservatief. Alleen het Tabularium, de baden van Domitianus en de Domus Augustana (op de Palatijn) waren net zo modern van opzet als de markten. Daarbij werd voor het eerst in Rome de boogbouw gebruikt. Elders in Italië werkte men al lang met de overkluizing van ruimtes door middel van cement in boogvorm. Indrukwekkend aan de markten zijn de omvang en de originele uitwerking, maar verder is de uitrusting opvallend eenvoudig. Aan decoratie ontbreekt het vrijwel geheel. De ramen op de bovenste verdieping zijn voorzien van halfzuilen en pedimenten, en het baksteen was misschien plaatselijk afgemaakt met stucwerk, maar dus niet met marmer.

25.11 Rome, Markten van Trajanus. Links op de achtergrond aan de overkant van het stukje weg dat nog resteert de resten van de basilica Ulpia. Foto: oktober 2009

Rome, Markten van Trajanus, Oktober 2009

25.12 De halfcirkelvormige bouw lijkt het resultaat van bewust streven naar originaliteit, maar dat is niet waar. Het was noodzakelijk vanwege de aangrenzende fora. De boven elkaar liggende lagen waren onontkoombaar vanwege de heuvel waar het hele complex in is gebouwd. Voor zover bekend bestonden markthallen in deze periode uit overwelfde gangen met daarin aan beide zijkanten geplaatste bogen. De ruimtes die zo ontstonden, dienden als winkel. In Tivoli bijvoorbeeld, vlak buiten Rome, is zo' n winkelgang gevonden. Apollodorus maakte dus gebruik van de boogbouw die elders in Italië op dat moment al in zwang was, maar wel op veel grotere schaal en veel geraffineerder. Van die techniek is trouwens het Pantheon, dat van niet veel later dateert, het fraaiste voorbeeld.

25.12 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Le Antichità Romane [Veduta del second' ordine di una parte della Calcidica del Foro del Trajano. A porta antica appartenente al terz' ordine. B. Muro moderno.Giardino del St Marchese Ceva. D Fabbricche moderne sopra le rovine del Foro di Nerva] Gezicht op de tweede rij van een deel van het hemicycle van het Forum van Trajanus. A. Oude poort behorend tot de derde rij. B Moderne muur.Tuin van de markiezin van Ceva. D Moderne bouwsels op de ruïnes van het Forum van Nerva. 128 x 205 mm. Bron: Ficacci nr. 190

Piranesi, Markten van Trajanus

25.13 De markt is een reusachtige overwelfde hal, omringd door 150 winkels en bedrijfspanden. De winkels in de grote exedra op de begane grond waren kleiner en koeler dan die op de hogere verdiepingen en verkochten vermoedelijk bloemen, groente en fruit. Op de verdieping erboven werden te oordelen naar vondsten olie en wijn verkocht. Over de markt liep een hoofdstraat met vermoedelijk cafés en winkels. Die straat bestaat nog steeds en werd in de middeleeuwen al Via Biberatica genoemd, wat erop wijst dat hier vermoedelijk drank werd verkocht. Op de karretjes voor het Colosseum kun je lezen: bibite, drankjes. Het publiek kon de waren zelf uitzoeken en die betalen met penningen die men tevoren had kunnen kopen. Aan de zuidoostelijke kant bevond zich in de afscheiding met het Forum van Augustus.

25.13 Rome, Markten van Trajanus. Bron: D' Orazio 2004.

Rome, Markten van Trajanus

25.14 De nog overgebleven twee verdiepingen bewijzen, hoe de Romeinen doelmatigheid en schoonheid konden combineren. Tegelijkertijd blijkt uit de aanleg van het hele complex, dat - als onderdeel van een omvangrijke stadssanering in deze periode - de commerciële centra, die vroeger op of rond het oude Forum lagen, bezig waren verplaatst te worden in de richting van nieuwe wijken. We weten bijvoorbeeld ook dat de Templum Pacis in deze tijd werd gebouwd op het oude Republikeinse Macellum, de vleesmarkt dus.

25.14 Rome, Markten van Trajanus. Aanzicht in 1911, voordat de opgravingen begonnen, en toen het complex nog bebouwd was. Bron: Packer 2001

Rome, Markten van Trajanus, 1911

25.15 Ik vermoed dat tegenwoordig het mooiste punt voor een overzicht van het complete forumcomplex wordt gevormd door de Markten van Trajanus. Wie er op de bovenste verdieping staat, kijkt uit over het gehele gebied, al zou het voor een nog beter zicht uiteindelijk iets verder naar het zuiden moeten liggen. Het grootste probleem voor het begrip van de opgravingen is natuurlijk het moderne wegennet. Het is met Mussolini een beetje als met Haussmann. Je kunt hem verwijten dat hij volgens moderne maatstaven wel erg bruut tekeer is gegaan, maar tegelijkertijd kun je hem zijn verdiensten niet ontzeggen. Zuiver archeologisch gesproken zijn die vele malen groter. Want hoewel hij met de aanleg van zijn Via dei Fori Imperiali veel heeft aangericht, heeft hij daarmee ook veel mogelijk gemaakt. Al zo lang als ik Italiaanse kranten lees, duikt met enige regelmaat het debat op over de sloop ervan. Ik geloof niet dat het er voorlopig van zal komen, zo schreef ik een jaartje geleden. Maar inmiddels is de breedte van de weg tot het uiterste minimum geslonken en wordt er al onder gegraven. En terwijl de gemiddelde Romein wordt verscheurd door de trots op zijn geschiedenis en de kwalijke gevolgen die hij er in zijn dagelijks bestaan voortdurend van ondervindt, terwijl hij weet wat de dagelijkse waarde uitgedrukt in geld voor de stad betekent, maar overal in de file staat en tot gekwordens toe last heeft van de massale toestroom van toeristen, weet hij ook dat hij letterlijk in een museum woont en dat het niet ondenkbaar is dat er een moment komt dat zijn hele historische centrum hem wordt ontnomen. En dat besloot de vorige burgemeester Ignazio Marino in augustus 2013, toen hij de Via dei Fori Imperiali dichtdeed voor autoverkeer. Dat neemt niet weg dat onderzoek in de zomer van 2014 uitwees dat er dagelijks sprake was 800 wetsovertreders. Vanaf 7 januari 2015 rijden er alleen nog bussen en fietsers, want toen werd de weg ook voor taxi's verboden. De huidige burgemeester, Virginia Raggi, aangetreden in mei 2016, lijkt nog verdergaande plannen te koesteren.

25.15 Overzicht Forums. Bron: Macadam 2006

Rome, Forums

25.16 torre delle milizie
De Torre delle Milizie (ten onrechte soms genoemd: Toren van Nero) die zo mooi boven het hele complex uitsteekt, is een versterkte toren, die in de dertiende eeuw werd gebouwd onder paus Gregorius IX, maar wel op het restant van een wachttoren die deel uitmaakte van de Servische muur die hier liep. Van de oorspronkelijke drie verdiepingen resteren er nu nog twee. De toren heeft aan heel wat Romeinse adellijke families behoord. De bijnaam Toren van Nero was gebaseerd op het feit dat men in de renaissance dacht, dat vanaf dit punt Nero Rome had zien branden. Bovenop het complex werd in 1572 over de markten een klooster gebouwd (S. Catharina) dat in 1914 weer is gesloopt.

25.16 Markten van Trajanus met daarboven de Torre delle Milizie. Op de voorgrond nog net resten van het Forum van Augustus. Foto: mei 2013

Keizersfora, Torre delle Milizie

25.17 de zuil van trajanus
Dit is het enige monument op de fora dat praktisch intact is blijven bestaan, als je het beeld erop niet meetelt. De Trajanuszuil is precies 100 Romeinse voet hoog, bijna 30 meter. Hij dateert uit 113, werd opgericht om de overwinning op de Daciërs te herdenken en bestaat uit 18 trommels van marmer. Aan de uiterste westkant lag de tempel van Trajanus, waarvan nog een granieten zuil overeind staat. Het restant ervan bevindt zich onder wat ooit Ristorante Trajano heette en tegenwoordig Ristorante Ulpia. Restaurateurs met historisch besef, maar wel op flagrante wijze illegaal. Want hoewel het terras zich er niet had mogen bevinden, zo bleek na onderzoek in 2016, beschikte men er toch over de benodigde papieren. Geheel terzijde: het bijbehorende hotel, Forum geheten, is anno 2017 zowat het hoofdkwartier van Beppe Grillo's vijfsterrenbeweging. De eigenaren, de twee broers Troiani, allebei architecten, hadden een zwak voor hem. En per slot van rekening ligt de Salita del Grillo om de hoek. Voor de aanleg van het eigenlijke plein van het Forum van Trajanus moest zoals gezegd de heuvel worden afgegraven tussen Kapitolijn en Quirinaal. De hoogte van de Trajanuszuil geeft, blijkens een inscriptie op het voetstuk, precies de hoogte aan van die oorspronkelijke heuvelkam.

25.17 Forum van Trajanus met de Zuil van Trajanus. Foto: mei 2013

Rome, Forum van Trajanus, Zuil van Trajanus

25.18 De Trajanuszuil is bedekt met een 200 meter lange reliëfband met de uitbeelding van 114 verschillende scènes en meer dan 2500 mensen. De zuil stond oorspronkelijk opgesteld middenin de basilica Ulpia, van waaruit de scènes heel wat beter te zien zijn geweest dan nu vanaf de begane grond. Na zijn dood is de as van Trajanus, die in Cilicië stierf, en die van zijn vrouw in een gouden urn in een kluis onder de zuil neergezet. Daarmee is hij de eerste keizer wiens resten werden bijgezet in het gewijde gedeelte van de stad, met als rechtvaardiging een oud gebruik, volgens welk alleen triomfatoren in de stad mochten worden begraven. In 1587 werd het beeld van Trajanus dat op het Dorische kapiteel van de zuil stond door Sixtus V (Peretti, 1585-1590) vervangen door de Petrus van nu. Binnenin de zuil bevindt zich een wenteltrap met 185 treden. De zuil is overigens geïmiteerd op de Place Vendôme in Parijs. In het Museo della Civiltà Romana in EUR staan afgietsels van de trommels goed zichtbaar gewoon op ooghoogte. De Italiaanse Wikipedia geeft een complete versie van alle trommels.

25.18 Rome, Forum van Trajanus: Trajanuszuil, Tafereel XXVI De inscheping van Trajanus. Museo della Civiltà Romana. Foto: oktober 2009

Rome, Trajanuszuil, Tafereel XXVI, De inscheping van Trajanus

25.19 tempel zoek
Tot voor kort werd altijd gedacht dat de Tempel van Trajanus, door zijn opvolger Hadrianus in 117 gebouwd, en opgedragen aan de keizer en zijn vrouw Plotina, ten noorden van de zuil lag, onder wat nu – tja – bijvoorbeeld Ristorante Ulpia is, rechts terzijde van de tweelingkerk die u hier ziet. Maar opgravingen daar hebben uitgewezen dat er alleen privéwoningen liggen. Waar hij zich dan wel bevindt, is onduidelijk. Terzijde van het Forum van Trajanus staan twee kerken met koepels van gelijk ontwerp; de S.M. di Loreto en de Nome di Maria.

Voor wie Rome met enige regelmaat bezoekt, is éen van de raadselachtigste zaken hoe het kan dat je maar zelden mensen bezig ziet met opgravingen, terwijl dat, blijkens hetgeen je na terugkeer aantreft toch echt is gebeurd. Toen ik voor het eerst in Rome kwam, in 1971, was bijna alles wat u hier ziet nog parkeerterrein. In de laatste vijftig jaar is het aanzien van Rome ingrijpend veranderd. Op de Via dei Fori Imperiali is dat weliswaar het zichtbaarst, in het gebied tussen het Forum Romanum en de Via dei Fori Imperiali, in dat met de opgravingen van het Forum van Caesar, die van de Tempel van Venus en Roma, van het Forum van Trajanus en Augustus, het tempelcomplex op Largo Argentina, maar in stilte heeft hetzelfde plaats gevonden waar dat maar enigszins mogelijk was. En er wordt wel eens geklaagd over de wijze waarop de Italianen onze cultuur beheren, maar sinds datzelfde jaar waarin ik voor het eerst verscheen, is er ook nog eens een reeks schitterende musea ingericht of gerenoveerd: de Kapitolijnse Musea zelf uiteraard (gerenoveerd en nieuw, met het Palazzo Caffarelli en het Tabularium), Centrale Montemartini (nieuw), Palazzo Massimo (nieuw), Crypta Balbi (nieuw), Scuderie (nieuw), Villa Borghese (gerenoveerd), Vittoriano (gerenoveerd), Ara Pacis (gerenoveerd), Altemps (gerenoveerd). Om maar wat te noemen wat me zo te binnen schiet.

25.19 Rome, Keizersfora, Forum van Augustus (voor) en Trajanus (achter). Vergelijk deze foto eens met de volgende. Foto: oktober 2009

Rome, Forum van Trajanus, 2009

25.20 via dei fori imperiali
Voor wie er als toerist verblijft, is Rome geen erg comfortabele stad, maar voor de mensen die er wonen, is het een nachtmerrie. Wel zijn er dat steeds minder, iets wat een gevolg lijkt van de toenemende vercommercialisering. Met de auto is het historisch centrum moeizaam begaanbaar, terwijl het openbaar vervoer een regelrecht drama is, zoals iedereen die er in de spits wel eens gebruik van maakt, kan beamen. Wilt u echt weten hoe erg het is? Neem een keer om vijf uur 's middags de B-lijn vanaf San Paolo. 's Ochtends om acht uur vanaf Termini, kan ook. De paar serieuze wegen in het centrum, die langs het Theater van Marcellus, de Via dei Fori Imperiali tussen de forums door, de Via San Gregorio achter de Palatijn langs en de kades langs de Tiber zijn welbeschouwd de enige doorgaande verbindingen in de stad. Die werden grotendeels onder Mussolini aangelegd of gemoderniseerd. Ik heb het hier al vaker gezegd: de dictator richtte grote schade aan, maar hij maakte ook zeer veel mogelijk. Voor Mussolini's bouwpolitiek verwijs ik naar het deel over EUR. Voor de Via dei Fori Imperiali moest een complete stadswijk verdwijnen. Een foto van 1855 laat zien hoe ingrijpend Mussolini's plannen waren. En uitgerekend die Via dei Fori Imperiali staat nu al meer dan 30 jaar onder druk. Met de aanleg ervan, als toen nog Via del' Impero, maar ook met de Via del Mare (nu: Via del Theatro di Marcello en Via Luigi Petroselli), de Via dei Trionfi (nu: de weg langs Colosseum naar de boog van Constantijn) en het Piazza Augusto Imperatore - de ruimte om het Mausoleum van Augustus - wilde Mussolini, door de belangrijkste Romeinse monumenten uit de keizertijd weer zichtbaar maken, ze weliswaar in hun volle glorie herstellen, maar hij wilde stad ook toegankelijk maken voor moderne vervoersmiddelen. In de omgeving waar we ons nu bevinden, betrof het respectievelijk de keizersfora en het gebied rond het Kapitool. In 1932 ging zodoende de Via dell'Impero open, voor de aanleg waarvan overigens al sinds 1873 plannen bestonden. De weg vormde een belangrijke schakel voor het doorgaand verkeer door het historische deel van de stad. Ik schreef hiervoor al dat de Via dei Fori Imperiali aanvankelijk veel breder was en dat er omvangrijke parkeerplaatsen langs lagen.

25.20 Rome, Zuil van Trajanus. Als ik een wat vooruitziendere blik had gehad, zou dit een betere foto zijn geweest (omgezet van dia trouwens), maar genomen werd hij wel vanaf een locatie die zich heden ten dage middenin het opgravingsgebied van het Forum van Trajanus bevindt. Foto, omgezet van dia: zomer 1973

Rome, Zuil van Trajanus

25.21 Welnu: onder druk van de archeologen en stadsbestuurders is de weg in de laatste decennia tot zijn geringst mogelijke breedte teruggebracht. Bovendien is hij in de laatste jaren in toenemende mate verkeersvrij gemaakt. In november 2015 werd bussen en taxi's de toegang tot de weg ontzegd. Het proces heeft zeer lang geduurd en ik heb - als ik eerlijk ben - altijd getwijfeld of het wel echt compleet zou gaan gebeuren. Al in 1979 was het de toenmalige (zeer geliefde) communistische burgemeester Luigi Petroselli, die kort na zijn herverkiezing overleed aan een hartinfarct, die besloot Via dei Fori Imperiali op de zondagen autovrij te maken. Hij was het ook die het gebied rond de Boog van Constantijn autovrij maakte en het bij het archeologisch gebied van het Colosseum trok. Petroselli, onder wie ook de A-lijn van de metro werd gepland, was eigenlijk al van plan de Via dei Fori Imperiali geheel te laten verdwijnen en zodoende ook de Keizersfora te verbinden met het oorspronkelijke Forum. Daar is het uiteindelijk niet van gekomen. De vorige burgemeester, Ignazio Marino, heeft aan die langdurige ontwikkeling enkel de volgende hand gelegd, want inmiddels is de weg bijna geheel voetgangersgebied. Sinds juli 2015 zijn ook de zogenaamde camion-bar er verboden. Dat waren wat in het Italiaans heet de mini torpedoni, waar de toeristen drank en voedsel konden kopen. De karretjes bleken vooral gerund te worden door een Romeinse familie met een eigen gemeenteraadslid. Ze zijn verplaatst naar andere delen van de stad. Ik vermoed dat de weg op den duur helemaal zal gaan verdwijnen om verdere opgravingen mogelijk te maken. Ergens ruim na 2020 (!) staat de opening gepland van een metrohalte (van Lijn C) op Piazza Venezia, maar eerder al zal station Fori Imperiali (eveneens Lijn C) het huidige station tegenover het Colosseum ontlasten. Op het traject tussen Sint Jan en Fori Imperiali werden eind 2015 op 9 meter diepte de uit de tijd van Hadrianus stammende resten van een kazerne aangetroffen, 1750 vierkante meter, bij wat in de toekomst station Amba Aradam zal zijn, onder Viale Ipponio, op Caelius dus. Lijn C wordt niet voor niets wel eens l'eterna incompiuta genoemd, met een variatie op Schuberts symfonie: de eeuwig onvoltooide. Toen in mei 2017, 8 jaar na het begin van de werkzaamheden, de lijn was blijven steken tussen Monte Comprati en Centocelle, schreef een krant dat het een hele prestatie was een lijn aan te leggen tussen twee buitenwijken. Nu, in september 2018, is het centrale deel van de lijn - waarvan de totale kosten inmiddels 3.7 miljard (!) euro bedragen - nog niet eens in zicht, want verder dan de Sint Jan is de lijn niet gevorderd. De drie volgende stations gaan, zo staat nu al vast, grote problemen opleveren. Op Amba Aradam moet een complete kazerne in het station geïnstalleerd worden, en op Piazza Venezia wordt het praktisch voor onmogelijk gehouden, niet de tunnelbuis te graven, want dat kan, maar een in- en uitgang aan te leggen, zonder in klassieke resten terecht te komen.

25.21 Rome, Via dei Fori Imperiali in de richting van Piazza Venezia. Zie hier voor een foto in de richting van het Colosseum. Foto: mei 2009

Rome, Via dei Fori Imperiali

X
CAELIUS

26.1 groen
Heuvels verzamelen. Na Esquilijn en Kapitool nu dan Caelius. Ik schreef al dat ik me niet al te strak aan de stadsindeling zou houden en dat geldt ook hier. Want kun je van de Sint Jan nog volhouden dat die in de uiterste oostelijke hoek van Caelius ligt, de Santa Croce in Gerusalemme ligt eerder aan de zuidelijke rand van de Esquilijn. Toch heb ik die kerk hier neergezet. Als je eenmaal bij San Clemente bent, ligt de Sint Jan om de hoek en vandaar is de afstand naar de Santa Croce gering. Vandaar.

Caelius is het laatste decennium in de mode geraakt, misschien omdat het stadsdeel nog zo ongerept is, dat je je elders waant dan in de wereldstad die Rome toch ook is. Niet alleen lijkt de tijd hier te hebben stilgestaan, het is alsof je op het platteland bent, in de provincie. Eind augustus 2015 publiceerde de krant Repubblica in verband met recentelijk uitgevaardigde wetgeving voor het beheer van het groen in Rome, dat toen werd overgedaan naar de deelgemeentes, wat getallen. Rome is uiteraard de groenste hoofdstad van Europa, met per Romein 14 vierkante meter, iets waar de klassieke oudheid nu eenmaal flink toe heeft bijgedragen, omdat er op en om al die archeologische vindplaatsen niet meer gebouwd mag worden - al is dat vaak genoeg toch gebeurd. Het oppervlak van het groen in Rome beslaat 40.000 hectare en dat is 31% van het totale grondgebied van de stad. In al dat groen bevinden zich 330.000 bomen. Opvallend is het hoe - geloof het of niet - de Romeinen waken over hun geboomte. Als er eens een keer éen omgaat, al dan niet op gereglementeerde wijze, leidt dat onmiddellijk tot rumoer. Veel van die bomen zijn al zeer oud. Tussen die duizenden platanen langs de Tiber bijvoorbeeld zitten er heel wat honderdplussers. Of de boomeigenaar een privémens is, of een overheidsinstelling, als hij er wat mee wil, moet hij er een vergunning voor aanvragen. Het verslag van een agronoom is daarbij verplicht. Anderzijds is enige scepsis op zijn plaats. In Villa Ada bijvoorbeeld vallen de bomen bij bosjes om. Wie Rome enigszins kent, zullen die feiten en getallen niet verbazen, maar indrukwekkend is het toch. U zou hier dan ook een aardige groene wandeling op touw kunnen zetten, want u bent ook niet ver de Via Appia, de thermen van Caracalla, van Centrale Montemartini en Sint Paul buiten de muren. En nergens hebt u ook maar het idee zich in een metropool met bijna 3 miljoen inwoners te bevinden. Maar wees gerust: als u de metro neemt, bent u direct weer op de hoogte. Een andere reden voor de snel gegroeide populariteit van het gebiedsdeel is ongetwijfeld dat er hier een paar bijzondere kerken liggen, die in het laatste decennium allemaal weer open zijn gegaan na langdurig ontoegankelijk te zijn geweest. Om het Colosseum heen, of langs de Boog van Constantijn heen kunt u in zuidwaartse richting de Via San Gregorio uitlopen, langs éen van de bij het grote publiek minder bekende opgangen naar de Palatijn, waar veel bussen hun groepen lozen. Even er voorbij kunt u linksaf slaan over de zogenaamde Clivo di Scauro. En daar was het ook een beetje (maar niet alleen) om te doen.

26.1 Rome, Caelius. Bron: Michelin, Roma Centro, schaal 1: 8000

Rome, Caelius, Michelin

26.2 De oudste naam van de heuvel zou Mons Querquetulanus zijn geweest, letterlijk Eikenberg. Na de bezetting door Caelius Vibenna, éen van de twee broers uit Vulci die metgezellen waren van Mastarna, de latere Servius Tullius, zou die door de huidige naam vervangen worden. In een later stadium stond op het Caelius halverwege de derde eeuw vC een aan Minerva Capta (de gevangen Minerva) gewijd heiligdom. De tempel stond op een lagere piek van Caelius, met de naam Caeliolis, en dat is vermoedelijk de plek waar nu de SS. Quattro Coronati staat, buiten de Porta Querquetulana en de Servische muur. Die ligt over de noordrand van de kaart, buiten de poort daar. Dit is een groot deel van de kaart die Coarelli geeft van het Caelius. Linksboven (in het noordwesten) ligt het ovaal van het Colosseum. Coarelli's weergave loopt over de paginascheiding heen tot aan de Sint Jan, in het oosten dus op de kaart. Dat deel heb ik niet overgenomen. Eigenlijk bevond Caelius zich verspreid over drie van de Regio's onder Augustus. Het grootste deel ervan bevond zich in II (Celimontanum), de zuidoostelijke helling tot aan Via Appia lag in I (Porta Capena) en het oostelijk deel, tussen Lateraan en het Sessorium (waar nu de Santa Croce in Gerusalemme ligt) lag in V, Esquilijn.

26.2 Rome, Caelius. 1 Gebouwen bij de San Gregorio 2 Gebouwen onder de SS Giovanni en Paolo 3 Vijfde cohort van de Vigiles 4 Santo Stefano Rotondo 5 Keizerlijke gebouwen 6 Domus Faustae. Bron: Coarelli 2007

Caelius, Coarelli 2007

SAN GREGORIO MAGNO

26.3 kerk
Als je de Via San Gregorio volgt en na een paar honderd meter een afslag links neemt - niet het paadje dat duidelijk alleen als voetpad is bedoeld, maar een geasfalteerde weg - zie je aan de rechterzijde op het hoogste deel van de heuvel, met een parkeerterrein ervoor, bovenaan een trap de San Gregorio Magno liggen. De kans dat hij open is, is niet zo groot. Hier, op het Caelius - op de plaats waar zich nu de kerk bevindt, zo schrijft Krautheimer - bevond zich ooit het familiebezit, een villa suburbana, van de man die in een later stadium, van 590 tot 604, Paus Gregorius I, bijgenaamd De Grote, zou worden. Zijn familienaam is onbekend en geboren zou hij moeten zijn rond 540. Afkomstig zou hij zijn geweest uit een rijke patricische familie uit Rome. De vader, Gordianus geheten, was senator en een tijdlang praefectus van Rome. Een overgrootvader was al paus geweest als Felix III (483-492) en ook Gregorius' vader was actief in de kerk. Het grondbezit van de familie bevond zich in wat ooit een deftige buurt was, maar nu in verval geraakte. Aan de overzijde bevindt zich de Palatijn, van oudsher de plaats waar de keizers verbleven, en daar tegenover bevonden zich tal van villa's die in privébezit waren. Ook elders bezat de familie grond, rond Rome, maar ook op Sicilië. In de bewogen periode die de zesde eeuw was en waarin Keizer Justinianus Italië geleidelijk terugveroverde op de Goten, werd de stad Rome in 546 toch nog geplunderd door de Goten onder Totila. Na de dood van zijn vader en het einde van de troebelen had Gregorius het ouderlijke bezit op het Caelius blijkbaar tot een aan Sint Andreas gewijd klooster omgebouwd. In 579 koos Paus Pelagius II hem tot ambassadeur aan het keizerlijk hof van Constantinopel. Na diens dood in 590 werd Gregorius, nadat hij als monnik was teruggekeerd naar zijn klooster, tot paus gekozen, als eerste broeder ooit. Hij slaagde er geleidelijk in de pauselijke macht over Rome uit te breiden, situatie die lange tijd zou blijven bestaan. Gregorius was naar verluidt de eerste die als titel voor de pausen de formulering servus servorum Dei gebruikte: dienaar van de dienaren Gods. Augustinus van Canterbury (?-604/05), bekeerder van de Britten, was prior in Gregorius' klooster en de kerk heeft nu nog tal van Britse connecties.

De kerk zoals hij er nu staat, dateert vooral uit de 17e en 18e eeuw. Trap, façade en atrium (uit 1636) zijn van Giovanni Battista Soria (1581-1651), die in zijn werk sterk beïnvloed lijkt door Carlo Maderno (ca. 1556-1629) en Pietro da Cortona (1596-1669). Maderno kennen we van zijn werk voor de Sant' Andrea della Valle en Da Cortona van de Santi Luca e Martini. Het oorspronkelijke klooster, waarin zich een aan Sint Andreas gewijd oratorium bevond, dateerde dus al uit de zesde eeuw. Het complex leed vermoedelijk grote schade bij de invallen van Robert Guiscard en zijn Normandiërs. Ergens in de middeleeuwen werd die schade blijkbaar al hersteld, maar in 1629 gaf Kardinaal Scipione Borghese Soria de opdracht de kerk te herbouwen en een façade en een atrium toe te voegen. De gevel is gedaan in de palazzo-stijl die typerend is voor werk van bijvoorbeeld Flaminio Ponzio's werk voor de San Sebastiano aan de Via Appia.

26.3 Rome, Caelius, San Gregorio Magno. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, San Gregorio agno

26.4 clivio scauri
Dit zou de oude Vicus (of Clivus) Scauri kunnen zijn, een straatje dat er nog uitziet zoals het dat deed in de eerste eeuw voor Christus. Het is misschien genoemd naar Marcus Aemilius Scaurus, die censor was in 109 vC en het liet aanleggen. We lopen onder de wat ongelukkig betitelde Boog van Dolabella door, die eigenlijk een oude poort was in de Servische muur. Bij deze Dolabella gaat het om Publius Cornelius Dolabella de jongere, niet te verwarren met de echtgenoot van Cicero's dochter en de bondgenoot van Pompeius Magnus. Die stierf al in 43 vC. Deze Dolabella was consul in 10 vC en liet de oude poort, die oorspronkelijk Porta Celimontana heette, restaureren, samen met zijn co-consul Gaius Junius Silanus. De inscriptie die dat bewijst, luidt: P. Cornelius P.F. Dolabella C. Iunius C.F. Silanus flamen Martial(is) co(n)s(ules) ex s(enatu) c(onsultu) faciundum curaverunt idemque probaver(unt). Publius Cornelius Dolabella, zoon van Publius (en) Caius Iunius Silanus, zoon van Caius, priester van Mars, consuls, hebben op grond van een senaatsbesluit (deze boog) laten maken en goedgekeurd. Het oudste bovendeel van de poort was oorspronkelijk een onderdeel van de Aqua Claudia, die Nero's Domus Aurea van water voorzag. Resten ervan vind je hier overal in de buurt. Even doorlopen, de Via San Paolo della Croce uit, een weggetje dat eruit ziet alsof het op privéterrein ligt (wat niet zo is), even schuin de weg oversteken, de Via della Navicella, en de Via di Santo Stefano in. Dan ben je drie kerken gepasseerd en een belangrijke archeologische opgraving, de San Giovanni e Paolo, De Santa Maria in Domnica en de Santo Stefano Rotondo, en ook nog de resten van een groot ondergronds complex uit de eerste tot met de vierde eeuw onder de San Giovanni en Paolo, inclusief een al even ondergronds antiquarium.

26.4 Rome, Caelius, Clivio Scauri. Foto: 16 oktober 2014, 9.06 uur

Rome, Caelius, Clivio Scauri

SANTI GIOVANNI E PAOLO

27.1 kerk
Net voorbij de bogen passeren we een aan de linkerzijde gelegen kerk, de Santi Giovanni e Paolo. Er worden hier gewoontegetrouw veel huwelijken gesloten, want poort en straatje - en niet te vergeten de kerk uiteraard - vormen een mooi foto-object dat heel geschikt is als achtergrond voor de belofte van eeuwige trouw. Wat kan er daarna nog mis gaan.

27.1 Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo, façade. Bron: Rosendorfer 2013

Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo

27.2 Volgens de traditie was dit de plek waar ten tijde van Keizer Constantijn II (337-340) twee van diens ambtenaren woonden, broers bovendien, Giovanni en Paolo geheten dus, die tot het martelaarschap werden gebracht onder Julianus de Afvallige (361-363), of Julianus Apostata, die, zoals de naam al aangeeft, ernaar streefde de klassieke eredienst in ere te herstellen en niet op christenen gesteld was. In de Latijnse traditie wordt hij Flavius Claudius Julianus genoemd. Constantijn II was de oudste zoon van Constantijn I en trouwens ook de broer van Constantina, aan wie we haar mausoleum danken, nu de Basilica di Santa Costanza, alsmede de Sant' Agnese fuori le Mura. De twee martelaren zouden hier begraven zijn. Feit blijft dat de kerk voor het eerst wordt genoemd in een document uit 499, dat diende ter verslaggeving van de synode onder Paus Symmachus (498-514). Daarin wordt de kerk betiteld als Titulus Pammachii en ook wel als Titulus Byzantii. De kerk zou al aan het begin van de vijfde eeuw deels zijn verwoest tijdens de troebelen onder Alarik, de man van de zogenaamde Sacco di Roma, de plundering van Rome, waarbij grote schade werd toegebracht aan de stad. In 442 werd de kerk getroffen door een aardbeving. Onder Paus Paschalis I (817-824) zou de kerk herbouwd zijn, maar hij werd in 1084 opnieuw verwoest, nu door de Normandiërs onder Robert Guiscard, om kort daarop weer herbouwd te worden onder Paschalis II (1099-1118), waarna Hadrianus IV (Breakspear, 1154-1159), de enige Engelse paus ooit, de apsis afbouwde, de oude portico verving door een narthex en de campanile liet aanbrengen. In 1715 liet kardinaal Fabrizio Paolucci (1651-1726) de kerk restaureren, waarna die pas in 1951 zijn huidige aanzicht kreeg toen kardinaal Francis Joseph Spellman, nadat bij opgravingen in 1949 de vroeg-christelijke façade aan het licht gebracht was, die liet herstellen. Spellman was de (beruchte) Amerikaanse aartsbisschop die als trouw bondgenoot fungeerde voor Joseph McCarthy. De kerk staat naast een twaalfde eeuws klooster dat zelf weer op de resten van een Tempel van Claudius werd opgetrokken. Die werd gebouwd door Nero 's moeder Agrippina, de vierde vrouw van Claudius, aan wie ze de tempel ook opdroeg. De resten ervan liggen nu deels onder het klooster en deels ter linkerzijde van de Via Claudia, even verderop links. Nero zou het complex uiteindelijk ombouwen en gebruiken als een nymphaeum voor zijn Domus Aurea. Kerk en klooster worden tegenwoordig beheerd door de Congregatie der Passionisten. Aan de voet van de 45 meter hoge (en erg mooie) campanile zijn de oude blokken travertijn zichtbaar die uit de Tempel van Claudius afkomstig waren en die werden gebruikt bij de bouw. Achter de deur links ervan gaat, zo viel me op, een garage schuil.

27.2 Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo, campanile. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo, campanile

27.3 interieur
Aan de voorzijde bevindt zich nu dus een twaalfde-eeuws portico met acht klassieke zuilen dat is afgesloten door een hek (1704). Daarboven bevindt zich een dertiende-eeuwse galerij en de eenvoudige vroeg-christelijke façade met vijf bogen. Aan weerszijden van de dertiende-eeuwse cosmatentoegang staan twee leeuwen, waarboven een adelaar hangt met een konijn in de klauwen. De drieschepige kerk is van binnen niet zo heel bijzonder, want van het oorspronkelijke aanzicht is niet veel meer over. Het met kandelaren behangen interieur met granieten zuilen en pilasters kreeg dit aanzicht in 1718 door Andrea Canavari. Het schip is 44.30 m. lang, en 14.68 m. breed. De zijschepen zijn 7.40 breed. Het plafond is van 1598 en de vloer, in opus alexandrinum, werd hersteld in 1911. Het bijzonderste deel van het geheel ligt echter onder de grond.

27.3 Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo, interieur. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, Santi Giovanni e Paolo, interieur

27.4 onder de Santi Giovanni e Paolo
Want wie even terugloopt in de richting vanwaar hij gekomen is, onder de bogen door, vindt onmiddellijk daarachter ter rechterzijde de ingang tot wat een fraai voorbeeld van moderne archeologie mag worden genoemd. Er is een decennium lang gegraven en de uitgebreide resten zijn sinds 2002 tegen betaling van 6 euro voor het publiek toegankelijk. De bezoeker loopt door drie verdiepingen van oude Romeinse huizen. De opgravingen ervan werden in eerste instantie al in 1887 begonnen onder vader Germano da S. Stanislao, toenmalige rector van de basiliek en lid van de Congregatie der Passionisten. De opgravingen werden vervolgens hervat in 1913 en 1914 en opnieuw in 1951. En hoewel zich hier in naam het graf zou bevinden van de twee martelaren waarnaar de kerk werd vernoemd, werden er woonhuizen uit de keizertijd aangetroffen, baden, een nymphaeum, een stuk straat dat in een later stadium overdekt werd, en ook winkels, waarna het hele complex in de derde eeuw onderdeel werd van een villa, waarin uiteindelijk de titulus zou ontstaan die de basis van de kerk vormde. Ondergronds en dus deels onder de kerk, bezoek je een groot aantal ruimtes, waarvan een aantal is voorzien van fresco's, en er bevindt zich ten slotte ook een uitgebreid antiquarium met gevonden resten. Het geheel is op voorbeeldige wijze toegankelijk gemaakt en voorzien van teksten in Engels en Italiaans. De opzet ervan doet enigszins denken aan de opgravingen onder San Clemente, maar deze zijn minstens zo spectaculair en veel professioneler ingericht. Ik zou er graag een groter stuk aan wijden, maar de geschiedenis ervan is zeer complex en het valt niet mee die na éen bezoek te doorgronden.

27.4 Rome, Caelius, onder Santi Giovanni e Paolo: het zogenaamde nymphaeum van Proserpina was in oorsprong een open hof met een open plafond dat afgescheiden lag van de woonhuizen eromheen. De ruimte werd omgebouwd tot nymphaeum door nissen met fonteinen in de wanden aan te brengen. Het rood-achtige vierkant boven in het midden is een put. Het grote fresco dateert uit de tweede helft van de derde eeuw. Het betreft een mythologische scene die zich afspeelt op zee, die op allerlei wijzen is geïnterpreteerd. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, onder Santi Giovanni e Paolo: het zogenaamde nymphaeum van Proserpina

27.5 Aan het eind van de route bevindt een uiterst modern ingericht (en eveneens ondergronds) antiquarium, inclusief electronische poort voor het invoeren van het door u gekochte entreebewijs. Daar worden veel van de bij de opgravingen aangetroffen resten bewaard. Het gehele complex door zijn alle ruimtes voorzien van plattegronden waarop duidelijk zichtbaar wordt gemaakt waar de bezoeker zich bevindt en hoe zich dat verhoudt tot de kerk boven hem en de andere ruimtes van het complex om hem heen, boven en onder hem. Dat neemt niet weg dat uw dienaar bijkans verdwaalde en met enige moeite de weg terugvond. Ligt echt aan hem. Ik schreef het al: het is voorbeeldig gedaan.

27.5 Rome, Caelius, onder Santi Giovanni e Paolo: Antiquarium. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius,  onder Santi Giovanni e Paolo: Antiquarium

SANTA MARIA IN DOMNICA

27.6 kerk
Als je de Clivio Scauri verlaat, enigszins naar beneden lopend, over de Via di San Paolo della Croce, ligt aan de rechterhand het Parco del Celio en links de Villa Celimontana. Onderaan kom je langs een tamelijk drukke weg te staan, die links nog Via Claudia heet (even verderop liggen nog wat resten van de Tempel van Claudius) en rechts de Via della Navicella. Dat deel rechts heet zo vanwege kerk en fontein die hier even verderop staan, de Santa Maria in Domnica met ervoor de fontein waar de kerk ook vaak naar wordt genoemd, de zogenaamde Navicella. De fontein bestaat in de huidige vorm pas sinds 1931, want hij diende oorspronkelijk als versiering van het pleintje hier, waar de kerk ook aan ligt. Piranesi beeldde hem al af pal voor de Santo Stefano Rotondo, waar hij eigenlijk op wat grotere afstand ook voor staat, maar er ligt nu een villa tussen en de verkeersweg waar de fontein nu aan staat. Aan kerk en fontein zal ik in een later stadium nog een stuk wijden.

27.6 Rome, Caelius, Caelius, Fontana della Navicella, met op de achtergrond Santa Maria in Domnica. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, Fontana della Navicella, met op de achtergrond Santa Maria in Domnica

SANTO STEFANO ROTONDO

28.1 De Santo Stefano Rotondo werd gewijd aan de Heilige Stefanus, die de eerste martelaar was, indien wij althans het bijbelboek Handelingen moeten geloven. Stefanus was één van de zeven diakenen die al door de apostelen waren aangesteld om hen te helpen met de verkondiging van het geloof. Hij werd buiten de muren van Jeruzalem door een boze menigte gestenigd, omdat hij maar over Jezus bleef preken. Zoiets is ook hinderlijk, al gaat stenigen dan wat ver. De jonge Saul, die later op weg naar Damascus Paulus zou worden, was er in elk geval getuige van, want de daders legden hun mantels neer aan zijn voeten (Handelingen 6, 1-6). Stefanus' resten zouden in 415 in Jeruzalem zijn gevonden en naar deze kerk zijn overgebracht. Zo wil de traditie.

28.1 Rome, Caelius, Santo Stefano Rotondo. Van boven is goed zichtbaar dat er nog maar éen ambulatorium (compleet) over is van de oorspronkelijke drie om het centrale deel met de verhoging in het midden heen. Door een restant van het tweede, waarvan het volledige profiel rondom de kerk nog zichtbaar is, en door dat van het Grieks kruis (rechtsonder) kom je nu aan de noordoostelijke zijde binnen. Een reconstructie van Spencer Corbett en een andere reconstructie van Hugo Brandeburg, laat het oorspronkelijke ontwerp zien. Foto: Bussagli 2000

Rome, Santo Stefano Rotondo

28.2 Galla Placidia, moeder van keizer Valentinianus III (419-455), had in Rimini ook al een kerk aan de heilige Stefanus gewijd en halverwege de eeuw had een adellijke dame, ene Demetrias, uit het huis van de Aniciërs, belangrijke Romeinse, maar verder grotendeels heidense familie, op haar landgoed al een aan Stefanus gewijde kerk laten bouwen, buiten de poorten van de stad aan de derde mijl van de Via Latina, waarvan de resten, in een klassieke basilicavorm overigens - drieschepig, 36 meter lang en 21 breed - al in de 19e eeuw werden gevonden. Met die bouw voldeed ze aan een algemeen bisschoppelijk verzoek ook op het platteland toegang tot de christelijke rites te verschaffen. Dat neemt niet weg dat ook huidige bronnen de vrouw in kwestie nu en dan nog als opdrachtgever noemen van de huidige Santo Stefano. De hierbij gaande kerk bevond zich aan de Via Caelimontana, de huidige Via di Santo Stefano en die was gelegen in een gebied met veel stadsvilla's, de Lateranen, en het verbond het Caelius met de Palatijn, in oorsprong ook al een wijk voor de stadselite. Ook nu nog oogt het gebied heel groen en landelijk en in oorsprong bevond het zich buiten het pomerium. Wel ligt er nu even verderop een flink uit de kluiten gewassen, militair hospitaal. In Rome zijn dingen vaak minder toevallig dan je denkt. Dat de kerk net als de Sint Jan is gebouwd op de resten van een kazerne, is dus gezien de locatie buiten het pomerium niet zo vreemd, want troepen mochten de stad niet in en er bevonden zich in dit gebied tal van kazernes, vermoedelijk 4 stuks. Bij de militairen in kwestie ging het om de peregrini en de frumentari, en dat waren bijzondere verbindings- en ravitailleringseenheden van de keizerlijke garde. De kazerne was aan het eind van de vierde eeuw nog in gebruik. De historicus Ammianus Marcellinus vermeldt dat de koning van de Alemannen, Knodomar, die door Julianus in 357 bij Straatsburg werd verslagen, er toen gevangen zat (Res Gestae 16,1,66). Bij opgravingen werd (alweer) een mitras-altaar gevonden, dat in die periode nog in gebruik was, want de wanden werden nog aan het eind van de vierde eeuw opnieuw beschilderd. Het feit dat er zich een kazerne bevond waar nu de kerk staat, bewijst tevens dat de keizer zelf de hand moet hebben gehad in de stichting en dat hij dus, net als bij de Sint Jan, maar ook de SS. Cosma e Damiano en het Pantheon, de grond geschonken heeft.

28.2 Rome, Caelius, Santo Stefano Rotondo. Plattegrond met delen van de overbouwde keizerlijke kazerne en het latere aangrenzende klooster. Tekening: K. Brandenburg. Foto: Brandenburg 2003 XXXI.1 pag. 333

S. Stefano Rotondo, plattegrond met overbouwing

28.3 De officiële naam van de kerk luidt in het Latijn Basilica S. Stephani in Caelio Monte en in het Italiaans Santo Stefano al Monte Celio, zoals gebruikelijk vaak afgekort tot San. Maar hij kreeg vanwege de bijzondere vorm de bijnaam Santo Stefano Rotondo, de ronde Sint Stefanus. De kerk is geen parochiekerk, wat betekent dat er nooit reguliere diensten plaatsvonden en hij niet over een eigen clerus beschikte, maar hij is een gedachteniskerk, gebouwd dus om te herdenken en verbonden met bepaalde relikwieën die daartoe de aanleiding zijn. Hij was ook een stationskerk, wat inhield dat hij deel uitmaakte van een door Romeinse prelaten gevolgde route op bepaalde heilige dagen. De kerk staat, aldus Brandenburg, niet op de synodelijst van tituli uit 499, wat aanleiding heeft gegeven tot het idee dat de kerk als privébezit werd gebouwd door een rijke familie die hier in de buurt veel grond had, de Valerii, en die ook contacten had met het Heilige Land. Wehrens schrijft (in Wehrens 2016) overigens dat de kerk wel op de betreffende lijst staat. Hoe dan ook, schrijven anderen weer: misschien was de kerk ook van belang voor mensen uit de directe omgeving, vanwege de rol die het inwendige baptisterium vervulde, want voor pelgrims was de kerk blijkbaar niet bedoeld. De kerk is – hoogst ongebruikelijk - een rond gebouw. Die vorm verraadt misschien de Byzantijnse invloed die in deze jaren nog alom aanwezig was, want hij is vermoedelijk gebaseerd op voorbeelden uit het oosten van bijvoorbeeld keizerlijke mausoleums en aan helden gewijde monumenten, maar misschien ook op dat van de ronde Kerk van het Heilig Graf in Jeruzalem, waarvan hij tamelijk nauwkeurig de omtrek had. De kerk is heden ten dage de Hongaarse nationale kerk van Rome, maar is eigendom van het Duitse College.

Ik schrijf hier eigenlijk nooit wat over mijn bronnen, anders dan dat ik ze in het voorbijgaan geef, wanneer ik de naam noem van degene die iets beweert of simpelweg een auteur vermeld waaraan ik iets ontleen. Ik doe niet voor niets veel moeite voor mijn bibliografie. Over Filippo Coarelli (1936) heb ik het ook wel eens gehad. Elders ben ik kort ingegaan op Richard Krautheimer (1897-1994), die ik zeer bewonder en wiens studie over de stad Rome een waardevol boek is, iets wat ook algemeen erkend wordt. Laat me ook eens een derde noemen. Hier is dat passender dan elders. De Duitse Hugo Brandenburg (1929) wordt met zijn Vroeg-christelijke Kerken in Rome van 2003, waarvan ik de geactualiseerde versie van 2013 gebruik, beschouwd als autoriteit op het gebied, enigszins zoals Coarelli op veel andere Romeinse archeologische terreinen. Brandenburgs studie wordt als de standaard beschouwd en gaat gedetailleerd in op de archeologische en architectonische bijzonderheden van de kerken die hij bespreekt en hij doet dat met veel kennis van zaken. Maar hij is ook een christelijk archeoloog en Santo Stefano is een specialiteit van hem, want hij heeft er jarenlang gewerkt. Niet voor niets staat de kerk op de stofomslag van zijn boek. Het vervelende van Brandenburg is, ervan afgezien dat hij een zeer Duits Duits schrijft, als u begrijpt wat ik bedoel, dat hij eigenlijk nooit aandacht besteedt aan andere opvattingen dan de zijne. Zelfs dat er andere opvattingen zijn, kom je als je hem leest niet te weten. Brandenburg rept niet eens van die private bouwmogelijkheid, zoals hij ook vaak oosterse inspiratiebronnen afwijst, zij het wellicht niet hier. In praktisch alle bronnen die ik over deze kerk ken, wordt als mogelijke inspiratiebron voor de Santo Stefano de Heilig Hartkerk in Jeruzalem genoemd, maar niet bij Brandenburg.

28.3 Rome, Caelius, Santo Stefano Rotondo. Dwarsdoorsnede. Reconstructie van de kerk met liturgische inrichting: afgrenzing van het presbyterium (solea) en hypothetische altaarlocatie. Ontwerp H. Brandenburg. Tekening: K. Brandenburg. Foto: Brandenburg 2003 XXXI.22 pag. 337

S. Stefano Rotondo, Reconstructie van de kerk met liturgische inrichting

28.4 Volgens het Liber Pontificalis werd de kerk gewijd onder Paus Simplicius (468-483), maar de bouwheer en de opdrachtgever worden daar niet genoemd. Brandenburg neemt aan dat tot de bouw werd besloten in opdracht van de keizer, mede door toedoen van de sterke Paus Leo I (440-461). Die keizer was Valentinianus III, die in 455 in Rome werd vermoord. In dat jaar plunderden de Vandalen twee weken lang Rome en van de steeds kort regerende keizers na Valentinianus kan nauwelijks worden aangenomen dat ze opdracht gaven tot de bouw van kerken. Het bevolkingsaantal van de stad, in de vierde eeuw nog 700.000, liep in de periode erna, halverwege de vijfde eeuw, sterk terug en ook nogal wat senatorenfamilies verhuisden naar Constantinopel. Valentinianus verbleef samen met zijn moeder, Gallia Placida, een tijdlang in Ravenna en resideerde vanaf 440 in de hoofdstad. Ook het herstel van de door brand verwoeste Sint Paul buiten de muren, evenals de bouw van de San Pietro in Vincoli vond plaats op initiatief van die keizer en zijn vrouw, Eudoxia. Het zou Leo I geweest kunnen zijn die de aanzet gaf tot de bouw van de Santo Stefano, wellicht gesteund door Galla Placidia, Valentinianus III of Maioranus (457-461), waarna in de vijftiger jaren de bouw werd gepland en het materiaal geregeld. Paus Leo I was, net als zijn voorganger, Sixtus III (432-440), verantwoordelijk voor een opleving van de kerkbouw, om zodoende hun positie als bisschop van Rome en hoofd van de kerk te bevestigen. Leo I is ook de man van de Santa Sabina en van Santa Maria Maggiore. Brandenburg gaat er vanuit dat de kerk in zestiger jaren van de vijfde eeuw in aanbouw was. Bij opgravingen in de fundamenten werden drie munten gevonden van keizer Libius Severus (461-465) en dendrochronologisch onderzoek van het voor de kroon van de kerk gebruikte hout wijst uit dat de balken in kwestie er halverwege de zestiger jaren werden geplaatst. Margherita Cecchelli schrijft (in Bussagli 2000) iets soortgelijks.

28.4 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Reconstructie Spencer Corbett. Bron: Krautheimer 1980 nr. 48 pag. 52

Rome, Caelius, Stefano Rotondo. Reconstructie Spencer Corbett

28.5 Brandenburg noemt de kerk het belangrijkste en meest ambitieuze laat-klassieke bouwwerk. Ik geef hier eerst de oorspronkelijke opzet, want in de huidige vorm is de kerk sterk afgeslankt. Simpelweg gezegd bestond de kerk uit drie concentrische cirkels met een Grieks kruis erdoorheen rondom een centrale heilige ruimte, waar het altaar stond. Een ronde, centrale ruimte wordt door drie omgangen omsloten, waarvan de beide buitenste door vier ongedeelde ruimtes loodrecht - over de assen - diagonaalsgewijs doorsneden worden. De doorsnede van de centrale ruimte is 23.40 meter, de hoogte 25. De complete doorsnede van de drie concentrische cirkels is 66 meter. Die rondbouw (waar dus drie rondgangen omheen liepen) wordt gedragen door een zuilengang (colonnade) met architraven van 22 zuilen, waarop de hoge tamboer (of koepeltrommel) steunt. De vier segmenten van de tweede omgang tussen de kruisarmen zijn geopend met een colonnade met architraaf van 20 zuilen aan de binnenzijde, en met steeds een driedelige opening in de kruisarmen, zodat er een nieuw ring ontstond die het mogelijk maakte zich om de centrale ruimte en de eerste omgang te bewegen. De derde, buitenste omgang, tussen de kruisarmen, verschafte met twee deuren in de buitenmuur toegang tot de kruisarmen en vandaar tot de centrale ruimte. Het gebouw had geen narthex (toegangsportaal), geen presbyterium en geen apsis. In de tamboer boven de centrale ruimte bevonden zich 22 grote vensters, die de kerk zeer licht moeten hebben gemaakt. Dat is hij trouwens nog. In het centrale deel stond het altaar, waaromheen een er naar toe lopende gang was aangebracht door een afscherming met tralies, de solea. De constructie is het best te zien op de tekening hiervoor van Brandenburg, want die tekent hem in.

28.5 Rome, San Stefano Rotondo. Interieur. Foto: Roloff Beny (1924-1984) in Gunn 1981

Rome, Santo Stefano Rotondo

28.6 Bij opgravingen in de directe omgeving om de kerk heen zijn de resten gevonden van een om de buitenmuur lopend kanaal met zijarmen, die blijkbaar dienden voor de bewatering van de buitenste ruimtes tussen de kruisarmen, waaruit je zou kunnen afleiden dat die als een soort open hoven waren gedacht. Maar dat zou ook hebben betekend dat als er op dies natalis, 26 december, feestdag voor alle heiligen, in de kerk een processie plaatsvond, met daarbij de bisschop van Rome, de paus dus, de mensen blootstonden aan de elementen. Brandenburg gaat er vanuit dat - misschien op een later moment, daar kom ik niet achter - de hoven met tongewelven zijn overdekt en de bevestigingsplaatsen daarvan zijn ook aangetroffen. Dat is het best te zien op de reconstructie van Corbett uit Krautheimers boek. Die tongewelven waren van terracotta, net als in de koepel van het Mausoleum van Helena (zo vermeldt Wehrens). In de loop der tijd is door velen - vooral vanwege de ronde vorm - aangenomen dat het bij de Santo Stefano ging om een klassiek en dus niet een christelijk monument, en geopperd werd dan altijd een tempel van Bacchus of van Faunus, of het zogenaamde Macellum Neronis, dat zich hier in de buurt zou hebben bevonden, of zelfs een marktgebouw of een laat-klassieke paleisaula. Ook in het geval van de Santa Costanza werd dat gedacht. Onze Bentveugels die er bijeenkwamen werden er gezamenlijk dronken. Brandenburg wil daar allemaal niets van weten. De bewust opgezette kruisarmen, de kruisvensters in de buitenwand van het bouwwerk, de kruisen als sigma op de zuilplaten, wijzen allemaal in de richting van een kerkgebouw met een centraal plan, terwijl daarvoor bekende modellen bestaan, allemaal met een Grieks kruis, waarbij de schepen dus van gelijke lengte zijn. Zo was er de Apostelkerk in Constantinopel (die er niet meer is), terwijl ook de door Ambrosius in Milaan gestichte Apostelkerk, de huidige San Nazaro, was gebouwd in de vorm van een Grieks kruis, naar datzelfde model in Constantinopel. Ik schreef het al: opmerkelijk is het dat Brandenburg geheel zwijgt over een model dat in mij bekende (andere) bronnen zo vaak wordt genoemd, namelijk de Kerk van het Heilig Graf in Jeruzalem, ook een rondbouw immers.

28.6 Rome, Caelius, Santo Stefano Rotondo. Aanzicht van de omgang vanuit de noordelijke kruisarm - die nu als ingang dient - in zuidelijke richting. Foto: Brandenburg 2003 nr. 149 pag. 224

S. Stefano Rotondo. Aanzicht van de omgang vanuit de noordelijke kruisarm in zuidelijke richting

28.7 Het enige onderdeel van de architectonische decoratie, zo schrijft Brandenburg, dat speciaal voor de kerk werd geproduceerd, was de uit proconnesisch marmer (uit het nu Turkse Marmaris) vervaardigde architraaf, die in 22 stukken de ruimtes tussen de kolommen, maar in geronde vorm, moest omspannen. De blokken in kwestie hebben allemaal verschillende lengte- en hoogtematen en ook het krommingsprofiel is slordig en onregelmatig, iets wat eveneens geldt voor de profielen ervan, die in tegenstelling tot zoals dat bij de keizerlijke bouw traditie was, nauwelijks uitkraagden. De productie van de delen was ongetwijfeld een flinke uitdaging en het is opvallend hoe nalatig de vormgeving is. Brandenburg wijst er vaker op dat de technische kwaliteiten van de bouwers in de vierde eeuw achterbleven, omdat de handwerklieden die werden gebruikt minder terzake kundig waren. De granietzuilen van de buitenste en binnenste ring hebben ionische kapitelen uit de vierde en vroege vijfde eeuw, met uitzondering van noord-oostelijke en zuidwestelijke kruisarmen, waar kostbaardere korintische spoliakapitelen werden gebruikt. Aan de as waarlangs de liturgische rites werden voltrokken, was dus meer aandacht besteed. Vier van de zuilen die blijkbaar nog over waren van de Santa Sabina werden uit voorraad gehaald en zijn gebruikt voor de Santo Stefano. Die 22 ionische zuilen zijn duidelijk eigentijdse Romeinse productie en ze zijn van beduidend mindere kwaliteit dan bijvoorbeeld die van de Sint Paul buiten de muren. Ook elders valt de slordigheid waarmee gewerkt is volgens Brandenburg op. Materiaal van diverse herkomst werd zonder onderscheid te maken door elkaar gebruikt.

28.7 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Foto: mei 2009.

Rome, San Stefano Rotondo, mei 2009

28.8 Die hiërarchie in de bouwkwaliteit waarvan sprake is, simpel gezegd: hoe meer naar het midden, hoe kostbaarder, daarvan is ook sprake in de aankleding van de kerk. Pas in de zesde eeuw, onder Paus Johannes I (523-526) en onder Felix IV (526-530), werden de wanden en vloer met gekleurd marmer bekleed. Paus Theodorus I (642-649) liet de noordoostelijke kruisgang tot kapel verbouwen voor de resten van de martelaren Primus en Felicianus, die in 645 werden overgebracht uit de catacombe van S. Allesandro aan de Via Nomentana, en vervolgens de ruimte met mozaïek versieren. Het was overigens voor het eerst, zo schrijft Wehrens, dat relikwieën op die manier de stad in werden gebracht en er zouden er nog vele volgen. Resten van de wandbekleding zijn er overal in de kerk achtergebleven, evenals de bevestigingpunten daarvan. Verder is er van het marmer nauwelijks iets over, al werd er dus in de noordoostelijke arm een aantal platen gevonden. Vermoedelijk was de vloer van de centrale ruimte met wit marmer bedekt. In de omgang zijn resten aangetroffen van wit marmer met banden erdoor heen van in elkaar geschoven vierkanten. In de noordoostelijke ruimte is gepoogd met de weinige gevonden delen, na restauratie, de oorspronkelijke vloer in ere te herstellen, naar Brandenburgs zeggen, op niet al te overtuigende wijze.

28.8 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Noordoostelijke kruisarm met gerestaureerde vloer, zijaanzicht. Bron: Brandenburg 2013 nr. 151 pag. 227

San Stefano Rotondo. Noordoostelijke kruisarm met gerestaureerde vloer

28.9 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Noordoostelijke kruisarm met gerestaureerde vloer, bovenaanzicht. Bron: Brandenburg 2013 nr. 151 pag. 226

San Stefano Rotondo. Noordoostelijke kruisarm met gerestaureerde vloer

28.10 In de twaalfde eeuw werden er (onder Innocentius II (1130-1143) dwarsbogen aan toegevoegd om de koepel te ondersteunen en ook die werden gestut met klassieke zuilen. Al met al was de kerk, zeker in zijn oorspronkelijke gedaante, een zeer bijzonder gebouw. Het was - misschien wat spijtig - Nicolaas V die de kerk (samen met nog vele andere overigens) in 1453 liet renoveren door Bernardo Rossellini, en daarbij ook verkleinen. Er is maar één arm van het kruis over, waardoor je nu naar binnen komt, en hij liet dus het buitenste ambulatorium weghalen. In de zestiende eeuw ten slotte werden op de buitenste muur fresco 's aangebracht met scenes uit het leven van de martelaren. In de eerste kapel links zou de zetel staan waarop Gregorius de Grote zou hebben gezeten. Verderop bevindt zich een kapel die is gewijd aan twee heilige martelaren, Primus en Felicianus, en die werd gebouwd onder Paus Theodorus I (642-64), die hun resten van de catacomben aan de Via Nomentana de kerk in liet brengen, waarmee iets een aanvang nam wat geleidelijk een gewoonte zou gaan worden (denk aan het Pantheon). Theodorus was vermoedelijk ook verantwoordelijk voor het mozaïek in de apsis, dat pas in de jaren '90 van de vorige eeuw werd ontdekt, en waarop twee heiligen zijn afgebeeld in het paradijs met tussen hen in een met edelstenen versierd kruis waarboven Jezus vanaf schouderhoogte is afgebeeld, een beetje zoals het apsismozaïek in de Sint Jan. Links staat Primus, rechts Felicianus

28.10 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Apsismozaïek van Paus Theodorus I (642-649) met juwelenkruis en Jezus, met aan weerszijden de heilige Primus en Felicianus in het paradijs. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Caelius, San  Stefano Rotondo, Apsismozaïek van Paus Theodor (642-649)

28.11 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Apsismozaïek van Paus Theodorus I (642-649), detail: De Heilige Primus. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Caelius, San  Stefano Rotondo, Apsismozaïek van Paus Theodor (642-649)

28.12 Piranesi beeldde de kerk in de achttiende eeuw af zoals hij er toen uitzag. Links zijn zichtbaar - zoals aan de onderzijde van de gravure vermeld - resten van de Aqua Claudia. Rechts voor de Fontana della Navicella (de Bootfontein) die voor een andere kerk staat, de Santa Maria in Domnica. Oorspronkelijk was het een ornament van het plein daar. Het zou nu niet meer lukken de twee in een blik te zien. Tussen Santo Stefano Rotondo en de S.M. in Domnica loopt een verkeersweg en er is een villa tussen gebouwd.

28.12 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Varie vedute di Roma antica e moderna: Santo Stefano Rotondo 126 x 184 mm. Bron: Ficacci nr. 38

Piranesi, Santo Stefano Rotondo

28.13 De kerk is, net als de Quattro Coronati, vanwege restauraties lange tijd gesloten geweest en ik heb er toch aardig wat keren voor een gesloten deur gestaan. Nu hij al weer zo'n naar ik schat 15 jaar open is, is het hier nog steeds niet heel druk, al is er een grote kans dat u de mensen die u hiet tegenkomt, nog gaat terugzien, want iedereen loopt hier dezelfde handige route. San Stefano, Quattro Coronati, San Clemente, eventueel Sint Jan. De toegang tot de kerk, is zoals vaker, nogal prozaïsch. Langs de weg staat een poortje, met bovenlangs de rand de naam van de kerk. En dan krijgt u dit te zien. De omgeving van de kerk is nog steeds landelijk en je moet oppassen dat je de kerk niet voorbij loopt, ook al wordt hij verderop erg druk omdat er nu een paar grote ziekenhuizen langs staan, onder andere het militair hospitaal. Palestrina componeerde in een huisje hier vlakbij.

28.13 Rome, Caelius, San Stefano Rotondo. Hij lijkt zo minder indrukwekkend dan hij is. Entree. Foto: mei 2009

Santo Stefano Rotondo, Entree

SANTI QUATTRO CORONATI

29.1 vier martelaren, of vijf
De afkorting Ss, uitgesproken als Santi, wordt in het Italiaans (ook) gebruikt voor het meervoud van heilige. Zodoende. De Ss. Quattro Coronati is een kerk uit, naar wordt beweerd, in oorsprong de vierde of vijfde eeuw. Daarmee zou hij één van de oudste in Rome zijn. Hij was gewijd aan vier gekroonde martelaren, Claudius, Nicostratus, Symphorianus en Castorius. De kroon is, net als de palmbladeren dat zijn, een klassiek symbool van het martelaarschap. Er zijn veel meer gekroonde martelaren, alleen wordt het er vaak niet bijgezegd. Het betrof in dit geval een groep beeldhouwers uit Sirmium, in de Romeinse provincie Panonië (tegenwoordig Hongarije). Die werden daar rond 287, onder Diocletianus, in loden kisten in zee gegooid, omdat ze weigerden een heidens beeld voor de keizer te maken, of weigerden dat te aanbidden. Het probleem is dat er ook een ander viertal is. Dat weigerde een beeld van Aesculapius te maken, en werd in Italië terecht gesteld, aldus de legende. Die terechtstelling zou zijn geschied in de buurt van de huidige Quattro Coronati. Vermoed wordt dat de twee viertallen met elkaar verward zijn geraakt, of dat één van de twee compleet verzonnen is. Daar komt nog bij dat de Legenda Aurea, één van de klassieke middeleeuwse legendenverzamelingen, vermeldt dat er in de loden kisten waarmee de vier beeldhouwers in Panonië werden verdronken, nog een vijfde persoon werd opgesloten. De kerk zelf weet het ook niet meer, en die erkenning ligt opgesloten in de naam: het zijn er vier, maar we hebben (bij God) geen idee wie. Dat neemt niet weg dat er in de crypte van de kerk toch echt vier zeer oude sarcofagen staan. Volgens een steen bij één van die sarcofagen is het hoofd van die martelaar begraven in de Santa Maria in Cosmedin. Waarom maar van één? Wat had dat hoofd dat de andere niet hadden? Wat was ermee? We zullen het nooit weten. Hoe dan ook, een en ander heeft er wel toe geleid dat deze kerk vooral wordt vereerd door vrijmetselaars, en vooral door beeldhouwers en marmerwerkers, die zelfs traditiegetrouw in het bezit zijn van de Sint Sylvesterkapel. Van buiten gezien oogt de kerk eerder als een versterkte vesting dan als een kerk, en dat is niet zo vreemd, want hij lag in de directe nabijheid van de Aureliaanse muur.

29.1 Rome, Santi Quattro Coronati, Vooraanzicht. Foto: mei 2009.

Rome, Santi Quattro Coronati, Vooraanzicht, mei 2009

29.2 Deze foto uit Krautheimers onovertroffen Rome, Profile of a City, 312-1308, laat goed het fort-achtige, versterkte karakter van de kerk zien. De foto dateert van rond 1880. Piranesi heeft de kerk, voor zover ik heb kunnen vaststellen, niet afgebeeld. Ik ken wel een tekening van Bartholomeus Breenbergh (1598-1657) van rond 1625 en een schilderij van F.E. Roesler (1852-1907) met de Quattro Coronati zoals die eruit zag in dezelfde periode als de foto die Krautheimer laat zien. Diens waardevolle boek, dat in de oorspronkelijke uitgave van 1980 dateert, maar in een heruitgave van 2000 nog verkrijgbaar is, toont een enorme hoeveelheid historische afbeeldingen van de stad Rome, zowel in de vorm van foto's, als van teken-, schets- en schilderwerk van bezoekers in de loop der eeuwen. Ik noem hier maar zelden bronnen, omdat ik dan bezig kan blijven, maar Krautheimers boek is naar ik vermoed, misschien niet helemaal de vroegste, maar wel de belangrijkste oorsprong van mijn Rome-fascinatie. Veel historici behandelen Rome als klassiek fenomeen, zoals bijvoorbeeld Coarelli op zeer verdienstelijke wijze doet, of ze behandelen de renaissance en barok, maar Krautheimer (1897-1994) was de eerste die met een enorme kennis van zaken juist de periode van de middeleeuwen beschrijft, aan de hand van alles wat er werd gebouwd bovendien, als een soort missing link, waardoor je een veel organischer (en begrijpelijker) beeld van de stad krijgt, terwijl hij de geschiedwetenschap ook nog eens zeer breed opvatte en van huis uit specialist was in de architectuur. Het veel recentere boek van de archeoloog en klassieke filoloog Hugo Brandenburg (geboren in 1929) over de vroeg-christelijke kerkbouw in Rome is inmiddels net zozeer een standaardwerk. Hij is ook de man die de Santo Stefanto uitgebreid onderzocht. Ik vermoed wel dat er bij hem soms sprake is van een nadrukkelijk christelijke inspiratie.

29.2 Rome, SS. Quattro Coronati, kerk en klooster, ca. 1880. De apsis van de kerk gebruikt als onderbouw (te herkennen aan het kleurverschil) een in de vierde eeuw gebouwde apsis die oorspronkelijk bestond uit een grote ruimte die in een domus was gebouwd. Bron: Krautheimer 1980 pag. 166; Brandenburg 2013

Rome, SS. Quattro Coronati, ca. 1880

29.3 De oorspronkelijke kerk moet dateren uit de vierde of vijfde eeuw. Net als de San Clemente is de oorspronkelijke versie gebouwd op een titulus, de Titulus Aemiliana. Ten bewijze: onder de kerk zijn resten van een uitgebreide Romeinse villa aangetroffen. Elke Romeinse titulus heeft ook een moderne titulusbewaarder, een deken, zoals dat heet, en hier is dat de aartsbisschop van Los Angeles. Er zijn in Rome 205 tituluskerken. De Quattro Coronati moet, te oordelen naar wat er is aangetroffen, erg groot zijn geweest, en bovendien nam hij in die tijd een prominente plaats in, ook vanwege de nabijheid van de moederkerk van Rome, de Sint Jan. De kerk lag net als de San Clemente op de route die de zogenaamde posesso volgde, de optocht ter bevestiging van de aanvaarding van het pauselijk ambt naar Sint Jan, al maakte de route juist hier een vreemde bocht. Want op dit punt zou een huis hebben gelegen dat werd geassocieerd met die ene legendarische vrouwelijke paus, Papessa Giovanna, die in oorsprong van Engelse herkomst zou zijn geweest en Joan heette. De kerk werd ook vaak gebruikt om gasten onderdak te brengen. Helaas werd hij, net als de San Clemente verderop, tijdens de plundering door de Normandiërs van Robert Guiscard, platgebrand. Hier geen Ierse pater, geen put. Vervolgens werd hij in de twaalfde eeuw verkleind, lot dat een paar eeuwen later pas ook de Santo Stefano Rotondo onderging.

29.3 Rome, Santi Quattro Coronati, hof. De foto is naar ik vermoed sterk gedateerd. De kerk is decennialang ontoegankelijk geweest. Van beplanting is heden ten dage nauwelijks sprake. Bron: Bussagli 2000

Rome, SS. Quattro Coronati

29.4 Acht jaar nadat Paus Pascal II de nieuwe San Clemente in gebruik nam, wijdde hij hier in 1116 de nieuwe, maar veel kleinere versie van de Quattro Coronati. Hij liet er wel twee atriums voor aanleggen, zij het zonder - of met slechts deels - zuilen, zodat ik het maar een hof noem, het voorste precies op de plek van het oude, dat pas in de 9e eeuw was toegevoegd, het tweede op de plaats waar eerder het schip van de vorige kerk lag. De twee zijschepen aan weerszijden van de oude kerk, werden toegevoegd aan het kardinaalspaleis (rechts) en het Benedictijnse klooster (links). In de twaalfde werd dat uitgebreid. De apsis, die dan ook te groot lijkt voor de huidige kerk, bleef behouden. Nee, helaas. De beschildering is uit de 17e eeuw. De kerk heeft nog een vrouwengalerij, een 12e eeuws matroneum. Het klooster schijnt bijzonder fraai te zijn, maar ik ken het niet, want ook na de renovatie was het steeds gesloten. Zo schreef ik in 2011, maar anno 2014 is dat ook rechtgezet.

29.4 Rome, Santi Quattro Coronati. 1 Toegang, 2 Romaanse Campanile, 3 Eerste hof, 4 oorspronkelijke ingang van de kerk, 5 binnenste hof, 6 Ingang van het oratorium van Sint Sylvester, 7 oratorium van Sint Sylvester, 8 huidige ingang van de kerk, 9 Kerk met oorspronkelijke grote apsis, 10 Matronea, 11 Klooster, 12 Kapel van Sint Barbara. Bron: Gunn 1981

Rome, SS. Quattro Coronati, Plattegrond Gunn

29.5 In de 13e eeuw werd het kardinaalspaleis verbouwd tot een vesting, als wijkplaats voor de pausen in het Lateraan tijdens het conflict met de Hohenstauffen, de Duitse keizers. Daarmee deden ze iets wat al eerder was gebeurd. De omgeving van de kerk oogt bepaald landelijk, zo zul je zien. We bevinden ons hier dan ook aan wat vroeger de uiterste rand van de stad was. Je ziet hier overal oude resten van Aureliaanse muur uit de late derde eeuw. Het is niet onbegrijpelijk, dat het klooster gelijk ook dienst deed als militaire vesting. Zoals veel andere, maar dan klassieke, resten werd het gebouw onderdeel van de muur. De campanile, die er vierkant en versterkt als hij is, nog heel middeleeuws uitziet, dateert uit de 9e eeuw, en is de oudst resterende in Rome. Na de verhuizing van de pausen naar Avignon, raakten de kerk en gebouwen eromheen in verval. De basiliek verloor zijn betekenis. De paus droeg het complex later over aan de Augustijnen, en die zitten er nu nog in. Nurks volk. Gemelijke lieden.

29.5 Rome, Santi Quattro Coronati, eerste atrium. Stond er in mei 2009 nog maar éen auto, in oktober 2014 stond het atrium er vol mee. Foto: mei 2009.

Rome, Santi Quattro Coronati, eerste atrium, mei 2009

29.6 Zoals gezegd heeft de kerk enkele zijschepen en een twaalfde-eeuws matroneum. De vloer is gelegd in opus alexandrinum. Het houten plafond dateert uit de 16e eeuw. Aan de westelijke muur en aan die van het zuidelijke zijschip bevinden zich resten van 14e-eeuwse fresco's. In het noordelijke zijschip bevindt zich de toegang tot het klooster dat vaak dicht is, maar dat de moeite van het bezoeken zeer loont. Naast de deur bevindt zich een bel. Een gift wordt op prijs gesteld.

29.6 Rome, Santi Quattro Coronati, interieur. Bron: Bussagli 2000

Rome, SS. Quattro Coronati, Interieur

29.7 Het klooster dateert uit de vroege 13e eeuw, de fontein in het midden uit de twaalfde. Links bevindt zich de kapel van Sint Barbara, die uit de 9e eeuw is. Het klooster is in de laatste decennia deels uitgegraven en gerestaureerd. In een kapel aan de zijkant bevindt zich een cyclus met 13e-eeuwse fresco's met de twaalf maanden van het jaar, die ik helaas niet te zien kreeg.

29.7 Rome, Santi Quattro Coronati, klooster. Foto: oktober 2014

Rome, Caelius, Sant Quattro Coronati, klooster

29.8 kapel van sint sylvester
Uiteindelijk is dit allemaal wel bijzonder, maar niet waar het om gaat. We bezoeken hier vooral de kapel van Sint Sylvester (paus 314-335), waar de zogenaamde Schenking van Constantijn (Donatio Constantini) is uitgebeeld. De kapel werd gebouwd in 1246, en is dus van later dan de (tweede) kerk. Hij staat er ook naast, als onderdeel van het kardinaalspaleis. Ik wil wedden dat hij gesloten is, zo schreef ik ooit. Want dat was hij jaren lang. Want dat moet ik wel even zeggen: bij alle onderdelen van deze pagina spreek ik - uit principe - zo niet uit eigen bron, dan toch per definitie uit eigen ervaring. Hier gold dat lange tijd niet. Het is wel passend dat ik op deze plaats, waar het bedrog hoogtij viert, lange tijd alleen maar kon spreken met de mond van anderen. Anno juli 2009, toen ik een deel hiervan schreef, moest ik namelijk opmerken dat ik de kapel nooit zelf had gezien. In de jaren tussen 1976 en 2005 ben ik er een aantal keren langs geweest en altijd was zelfs de kerk dicht. Dat is niet verwonderlijk. Die werd gerestaureerd, het klooster werd deels opgegraven en vrijgemaakt en ook gerestaureerd. Italiaanse molens malen langzaam, al moet worden erkend dat ze erg veel te malen hebben. In 2007 was de renovatie voorbij, de kerk open, maar de kapel dicht. Aan het klooster werd nog gewerkt. De kapel was nog in restauratie, zo werd me meegedeeld. In mei 2009 vond ik de kerk voor het eerst open, maar het was een zondag, de mis was bezig en de kapel was dicht. En nee, er was niemand om me binnen te laten, al belde ik nog zo lang. In oktober 2009 was de kapel open en kon ik hem dus voor het eerst van binnen zien, helaas in gezelschap van mijn pupillen. Ik ben er sindsdien twee keer terug geweest, de laatste keer op donderdag 16 oktober 2014.

De Blue Guide - nog steeds onmisbaar in Rome, ook al is de volledigheid aan slijtage onderhevig - adviseert de bezoeker aan te bellen en om de sleutel te vragen. De auteur Macadam wijst erop hoe bijzonder het is dat een kloosterorde, in casu de Augustijners, nog op deze schuwe wijze met de medemens communiceert. En zo is het ook. Maar de Augustijners hebben besloten de zaken intelligenter aan te pakken. Dat gedoe met die sleutel ook! In oktober 2014 hing op de dichte deur van de kapel een briefje, met het verzoek aan te bellen. Non, luikje, sleutel. Gift! (ik gaf 5 euro). Waarna je te horen krijgt dat je naar binnen kan, want de deur is, briefje ten spijt, gewoon open en als het even tegen zit - dat zat het - zijn er ook al andere belangstellenden. Die bovendien druk aan het flitsen waren. Fresco-barbaren. (Mijn foto's zijn zonder flits gemaakt.) Wel krijg je van het nonnetje het herhaalde en dringende verzoek de deur achter je dicht te doen. Ik begrijp nu waarom. Zodat de volgende zich genoopt ziet aan te bellen en te doneren. Aan een deur met zo'n briefje ga je niet staan trekken, nietwaar. Een gift met afstandsbediening als het ware. Waarom ik dit allemaal zo hoogst Italiaans vind, weet ik ook niet. Ook voor het klooster - links achterin de kerk - moet u enige moeite doen. Weer een gift. En dan moet u geluk hebben (dat had ik). Een oude non stond mij mokkend toe een rondje te lopen. Un' attimo solo eh...! Fate un giro... (Weer vijf euro) Jammer, want echt op je gemak loop je op zo'n moment niet en het klooster is prachtig.

29.8 Rome, Santi Quattro Coronati, Kapel van Sint Sylvester. De taferelen lopen van links naar rechts. Schuin linksboven de deur is nog net een fragment van tafereel 1 te zien, boven de deur zelf tafereel 2 (met boven beide in de boog Jezus met discipelen en engelen) en rechts daarnaast 3, enzovoorts. Foto: Roloff Beny (1924-1984) in Gunn 1981

Rome, SS. Quattro Coronati, Kapel van Sint Sylvester

29.9 De kapel werd gebouwd in 1224, en ligt ter rechterzijde van het tweede atrium. Hij bevat langs de wanden een opmerkelijke en - op het laatste tafereel na - goed bewaarde frescocyclus in Byzantijnse stijl, die vermoedelijk werd gemaakt door een stel kunstenaars uit de Veneto. De Donatio Constantini is een vervalst document, waarmee Constantijn de Grote, na een wonderbaarlijke genezing, of na zijn overwinning op Maxentius bij de Milvische Brug – de bronnen verschillen van mening - het wereldlijk gezag over Rome zou hebben overgedragen aan Sylvester I, paus van 314 tot 335. Bovendien erkende Constantijn de autoriteit van aartsbisschop van Rome, de paus dus, boven die van andere aartsbisschoppen. Het document heeft eeuwenlang een grote rol gespeeld in de strijd tussen pausen en keizers, uit welke strijd Canossa misschien het beroemdste moment is. Julius II (1503-1513) zou er zich nog op beroepen. Het document in kwestie werd in de vijftiende eeuw reeds als vervalsing ontmaskerd door de humanist Lorenzo Valla, maar de donatio legitimeerde desondanks lange tijd het pauselijk gezag.

De reeks scenes begint - als u binnenkomt - rechts naast de ingang en loopt vervolgens de ruimte rond. De eerste scène toont Constantijn, op zijn troon, met een door lepra aangetast hoofd, terwijl een massa mensen bezorgd zijn opwachting maakt. De tweede scene toont hoe Constantijn droomt van Petrus en Paulus, die hem aanraden Paus Sylvester te hulp te roepen. De derde scene laat zien hoe drie bereden bodes op weg gaan naar de Paus in zijn kluizenaarsverblijf op Monte Sorate. Het vierde tafereel toont hoe Sylvester in Rome is aangekomen, aan Constantijn de afbeeldingen laat zien van Petrus en Paulus, hem doopt en daarmee geneest van zijn lepra. Het vijfde tafereel laat zien hoe Constantijn als dank aan Sylvester de keizerlijke tiara aanbiedt en hoe die er de stadspoort mee uitrijdt, gevolgd door Constantijn. Het zesde tafereel toont hoe de paus een wilde stier (op zijn kop afgebeeld) terug tot leven brengt. De voorlaatste en zevende scene toont hoe de moeder van Constantijn, Helena, het ware kruis vindt. De laatste en achtste scene is zo zwaar beschadigd, dat je niet kunt zien dat de paus Rome bevrijdt van een draak. Boven de ingang bevindt zich in een nis een negende tafereel, dat los van de cyclus staat, met Christus tussen Maria en Johannes de Doper, met twaalf apostelen en twee engelen. In de kapel ligt trouwens ook een erg mooie kosmatenvloer.

29.9 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 1e tafereel: Constantijn op zijn troon, met een door lepra getekend hoofd, terwijl een mensenmassa bezorgd toekijkt. Foto: 16 oktober 2014

1e tafereel: Constantijn op zijn troon, met een door lepra getekend hoofd, terwijl een mensenmassa bezorgd toekijkt

29.10 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 2e tafereel: de zieke Constantijn droomt van Sint Pieter en Sint Paulus die hem aanraden hulp te zoeken bij Paus Sylvester. Foto: 16 oktober 2014

2e tafereel: de zieke Constantijn droomt van Sint Pieter en Sint Paulus die hem aanraden hulp te zoeken bij Paus Sylvester

29.11 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 3e tafereel: drie bereden bodes van keizer Constantijn beklimmen Mont Sorate om de paus in zijn kluizenaarsverblijf te bezoeken. Foto: 16 oktober 2014

Rome, SS Quattro Coronati, Sint Sylvesterkapel, 3e tafereel:

29.12 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 4e tafereel: Sylvester toont Constantijn in Rome afbeeldingen van Petrus en Paulus, geneest en doopt hem. Foto: 16 oktober 2014

4e tafereel: Sylvester toont Constantijn in Rome afbeeldingen van Petrus en Paulus, geneest en doopt hem

29.13 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 5e tafereel: Constantijn schenkt de paus de keizerlijke kroon en die rijdt de stadspoort uit terwijl hij hem draagt. Foto: 16 oktober 2014

5e tafereel: Constantijn schenkt de paus de keizerlijke kroon en die rijdt de stadspoort uit terwijl hij hem draagt

29.14 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 6e tafereel: Sylvester brengt een wilde stier terug tot leven. Foto: 16 oktober 2014

Sylvester brengt een 6e tafereel: wilde stier terug tot leven

29.15 Rome, Santi Quattro Coronati. Frescocyclus in het oratorium van de Heilige Sylvester, ca. 1250. 7e tafereel: Constantijns moeder, Helena, vindt het ware kruis. Foto: 16 oktober 2014

7e tafereel: Constantijns moeder, Helena, vindt het ware kruis

19.16 Rome, Santi Quattro Coronati. Tafereel boven de entree: Jezus op een troon tussen Maria en Johannes de Doper, omgeven door de 12 discipelen en twee engelen, ca. 1250. Foto: 16 oktober 2014

Jezus op een troon tussen Maria en Johannes de Doper, omgeven door de 12 discipelen en twee engelen

19.17 Rome, Santi Quattro Coronati. Oratorium van de Heilige Sylvester, kosmatenvloer, ca. 1250. Foto: 16 oktober 2014

Rome, Santi Quattro SS. Quattro Coronati, Oratorium van de Heilige Sylvester, kosmatenvloer

SAN CLEMENTE

30.1 geschiedenis
De San Clemente is éen van de bijzonderste kerken van Rome, omdat ze een dwarsdoorsnede vormt van de Romeinse geschiedenis. Ze laat drie niveaus in één zien. Op het huidige straatniveau staat een 12e eeuwse kerk, die desondanks een in hoge mate typerend vroeg-christelijk exemplaar is, met daaronder de oorspronkelijke 4e eeuwse kerk, terwijl zich helemaal onderop de restanten bevinden van Romeinse gebouwen uit de 1e eeuw, met de titulus (een privé-gebedsplaats), die de oorsprong van de kerken vormt, maar ook een mithras-altaar.

30.1 Rome, San Clemente vanuit het noordwesten. De straat langs de kerk, met de bomen die daar boven campanile en dak uitkomen, is de Via San Giovanni, in de oudheid de Via Tuscolanum, de verbinding met (links) de Sint Jan en (rechts) het Colosseum. Bron: Brandenburg 2013 pag. 152

San Clemente, vanuit het noordwesten

30.2 De bijgaande foto dateert van rond 1880. Twintig jaar eerder nog maar is de benedenkerk ontdekt, daarna uitgegraven, terwijl de gemeente, zoals hier te zien is - ter rechterzijde - ook de oude toegang met atrium en porticus in ere heeft hersteld. Alleen de complete drooglegging moest nog geschieden. Nog steeds kunnen bezoekers ook aan de zijde van de Via San Giovanni de kerk in. Becchetti schrijft bij deze foto dat het verbazingwekkend is, helemaal rechtsboven aan de horizon, op wat het hoogste punt is van de Esquilijn, de spits van de campanile te zien van S.M. Maggiore. Het is duidelijk dat dat heden ten dage niet meer zou lukken. Zelfs aan het eind van de negentiende eeuw was dit nog een landelijk ogend gebied, zoals ook een historische foto van de Sint Jan bewijst.

30.2 Rome [Chiesa di San Clemente, veduta esterna] San Clemente, buitenaanzicht, ca. 1880. Op de voorgrond: Via San Giovanni. Foto: Pompeo Molins (1827-1893). Bron: Becchetti 1991 pag. 117

Rome, San Clemente, ca. 1880

BOVENKERK

30.3 De wijk waar de kerk staat, werd onder Nero in 64 verwoest bij de grote brand die toen in de stad woedde. Van een aantal huizen en een wat groter gebouw dat daar bij opgravingen is aangetroffen, werden de onderste ruimtes naderhand blijkbaar volgestort met aarde om er opnieuw op te kunnen bouwen. Daarop, werd deels met gebruikmaking van voorhanden zijnd materiaal, de vroeg-christelijke San Clemente neergezet. Clemens was naar beweerd de vierde paus (88-97). Hij zou als martelaar gestorven zijn aan de Krim, waar hij, gebonden aan een anker, zou zijn verdronken. Desondanks redde hij - het zijn merkwaardige zaken - een kind van de verdrinkingsdood. Een klein probleem is dat Trajanus - die hem zou hebben verbannen - pas keizer werd in 98. Clemens wordt wel afgebeeld met het anker, maar niet met de pauselijke tiara, wat zou kunnen wijzen op een persoonsverwisseling. Hoe dan ook: het verhaal gaat dat twee Slavische heiligen, Cyrillus en Methodus, in de 9e eeuw de resten van Clemens met het anker in hun bezit kregen en terugbrachten naar de kerk in Rome. De heilige Cyrillus (de apostel van de Slavische volkeren die zijn naam aan het cyrillische schrift gaf) ligt in de benedenkerk begraven. Ook in de bovenkerk bevindt zich een aan hem gewijde kapel. De kerk wordt veelvuldig bezocht door Oost-Europese gelovigen. Beweerd werd altijd dat de vroeg-christelijke kerk in de tiende eeuw in vlammen opging tijdens plunderingen door de troepen van Robert Guiscard, maar er zijn in de onderkerk geen sporen van brand aangetroffen en dus is het vermoedelijk onjuist. In elk geval is er daarna rond 1100 een nieuwe kerk gebouwd. Vanaf 1403 werd die onderhouden door een congregatie van Augustijner monniken, de broederschap van Sant' Ambrogio ad Nemus, die was gesticht in 1375. Paus Bonifatius IX (Tomacelli, 1389-1404) haalde hen uit Milaan naar Rome. Nadat de congregatie in 1643 werd ontbonden, kwam de kerk twee jaar later in handen van de Dominicanen van San Sisto. In 1677 werd de kerk overgenomen door Ierse Dominicanen, die hem nu nog beheren. De huidige titulaire kardinaal-priester is anno 2018 - misschien nog net - onze voormalige Bisschip Simonis (1931).

30.3 Rome, San Clemente, Bovenkerk. 1 In- en uitgang aan de zijde van Via San Giovanni, 2 Portico van het atrium, tevens ingang, 3 Atrium (quadroportico), 4 Ingang van het klooster van de Ierse Dominicanen 5 Ingang via narthex 6 Hoofdschip met twee zijschepen 7 Koor (12e eeuw, met delen uit de originele kerk: schola cantorum met koorscherm en met aan weerszijde een ambo, met wandplaten uit de oude kerk; 8 Confessio met altaar met baldakijn en presbyterium 9 Apsis met aartsbisschopstroon en mozaïek met De Triomf van het Kruis 10 Kapel van het Heilige Sacrament 11 Monument voor Kardinaal Antonio Venerio († 1479) met reliëf uit benedenkerk; 12 Kapel van St. Catherina van Alexandrië, ook wel genoemd Castiglionekapel 13 Kapel van St. Dominicus 14 Ingang Sacristie 15 Kapel van de Heilige Cyrillus en Methodus 16 Monumenten voor Aartsbisschop Giovanni Brusato door Luigi Capponi (1485) en voor Kardinaal Roverella († 1476) door Giovanni Dalmata 17 Kapel van Johannes de doper, 18 sacristie met ingang benedenkerk. Bron: Gunn 1981

Rome, San Clemente, bovenkerk, Kaart: Gunn

30.4 Nadat de oude kerk dus om wat voor reden ook was opgegeven, werd rond 1100 onder Paus Paschalis II (1099-1118) door titelkardinaal Athanasius in een relatief korte tijd een nieuwe kerk gebouwd. Die werd in 1128 gewijd. Het was net als zijn voorganger een drieschepige basilica, maar hij was iets kleiner, ongeveer 40 meter lang en 20 meter breed, waarbij acht Ionische zuilen met rondbogen de zijschepen scheidden van het middenschip. De oude kerk (nu beneden) was 42 meter lang en 30 breed. De nieuwe kerk is wederom niet georiënteerd. De façade ligt op het oosten en de apsis dus op het westen. Het is een eigenaardigheid die we in Rome vaker zien, vooral bij de oudere kerken, eigenaardigheid bovendien die ze deelden met de klassieke tempel. Aangenomen wordt dat de traditie der oude zonnecultus daarbij een rol speelde. Ook de Sint Jan en de Sint Pieter hebben de ingang op het oosten, al kan bij de Sint Pieter ook de ligging op een heuvel een rol hebben gespeeld. Overigens, hetzelfde gold voor de oude San Clemente. Een porticus met vier twaalfde-eeuwse Ionische zuilen leidt naar een atrium (quadro-porticus) met een hofje. Dit is de officiële, en al sinds geruime tijd weer gebruikte toegang, op de foto uit 1880 zichtbaar aan de rechterzijde, in zojuist herstelde vorm. Overigens is er ook aan de straatzijde een in- en uitgang. De in de barok hernieuwde, sobere façade is, evenals de campanile en het cassettenplafond, van Carlo Stefano Fontana, van wie me niet duidelijk is of hij hier werkte tussen 1700 en 1719, of dat hij leefde tussen 1700 en 1719. Het ene lijkt me erg lang, het andere erg kort. Hij was in elk geval een neef van de bekendere Carlo (1638-1714), en broer van een andere architect, Girolamo, die zelf ook actief was in Rome, tussen 1690 en 1714.

30.4 Rome, San Clemente, Atrium met barokfaçade, porticus en campanile van de middeleeuwse kerk, door Carlo Stefano Fontana (1700-1719). Bron: Brandenburg 2013 pag. 153

San Clemente, Atrium met porticus

30.5 Rome, San Clemente, Schip met twee ongelijke zijschepen, rondbogen, 8 Ionische zuilen aan weerszijden, met schola cantorum en apsis. Bron: Bussagli 2000

Rome, San Clemente, interieur

30.6 De nieuwe basilica heeft dus iets kleinere afmetingen dan de oude kerk eronder (zie verderop) en is ongeveer 40 meter lang en 20 meter breed. De bovenkerk neemt alleen de ruimte in beslag boven het schip en het linker (zuidelijke) zijschip van de kerk eronder, die vooral breder was (en een paar meter langer). Het ontwerp ervan is bijzonder eenvoudig en dat contrasteert scherp met de verder kostbare inrichting. De veertien ongelijke zuilen en de twee pijlers verdelen de ruimte in drie beuken, waarvan de zijbeuken ongelijk in breedte zijn, de linker breder dan de rechter. De zuilen zijn waarschijnlijk afkomstig van het Forum. Het interieur is typisch voor een basilica: schip met zijschepen, kosmatenvloer (opus sectile), maar daterend van ruim voor de kosmaten zelf, met twee ambones, een koorscherm en een verhoogd koor met schola cantorum, presbyterium met baldakijn, in het koor opus alexandrinum. In het grafmonument van Kardinaal Antonio Venier, dat van rond 1500 dateert en aan het uiteinde van het linker zijschip ligt, werd een reliëf uit de oude kerk hergebruikt waarop te lezen is dat een presbyter, ene Mercurius, ten tijde van Paus Hormisdas (514-523) een altaar en ciborium schonk.

30.6 Rome, San Clemente, bovenkerk. Schola Cantorum, met aan weerszijden tribunes en ambones. Foto: oktober 2014

Rome, San Clemente, Schola Cantorum

30.7 Voor de zijwanden van de hiervoor getoonde schola cantorum gebruikten de twaalfde-eeuwse beeldhouwers platen die afkomstig waren uit de zesde-eeuwse omheining van het presbyterium van de benedenkerk, met een monogram bovendien van Paus Johannes II (533-535). En dat was dezelfde als de hiervoor genoemde Mercurius, maar nu na zijn benoeming tot paus. Ze zijn vervaardigd uit proconnesisch marmer (uit Marmaris dus) en dragen hetzelfde profiel, dezelfde decoratieve elementen met kruisen en christus- en stichtersmonogrammen als soortgelijke onderdelen van de onder keizer Justinianus I gebouwde Hagia Sofia in Constantinopel, zodat mag worden aangenomen dat ze daar vervaardigd zijn. De aanvoer ervan in een toch woelige periode mag beschouwd worden als een hele onderneming, zo schrijft Brandenburg, die aanneemt dat ze speciaal voor de kerk vervaardigd werden, waaruit bovendien blijkt dat de kerkautoriteiten groot belang hechten aan de decoratie ervan.

30.7 Rome, San Clemente, bovenkerk, buitenzijde schola cantorum. Door Paus Johannes II (533-535) geschonken dekplaten van Constinantopelse herkomst uit het presbyterium van de oude kerk. Bron: Brandenburg 2013 pag. 157; Bussagli 2000 pag. 250

San Clemente, Dekplaten van Schola Cantorum uit de oude kerk

30.8 Boven het hoofdaltaar bevindt zich een baldakijn dat rust op vier pavonazetti: roze en violet gevlekte marmeren zuilen. De mooie mozaïeken dateren uit de twaalfde eeuw. Sommige delen ervan komen echter al uit de 7e eeuw. Op de triomfboog - het deel terzijde van de apsis, staat Christus tussen Paulus, Laurentius, Isaias (Jesaja) en Bethlehem (links) en Petrus. Clemens, Jeremias en Jeruzalem aan de rechterkant. In de conca, de schelp welke de zang, het gebed en de homilie van de bisschop vanuit het priesterkoor als een klankbord naar de gelovigen overbracht, zien we Maria en Sint Jan bij Christus aan het kruis, waarop verder twaalf duiven als symbolen van de apostelen staan. Tussen de spiralen van de wijnranken zien we kerkleraren en heiligen. Daaronder het Lam Gods met twaalf lammeren, met bijzonder mooie vroeg twaalfde-eeuwse mozaïeken erboven (rechts op de triomfboog Petrus met Clemens), in de apsis Kruisiging met erboven de hand van God.

30.8 Rome, San Clemente, bovenkerk, apsismozaïek, detail: in het midden het crucifix dat wordt geflankeerd door Maria en Johannes de Doper. Het onderste deel van het kruis gaat over in een acanthus, waarvan de ranken zich over de gehele breedte van de apsisconcha uitstrekken. die vormt uiteraard het symbool van de moederkerk, de ecclesia Bron: Bussagli 2000

San Clemente, Apsis

30.9 Rome, San Clemente, bovenkerk, apsismozaïek, detail: in het midden het crucifix dat wordt geflankeerd door Maria en Johannes de Doper. Het onderste deel van het kruis gaat over in een acanthus, waarvan de ranken zich over de gehele breedte van de apsisconcha uitstrekken. die vormt uiteraard het symbool van de moederkerk, de ecclesia. Bron: Bussagli 2000 pag. 319

Rome, San Clemente, fragment Apsismozaïek

30.10 De kerk is natuurlijk beroemd vanwege het apsismozaïek, maar er valt meer bijzonders te beleven. Aan het begin van het zuidelijke zijschip bevindt zich de hierbij getoonde Kapel van de Heilige Catherina. De muur die hem van het hoofdschip scheidt, behoorde niet tot de oorspronkelijke kerk en het is mogelijk, zo schrijft Steffi Roettgen, dat hij werd gebouwd toen de kapel werd beschilderd. Het heeft even geduurd voordat het wapenschild op de boog boven de ingang werd geïdentificieerd als dat van Kardinaal Branda Castiglione (1350-1443). Die kreeg, toen hij in 1411 tot kardinaal werd benoemd, de San Clemente als titulus. Pas in 1431 stond hij die weer af, en vandaar dat dat jaar als terminus ante quem wordt beschouwd voor het werk in de kapel. Het is niet ondenkbaar dat die in oorsprong bedoeld was zijn graf te herbergen, al is dat niet gebeurd. Over wie er verantwoordelijk is voor de decoratie van de kapel wordt al lang getwist. De schilderingen werden traditiegetrouw toegeschreven aan Masaccio (zoals Vasari bijvoorbeeld ook doet), maar inmiddels wordt aangenomen dat een deel ervan, of misschien zelfs alles, van Masolino is. Ze moeten in elk geval dateren van tussen 1425 en 1431.

30.10 Rome, San Clemente, bovenkerk, zuidelijk zijschip, kapel van Kardinaal Branda Castiglione, met scenes uit het leven van de Heilige Catherina van Alexandrië en Sint Ambrosius, 1425-1431. Masaccio en/of Masolino. Fresco met sporen van tempera, lapis lazuli, goud en zilver, grotendeels ontbrekend of geoxydeerd. Kapel: breedte, 5.70m, hoogte: 7 meter. Bron: Roettgen 1996

Rome, San Clemente, Castiglonekapel

30.11 Inmiddels is men tot de conclusie gekomen dat het praktisch ondoenlijk is vast te stellen welke delen in de kapel van wie zijn: Masaccio: dat wil zeggen Tomasso di Ser Giovanni Cassai, 1401-1428?, of Masino: Tomasso di Christofano Fini, ca. 1383 - na 1435. Hierbij Sint Christoffel (Christophorus zo u wilt), op de buitenmuur van de kapel.

30.11 Rome, San Clemente, bovenkerk, zuidelijk zijschip, kapel van Kardinaal Branda Castiglione, met scenes uit het leven van de Heilige Catherina van Alexandrië en Sint Ambrosius, 1425-1431. Masaccio en/of Masolino. Fresco, 2.10 x 1.10 m. Bron: Roettgen 1996

Rome, San Clemente, Castiglionekapel, Sint Kristoffel

ONDERKERK

30.12 De toegang tot de benedenkerk verkrijgt u via een trap naar beneden in de sacristie, aan de zijkant van de kerk, waar u wordt bediend door een Dominicaanse broeder, want voor het archeologische gedeelte van de kerk betaalt u entree. Ooit was dat een gering bedrag, maar anno 2018 is het 10 euro. In 1667 werd de San Clemente toevertrouwd aan Ierse Dominicanen. Zo kwam het dat in 1857 de originele kerk, waarvan het bestaan inmiddels totaal vergeten was, bij reparaties in het klooster werd ontdekt door een Ierse pater, Mullooly, en vervolgens uitgegraven en (pas vanaf 1912) drooggelegd.

30.12 Rome, San Clemente, Benedenkerk. 1 Narthex 2 noordelijk zijschip 3 positie van het koor voordat de reconstructie ervan in de bovenkerk plaatsvond 4 Breedte van het originele hoofdschip 5 Zuidelijk zijschip 6 rond bassin waarvan men meent dat het diende als doopvont 7 Muren ter ondersteuning van de bovenkerk 8 Versterkte Apsis ter ondersteuning van de apsis in de bovenkerk 9 Trap naar het lager liggende deel met het mitraeum en huizen uit de eerste eeuw 10 Mithraeum. Bron: Gunn 1981

Rome, San Clemente, Benedenkerk

30.13 Bij opgravingen in de directe omgeving van de kerk en eronder werden de uit tufsteen opgetrokken fundamenten aangetroffen van een gebouw dat van oost naar west lag, van 29 meter breed en ongeveer 60 meter lang, zo schrijft Brandenburg. Het moet gedateerd hebben uit de tweede helft van de eerste eeuw, uit de Flavische tijd, en het beschikte over een hof met van tongewelven voorziene ruimtes. Een gebouw dat er in het westen aan grensde en ook rond een hof was gezet, had op de begane grond een reeks kamers met een mozaïekvloer en fraai stucwerk in de gewelven. Dat zou kunnen wijzen op een ruim bemeten woonhuis, maar gezien de nabijheid van het Colosseum en de bijbehorende gladiatorenkazerne, de Ludus Magnus, tegenwoordig aan het eind van de straat, tegenover het amfitheater, is het aannemelijker dat het gebouw een publieke functie had. Daarbij past dan uitstekend het feit dat er hier een Mithrasaltaar van rond 200 werd aangetroffen. De Perzische zonnegod Mithras was populair bij publieke ambtenaren en militairen en de ertoe bestemde ruimtes kregen vaak een plaats in de laagst gelegen delen van publieke gebouwen. Het al genoemde gebouw onder de kerk zou heel goed een met de staatsmunt (moneta) verbonden instelling geweest kunnen zijn of zelfs de plek waar ze geslagen werden. Er zijn in de omgeving inscripties gevonden die verwijzen naar de ervoor verantwoordelijke ambtenaar, de procurator monetae et ludi gladiatori. En daarbij ging het dus blijkbaar om de bewindvoerder van de muntplaats en van de gladiatorenkazerne. Ergens na het midden van de derde eeuw werd het onderste deel van het gebouw opgegeven en op het fundament ervan een hal van 35 meter lang en 29 meter breed geplaatst, waarvan de wand aan de straatzijde werd doorbroken door een rij grote openingen.

Het waren de muren van het hiervoor genoemde gebouw, die tegen het einde van de vierde eeuw, ten tijde van Paus Siricius (384-399), gebruikt werden voor de onder hem gebouwde kerk. Er zijn geen bewijzen voor dat de ruimte al in de derde eeuw werd benut voor de christelijke eredienst, terwijl het als heel onwaarschijnlijk moet worden beschouwd dat in de tijd voor Constantijn zoiets mogelijk was in een publieke ruimte, zelfs als die ruimte al was opgegeven. In de laat klassieke tijd was de stichting van een kerk in een publiek, of zelfs voormalig publiek gebouw, nog onmogelijk. Vandaar ook dat de oorspronkelijke bestemming van die gebouwen van belang is. Als het een privéwoning was geweest, is een vroege titulus in de tweede eeuw denkbaar, maar anders niet. Ook Santa Sabina lijkt naar een vroege stichter vernoemd. In het geval van de vroeg-christelijke San Clemente heeft het er de schijn van dat een private schenker, maar pas in de vierde eeuw, de benodigde middelen ter beschikking heeft gesteld, of eventueel iemand uit de kerkelijke hiërarchie, zoals een presbyter (een priester). De verbouwing van de eerder genoemde hal in een kerk - die nu dus onder de huidige ligt - geschiedde met gebruikmaking van ouder bouwmateriaal. In het westen werd de wand van de smalle zijde van het gebouw doorbroken en werd op het ernaast liggende huis, maar de grenzen daarvan overschrijdend, de apsis gebouwd, die zodoende over een deel van de benedenverdieping van het huis lag. De zaal, waarvan de breedte de afmeting en van het kerkgebouw bepaalden, werd door twee rijen van elk 8 zuilen in een brede, driepschepige hal verdeeld, terwijl aan de oostzijde een atrium werd aangebouwd en de grote openingen aan de straatzijde werden gedicht. Het middenschip kwam met vijf bogen uit op de complete breedte van het atrium. Opgravingen van de laatste jaren hebben naast het rechter zijschip van de kerk een gang met een vloer blootgelegd uit de vroeg-christelijke periode en de zesde eeuw, die de verbinding vormde tussen verschillende ruimtes die ten noorden van de kerk lagen, met onder andere een sacristie en een baptisterium waarvan het bekken met marmer was bekleed.

In sommige opzichten voldoet de kerk, zo schrijft Brandenburg, niet echt aan het gebruikelijke model. De arcades tussen de zuilen wijken qua afstand onderling nogal af, terwijl ook de zuilen zelf qua schacht en kapiteel tamelijk willekeurig lijken te zijn geplaatst. In verhouding tot het muurwerk van de lichtbeuk zijn de zuilen korter dan gebruikelijk is bij Romeinse vierde-eeuwse basilica's. Er zijn aanwijzingen dat het muurwerk al een restauratie uit de zesde eeuw is, terwijl er ook andere aanwijzingen zijn voor een vroege renovatie van de kerk.

30.13 Rome, San Clemente, Benedenkerk. Giovanni Ciampini, Reconstructie van de Basilica met Schola cantorum en Ciborium in de apsis, uit: Veteramonimenta 1, Rome 1690. Bron: Wehrens 2017 pag. 180

San Clemente, reconstructie van de vroeg-christelijke basilica, Ciampini, 1690

30.14 In de oude kerk werden in de vijfde eeuw de eerste pauselijke vergaderingen gehouden. Dit was de kerk waar twee concilies werden georgansieerd, door Paus Zosimus (417) en Symmachus (499). Voor de herbouw van de huidige San Clemente hebben de bouwers veel materiaal uit de onderkerk gebruikt. In de narthex, een voorhal, aan welke zijde je de onderkerk binnenkomt, laten de fresco's die in de tiende en elfde eeuw op de muren zijn aangebracht, de wonderen van de heilige Clemens zien. De kleuren ervan zijn uiteraard flink aangetast. In het middenschip van de onderkerk zien we schilderingen uit de elfde eeuw, die betrekking hebben op de kruisiging, de begrafenis en de hemelvaart van Christus. Verder is er een fresco met de bruiloft te Kana, de intronisatie van Clemens door zijn voorgangers, en de geschiedenis van Alexius, die na zijn terugkeer zeventien jaar in de ouderlijke woning leefde zonder dat zijn familie hem terug kenden, en wel onder een trap. Die trap vind je in de San Alessio, op de Aventijn. Meteen links van de vroegere toegang tot de onderkerk is afgebeeld paus Leo IV, met een vierkante nimbus, denk aan een mozaïek in de Santa Prassede. Leo IV was op het moment dat het fresco werd vervaardigd dus nog in leven, en dus moet het rond 850 zijn geschilderd. Rechts in de zijbeuk ligt in de vloer het graf van de pater Mullooly, die de onderkerk ontdekte.

30.14 Rome, San Clemente, benedenkerk. Wonder aan het graf van de Heilige Clemens. Het wonder speelt zich uiteraard onder water af. Let op de vissen rechts. Fresco. Bron: Bussagli 2000

Rome, San Clemente, Benedenkerk

30.15 Helemaal vooraan op de linkermuur van het middenschip bevindt zich een 11e eeuws fresco, met daarop één van de oudst bekende in de Italiaanse volkstaal geschreven teksten. Het betreft een bijzonder dubbelzinnig klinkend advies aan Sisinnius, een prefect van Rome ten tijde van Clemens. Zijn christelijke echtgenote had, zo luidt het verhaal, tot spijt van haar man de gelofte van kuisheid afgelegd aan Clemens. De prefect Sisinnius zon op wraak, en toen hij zich een keer tegenover Clemens bevond, gebood hij zijn knechten Clemens te grijpen. Maar god dient zijn dienaren. De prefect en zijn knechten werden met blindheid geslagen en pakten in plaats van Clemens een zuil. Op het fresco zie je dan ook hoe de knechten van Sisinnius met een zuil slepen. Maar de weinig kerkelijk klinkende tekst erbij is toch opmerkelijk. Hij luidt: Fili de le pute, traite, Gosmari, Albertel, traite. Falite deretro colo palo, Carvoncelle. De vertaling luidt: "Hoerenzonen, trekt, Gosmari, Albertel, trekt. Help van achteren met een paal, Carvoncelle." Volgens sommigen gaat het gewoon om een afbeelding van het bouwen van de San Clemente, en is er niks vreemds aan de woorden. Een boer zou de zinnen hebben geroepen tegen zijn ossen. Maar ja, in Italië is Berlusconi nooit ver weg. Als je helemaal links aan het eind van het zijschip naar beneden gaat, passeer je het graf van de Heilige Cyrillus (let op de talrijke Slavische gedenkplaten), en kom je onder de oude benedenkerk in wat de woning van Clemens zou moeten zijn geweest, welke Clemens dan ook.

30.15 Rome, San Clemente, benedenkerk. Het leven van de Heilige Alexius. Fresco. Bron: Bussagli 2000

Rome, San Clemente, benedenkerk, Scene uit het leven van de Heilige Alexius

30.16 Je bevindt je nu op het straatniveau van de eerste eeuw na Christus. Zoals gezegd werd de apsis van de eerste S. Clemente, die uit de 4e eeuw, gevestigd op èn in een Romeins gebouw uit de keizertijd, dat misschien in bezit was van T. Flavius Clemens. Dat zou dan de zogenaamde Titulus Clementis zijn, de kapel waar de christenen in het geheim bijeenkwamen. Pas in 1938 worden hier ook de uit de 5de of 6de eeuw daterende catacomben ontdekt met 16 muurgraven (loculi). Beweerd wordt dat Petrus en Paulus hier beiden zijn geweest en zelfs dat Paulus hier zijn brief aan de Korintiërs schreef. Maar ja. Anderen houden het voor waarschijnlijker dat het gebouw dat hier stond verbonden was met de Romeinse Munt. Daar zijn genoeg aanwijzingen voor.

Toch zegt het wel iets over het Rome uit die tijd dat zich naast de titulus, in wat vermoedelijk een uit de laat 1e eeuw stammend insula was, een Mithraeum van rond 200 bevond. Het is op zijn minst belangwekkend te constateren dat in het Rome uit die periode christenen en mithras-aanbidders elkaars buren waren, al worden daar nu dus wel de nodige kanttekeningen bij gezet. Toen de eerste opgravingen plaatsvonden die de benedenkerk blootlegden, was het voor Pater Mullooly en de archeoloog De Rossi, de twee intitiatiefnemers, onmogelijk op dit niveau verder te graven, omdat het gebied onder water stond. Pas in 1912 werd er toestemming verkregen dit deel droog te leggen via een 700 meter lange afvoer die werd aangesloten op de Cloaca Maxima, achter het Colosseum. Pas toen kwam er een vierde niveau aan het licht met een aantal huizen die bij de brand van 64 waren verwoest. De huizen waren volgestort met aarde om te kunnen dienen als fundament voor nieuwe gebouwen (die zich nu op het derde niveau bevinden). Het was hier dat in die uit de tweede helft van de eerste eeuw daterende huizen een ruimte was vrijgemaakt voor het nu zichtbaar geworden Mithraeum, waarbij het ging om de zogenaamde Mithraeische school. Het was een rechthoekig deel waar de gelovigen werden geïnstrueerd voordat ze werden toegelaten tot het beslotener triclinium en de eetzaal. Het betrof daarbijn dus de lagere rangen van de gelovigen, de Corax, Cryphius en Miles.

Mithras was een zonnegod en komt al voor in de oudste gedeelten van de Awesta, die de leer van Zaratoestra bevatten. Mithras zou op de dag van de zonnewende, 25 december dus, in een grot uit een maagd geboren zijn. Herders waren er getuige van. Hij werd 33 jaar oud. Ja, dat zal je allemaal wel bekend voorkomen. Mithras moest in opdracht van Apollo de kosmische stier doden. Aan het gevecht namen ook een hond deel, een slang en een schorpioen. Uit het bloed dat de stier verloor en dat door de slang werd gedronken, ontstond het aardse leven en dat van het hiernamaals. Uit de sappen van de schorpioen, die de stier in zijn testikels beet om de voortplanting te voorkomen, ontstond het boze. De hond ving de ziel op. Suspension of disbelief is blijkbaar niet alleen voor het christendom een vereiste. Soldaten brachten de cultus van Mithras naar alle delen van het Romeinse rijk en de populariteit ervan is in de 1e eeuw snel groeiende. Vooral in het leger was de cultus populair. Nog geen 100 jaar later hebben volgelingen van de cultus de kerk blijkbaar gevorderd en toen werd naar alle waarschijnlijkheid het mithras-altaar neergezet in een triclinium, een zaal voor rituele maaltijden. Daar zie je nu nog het Mithras-altaar (met het gevecht van Mithras erop afgebeeld) en de rustbanken, waar alleen de ingewijden in de cultus aan de offermaaltijd mochten deelnemen. Vlakbij deze Mithras-tempel zijn nog vertrekken, die tot het Romeinse woonhuis hebben behoord. Het Mithraeum waar de cultus werd gevierd, lag ook toen al onder de grond. Onder het Mithraeum bevinden zich resten uit de republikeinse tijd. In heel Rome zijn zo'n 50 Mithras-heiligdommen gevonden, vlakbij de Circus Maximus bijvoorbeeld, in de thermen van Caracalla en in het Palazzo Barberini.

30.16 Rome, San Clemente. Het derde-eeuwse Mithrasaltaar onder de benedenkerk van de San Clemente. Het tempeltje eromheen suggereert bewust een grot, heeft in de rotswand uitgehakte zittingen en beschikte over een offeraltaar waarop Mithras zelf is afgebeeld terwijl hij de stier doodt. Bron: Della Portella 2000

San Clemente, Mithrasaltaar

XIX SINT JAN IN LATERANEN

romeins metroleed
Wie de metro neemt, betreedt door de Porta San Giovanni logischerwijs het Piazza Porta San Giovanni. De poort zelf is overigens de moderne opvolger (want hij is gebouwd in 1574) van de zogenaamde Porta Asinaria (die nu een paar honderd meter verderop ligt en gerestaureerd is), die weer lag op de plaats van de Porta Coelimontana uit de Romeinse tijd. Het plein aan deze kant werd nogal eens gebruikt voor politieke demonstraties en grootscheepse muzikale festiviteiten. Maar dat gebeurt nu al een hele tijd niet meer, want hoewel het plein al sinds 1980 een metrohalte had van Lijn A (Battistini-Anagnina), wordt het station ook een overstaphalte voor de nieuwe lijn C, Pantano-Tor di Quinto, die dwars door het oudste deel van de stad zou moeten gaan lopen en waaraan ook Colosseum en Piazza Venezia zou moeten komen te liggen en trouwens ook Largo Argentina en de Sint Pieter.

Nadat er inmiddels 12 jaar aan werd gewerkt, werd het deel van de C-lijn tot Centocelle, een paar stops voor de Sint Jan, in werkelijkheid pas in mei 2014 geopend. De halte bij Sint Jan stond ooit gepland voor 2011, maar de opening werd - wederom vanwege archeologische vondsten - sterk vertraagd en vond plaats 12 mei 2018. Het volgende deel, met een halte bij Colosseum en éen bij Piazza Venezia is hoogst problematisch. Tal van archeologen hebben al geprotesteerd omdat het - uit archeologisch oogpunt - bijzonder waardevol gebied betreft, dat door een in- en uitgang van een metro compleet zou worden doorbroken. En dan zijn we daar nog lang niet, want tussen Sint Jan en Colosseum ligt nog éen nieuwe uitdaging, het station Amba Aradam namelijk, gelegen onder Viale Ipponio, niet zo heel ver van de Navicella. Dat is een wel heel bijzonder geval. Er bleek ondergronds een complete kazerne te liggen, waarvan de omvangrijke resten in het station zullen worden ingebouwd. Maar daartoe moeten ze wel eerst tijdelijk worden verplaatst. Helemaal toevallig is dat allemaal niet: Amba Aradam ligt op Caelius; het gebied was éen groot militair kwartier en er bevonden zich tal van kazernes, ik verwees er al naar in verband met de Santo Stefano, zelf ook op een kazerne gebouwd, net als de Sint Jan. Zie verderop. De oplevering van het deel tussen Amba Aradam en Colosseum staat officieel gepland voor december 2022. Op Piazza Venezia wordt het, hoewel de lijn op grote diepte wel onder de klassieke resten door kan, door velen voor onmogelijk gehouden een plaats voor een entree en uitgang te vinden. Er wordt zodoende over getwist of het - mede gezien de immense kosten - wel haalbaar is de lijn echt door te trekken. M5S (Grillo's vijfsterrenbeweging, met Romes burgemeester Virginia Raggi) was eerst - nog in de oppositie - tegen, maar nu voor. De Romeinen willen het, zei ze. En daar heeft ze vermoedelijk gelijk in, want het Romeinse openbaar vervoer is éen groot drama. En alle beetjes helpen. Geschatte kosten tot mei 2018, maar alleen tot en met Colosseum, 18.5 kilometer lijn, bovengrondse afstand 7.5 kilometer: ruim 3 miljard. Die halte, Colosseum, zou dus klaar moeten zijn in 2022, zo werd nog in 2019 geschat. De twee mollen, zoals de graafmachines worden genoemd (tmb: tunnel boring machines), leggen per dag 10 meter af. Colosseum wordt al in de zomer van 2019 bereikt, maar vervolgens is er twee jaar nodig om de twee resterende stations, op 2400 meter afstand van elkaar, en die eigenlijk zelf elk weer uit twee bestaan, Amba Aradam-Ipponio (35 meter diep) en Colosseum-Fori Imperiali namelijk, helemaal af te krijgen. Wel worden de al genoemde kazerne en het erbij horende museum van Amba Aradam pas in 2023 aangelegd, op 7 meter diepte. De onderdelen ervan, met wat uiteindelijk een oppervlak wordt van 1753 vierkante meter, staan op dit moment nog opgeslagen. De reizigers kunnen straks kiezen, direct naar de metro C, of het museum met de omvangrijke archeologische resten in.

31.1 sint jan in lateranen
Achter de kerk ligt een tweede plein, het Piazza San Giovanni. De kerk ligt dus ingeklemd tussen twee pleinen. Aan de kant van Piazza San Giovanni, onzichtbaar van het punt waar je de kerk betreedt, ligt ook het Lateraans Paleis, het baptisterium, officieel San Giovanni in Fonte, met aan de oostzijde een restant van het oude Lateraanse paleis, de Scala Santa, met de Kapel van het Sancta Sanctorum. Daar heeft de kerk, aan wat de lange noordzijde is, vlakbij de apsis, nog een belangrijke entree, de Loggia delle Benedizione, gebouwd door Domenico Fontana (1543-1607) voor Sixtus V (Peretti, 1585-1590). In de kerk zelf stond ooit de wolvin, evenals de spinario, die nu beide in het Kapitolijnse Museum staan. Op Piazza San Giovanni stond bovendien het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, waarvan men dacht dat het Keizer Constantijn was. De obelisk die daar nu staat, en die zich op het Circus Maximus bevond, waar hij in 1585 in drie stukken werd gevonden, is de oudste en grootste van Rome. Hij komt oorspronkelijk uit Thebe, en dateert uit de 15 eeuw vC.

Direct als je door de poort heen bent, zie je al direct wat nu de hoofdingang van de Sint Jan is. Bij het binnengaan van de kerk moet je je realiseren dat hij, evenmin als de Sint Pieter, is georiënteerd. De ingang ligt op het oosten - inderdaad, waar de zon opgaat - en de apsis op het westen, net zoals dat bij Griekse tempels gebruikelijk was. De hierbij getoonde, tamelijk vroeg in de ochtend genomen foto, toont dat ook. De ingang van een paleis, eerder dan van een kerk, hoor ik hier traditiegetrouw te zeggen. De immense bronzen hoofddeuren aan deze kant zijn die van de Curia, wel geen paleis, maar het senaatsgebouw dus op het Forum, deuren die via een kerk daar, de Sant' Adriano - die gebruik maakte van de Curia en werd gesloopt - ten slotte hier terecht zijn gekomen. Bij het verlaten van de kerk loop je (zoals gezegd) rechtsom het gebouw heen, waarna je op het Piazza San Giovanni komt.

31.1 Rome, Piazza Porta San Giovanni, Sint Jan, Oostzijde. Façade, 1734. Architect: Alessandro Gali(1691-1737). Foto: oktober 2004.

Rome, Sint Jan, Façade

31.2 Rome, Piazza San Giovanni, Sint Jan, Transept noordzijde. Loggia delle Benedizioni, met aan weerszijden het Lateraans Paleis, 1568. Architect: Domenico Fontana (1543-1607) De klokkentorens dateren uit de tijd van Pius IV (Angelo Medici, 1559-1565). Foto: oktober 2014

Sint Jan, Entree noordizjde Piazza San Giovanni

31.3 De kerk die kortweg Sint Jan wordt genoemd en in het Italiaans San Giovanni, heet voluit eigenlijk Santissimo Salvatore e Santi Giovanni Battista ed Evangelista in Laterano. Hij is opgedragen aan de Redder (Salvator, Jezus dus), aan Johannes de Evangelist en Johannes de Doper, die in het Nederlands inderdaad beiden ook Jan worden genoemd. De kerk is de kathedraal van de stad - wat wil zeggen dat de aartsbisschop van de stad (de paus in dit geval) hier officieel zijn zetel heeft - en van de wereld. Naast de kerk bevindt zich dan ook het aartsbisschoppelijk paleis. De kerk is - in elk geval in oorsprong - de oudste van de stad, al is wat je nu ziet grotendeels 17e eeuws. Want helaas heeft hij in zijn zeer lange historie weinig geluk gehad. Hij werd geplunderd door de Vandalen, getroffen door een aardbeving, twee keer verwoest door een brand en nog in 1993 aan de noordzijde beschadigd door een autobom, die daar door de maffia was geplaatst. Tot 1871 werden hier de pausen gekroond, hier werd in 1929 door Mussolini en Pius XI ook het Lateraans verdrag ondertekend, waarna de paus voor het eerst sinds 1871 het Vaticaan kon verlaten. En al veel eerder, in 1209, ontving Sint Franciscus van Assisi hier van Innocentius III (Lotario dei Conti di Segni, 1198-1216) toestemming zijn orde der Franciscanen te stichten, besluit waar sommige andere pausen al snel spijt van kregen.

31.3 Rome, Sint Jan. 1 Façade en portico (1735) van A. Gali2 Fresco van Bonifatius VIII die het Jubileum van 1300 uitroept, van Giotto 3 Torloniakapel 4 Massimokapel 5 Cenotaaf van Silvester II († 1003) 6 Pauselijk altaar; erboven baldakijn (1367) van Giovanni di Stefano, daaronder confessio (ca. 1443) met het graf van Martinus V († 1431), van Ghini, 7 Graf van Innocentius III († 1216) van Lucchetti (1891), met rechts daarvan (zonder nummer) de Loggia delle Benedizione; 8 Presbyterium 9 Apsis met mozaïeken (ca. 1290) van Jacopo Torriti en Jacopo da Camerino (verplaatst in 1884) 10 Oude sacristie 11 Colonnakapel 12 het klooster 13 Corsinikapel. Rechtsboven (noordwesten): San Giovanni in Fonte, 14 Doopvont 15 Kapel van Sint Johannes de Doper, 16 Kapel van SS. Rufinia e Secunda (ofwel: van St. Cyprianus en St. Justinus 17 Kapel van St. Venantius 18 Kapel van St. Johannes de Evangelist 20 Hof. Bron: Gunn 1981

Rome, Sint Jan, Kaart: Gunn

31.4 De naam Lateranen dankt de kerk aan het feit dat een rijke patriciër (Plautius Lateranus) de grond hier in bezit had. Plautius, die betrokken zou zijn geweest bij de samenzwering van de Pisoni, werd onder Nero terechtgesteld, waarna het gebied veel later in handen kwam van Constantijn, als bruidsschat van zijn tweede vrouw Fausta. Aangenomen wordt dat Constantijn kort na de slag bij de Milvische brug in 312, die hem alleenheerser van het westelijk deel van het Romeinse rijk maakte, als ex voto de bouw van de kerk begon. Die zou een aanvang hebben kunnen nemen in de winter van 312 op 313, toen de keizer zelf nog in de stad was. Het liber pontificalis vermeldt dat de kerk door Constantijn begonnen werd onder Paus Silvester (314-335). De kerk zou voor 324 voltooid geweest zijn, terwijl er aanwijzingen zijn dat ze al in 318 werd gewijd. Daartoe had hij de christelijke gemeente in het zuidoostelijk deel van de stad, dat dus Lateranus werd genoemd, een aantal grondstukken ter beschikking gesteld: een therme, een badhuis dus, een hof met woonruimtes en een aangrenzend stuk grond, en het grondgebied van de voormalige keizerlijke garde, een kazerne dus, castra nova equitum. Na zijn overwinning had Constantijn de garde ontbonden en de kazerne opgeheven. Het gebouw werd neergehaald, de fundamenten opgevuld, zodat het geheel een terras bood voor de te bouwen kerk. Dat laatste was wel pikant. Die kazerne was gebouwd onder Septimius Severus en de garde die erin huisde, had bij Constantijns strijd met Maxentius, die zelf in Rome verbleef, de kant van de laatste gekozen. Het is misschien nog aardig te vermelden dat bij de aanleg van een andere basiliek, die van SS. Marcellino e Pietro, tegen het mausoleum van Helena aan gelegen, aan de Via Labicana, waar de troepen over een excercitieterrein en een kerkhof beschikten, die ook al werden gebruikt om de basiliek in kwestie te bouwen. De grafstenen van de gardisten werden benut voor het fundament van de basiliek. Blijkbaar was Constantijn bang dat we hem niet zouden begrijpen. De Sint Jan moet zijn gebouwd in de relatief korte periode van zo'n 5 jaar. Dat is snel, maar dergelijke bouwtijden gelden ook voor andere grote monumenten uit deze periode, de Thermen van Diocletianus bijvoorbeeld en de Basiliek van Maxentius. Blijkbaar beschikten de keizers over een goed georganiseerde groep bouwers. Archeologisch onderzoek in de jaren tussen 1934 en 1938 heeft al vastgesteld waar zich onder de kerk de muren van de kazerne en daar weer onder die van woonhuizen uit de eerste en tweede eeuw bevonden, met ook de eerder vermelde domus van de Laterani. Die bleek dus al onder Septimius Severus te zijn overbouwd. Ook hoe de kerk er precies uitzag, is inmiddels wel vast komen te staan: een vijfschepige basiliek, 100 meter lang, 55 meter breed, van ongeveer hetzelfde formaat dus als de Basilica Ulpia op het Forum van Trajanus. Een middenschip van 90 meter lang, 27 meter hoog en 18 meter breed, waarvan de bovengalerij werd gedragen door een rechte architraaf waaronder twee rijen van 19 zuilen via bogen waren verbonden. De halfronde apsis sloot direct aan op het middenschap en beide hadden vensters. De twee buitenschepen waren lager, 15 en 9 meter hoog, en liepen niet door tot de apsis, maar eindigden elk in een uitspringende kapel. Het huidige dwarsschip en de apsis zijn een toevoeging uit de dertiende eeuw. De binnenschepen hadden geen eigen belichting. Voor de belichting van de buitenste zijschepen waren er vensters in de buitenmuur, maar het aantal ervan is onbekend. De façade aan de oostzijde had drie portalen met drie raampartijen die op het middenschip uitkwamen. Waarschijnlijk beschikte de basiliek daar ook over een atrium, maar daar zijn geen resten van gevonden.

31.4 Rome, Sint Jan, Reconstructie van de Constantijnse Lateraanse basiliek. Onwerp: H. Brandenburg, tekening K. Brandenburg. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Reconstructie van de Constantijnse Lateraanse basiliek

31.5 Een muurschildering van Filippo Gagliardi van ongeveer 1650 in de San Martino ai Monti, een kerk op de Esquilijn, toont misschien wat Borromini (die betrokken was bij de herbouw in de zeventiende eeuw) en zijn tijdgenoten dachten: basilica, houten dak, twee zijschepen met elk een zuilenreeks, boogverbinding, de buitenste schepen lager dan de binnenste, apsis met sacristie aan weerszijden, 100 meter lang, ruim 50 meter breed, baptisterium achter de kerk. De apsis was gewoon bekleed met goudblad, maar niet met een afbeelding. Die zaten er dus niet zo ver naast.

31.5 Rome, San Martino ai Monti, Filippo Gagliardi (1606/08-1659), muurschildering met het interieur van de Constantijnse Lateraanse Basiliek, 1640-1650. Bron: Brandenburg 2013

Filippo Gagliardi (1606/08-1659), muurschildering met het interieur van de Constantijnse Lateraanse Basiliek, 1640-1650

31.6 Vast staat in elk geval dat het exterieur van de Sint Jan als model diende voor veel andere christelijke kerken. In 910 werd hij, na door een aardbeving te zijn getroffen, gerenoveerd. Toen al gold hij als een wereldwonder. Bij een heftige brand in 1308 werd de kerk wederom zwaar beschadigd, waarna hij werd herbouwd, tot een brand in 1361 de kerk opnieuw in de as legde. Op dat moment lagen er in de kerk al zeven pausen begraven. Na de brand van 1366 werd, bij de terugkeer van de pausen uit Avignon, de pauselijke zetel uit het Lateraans Paleis verplaatst naar het Vaticaan. In de 14e eeuw werd de kerk volledig nieuw opgetrokken en in 1586 haalde Sixtus V (Peretti, 1585-1590) er weer eens zijn favoriete architect bij, Domenico Fontana (1543-1607) die de kerk herbouwde en ook de loggia aan de noordzijde aanbracht, waar Gallilater zijn neo-klassieke façade voor zette. Fontana ontwierp ook het Lateraans Paleis en zette de portico voor de Scala Santa. In de 17e eeuw renoveerde Borromini (zoals gezegd) de kerk namens Innocentius X nog een keer. Ten slotte werd tussen 1734 en 1736 de oostelijke façade toegevoegd. Eigenlijk was die op dat moment bedoeld als hoofdingang (nu links om de hoek vanwaar je binnenkomt). Maar pas tussen 1733 en 1736 zou de huidige neo-klassieke, paleis-achtige entree over Fontana's loggia heen gebouwd worden, nota bene door een mathematicus annex architect die Alessandro Galliheette (en die familie was van de beroemdere Galileo) en die was gevraagd door Paus Clemens XII (Corsini, 1730-1740). Daarvoor moest eerst een wedstrijd winnen waarop ook meer dan 20 andere architecten hadden ingeschreven. Tussen 1875-1885 werd de oorspronkelijke apsis (die dus op het westen ligt) in ere hersteld, en de mozaïeken (van de Franciscaan Torriti, dezelfde als van S.M. Maggiore) weer in hun oude ontwerp aangebracht. Helaas werden de originelen daarbij verwoest en vervangen door kopieën.

31.6 Rome, Sint Jan, Huidig interieur met apsis, richting westen. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Sint Jan, Huidig interieur met apsis, richting westen

31.7 Voor Constantijn moest de kerk blijkbaar alleen al door het gebruik van de publieke basilica een duidelijke breuk betekenen met de tituli die tot dan toe de private plaatsen waren waar christenen bijeenkwamen, zo denkt bijvoorbeeld Krautheimer, ook al lag de kerk aan de rand van de stad, op keizerlijk terrein. Voor de nabij gelegen Santa Croce in Gerusalemme gold per slot van rekening iets soortgelijks, gebouwd als hij zowat was in het paleis van Constantijns moeder, Helena, het zogenaamde Palazzo Sessoriano. Een deel daarvan werd rond 320 tot kapel verbouwd en later (ook) tot basilica, door er gewoon een apsis aan te bouwen en schepen in aan te brengen. De Sint Jan moet lange tijd een zeer landelijke indruk hebben gemaakt, gelegen als hij was tussen het groen en op flinke afstand van het centrum van de stad De twee kerken zijn, samen met de Sint Pieter, de enige bouwwerken die Constantijn binnen de muren aan het christendom spendeerde, maar buiten de muren zou hij op dat punt heel wat actiever zijn. Daar zal ik te zijner tijd meer aandacht aan besteden, als ik me waag aan de gebieden daar, met wat in origine eigenlijk overdekte begraafplaatsen waren, San Sebastiano, een soortgelijke funeraire basilica bij het Graf van San Lorenzo, en éen aan de Via Labicana, gewijd aan Marcellinus en Petrus, met het mausoleum van Helena, Constantijns moeder en ten slotte éen gewijd aan Sant' Agnese met het nabij gelegen Mausoleum van Costanza, Constantijns dochter Constantina (of Constantia). In wezen wijkt de Constantijnse Sint Pieter niet af van dergelijke bouwwerken, overdekte begraafplaats als de kerk welbeschouwd aanvankelijk was.

31.7 Rome, Sint Jan, ca. 1870. Privécollectie. Bron: Krautheimer 1980 pag. 23

Rome, Sint Jan, ca. 1870

31.8 klooster sint jan
Het klinkt vervelend om te zeggen, maar heel veel is er in de kerk niet te zien. Zelfs de apsismozaïeken werden in 1885 bij een reconstructie van de apsis verwoest en zijn vervangen door kopieën. Het klooster aan de zuidzijde is echter beeldschoon. Het werd tussen 1222 en 1235 aangelegd door de gebroeders Vasalletto, net als dat van de Sint Paul buiten de Muren. De put in het midden dateert uit de 9e eeuw. En als je de kerk betreedt of verlaat, is het grappig je te realiseren, dat hier, in de voorhal van de kerk lange tijd een soort toilet­stoel stond, een stoel met een gat erin dus, de zogenaamde sedia stercatoria, de "meststoel", waarop de nieuwe paus diende plaats te nemen, om hem te doen beseffen dat hij een gewoon mens was. Na het omstreden optreden van de legendarische pausin Johanna moesten pausen op een andere marmeren stoel plaatsnemen, zodat de jongst aanwezige geestelijke kon vaststellen dat de paus van het mannelijk geslacht was: testiculos habet et bene pendentes: hij heeft testikels en ze hangen goed. De stoel staat nu in het Vaticaan (maar is niet voor het publiek te zien) en de gewoonte werd in 1513 afgeschaft, bij het aantreden van Leo X.

31.8 Rome, Sint Jan, klooster. Foto: oktober 2005

Rome, Sint Jan, Klooster

31.9 baptisterium
Samen met de Sint Janskerk richtte Keizer Constantijn volgens het liber pontificalis - een middeleeuwse reeks biografieën van pausen, en niet altijd even betrouwbaar - in de nabijheid van de kerk ook een doophuis op, dat in de kroniek nog fons sanctus wordt genoemd: heilige bron. De doop was in die eerste eeuwen nog een veel belangrijker ceremonieel dan het nu is en niet per se éen voor kinderen. Veel volwassenen waren als nieuwe gelovigen ongedoopt en éen van de belangrijkste functies van kerken die in de eeuwen erna zouden gaan verschijnen, was die doop te verzorgen, iets wat aanvankelijk vooral gebeurde met Pasen, in aanwezigheid van de bisschop zelf (de paus dus) en de hele gemeente.

31.9 Rome, Sint Jan, Baptisterium San Giovanni in Fonte (links) en de oorspronkelijke, klassieke ingang van het baptisterium (rechts). Bron: Brandenburg 2013

Rome, Sint Jan, Baptisterium San Giovanni in Fonte

31.10 Dit baptisterium, als vroegste exemplaar van een buiten de kerk gelegen rond- of polyginaalbouw, maakte gebruik van een vorm die in de Romeinse keizertijd bij tal van gelegenheden werd gebruikt, in thermen natuurlijk, maar ook als vestibule van villa's, als nymphaeum in tuincomplexen en als grafbouw. De locatie hier, ten noordwesten van de kerk, waarbij gebruik is gemaakt van de afvoer van een badinrichting die hier blijkbaar in oorsprong lag, bewijst dat ook. Dat het gebouw apart naast de kerk stond, werd ingegeven door de functie ervan. Het bekken dat voor het ritueel van essentieel belang is, lag in het midden ervan.

31.10 Rome, Sint Jan, Baptisterium San Giovanni in Fonte, interieur. Foto: oktober 2014

Sint Jan, Baptisterium

31.11 Het baptisterium van de Sint Jan, officieel San Giovanni in Fonte geheten, lijkt op het mausoleum dat Constantijns dochter (of een ander lid van de familie) liet bouwen en dat nu Santa Costanza heet, omdat het een kerk werd. Die ligt aan de noordkant van Rome, naast de Sint Agnes buiten de Muren. Net als dat gebouw heeft ook dit een deambulatorium, een ronde zuilengang om een met een tongewelf overkluisde centrale ronde ruimte heen. Rondom liep een clerestorium (een lichtbeuk), met acht grote vensters. De narthex heeft aan elk eind een apsis en de ingang wordt aan beide zijden ondersteund door klassieke zuilen. In de rechterapsis (oostzijde) zijn de mozaïeken bewaard gebleven. Het tongwelf boven het ambulatorium was uitgerust met mozaïeken, die in de zestiende eeuw nog zichtbaar waren. Daarboven bevond zich een koepel, misschien vervaardigd van hout, of riet, net als het dak van Santo Stefano Rotondo, kerk die qua structuur op dit baptisterium lijkt (al heeft die een inwendig doopvont).

31.11 Rome, Sint Jan, Baptisterium San Giovanni in Fonte, interieur. Foto: oktober 2014

Sint Jan, Baptisterium

31.12 Krautheimer (bijvoorbeeld) wijst erop hoe zo'n hele inrichting de herleving van de klassieke oudheid verraadt, die in de vijfde eeuw alom zichtbaar is, in kerken als de Santa Pudenziana, de Sint Paul buiten de muren, de Santa Sabina en Santa Maria Maggiore. Hoogtepunt van die ontwikkeling viel tijdens de pontificaten van Sixtus III (432-440) en vooral Leo de Grote (440-461), die misschien verantwoordelijk was voor de programma's volgens welke de decoratieve schema's van apses en wandmozaïeken in die kerken werden aangebracht. Een en ander bewijst ook dat de pauselijke macht in Rome groeiende was, dat hij gelijktijdig verantwoordelijk was geworden voor de klassieke traditie, terwijl het ook zijn macht bewees als Romeinse bisschop. Voor Romeinen en voor vreemdelingen bleven ondertussen de martelaarsgraven buiten de muren een grote aantrekkingskracht behouden. Verschillende pausen lieten er zich begraven, net als veel gelovigen hadden gedaan. Bij die graven verschenen zodoende ook basilica's, waaruit ten slotte een paar zeer grote kerken zouden groeien. De Sint Jan lag - we merkten het al op - tamelijk excentrisch en de locatie was bovendien niet verbonden met martelaren, zoals veel gelegenheden buiten de muren. Dat was vermoedelijk een zuiver pragmatische beslissing van Constantijn: een beetje opvallen mag wel, maar niet teveel. Toen de Sint Pieter verscheen, was die dat wel, verbonden als hij was met éen van de twee op dat moment beroemdste martelaren bovendien (Paulus was de andere) en tussen de Sint Jan en de Sint Pieter zou geleidelijk een zekere concurrentie ontstaan en daarvan zou nog eeuwenlang sprake zijn. Het probleem, zo schrijft Krautheimer, zou pas worden opgelost doordat de Sint Pieter en de omgeving ervan dichter bij het centrum kwamen te liggen. Maar voorlopig was het nog zo dat de doop diende te geschieden met Pasen, door de bisschop zelf, en daarvoor was de locatie van Lateranen onhandig, al lag de kerk, in tegenstelling tot de Sint Pieter wel binnen de muren. Ten slotte vond de doop ook plaats op andere tijdstippen dan Pasen, en aan het eind van de vierde eeuw verschenen ook elders baptisteriums, zowel in, als buiten de stad. Die buiten de muren bedienden vooral pelgrims, die de martelaarsgraven bleven bezoeken en de doop daar effectiever achtten. Binnen de muren verschenen baptisteriums bij alle nieuwe kerken die toen werden gebouwd, terwijl soms ook de oudere er nu éen kregen. Bovendien begonnen diensten van de paus plaats te vinden in andere kerken, die er daarvoor speciaal in uiteraard plechtige optocht heen ging. Krautheimer schrijft dat er in de twaalfde eeuw 89 van dergelijke processies bestonden. Maar ook in de vijfde eeuw bestonden ze dus al en ze vonden steeds plaats op een dag die met een bepaalde kerk verbonden was, die in Santa Croce in Gerusalemme met Goede Vrijdag, die in S. M. Maggiore met Kerst en die in Santo Stefano Rotondo met Sint Stefanus (de dag na kerst). Niet toevallig zijn dat allemaal kerken op een relatief geringe afstand van de Sint Jan. Over een eigen clerus beschikten zulke kerken niet. Ze werden bediend uit de hoofdkerk. Het waren bovendien allemaal grote kerken, die gemakkelijk de hele gemeente konden bevatten. Het waren, zo schrijft Krautheimer, verlengstukken van de Sint Jan geworden. Er blijkt ook uit dat de pausen bezig waren de kaart van Rome te herzien, met een flink aantal kerken die allemaal in de omgeving werden bediend uit diezelfde Sint Jan, terwijl er tussen die grotere kerken ook nog kleinere ontstonden als een soort tussenstap. Die zuidoosthoek van Rome begon zich te ontwikkelen tot een nieuw soort kerkelijk centrum, maar uiteindelijk zou het allemaal anders lopen. Want aan die ontwikkeling kwam in de volgende eeuw plotseling een eind.

31.12 Rome, Sint Jan, Baptisterium San Giovanni in Fonte, mozaïek in de oostelijke apsis van de narthex. Foto: oktober 2014

Baptisterium San Giovanni in Fonte, mozaïek in de oostelijke apsis van de narthex

31.13 scala santa en sancta sanctorum
Het aan de oostkant van het Piazza San Giovanni gelegen gebouw, waarin zich de zogenaamde heilige trap bevindt, en de kapel van het allerheiligste werd in 1589 gebouwd door Domenico Fontana, de man die ook een deel van de façade ontwierp waardoor je nu de Sint Jan binnengaat. Al in de 15e eeuw werd de trap van het oude Vaticaans paleis geïdentificeerd als de trap voor het huis van Pilatus, waarlangs Christus na zijn veroordeling was afgedaald. Dat zijn van die dingen. De moeder van Constantijn, Helena, die wel meer zaken meebracht naar Rome, zou ook voor het transport van de trap hebben gezorgd. De 28 marmeren treden zijn inmiddels beschermd door houtboard, en je mag alleen op je knieën omhoog. Nee, stel je niet aan. Dit is uiteraard de trap die door de stokoude non wordt bestegen in Sorrentino's Grande Bellezza. Bovenaan ligt de altijd gesloten kapel van het Sancta Sanctorum, of de kapel van Sint Laurentius. Die ontsnapte aan de renovatie onder Sixtus V (Peretti, 1585-1590), zodat de kapel nog de oorspronkelijke mozaïeken bevat. Hier liggen de kostbaarste relikwieën uit het oude Lateraanse Paleis. Zo bevindt zich hier in een zilveren tabernakel een schilderij van Christus, dat uit de 5e eeuw zou kunnen dateren, maar waarvan wordt beweerd dat het ooit is begonnen door de apostel Lucas, overigens de patroonheilige van de kunstenaars. Enne, was er ook niet iets met een jongensboek van Harry Mulisch, zaliger?

31.13 Rome, Sint Jan, Sancta Sanctorum. Bron: Vaticaanse musea, in: Hall 2005

Rome, Lateraan, Sancta Sanctorum

SANTA CROCE IN GERUSALEMME

32.1 Van de zeven Romeinse pelgrimskerken is de Santa Croce in Gerusalemme vermoedelijk de grote onbekende. En dan is ook de locatie, niet ver van Porta Maggiore, nog eens weinig aantrekkelijk. Zo druk als bij de Sint Jan is het hier in elk geval niet. En hoewel de kerk in oorsprong erg oud is, dateert wat je nu ziet bovendien voornamelijk uit de achttiende eeuw. Mocht dat allemaal weinig aantrekkelijk klinken, de kerk is toch interessant vanwege zijn lange geschiedenis. Net als de Sint Jan lag ook de Santa Croce, zoals we hem verder maar zullen noemen, binnen de muren. Met de achterzijde ligt hij aan tegen wat ooit het zogenaamde Amphitheatrum Castrense was, waarvan toen de Aureliaanse muur werd aangelegd een deel van de buitenmuur werd gebruikt als bastion. De kerk zelf en de geschiedenis ervan is nauw verbonden met tal van andere gebouwen in de omgeving. We bevinden ons hier trouwens ergens tussen de uiterste zuidelijke rand van de Esquilijn en de oostelijke van het Caelius.

32.1 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, vanuit het zuidwesten. Midden links: 18e-eeuwse façade, campanile (1144) en kloostergebouw; op de voorgrond de Aureliaanse muur en het ovaal van het Amphitheatrum Castrense dat deel uitmaakte van het Sessorium. Midden rechtsachter: resten van Arcus Neroniani, ook wel aquaduct van Nero. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Croce in Gerusalemme

32.2 horti spei veteris
De Santa Croce was, na de Sint Jan en de Sint Pieter chronologisch gezien de derde kerk die onder Constantijn werd gebouwd. Het belangrijkste verschil met die andere twee is dat, waar die als nieuwe gebouwen verrezen, deze kerk werd aangebracht in een bestaand gebouw. Daarmee lijkt hij, qua traditie, op de bouw van de Santi Cosma e Damiano en de Santa Maria Antiqua, want ook die op het Forum gebouwde kerken maakten, weliswaar in een later stadium en al ging het daarbij om publiek bezit, gebruik van reeds bestaande gebouwen. Bijgaande foto van rond 1875 laat zien hoe de kerk toen nog in de weilanden stond.

32.2 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, rond 1875. Albuminedruk, 18.8 x 24 cm. Foto: Anoniem. Bron: Bechhetti 1991

Rome, Santa Croce in Gherusalemme, ca. 1875

32.3 De kerk zou zijn verrezen in een hal van een keizerlijk paleis, betiteld als sessorium, of palatium sessorianum, waarvan een deel zich nu onder de kerk bevindt. Het behoorde toe aan Constantijns moeder, Helena. Het paleis bevond zich op een groot keizerlijk grondgebied dat zich uitstrekte van de Esquilijn tot aan de oostelijke hellingen van het Caelius, terwijl het aan de zuidkant tot buiten de Aureliaanse muur liep. Het gebied met park en villa's werd aangelegd onder Septimius Severus en uitgebreid onder Heliogabalus (218-222), in een gebied dat gewoonlijk Ad spem veterem werd genoemd, reden waarom het complex zelf Horti Spei Veteris ging heten. De naam, bij de (schrijn van) oude Hoop, ontleende het aan een tempel die hier stond, een Tempel van Spes (hoop dus), gewijd in 477vC, en de toevoeging veterem (van: vetus, oud) was bedoeld om de tempel te onderscheiden van het latere, gelijknamige exemplaar op het Forum Holitorium van ca. 260 vC. Op en in die Tempel van Spes werd misschien in een later stadium, met gebruikmaking van materiaal ervan de San Nicola in Carcere gebouwd. In de vierde eeuw telde het gehele complex ten slotte nymphaeums, paleizen, basilica's (ontvangstruimtes), een amfitheater, een circus, een thermencomplex en een uitgestrekt park. Een van zulke resterende bouwwerken beschreef ik al helemaal aan het begin, omdat het zich vlakbij Termini bevindt, de Minerva Medica, waarbij het in werkelijkheid om een nymphaeum ging dat onderdeel uitmaakte van ook zo'n complex als dit, de Horti Liciniani. Vlakbij Porta Maggiore (in de oudheid Porta Prenestina) liggen in de zuidoosthoek van de muur nog aanzienlijke resten van het paleis van Heliogabalus zelf, resten die al sinds de renaissance worden aangeduid als Tempel van Venus en Cupido, omdat er een beroemd beeld met die naam werd gevonden (nu in de Vaticaanse Musea), maar waarbij het de resten betrof van een basilica met een apsis. Een ander is het hier eerder genoemde Amphitheatrum Castrense, dat afgezien van het Colosseum een tijdlang het enige amfitheater in Rome was en te oordelen naar de naam verbonden was met het Sessorium, het keizerlijke paleis dus. De Aureliaanse muur deelde het amfitheater ten slotte rond 275 in tweeën en maakte van een deel van de muur een vooruitgeschoven bastion. Bij het circus ging het om het Circus Varianus, dat ten zuidoosten van het amfitheater lag en dat, hoewel het in oorsprong groter moet zijn geweest dan het Circus Maximus, uiteindelijk op een klein deel na buiten de muur zou komen te liggen. Het paleis, waarvan de Santa Croce deel zou gaan uitmaken, was via een zuilengang met het circus verbonden, situatie waar een eind aan kwam door de aanleg van de Aureliaanse muur. Veel meer dan 50 jaar kan het niet in gebruik geweest zijn. Het hele complex moet vergelijkbaar zijn geweest met de Villa van Gordianus aan de Via Prenestina (met diens zogenaamde mausoleum) en die van Maxentius (met diens circus) aan de Via Appia.

32.3 Esquilijn, oostelijk deel. 1 Graf van Eurysaces 2 onderaardse basilica 3 Thermae Helenianae 4 Palatium Sessorianum 5 Amphitheatrum Castrense. Bron: Coarelli 2007, 54

Esquilijn, oostelijk deel, Coarelli

32.4 Dat hele complex, of wat ervan over was na de woelige decennia halverwege de derde eeuw en nadat de Aureliaanse muur er tussen 270 en 275 doorheen was gebouwd, kwam in handen van Constantijn, nadat hij bij de Milvische brug Maxentius had verslagen. Constantijn maakte van Byzantium als Constantinopel zijn nieuwe hoofdstad, maar zijn moeder Helena, naar beweerd een zeer gelovige vrouw, bleef in Rome wonen en die koos als verblijfplaats het paleis waarvan hier sprake was, het Sessorium. Die jaren aan het begin van de vierde eeuw waren tegelijkertijd ook de laatste periode van expansie, want daarna zou het gebied geleidelijk in het ongerede raken. Constantijn zelf was dus, nadat hij buiten de stad al heiligdommen had laten bouwen bij de graven van martelaren, ook verantwoordelijk voor de bouw van de Sint Jan en de Sint Pieter, dit keer in de stad zelf. Bij het keizerlijk gebied hoorde een latifundium, een stuk grond dat zich ver buiten de muren uitstrekte, tussen Via Praenestina, Via Labicana, Via Tuscola en Via Latina, de fundus Laurentum. Daar bouwde Constantijn al een later aan Petrus en Marcellinus gewijde basilica, waarvoor hij het kerkhof gebruikte van de keizerlijke garde. Die had zich in de strijd achter Maxentius geschaard. In de stad werd de Sint Jan deels op hun kazerne gebouwd. Het mausoleum bij de basilica was misschien ooit voor Constantijn zelf bedoeld geweest, zo meent Brandenburg, aan wie ik hier veel ontleen, maar uiteindelijk werd zijn moeder Helena er begraven, zodat het gebouw nu wordt aangeduid als Mausoleum van Helena, heden ten dage gelegen aan de Via Casilina. Helena liet het Sessorium renoveren en deed hetzelfde met de thermen die ze aantrof, zodat ze vervolgens naar haar werden hernoemd, Thermae Helenianae (zie nummer 3 op Coarelli's kaart), maar - zo schrijft Brandenburg - of de bouw van de kerk ook op haar teruggaat, is zeer de vraag, want in het Liber Pontificalis wordt ze niet als zodanig genoemd. De kerk werd in elk geval in een al bestaande zaal van het paleis aangebracht met stenen, die stempels uit de Severische tijd hebben (192-211). Maar dendrochronologisch onderzoek heeft uitgewezen dat de balken die de vensters dragen uit de periode van de tetrarchie zijn (van het eind van de derde eeuw dus) en dat er blijkbaar steen is gebruikt dat opgeslagen lag. De ruimte mat 36 bij 25 meter en was zo'n 22 meter hoog. Aan de zuidkant was ze met een overdekte zuilengang van 300 meter verbonden met het amfitheater en het Circus

32.4 Zaal van het keizerlijk paleis met de voor de kerk toegevoegde apsis en 12e-eeuwse campanile. Naar Ciampini, Vetera monimenta I, pl. 5. Bron: Brandenburg 2013

Santa Croce in Gerusalemme

32.5 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, gezicht op de paleisruimte van het Sessorium uit het noordoosten, met de in de middeleeuwen gedichte grote vensters in de bovenverdieping. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Croce in Gerusalemme

32.6 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, achterzijde, gezicht uit het zuid-oosten op de paleisruimte van het Sessorium met de voor de constructie van de kerk aangebouwde apsis. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Croce in Gerusalemme

32.7 De hal waar de kerk in werd gebouwd, vertoont alle kenmerken van de in de keizertijd zo veelvuldig aanwezige, van meer kanten toegankelijke bouwwerken, met facades in twee verdiepingen en vestibules. De muren ervan zijn aan de noord- en oostzijde van de huidige kerk nog zichtbaar, net als aan de apsiskant die later door het klooster werd overbouwd. Voor de inbouw van de kerk kreeg die hal een nieuwe oriëntatie, want aan de korte oostzijde werd een grote, bijna de gehele breedte van de hal beslaande apsis met een venster aangebouwd, waarmee de kerk tevens de eerste is in Rome die in oostelijke richting staat. Tegelijkertijd daarmee werd in een kleine ruimte achter de apsis, de huidige Helenakapel, van de rest van de ruimte gescheiden en door een overwelfde gang langs de apsis met de kerkruimte verbonden. De smalle westelijke kant (tegenover de apsis dus) beschikte over vijf deuren en diende als ingang. In het midden van de lengtewanden van de aula werden resten gevonden van twee dwarsmuren, die de zaal in twee grotere delen aan oost- en westzijde verdeelden, met een kleiner middendeel. Misschien was het de bedoeling de ruimte voor de gemeente te scheiden van die van het presbyterium. Een dergelijke verdeling was in de architectuur uit de keizertijd zeldzaam, afgezien dan wat er in thermenruimtes gebeurde of de Basilica van Maxentius. De dwarsmuren werden al onder Paus Gregorius II verwijderd, toen de kerk werd omgebouwd tot een drieschepige ruimte. Een paar jaar geleden werd bij opgravingen in een ruimte bij de apsis een met marmeren platen bekleed bekken van vier meter doorsnede gevonden, dat inmiddels wordt beschouwd als een doopbekken uit de tijd van Constantijn, maar of het bij de ruimte ging om een baptisterium is, gezien de geringe omvang ervan, niet duidelijk.

32.7 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, 01 Façade (1743) van Domenico Paolo Gregorini (1692-1777) en Pietro Passalacqua (1690-1748) 2 Ovale narthex 03 Ingesloten kapel met oud crucifix en veertiende-eeuws fresco 04 Schip met acht klassieke zuilen, 18e-eeuwse pilasters, cosmaten vloer en renaissance-waterbekkkens 05 Basalten urn met resten van S. Cesario en S. Anastasio 06 Hoogaltaar en graf (1536) van Kardinaal Francesco Quiñones, biechtvader van Karel V, door Jacopo Sansovino 07 Kapel van Sint Helena met mozaïeken die worden toegeschreven aan Melozzo da Forli; de aarde onder de vloer zou uit Jeruzalem komen, van Golgotha, vandaar de naam van de kerk 08 Gregoriaanse kapel (1523) gebouwd door Kardinaal Carvajal met een Pietà van een onbekende vroeg-17e eeuwse kunstenaar 09 Entree van de kapel van de relikwieën met delen het Ware Kruis en doornen uit de kroon van Christus 10 resten van het Amphitheatrum Castrense in de Aureliaanse Muur. Bron: Gunn 1981

Rome, Santa Croce in Gerusalemme

32.8 De kerk kreeg volgens het Liber Ponticalis van de keizer grond toegewezen die, net als die voor de Sint Jan, in de directe omgeving van de stad lag, aan de Via Labicana, de Via Appia en de Via Cassia. Of daarmee zeker is dat de kerk voor 324 werd ingericht, staat niet vast, want iets soortgelijks geldt ook voor andere kerken, zoals de Sant' Agnese en de San Lorenzo, die zeker van na 324 zijn. Brandenburg merkt op dat de kerk hier van een bijzonder belang is, juist omdat hij in een al bestaand gebouw werd aangebracht, want er blijkt hier wat als noodzakelijke wijzigingen werden beschouwd om het bruikbaar te maken voor de christelijke liturgie. Vooral het in een lengterichting overdwars plaatsen in een grotere ruimte, met aan weerszijden een apsis, lijkt een belangrijk element te zijn, evenals de verdeling in drie ruimtes om zo presbyterium en altaar te scheiden van de ruimte voor de gemeente. Onder Theodorik (474-525), die nog over het paleis beschikte, werd op het moment dat hij de thermen restaureerde, ook het kerkgebouw van de omliggende ruimtes afgesloten, blijkens daktegels met diens stempel. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk, zo schrijft Brandenburg, dat Constantijn in de aula in kwestie een soort paleiskerk had ingericht, zoals dat in het oosten wel gebeurde. Ik merk zelf maar op dat hij bijna uit principe, zo lijkt het soms, dit soort oostelijke invloeden voor onmogelijk houdt. Wat dat betreft lijkt hij in zijn opvattingen op Coarelli, die vaak iets soortgelijks doet. Afgezien daarvan, zo schrijft Brandenburg, was voor de bouw van de kerk de schenking van grond uiteindelijk niet nodig, omdat het gebouw zich al op keizerlijke grond bevond. Brandenburg lijkt (alweer) geloof te hechten aan wat het Liber Pontificalis schrijft, dat Constantijn de kerk stichtte om net als de Heilig Grafkerk in Jeruzalem een relikwie van Jezus' kruisdood te herbergen. De legende dat Helena in Jeruzalem het kruis vond, dateert pas van het eind van de vierde eeuw. Dat neemt niet weg dat ook latere vorsten aandacht aan de kerk zouden besteden. Galla Placida, dochter van Keizer Theodosius, en haar zoon Valentianus III lieten de kapellen in de apis met mozaïeken decoreren, daaronder éen met een afbeelding van Paus Celestinus (422-433) die nog in de zestiende eeuw zichtbaar was.

32.8 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, Façade, 1743, door Domenico Paolo Gregorini (1692-1777) en Pietro Passalacqua (1690-1748). Foto: Roloff Beny (1924-1984) in Gunn 1981

Rome, Façade van Santa Croce in Gerusalemme

32.9 De kerk werd al in 1144 herbouwd onder Lucius II, die ook de campanile liet aanbrengen. Het huidige gebouw dateert eigenlijk van een reconstructie onder Benedictus XIV in 1743-1744, toen ook de façade en de vestibule werden gebouwd. Het interieur is uit dezelfde tijd. Een trap aan het eind van het zuidelijke dwarsschip leidt naar de Kapel van Sint Helena. Er bevindt zich een mooi mozaïek, dat misschien van Melozzo da Forli is en dat werd hersteld door Baldassare Peruzzi. Het stelt Christus voor met de Evangelisten, Sint Pieter, Sint Paul, Sint Sylvester (die hier tijdens de mis stierf), Sint Helena en Kardinaal Carjaval. De zo dramatisch ogende façade, met zijn curves en diepe nissen en de ovale vestibule erachter werd rond 1744 gebouwd door Domenico Paolo Gregorini (1692-1777) en Pietro Passalacqua (1690-1748).

32.9 Rome, Santa Croce in Gerusalemme, interieur van de onder Benedictus XIV (Lambertini, 1740-1758) gerestaureerde kerk, met hergebruikte zuilen uit de Constantijnse en middeleeuwse kerk en de cosmatenvloer. Bron: Brandenburg 2013

Rome, Santa Croce in Gerusalemme, interieur

XI
CAMPUS MARTIUS

33.1 marsveld
De gymnasiast, maar ook de gewone medemens zal, misschien zonder het te weten, een flink deel van zijn tijd doorbrengen op de Campus Martius, als die ten minste de limonade wenst te consumeren op het Piazza Navona, op het pleintje voor het Pantheon of op Campo de' Fiori. Overigens is de limonade daar duur en de bediening niet altijd hoffelijk.

Het historische deel van het huidige Rome is verdeeld in genummerde riones (wijken) en dit deel heet nog steeds Rione IV, Campo Marzio. De Campus Martius is in essentie gewoon het vlakke deel van Rome, tussen Tiber, waarvan het de riviervlakte vormt, Kapitool, Quirinaal en Pincius, die de dichtstbij liggende heuvels zijn. Livius (II, 5) vertelt dat het stuk land tussen de Tiber en de stad toebehoorde aan de Tarquinii en dat het na de verdrijving van de koningen aan Mars werd gewijd, maar de benaming die hij het gebied al in de 6e eeuw vC. toekent, lijkt anachronistisch. Strabo vertelt, in zijn Geographica, dat Rhea Silvia, de vrouw die door haar oom Amulius werd gedwongen Vestaalse Maagd te worden, om er zo voor te zorgen dat ze geen nakomelingen kreeg, desondanks werd gepenetreerd door Mars, met als gevolg - u wist het al - de tweeling Romulus en Remus, waarna oom toch nog aan het kortste eind trok (Geographica 5.3.2). Volgens de legende zou Romulus van hier ten hemel zijn gevaren. Het gebied, dat in elk geval in de eerste eeuw al Campus Martius werd genoemd, was ten tijde van Cicero nog onbewoond, en werd pas omsloten door de muren van Aurelianus (270-275). Daarvoor lag het ook buiten het Pomerium; erbinnen mochten geen wapens worden gedragen en hier dus wel. Dit was in de oudheid en ten tijde van de republiek derhalve niet het beste deel van de stad: hier werden de legioenen getraind, hier werd gestemd, en de ambassadeurs die niet in de stad zelf ontvangen konden worden, kwamen hier terecht, buiten de muren, aldus bijvoorbeeld Livius (XXX, 21). Hier werden de keizers gecremeerd. Maar wonen deed niemand er, want tot Aurelianus in 275 zoals gezegd zijn muren aanlegde, lag het gebied erbuiten. Tot aan de derde eeuw vC. was het moerasachtige gebied vermoedelijk alleen seizoensgewijs bevolkt, van voorjaar tot herfst. Voor stedelijke activiteiten werd het blijkbaar nog niet geschikt geacht en de voornaamste evenementen die er plaatsvonden, waren van rituele en militaire aard. In 220 vC liet de censor Gaius Flaminius Nepos dwars door het gebied een weg aanleggen, de Via Flaminia en hij bouwde er ook zijn Circus Flaminius. De Circus was vanaf het begin verbonden met het plebs, want Flaminius was een leider van wat we maar de democratische partij zullen noemen en als zodanig een soort voorloper van de Gracchen. Hij probeerde de landhervorming op de agenda te krijgen. Hij was – even terzijde – ook de man die in 217vC bij het Trasimeense Meer tegen Hannibal ten onder ging. Het was geen toeval dat juist ten tijde van de Punische oorlogen het Marsveld interessant begon te worden voor andere dan militaire activiteiten. Met de steeds verder weg gevoerde oorlogen, die niet langer van het seizoen afhankelijk waren, begon het gebied aan burgerlijk belang te winnen. De concilia plebis vond hier plaats, de vergadering van het plebs. Maar er werden natuurlijk in eerste instantie paardenraces gehouden en van hier vertrokken ook triomferende generaals naar het Forum, volgens republikeinse traditie enkel en alleen op verzoek van de Senaat. Het open veld bleek ook geschikt om er de tempels te bouwen die door generaals in het heetst van de strijd met Romes vijanden werden opgedragen, soms aan vreemde goden die alleen buiten de muren mochten worden aanbeden. De schaal en het culturele belang van de Campus Martius maakte er een ideale locatie van om er op demonstratieve en opzichtige wijze de politieke ambities te tonen, zo schrijven Jacobs/Atnally Conlin in hun boek over het Marsveld.

33.1 Rome, Campus Martius, Monumenten, 146 vC. 01 Altaar van Dis Pater en Proserpina 02 Trigarium 03 Saepta/Ovile 04 Structuur in Villa Publica 05 Altaar van Mars 06 Tempel van de Nimfen (?) 07 Tempel van Hercules Musarum 08 Tempel van Pietas 9 Tempel van Diana (?) 10 Tempel van Hercules Magnus Custos 11 Tempel van Neptunus (?) 12 Tempel van Fortuna Equestris 13 Porticus van Octavius A Area Sacra Largo Argentina B Area van de Porticus van de Metelllii C Area Tempel van Apollo D Forum Holitorium. Bron: Jacobs/Atnally Conlin 2014, kaart 2

Rome, Campus Martius, 146 vC.

33.2 Ondanks de tempelbouw en de periodieke constructie van tijdelijke, nog houten theaters, zo schrijft Jacobs, zou het Marsveld nog tot in de eerste eeuw vC. vooral een plek blijven voor periodieke bijeenkomsten en feestelijkheden. Het was Pompeius die er als eerste - in 55vC. - zijn permanente, van steen vervaardigde theater bouwde, daarmee een belangrijke ontwikkeling in gang zettend. De vlakte werd drooggemaakt en van riolering voorzien, al zou dat periodiek plaats vindende overstromingen nooit helemaal voorkomen. In 13vC volgde het Theater van Balbus, in 12 vC dat van Marcellus, en eerder al, in 29 vC, zelfs een deels blijkbaar permanent amfitheater, dat van Statilius Taurus, een generaal van Augustus. Onder die eerste keizer nam het Marsveld geleidelijk de gedaante aan van een soort architectonisch showmodel. Er bevonden zich inmiddels porticussen, theaters, amfitheaters, tempels, zuilen, triomfbogen, thermen en schrijnen. Dat zou er ook toe leiden dat het Circus Flaminius geleidelijk zou worden opgegeten. Eén van de laatste vermeldingen dateert uit de tijd van Augustus, als er ter viering van de opening van zijn Forum met de Tempel van Mars Ultor een naumachie wordt gehouden. Van de architectuur van het gebouw is bijna niets bekend, omdat het blijkbaar al in de eerste eeuw nC verdwenen was. Zelfs de precieze locatie ervan was niet helemaal duidelijk. Tot in de jaren '60 van de vorige eeuw zocht men de resten in de buurt van de huidige Via delle Botteghe Oscure; lange tijd heeft men de resten van het Theater van Balbus daar verward met die van de Circus, terwijl men het Theater van Balbus zocht achter het Theater van Marcellus. We weten nu dat het andersom is. Wel bekend is natuurlijk de plek van het Stadion van Domitianus, dat die keizer (81-96), na een grote brand op het Marsveld, in de jaren '80 van de eerste eeuw liet neerzetten op de plaats waar nu Piazza Navona ligt. Het stadion was bedoeld voor Griekse atletiek, hardlopen, worstelen, discuswerpen, enzovoorts. Als zodanig was het door Domitianus met zijn zogenaamde Kapitolijnse Spelen bedoeld als tegenhanger van de Griekse versie in Olympia en er werden dan ook alleen bij uitzondering gladiatorengevechten gehouden. Het stadion was 275 meter lang, 106 meter breed en kon naar schatting 30.000 toeschouwers herbergen. Tribunes bevonden zich aan de twee lange zijdes en aan de korte noordkant. Het had twee verdiepingen en een façade van open arcaden met Ionische zuilen. De atletiekbaan werd nooit bebouwd en ontwikkelde zich dus tot het huidige plein.

Maar ook elders in het gebied loopt de onschuldige bezoeker heel wat steen tegen het lijf waarvan hij zich - mag je hopen - zal afvragen wat het ooit is geweest. Al dat steen achter het Pantheon, aan de oostkant? Ook Marcus Agrippa, maar in een door Hadrianus herstelde versie, Porticus van de Argonauten, eigenlijk onderdeel van de Saepta Julia. Die immense zuilen op het Piazza di Pietra? Tempel van Hadrianus. Nou ja, enzovoorts.

33.2 Rome, Campus Martius, Monumenten, 14 nC. 01 Mausoleum van Augustus 02 Horologium van Augustus 03 Ara Pacis 04 Aqua Virgo 05 Tempels van Isis en Serapis 06 Paviljoen in Villa Publica 07 Saepta Julia 08 Porticus Meleagri 09 Porticus Argonautarum 10 Pantheon 11 Stoa van Poseidon / Basilica van Neptunus 12 Thermen van Agrippa 13 Diribitorium 14 Tempel van de Nimfen (?) 15 Crypta Balbi 16 Theater van Balbus 17 Theater van Marcellus 18 Tempel van Diana (?) 19 Tempel van Castor en Pollux 20 Tempel van Hercules Magnus Custos 21 Tempel van Neptunus (?) 22 Tempel van Fortuna Equestris 23 Tempel van Mars in Circus Flaminius 24 Porticus van Octavius 25 Porticus van Pompeius 26 Theater van Pompeius 27 Hecatostylon / Porticus Lentolorum (?) 28 Euripus Virginis 29 Euripus Thermarum Agrippae 30 Stagnum Agrippae 31 Trigarium. A Area Sacra Largo Argentina B Area Porticus Octaviae. Bron Jacobs/Atnally Conlin 2014, kaart 3

Rome, Campus Martius, 14 nC

33.3 Het moeten voor de Romeinen barre tijden tijd geweest zijn, toen ze in de tijd van de invallen der barbaren noodgedwongen de heuvels verlieten en zich vestigden in het laag liggende marsveld. De barbaren vernielden de aquaducten, en derhalve zochten de bewoners hun heil in de buurt van de Tiber, omdat hier in elk geval water voorhanden was, zij het met regelmaat zoveel dat het gebied overstroomde. Geleidelijk trok de Romeinse bevolking zich dus hier samen. Het gevolg was dat hier middeleeuws Rome zou ontstaan. Daarvan is maar weinig meer over. De oostelijke grens van het gebied wordt gevormd door de Via del Corso, aangelegd over de oude Flaminia. Alles ten westen van de Corso, in de grote driehoek die wordt gevormd door de bocht van de Tiber, is nu renaissance-Rome. Maar heel wat van de paleizen uit de zestiende eeuw liggen nog langs het middeleeuwse stratennet van de veertiende.

33.4 tridente
De Romeinen zelf noemen het stadsdeel tegenwoordig (maar nog niet zo heel lang) il tridente (de drietand), vanwege de drie straten die vanaf Piazza del Popolo inderdaad als een drietand naar het zuiden lopen. Als je er doorheen wandelt, zul je je misschien verbazen over de hoeveelheid politie, de talrijke wegversperringen en de wachthokjes, waarin carabinieri zitten. Maar hier bevinden zich senaat, parlement, de ambtswoning van de premier en tal van andere overheidsgebouwen. Het was in 2010 al de bedoeling dat het hele gebied voetgangersgebied zou worden, maar ik geloofde er toen al niets van: één van de eerste dingen die de voor-voorlaatste burgemeester, Alemanno, bij zijn aantreden in 2008 deed, was het opheffen van het algemeen parkeerverbod in het gebied. Het was zijn opvolger, Ignazio Marino, chirurg van professie, die in februari 2014 beloofde voor de zomer de Tridente autovrij te maken, in elk geval van Piazza del Popolo tot Piazza di Spagna en Piazza Augusto Imperatore. Op Via del Fori Imperiali heeft hij dat al gedaan in de zomer van 2013. In juni 2014 werd vervolgens bekend dat de complete Tridente tussen Via di Ripetta en Via del Babuino vanaf 1 december 2014 autovrij zou worden - ook voor bezitters van een vergunning voor de zogenaamde ztl, de Zona à Traffico Limitato: zone voor beperkt verkeer - afgezien van het verkeer van lokale bewoners, bevoorradingsverkeer en taxi's. Het openbaar vervoer zou beperkt worden tot Ripetta en Babuino. Op Piazza di Spagna werd de taxistandplaats opgeheven. De bewoners werden geraadpleegd en zijn akkoord gegaan, maar veel winkeliers en hoteleigenaren protesteerden. Tijdens de persconferentie vertelde Marini dat hij zich nog herinnerde hoe er ooit op Piazza del Popolo geparkeerd kon worden en hij daar zelf veelvuldig gebruik van maakte, met als gevolg dat het plein éen grote parkeerplaats was. Misschien herinnert de lezer zich hier de zich in de jaren '70 afspelende scene in Scola's C'eravamo tanto amati, waar het gezelschap hun inmiddels rijkaard geworden vriend ervan verdenkt daar parkeerwacht te zijn geworden. Marini memoreerde in zijn persconferentie dat er kort na het parkeerverbod een heftige discussie was, maar dat inmiddels iedereen heeft ingezien dat de maatregel heeft gewerkt. Het definitieve verbod zou in moeten gaan op hetzelfde moment in dat de renovatie van het gebied rond Piazza Augusto Imperatore (bij de Ara Pacis) was voltooid. Dat leek de enige zwakke plek. De voltooiing in Rome van publieke werken duurt meestal aanzienlijk langer dan gepland. In oktober 2014 ging een proefweek van start, waarbij een flink deel van de tridente voetgangersgebied werd. Voor een deel van de wijk is het verbod inmiddels ingevoerd. Winkeliers en hotelhouders hebben zich ten slotte massaal verzet, maar in oktober 2015 werd het protest afgewezen, al gebeurde dat juist op het moment dat het lot van de burgemeester, Marino, aan een zijden draadje hing en hij vervolgens moest aftreden. Wordt vervolgd.

33.4 Rome, Campus Martius, Centrale deel. 01 Theater en Crypta Balbi 02 Area Sacra van Largo Argentina 03 Porticus Minucia Frumentaria en Tempel van de Nimfen (aan Via delle Botteghe Oscure) 04 Porticus van Pompeius 05 Theater van Pompeius 06 Odeon van Domitianus 07 Stagnum Agrippae 08 Thermen van Agrippa 09 Diribitorium 10, 11 Tempel van Isis en Serapis 12 Tempel van Minerva Chalcidica 13 Divorum 14 Ara Martis (?) 15 Thermen van Nero 16 Pantheon 17 Tempel van Matidia 18 Tempel van Hadrianus. Bron: Coarelli 2007, 68

Rome, Marsveld, Centrale deel

ROND PIAZZA DI SPAGNA

33.5 piazza di spagna
Hoewel plein, aangrenzende trappen en gebouwen nu ogen als een geheel, is het met lange tussenpozen ontstaan. In het Nederlands wordt het complex met een pars pro toto Spaanse trappen genoemd. Maar de kerk bovenaan de trappen dateert van rond 1500, de fontein van ongeveer 1630, de trappen zelf ontstonden tussen 1723 en 1726, de obelisk voor de kerk is van 1788 en de zuil beneden op het plein van 1860. Het onregelmatig gevormde Piazza di Spagna is een van de drukst bezochte plekken in de stad en vormde in de achttiende eeuw de plaats waar zich in Rome de Engelse kolonie bevond. Keats stierf aan het plein, op nummer 26, in het zogenaamde Casina Rossa (het rode huis), rechts naast de trappen. Nog steeds zijn er tal van Engelse gelegenheden in de buurt, variërend van de Engelse kerk aan de Via del Babuino tot Babington's Tea Room aan de Piazza di Spagna nummer 23, aan de kant van de trappen. Plein en omgeving stonden lang bekend als het ghetto degli Inglesi, de wijk van de Engelsen. Overigens woonde op nr. 31 van 1948 tot aan zijn dood in 1978 de beroemde Italiaanse schilder Giorgio de Chirico. Ook dit huis is nu een museum. In de herfst van 2014 werd de kerk bovenaan de trappen gerestaureerd, de Trinità dei Monti. Hoewel de restauratie van de trappen gepland stond voor het voorjaar van 2015, is ze pas in de herfst van dat jaar begonnen. Voltooid werden de werkzaamheden aan de in totaal 135 treden van travertijn in het najaar van 2016. De feestelijke ingebruikname geschiedde op 21 september 2016, onder de tonen van Rossini's ouverture tot de Barbier van Sevilla. Bulgari, dat voor de kosten van anderhalf miljoen opdraaide, stelde na de gedane arbeid voor de trappen 's nachts met een hek af te sluiten, dit om te voorkomen dat dronken jongeren het complex beschadigen. Die brengen er vaak, tot woede van de omwonenden, de hele nacht al hijsend door. Paolo Bulgari, directeur van het bedrijf, zei: Non si può consentire che una volta rimessa a posto torni una cloaca a cielo aperto. Non si può lasciarla in mano ai barbari che lì mangiano, bevono, sporcano. We kunnen niet toestaan dat de trappen, eenmaal op orde gebracht, weer een open riool worden. We kunnen hem niet overlaten aan barbaren die er eten, drinken en hem bevuilen. Barbari! Over het voorstel ontstond direct discussie. De tweede restauratie van de fontein beneden, noodzakelijk geworden na de komst van de Feyenoorders, werd al eerder voltooid. Het metrostaton hier is al sinds eind maart 2019 gesloten, vermoedelijk tot enkele weken na Pasen. En omdat het metrostation Repubblica al sinds december 2018 dicht is en er ook bij Barberini problemen zijn, betekent dat dat Metro Colosseo, of Flaminia voor het oude centrum de dichtstbijzijnde metrostations zijn.

33.5 Rome, Piazza di Spagna. Foto: mei 2009.

Rome, Piazza di Spagna

33.6 Het plein ontleent zijn naam aan het Palazzo di Spagna, vestiging van de Spaanse gezant bij het Vaticaan. Waar de Via Due Macelli op het plein uitkomt, bevindt zich het Collegio di Propaganda Fide, met een façade (aan de Via Propaganda) van Borromini. Het gebouw is het hoofdkwartier van de Jezuïeten. De friezen zijn bijzonder fraai. In het gebouw, dat extraterritorialiteit geniet, worden missionarissen opgeleid. In het midden van de zuidkant van het plein staat de Zuil van de onbevlekte ontvangenis van de maagd Maria, opgericht ter herdenking van het gelijknamige dogma, door Pius IX in 1854 afgeroepen. De zuil was afkomstig van het Marsveld.

33.6 Rome, even voorbij Piazza di Spagna: Zuil van de Onbevlekte ontvangenis. Ter rechterzijde op de achtergrond: het Palazzo di Propaganda Fide, extra-territoriaal gebied van de Heilige Stoel. Foto: mei 2013.

Rome, bij Piazza di Spagna, Zuil van de onbevlekte ontvangenis

33.7 Op het plein komt ook uit de Via Condotti, nu misschien wel de befaamdste winkelstraat van Rome, maar zeker de duurste. De straat werd zo genoemd omdat het aquaduct met de Aqua Vergine (ook wel Virgo) erdoor liep: condotti van het Latijn voor geleiden. Het meer dan 15 kilometer lange aquaduct dat door de Villa Giulia loopt, en het water verzorgt voor de Fonteinen op het Piazza di Spagna, die op Piazza Navona en de Trevi, werd in 19 v.C. door Agrippa de stad ingeleid voor zijn baden. De Goten en Bourgondiërs sneden de toevoer af in 537, die pas weer in de 15de eeuw werd hersteld. Het water is naar beweerd het beste van Rome. Omdat de huizen eromheen hun water krijgen van de Marcia Pio, een ander aquaduct, haalden mensen nog niet zo lang geleden soms hun water uit de fontein. Als je vanaf Piazza Di Spagna de Via Condotti inloopt, bevindt zich direct aan de rechterhand het beroemde Antico Caffè Greco, waar o.a. Goethe, Wagner, Liszt en Casanova ooit hun koffie dronken (maar ook Buffalo Bill, Schopenhauer, Ludwig II van Beieren en Mark Twain). Het bestond al in 1744. De koffie is er uitzonderlijk duur, maar een bezoek is werkelijk de moeite waard, ook al is de atmosfeer er gedempt. Op nr. 68 bevindt zich hier de kleinste soevereine staat ter wereld, namelijk het hoofdhuis van de Orde der Maltezer Ridders. Wie er lid van wil worden: eerst zestien adellijke voorouders kunnen aantonen in minstens twee eeuwen. Midden op het plein staat een obelisk, die in de 2de of 3de eeuw uit Egypte kwam (toen ook de hiëroglyfen erin werden gegraveerd, gekopieerd van de obelisk op het Pizza del Popolo) en die er in 1788 door Pius VI werd neergezet.

33.8 trappen
De kerk bovenop stond oorspronkelijk aan de rand van een flinke en zwaar begroeide afgrond, waar bovenaan in de keizertijd de villa van Lucullus stond, de lekkerbek. Er liep alleen een steil, smal pad naar boven. De kerk is nu te bereiken via de Scalinata della Trinità dei Monti, gewoon de Spaanse trappen dus. De restauratie ervan op kosten van Bulgari werd half september 2016 beëindigd en de trappen zien er weer uit als nieuw. Kosten? Anderhalf miljoen euro. Ze werden tussen 1723 en 1727 aangelegd door Alessi Specchi en Francesco De Sanctis. De trappen zelf werden genoemd naar de Spaanse ambassade die aan de zijkant van de trap lag. Een beetje onrechtvaardig is dat wel, want daarmee ging Spanje in feite strijken met een trap die met Frans geld is gebouwd. In de 17de eeuw werden in Franse kringen plannen gemaakt voor een trappencomplex, voor welke onderneming de Franse ambassadeur bij het Vaticaan de nodige gelden naliet. De kerk, die bovenop ligt, is van oudsher de Franse kerk in dit deel van Rome. Vandaar de Franse belangstelling en het Franse geld voor de trap. Het plein onderaan heette oorspronkelijk ook Piazza di Francia. Dat de trap uit drie etages bestaat, is geen toeval. Met deze driedeling wilde de ontwerper een verband leggen met de Kerk van de Heilige Drie-eenheid, de S. Trinità dei Monti, die - samen met de onvermijdelijke obelisk - bovenaan staat. De dubbele trap komt uit op een balustrade, waarna ze zich weer splitst om aan de top samen te komen. Bovenaan de trappen ligt, zoals gezegd, het Piazza della Trinità dei Monti, met een beroemd uitzicht over Rome. Hier staat ook de Franse kerk van Rome, de Trinità dei Monti, vastgebouwd aan het Franse klooster van de Miniemen, dat in 1493 door Lodewijk XII werd begonnen. Erachter ligt de Villa Medici, nu het Frans cultureel instituut. Berlioz en Debussy verbleven er, om eens een paar namen te noemen, Ingres was er directeur en de schilder Baltus ook. In de jaren zestig van de vorige eeuw zag Dr. L. van Egeraat, een in die tijd befaamd, maar nu vergeten auteur van reisgidsen, aan de voet van de Spaanse Trappen existentialisten zitten: Ze zijn te herkennen aan hun onverzorgde baard. Ze zijn nooit om een gesprek en altijd om geld verlegen. Tegenwoordig zitten de trappen vol met wederverkopers van lederwaren, sieraden en snuisterijen, sneltekenaars, kunstverkopers en andere kleine neringdoenden, en natuurlijk - niet te vergeten - Nederlandse gymnasiasten, die er lang niet altijd nuchter onder blijven. Welbeschouwd is dat vergeleken met de baardige existentialisten geen vooruitgang. Elk jaar in april, als het kleurrijke feest van de Infiorata di Piazza di Spagna losbarst, worden de bonte kleuren van de vrijmarkt overwoekerd door duizenden bloeiende azalea's.

Overigens moet het geen pretje geweest zijn hier te wonen toen ooit de barbaren Rome binnenvielen, maar te oordelen naar wat de huidige bewoners van de omgeving vinden, is het daarmee tegenwoordig niet veel beter gesteld: Vivere qui è un incubo: hier wonen is een nachtmerrie. Hoe dat nou zou komen?

33.8 Rome, Piazza di Spagna. Het was rustig. Foto: mei 2009.

Rome, Piazza di Spagna

33.9 fontana della barcaccia
In het midden van het plein bevindt zich de zogenaamde Fontana della Barcaccia, het meesterwerk van Pietro Bernini, vader van de beroemdere zoon, zegt men dan altijd. Maar in werkelijkheid is het een tamelijk gewoon fonteintje, dat aardig past op zo'n ordinaire, toeristische plek. Afgezien daarvan wordt vermoed dat ook zoon Gian Lorenzo eraan mee werkte. Het ontwerp stelt een lekkende boot voor, wat wel weer origineel is, al staat er nog een bootfontein in Rome, de Navicella namelijk, voor de Santa Maria in Domnica. Dit barkje hier herinnert aan de grote overstroming van de Tiber, met Kerstmis 1598. Half Rome kwam onder water te staan en een bootje uit de Tiber dreef tot op dit pleintje. Bij die overstroming stortte vermoedelijk ook de - wat nu heet - Ponte Rotto in, de kapotte brug over de Tiber. Er staat weinig druk op het water, vandaar dat vader Bernini zijn bassin laag bij de grond heeft gehouden. Het verhaal dat Bernini de rand zo laag maakte vanwege het uitzicht op de trappen is onzin, want de fontein was er een eeuw eerder dan de trappen en dateert van ongeveer 1630. Het is trouwens toch opvallend hoe renaissance- en barokkunstenaars hun werk op plaatsen neerzetten, die in de periode zelf nog een rotzooitje waren, in de modder en temidden van ongeplaveide wegen. Na meer dan een jaar in de steigers te hebben gestaan, is de fontein sinds 15 september 2014 weer in volle glorie (en met het marmer in een veel lichtere toon) hersteld. De kosten van de restauratie bedroegen (samen met die van de fontein op Piazza Trilussa in Trastevere) bijna 600.000 euro. De opbrengst van de reclame die daar tegenover stond, was 1.5 miljoen. Goeie deal. Desondanks werd er in mei 2018 opnieuw alarm geslagen, omdat de fontein wederom sterke tekenen van vervuiling begon te vertonen, dit keer gewoon vanwege slecht onderhoud. Het was uiteraard deze fontein waaraan Feyenoordsupporters in februari 2015 schade toebrachten, begrijpelijkerwijs tot grote woede van veel Romeinen.

33.9 Rome, Pietro Bernini (1562-1629): Fontana della Barcaccia. Foto: mei 2013.

Rome, Piazza di spagna, Fontana della Barcaccia

34.1 de trevifontein
De Trevifontein vormt het eindpunt van een van de 13 aquaducten die het Oude Rome kende. De aquaducten hadden allemaal hun eigen naam en dat van de Aqua Virgo - want daar gaat het hier om - werd in 19 vC door Marcus Agrippa gebouwd voor zijn nieuwe badcomplex, de thermen van Agrippa, waarvan nog enige resten achter het Pantheon liggen. De Aqua Virgo is de kortste van alle aquaducten. Over een afstand van slechts (!) 20 kilometer haalt hij zijn water uit de Campagna. Het water van de maagd (of: het meisje), heet het aquaduct, naar het behulpzame meisje dat de dorstige soldaten van Agrippa een bron bij Tivoli aanwees. In de 15de eeuw begon men met de plannen voor een grootscheepse fontein op de plaats van het castellum, het grote reservoir dat het eindpunt vormde van het klassieke aquaduct. De Trevifontein vormt het reservoir van waaruit 15 grote en 40 kleinere fonteinen van water worden voorzien, en niet het slechtste water. Traditioneel geldt het water van de Trevi als het beste en zoetste water van Rome. Toen Michelangelo op 87-jarige leeftijd eenzaam stierf, vond men in zijn kelder een fles azijn en vijf vaten Trevi-water.

De eerste Trevifontein was een bescheiden, maar zeer fraai bassin van L.B. Alberti en stond op de hoek van de Via dei Crociferi. Het was Urbanus VIII (de Barberini-paus wiens bijen overal in Rome te zien zijn) die de Trevi wilde verbouwen en aanpassen aan de in de tussentijd toegenomen grandeur van dit stadsdeel. Toen hij een belasting op wijn hief om de aanleg van de fontein te bekostigen, klaagde Pasquino: Na duizend belastingen op wijn, verfrist Urbanus de Romeinen nu met gewoon water. Hij verplaatste de fontein naar de huidige locatie, maar zonder Bernini 's plannen uit te voeren. Dat gebeurde pas in 1723 onder Clemens XII, in hetzelfde jaar dus dat werd begonnen aan de Spaanse trappen.

34.1 Rome, Trevifontein. Bron: Toman 1998

Rome, Trevifontein

34.2 De bouw duurde 39 jaar en de fontein kwam af onder Clemens XIII, in 1762. Het ontwerp schijnt gebaseerd te zijn op tekeningen van Bernini. Uiteindelijk werd de Trevifontein gebouwd door een ontwerper van toneeldecors en vuurwerkscènes, Nicola Salvi, 30 jaar oud. Hij verloochende zijn achtergrond niet en richtte het pleintje in als een theater. Zijn voortdurende ondergrondse verblijf in het aquaduct ruïneerde zijn gezondheid en hij stierf in 1751, 11 jaar voordat zijn Trevifontein officieel in gebruik werd genomen. De fontein toont in het midden Neptunus, die terzijde wordt gestaan door twee tritons die zijn gevleugelde wagen in bedwang houden, terwijl er één op een schelp blaast. Aan weerszijden staan in nissen twee vrouwen, symbolen voor gezondheid (rechts) en overvloed (links). Een van de bas-reliëfs erboven toont de maagd naar wie het aquaduct dat de Trevi voedt, is vernoemd. Ze wijst Romeinse soldaten de bron. Agrippa keurt de plannen goed voor de aanleg van het aquaduct. Erboven staan vier beelden voor de seizoenen. Daar weer boven is het familiewapen te zien van de Corsini. Het water van de Trevi is opgeslagen in een grote tank achter het amfitheater en wordt met grote druk rond gepompt, zodat de fontein steeds het zelfde water gebruikt. Er gaan 80.000.000 liter per dag rond. De fontein stond tussen oktober 2014 en oktober 2015 in de steigers en grotendeels achter glas. Hij werd in 2007 al acht maanden lang gerestaureerd, maar moest nu weer een grote beurt hebben, zoals eerder in 1998. Modeconcern Fendi besloot de kosten op zich te nemen (zoals schoenmaker Todds die van het Colosseum betaalt). De kosten bedroegen bijna 2.2 miljoen euro en de werkzaamheden werden afgesloten op 30 oktober 2015. In volle glorie zichtbaar is hij weer sinds 3 november 2015. Het komende jaar is de beurt aan vier andere: de fontein op het Janicolo, het nimfaeum op de Pincio, de Mozesfontein, en die op Piazzale degli Eroi. Niet voor niets heet het project Fendi for fountains. Het bedrijf draagt trouwens ook de zorg voor de renovatie in EUR van het Palazzo della Civiltà del Lavoro. Daarmee verwierf Fendi tevens vanaf 2015 het recht om het gebouw voor 15 jaar als hoofdkwartier te gebruiken.

34.2 Rome, Trevifontein. Zo zag hij eruit in de herfst van 2014. Midvoor bevond zich een soort kinderzwembad, met erachter een detailfoto van de beeldengroep en en een bordje met daarop voor de duidelijkheid in twee talen de tekst: lancia monetino, throw coin there. De werkzaamheden werden na 17 maanden op 30 oktober beëindigd. Sinds 3 november 2015 ziet hij er weer uit als vanouds, alleen wat nieuwer, terwijl hij nu 's avonds in led-licht staat. Foto: 18 oktober 2014

Rome, Trevifontein, oktober 2014

34.3 De Trevifontein is inmiddels een soort Romeinse icoon geworden: wat je er ook van vindt, je kunt er niet omheen. Nadat eerder al een speelfilm uit 1954 (Three coins in the fountain) de gewoonte van het muntje gooien tot een wereldwijde verplichting maakt, stapt in een film van de Italiaanse regisseur Fellini, La Dolce Vita (1960), de voluptueus gevormde Anita Ekberg - sinds januari 2015 zaliger - in de zeer vroege ochtend in de fontein, even later met tegenzin gevolgd door Mastroianni. De scene maakte de Trevifontein pas echt beroemd. In het al even prachtige' eravamo tanto amati (We waren zulke goeie vrienden), van Ettore Scola (uit 1975) laat die een groepje vrienden langs de fontein lopen als die scene wordt opgenomen. In de scene spelen Fellini en Mastroianni zichzelf. Ekberg, door de Italianen inmiddels liefkozend Anitona genoemd, zou tot haar dood in Italië blijven wonen. Misschien een wat melancholische voetnoot: eind mei 2015 stond, alsof het zo was afgesproken, zowel het huis dat Anita Ekberg een tijdlang bewoonde - aan de kust in Sabaudia - als dat van Fellini - in Rome - en van Mastroianni - in Lucca - te koop.

De gewoonte een muntje in het water van de Trevi te gooien, dateert vermoedelijk pas uit de 19de eeuw. In een roman van de Amerikaanse schrijver Hawthorne, The Marble Faun (1860) neemt de hoofdpersoon een schepje water met de hand om zijn terugkomst te garanderen. De Baedeker (een toen populaire reisgids) van 1883 noemt dezelfde gewoonte en voegt er het gooien van een muntje aan toe. Over het toekeren van de rug wordt gezwegen. Rond 1890 staat de procedure vast: een schepje water met de linkerhand, omdraaien en over de linker schouder een muntje gooien, in het water achter je uiteraard. Weinigen zullen beseffen dat ze hiermee rituelen herhalen uit de nog schimmige dagen van onze beschaving, toen bronnimfen op soortgelijke wijze hun gaven kregen toegeworpen. Een dergelijke gewoonte bestond in het oude Rome trouwens ook al bij de Lacus Curtius. Daar gooiden de Romeinen op de verjaardag van Augustus muntjes in het water. Misschien dat een soortgelijke gewoonte is blijven voortbestaan. Heden ten dage wordt de fontein eens per week rond drie uur 's nachts geleegd. Er hangt over de bodem een fijnmazig net dat dan wordt opgetrokken. Per dag zou er inmiddels zo'n 4000 euro in terechtkomen. Aanvankelijk ging het geld naar het Rode Kruis, maar het sorteren kostte zoveel dat de organisatie er verlies op leed. Daarna ging het naar een supermarkt voor nooddruftigen. Lange tijd werd het geld vervolgens gegeven aan de organisatie Caritas, die er ook al goede dingen mee deed, maar in januari 2019 werd besloten het geld ten goede te laten komen aan de gemeente zelf. Le monetine tolte ai poveri, schreef L'Avvenire, het blad van de katholieke kerk. Het kleingeld ontnomen aan de armen! Ophef, rumoer! Een dag later kwam de burgemeester terug op haar beslissing. Het werd weer gewoon Caritas. Dat neemt niet weg dat de munten die in alle andere Romeinse fonteinen worden gegooid - en ook daarbij gaat het om flinke bedragen - door gemeentelijke instanties zullen worden verzameld en gebruikt voor restauratieprojecten. Bordjes met die mededeling zullen bij de desbetreffende fonteinen worden geplaatst. Dus gooi maar raak. Een beschaafd mens komt nooit voor het laatst in Rome. Tegelijkertijd werd - grappig - besloten tot een operatie tetti puliti: schone daken dus (in plaats van schone handen), met het doel door middel van een financiële stimulans van 3000 tot 5000 euro voor het aanbrengen van centrale antennesystemen de skyline van Rome te ontdoen van een deel van de 1.3 miljoen schotels en antennes. Er wordt heus wel bestuurd in Rome.

34.3 Rome, Trevifontein. U begrijpt dat ikzelf ook historisch begin te worden. Foto, omgezet van dia, al weet ik niet van wie, naar ik vermoed de vroegste foto op deze pagina: augustus 1972

Rome, Trevifontein, augustus 1972

IL

35.1 Als we de tijd hebben, lopen we hier even een kerk binnen. Eerst een kleine uitweiding. De Jezuïeten zijn een katholieke orde, in 1534 gesticht door de Spanjaard Ignatius van Loyola en in 1540 door Paus Paulus III (Farnese, 1534-1549) erkend. Ze vormen de zogenaamde Societas Jesu, afgekort tot S J. De orde houdt zich heden ten dage vooral bezig met onderwijs en zending, maar in de zestiende en zeventiende eeuw was ze een belangrijk wapen in de strijd tussen reformatie en contra-reformatie. Katholieken spreken trouwens niet van contra-reformatie, maar van katholieke reformatie. Het is de beweging die zich teweer stelt tegen de opvattingen van mensen als Luther en Calvijn, die de kerk op allerlei terreinen aanvielen. De bedoeling van de contra-reformatie was de katholieke kerk van binnenuit te hervormen, zodat de kritiek van de kant der hervorming ongedaan kon worden gemaakt, en tegelijkertijd de strijd te voeren tegen de hervormers zelf. De Jezuïeten speelden daarin een belangrijke rol, net als een andere kloosterorde, de Theatijnen, die verantwoordelijk waren voor de bouw van de Sant' Andrea della Valle. Ook in de missie (de zending) waren de Jezuïeten nadrukkelijk aanwezig. De Gésù is hun hoofdkerk.

35.1 Rome, Il Gésù, façade. Foto: mei 2013

Rome, Il Gédù

35.2 In 1540 stond Paus Paulus III, die de Jezuïeten als orde erkende, hun een kleine kerk af, de Santa Maria della Strada. Die stond op de plaats waar zich nu de Gésù bevindt. Al in 1549 besloten de Jezuïeten vervolgens tot de bouw van een nieuwe, grotere kerk, waarvoor ze de opdracht gaven aan de architect Nanni Biagio. Volgens diens plannen zou de kerk verder naar voren op het plein geschoven zijn met als gevolg dat de omwonenden in opstand kwamen. Niets nieuws onder de zon. Het kavel waar de kerk zou komen (en waar ook de Santa Maria della Strada stond), lag aan wat toen de Via Papalis heette en nu (deels) Corso Vittorio Emmanuele II is. De Via Papalis was (uiteraard) onderdeel van de ceremoniële route die de paus bij zijn aantreden volgde. Ook de bouw van de Sant' Andrea della Valle zou worden ingegeven door de wens de Via Papalis te verfraaien. In 1554 bewoog een andere beschermheer van de Jezuïeten, Kardinaal della Cueva, Michelangelo ertoe een nieuw ontwerp te maken, dat verbonden lijkt met een al bestaande tekening van een andere architect, Giovan Battista Tristano (ca. 1515-1575). Pas na de dood van Loyola in 1555 betrad Alessandro Farnese (1520-1589) het toneel. Farnese was de kleinzoon van de al genoemde Paus Paulus III en oa. verantwoordelijk voor het hier vlakbij gelegen Palazzo Farnese. In 1563 zegde hij de orde toe de complete bouw te financieren. Hij was het ten slotte die er vervolgens Vignola bij haalde en hem opdracht gaf de kerk met gebruikmaking van de plannen van eerdere architecten - Biagio, Tristano, Michelangelo - te bouwen. Hij kocht alle huizen op die langs de Via Papalis in de weg stonden, maar het duurde tot 1568 eer zijn agent Giulio Falco erin slaagde van messer Hieronimo Altieri het laatste te verkrijgen, voor de somma van 300 scudi. De Jezuïeten, die ondertussen blijkbaar afstel vreesden en al jaren op spoed aandrongen, waren bereid met een kleinere kerk genoegen te nemen, als er maar met de bouw werd begonnen, maar Farnese wilde per se een grote kerk. In een memorandum aan de paus schreef hij dat hij een bella e sontuosa chiesa wilde. Die kwam er dus. Op 26 juni 1568 legde hij de eerste steen. In de huidige Gésù bevindt zich een schrijn uit de voorganger ervan, de Santa Maria della Strada, met een icoon waarop de zogenaamde Madonna della Strada te zien is; dat is een fresco uit de dertiende eeuw dat oorspronkelijk bekend stond als de Madonna degli Astalli, omdat het verbonden was met een vijfde eeuwse schrijn die stond opgesteld langs de pauselijke ceremoniële route en in bezit was van de familie Astalli. Het fresco werd van de muur gehaald en overgebracht op hout. De Madonna della Strada is de beschermheilige van de Orde der Jezuïeten.

35.2 Giacomo Barozzi da Vignola (1507-1573), ontwerp voor de façade van de Gésù, 1573. Bron: Schlimme 2004

Vignola, ontwerp voor de façade van de Gésù

35.3 De volledige naam van de kerk luidt: Chiesa del Santissimo Nome di Gesù all' Argentina (Kerk van de de allerheiligste naam van Jezus bij Argentina), en het is dus geen wonder dat iedereen gewoon Gesù zegt. Het pleintje waar de kerk ligt, is ernaar genoemd: Piazza del Gésù. De kerk werd vanaf 1568 onder toezicht van twee architecten die tot de orde der Jezuïeten behoorden gebouwd en hij is een fraai voorbeeld van barokarchitectuur, terwijl de stijl ervan kunsthistorisch bijzonder invloedrijk is geweest, omdat hij volgens de consignes van het Concilie van Trente (1545-1563) werd gebouwd als éenschepige kerk, met de duidelijke bedoeling de aandacht van de bezoeker vooral te laten uitgaan naar altaar en mis. Terug naar Gods woord! In de eerste bouwfase, tussen 1568 en 1577, werden schip en façade gebouwd, naar ontwerpen van respectievelijk Vignola (1507-1573) en Giacomo della Porta (1532-1602). Vignola werd aanvankelijk geassisteerd door Tristano en toen die in 1575 stierf, werd zijn rol overgenomen door Giovanni de Rosis. Beiden waren Jezuïet, zodat de orde controle uitoefende over de bouw. Tussen 1574 en 1584 volgden viering (het kruis dus) en koor, waarmee de eigenlijke kerk was voltooid, maar in 1592 begon Giralomo Rainaldi (1570-1655) aan het conventsgebouw aan de zuidzijde van de kerk. Pas tussen 1672 en 1685 werd de binnenruimte omgebouwd naar de huidige hoogbarokke vorm. De kerk is georiënteerd, dus de apsis staat op het oosten. Het brede, met tongewelven overspande schip heeft aan weerszijden drie kapellen. De viering is een Grieks kruis met een verlengd schip en een halfrond koor. Dit soort schepen was al vroeg een eigenaardigheid van Franciscaanse en vooral Dominicaanse predikkerken. De (westelijke) voorgevel, gebouwd door Giacomo della Porta, is door zijn façade in de vorm van een aedicula een belangrijke stap geweest in de ontwikkeling van barokgevels in Rome. De façade heeft twee verdiepingen, met onderop zes paar Korinthische halfzuilen, en bovenin vier paar pilasters. De bovenverdieping heeft aan weerszijden voluten. Boven de hoofdingang bevindt zich een halfrond tympaan, de twee zij-ingangen hebben een driehoekig tympaan. Je moet goed beseffen dat veel Romeinse kerken ver na het tijdstip waarop ze werden gebouwd alsnog van een moderne gevel werden voorzien. Dat heeft ertoe geleid dat veel Romeinse kerken aan de buitenzijde erg op elkaar lijken, terwijl er achter de gevel van alles schuil kan gaan. De Gesù is een voorbeeld geweest voor veel andere barokkerken in de stad, maar ook elders, met name in Zuid-Amerika, waar de Jezuïeten nadrukkelijk aanwezig waren. Op de gevel staan de letters IHS, die op allerlei manieren worden verklaard, soms als de afkorting van In Hoc Signo, de afkorting van de boodschap die Keizer Constantijn ontving aan de vooravond van zijn slag bij de Milvische Brug: in dit teken zult gij overwinnen, maar meestal toch gewoon als een christogram, afkorting van de naam IHesus. Vijanden van de Jezuïeten lazen: Iesuiti Habent Satis: de Jezuïeten hebben genoeg. Naast de letters IHS en het pauselijk wapen hangt er ook een goudkleurig schild met de letters SPQR, dit om de band met de stad Rome tot uitdrukking te brengen. Het schild in kwestie hangt maar op twee andere kerken in Rome.

35.3 Rome, Il Gésù. 1 Façade (1575) van Giacomo della Porta. 2 Schip van vignola, met plafondschildering De Triomf van de naam van Jezus (1672-1685), door Baciccia, stucco van E.A. Raggi. 3 Kapel van de Passie. 04 Kapel van de engelen 05 Altaar van St. Franciscus Xavier (1674-1678), door Pietro da Cortona. 06 Kapel van het Heilig Hart, toegeschreven aan Giacomo della Porta, met fresco's van B. Croce 07 Hoogaltaar, door A. Sarti 08 Altaar ter nagedachtenis aan S. Roberto Bellarmine met buste van Bernini 09 Kapel van S. Maria degli Astalli, met Madonna della Strada (vroeg vijftiende eeuw) 10 Kapel van St. Ignatius van Loyola (1696-1700) door A. Pozzo met beelden van P. Legros, B. Ludovisi, L. Ottoni en G. Théodon 11 Kapel van S. Francesco Borgia met altaar van A. Pozzo en schilderwerk (ca. 1660) van P.F. Mola. Bron: Gunn 1981

Plattegrond Gésù

35.4 Het hoofdschip van de kerk heeft geen zijschepen. De kerk is zo druk bewerkt dat je er zenuwachtig van wordt. Ook dat is typerend voor de barok. Bovenin zie je een opvallend fresco van Il Baciccio (of: Baciccia), dat de Triomf van de naam van Jezus voorstelt. Aan de linkerkant bevindt zich de Sint Ignatiuskapel, met het beroemde altaar van Sint Ignatius van Loyola, dat één van de belangrijkste barokmonumenten is in Rome. Naast de kerk staat het hoofdhuis van de Jezuïeten, waar Ignatius van Loyola zelf ook verbleef. De schilder Andrea Pozzo (1642-1709), beroemd om zijn trompe l'oeils, bracht er een fraaie perspectiefschildering aan, met een geschilderde kapel die er, vooral op een reproductie, levensecht uitziet. Net als in de beroemde Galleria Colonna, of bij Borromini's perspectivische gang in het Palazzo Spada werkt het gezichtsbedrog (het inganno) alleen als je zeer nauwkeurig op een bepaalde plek gaat staan, al speelt Pozzo daar ook weer mee door de verwarring die ontstaat als de kijker het bedrog ontdekt (disinganno). Het is grappig als je je realiseert dat de hervorming er op uit was de kerken te ontdoen van beelden, schilderingen en wat dies meer zij, terwijl de katholieke kerk in de strijd met de hervormers deze kerk bouwt, die tot aan de nok van versiering is voorzien.

35.4 Rome, Il Gésù, Giovanni Battista Gauli, bijgenaamd Il Baciccio (1639-1709) [Trionfo del nome di Gésù] Triomf van de naam van Jezus, 1672-1685. Bron: Roettgen 2007, nr. 51

Gésù, Il Baciccio, Triomf van de naam van Jezus, 1672-1685

35.5 Il Gésù, Giovanni Battista Gauli, bijgenaamd Il Baciccio (1639-1709) Koepel, pendentieven, plafond van het dwarsschip en antikoor, 1672-1685. Bron: Roettgen 2007

Gésù, Il Baciccio, Koepel

35.6 Rome, Il Gésù, Casa Professa del Gésù, Andrea Pozzo (1642-1709) [Camere di Sant' Ignazio] Schildering in trompe l'oeil van de gang naar het verblijf van Sint Ignatius van Loyola, 1682-1685. Bron: Roettgen 2007 nr. 50

Il Gésù, Camere di Sant' Ignazio

ROND LARGO ARGENTINA

35.7 via delle bottheghe oscure
We lopen weer terug, en slaan rechtsaf de straat in met één van de mooiste namen van Rome: de Via delle Botteghe Oscure: de straat van de donkere winkels. Het is geen wonder dat de Franse schrijver Patrick Modiano de naam van de straat koos als titel voor éen van zijn romans. De weg verbindt de zijkant van Piazza Venezia met het Largo Argentina. De rechterzijde van de straat (gezien in de richting van Argentina) werd bij de verbreding ervan in 1938 compleet verwijderd, maar de linkerzijde is origineel. Bij de werkzaamheden kwamen de resten van een kleine tempel uit de Republikeinse periode aan het licht, die gewoonlijk wordt aangeduid als Tempel van de Nimfen, maar meestal met een vraagteken, want de identificatie is onzeker.

35.8 crypta balbi
Ooit lag ten oosten van Largo Argentina (en dat is waar we ons nu bevinden) de Porticus Minucia Frumentaria. Overigens waren er blijkbaar twee, die allebei Minucia werden genoemd, een Vetus (oud) en éen Frumentaria (in graan). Over de locatie van de twee bestaat onzekerheid. Zeker is wel dat éen ervan lag rond het Theater van Balbus, ten oosten van wat nu Largo Argentina is. Als de Minucia Vetus hier lag, zijn de paar zuilen die langs de Via delle Botteghe Oscure staan restanten van de Tempel van de Lares Permini, en niet die op Argentina. Als hier de Minucia Frumentaria lagen, werden die gebouwd onder Domitianus. Ze dienden voor de gratis graanuitgifte aan de Romeinen. Ten tijde van Augustus waren er zo'n 200.000 Romeinen die daar recht op hadden. Daarbij ging het bepaald niet alleen om armoedzaaiers. Sterker nog: het lijkt een bewijs van een zekere status als men dat graan ontving. Aicher citeert een grafschrift: In memoriam Gaius Sergius Alcimus, zoon van Gaius, die 3 jaar, 3 maanden en 3 dagen leefde. Hij ontving graan op de 10de van elke maand bij hal 39. In het midden van de Porticus lag een tempel, die er blijkbaar al stond voordat de porticus werd aangelegd. De resten ervan werden in 1938 ontdekt, tijdens de verbreding van de straat. Het podium van de tempel was bedekt met travertijn, en twee zuilen met Korinthische kapitelen zijn daar weer omhoog gezet. Delen ervan zijn blijkbaar onder Domitianus hersteld, tegelijk met de bouw van de minucius frumentaria. Wat je nu ziet, was in oorsprong de rechterzijde van de tempel. Het is vermoedelijk de Tempel van de nimfen. Hier werden door de censors de archieven bewaard van de frumentationes, kortom: van wie er wel en niet recht had op graanuitdeling. Het vermoeden bestaat, dat de brand in 57 vC door Clodius met opzet is aangestoken, met het doel die archieven te vernietigen. De colonnade van de tempel stortte vermoedelijk pas in bij een aardbeving in de 5e eeuw. Er tegenover ligt de Crypta Balbi, en daarin is nu het Romeinse museum voor de middeleeuwen gevestigd. De crypte van Lucius Cornelius Balbus was een groot complex, met porticus (dwz. een in een vierkant gezette zuilenhal) en erachter een theater. Het is lange tijd een raadsel geweest waar het ding zich bevond. Ettelijke honderden jaren lang heeft men er de schaarse resten van de Circus Flaminius voor gehouden (dat pal tegen het Theater van Marcellus aanligt). Pas toen men in de jaren tachtig hier begon te graven, en de resten van een theater ontdekte, begreep men hoe het zat. Aan de voorzijde die je nu ziet, lag de crypte van het theater, sterker nog: je staat erin, net als tempel dat deed. Erachter, zeker 150 meter verderop, lag het theater, dat in 12 vC in gebruik werd genomen. De huidige straat was er natuurlijk niet. De straat die er wel lag, liep langs de tempel, waar je nu voor staat, en stond in een hoek van 90 graden op de huidige weg. De minucia frumentaria lag ernaast en eromheen.

Het theater van Balbus is al eens ter sprake geweest. Het was het laatste en het kleinste van de drie die in Rome in de eerste eeuw vC werden gebouwd (Pompeius, Marcellus, Balbus dus). Hij was één van de generaals van Octavianus. Bij de wijding ervan moest Balbus zijn Theater per boot binnen gaan, want er had zojuist een overstroming van de Tiber plaatsgevonden. Later werd het theater geleidelijk gesloopt en kwam er een klooster op te liggen. Al die afgegraven lagen zijn nu in het overigens bijzonder fraaie en hoogst modern ingerichte museum te bezichtigen. Aan de voorzijde bevinden zich afgravingen tot het niveau van de eerste eeuw. Het museum is één van de onderdelen van het Museo Nazionale Romano, samen met het Palazzo Massimo en met Altemps. De collectie is interessant, maar we bezoeken het museum niet. Daar zouden ze dolblij zijn met ons, want het is er altijd doodstil. Nee, je kunt smeken wat je wilt.

Rome, Campus Martius: gebied rond het theater van Balbus in de vijfde eeuw. Reconstructie: D. Manacorda. Illustratie: Inklink. Bron: Carandini 2017 ill. 32

Campus Martius, Gebied rond Theater van Balbus, 5e eeuw

Op bijgaande kaart heeft Aicher (in Aicher 2004) de marmeren stadskaart van Rome, rechtsboven, de zogenaamde Forma Urbis Romae, (in het Engels: marble plan), die dateerde uit de derde eeuw na Christus, en die in een ruimte van de Templum Pacius op het Forum hing, en die slechts in fragmenten is overgeleverd, aangevuld met wat we nu weten, sinds de locatie van het Theater van Balbus vast staat.

De tempels op Largo Argentina, die ook op Aichers kaart staan, danken we aan Mussolini, want hij zette de opgravingen ervan door tegen de wens van alle betrokkenen in. Aicher vermeldt dat hij dreigde degenen die zich verzetten te laten executeren. Dat zal, vermoed ik, een grapje geweest zijn tussen echte mannen. De vier Republikeinse tempels op het plein (die ook op de kaart staan) worden gewoonlijk aangeduid met de letters A, B, C en D, van noord naar zuid. De identificatie ervan is hoogst onzeker. Die van de ronde tempel B is het zekerst, namelijk Fortuna Huiusce Diei (Fortuin van de huidige dag). D zou de tempel kunnen zijn die is gewijd aan de Lares Permarini, vooral omdat de onstaansdatum lijkt te kloppen: vroeg 2e eeuw voor Christus. Tempel A wordt gewoonlijk beschouwd als gewijd aan Juturna (of: Iuturna), vanwege een paar regels uit de Fasti van Ovidius (regels 1463-1464), waaruit blijkt dat de tempel van de vier het dichtst lag bij de Baden van Agrippa, waar de in de twee verzen door Ovidus genoemde Aqua Virgo op uitkwam. Zo gaat dat soms in de archeologie.

35.8 Rome, Gebied rond Theater van Balbus. Nu: rond Via delle Botteghe Oscure, oostelijk van Largo Argentina. Bron: Aicher 2004

Rome, Gebied rond Theater van Balbus, Aicher 2004

35.9 via michelangelo caetani
Niet ver van de Gésù, in de Via Michelangelo Caetani, werd op 9 mei 1978 de door de Brigate Rosse vermoorde Aldo Moro aangetroffen in de achterbak van een Renault 4. Daar hangt deze bronzen plaquette, waarvoor traditiegetrouw ook de herdenkingen plaatsvinden, zoals dat gebeurde op woensdag 9 mei 2018 door President Mattarella, ter gelegenheid van het vijfstigste jaar. De symboliek van de locatie ontging de meeste Italianen indertijd niet. De Via Caetani ligt precies midden tussen de in Rome gevestigde hoofdkwartieren van de Communistische partij en dat van de DC, de (toenmalige) Christendemocraten op Piazza Gésù. De bedoeling van de BR was duidelijk: wij hebben hem doodgeschoten, maar het was jullie schuld. Vanaf eind jaren '60 tot begin jaren '80, in Italië de anni di piombo genoemd (de jaren van lood), ageren linkse en rechtse terreurgroepen tegen de staat. Op 9 maart 1978 wordt de linkse christendemocraat Aldo Moro, die binnen de DC de belangrijkste concurrent is van de rechtse christendemocraat Andreotti, door de links-extremistische Brigate Rosse (BR) ontvoerd. Dat werd door velen in Italië als ironisch beschouwd: was er eindelijk kans op een linkse coalitie, wordt de man die daartoe de aanzet gaf ontvoerd, nota bene door een linkse groepering. De vijf leden van Moro’s beveiligingsescorte worden allen vermoord. Moro (die vijf keer premier was geweest) had zojuist een regeringscoalitie samengesteld, die voor het eerst zou worden gedoogd door de communisten (de PCI), maar die toch opnieuw Andreotti als premier zou hebben. Andreotti heeft tot in de hoogste graad terecht gestaan voor maffia-connecties, maar werd uiteindelijk vrijgesproken. In de Italiaanse politiek die al zo lang rechts was, gold dat als een doorbraak. De Koude Oorlog woedde nog volop en de Amerikanen waren niet blij met een coalatie met de communisten.

De brigades eisen de vrijlating van een aantal, wat zij noemen, politieke gevangenen tegen wie een proces gaande is in Turijn. Bovendien wensen ze erkend te worden als een politieke groepering. Binnen de BR zijn er leden die het geweld willen afzweren en ernaar streven een politieke partij te worden. De foto met Moro, zittend voor een vlag van de BR, wordt overal ter wereld in talloze kranten gepubliceerd. Enkele uren na de bekendmaking van de ontvoering krijgt de vierde regering Andreotti het vertrouwen van de meerderheid van het parlement, inclusief de communisten. Italiaanse kranten publiceren tussen maart en mei 1978 bijna 20 brieven van Moro, die door hem in gevangenschap worden geschreven; daarin smeekt hij om zijn leven. Eveneens gepubliceerd worden 9 “communiqués” van de BR. Maar een groot deel van Moro’s christendemocratische vrienden, van wie er velen het idee van de steun van de communistische partij verfoeien, weigert met terroristen te onderhandelen.
Op 5 mei 1978 volgt het 9e en laatste communiqué van de BR: Moro is ter dood veroordeeld. We besluiten de strijd die op 16 maart begonnen is en zullen het vonnis ten uitvoer leggen.” Binnen de DC is er een groep (onder leiding van Fanfani, ook al een ex-premier) die alsnog bereid is één BR-gevangene van het proces in Turijn vrij te laten, en bovendien een verklaring voor te lezen waarin de BR wordt erkend als een politieke groepering. Maar de socialisten, die ook aan de regering deelnemen, en die met dat besluit akkoord moeten gaan, eisen dat die verklaring dan mede wordt ondertekend door de huidige partijleiders van de DC, en niet alleen door iemand die niks meer te zeggen heeft. De partijleiders weigeren. Daarmee veroordelen ze Moro ter dood.
In een garage bij het huis waar Moro gevangen wordt gehouden, schiet de Brigadist Moretti Moro in het achterhoofd. In de ochtend van 9 mei 1978, om half een, belt iemand van de BR een vriend van de familie Moro, met de mededeling dat Moro’s lijk zich bevindt aan de Via Michelangelo Caetani. Daar wordt hij inderdaad gevonden in de achterbak van een rode Renault 4, precies tussen de partijhoofdkwartieren van de communisten aan de Via delle Botteghe Oscure, en dat van de christendemocraten in het Palazzo Gésu, niet ver van de gelijknamige kerk. Daar hangt nu aan de muur een plaquette. We lopen erlangs. De foto van de auto met de omhoog staande klep, en in de achterbak een half gestrekte, in een rode overall geklede Moro, met het hoofd vreemd opzij geknikt, is één van de klassieke beelden uit de recente Italiaanse geschiedenis. Met de terreur is het nog lang niet afgelopen. In 1980 wordt door een schimmige rechtse groepering het station van Bologna opgeblazen. Daarbij vallen 85 doden. Inmiddels zitten de meeste brigadisti in de gevangenis, en ook heel wat rechtse complotteurs. Dat neemt niet weg dat de Rode Brigades nooit helemaal zijn weg geweest. In maart 1999 werd in het centrum van Rome een beleidsmedewerker van een minister vermoord, in 2001 een ander, en in maart 2002 in Bologna nog één. Alle drie werden ze in de nek geschoten. In alle gevallen werd op de plaats van de aanslag op de muur de vijfpuntige rode ster aangetroffen met daarin de letters BR. Begin 2006 werd in het noorden een complete cel brigadisti opgerold. Hoe dan ook, als je in het Italiaanse straatbeeld wat meer met machinepistolen gewapende uniformdragers ziet dan je gewend bent, weet je ten minste hoe het komt.

35.9 Rome, Via Michelangelo Caetani, Plaquette ter herdenking van de moord op Aldo Moro. Foto: oktober 2009.

Rome, Via Michelangelo Caetani

35.10 fontana delle tartarughe
Vlak voordat we op Largo Argentina uitkomen, slaan we, net voorbij de Crypta Balbi, even linksaf, en lopen naar het Piazza Mattei. Daar staat een fonteintje dat we even willen zien. Het is er éen van de achttien die in de zestiende eeuw nieuw werden gebouwd nadat een in verval geraakt aquaduct, de Aqua Vergine, weer was hersteld. De fontein werd al in 1584 aangelegd naar een ontwerp van Giacomo della Porta, wiens werk overal in Rome aanwezig is. Hij zette het er neer in opdracht van de familie Mattei, die hier zijn Palazzo had (zie ook de naam van het pleintje). De bronzen beelden van de vier efeben (Grieks ἥϐη / êbê, jeugdigheid, denk aan de god Hebe), gezeten op dolfijnen zijn van een beeldhouwer, Taddeo Landini (ca. 1561-1596), die vooral in Florence werkzaam was. Maar misschien was het Bernini die de fontein in 1658 renoveerde, en er de schildpadden aan toevoegde. Sommigen houden het op Andrea Sacchi. Hoe dan ook: vandaar de huidige naam: Fontana delle Tartarughe, de schildpadfontein. De schildpadden zijn in de loop der tijd zo vaak gestolen (maar ook weer teruggekomen) dat de gemeente in 1981 besloot ze, toen er weer één verdween, maar nu een die nooit meer is teruggezien, te vervangen door kopieën. Het verhaal gaat dat de fontein werd aangelegd als geschenk voor de geliefde van één van de zoons van de Matei, wiens paleis aan het pleintje staat.

35.10 Rome, Piazza Mattei, Fontana delle tartarughe: Schildpadfontein. Foto: mei 2013

Rome, Piazza Mattei, Schildpadfontein

35.11 piazza cesarini
Largo di Torre Argentina, zoals het huidige plein voluit heet, maar door niemand met die naam wordt aangeduid, heette oorspronkelijk Piazza Cesarini, naar het gelijknamige Palazzo dat hier stond. Bijgaande foto is van 1872. Het gebied hier werd oorspronkelijk Calcarari genoemd, naar de kalkovens die er stonden en die werden gebruikt om het steen van allerlei monumenten te smelten en te hergebruiken. De foto toont blijkbaar hoe een paard zojuist een ongelukje heeft gekregen, iets wat naar bekend op de Romeinse klinkers, die Sampietrini heten (omdat ze voor het eerst werden gebruikt bij de Sint Pieter), met regelmaat gebeurt. Nu nog gaan politiepaarden er wel eens op onderuit. De foto laat - belangrijker - echter ook zien het Palazzo Cesarini zelf dat hier dus toen nog stond. Wat er op de volgende foto te zien is, grenst aan de linkerzijde van deze foto en straat daar haaks op.

35.11 Rome, Piazza Cesarini (nu: Largo di Torre Argentina), 1872. Bron: D' Orazio 2004.

Rome, Piazza Cesarini, 1872

35.12 Het Piazza San Nicola ontleende zijn naam aan de 17-eeuwse kerk die er stond en die tussen 1926 en 1929 werd gesloopt. Mussolini begon in deze buurt in 1926 zijn bevrijdingswerkzaamheden. Die zouden een paar jaar later worden voortgezet met de verbreding van de Via delle Botteghe Oscure, die vanaf Argentina naar Piazza San Marco loopt, dat zelf weer naast Piazza Venezia ligt. Mussolini was praktisch als enige zeer gebrand op de opgravingen hier en zette de plannen door tegen de zin van al zijn adviseurs. Die vonden het zo centraal gelegen plein geschikter voor andere doeleinden. Op bijgaande foto kijkt u (rechts) in de nog onaangetaste Via delle Botteghe Oscure. Bij de verbreding daarvan aan de linkerzijde zou nog een kerk verdwijnen, de Santa Maria dei Ginnasi.

35.12 Rome, [Piazza San Nicola dei Cesarini prima delle demolizioni] Piazza San Nicola dei Cesarini voor de sloopwerkzaamheden, ca. 1928. Gelatinedruk, 16.5 x 22.5 cm. Foto: Filippo Reale. Bron: Becchetti 1991

Piazza San Nicola dei Cesarini voor de sloopwerkzaamheden, ca. 1928

36.1 largo argentina
En zo ziet het plein er nu uit, op een rustige zondagmiddag begin mei tenminste. Het plein werd genoemd naar het theater dat eraan ligt en dat zelf sinds 1816 deels op de plaatst staat waar de Curia van het Theater van Pompeius zich bevond, waar Julius Caesar ooit werd vermoord. Nu staan er op het plein tussen het meestal erom heen razende verkeer in een flinke kuil de restanten van vier tempels uit de Republikeinse periode. U kijkt in dezelfde richting als op de vorige foto, maar nu over de tempels heen.

36.1 Rome, Largo Argentina. Foto: mei 2009

Rome, Largo Argentina

36.2 Voordat ik het over de vier republikeinse tempels ga hebben, hier eerst een paar standaardmodellen van wat blijkbaar min of meer het uiterlijk was van zulke tempels, aan de hand dan van een paar bekende voorbeelden.

36.3 Plattegronden van laat republikeinse tempels. A Prostyle (zuilen alleen voor de tempel, gesloten zij- en achterwand), B Tempels op het Forum Holitorium (naast en onder de San Nicola in Carcere), links: Spes (peripteraal, zuilen rondom), midden: Juno Sospita (peripteraal, zuilen rondom), rechts: Janus (peripteraal sine postico) C Tempel van Vejovis (met transversale cella, overdwars dus) D Ronde Tempel op het Forum Boarium (zuilen rondom gesloten cella). Bron: La Rocca 2010 Fig. 1

Rome, Largo Argentina, Republikeinse Tempels

36.4 Over de vier Republikeinse tempels op Argentina schreef ik al in verband met het Theater en de Crypte van Balbus. Ze worden gewoonlijk aangeduid met de letters A, B, C en D, dat dan van noord naar zuid. Het zij maar gelijk gezegd: de identificatie ervan is hoogst onzeker. Een complicerende factor is dat er tal van verwijzingen bestaan naar tempels in dit gebied die nooit zijn gevonden. Overigens ziet het gebied er, nadat het een paar jaar geleden nog een keer werd schoongemaakt, weer verschrikkelijk uit. Een jungle van onkruid en afval, schreef Repubblica in september 2015. Archeologische werkzaamheden aan de tempels B en, waarmee werd gestart in maart 2015, werden na enkele maanden gestaakt, naar zeggen van het Ministerie omdat de directeur die de opgravingen leidde, met pensioen ging. Er bestaan al lang plannen een deel van het terrein, aan de zijde van tempel, met glas af te dekken, zodat bezoekers erover heen kunnen lopen, maar daar is nog geen spoor van te bekennen.

Het is Tempel A die gewoonlijk wordt beschouwd als gewijd aan Iuturna, vanwege een paar regels uit de Fasti van Ovidius (regels 1463-1464), waaruit blijkt dat de tempel van de vier het dichtst lag bij de Baden van Agrippa, waar de in de twee verzen door Ovidus genoemde Aqua Virgo op uitkwam. Over de tempel werd in de middeleeuwen een kerk gebouwd: de San Nicola. Enkel de resten van de apsis ervan zijn nog zichtbaar. Verder is het grootste deel van de tufstenen zuilen en het stylobaat bewaard. Iuturna, ook wel Juturna, is de godin van bronnen, fonteinen en putten. Op het Forum bestond er al een fontein die aan haar was gewijd. Ze is de onbekendere zus van Juno.

De wijding van de ronde tempel B is het zekerst, namelijk aan Fortuna Huiusce Diei: Fortuin van de huidige dag. Plutarchus schrijft in zijn Marius (26.2) dat, toen de Kimbriërs in 101 vC. Noord-Italië binnenvielen, Catulus een tempel beloofde aan Fortuna Huiusce Diei. Die zou door hemzelf zijn gewijd. De tempel zou de jongste van de vier zijn. De trap is er nog, er staan nog zes zuilen van en resten van het altaar. Er waren plannen het podium van de tempel aan te pakken, maar daar is nog niets van gekomen.

36.4 Rome, Largo Argentina, Republikeinse Tempel B (Fortuna Huiusce Diei). Bron: La Rocca 2010

Argentina, Republikeinse Tempel B (Fortuna Huiusce Diei)

36.5 Tempel is de oudste, want die dateert van het eind van de vierde eeuw of het begin van de derde, vC. Hij ligt ook het laagst. In de Keizertijd werd de cella ervan herbouwd. Het altaar, met een inscriptie uit 180 vC, werd pas ontdekt in 1935, maar zelfs dat was al een vervanging van een nog ouder exemplaar. Er wordt van uitgegaan dat de tempel was gewijd aan Feronia, godin der wildernis, vruchtbaarheid en overvloed. Ze was vooral geliefd bij plebejers en vrijgelaten slaven (liberti). Wat in elk geval zeker is, is dat je er mooi aan kunt zien hoe groot het verschil is tussen het straatniveau van de 4e eeuw voor Christus en het huidige.

Tempel D is de grootste van de vier en werd gebouwd in travertijn. Als inderdaad één van de vier zou zijn gewijd aan de Lares Permarini (wat onzeker is) zou dat deze kunnen zijn, vooral omdat hij alle trekken heeft van een vroeg in de tweede eeuw gebouwde tempel. Hij is nog niet compleet opgegraven, want resten ervan liggen deels onder Via Florida (het verlengde van de Via delle Botteghe Oscure), aan de zuidkant. Tussen de tempels van Fortuna en Juthurna liggen de resten van een gebouw dat vermoedelijk dienst deed als zetel van de kantoren waaruit de aquaducten werden onderhouden. Aan de westelijke rand (bovenin de plattegrond) van het complex bevinden zich nog restanten van een publieke latrine. Ja, een toilet dus. Pecunia non? Precies.

36.5 Rome, Largo Argentina, 4 Republikeinse Tempels. Erlangs ter rechterzijde: Via Florida, links: Corso Vittorio Emanuele. Bron: Coarelli 2007, 69

Rome, Largo Argentina, 4 Republikeinse tempels

36.6 Deze foto is genomen ter hoogte van tempel A (Juturna), met podium en altaar, en met uiterst rechts nog net zichtbaar de trap van ronde tempel B, en wel vanaf de zuidkant, vanaf de Via Florida, 50 meter voor het punt waar die op Via Arenula uitkomt. Aan de overzijde ligt dus Corso Vittorio Emanuele met, inderdaad, de grote boekhandel van Feltrinelli daar.

36.6 Rome, Largo Argentina, Republikeinse Tempel A (Iuturna). Foto: mei 2009.

Rome, Largo Argentina, Republikeinse tempel

36.6 Dit is een luchtfoto van het complex met republikeinse tempels op Largo Argentina: Area Sacra van Largo Argentina.

36.7 Rome, Largo Argentina, Republikeinse tempels. Van linksboven naar rechtsonder: Tempel A: Iuturna, Tempel B: Fortuna Huiusce Diei, Tempel: oudste tempel, onbekende wijding, Tempel D: Lares Permarini. Bron: La Rocca 2010.

Rome, Area Sacra Largo Argentina

ROND CAMPO DE' FIORI

37.1 theater van pompeius
We gaan een straatje in aan de zijkant van het Largo Argentina en komen uit aan de achterzijde van het Campo de' Fiori, op wat hier Largo del Pallaro heet. Je ziet al de rondlopende binnenzijde van de cavea van het Theater van Pompeius dat hier ooit lag, en straks zie je hoe de straat aan de andere kant de buitenrand van de cavea van het theater volgt. Her en der liggen er onder de huizen nog resten van. We passeren hier een smalle, overdekte doorgang, een soort tunneltje, de Passetto del Biscione. Die fungeerde ooit als uitgang van de cavea van het theater van Pompeius. Het pleintje waar je dan uitkomt, terzijde van Campo de' Fiori, heet Piazza del Biscione. De passetto rook lange tijd naar urine, er lag altijd afval en soms was hij gewoon afgesloten, wat erg onhandig was, want dan moest je flink omlopen, maar in juni 2016 kwam een restauratie af die heeft plaatsgevonden onder leiding van een locale kunsthistoricus annex kunstenaar, Roberto Lucifero, die de 15.000 euro uit eigen zak betaalde en er tussen 2015 en 2016 met zes man aan werkte. De betegeling is weer intact en fresco's en plafondschildering zijn in oude staat teruggebracht. Let op de schildering van de Madonna del Pulzone boven de uitgang. Het originele paneel bevindt zich in de San Carlo ai Catinari, achter Arenula. Dit was een persoonlijk getinte uitweiding, ik geef het eerlijk toe. Enne, steek ergens in Rome een spa in de grond en je vindt wat. En zo werd hier in 1864 een beeld van Hercules gevonden dat zich nu in de Vaticaanse musea bevindt. Het was door de bliksem getroffen en werd ter plekke begraven. Je weet het nooit, nietwaar.

Rome, Piazza del Biscione, 1864. Vondst van de zogenaamde Mastai Hercules bij het Theater van Pompeius. Het beeld werd door de bliksem getroffen en vervolgens ritueel begraven in een bidental (van bi: twee; en dens: tand, heilige locatie waar dat gebeurde en waar een offer werd gebracht). Bron: Carandini 2017 ill. 188

Rome, Piazza del Biscione, vondst van de Mastai Hercules

37.1 Bijgaande foto is genomen op het Largo del Pallaro, ooit de tijdelijke verblijfplaats van uw dienaar. Eenmaal door de passetto heen, sta je op het Campo de' Fiori. Zie ook de volgende kaart uit Coarelli.

37.1 Rome, Largo del Pallaro, Binnenzijde cavea Theater van Pompeius. Foto: mei 2009.

Rome, Largo del Pallaro

37.2 Het Palazzo Pio Righetti, aan deze kant van het plein, werd dus gebouwd op de ruïnes van het Theater van Pompeius. Die was tijdens zijn veldtochten in het oosten onder de indruk was geraakt van zulke bouwwerken. Plutarchus vermeldt dat Pompeius op Lesbos tekeningen laat maken van het theater dat hij daar ziet, in Mytiline, en dat hij zich voorneemt er ook één in Rome te laten bouwen, maar mooier. Toen Pompeius het zijne liet neerzetten, in een gebied waar op dat moment nog nauwelijks iets stond, in 55vC, werd een permanent, stenen theater door de magistraten en de Senaat niet alleen als Grieks en democratisch beschouwd, en dus als onwenselijk, maar ook als onzedelijk vanwege de taferelen die er soms plaatsvonden, en om aan een verbod te ontsnappen, liet Pompeius er ook een tempeltje in wijden aan Venus Victrix. De cavea diende tegelijkertijd als trappen naar dat tempeltje. Het theater bood vermoedelijk plaats aan ongeveer 25.000 toeschouwers. Plutarchus vermeldt dat de opening ervan aan 500 leeuwen het leven kostte, terwijl het spektakelstuk werd gevormd door een olifantengevecht. Achter het theater liet Pompeius nog een complex aanleggen met een porticus (een rechthoekige zuilengalerij om een binnentuin heen) en een Curia, waar de Senaat soms vergaderde. Het complex was al met al veel meer dan alleen een theater. Aan de verste zijde grensde de portico ervan aan de vier tempels op Argentina, terwijl er daar ook nogal wat beelden stonden opgesteld. Caesar werd hier vermoord, omdat de Curia op het Forum na een brand buiten gebruik was. Dat hij neerviel voor een standbeeld van Pompeius, was dus niet helemaal toevallig. Plutarchus beschreef de scene uitgebreid in zijn Leven van Caesar (66.1). Augustus zou de Curia in kwestie ontmantelen om ervoor te zorgen dat het geen bedevaartplaats kon worden voor andere opstandigen. Dio Cassius schrijft fijntjes: de triumvirs (dwz. Octavianus, Antonius en Lepidus) sloten het gebouw waar Caesar was vermoord. Later herbouwden ze het als latrine. (Historiën 47.19) Wat moest ik zonder de onvolprezen Aicher. Hoewel het theater zelf verschillende keren door brand werd getroffen, werd het toch steeds weer opgebouwd, voor de laatste keer nog in de 6e eeuw. Nog in de 9e eeuw wordt het Theater in een Duitse beschrijving genoemd. In de elfde eeuw werden er twee kerken in gebouwd; later namen de Orsini het hele gebied over en maakten van het theater een fort. Bij de aanleg van het plein ten slotte verdwenen de laatste resten tot op straatniveau.

De foto van het Largo del Pallaro is niet geweldig, maar hij laat zien wat hij moet laten zien, namelijk de kromming die de oorspronkelijke lijn der binnenzijde van de cavea van het Theater van Pompeius volgt. Even ter oriëntatie, mocht dat nodig zijn: het Piazza del Paradiso, aan de uiterste linker bovenrand van Coarelli's kaart is gewoon de zuidwestrand van het Campo de' Fiori dat dus grotendeels ten westen van de kaart ligt. Het langs de binnenzijde van de cavea lopende deel wordt gevormd door Largo del Pallaro en Via di Grotta Pinta. Aan de westzijde sluit de Via dei Chiavari de oorspronkelijke porticus af. De huizen aan de zuidzijde van de Sant' Andrea della Valle staan erover heen gebouwd. De porticus liep vermoedelijk aan de westzijde door tot vlak achter het Theatro Argentina.

37.2 Rome, Theater van Pompeius en Porticus van Pompeius. Rechts: Largo Argentina. Bron: Coarelli 2007, 72

Rome, Theater en Porticus van Pompeius

37.3 Het pleintje met die naam was in de middeleeuwen een weide. De naam betekent letterlijk: bloemenveld. Daarvan is nu duidelijk geen sprake meer. In de Romeinse oudheid vormde het nog een open stuk, liggend tussen het Theater van  Pompeius en de Tiber. Achter het plein volgt de gekromde huizenrand nog de binnenlijn van de cavea van het Theater (zie hiervoor). Het is - ondanks alles - één van de aardigste pleinen van de stad en sinds de 15e eeuw ook één van de belangrijkste. Nu wordt er elke dag in de ochtenduren een druk bezochte markt gehouden. Als u er 's ochtends een beetje op tijd bent, is het nog aangenaam toeven. Maar verder klagen de huidige bewoners steen en been, niet over hun markt, maar over de groeiende terreur van het moderne toerisme. Vooral 's avonds is het er tegenwoordig Sodom en Gomorra, inclusief verdekt geposteerde overvalwagens. Het pleintje vormt onderdeel van wat Romeinen in goed Italo-Spaans laatdunkend de Movida noemen, daarmee doelend op de semi-feestelijke optocht van dronken types tussen Navona en Trastevere.

37.3 Rome, Campo de' Fiori, Ettore Ferrari (1845-1929), Giordano Bruno. Foto: mei 2009

Campo de' Fiori, Giordano Bruno, Ettore Ferrari

37.4 Het is zodoende goed te weten dat hier ooit executies plaatsvonden en op het plein staat dan ook het beroemde beeld van Giordano Bruno, die hier in 1600 levend werd verbrand door de inquisitie. Bruno was een Dominicaanse monnik die er merkwaardige wetenschappelijke theorieën op na hield. Hij verklaarde dat het heelal bestond uit atomen, geen grenzen had, en ook geen midden, en deed dat alles zonder een greintje bewijs. In 1576 vluchtte hij weg uit Napels en begon aan een zwerftocht door Europa. In 1592 keerde hij terug naar Italië, waar hij in Padua hoopte op een professoraat in de wiskunde. In zijn plaats werd Galilei benoemd. Een paar jaar later werd Bruno in Venetië gearresteerd en naar Rome uitgewezen, waar hij nog zes jaar gevangen zat. In 1600 werd hij, ter gelegenheid van de viering van het heilig jaar (jubeljaar, net als bijvoorbeeld 2000 en 2015-16) plechtig op het Campo de' Fiori verbrand. Precies op de plaats waar het gebeurde, staat nu Romes beruchtste beeld, dat Bruno voorstelt, in monnikspij, gebogen hoofd en boek in de hand. Ja, ik vraag me ook af welk boek het is. Eén boek is het niet geweest. We weten dat hij in het bezit was van één van de pakweg 500 exemplaren van de eerste druk van Copernicus' De Revolutionibus orbium coelestium, (met de stelling dus dat de aarde draait), maar de man die er onderzoek naar deed, stelt vast dat er in het boek nog geen streepje te vinden is, en dat Bruno het dus vermoedelijk niet gelezen heeft. Het beeld is van de hand van de (erg republikeins gezinde) Romeinse beeldhouwer Ettore Ferrari (1845-1929). Het werd na veel strubbelingen ingewijd op 9 juni 1889. Dat Bruno met zijn gezicht in de richting van het Vaticaan staat, zal wel geen toeval zijn. Het is trouwens een kopie, want het origineel staat in het Museum voor Moderne kunst in de Villa Borghese. Op de Aventijn staat van Ferrari een ander monument, voor Mazzini, één van de stichters van Italië. De kerk heeft zich decennia lang tegen de komst van het beeld van Bruno verzet, maar het kwam er toch, in 1889. Als er een linksige (en dus anti-kerkelijke) demonstratie in Rome plaats vindt, gebeurt dat vaak rond het beeld.

37.4 Rome, Campo de' Fiori, Ettore Ferrari (1845-1929), Giordano Bruno, Inwijding op 9 juni 1889. Bron: D 'Orazio 2004.

Rome, Campo de'Fiori, 9 juni, 1889

37.5 palazzo farnese
De Via dei Baulari verbindt het Campo de' Fiori met een ander prachtig plein, Piazza Farnese. Het Palazzo Farnese dat direct aan de overkant ligt als je van het Campo dei Fiori komt, werd gebouwd voor kardinaal Alessandro Farnese, de latere paus Paulus III (1533-1549). Antonio da Sangallo begon eraan en Michelangelo deed na 1546 de bovenverdieping. Het werd pas afgemaakt in 1589 (door Della Porta). De loggia´s zijn van Michelangelo en ook de Korinthische arcaden op de derde verdieping en de immense kroonlijst. Er werd in totaal zo'n 75 jaar aan gebouwd. Het Palazzo bevatte ooit de beeldencollectie van de famile Farnese, maar die zou ten slotte in Napels belanden, waar ze nu in het Archeologisch Museum is opgenomen.

Het paleis kwam uiteindelijk in bezit van de Franse familie Bourbon, die er pas introk nadat ze in 1871, bij de Italiaanse eenwording, was verjaagd uit het Koninkrijk Napels. In 1874 werd het gebouw van de familie gehuurd door de Franse minister Noailles. Pas in 1911 werd een huurcontract opgesteld, waarbij werd overeengekomen dat de Franse regering het gebouw zou kunnen kopen voor 3.000.000 Franse francs, indien de Italiaanse regering het gebouw niet binnen 25 jaar definitief zou hebben teruggekocht. Kort voor het verstrijken van die termijn (in 1936, onder Mussolini) kocht Italië het paleis aan, om het direct weer - naar beweerd wordt voor 1 lire - te verhuren aan de Fransen in ruil voor een ambassadegebouw in Parijs. Daarmee deed Mussolini een slechte zaak; en zo beschikt Frankrijk op een koopje over het meest prestigieuze gebouw van Rome. Het huurcontract loopt nog tot 2035. De huidige ambassadrice is - sinds augustus 2014 - Catherine Colonna (1956). De fonteinen voor het gebouw bestaan uit twee immense badkuipen van Egyptisch graniet die in de 16e eeuw uit de baden van Caracalla werden weggehaald en pas in 1626 werden omgebouwd tot fonteinen. Als je aan de rechterkant langs het palazzo loopt, en even rechtdoor gaat, kom je in één van de mooiste, en het minst door toeristen geplaagde straten van Rome, de Via Giulia. Die werd onder Paus Julius II (1502-1513) aangelegd.

37.5 Rome, Piazza Farnese, Palazzo Farnese. Bron: D 'Orazio 2004.

Rome, Palazzo Farnese

SANT' ANDREA DELLA VALLE

38.1 In het voorbijgaan - we zijn toch bezig – zouden we even een fors uit de kluiten gewassen kerk binnen kunnen lopen, de Sant' Andrea dell' Apostolo, gewoon de Sint Andreas dus. Romeinen noemen de kerk Sant' Andrea della Valle, naar vaak beweerd omdat de kerk in een van oudsher wat lager gelegen stuk van Rome ligt, dat La Valla werd genoemd (het dal). De ruimte eromheen heet nu Piazza Vidoni. Naar een dal zult u moeten zoeken en er is vermoedelijk niets van waar. De ruimte is naar ik stellig vermoed genoemd naar een kardinaal, Andrea della Valle (1463-1534) die daar ook een Palazzo bouwde dat zijn naam droeg. De kerk is één van de grotere van Rome en beschikt over de op twee na grootste koepel van de stad, na die van de Sint Pieter uiteraard, waar hij op is gebaseerd, maar ook na die van Basiliek van Sint Pieter en Sint Paulus in EUR, kerk die tamelijk recent is en na langdurige strubbelingen pas in 1966 werd gewijd.

38.1 Rome, Sant' Andrea della Valle. Foto: mei 2013

Rome, Sant' Andrea delle Valle

38.2 De Sant' Andrea is de eerste grote kerk van de zogenaamde Theatijner orde (zie verderop). Met de bouw ervan werd in 1591 begonnen naar een ontwerp van de Napolitaanse (en Theatijner) architect Francesco Grimaldi (1543-1613), die zelf tussen 1585 en 1598 het toezicht had, en van Giacomo Della Porta (ca. 1533-1602), door wiens wijzigingen de bouw uiteindelijk tien jaar kwam stil te liggen. Bij de bouw waren ook andere architecten betrokken, vanaf 1608 onder andere Carlo Maderno (1556-1629), die de vijf koepels die Grimaldi wilde, uiteindelijk verving door die éne heel grote die we nu zien. De indrukwekkende laat-barokke façade in travertijn aan de zijde van Corso Vittorio Emmanuele is van Carlo Rainaldi (1611-1691) en werd gebouwd tussen 1661 en 1667, waarbij hij een ontwerp van Maderno aanpaste. Rainaldi was goed in façades. Ook de apsis van de Santa Maria Maggiore is van zijn hand, net als de façade van de S.M. in Campitelli en die van de tweelingkerk op Piazza del Popolo. Vader (Giralomo) Rinaldi was verantwoordelijk voor het conventsgebouw naast de Gésù. Naar het voorbeeld van de Gésù bestaat ook de Sant' Andrea uit een door kapellen geflankeerd schip met een overkoepelde viering en een halfrond koor, al is dit schip minder compact dan dat van de Gésù. De kerk is niet georiënteerd, maar staat op het zuiden en is in het deel van het kruis in het conventsgebouw en de aangrenzende huizen ingebouwd, maar schip en façade staan vrij. Aan de foto hiervoor is beter te zien hoe nogal wat Romeinse kerkgevels zowat voor de kerk zijn gehangen en zodoende wel iets hebben van Potemkin-façades. Aan de dakrand van het schip achter de imposante gevel is te zien dat het veel smaller is dan de façade doet vermoeden. Far' bella.

38.2 Rome, Sant' Andrea della Valle. Bron: Schlimme 2004

Rome, Sant'Andrea della Valle, façade

38.3 Met toestemming van Paus Clemens VII (Medici, 1523-1534) werd in 1524 door de Heilige Gajetanus van Thiene en bisschop Carafa van Chieti (de latere Paulus IV, 1555-1559) een orde van regulieren gesticht die naar de plaats van ontstaan, Chieti, Chietijnen werden genoemd, om vervolgens onder de gelatiniseerde versie van die stadsnaam, Teate, bekend te worden als Theatijnen, in het Nederlands met h, in het Italiaans zonder. De Latijnse aanduiding is: Ordo clericorum regularium vulgo Theatinorum. Chieti ligt ongeveer ter hoogte van Rome tegen de Italiaanse oostkust aan. De orde is sterk verbonden - alweer - met het Concilie van Trente (1545-1563) dat erop uit was de oude katholieke waarden in ere te herstellen. Zowel de Sant' Andrea als de Gésù zijn met die opvattingen verbonden. De Theatijnen zouden altijd enigszins in de schaduw blijven staan van de Jezuïeten, ook een orde van de contra-reformatie, maar aanzienlijk minder bescheiden. Hoe dan ook: in 1582 vermaakte Donna Costanza Piccolomini d' Aragona, hertogin van Amalfi, haar Palazzo aan het Piazza Siena aan die Theatijner orde. Piazza Siena heet nu Piazza Sant' Andrea della Valle en het ligt tegenover de kerk, aan de andere kant van de Corso Vittorio Emanuele II, al is er nog maar weinig van over. De ruimte naast de kerk heet nu Largo dei Chiavari. Nadat Paus Sixtus V (Peretti, 1585-1590) die gift bevestigd had, werden er Theatijnen in gehuisvest. De hertogin had bovendien testamentair bepaald dat er een kerk moest worden gebouwd, die was gewijd aan Sint Andreas de Apostel, die de beschermheilige was van haar familie. Sixtus V liet een ontwerp maken voor oa. dat Piazza Siena, mede met de bedoeling om de Via Papalis (waar we het al over hadden in verband met de Gésù) meer ruimte en glans te geven. Al vanaf het begin van de vijftiende eeuw deden opeenvolgende pausen grote moeite die route te verfraaien en dit was een volgende stap. De blijkbaar wat armelijke huizen die er stonden, moesten zodoende gesloopt worden, de Via Papalis verbreed en in de nieuw ontstane ruimte, vernoemd naar de kardinaal della Valle, diende de nieuwe kerk met bijbehorend conventsgebouw te komen. Op 12 maart 1591 legde kardinaal Alfonso Gesualdo de eerste steen voor de kerk. De architect die het ontwerp maakte, was in eerste instantie Pietro Paolo Olivieri (1551-1599) en kort daarop Giacomo della Porta. In 1602 werd met het conventsgebouw begonnen, dat was ontworpen door Calcagni en door de pauselijke architect, Giralomo Rainaldi, was goedgekeurd. Toen de nieuw benoemde beschermheer van de Theatijnen, Alessandro Peretti-Montalto aantrad, liet hij er blijkbaar de architect Carlo Maderno (1556-1629) bijhalen en stelde een groot geldbedrag beschikbaar. Maderno 's eerste tekening voor de façade dateert van 1624. In 1625 werd de koepel door Lanfranco beschilderd. Toen Maderno in 1529 stierf werd als zijn opvolger Carlo Rainaldi (1611-1691) benoemd en in een later stadium diens leerling, Carlo Fontana 1638-1714). Op dat moment was de façade nog maar deels af. In 1650 werd de kerk uiteindelijk door Kardinaal Francesco Peretti aan de apostel Andreas gewijd. Vijf jaar later nog verzocht hij de paus de Theatijners 2000 scudi beschikbaar te stellen, lening met een looptijd van 25 jaar, om zodoende de façade af te kunnen bouwen. Alexander VII (Chigi, 1655-1667) voldeed aan dat verzoek. Af kwam hij uiteindelijk in 1667, al ontbreekt aan de rechterzijde sindsdien de engel. Iemand als Hermann Schlimme (aan wie ik hier bijna alles ontleen) geeft als bouwers van de kerk ten slotte: Maderno, Rainaldi en Fontana.

38.3 Rome, Vooraanzicht van Sant' Andrea della Valle naar het ontwerp van Carlo Maderno (1556-1629), uit: Regnatius, Roma, 1650. Bron: Schlimme 2004

Rome, Ontwerp Andrea della Valle, van Carlo Maderno (1556-1629)

38.4 Het brede schip met de reusachtige zuilen die allemaal van dezelfde orde zijn en de grote koepel erboven, schept een enorme ruimtelijkheid. Vlak voor het kruis liggen aan weerszijden de tombes van de twee Piccolomini-pausen, links die van de bekendste, Aeneas Silvius Piccolomini, Pius II (Corsignano, 1458-1464) dus, die u misschien kent van de bibliotheek in de dom van Siena, zijn plaatsje dat nu Pienza heet in Zuid-Toscane of van zijn bekende memoires, rechts die van een neefje - zoontje van een zus - Francesco Todeschini Piccolomini, Pius III (1503). Ik neem aan dat dat een familiekwestie is. De bouw van de kerk werd ook mogelijk gemaakt door een Piccolomini, Hertogin van Amalfi, die haar Palazzo schonk aan de Theatijner orde. Hier bevindt zich – het is van geen enkel belang – ook de kapel waar Tosca in de opera Tosca van Puccini bidt, en waar ze in de eerste akte haar schildersminnaar ontmoet. Het zal heel slecht aflopen. Italianen spreken van de Tosca-kapel, maar de officële naam is Capella Barberini. Het is de eerste kapel aan de linkerzijde. Net als de Gésu is de kerk sterk verbonden met de contra-reformatie. De twee lijken ook enigszins op elkaar. Dat hij werd gebouwd voor de orde der Theatijnen en door (in allereerste instantie) een Theatijner architect, Olivieri, is niet toevallig. Die orde was net als die der Jezuïeten één van de drijvende krachten achter de contra-reformatie, die door de katholieken natuurlijk gewoon katholieke reformatie wordt genoemd. Hoezo contra? Aan de kerk gebouwd ligt ook het Theatijner klooster waar heel wat Nederlandse medegymnasiasten overnachten (die van het Barlaeus bijvoorbeeld). Het is goedkoop, maar je moet wel 's avonds om elf uur binnen zijn. Een collega van me hunkerde er stiekem jaren naar om er tijdens de Rome-excursie te verblijven. Een echte Spartaan. Tegen de locatie kan natuurlijk geen hotel op, in elk geval niet éen waar scholieren normaliter verblijven, dat is waar. Maar ja.

38.4 Rome, Sant' Andrea della Valle 01 Façade (1655-1663) door. Rainaldi. 02 Lancelottikapel (1675) met beeldhouwwerk van E.A. Raggi. 03 Strozzikapel (ca. 1616) toegeschreven aan Giacomo della Porta met kopieën van de Pieta tussen de figuren van Lea en Rachel door Michelangelo. 04 Graf van Pius II († 1464) toegeschreven aan Paolo Taccone en een onbekende navolger van A. Bregno (ca. 1470). 05 Graf van Pius III († 1503) door de Ferrucci's. 06 Koepel met de Glorie van het Paradijs (ca. 1621) door G. Lanfranco en de Vier Evangelisten (1621-1628) op pendentieven van Domenichini. 07 Apsis met fresco's van Domenichino (1624-1628) en Mattia Preti (1650-1651), stucco van A. Algardi. 08 Altaar van S. Cajetanus van Tiene (1912) door. Bazzani. 09 Barberinikapel met St. Martha (17e eeuw) door F. Mochi en St. Johannes de Doper (vroeg 17e eeuw) door Pietro Bernini. Bron: Gunn 1981

Plattegrond S. Andrea della Valle

38.5 In september 1622 begon Domenichino met de schilderingen in het koor. Domenichino is voluit Domenico Zampieri (1581-1641), schilder uit de Bolognese school. Beweerd wordt dat, aangezien de Theatijnen vreesden dat die het karwei niet af zou krijgen voor het Heilig Jaar 1625, Giovanni Lanfranco (1582-1647) de opdracht kreeg. Beiden waren leerlingen van Annibale Carracci en kregen na diens dood in 1609 in Rome een grote reputatie. Lanfranco was al verantwoordelijk voor de beschildering van de koepel. Roettgen merkt op dat de verhalen over de moordende concurrentie tussen de twee talrijk zijn, maar hecht er niet veel geloof aan. Uiteindelijk zouden beiden bij de schildering betrokken worden. Dat nam niet weg dat in 1625 grote gedeeltes nog niet af waren. Dat zou vermoedelijk pas eind 1627 gebeuren. Op bijgaande reproductie zijn nog het best te zien taferelen die werden geschilderd door Mattia Preti (1613-1699). Preti, de uit Calabrië afkomstige schilder, werd in 1650 bij het schilderwerk voor de apsis betrokken door Francesco Peretto Montalto. Preti woonde al sinds 1630 in Rome en was lid geworden van de Ridders van Malteser orde. De scenes die hij zou schilderen werden voor hem uitgekozen door de generaal van de orde, Agostino de Bellis. Het betreft de oprichting van het kruis, de kruisiging, en de begrafenis. Zijn fresco's, die een soort muurtriptiek vormden, werden in april 1651 onthuld, maar er werd veel geklaagd over de stijlverschillen met het werk van Domenichino en Lanfranco. Dat neemt niet weg dat het idee later door anderen gevolgd zou worden, bijvoorbeeld in de Sant'Ignazio.

38.5 Rome, Sant' Andrea della Valle, Koor en Apsis: Scenes uit het leven van Sint Andreas. Onderste verdieping, Preti (1613-1699): van links naar rechts, 1 oprichting van het kruis, 2 kruisiging en 3 graflegging. Daarboven op tweede laag: Domenichino (1581-1641), allegorische figuren: Spes (hoop), Fortitudo (kracht), Povertà voluntaria (vrijwillige armoede), Religio regulare (kloosterlijke godsdienst) en Caritas (mededogen). Derde laag, bovenin, Domenichino: Flagellatie van Sint Andreas, de derde beroeping van de apostelen Andreas en Petrus, Sint Andreas geleid naar zijn martelaarschap. Bron: Roettgen 2007 nr. 33

Rome, Sant' Andrea, Koor

38.6 pasquino
Het Piazza di Pasquino, zoals het pleintje waar Pasquino's beeldje staat enigszins weids heet, bevindt zich eigenlijk al aan de overkant van de Corso Vittorio Emanuele, of Corso Vittorio, zoals Italianen gewoon zeggen, en het staat dus ook in de onmiddellijke nabijheid van Piazza Navona. De jongeman, van wie alleen de torso zonder armen over is, is het restant van wat in oorsprong een beeldengroep was: Menelaos die het lijk van Patroklos draagt. In Florence staat op het Piazza della Signoria in de Loggia dei Lanzi een nog gaaf exemplaar. Van Gelder noemt in zijn boekje over Pasquino het beeldje het prikbord van de boze burger, en daar zit wel wat in. Die hingen er gevatte hatelijkheden aan die vervolgens al snel de ronde deden: Ohime, non ho un quattrino / Tutto il mio ha Barberino: Helaas, ik heb nog geen quattrino / alles heeft Barberino (over Paus Urbanus VIII). De meest geciteerde is natuurlijk die over het brons in de voorhal van het Pantheon, dat Urbanus liet weghalen: Ouod non fecerunt barbari fecerunt Barberini: Wat de barbaren niet deden, deden de Barberini. Geletterde types, die oude Romeinen, heel anders dan nu. Van Gelder vertaalt een andere, ook al over Urbanus: Op last van Urbanus betaalden / wij tal van accijnzen op wijn / in ruil hiervoor kregen zijn burgers / water uit deze fontein. Tegelijkertijd, ik schreef het eerder al, converseert Pasquino ook met de andere sprekende beelden die er in Rome zijn, vooral de Marforio op het Kapitool en Madama Lucrezia op Piazza Venezia, al zijn er natuurlijk ook nog Abate Luigi, aan de zijmuur van Sant' Andrea delle Valle, op het pleintje dat Piazza Vidoni heet. En dan is er ook nog Il Babuino, De baviaan. Die kreeg in het verleden al de straat waar hij staat (en die voorheen naar Clemens VII Via Clementina heette) naar zich vernoemd: Via del Babuino, niet ver van Piazza del Popolo. Het modehuis Brioni (dat normaliter James Bond kleedt) heeft eind 2015 in twee maanden tijd voor 25.000 euro de Baviaan gerestaureerd. In werkelijkheid gaat het natuurlijk niet om een baviaan. Te zien is Silenus op een rots; het beeld dat van ergens tussen de 2e en de 1e eeuw vC. dateert, werd er in 1576 neergezet in opdracht van een koopman uit Ferrara, Alessandro Grandi. De oorspronkelijke fontein ervoor werd al eeuwen geleden verplaatst naar Via Flaminio. Het huidige bassin ervoor is pas van 1957. In verband met Marforio merkte ik al op dat de beelden ooit een eigen website kregen, maar ook dat die weer spoorloss verdwenen is.

38.6 Rome, sprekende beelden. 1, Pasquino: Piazza Pasquino 2 Marforio, Kapitolijnse Musea, Palazzo Nuovo 3 Madama Lucrezia: Piazza Venezia 4 Abate Luigi (Abt Luigi): Piazza Vidoni 5 Il Babuino (De baviaan): Via del Babuino 6 Il Facchino (De sjouwer): Via Lata. Bron: Van Gelder 2006

Sprekende beelden in Rome

OP EN ROND PIAZZA NAVONA

39.1 piazza navona
Heden ten dage is Piazza Navona het centrum van het Romeinse toeristenverkeer, maar in het verre verleden van het oude Rome was de wijk, waarvan het plein nu het centrum vormt, éen grote open ruimte, met veel parken, baden en theaters. Dwalend door de nauwe straatjes van de volkswijken rond het Forum Romanum, liep je dan ineens in het zonlicht en het groen van de Campus Martius, het Marsveld. Het was het centrum voor sport, ontspanning en vertier. Aan de vorm van het Piazza Navona kun je nog zien dat op die plaats (zoals gezegd) een renbaan heeft gelegen, het Stadion van Keizer Domitianus (81-96). Daar werden de befaamde oktoberrennen gehouden, waarbij aan het slot het rechterpaard van het span dat de race won met een speer werd gedood, waarna de kop werd afgehakt en versierd met broden. De kop werd de inzet werd van een feestelijke kloppartij tussen twee Romeinse wijken en de staart werd bij de Regia op het Forum geofferd. Op een holletje werd dat lichaamsdeel naar de Opperpriester gebracht. Het kwam voor - zegt een ooggetuige - dat het bloed er nog uitdroop als hij werd overhandigd. De Pontifex Maximus gaf hem door aan de Vestaalse maagden. Niet alleen de vorm van het Piazza Navona herinnert aan het Stadion van Domitianus, ook de naam: Circus Agonalis, zoiets als wedstrijdbaan. Dat werd in de middeleeuwen n'Agona en vervolgens Navona. Zelf wantrouw ik dergelijke etymologische excercities ten zeerste, maar het wordt overal vermeld. Men kan nog enkele bouwfragmenten van het stadion in de buurt van het plein bekijken, vooral in het parallelstraatje aan de noordelijke, dus korte zijde. Sinds voorjaar 2014 is er zelfs een gladiatorenmuseum gevestigd dat deels van de opgegraven ruimtes gebruik maakt en de fundamenten zijn nu aan de noordzijde zelfs van buiten zichtbaar. Het ziet er tamelijk serieus uit, maar er geweest ben ik nog niet. Ook in de kelders onder de huizen langs het plein liggen overal de fundamenten van de zitplaatsen en gangen van het stadion. In de crypte van de Sint Agnes, de grootste kerk aan het plein, bevinden zich merkwaardig genoeg de resten van een oud Romeins bordeel, dat zelf weer was aangebracht onder een boog (fornix) van het stadion.

Het Marsveld kreeg zijn stedelijk karakter pas toen de aquaducten van Rome door de Goot Vitiges vernield werden. Dat was in de 6de eeuw. Toen trokken de mensen naar de wijken aan de oever van de Tiber. Daar was nog water. Vanaf dat moment nam het volk bezit van het Piazza Navona, of hoe het in die dagen ook heette. Er werd heel wat gefeest op het plein. Het heeft in de loop van de eeuwen veel gezien: stierengevechten, ruitertoernooien en kermissen. In de zeventiende eeuw was een periode van 20 jaar voldoende om het antieke karakter van het plein om te toveren tot de huidige combinatie van paleis, kerk, fonteinen en obelisk. Met meer recht zou het plein tegenwoordig Piazza Pamphilj genoemd mogen worden, want leden van dat adellijk geslacht, afkomstig overigens uit Gubbio, waren verantwoordelijk voor het huidige aanzien van een groot deel ervan. Spektakelstuk in de eeuwen daarna was het waterballet, dat de weekenden in de zomer opvrolijkte. Vanaf halverwege de zeventiende eeuw, toen Bernini's Rivierenfontein er was neergezet,ontstond de gewoonte de uitgangen van de fonteinen af te sluiten, schotten voor de deuren te plaatsen, waarna het feest kon beginnen. Op de zaterdag en de zondag werd het plein dan langzaam aan onder water gezet. De foto hierbij, die dateert van rond 1865, laat dat nog zien. Het plebs ging pootje baden en de dames en heren begaven zich met koets en al te water. Toen Piazza Navona in 1867 werd geplaveid, werd de traditie gestaakt. Dit deel van Rome heeft zijn bijzondere karakter te danken aan het feit dat de Renaissancepausen er hun talloze paleizen neerzetten, zonder het middeleeuwse stratennet al te veel geweld aan te doen. De palazzi die je ziet, zijn renaissance of barok, en dateren uit de 16e en 17e eeuw, maar de straten ruiken nog naar de eeuwen daarvoor.

Tegenwoordig ademt Navona alleen in de kersttijd nog de oude sfeer van volksvermaak. Dan staan er overal kerststalletjes, kraampjes van nogabakkers en andere gezellige zaken. Dat zouden er in 2015 welgeteld 66 zijn, want met ingang van dit jaar zou het aantal worden gehalveerd, terwijl ze allemaal identiek zouden zijn uitgevoerd en alleen nog maar traditionele kerstzaken mochten verkopen, aldus allemaal de raadsvoorzitster van de deelgemeente, in reactie op de al jaren hoorbare kritiek op het ordinaire karakter ervan. Niks geen sjaaltjes, shirtjes en snuisterijen meer! Het moest maar eens afgelopen zijn met de kermis. In 2014 protesteerden boze kraameigenaren nog tegen de plannen en bleef Navona leeg. En hoewel het dit jaar eerst leek te gaan lukken, blies de prefect die Rome als vervanger van de afgetreden burgemeester bestuurt, Tronca, de zaak alsnog af toen eind november 2016 bleek dat éen (beruchte) familie op onreglementaire wijze een groot deel van de kramen beheerde. Zodoende lijkt het erop dat er ook dit jaar geen kerstmarkt zal zijn op Navona. Jammer, want boven dit alles waart traditiegetrouw de heks Befana rond, een lelijk oud wijf, dat in de twaalf nachten tussen Kerstmis en Driekoningen, Epifania - maar op Navona van 6 december tot 6 januari - de Italiaanse Sinterklaas uithangt. Ze heeft iedereen door, zodat ze - in navolging van de Drie Koningen - in de nacht van 5 op 6 januari geschenken kan uitreiken: voor de brave kinderen speelgoed en zoetigheden, verstopt in een oude kous die de kleinen vol verlangen bij de haard hebben gehangen, maar zand en zwarte kooltjes voor de degenen die maar niet willen deugen en rood ondergoed voor alle vrouwen. Die Italianen ook. De rest van het jaar is Navona éen grote toeristenfuik, waar u voor alles schandelijke prijzen betaalt in ruil voor onoprecht hoffelijke bediening en vaak zeer middelmatige kwaliteit, rol die tot halverwege de jaren '70 was weggelegd voor Via Veneto. Die is inmiddels onder druk van de concurrentie voor miljoenen geherprofileerd, het straatmeubilair is er gemoderniseerd, de terrassen zijn er vervangen door glazen kooien en zodoende is de straat voorgoed verloren. Als Fellini het wist, zou hij zich in zijn graf omdraaien.

39.1 Rome, Piazza Navona onder water, ca. 1865. Anonieme fotograaf. Bron: Marmorio 2011

Piazza Navona onder water, ca. 1865

39.2 de fonteinen op Navona
Op het plein staan drie fonteinen. Aan de zuidzijde staat de Fontein van de Moor, in de 17de eeuw gebouwd door de Gian Lorenzo Bernini. Aan de noordzijde staat de Fontein met Neptunus, en in het midden Bernini's beroemde Rivierenfontein. De hierbij getoonde Fontein van de Moor heeft hier nog zijn originele gedaante, want de foto werd genomen voordat de groep marmeren beelden in 1874 werd vervangen door kopieën van Luigi Amici. Ook de zuiltjes met het hek zijn nog de originele. Die werden onder Mussolini door een ander model vervangen. Eromheen is de markt zichtbaar die er nog wordt gehouden. Erachter staat de San Giacomo degli Spagnoli, hier in verwaarloosde staat, het bovenste deel van de gevel nog onvoltooid. Na de Spaanse revolutie van 1868 werd de kerk ten slotte gekocht door de Franciscaanse missionarissen van het Heilig Hart. De architect Carimini veranderde de oriëntatie en zette de gevel aan de kant van Piazza Navona, waarna de kerk, toen de Corsa del Rinascimento werd aangelegd, weer werd teruggedraaid. Toen had hij al de naam Nostra Signora del Sacro Cuore: Onze Lieve Vrouwe van het Heilig Hart.

39.2 Rome, Piazza Navona [Fontana del Moro] Fontein van de Moor, ca. 1867. Albuminedruk, 18.2 x 24.7 cm. Anonieme fotograaf. Bron: Becchetti 1991

Piazza Navona, Fontein van de Moor, ca. 1867

39.3 Aan de noordzijde staat uit het eind van de 19de eeuw de fontein met de zeegod Neptunus in een worsteling met een van zijn onderdanen. In het centrum van het plein staat de grote Fontana dei Fiumi, de Rivierfontein, eveneens gemaakt door Bernini. De vier grote rivieren van de werelddelen zijn als stroomgod weergegeven. Afrika is vertegenwoordigd door de Nijl, met een leeuw en een palm aan zijn zijde en een doek over zijn hoofd. Een vriendelijke verklaring voor die houding is, dat hiermee aangegeven wordt dat de bronnen van de Nijl nog onbekend zijn. Anderen zeggen kwaadaardig dat de Nijl zijn gezicht bedekt om de kerk van Borromini (een concurrent van Bernini) niet te hoeven zien. Helaas stond die kerk er nog niet toen de fontein werd gebouwd. Naast de Rio de la Plata ligt een stapel geldstukken: Zuid­Amerika' s rijkdom aan bodemschatten wordt op die manier in beeld gebracht. De riviergod zelf vertoont een uitgesproken dom gezicht en heft verschrikt de hand op naar de kerk, wat alweer tot kwaadsprekerij aan het adres van Borromini heeft geleid. De Donau vertegenwoordigt Europa, evenals het paard (waarvoor een beroemd renpaard uit de tijd van Bernini model heeft gestaan). Het vierde werelddeel is Azië, met de Ganges als stroomgod die een forse boomstam als roeiriem hanteert.

De fontein werd gemaakt in opdracht van Paus Innocentius X 1644-1655), die zijn familiewapen, een duif met een olijftak in zijn bek, het wapen van de familie Pamfili - vergeeft u me - pontificaal liet uithakken naast het beeld van de Nijl. Toen de fontein in 1651 zo goed als gereed was en alleen nog maar wachtte op de officiële ingebruikname, wilde Innocentius X het bouwsel inspecteren, voordat het gewone volk er zich aan kon verlustigen. Bernini verontschuldigde zich en zei dat de leidingen nog niet gereed waren en of de Heilige Vader maar wilde wachten. Juist toen Innocentius het plein wilde verlaten, begon ineens het kletterend gebruis van alle kanten het water te stromen. De verrassing die Bernini zijn opdrachtgever bereidde was compleet. En aangenaam, want Innocentius verklaarde dat deze surprise tien jaar aan zijn leven zou toevoegen. Bernini zelf was minder tevreden. Wanneer hij in later jaren langs de fontein reed, sloot hij het gordijntje van zijn koets en zei: Wat schaam ik me toch, dat ik dit zo armzalig gemaakt heb. Innocentius was berucht om zijn gierigheid. Hij betaalde Bernini voor de fontein 3000 scudi. In hetzelfde jaar kreeg de beeldhouwer van een andere opdrachtgever, Franceso d'Este, precies hetzelfde bedrag voor kleine buste van 98 cm hoog. Het was trouwens ook Innocentius X die in 1652 (dus) de traditie begon van het zogenaamde lago. Dan werd het plein op zaterdagen en zondagen in augustus onder water gezet. En dan mocht iedereen pootjebaden. De gewoonte was omstreden, maar pas in 1867 werd er een definitief einde aan gemaakt. De paus heeft zijn laatste rustplaats gevonden boven de entreedeur van de Sant Agnese, de kerk van de Pamphilj op Piazza Navona. Als je naar binnen gaat, even omhoog kijken. Grappige plek.

Overal bovenuit op het plein steekt de obelisk, een van de 48 van het Oude Rome. Van dat aantal zijn er nog 13 over. Slechts twee daarvan hebben de oorspronkelijke bekroning, namelijk de gnomon, een bol waarvan de schaduw op de grond de juiste tijd aanwees. Obelisken dienden als zonnewijzers. De meeste bollen op de top hebben plaats gemaakt voor christelijke motieven, of - zoals hier - een familiewapen. De duiven zijn van de familie Pamfilji, waartoe Paus Innocentius X behoorde. Hij zorgde voor de barokke metamorfose van de Piazza Navona. Het geld voor deze onderneming haalde hij via allerlei belastingen binnen. Een van die belastingen werd geheven op brood, wat tot protesten leidde uit het volk. Op de obelisk werden pamfletten vastgemaakt: O Heer, moge deze steen in brood veranderen. In de Galleria Doria Pamphilj kun je van Innocentius X het befaamde, door Velazquez gemaakte portret zien, met ernaast de al even beroemde buste van Bernini. De obelisk hier is in tegenstelling tot wat men zou kunnen denken niet afkomstig uit Egypte. Keizer Domitianus liet de steen uit de Alpen halen om er zijn villa mee op te sieren. In 311 kreeg de obelisk, kaal en zonder Egyptische versierselen, een plaats in de Circus van Maxentius aan de Via Appia. Eeuwenlang lag hij daar, in vier stukken uiteengevallen. Toen Bernini de obelisk naar de Piazza Navona liet overbrengen, vond men dat er toch een Egyptisch tintje aan gegeven moest worden. En dus werden er lang na het verdwijnen van de laatste farao hiëroglyfen in gehakt.

39.3 Rome, Piazza Navona, met Fontana dei Fiumi, de Vierstromenfontein. Foto: mei 2013

Rome, Piazza Navona met Fontana dei Fiumi

SANT' AGNESE IN AGONE

39.4 Op de plaats waar nu de Sant' Agnese in Agone staat, bevond zich ooit, nog in de resten van het Stadion van Domitianus - dat ook wel wordt betiteld als Circus Agonalis, en waar Sint Agnes volgens de traditie martelaar geworden zou zijn - een aan haar en Sint Catherina gewijd oratorium dat dateert uit de achtste eeuw. De resten ervan zijn vanuit de kerk toegankelijk. Overigens wordt naar aanleiding van de Sant' Agnese fuori le Mura, de gelijknamige, maar veel oudere kerk buiten de muren ook beweerd dat Sint Agnes er begraven ligt. Het stadion was het noordelijkste gebouw van een reeks publieke bouwwerken op het Campus Martius. Het dateerde van het eind van de eerste eeuw en zou in het late keizerrijk geleidelijk overdekt worden door andere aanbouwsels en zodoende steeds verder slinken, al zou de atletiekbaan zelf altijd vrij blijven. Het stadion zou nog in de vijfde eeuw gebruikt zijn. Beweerd wordt dat het oratorium in kwestie in de twaalfde eeuw onder Paus Callistus II vergroot zou zijn. De kerk zou toen met de apsiszijde naar het huidige Piazza Navona hebben gelegen en de entree hebben gehad aan de Via dell' Anima. Rosendorfer spreekt van een kerkje van de Minderbroeders van de Caraccolini, maar de van oorsprong Napolitaanse Caracciolijnen zijn een orde die pas in 1588 werd gesticht en hun eerste hoofdkerk in Rome was vanaf 1595 de San Lorenzo in Lucina. Ik heb over de voorganger van de Sant' Agnese in Agone niets intelligents kunnen vinden. De kerkbeheerders zelf noemen ook de voorganger al Sant'Agnese en zeggen dat die werd gesloopt in augustus 1652. Halverwege de vijftiende eeuw verschenen in Rome uit Gubbio namelijk de Pamphilj, een adellijke familie, waarvan de leden zich vervolgens aan de zuid- en westkant van Navona zouden gaan vestigen en er een aantal grondstukken zouden verkrijgen. In 1630 werd voor de Pamphilj het gelijknamige Palazzo gebouwd aan Navona, dat nu de Braziliaanse ambassade is. Dat maakte toen al gebruik van een eerder Palazzo, dat ook al van de familie was. Toen in 1641 Giovanni Battista Pamphilj paus werd, tot 1655, als Innocentius X, kreeg de architect Girolamo Rainaldi (1570-1655) in 1652 de opdracht de oude, naast het Palazzo Pamphilj gelegen kerk te vervangen door een nieuwe. Feit lijkt wel dat de kerk zodoende kon functioneren als een soort hofkapel van de familie, die er direct toegang toe had. Na de dood van Innocentius X in 1655 zou diens (beruchte) schoonzus Olimpia Maidalchini het Palazzo Pamphilj bewonen. In 1651 begon Bernini in opdracht van de Pamphilj ook nog aan de al genoemde fontein, zodat een goed deel van het plein is vormgegeven door de Pamphilj.

39.4 Rome, Piazza Navona, Sant' Agnese in Agone. Foto: oktober 2014

Rome, Sant' Agnese in Agone

39.5 De eerste plannen voor de kerk waren van de huisarchitect van de Pamphilj, Girolamo Rainaldi (1570-1655), die misschien samen met zijn zoon Carlo Rainaldi (1611-1691) een Grieks kruis ontwierp met een enkele koepel zonder trommel en die de entree wegdraaide van de Via dell' Anima naar het huidige plein. Aanvankelijk was het blijbaar de bedoeling de nieuwe kerk over de oude heen te bouwen, zodat die als crypte zou gaan fungeren, maar daarvoor had de kerk op een verhoging moeten komen te liggen en dat idee werd uiteindelijk opgegeven. Vermoedelijk was het zodoende in oorsprong ook de bedoeling de kerk te voorzien van een hoge trap naar het plein en tussen entree en trap een narthex te leggen, maar zeker is dat niet, want de ontwerptekeningen zijn verdwenen en uiteindelijk is ook dat niet gebeurd. Zoals wel vaker in Rome hadden omwonenden blijkbaar kritiek op de wijze waarop de kerk gebruik maakte van het plein. Iets soortgelijks gebeurde bij de bouw van de Gésù. Als gevolg van dat alles misschien onthief Ignatius X Rainaldi sr. al in 1653 van zijn taak en stelde Borromini aan, die blijkbaar een geplande vestibule verwijderde en twee lage campanile's aanbracht om het zicht op de koepel te behouden, maar die toch voorzag van een trommel en bovendien van zestien zuilen. Toen Innocentius in 1655 stierf, stelde zijn opvolger, Alexander VI (Chigi, 1655-1667) een commissie in om het werk van Borromini te onderzoeken. Op dat moment was het middendeel van de gevel vermoedelijk al voltooid. Het was Rainaldi jr. die vervolgens het werk dat onder zijn vader was begonnen voltooide, opnieuw wijzigingen aanbracht aan de campanile's en de lantaarn. In 1667 droeg Olimpia Maidalchini de architect Giovanni Maria Baratta (1627-1675) op de campanile's te voltooien en de trap voor de kerk, terwijl ze Bernini opdracht gaf het interieur van de kerk af te maken.

39.5 Rome, Piazza Navona, Sant' Agnese in Agone. Koepel. Foto: oktober 2014

Rome, Piazza Navona, Sant' Agnese in Agone

39.6 Voltooid werd het huidige binnenaanzicht pas in 1724 toen het hoogaltaar door Domenico Caccagni afkwam. De ruimtelijkheid van de relatief kleine kerk ontstaat vooral door de grote koepel, waarin de fresco's werden aangebracht door Ciro Ferri, de leerling van Da Cortona. De pendentieven zijn (alweer) van Baciccia, die met dergelijk werk een reputatie had verworven. De sacristie is van Borromini. Het aan Innocentius X gewijde monument boven de ingang is van Giovanna Battita Maini.

39.6 Rome, Piazza Navona, Sant' Agnese in Agone. Graf van Paus Innocentius X (Pamphilj, 1641-1655). Foto: oktober 2014

Rome, Piazza Navona, Sant'Agnese in Agone, Graf van Innocentius X

PALAZZO ALTEMPS

40.1 museo nazionale romano, palazzo altemps
Het zogenaamde Palazzo Altemps is, onder de titel Museo Nazionale Romano, samen met de thermen van Diocletianus, de Crypta Balbi en Palazzo Massimo éen van de vier nationale musea in Rome. Prijzen en toegangstijden zijn identiek. Het toegangskaartje ervoor kost anno 2014 7 euro, maar is dan wel bruikbaar voor alle vier de musea, op dag dat u het koopt en de twee volgende. U kunt vanaf 9.00 uur terecht tot 19.00. De musea sluiten om 19.45 uur. Op maandag zijn de vier musea dicht. Het is er altijd rustig en de collectie is zeer de moeite waard.

Met de bouw van het later naar Altemps vernoemde palazzo werd al begonnen door Girolamo Riario (1443-1488), broer van kardinaal Pietro Rario, ergens rond 1470, voortgezet werden de werkzaamheden eraan onder Kardinaal Francesco Soderini (1511-1523) en voltooid werd het rond 1570, nu dus pas onder (de van herkomst Oostenrijkse) kardinaal Marco Sittico Altemps, toen die het palazzo kocht om er te gaan wonen als hij in Rome verbleef. De naam Altemps was een (deels) letterlijke vertaling van het oorpronkelijke familienaam Hohenems. Begraven ligt Altemps in de voor hem gebouwde kapel in de Santa Maria in Trastevere, de laatste kerk waarvan hij over de kardinaalstitel zou beschikken. Altemps had voor de voortzetting van de bouw van zijn palazzo opdracht gegeven aan zijn Lombardijse huisarchitect Martino Longhi Sr. (1534-1591), die op dat moment al een grote faam had. Niet alleen werkte hij aan het Palazzo Altemps, hij was ook verantwoordelijk voor de bouw van de cortile van het Palazzo Borghese, voor twee kerken, de Santa Maria della Consolazione en de San Girolamo degli Schiavoni, terwijl hij ook degene was die (naar een ontwerp van Michelangelo) het torentje op het Palazzo Senatorio zou bouwen, de Patinara, al was dat een vervanging van een eerder exemplaar. Altemps legde een grote verzameling klassieke beelden aan, maar daarvan zijn er hier nog maar 16 exemplaren over, terwijl de rest zich inmiddels elders bevindt, in de Vaticaanse musea, in het British Museum en het Louvre. Maar, en daarom is het museum toch bijzonder, in Palazzo Altemps bevindt zich nu ook de collectie van Kardinaal Ludovico Ludovisi (1595-1632), die een neef was van Paus Gregorius XV (Ludovisi, 1621-1623). Ludovisi bouwde op grond die hij geleidelijk op de Pincio verkreeg in 1620 zijn gelijknamige Villa. Maar hij was ook een verzamelaar, liet opgravingen doen en hij zou uiteindelijk een enorme collectie aanleggen, die Europese faam genoot en door velen werd bezocht als ze in Rome waren. Ludovisi verwierf ondertussen geleidelijk ook delen van andere collecties, zo die van Altemps, van de Mattei en de Cesi, terwijl hij zelf opgravingen liet uitvoeren, vaak in zijn eigen tuin, al had die wel de omvang van een groot park. Die gebruikte hij om zijn bezit op de Pincio te verfraaien en met zijn nakomelingen was het net zo gesteld, zodat de collectie nog tot in de 19e eeuw zou groeien. De familie bezat uiteindelijk een enorm grondgebied, zoals gezegd op de Pincio, bij de Porta Pinciana, in een gebied dat naarmate de stad groeide, steeds dichter tegen het centrum aan zou komen te liggen. Van enig belang is het dat zich hier in de oudheid de Horti Salliustiani bevonden. Sallustius was de historicus die met behulp van zijn op dubieuze wijze in Noord-Afrika verworven gelden in het noordwestelijk deel van Rome (in Regio IV) een parkachtig complex aanlegde met een villa. Het is dus geen wonder dat er veel werd gevonden, alhoewel de status ervan soms betwist wordt omdat de precieze omstandigheden waaronder de opgravingen plaats vonden vaak onduidelijk bleven. De huidige Via Veneto loopt dwars door het gebied heen. De familie Ludovisi werd in 1883 door de staat gedwongen haar bezittingen te verdelen, zodat de leden ervan besloten het hele gebied te verkopen, iets wat ook in de bedoeling lag van de staat. Het enige wat er nu nog van over is, is de zogenaamde Villa Aurora. Nadat de Villa Ludovisi in 1883 was opgedeeld en grotendeels verkocht als bouwgrond, besloot de Italiaanse staat in 1901 als een soort goedmakertje, want de zaak had in heel Europa ophef veroorzaakt, 104 stukken uit de collectie te kopen, daaronder Grieks en Romeins werk waarvan de herkomst onbekend was en dat soms ook sterk is gerestaureerd. Macadam schrijft niet voor niets in zijn Blue Guide dat de collectie een goed beeld geeft van de smaak voor de klassieke oudheid der zeventiende eeuw. De cortile, waarom het Palazzo is gebouwd, werd begonnen onder Antonio da Sangallo sr (1453-1534) tussen 1513 en 1517, voortgezet onder Baldassare Peruzzi (1481-1536) en voltooid (alweer) door Martino Longhi, pas tegen het einde van de zestiende eeuw. Ik zal dit aan Altemps gewijde deel in de komende tijd uitbreiden met een aantal onderdelen van de collectie.

40.1 Rome, Palazzo Altemps, cortile (binnenplaats). Foto: oktober 2014

Museo Nazionale Romano, Palazzo Altemps

SANTA MARIA DELLA PACE

41.1 Santa Maria della Pace bestaat eigenlijk uit drie onderdelen: de kerk zelf, de kloosterhof en het klooster. Bijzonder is het klooster met zijn hof dat tussen 1500 en 1504 werden ontworpen door de renaissance-architect Bramante, in opdracht van kardinaal Oliviero Carafa. Het bijbehorende, zogenaamde Chiostro di Bramante, functioneert tegenwoordig als tentoonstellingsruimte. Op zondag kun je hier ook nog voortreffelijk brunchen. We gaan er niet naar binnen, want dat kost geld. Overigens is de kerk om mysterieuze reden nogal eens gesloten en de kloosterhof soms gratis. Normaliter zou hij geopend moeten zijn van 10.00 tot 20.00 uur (op werkdagen) of tot 21.00 uur (weekend). In het verleden liepen er tentoonstellingen met bijvoorbeeld werk van de Franse schilder James Tissot (1836-1902) en van Jean-Michel Basquiat uit de New Yorkse Mugrabi-collectie. Op dit moment is er tot 26 augustus een expositie te zien met werk van Joseph Mallord Turner.

41.1 Rome, Santa Maria della Pace, Chiostro di Bramante. Foto: mei 2013

Rome, S.M. della Pace, Chiostro di Bramante

41.2 De kerk werd tussen 1480 en 1484 herbouwd door Sixtus IV op de restanten van een oudere kerk, en dat dan ter herdenking van de overwinning op de Turken bij Otranto in 1481, nadat hij een kruistocht tegen ze had afgeroepen. Afgezien daarvan bestond er hier ook een legende dat op deze plaats een madonnabeeldje had gebloed. De koepel is van Antonio Sangallo junior, en dateert van 1530. De kerk werd in 1611 opnieuw verbouwd, en later in de eeuw nog een keer. De prachtige halfronde porticus met de Toscaanse zuilen werd gedaan door Pietro di Cortona, al werd zijn ontwerp voor het pleintje ervoor nooit door hem afgemaakt. Hij deed ook de gevel van de Santi Luca e Martina. Het front met portico is duidelijk geïnspireerd door Bernini's Sant' Andrea al Quirinale. Het ontwerp van het kerkje wekt, zoals het hier staat, bewust de indruk van een klein theater, met de twee vleugels, aan beide zijden waarvan de straat loopt. Het pleintje voor de kerk is net groot genoeg om er de koets te parkeren waarmee bezoekers werden gebracht.

De eerste kapel aan de zuidkant (rechterzijde) is de Chigi-kapel, die werd ontworpen door Rafaël. Agostino Chigi (1466-1520) was een schatrijke bankier uit Siena, die Minister van Financiën was (zullen we maar zeggen) voor Paus Julius II, en die zelf een groot sponsor was van de schone kunsten. Het verhaal gaat dat Chigi, na de luxueuze maaltijden die hij organiseerde het zilverwerk in de Tiber gooide, om op die manier zijn minachting te tonen voor het aardse slijk, waarna zijn personeel het er weer uitviste, met behulp van speciaal in het water gespannen netten. Rafaël behoorde tot zijn favorieten en die voerde drie maal een opdracht voor hem uit: hier dus, maar ook in de Chigi-kapel in de S. M. del Popolo, en voor de Villa Farnesina, die in Trastevere staat, recht tegenover het andere Palazzo Farnese in het Marsveld, en die later bezit werd van de Farneses (vandaar de naam).

41.2 Rome, Santa Maria della Pace. Foto: mei 2009.

Rome, Santa Maria della Pace

41.3 Hier tref je aan een paar bijzonder mooie, door Rafaël rond 1511 geschilderde fresco's. Die werden in 2003 gerestaureerd. Te zien zijn vier sibyllen, met daarboven vier profeten (Daniel, David, Jona en Hosea), aan wie door engelen de toekomst wordt getoond. Rafaël zelf deed de sibillen (uit Cumae, Perzië, Phrygia en de Tiburtijnse), een leerling schilderde de profeten. Daaronder waren gepland de opstanding van Jezus, met verschrikt kijkende soldaten, en een ongelovige Thomas. We kennen  het ontwerp van een tekening, maar het is nooit uitgevoerd.

Tegenover de fresco's van Rafaël bevindt zich een bijzonder mooi fresco van Baldassare Peruzzi (een leerling van Bramante), met de maagd Maria, en Sint Catharina, en de donor, Ferdinando Ponzetti, van wiens familie zich hier ook de graven bevinden, met daarop vier bustes. Boven het altaar bevindt zich het zo vereerde beeldje van de Madonna della Pace, dat toen het door een steen werd getroffen, zou hebben gebloed. Dat vormde dan ook mede de aanleiding tot de bouw van de kerk. Buiten boven de deur was er al een kopie van te zien.

41.3 Rome, Santa Maria della Pace, Chigikapel, Rafaël (1483-1520), Sybilles, 1511-1513. Fresco, onderlangs: 615 cm. Bron: Chapman 2004

Rome, S.M. della Pace, Rafaël, Sybillen

SANTA MARIA DELL' ANIMA

42.1 Dit kerkje werd tussen 1500 en 1523 herbouwd op de plek waar een oratorium stond, een klein kapelletje dus. En dat was gebouwd door een Duits lid van de pauselijke garde. Ernaast stond toen al een hospitaal voor de Duitsers in de stad. Rome was een stad waar veel nationaliteiten aanwezig waren, en elke groep had zijn eigen verblijfplaatsen. Wij bezoeken het kerkje om (laat ons ook eens) een patriottistische reden. Buitenlandse pausen (pontefici barbari, zeggen de Italianen) en daarmee bedoelen wij wel maar zij misschien niet, van buiten Italië afkomstigen, zijn een relatieve zeldzaamheid. En wie ligt hier begraven? Juist. Wat goed van je. De laatste paus voor Johannes Paulus II (gestorven 2004) van buitenlandse herkomst. Paus Adrianus VI dus, afkomstig uit Utrecht. Inmiddels hebben we sinds 2013 een nieuwe buitenlandse paus, Franciscus I (Bergoglio), uit Argentinië. De kerk is toch ook een beetje een Nederlandse kerk, al is daar lang over gestreden. De Duitse broederschap die er gevestigd is, biedt soms ook onderdak aan Nederlanders. De eigenlijke (heel wat minder prestigieuze) Nederlandse kerk, de Friezenkerk is weggestopt in een uithoek vlakbij de Sint Pieter. Wie hier trouwens ook begraven moet zijn, al vergeet ik elke keer naar zijn steen te zoeken, is de Nederlandse schilder Matthijs Bril (1550-1583), die hier plotseling op jonge leeftijd stierf, nadat hij een jaar eerder was getrouwd met een Italiaanse. Ook zijn broer Paul werd hier trouwens in 1626 begraven.

42.1 Rome, Santa Maria dell' Anima. Foto: Mei 2013

Rome, Santa Maria dell' Anima

42.2 Adrianus was paus van januari 1522 tot september 1523. Hij was een echte geleerde, die de kerk van binnenuit probeerde te hervormen, met het doel de Lutherse reformatie de pas af te snijden. Maar met zijn aanpak werd hij niet populair bij de goeddeels Italiaanse kerkadministratie, de curia. Sterker nog: hij was regelrecht gehaat. Alleen al het feit dat hij als eerste paus ooit (en als tot nu toe slechts éen van de twee) zijn naam niet veranderde - want hij heette al Adriaan, wat dus Hadrianus werd - baarde opzien en vooral ergernis. Die andere paus was trouwens Marcellus II, die slecht 22 dagen als paus regeerde in 1555. Op de tombe van onze Adriaan staat als een soort excuus geschreven, in het Latijn: PROH DOLOR QVANTUM REFERT IN QVAE TEMPORA / VEL OPTIMI CVIVSQVE VIRTVS INDICAT: Helaas, van hoeveel belang is, zelfs voor de besten, de tijd waarin hij leeft. Met andere woorden: je kunt nog zo'n kerel zijn, als de tijd je tegenzit, bereik je niks. Het kerkje dankt zijn naam aan een nog steeds veel aanbeden beeldje boven de ingang (een kopie) van Sansovino, met Maria tussen twee zielen in het Purgatorium. Het origineel bevindt zich binnen.

42.2 Rome, Santa Maria dell' Anima. Tombe van Adrianus IV. Bron tekst: Tyler Lansford. Foto: mei 2013

Rome, Santa Maria dell' Anima, Tombe van Adrianus IV

SANT' AGOSTINO

43.1 Aan het noordelijke uiteinde van Navona ligt bovenaan een flinke trap de wat streng ogende Sant' Agostino. Het is éen van de weinige Romeinse kerken waarvan de gevel tijdens de barok niet is aangepakt, zodat de façade echt nog uit de renaissance stamt, net als die van de Santa Maria del Popolo. De kerk werd gebouwd in opdracht van de schatrijke Franse kardinaal D' Estouteville, door Giacomo di Pietrasanta, in 1479. De gevel telt twee ordes, waarvan de lagere door pilasters is verdeeld in drieën, met onder een pediment een centrale toegang, en twee zijdeuren met een oogvenster erboven. Het bovenste deel met een groot roosvenster is door massieve voluten met het onderste verbonden. Deze kerk is misschien minder in trek bij toeristen, maar zeer geliefd onder de Romeinen zelf, die dan ook voortdurend af en aan lopen om te bidden en de mis te bezoeken. De gelovigen, en dan met name het vrouwelijke deel, gaat het deels om het graf van Santa Monica (de moeder van kerkvader Augustinus), deels om de Madonna del Parto van Jacopo Sansovino (1486-1570), onmiddellijk rechts van de ingang. Augustinus' moeder zou naar beweerd op doorreis in Ostia zijn gestorven en hier begraven liggen. Sansovina 's Madonna (ook wel: Vergine, maagd dus) zou voorspoed brengen aan pasgeboren kinderen. Beweerd wordt dat Sansovino als model voor zijn maagd een klassiek voorbeeld koos van Agrippina met het kind Nero. Wij hebben met dat alles niets van doen. Wij zijn hier om snel een blik te werpen op een paar schilderijen. Het hoofdaltaar van de kerk is trouwens van Bernini.

43.1 Rome, Sant' Agostino. Foto: mei 2013

Rome, Sant' Agostino

43.2 Ik laat, zo schreef ik al naar aanleiding van de Galleria Doria Pamphilj, op deze pagina voorlopig 9 werken van Caravaggio zien, omdat die nu eenmaal allemaal in de stad aanwezig en voor het publiek toegankelijk zijn. De eerste twee waren allebei vroege werken, Caravaggio's Maria Magadalena en zijn Rust op de Vlucht naar Egypte. Dan hangt hier als derde, in de Sant' Agostino, Caravaggio's Madonna dei Pellegrini. Vervolgens zijn er het Martelaarschap van Mattheus, de Roeping van Mattheus en zijn Mattheus en de Engel, alle drie in de San Luigi dei Francesi. Dan zijn er nog de De kruisiging van Petrus en De bekering van Paulus, beide in de Santa Maria del Popolo. Voor de zevende ten slotte, en misschien ook de beroemdste, de Kruisafname moet u naar de Vaticaanse Pinacotheek.

Hier, in de Sant' Agostino, hangt in de kapel links naast de ingang van Caravaggio (1571-1610) zijn Madonna dei Pellegrini (ook wel: Madonna di Loreto). De opdracht voor het schilderij kreeg hij in 1604. Twee jaar later werd het schilderij voor het eerst getoond. Volgens een legende werd in 1294 het huis van de maagd Maria uit Nazareth verplaatst naar Rijeka, in het huidige Kroatië, en vandaar naar een laurierbos in de Marken, aan de oostkust van Italië. Ja, zeg dat wel. Waarom kon dat niet gewoon in één keer? De plaats zou in elk geval de naam Loreto krijgen. Loreto is heden ten dage de belangrijkste Italiaanse pelgrimsplaats. Dat dit ook Loreto is, moeten we maar geloven. Waar veel schilders die het zelfde thema kozen, een door de lucht vliegend huis tonen, pakt Caravaggio de zaak heel anders aan. Hij toont Maria met Jezuskind in de deuropening van een armelijk, vervallen huis, aanbeden door twee pelgrims. Maria is afgebeeld op blote voeten, de pelgrims ook. Maar die van Maria zijn - voor zover zichtbaar - puntgaaf, die van de pelgrim zien er uit alsof ze vele kilometers achter de rug hebben. Logisch. Toen het schilderij voor het eerst werd getoond, ontstond er ophef over, zoals wel vaker het geval is bij Caravaggio, vanwege zijn voor die tijd opvallend realisme. De opdrachtgevers echter, de paters Augustijnen, waren bijzonder ingenomen met het werk, dat al snel beroemd was.

43.2 Rome, Sant Sant Agostino. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610), Madonna dei Pellegrini, olieverf op linnen, 260 x 150 cm. 1604-1605. Bron: Vodret 2009

Caravaggio, Madonna dei Pellegrini, 1604-1605

43.3 Er zijn maar twee kerken in Rome waar werk van de schilder Rafaël te zien is, namelijk de Santa Maria della Pace, waar we net waren, en die waar we nu zijn, de Sant' Agostino dus. We treffen hier (op de derde pilaar van het hoofdschip, aan de rechterzijde) een fresco aan van Rafaël, dat werd gemaakt in 1512. Het stelt de profeet Jesaja voor en werd geschilderd als proef voor een hele reeks, maar de Luxemburgse humanist die de opdracht gaf, Johannes Goritz, was ontzet over de prijs van 50 scudi. Rafaël riep Michelangelo erbij als onpartijdig beoordelaar, en die vond dat alleen al de knie van Jesaja 50 scudi waard was. Een wonder is dat niet, want het fresco is sterk beïnvloed door Michelangelo's werk in de Sixtijnse kapel, waar die zelf ook een Jesaja had gemaakt. Het is trouwens ook echt een flinke knie. Rafael zou niet meer in de kerk werken. Direct onder de profeet bevindt zich weer een fraaie beeldengroep van Sansovino, de heilige Anna en de maagd Maria met Jezuskind.

43.3 Rome, Sant Sant Agostino. Rafaël (1571-1610), Jesaja, 1511-1512. Fresco, 250 x 155 cm. Bron: Chapman 2004

Sant'Agostino, Rafaël, Jesaja

SAN LUIGI DEI FRANCESI

44.1 Dit is de Franse kerk van Rome, de San Luigi dei Francesi. De Franse gemeenschap in Rome beschikte tot op dat moment alleen over een kapel in de Sant' Andrea della Valle. De San Luigi, die onder andere is opgedragen aan Lodewijk IX (de Heilige), werd gebouwd tussen 1518 en 1589. Ontworpen werd hij door Giacomo della Porta (1533-1602) en gebouwd door Domenico Fontana (1543-1607), voltooid pas na persoonlijk ingrijpen van Catharina de Medici die grond schonk voor de bouw.

44.1 Toegeschreven aan Giacomo della Porta: vroege tekening van de laat-renaissancistische façade van de San Luigi dei Francesi. Bron: Gunn 1981

Giacomo della Porta, Façade San Luigi dei Francesi

44.2 Hier bevinden zich - links achterin, aan de noordzijde - in de Contarelli-kapel maar liefst drie Caravaggio's, alle drie scènes uit het leven van de apostel Mattheus. Caravaggio schilderde ze tussen 1597 en 1602, en het waren zijn eerste publieke opdrachten in de stad Rome. Aan de zijkanten hangen (links) De roeping van de heilige Mattheus, rechts zijn Martelaarschap, terwijl frontaal in het midden zichtbaar is Sint Mattheus en de engel. Ze werden praktisch tegelijkertijd geschilderd met zijn werk voor de Santa Maria del Popolo, de Kruisiging van Petrus en de Bekering van Paulus.

44.2 Rome, San Luigi dei Francesi. Foto: mei 2013

Rome, San Luigi dei Francesi

44.3 De twee schilderijen aan weerszijden waren dus de eerste publieke opdrachten die Caravaggio in Rome verwierf, eind juli 1599, voor een bedrag van 400 scudi, en wel van de rectoren van de San Luigi, vermoedelijk via een tussenpersoon, Kardinaal del Monte, of misschien via de met Caravaggio bevriende dichter Giovan Battista Marino, aldus in elk geval Vodret 2010. Die twee stonden beiden in contact met de Crescenzi en dat waren de erfgenamen van Kardinaal Matteo Contarelli, die in 1585 was overleden. De kunstenaar kreeg de opdracht de twee schilderijen binnen een jaar af te maken, zodat ze op tijd klaar waren voor het heilig jaar 1600. Gezien de grootte van de doeken (ruim drie meter in het vierkant) ging het om een aanzienlijk karwei, waarvoor Caravaggio te leen ging bij modellen uit de Sixtijnse Kapel van Michelangelo. Op zo'n groot formaat had hij niet eerder gewerkt. Er zijn aanwijzingen gevonden dat bijgaand schilderij het eerste was dat werd uitgevoerd. Het onderwerp, Mattheus de Evangelist, lag voor de hand, aangezien hij de beschermheilige was van de feitelijke opdrachtgever, Kardinaal Matteo Contarelli. Bovendien had die de opdracht tamelijk nauwkeurig omschreven. Volgens de traditie zou Mattheus zijn vermoord op bevel van de Koning van Ethiopië, terwijl hij de mis opdroeg. De koning zat achter zijn eigen nicht aan, maar ze was een non, en derhalve had Mattheus hem voor zijn gedrag berispt. Op de voorgrond is zichtbaar Mattheus die strijdt met de ongelovigen, terwijl hij door éen van hen wordt vermoord. De staande, half geklede man is klaar om de doodsteek te geven, terwijl de anderen erom heen met afschuw toekijken. Links, tussen degenen die afstand nemen van het gewelddadige tafereel, zou Caravaggio ook zichzelf geschilderd hebben. Boven de apostel hangt de engel die hem, naar hem voorover gebogen, de palmtak van het martelaarschap aanreikt. Het gebaar van de evangelist zou geen angst of afschuw verraden, maar de gretigheid waarmee hij die palm wil aannemen. Een aantal van de personages is, net als op de andere doeken, weergegeven in moderne kledij. Een röntgenopname uit 1951 laat zien dat onder het huidige schilderij een eerdere, traditionelere versie aanwezig is, waarop de personages kleiner dan levensecht zijn uitgevoerd. Het schilderij lijkt me voor Caravaggio's doen nog tamelijk traditioneel en het minste van de drie.

44.3 Rome, San Luigi dei Francesi. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610) [Martirio di San Matteo] Het martelaarschap van de Heilige Mattheus, 1599-1600. Olieverf op linnen, 323 x 343 cm. Bron: Vodret 2009

Caravaggio, Het Martelaarschap van Mattheus

44.4 De Roeping van Mattheus werd speciaal geschilderd om tegenover het martelaarschap te worden gehangen, onmiddellijk na dat schilderij. Om een tafel zit een gezelschap dat bezig is de geïnde belastinggelden te tellen, onder hen ook Mattheus. Ter rechterzijde staat, half van ons afgekeerd, Petrus, en daarachter Christus zelf, wiens wijzende hand precies zichtbaar is in de straal licht die door het vertrek valt, en die de belastingambtenaar Levi - de latere Mattheus - aanwijst en oproept hem te volgen. De hand in kwestie doet sterk denken aan het beroemde exemplaar van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel. Mattheus kijkt ongelovig en niet-begrijpend, terwijl hij vragend naar zichzelf wijst: Ik? Het kleurengamma van dit schilderij is veel levendiger dan dat van het eerst gemaakte. Vodret merkt op dat het schilderij zodoende een sterk contra-reformatorische lading krijgt, door de rol van Christus als verzoener en redder. Christus' roep aan Levi om hem te volgen krijgt de verder strekkende betekenis van een bekering. Petrus' aanwezigheid, door Caravaggio blijkbaar pas op het laatste moment toegevoegd, terwijl die in het traditionele verhaal niet wordt genoemd, onderstreept dat idee door de rol van de kerk (waarvan Petrus traditiegetrouw het symbool is) te beklemtonen. Het schilderij telt nauwelijks pentimenti, zo vermeldt Vodret nog, wat bewijst dat het zonder veel aarzeling is opgezet. Ook hier zijn de personages in eigentijdse kledij gestoken.

44.4 Rome, San Luigi dei Francesi. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610) [Vocazione di San Matteo] De roeping van de Heilige Mattheus, 1599-1600. Olieverf op linnen, 322 x 340 cm. Bron: Vodret 2009

Caravaggio, De Roeping van Mattheus

44.5 De opdracht voor het stuk dat tussen de twee andere boven het altaar zou komen te hangen, kreeg Caravaggio pas op 7 februari 1602, nadat een andere schilder, de Vlaming Jacob Cobaert, er niet in was geslaagd zijn Mattheus en de Engel te vervaardigen. Caravaggio kreeg 150 scudi voor de opdracht en had maar weinig tijd, want het werk moest af zijn op 23 mei, Pinksteren. De eerste versie die Caravaggio maakte, en waarop te zien is hoe een naast Mattheus zittende engel hem bijwijst terwijl hij zijn evangelie schrijft, werd geweigerd door de congregatie van de San Luigi. Dat schilderij kwam terecht in de collectie van Markies Vincenzo Giustiniani, die het blijkbaar onmiddellijk na de weigering kocht, en het ging ten slotte in 1945 in Berlijn verloren. Mattheus zat er op dat schilderij bij als een eenvoudige boer, de blote benen over elkaar geslagen, de blote voeten op de voorgrond, terwijl de engel dus zijn hand geleidde. Blijkbaar ging dat de broeders te ver, terwijl toch inmiddels ook andere schilders het hadden verkozen Mattheus op die manier af te beelden, zo Rafaël. Quella figura non haveva decoro, né aspetto di Santo, schreef tijdgenoot Bellori: de figuur had geen decorum en niet de schijn van heiligheid. Maar het kan ook zijn dat het formaat van de omgeving waarin het schilderij moest komen te hangen een rol speelde bij de afwijzing. Caravaggio maakte uiteindelijk van Mattheus een geleerde aan een tafel, in klassieke kledij, met een pen in de hand, het gezicht naar de engel gedraaid in een poging inspiratie te verwerven. Die telt blijkbaar op de vingers af wat er allemaal nog moet gebeuren. De kruk waar de evangelist op zit, hangt half in het luchtledig, over de rand zo lijkt het van het schilderij, iets wat Caravaggio vaker zal doen om het tafereel dichter naar de kijker te trekken. Het moet op tijdgenoten in elk geval een spectaculaire indruk hebben gemaakt, niet alleen vanwege de wijze waarop de engel uit de lucht lijkt te zijn gevallen, maar ook door de beweging die er op het schilderij aanwezig lijkt. Door velen worden de drie hier hangende schilderijen uit het vroegere werk beschouwd als de beste die Caravaggio maakte. Ze zijn minder gelikt, en minder opgelegd dramatisch dan veel van zijn latere werk. En dat lijkt me vooral voor dit schilderij te gelden.

44.5 Rome, San Luigi dei Francesi. Michelangelo Merisi di Caravaggio (1571-1610), [San Matteo e l' Angelo] De Heilige Mattheus en de Engel, 1602. Olieverf op linnen, 296.5 x 195 cm. Bron: Vodret 2009

Rome, San Luigi dei Francesi, Caravaggio, San Matteo e l'Angelo

PANTHEON

45.1 Het Pantheon is heden ten dage - al moet het me geen gemakkelijke zaak zijn de bezoekersaantallen te tellen - het drukst bezochte monument van Italië, naar ik vermoed mede omdat het nu eenmaal gratis is. Maar dat duurt misschien niet zo lang meer. Want vanaf eind 2016 - zo merk ik maar op - was het de bedoeling dat u voor het Pantheon ging betalen, 4 euro, zo is bepaald. Dat gaat ook gelden voor heel wat andere, tot nu toe gratis toegankelijke Italiaanse cultuurlocaties. Iedereen in Europa doet het, zei Minister van Cultuur Dario Franceschini, wijzend op de alom bestaande neiging zoveel mogelijk cultuur te gelde te maken. Overigens kunt u er op dit moment, mei 2018, nog steeds gratis naar binnen. En gratis zal het blijven, zo heeft Alberto Bonisoli, de nieuwe Minister van Cultuur, eind 2018 besloten.

Als je nu voor het Pantheon staat, moet je je realiseren dat in de oudheid de voorhal (pronaos) en de koepel niet tegelijkertijd zichtbaar waren. Voor het gebouw stonden twee zuilengangen die de constructie erachter aan het gezicht onttrokken. Ook het plein erom heen was aanzienlijk ruimer dan nu, zodat het gebouw in oorsprong minder gedrongen leek. Bovendien werd het huidige voorportaal gebouwd bovenaan een trap van vijf treden, die over de hele breedte van het gebouw liep, maar die nu onder het moderne plaveisel is verdwenen. Het hoogteverschil van het huidige straatniveau en dat van de 1e eeuw is aanzienlijk, ook vanwege de talrijke overstromingen waardoor het gebied in de loop der eeuwen is geteisterd.

Over de naam Pantheon heerste al in de oudheid onbegrip. In de derde eeuw schreef Cassius Dio: Misschien heeft het die naam omdat er beelden van veel goden staan, onder andere Mars en Venus, maar volgens mij komt het, omdat het Pantheon door zijn koepel op de hemel lijkt. Wellicht is het het veiligst aan te nemen dat het Pantheon evenzeer wereldlijk monument was als tempel. Volgens de moderne stand der wetenschap was zo'n oorspronkelijk pantheon een offerplaats, gewijd aan de heersersfamilie, zoals dat in de Hellenistische wereld gebruikelijk was. Dat werd dan gewijd aan de twaalf hemelse godheden, waarbij de heerser zich als één daarvan liet vereren. Anderen zien het gebouw heden ten dage eerder als een keizerlijke gehoorzaal, waarbij het goed uitkwam dat het ook religieuze associaties opriep. Gezien Hadrianus' oosterse inspiratie is die gedachte niet vreemd. Augustus vertrouwde de bouw van het oorspronkelijke Pantheon in elk geval toe aan Agrippa (64-12 vC), die een aanzienlijk deel bezat van dit vroeger aan Pompeius behorende gebied. Hier vlakbij ontstonden met de thermen van Agrippa ook de eerste openbare thermen van de stad Rome. Het Pantheon vormde een onderdeel van de intense bouwactiviteiten van Augustus en leden van zijn familie. Alleen al in het jaar 29vC werden 82 tempels gerestaureerd, en Augustus beroemde er zich dan ook op dat hij een stad van steen had aangetroffen, en er een van marmer had nagelaten. Ja, die heb je al eens gehoord.

Het Pantheon is, zoals dat heet, een pronaos met een overwelfde rotonda en werd in 27 vC gebouwd als tempel in travertijn tijdens het derde consulaat van Marcus Vipsianus Agrippa (63-12 vC) - schoonzoon en beoogd opvolger van Augustus en pas in derde instantie getrouwd met diens zedeloze dochter Iulia - ter herdenking van de overwinning bij Actium over Antonius en Cleopatra. Volgens de gewoonten van die tijd wilde Agrippa dat laten weten ook: M(ARCUS) AGRIPPA L(UCII) F(ILIUS) CO(N)S(UL) TERTIUM FECIT staat er op de architraaf, onder het nu lege gevelveld: Marcus Agrippa, zoon van Lucius, voor de derde keer consul, heeft deze tempel laten bouwen. De inscriptie is trouwens hersteld in 1894. Agrippa was consul geweest in 37, 28 en 27 vC. Het Pantheon werd tegen de thermen van Agrippa aan gebouwd. Restanten ervan zijn nog goed te zien aan de achterzijde van het Pantheon. De tempel werd bij een brand in 80 ernstig beschadigd en herbouwd door Domitianus. Ondanks de aan M. Agrippa gewijde inscriptie is het huidige Pantheon een geheel nieuwe versie, ontworpen en gebouwd tijdens Hadrianus, nu in baksteen, op grotere schaal en afgemaakt tussen 118 en 125. Hadrianus herstelde, beschaafd als hij was, ook de oude wijdingstekst en veroorzaakte daar heel wat misverstanden mee. Het zal duidelijk zijn dat een periode van minder dan tien jaar voor de bouw van een dergelijk geheel een grondige organisatie heeft vereist.

45.1 Rome, Pantheon, Geveltekst met wijding. Foto: oktober 2005

Rome, Pantheon, Wijding

45.2 De fundamenten waarop de muren kwamen te staan, worden gevormd door een massieve betonnen rand van 7.50 breed, die tot 4.50 meter onder de grond werd neergelegd. De doorsnee van de koepel is gelijk aan de hoogte: 43.3 meter. Het licht valt in de koepel door de oculus. De muren van de trommel waar de koepel op rust, zijn 6 meter dik. Het materiaal dat is gebruikt voor de koepel wordt lichter naarmate er hoger werd gebouwd. Helemaal onderop is voor de fundering travertijn gebruikt, in het laagste deel van de koepel tufsteen en travertijn, in de lagen erboven alleen tuf- en puimsteen. Beide steensoorten zijn zeer poreus en licht. De cassetten die je aan de binnenkant van de koepel ziet, dienen niet alleen voor de versiering. Ze zorgen ervoor dat het gewicht van de koepel te dragen blijft voor de muren. Het zijn er 28, en dat getal werd in de oudheid beschouwd als volmaakt, omdat de som van de deelgetallen (1, 2, 4, 7 en14) gelijk is aan het getal zelf. In het lichaam van de koepel zijn op tal van plaatsen holtes aangebracht om uitdroging van het materiaal te voorkomen.

De bouw van de koepel is één van de opvallendste architectonische feiten uit de oudheid. Toen de architect Brunelleschi in de vijftiende eeuw de kathedraal van Florence moest overkoepelen, leverde het Pantheon hem uiteindelijk het antwoord op de vraag hoe hij dat karwei moest aan te pakken. En later bestudeerde ook Michelangelo, voor hij de koepel van de Sint Pieter tekende, grondig het Pantheon. Als bewijs van respect, zo wordt beweerd, hield hij de zijne iets kleiner.

De pronaos (voorhal) is gebouwd op de fundamenten van de Tempel van Agrippa. De zuilen van de pronaos zijn van twee verschillende soorten Egyptisch graniet. De lengte ervan is één van de standaardmaten volgens welke zulke zuilen werden gefabriceerd. In dit geval zijn ze 12.2 meter. Toen in 1626 en wederom in 1666 besloten werd de twee ontbrekende zuilen aan de oostkant van de pronaos alsnog neer te zetten, kostte het weinig moeite elders in Rome twee andere te vinden van dezelfde maten. Ze kwamen ten slotte uit de baden van Septimius Severus. Het Pantheon werd wederom hersteld door Septimius Severus en Caracalla, later door Phocas (wiens zuil op het Forum vermoedelijk als dank werd neergezet), en gegeven aan paus Bonifatius IV, die er in 609 een kerk van maakte: Santa Maria Rotonda of ad Martyres. Rotonda werd het gebouw al genoemd door de Romeinen, uiteraard vanwege de vorm. Ad martyres vanwege de volgens legende 28 karrenladingen beenderen die er heen werden gebracht uit de catacomben. Daarmee was het Pantheon de eerste klassieke tempel die door de Christenen in gebruik werd genomen. Lange tijd zou dat zeldzaam blijven, want de tempels waren weliswaar in onbruik geraakt, maar ze bleven staatseigendom. Kerken werden bovendien vaak gebouwd op (heilige) graven, en die lagen noodzakelijkerwijs buiten de muren. Hier ging het dus andersom. De graven kwamen naar de kerk.

Het interieur van het Pantheon bestaat in wezen uit drie niveaus. Op het onderste bevinden zich rondom in de muren nissen waarin beelden van de goden stonden opgesteld. Op het tweede niveau bevonden zich blinde vensters omgeven door zuilen van porfier. Die werden in de 18e vervangen door de huidige, door zuilen omgeven nissen met daarboven een fries. Twee van de oorspronkelijke nissen met blinde vensters en marmer fineer werden later weer in oorspronkelijke staat teruggebracht. Het cassettenplafond is eigenlijk het derde niveau.

45.2 Rome, Pantheon, Plattegrond en doorsnede. Conceptuele reconstructie van Pantheon en Porticus. Bron: Coarelli 2007, 73

Rome, Pantheon, Doorsnede en plattegrond

45.3 In 663 werden de vergulde bronzen tegels uit het cassettenplafond weggehaald door een Byzantijnse keizer. Later zijn ze vervangen door lood. Ten slotte werden in de renaissance ook nog de bronzen plafondtegels uit de pronaos weggehaald door Urbanus VIII, die ze omsmolt voor kanonnen op het Castel Sant' Angelo. De familienaam van Urbanus VIII luidde Barberini. Ik hoor hier dan ook Pasquino te citeren, want dat is zo de gewoonte. Die schreef: Ouod non fecerunt barbari fecerunt Barberini: Wat de barbaren niet deden, deden de Barberini. Wat wel weer een grappig detail is: de bronzen ornamenten van de graftombe van Victor Emanuel in het Pantheon zijn afkomstig van de reeds genoemde omgesmolten kanonnen van de Engelenburcht, die dus waren gemaakt van brons uit het Pantheon. Zo zet de geschiedenis de dingen soms weer op hun plaats, zij het niet helemaal dezelfde. Beweerd wordt nog wel dat het baldakijn onder de koepel in de Sint Pieter eveneens van het brons uit het Pantheon is gemaakt, maar dat is onjuist. De deuren, die staan er al twintig eeuwen, dat wel. Met een paar deuren op het Forum, die van de Tempel van Divus Romulus (maar niet die van de Curia, want die staan in de Sint Jan), zijn het de enige in Rome die op hun plaats zijn gebleven. Wel waren ze oorspronkelijk bedekt met goud. Dat hebben de Goten ooit meegenomen. In 1632 voegde Bernini in opdracht van Urbanus VIII (weer hij) twee klokkentorens toe aan het Pantheon, tegen de trommel aan, op de hoeken van de pronaos. Ze werden al gauw orecchie d'asino, de ezelsoren genoemd en in 1883 weer verwijderd. Op bijgaande foto is dat dus nog niet gebeurd. Ik schreef elders al, naar aanleiding van Bernini's Buste van Innocentius X, dat het met zijn torentjes wel vaker slecht afliep. Ook die op de Sint Pieter werden afgebroken. Inmiddels was het Pantheon bezit geworden van de Italiaanse koning. Het werd omgedoopt tot basilica Palatina.

De marmeren vloer is hersteld in 1873 en toont het originele Romeinse ontwerp. Koning Victor Emanuel II, de eerste Italiaanse koning, ligt er begraven, evenals zijn zoon en opvolger, Umberto I (1900) die door een anarchist bij een aanslag werd vermoord, en ook diens vrouw, Margaretha van Savoie (1926). Victor Emanuel III, die samenwerkte met Mussolini, ligt hier niet, evenmin als diens zoon Umberto II, die maar enkele weken regeerde, en daarna bij referendum werd afgezet. Wel bevindt zich in het Pantheon het graf van de jong gestorven schilder Rafaël (1483-1520) met een wat somber grafschrift: Hier rust Rafaël. Toen hij leefde, vreesde de Natuur door hem overtroffen te worden. Zij vreest met hem te sterven, nu hij dood is. De dood van Rafaël was om meer dan éen reden betreurenswaardig. Toen hij een flauwte had gekregen, gaven de artsen hem in plaats van eten een aderlating, wat het einde van de jonge schilder zeer bespoedigde. Wel stierf hij volgens de traditie in de armen van éen van zijn modellen, een welgeschapen bakkersdochter. Dat moet een hele troost voor hem zijn geweest. Zij was overigens de beroemde Fornarina, wier portret je kunt zien in het Palazzo Barberini. In 1833 opende men Rafaels graf en trof er - macaber toneel - het skelet van de kunstenaar aan, in een laag Tibermodder. Na het een paar dagen te hebben tentoongesteld in een vitrine, hebben de autoriteiten de stoffelijke resten opnieuw begraven. Ook de componist Corelli ligt hier trouwens.

Op de Piazza della Rotonda staat een fontein uit 1575 van Sarmani, terwijl de obelisk die je ziet één van de oudste is in de stad, en dateert uit de 13e eeuw v Chr. Hij werd aan de fontein toegevoegd in 1711. Het pleintje zelf was tot ver in de 19e eeuw een vlees- en vismarkt. Het was trouwens ooit bestraat met houten parket, dat een Argentijnse schenking was, en dat diende om de graven van de Italiaanse koningen het lawaai van het verkeer te besparen. Het werd vervangen door asfalt, dat ten slotte in 1997 plaats maakte voor kasseien, de befaamde sampietrini.

45.3 Rome, Pantheon, nog met aanbouw Bernini en het hek om de fontein. 1880. Bron: D' Orazio 2004.

Rome, Pantheon, 1880

SANTA MARIA SOPRA MINERVA

46.1 olifantje, kuiken
Voor de kerk Santa Maria sopra Minerva staat de obelisk met het olifantje van Bernini, bijgenaamd Pulcino della Minerva. Beide waren ooit bedoeld als versiering voor het Palazzo Barberini. De obelisk lag in de tuin van het klooster van de kerk; ze kwam uit de Tempel van Isis die ooit hier stond en werd naar Rome gebracht onder Diocletianus. De inscriptie in hiëroglyfen verwijst naar Apries, de laatste onafhankelijke farao van Egypte (6de eeuw voor Christus). De broeders wilden hem voor de kerk hebben. Bernini bedacht het olifantje, symbool voor het christendom. Het zadeldek werd toegevoegd omdat een van de broeders uit het klooster meende dat de holle buik van de olifant de obelisk niet zou kunnen dragen. Maar dat is vermoedelijk allemaal onzin.

In werkelijkheid zou Bernini een gegeven uit een roman van (vermoedelijk) Francesco Colonna (ca. 1433-ca. 1527) hebben gebruikt. Het betreft diens hoogst merkwaardige - en naar het schijnt éen van de mooist uitgegeven boeken ooit, maar ook éen van de meest onleesbare - Hypnerotomachia Poliphili, van 1499, dat werd gepubliceerd door de beroemde Venetiaanse drukker Aldus Manutius. De titel betekent zoiets als De strijd van Poliphilo om liefde, in een droom. Het erotisch getinte boek werd geschreven in een mengeling van Latijn, Grieks, Toscaans en zelf gevormde woorden, wat éen en ander niet begrijpelijker maakt. De naam van de auteur viel alleen af te leiden uit een in het boek voorkomend acrostichon van de eerste letters van de hoofdstukken: poliam frater francivs colvmna peramavit. Er bestaan van het boek vele herdrukken, vertalingen en imitaties. Ike Calonia (wie anders) leverde er in 2006 een Nederlandse vertaling van. Toeval of niet, in het zelfde jaar kocht een andere Nederlander, miljonair Bay van der Bunt, in het dagelijks leven verzamelaar van alcoholhoudende dranken (echt waar), op een Parijse veiling de Franse vertaling, die ooit in het bezit was van Willem van Oranje, onze vader des vaderlands. In 2018 liet hij de kostbare uitgave langs de Nederlandse musea reizen, aldus berichten in de pers van juni 2018. Van der Bunt heeft toegezegd haar uiteindelijk te zullen schenken aan de Nederlandse staat. Hoe dan ook: in het boek komt de hoofdpersoon een stenen olifant tegen die een obelisk op de rug draagt. De pagina waarop dat plaatsvindt, is geïllustreerd met een houtsnede die verdacht veel lijkt op Bernini's uiteindelijke ontwerp. Aangenomen mag worden dat Bernini de afbeelding kende. De uitvoering ervan is overigens van de hand van Ferrata, een van Bernini's leerlingen. De bijnaam luidde aanvankelijk porcino (varkentje), en is nu, al is niet helemaal duidelijk waarom, Pulcino; en dat is een kuiken. Dat volk ook, dat doet maar wat. Het olifantje werd in november 2016 door vandalen, of door voetballende kinderen, daar werd over getwist, beschadigd. Eén van de slagtanden bleek afgebroken. Na een kleine operatie ten koste van pakweg 3000 euro werd het arme dier kort daarna gerepareerd.

46.1 Santa Maria sopra Minerva, Bernini: Il Pulcino, obelisk met olifant. Foto: mei 2009

Bernini, Olifantje met obelisk

46.2 santa maria sopra minerva
De erg mooie kerk dateert uit 1280, is één van de weinige voorbeelden van gotiek in Rome en werd gebouwd naar het voorbeeld van de S. Maria Novella in Florence. In Rome was de traditie van de oude (Romaanse) kerken zo sterk dat de gotiek er geen ingang vond. De S.M. sopra Minerva was zoals gezegd lange tijd de kerk van de Florentijnen in Rome en werd later het traditionele bolwerk van de Dominicanen. De kerk is gebouwd op klassieke resten, zij het niet die van een tempel van Minerva, al leverde dat idee wel de bijnaam sopra Minerva op, maar op een Isistempel.

46.2 Rome, Santa Maria sopra Minerva. 1 Façade, 17e eeuws met centrale toegang, 2 Gotisch schip, 3 Graftombes van Diotisalvi Neroni († 1482), 4 Monument voor Virginia Pucci Ridolfi († 1568), 5 Kapel van de annunciatie van Bruno Maderno, 6 Aldobrandinikapel, 7 Kapel van St. Raymond van Penafort 8 Carafakapel, met schilderwerk van Filippino Lippi, 9 Tombe van William Durand, bisschop van Mende († 1296), 10 Rozenkrans- of Capranicakapel, 11 Hoogaltaar, met Sarcofaag van Catherina van Siena, en twee Medicipausen: Leo X en Clemens VII, 12 Beeld van de verlosser met kruis, van Michelangelo, 13 Graf van Fra Angelico, 14 Sacristie, 15 Kapel van Sint Dominicus, 16 Graf van Andrea Bregno († 1506), 17 Graf van Maria Raggi († 1643) door Bernini, 18 Kapel met monumenten voor Maria Colonna-Lante, Giulio Lante della Rovere en hun dochter,19 Graziolikapel, 20 Graf van Francesco Tornabuoni († 1480) door Mino da Fiesole, 21 Gang naar kloosterhof en Dominicaans klooster, 23 Kloosterhof. Bron: Gunn 1981

Santa Maria sopra Minerva

46.3 In de 17de eeuw kreeg de kerk een klassiek jasje van Maderna, waarna ze in 1847 weer min of meer in originele vorm werd hersteld. Dak, roosvensters en decoraties dateren van de restauratie in de 19de eeuw. Aan het zuidelijke zijschip bevindt zich in de vijfde kapel (die van de Annunciatie van. Maderna) van Antoniazzo Romano (ca. 1430-ca. 1510) op een gouden achtergrond een altaarstuk dat de annunciatie voorstelt met Kardinaal Juan de Torquemada (oom van de inquisiteur). Het laat zien hoe hij drie arme meisjes naar de maagd Maria leidt, ter herdenking van de Broederschap van de Annunziata, gesticht in 1460, die bruidsschatten verschafte aan arme meisjes.

46.3 Rome, Santa Maria sopra Minerva. Foto: mei 2009

Rome, Santa Maria sopra Minerva

46.4 angelico
In het klooster naast de kerk stierf in 1455 Fra Angelico. Hij was hier op eigen grondgebied, want de Santa Maria sopra Minerva was (dus) lange tijd de Florentijnse kerk van Rome. Het klooster is nu het Ministerie van Posterijen en Telecommunicatie. In Rome is er werk van hem te zien in de Vaticaanse Pinacotheek en in de Kapel van Nicolaas V in het Vaticaans Paleis, al werkten daar Benozzo Gozzoli en Gentile da Fabriano aan mee. Verderop toon ik een Madonna van Angelico, uit de Vaticaanse pinacotheek. Hij ligt hier begraven, net als Pietro Bembo en de heilige Catherina van Siena. De marmeren grafsteen is werk van Isaiha da Pisa (1397-1464). Angelico is erop afgebeeld in het habijt van de Dominicanen, terwijl er oorspronkelijk twee grafschriften bestonden, waarvan er éen - in een steen aan de wand - nu verdwenen is, en het andere nog te zien is op de grafsteen zelf. Beide waren naar wordt aangenomen van de hand is van de humanist Lorenzo Valla (1407-1457). Op de steen staat te lezen: Qui giace il venerabile pittore Fra Giovanni dell' Ordine dei Predicatori. Che io non sia lodato perché sembrai un altro Apelle, ma perché detti tutte le mie ricchezze, o Cristo, a te. Per alcuni le opere sopravvivono sulla terra, per altri in cielo. La città di Firenze dette a me, Giovanni, i natali: Hier rust de eerbiedwaardige schilder broeder Giovanni, van de Orde der Predikheren. Dat ik niet moge worden geloofd omdat ik een tweede Appelles leek, maar omdat ik al mijn rijkdommen, o Heer, schonk aan U. Sommige werken overleven op aarde, andere in de hemel. De stad Florence schonk mij, Giovanni, de geboorte.

46.4 Rome, Santa Maria sopra Minerva, Graf Fra Angelico. Foto: mei 2009

Santa Maria sopra Minerva, Graf Fra Angelico

46.5 catharina van Siena
Onder het moderne hoogaltaar bevindt zich het graf van Catharina van Siena. Ze is de Italiaanse nationale heilige, mede omdat ze erin slaagde de pausen uit Avignon terug te laten keren naar Rome. Achter de sacristie (noordelijk dwarsschip) bevindt zich de kamer waar ze in 1380 stierf. Kardinaal Barberini liet hem overbrengen van de Via di Santa Chiara waar ze op dat moment verbleef.

46.5 Rome, Santa Maria sopra Minerva. Graf van Catharina van Siena. Foto: mei 2009

S.M. sopra Minerva, Graf van Catharina van Siena

46.6 In het zuidelijke dwarsschip bevinden zich in de tweede kapel aan het eind (de Cappella Carafa) beroemde fresco's van Filippino Lippi uit 1489. Boven het altaar een Annunciatie met de Heilige Thomas van Aquino, die Kardinaal Oliviero Carafa aan de maagd presenteert. Op de eindmuur Hemelvaart, op de rechtermuur beneden St. Thomas die de ketters in de war brengt met zijn spitsvondigheid; in dit fresco zijn de twee jongeren in de groep rechts de toekomstige Medici-pausen, Leo X en Clemens VII. Beiden zijn in deze kerk begraven, maar niet Carafa, al was hij dat aanvankelijk wel van plan.

Oliviero Carafa (1430-1511) kwam uit een bekende adellijke familie uit Napels en werd door Paus Paul II (Barbo, 1464-1471) in 1467 tot kardinaal benoemd. Sinds 1458 was hij ook aartsbisschop van die stad, maar hij woonde desondanks in Rome, waar hij tegelijkertijd diende als diplomatiek afgezant van Napels aan het Pauselijk hof. Carafa leidde bijvoorbeeld de pauselijke vloot om de Aragons en Venetianen te steunen tegen de Turken en werd na een aantal overwinningen in Rome als held ontvangen. Hij werd in 1478 benoemd tot beschermheer van de Dominicaanse Orde. Zijn reputatie was - in tegenstelling tot heel wat van zijn collega's - vlekkeloos. Carafa was een aanhanger van Thomas van Aquino, hechtte waarde aan strikte kloosterregels en kerkhiërarchie en moest weinig hebben van het Neo-Platonisme dat zo in de mode was en dat sterk seculiere trekken had. Hij was bevriend met schrijvers en kunstenaars en koos als persoonlijk embleem een geopend boek. Carafa was aanvankelijk van plan zich te laten begraven in de Santa Maria sopra Minerva, hoofdkwartier van de Observante Domincanen. Filippino Lippi was de zoon die was geboren uit een geruchtmakende affaire tussen de monnik (Fra) Filippo en de non Lucrezia Buti. Vader Fra Filippo was éen van de beroemdste schilders van de vijftiende eeuw en ook de zoon, wiens geboortedatum niet vastststaat, zou beroemd worden. Filippino leerde schilderen van zijn vader en kwam uiteindelijk in Florence terecht bij Botticelli. Vasari schrijft dat Filippino de opdracht voor de Carafakapel aannam via Carafa's vriend, Lorenzo de Medici. In 1486 liet Carafa de kapel vergroten. Aangenomen wordt altijd dat toen Paus Alexander VI (Borgia, 1492-1503) in 1493 de kapel bezocht, Lippi's werk voltooid was. Het is naar Roettgens mening niet uitgesloten dat hij ook medeverantwoordelijk was voor de architectuur van de kapel.

46.6 Rome, Santa Maria sopra Minerva, Fra Filippino Lippi (1457-1504), Carafakapel. Breedte: 7.25 m. Diepte: 6.17 m, hoogte: 11.83 m. Bron: Roettgen 1996

Santa Maria sopra Minerva, Carafakapel

46.7 Op De triomf van het ware geloof, zoals het stuk officieel heet, combineert de schilder in éen altaarstuk de Maagd Maria (die ook al aanwezig is in het gewelf van de kapel), met de Heilige Thomas (van Aquino) en de opdrachtgever vcan de kapel, Oliviero Carafa. Zoals Thomas bij Maria pleit voor de schenker, zo pleit Maria voor ons allemaal. Carafa had een bijzondere reden om te kiezen voor Aquino (1225-1274), want hij was van moederszijde familie. Afgezien daarvan werd hij, als vader van de middeleeuwse scholastiek vereerd als beschermheilige van studenten en boekverkopers en was hij een symbool van kuisheid. Aquino was natuurlijk zelf ook Dominicaan. Sterven deed hij in Fossanova, toen hij van Napels op weg was naar Lyon. Begraven werd hij in Toulouse.

46.7 Rome, Santa Maria sopra Minerva Fra Filippino Lippi (1457-1504), Carafakapel: Altaarfresco, Annunciatie van de maagd met Thomas van Aquino als tussenpersoon voor de schenker, 1488-1491 Bron: Roettgen 1996

S.M. sopra Minerva, Fra Filippo Lippi, Annuciatie

46.8 In de apsis bevinden zich van beelden voorziene graven van Leo X en Clemens VII. In de vloer liggen stenen bij het graf van Pietro Bembo (1547) en, links van het koor in een gang, bij dat van Fra Angelico (1455). Het laatste is voorzien van enkele dichtregels van Paus Nicolaas V. Aan de trap van het koor staat De verrezen Christus> die het kruis draagt van Michelangelo. Het beeld werd in 1521 door de beeldhouwer afgeleverd, voor het bedrag van 200 dukaten. Het bronzen kleed is een latere toevoeging.

46.9 galilei
Interessanter dan dit alles is de wetenschap dat in het klooster ooit het proces tegen Galiwerd gevoerd. Het was in die periode het hoofdkwartier van de Dominicanen. Galiwas de man die beweerde dat de aarde draaide: eppur' si muove, zei hij: en toch beweegt hij. In 1616 werd Galina een verhoor nog door de inquisitie vrijgelaten, maar in 1633 werd hij gedwongen, zittend op zijn knieën, zijn opvattingen te herroepen. Hij werd tot levenslang veroordeeld, wat later werd omgezet in huisarrest. Galiwas een vroom katholiek die niet aarzelde om de bijbel te gebruiken als ondersteuning van zijn ideeën. Twee van de tien kardinalen weigerden in 1633 dan ook zijn vonnis te ondertekenen. Daarmee liep het met hem heel wat beter af dan – even terzijde - met Giordano Bruno (1548-1600), over wie we al spraken in verband met het Campo de' Fiori. Overigens heeft de kerk, bij monde van Johannes Paulus II, Galiin 1992 officieel in ere hersteld. Maar al in 1712 werd door de katholieke kerk, zonder het hardop te zeggen, het onderwijzen van Galilei´s theorie toegestaan. En in 1741 stond ze de publicatie toe van een van zijn tot dan toe verboden boeken, zij het met 40 keer de toevoeging vermeende voor de zinsnede beweging van de aarde. Maar al toen Galidoor de inquisitie werd veroordeeld, waren er kardinalen die op hun kamer een draaibare globe hadden staan. Sommige kerkleiders beschikten over een globe die op het oog onbeweeglijk was, maar die met een beweging van de hand in een draaibaar exemplaar kon worden veranderd. Zulke globes kwamen vaak uit Nederland. Ja, dat zijn grappige details. En tot slot: nogal wat katholieke kerken werden, vanwege hun omvang, letterlijk gebruikt als observatorium. Eén daarvan, de Torre dei Venti (de toren der Winden) bevindt zich al eeuwenlang bovenop het Vaticaanse paleis. Galiligt begraven in Florence, in de Franciscaanse kerk daar, de Santa Croce, net als Michelangelo en Macchiavelli (maar niet Dante, al bevindt er zich wel een leeg graf voor hem, in de ongetwijfeld vergeefse hoop zijn stoffelijke resten aan Ravenna te ontfutselen).

46.10 stendhal
Rechts van de simpele façade (uit 1453) bevinden zich kleine marmeren plaquettes die de hoogtes aangeven die overstromingen van de Tiber bereikten voor de rivier werd gekanaliseerd. Op een andere plaquette wordt Stendhal herdacht, die hier tussen 1834 en 1836 in het voormalige Palazzo Conti woonde. Er wordt vermeld dat Stendhals Wandelingen door Rome hem de betiteling Romein zouden doen verdienen. Dat is grappig, want hij liet op zijn grafsteen Milanese zetten. Ik houd veel van Stendhal, dat zal duidelijk zijn.

46.10 Santa Maria sopra Minerva, Aan Stendhal gewijde plaquette. Foto: mei 2009

Aan Stendhal gewijde plaquette

47.1 tempel van hadrianus
Als je vanaf de kerk weer in noordelijke richting loopt, de Via della Minerva uit en een beetje rechts aanhoudt, de Via dei Pastini langs, kom je terecht op Piazza di Pietra, wat zoiets betekent als plein van steen. En onbegrijpelijk is dat niet. Want daar staat alles wat er nog over is van het Hadrianaeum, zo geheten omdat de resten van de tempel van Hadrianus die je nu ziet, onderdeel vormden van een groter complex. Wat er over is van de tempel zijn 11 van de oorspronkelijke 13 zuilen van de noordoostelijke lange zijde en de muur van de cella. De zuilen zijn 15 meter hoog. Muur en zuilen werden in 1695 door de architect Francesco Fontana (1668-1708) in opdracht van Innocentius XII (Pignatelli, 1691-1700) in een nieuw gebouw voor het pauselijk douanekantoor opgenomen, dat diende ter inklaring van de goederen die over land werden aangevoerd, want voor het vervoer per schip was er een ander kantoor aan de Ripa Grande. Op dat moment veronderstelde men nog dat de tempel was gewijd aan Neptunus. Toen werden de ruimtes tussen de zuilen gevuld. In 1873 werd het gebouw gekocht door de Kamer van Koophandel en vond er een renovatie plaats onder de architect Virginio Vespignani (1808-1882) die het gebouw een klassieker aanzien gaf, maar pas in 1928 werd de ruimte tussen de zuilen weer geopend. Die zuilen, die nu op straatniveau staan alsof het zo bedoeld is, bevonden zich in werkelijkheid natuurlijk op een 4 meter hoog podium van peperino dat er zich nu onder bevindt. Ik volg bij dit alles Coarelli, want elders zie ik ook andere getallen. Overigens is de oorsprong van de naam van het plein niet helemaal duidelijk. Aangenomen mag worden dat er hier in elk geval genoeg steen voorhanden was, zeker gezien het feit dat er zich vlakbij nog een tempel bevond, eveneens gebouwd in opdracht van Hadrianus.

47.1 Rome, Piazza di Pietra, resten van de Tempel van Hadrianus. Nu het beursgebouw. Foto: oktober 2014

Rome, Tempel van Hadrianus

47.2 Want Coarelli schrijft, misschien niet zonder ironie, dat Hadrianus (keizer van 117 tot 138) wellicht de enige mens ter wereld is geweest die ooit een tempel oprichtte voor zijn schoonmoeder, want behalve de tempel die nu op Piazza di Pietra staat, wijdde hij er ook éen aan de moeder van zijn vrouw, Keizerin Sabina. Die Tempel van Matidia (zoals de moeder heette) moet hebben gestaan op, of bij wat nu Piazza Capranida is, hier niet ver vandaan. Daar resteert er, aan Vicolo della Spada d'Orlando, nog een fragment van een zuil van, waar nu een legende mee verbonden is geraakt over het zwaard Durendal, uit het Chanson de Roland, vanwege een diepe groef die erin zichtbaar is. De steeg werd blijkbaar vernoemd naar de legende. In de inleiding bij de Amerikaanse uitgave van Coarelli's 555 pagina's dikke archeologische Romegids (Rome and environs), is het dit brokstuk waarnaar de vertalers ervan, Clauss en Harmon, verwijzen, als voorbeeld van Coarelli's ongeëvenaarde kennis van de stad. Hoe weet u in godsnaam dat het zich hier bevindt? krijgen ze met regelmaat van portiers en historisch onderlegde buurtbewoners te horen als ze zich ergens ter plekke melden. Hoe dan ook: de reden dat Hadrianus na zijn dood vergoddelijkt werd, zal dat wel niet geweest zijn. Die staat nu eenmaal bekend als éen van de goede keizers. De latere tempel voor hemzelf op wat nu Piazza di Pietra is, werd pas afgebouwd onder zijn opvolger, Antoninus Pius, in 145. Hij was peripteraal (dwz. met zuilen rondom) met 8 zuilen aan de korte zijde en 13 aan de lange. Elf van de 13 Korinthische zuilen in wit proconnesisch marmer (wit met grijze strepen, afkomstig van Marmora, dat in het Grieks Proconesos heet) van de rechterzijde van de tempel staan er nog met een doorsnede van 1.44 en 15 meter hoog. Daarachter staat nog de muur van de cella. De bases van de pilasters van de cella waren gedecoreerd met reliëfs met geografische personificaties die de Romeinse provincies voorstelden. Die staan nu op de binnenplaats van het Palazzo dei Conservatori van de Kapitolijnse musea. De gevelzijde van de tempel stond op het oosten, in de richting van de Via Lata, nu Via del Corso. Het podium was bekleed met marmer, net als de muur van de cella, die eveneens van peperino was, in opus quadratum. De architraaf en de friezen zijn maar ten dele origineel en hebben tal van restauraties ondergaan. De cella had geen apsis en de ruimte werd overkluisd door tongewelven met een cassettenplafond, waarvan een deel nog bestaat in het gebouw van de beurs. Omdat de tempel op een podium stond, lag er aan de voorgevel een trap, die - ik vermeldde het al - uitkwam op de Via Lata (nu Via del Corso). Aan die kant stond een triomfboog die toegang tot de tempel verschafte, de Boog van Hadrianus, ook wel van Antoninus genoemd, of van de Tosetti, omdat die familie in de middeleeuwen de grond eromheen bezat. Die boog verdween al in de 16e eeuw. Rond de tempel lag een groot plein met porticus met zuilen van giallo antico (geelachtig, ook wel Numidisch marmer), van zo'n 100 bij 90 meter.

47.2 Rome, Tempel van Hadrianus. Bron: Coarelli 2007, 74

Rome, Tempel van Hadrianus

MAUSOLEUM VAN AUGUSTUS

48.1 We lopen terug in de richting van de Tiber, het Lungotevere in Augusta uit, dat natuurlijk niet voor niets zo heet. Het is vernoemd naar de keizer, wiens mausoleum zich hier bevindt. Wanneer een keizer stierf, werden zijn resten gecremeerd op het Ostrinium (de brandplaats) vlakbij de San Carlo aan de Via del Corso. Helemaal bovenop de brandstapel bevond zich een adelaar in een kooi. Op hetzelfde moment als met afgewende ogen de brandstapel werd aangestoken, opende men de kooi en vloog de adelaar uit de rook omhoog, als symbool van de keizerlijke ziel die zich naar het hiernamaals begaf. Theater! De Italianen zijn er nog steeds goed in. Wat ooit de aanzienlijkste begraafplaats van Rome was, en ook wel Tumulus Caesarum, of Tumulus Iuliorum werd genoemd (een naam waarmee de jonge Augustus als Octavianus nog blijk gaf van zijn dynastieke ambities), is nu een heuvel met onkruid, omringd door cipressen en veel afval. De renovatie ervan staat hoog op de Romeinse agenda. Helaas is dat wel al vele jaren het geval. Augustus liet zijn mausoleum in 28 v.C. bouwen, misschien naar Etruskisch voorbeeld; anderen beweren dat het is geïnspireerd door het graf van Alexander de Grote. Ook het mausoleum van Halicarnassus zou als voorbeeld gediend kunnen hebben.

48.1 Rome, Campus Martius Noordelijk deel. Bron: Coarelli 2007, 77

Rome, Campus Martius Noordelijk deel

48.2 Het ronde gebouw heeft een diameter van 87 meter. Oorspronkelijk was het bedekt met een aarden tumulus van zo'n 30 meter hoog, beplant met cipressen en bekroond, naar men aanneemt door een beeld van de keizer zelf. De cirkelvormige basis is in opus reticulatum: rond een betonnen kern zitten piramidevormige stukjes steen met de punten in de muur, de vlakke basis naar voren in diagonale vorm zodat ze een netwerk maken. Ze is voorzien van nissen. Twee obelisken stonden volgens goed Egyptisch gebruik bij de ingang. De ene staat nu op het Piazza dell' Ouirinale, de andere op het Piazza dell' Esquilino, achter Santa Maria Maggiore. Bij de entree hingen ook inscripties met het testament van Augustus, waarvan een kopie is gevonden in Ancyra, het huidige Ankara. Het mausoleum telde vier rondlopende gangen, met erlangs twaalf compartimenten. De eerste die hier werd begraven was Augustus' favoriete neef Marcellus, die was getrouwd met Augustus' dochter Octavia. Hij stierf in 23 vC., mogelijkerwijs vergiftigd door Livia, de tweede vrouw van Augustus, die haar eigen zoon uit een eerder huwelijk, Tiberius, als troonopvolger prefereerde. Beroemde scene van Ingres, waarin Vergilius aan Augustus, Livia en Octavia voorleest de passage waarin Aeneas de onderwereld betreedt en vader Anchises hem Marcellus toont en zegt, als aankondiging van een vroege dood: Tu Marcellus eris: jij zult Marcellus zijn. In de cella werd een aan hem opgedragen inscriptie aangetroffen. In 14 werd ook de as van Augustus bijgezet. Daarna volgde die van de keizers Tiberius en Caligula, alsmede van twee keizerinnen, Livia en Agrippina. De vijfde en laatste keizer die er is bijgezet was Nerva, in 98. Claudius hier ook begraven is, is onzeker. De dochter lag er in elk geval niet en evenmin Nero.

48.2 Rome, Mausoleum van Augustus. Zeker, die ronde hoop achter dat hek, die is het. Met het graf van Augustus is het beroerd gesteld. Het staat al jaren achter de tralies. En het ziet er niet naar uit alsof daar snel verandering in komt. In januari 2016 werd een voorgenomen restauratie (kosten 10 miljoen) afgeblazen. Foto: oktober 2014

Rome, Mausoleum van Augustus

48.3 In een cella in het midden werden in 1926-30 bij opgravingen in een nis in het midden de urnen aangetroffen van Augustus en zijn vrouw Livia, en aan weerszijden die van zijn neven Gaius en Lucius Caesar, en van zijn zus Octavia. Wat er van de andere urnen is geworden, is onbekend. Maar van die van Agrippina weten we dat hij in de middeleeuwen als graanmaat werd gebruikt. Het nu enigszins macaber ogende monument heeft gediend als vesting van de Colonna, groeve voor travertijn, wijngaard, privé-tuin en tot de achttiende eeuw als arena voor stierengevechten. Daarvoor was een houten theater in de tumulus ingebouwd. Vervolgens werd het tot 1936 gebruikt als concertruimte. Op de restauratie van het complex lijkt een vloek te liggen. Ooit was de bedoeling het karwei te voltooien voor 2014, vanwege de herdenking in dat jaar van Augustus' dood 2000 jaar eerder. Maar dat ging niet door. Uitgerekend in dat jaar barstte een waterleiding en kwam een deel van het complex onder water te staan.

In oktober 2015 stelde Telecom Italia voor de restauratie ruim 6 miljoen beschikbaar en zo kon dat bedrag worden toegevoegd aan de 4 miljoen waar de staat al garant voor stond. De werkzaamheden zouden in januari 2016 beginnen en de beëindiging ervan werd voorzien voor maart 2017. Maar in januari 2016 kwam er toch weer een kink in de kabel. De uiteindelijke inkomsten van de talrijke ingediende voorstellen voor het hele project bleken veel te laag en de kosten te hoog, zodat de kwaliteit van het werk niet kon worden gegarandeerd. Een commissie deed onderzoek. Tijdens dat alles werd 4.5 miljoen uitgegeven zonder dat u en ik er ook maar iets van hebben gemerkt. Inmiddels heeft Telecom Italia zijn bijdrage verhoogd naar 8 miljoen en zijn de werkzaamheden aan het mausoleum echt begonnen. In april 2019 gaat het open voor bezoekers, zo is de bedoeling, alleen voor Romeinen gratis. Eerst zien, schrijf ik dan gewoonlijk. Voorlopig, zo mag ik in oktober 2018 schrijven, terwijl de werkzaamheden weer eens stil liggen, gaat het hier al 20 jaar gevestigde restaurant, Gusto geheten, dicht, omdat de eigenaar van het vastgoed het gebouw in de verkoop doet. Geruchten gaan dat er binnen drie jaar een luxe hotel zal verschijnen, van Bulgari. Kijk, dat geloof ik dan wel weer.

48.3 Giovanni Battista Piranesi (1720-1778), uit: Le Antichità Romane [Pianto del Mausoleo di Ottaviano Agosto] Plattegrond van het Mausoleum van Ocatavianus Augustus. 330 x 230 mm. Bron: Ficacci nr. 174

Piranesi, Mausoleum van Augustus

ARA PACIS AUGUSTAE

48.4 Een van de opvallendste monumenten in Rome is de Ara Pacis, letterlijk altaar van de vrede. Het herdenkt de vrede die in het Romeinse rijk heerste na de overwinningen van Augustus. Oorspronkelijk stond de Ara Pacis op de plaats waar de Via Flaminia de stad binnenkwam. Het geheel werd in de jaren 1937-38 gereconstrueerd uit verspreide fragmenten en is toen ook verplaatst naar hier, waar het nu bij het Mausoleum van Augustus staat. Open ging het op de laatste dag van de herdenkingsfeestelijkheden van de tweeduizend jaar eerder geboren Augustus, op 23 september 1938. Van dat museum is nu het nog enige resterende deel de oostelijke muur met de integrale tekst van Augustus' Res Gestae Divi Augustii, dat ooit bij de ingang van zijn mausoleum moet hebben gestaan. Het toenmalige museum werd, net als het plein om het mausoleum heen, dat Piazza Augusto Imperatore heet, ontworpen door de architect Vittorio Ballio Morpurgo. Dat alles gebeurde dus, niet toevalligerwijs, onder Mussolini, die zichzelf uiteraard in Augustus herkende. De hele omgeving oogde decennia lang ernstig verwaarloosd, maar inmiddels is het complex grondig aangepakt. De Ara Pacis zelf werd voorzien van een nieuwe, extreem moderne  behuizing, ontworpen door de Amerikaanse architect Richard Meier. Het kwam af in 2006. Het was een tijdlang de meest omstreden locatie van Rome en een vorige burgemeester, Alemanno, meldde - voordat hij werd gekozen, dat wel - dat hij Meiers constructie zou laten verwijderen. Dat is uiteraard niet gebeurd. Daarna werd door de vorige burgemeester, Ignazio Marino, besloten om bij de Ara Pacis de weg te ondertunnelen, om de verkeersdruk daar weg te nemen en de omgeving te renoveren. Dat besluit werd een jaar later teruggedraaid. De Ara Pacis werd ingewijd op het Marsveld op 4 juli van het jaar 13vC. In 9 v.C. werd hij opgedragen aan de overwinningen die Augustus had behaald in Gallië en Spanje, en ter viering van de vrede die daarna heerste. Dat is duidelijk geworden uit de inscripties die Augustus een jaar voor zijn dood in 14 op bronzen tabletten had opgehangen: de Res Gestae Augusti. Een kopie bevindt zich in Meiers nieuwe museum.

In 1958 werden bij de opgravingen van de fundamenten van het Palazzo Fiano (aan de Corso, even voorbij het Piazza del Parlamento) dat boven op de Ara Pacis was gebouwd, negen blokken met friezen van het altaar gevonden en gekocht door Cardinale Ricci da Montepulciano voor de Groot­hertog van Toscane. Elk blok werd voor het transport in drieën gezaagd. Die gingen naar het Uffizi in Florence. Daarbij werden twee blokken over het hoofd gezien die op het zelfde moment waren opgegraven. Een daarvan ging naar het Louvre, het andere naar het Vaticaanse museum. In 1859 werd bij de restauratie van het Palazzo Fianohet voetstuk van het monument gevonden, met de linker helft van het reliëfpaneel met het offer van Aenaes en andere fragmenten. Die gingen in 1898 naar het Mus. Naz. Romano. In 1903 vond men de marmeren kubussen die het altaar oorspronkelijk ondersteunden, delen van de friezen met acanthusbladeren, en ook aangetroffen werd het rechterdeel van een paneel met twee Flamines (priesters), waarop ook Augustus zelf te zien is, maar men slaagde er niet in het los te maken. Ten slotte werd in 1937 tot verdere opgravingen besloten. Men groef tot een diepte van 11 meter, bevroor het grondwater, waarbij nog een aantal andere fragmenten werd gevonden. De stukken uit het Uffizi en het Museo Romano werden teruggehaald, die uit het Louvre, het Vaticaan en de Villa Medici gekopieerd.

48.4 Rome, Entree Ara Pacis. Rechts op de achtergrond Piazza Augusto Imperatore. Foto: mei 2013

Rome, Entree Ara Pacis

48.5 Zoals gezegd was Mussolini verantwoordelijk voor het herstel in oude staat van de Ara Pacis. Aanvankelijk had hij ook met het gebied eromheen grootse plannen. Het vormde één van de kernpunten van zijn programma om het Rome van Augustus in ere te herstellen. Niet voor niets liggen hier overal ook andere gebouwen uit de dertiger jaren, helemaal in de fascistische stijl van die tijd gebouwd, zoals rond dit Keizer Augustusplein: Piazza Augusto Imperatore. Toch is het grotendeels bij plannen gebleven. De half leesbare (Latijnse) inscriptie rechts, daar neergehangen ter memorie van de architectonische activiteiten hier (hunc locum.... Mussolini Dux .... ornandum censuit), is gedateerd, behalve met de gebruikelijke versie in Latijnse cijfers (MDCCCCX, 1940), ook met een variant op de datering die Mussolini vanaf 27 oktober 1927 gebruikte ter aanduiding van zijn eigen nieuwe tijdperk: E.F., dwz Era Fascista, tijdperk dat nooit verder zou komen dan E.F. 21. Hier staat A.F.R. XVIII. 1922 was het jaar van de fascistische revolutie. Al in 2007 won een architect, Francesco Cellini (Rome, 1944), een internationale wedstrijd om het plein hier opnieuw in te richten, in samenhang dan met de gelijktijdig voortschrijdende renovatie van het Mauseolum van Augustus. Publieke werken zou 8.8 miljoen bijdragen voor een eerste termijn van de plannen, aan de zijde van Via Tomacelli. Het ontwerp had al in 2014 uitgevoerd moeten zijn, maar, zo schreef Repubblica in mei 2017: Er is nog geen sampietrino verplaatst. Ook de afdeling corruptiebestrijding heeft zich in de kwestie gemengd. Wordt vervolgd. Wel zijn er zo nu en dan tentoonstellingen in de als museum bestempelde ruimtes van de Ara Pacis, misschien om te voorkomen dat u denkt: daar was ik al eens. Tot 17 februari 2019 hangen er, onder de titel una vita tra parentesi (een leven tussen haakjes), foto's van Marcello Mastroianni, u weet wel. Het museum heeft een website. De toegang bedraagt, dinsdag tot en met zondag, van 9.30 tot 19.30 uur, anno 2018, € 10.50. En dat is zonder Marcello. Mèt betaalt u € 15,-

48.5 Rome, Piazza Augusto Imperatore, noordzijde. Foto: oktober 2014

Rome, Piazza Agusto Imperatore

ROND PIAZZA DEL POPOLO

49.1 porta del popolo
We lopen vanaf de Ara Pacis in noordelijke richting, de Ripetta uit, de weg langs de Tiber, en belanden zodoende op Piazza del Popolo, dat van oudsher de toegang tot de stad vormde voor iedereen die, zoals wij doen, uit het noorden van Europa de stad binnenkwam. Hier bevond zich ooit de Romeinse Porta Flaminia. De